CConstaterende datOisterwijk
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1c Toelichting Servennenstraat 11 en Molenakkerstraat 12

RAAD 27 juni 2024, gemeente OisterwijkBij agendapunt: Bestemmingsplan Servennenstraat 11 en Molenakkerstraat 12, Moergestel - AANVAARD35.976 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 5

SERVENNENSTRAAT 11 EN MOLENAKKERSTRAAT 12 bestemmingsplan

Servennenstraat 11 en M olenakkerstraat 12 bestemmingsplan

Ontwerp

Functie Projectleider F.C.J.L. Klomp-Pullens Adviseur ROM

Datum: 2 mei 2024

2

Inhoudsopgave Toelichting Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding voor het plan 1.2 Planlocatie 1.3 Geldende bestemmingsplannen 1.4 Leeswijzer Hoofdstuk 2 Planbeschrijving 2.1 Huidige situatie 2.2 Gewenste situatie Hoofdstuk 3 Beleidskader 3.1 Rijksbeleid 3.2 Provinciaal beleid 3.3 Gemeentelijk beleid Hoofdstuk 4 Ruimtelijke- en milieuaspecten 4.1 Milieu 4.2 Ecologie 4.3 Archeologie en cultuurhistorie 4.4 Verkeer en parkeren 4.5 Wateraspecten Hoofdstuk 5 Uitvoerbaarheid 5.1 Economische uitvoerbaarheid 5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Hoofdstuk 6 Wijze van bestemmen 6.1 Doel en reikwijdte 6.2 Onderdelen van een bestemmingsplan 6.3 Voorliggend bestemmingsplan

5 6 6 7 7 9 11 11 12 18 18 21 34 38 38 62 67 70 74 82 82 82 86 86 86 88

3

4

T oelichting

5

Hoofdstuk 1 1.1

Inleiding

Aanleiding voor het plan

Voorliggend plan betreft een gedeeltelijke herziening van het bestemmingsplan "Buitengebied" en de correctieve herziening daarop van gemeente Oisterwijk ten behoeve van de herbestemming van de voormalige bedrijfslocaties aan de Molenakkerstraat 12 en Servennenstraat 11 te Moergestel. In het hoofdstuk "Planbeschrijving" (hoofdstuk 2) wordt het initiatief verder toegelicht. Daar is ook een situatietekening van de nieuwe situatie opgenomen. De voorgenomen ontwikkeling is noodzakelijk om een aantal redenen. De initiatiefnemer exploiteert momenteel op beide locaties een intensieve veehouderij voor (onder andere) het houden van varkens. Op de locatie aan de Servennenstraat 11 wordt, naast varkens, eveneens rundvee gehouden. Op de locatie aan de Molenakkerstraat 12 worden, naast varkens, eveneens enkele paarden gehouden. De ontwikkelingen in de agrarische sector, en in het bijzonder de (intensieve) veehouderij volgen zich in hoog tempo op. Van veehouders wordt steeds meer verwacht dat zij aan steeds strengere eisen en regels gaan voldoen op het gebied van milieu, ammoniak, volksgezondheid, dierwelzijn, hygiëne en duurzaamheid. Daarvoor moeten veehouders vaak forse investeringen doen.

Hoewel de noodzakelijke investeringen in principe kunnen worden gedaan ziet de initiatiefnemer echter in dat de toekomst van de (intensieve) veehouderij niet zeker is en wil zich daarom niet blind staren op één afslag van de rotonde, maar ook andere afslagen verkennen. Het gaat dan om de mogelijkheden om te stoppen met het veehouderijbedrijf. In het kader van deze verkenning is eerder bij de gemeente daarom een principeverzoek ingediend voor de beëindiging van de (intensieve) veehouderijen. Op basis van het positieve principebesluit van de gemeente is dan ook gekozen deze weg in te slaan. Vanuit de Rijksoverheid is er, met name om de milieubelasting van de varkenshouderij op de omgeving terug te dringen, een subsidieregeling in het leven geroepen om stoppende varkenshouders financieel te ondersteunen. Deze saneringsregeling varkenshouderijbedrijven (Srv) heeft echter een beperkte tijdsduur. De initiatiefnemer heeft zich voor deze regeling ingeschreven en komt hiervoor ook in aanmerking. Met alleen de saneringsregeling wordt voor de initiatiefnemer echter onvoldoende financieel perspectief geboden. Er zal naast de saneringsregeling daarom ook nog perspectief op de locaties gecreëerd moeten worden om voldoende inkomsten te behalen om te voorzien in het noodzakelijke levensonderhoud.

Het is daarom voor de initiatiefnemer zaak om te zoeken naar een passende nieuwe invulling van de bedrijfslocaties, waarbij voldoende perspectief wordt geboden aan een duurzame economische invulling van de dan vrijkomende agrarische bedrijfslocaties. Op de locatie aan de Molenakkerstraat 12 worden de agrarische activiteiten in zijn geheel definitief gestaakt. Wat resteert is een bedrijfswoning met een vrijstaand bijgebouw, dat na herbestemming als burgerwoning wordt bestemd. De initiatiefnemer is een echte agrarische ondernemer en wenst daarom ook in de agrarische sector werkzaam te blijven. Op de locatie aan de Servennenstraat 11, waar initiatiefnemer ook zelf met zijn gezin woonachtig is, zal het agrarisch gebruik voortgezet worden in de vorm van een akkerbouwbedrijf met een tweetal overige activiteiten, te weten statische opslag en agrarisch technische werkzaamheden. De agrarisch technische werkzaamheden bestaan uit het opwaarderen van restproducten uit de voedingsmiddelenindustrie naar hoogwaardig duurzame veevoederstromen en het innemen, opslaan en distribueren van drijfmest voor eigen gebruik en voor derden. Binnen de inrichting zullen geen landbouwhuisdieren meer gehouden worden. Om de beoogde bedrijfsvoering op deze locatie uit te kunnen voeren wordt er naast de reeds aanwezige en vergunde loods een nieuwe loods gerealiseerd met een oppervlakte van circa 2.400 m².

Vanuit de Srv dient te worden geborgd dat er geen nieuwe intensieve veehouderij gevestigd kan worden. Derhalve zal de aanduiding 'intensieve veehouderij' van de locaties worden verwijderd. De gewenste ontwikkeling aan de Servennestraat 11 past niet binnen het bepaalde in het geldende bestemmingsplan. De gemeente heeft aangegeven in principe medewerking te willen verlenen met de voorgenomen ontwikkeling, mits hiervoor een partiële herziening op het bestemmingsplan wordt opgesteld 6

conform artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Voorliggend document dient als toelichting waarin voor beide locaties nader wordt gemotiveerd waarom de ontwikkeling mogelijk kan worden gemaakt en deze niet zal leiden tot onevenredige bezwaren op ruimtelijk en/of milieutechnisch vlak.

1.2

Planlocatie

De planlocaties zijn gelegen aan de Molenakkerstraat 12 en Servennenstraat 11 te Moergestel. Dit is het gebied ten zuiden van Moergestel richting Biest-Houtakker. De belangrijkste wegen in dit gebied zijn de Heuvelstraat en de Vinkenberg. Hier is sprake van een open landschap, waarbij een menging voorkomt van agrarische functies en woonfuncties. De oude bebouwingslinten zijn hier nog duidelijk zichtbaar in het buitengebied van gemeente Oisterwijk. De locatie aan de Servennenstraat 11 is kadastraal bekend onder gemeente Oisterwijk sectie L, nummers 501, 507, 1.059 (deels) en 1.060 (deels). De locatie aan de Molenakkerstraat 12 is kadastraal bekend onder gemeente Oisterwijk sectie L, nummers 478 (deels), 479 en 480. In het volgende figuur zijn de topografische liggingen van de locaties weergegeven.

Uitsnede topografische kaart locatie. Bron: J.W. van Aalst, www.opentopo.nl.

1.3

Geldende bestemmingsplannen

Ter plaatse is het bepaalde uit het bestemmingsplan "Buitengebied" en de correctieve herziening daarop van de gemeente Oisterwijk. De beide versies zijn geconsolideerd in de versie bestemmingsplan "Buitengebied" van 14 december 2017. Molenak kerstraat 12 Zoals te zien in het volgende figuur is ter plaatse een enkelbestemming 'Agrarisch'. Ter plaatse zijn de aanduidingen 'intensieve veehouderij', 'specifieke vorm van agrarisch - veehouderij' en 'veiligheidszone leiding' van toepassing.

7

Uitsnede verbeelding geldend bestemmingsplan Molenakkerstraat 12 te Moergestel Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl. De initiatiefnemer is voornemens het bedrijf op deze locatie te beëindigen en daarbij de bedrijfswoning om te schakelen naar een burgerwoning. Daarbij zal een bestaand bijgebouw bij de woning van ongeveer 170 m² worden behouden. In het geldende bestemmingsplan is voor de gewenste ontwikkeling een wijzigingsbevoegdheid opgenomen, waarbij de bestemming kan worden gewijzigd in een woonbestemming met behoud van maximaal 200 m² aan bebouwing mag worden behouden als bijgebouwen bij de woning. De voorgenomen ontwikkeling past binnen deze wijzigingsbevoegdheid. Echter vindt de ontwikkeling aan de Molenakkerstraat 12 gelijktijdig plaats met die aan de Servennenstraat 11. Zoals blijkt uit het volgende past de ontwikkeling aan de Servennenstraat niet binnen de wijzigingsbevoegdheden uit het geldende bestemmingsplan, waarmee geen toepassing kan worden gegeven aan de wijzigingsbevoegdheid voor bedrijfsbeëindiging en de omschakeling daarvan naar een woonbestemming voor een burgerwoning. Servennenstraat 11 Zoals te zien in het volgende figuur is ter plaatse een enkelbestemming 'Agrarisch'. Ter plaatse zijn de aanduidingen 'Intensieve veehouderij', 'specifieke vorm van agrarisch - veehouderij' en maatvoering 'Maximum aantal bouwlagen: 2' van toepassing.

Ook op deze locatie is deels de aanduiding 'veiligheidszone - leiding' van toepassing.

8

Uitsnede verbeelding geldend bestemmingsplan Servennenstraat 11 te Moergestel Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl. Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt het intensieve veehouderijbedrijf beëindigd en omgeschakeld naar een grondgebonden agrarisch bedrijf in de vorm van een akkerbouwbedrijf. Het uitvoeren van grondgebonden agrarische activiteiten is, op basis van het bepaalde in artikel 3.1 van het geldende bestemmingsplan, rechtstreeks toegestaan. De gewenste akkerbouwactiviteiten passen daarmee rechtstreeks binnen de bepalingen uit het geldende bestemmingsplan. De initiatiefnemer is echter voornemens om bij de grondgebonden agrarische bedrijfsvoering te voorzien in een tweetal nevenactiviteiten, zijnde statische opslag en agrarisch technische werkzaamheden, zijnde het opwaarderen van restproducten uit de voedingsmiddelenindustrie naar hoogwaardig duurzame veevoederstromen en het innemen, opslaan en distribueren van drijfmest voor eigen gebruik en voor derden. De nevenactiviteiten zijn niet rechtstreeks toegestaan vanuit het geldende bestemmingsplan. Er is eveneens geen wijzigingsbevoegdheid en/of afwijkingsmogelijkheid opgenomen om de gewenste nevenactiviteiten mogelijk te maken.

Daarnaast geldt vanuit de saneringsregeling varkenshouderijbedrijven (Srv) de verplichting om de deelnemende intensieve veehouderij te herbestemmen in die zin dat er ter plaatse geen nieuwe intensieve veehouderij gevestigd kan worden. In onderhavig geval betekent dit dat de aanduiding 'intensieve veehouderij' van de locatie zal komen te vervallen. Ook het verwijderen van deze aanduidingen is niet mogelijk vanuit het geldende bestemmingsplan. De voorgenomen ontwikkeling past daarmee niet binnen de bepalingen uit het geldende bestemmingsplan. Om deze reden is het noodzakelijk het geldende bestemmingsplan gedeeltelijk te herzien met een partiële herziening (ook wel postzegelbestemmingsplan genoemd). De gemeente heeft aangegeven in principe medewerking te willen verlenen, mits wordt aangetoond dat de ontwikkeling niet zal leiden tot bezwaren op ruimtelijk en/of milieutechnisch vlak. Middels voorliggende toelichting wordt de ontwikkeling nader gemotiveerd en wordt aangetoond dat deze niet zal leiden tot onevenredige bezwaren op ruimtelijk en/of milieutechnisch vlak.

1.4

Leeswijzer

Deze toelichting is als volgt opgebouwd: Hoofdstuk 2 bevat een beschrijving van de situatie ter plaatse zoals momenteel bekend en de gewenste situatie ter plaatse na realisatie van de plannen van de initiatiefnemer. Hoofdstuk 3 gaat in op de vigerende beleidskaders. Hierin worden de plannen van de initiatiefnemer getoetst aan het ruimtelijk beleid van het rijk, de provincie en de gemeente. Hoofdstuk 4 gaat in op de toetsing van het plan aan de aspecten milieu, ecologie, archeologie en 9

cultuurhistorie, verkeer en parkeren en water. Hierin worden verschillende bureaustudies beschreven en, indien van toepassing, uitgevoerde aanvullende onderzoeken beschreven. Hoofdstuk 5 gaat in op de uitvoerbaarheid van het plan. Hierin worden de financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan getoetst en wordt kort ingegaan op het aspect handhaving. Hoofdstuk 6 bevat de wijze van bestemmen. Hierin wordt nader gespecificeerd welke onderdelen een bestemmingsplan hoort te bevatten en welke bijzondere bepalingen ten aanzien van voorliggend plan van toepassing zijn.

10

Hoofdstuk 2 2.1

Planbeschrijving

Huidige situatie

2.1.1 Gebiedsprofiel De locaties zijn gelegen in het landelijk gebied van gemeente Oisterwijk. De omgeving van de locaties maakt onderdeel uit van het dekzandgebied. De gronden worden overwegend als agrarische productiegronden gebruikt. De verkavelingsstructuur betreft een gemengde kavelvorming met een grootschalige opzet. De onderlinge kavels worden gescheiden door lijnen in het landschap. In de nabije omgeving van de locaties zijn hoofdzakelijk agrarische bedrijven gelegen. Daarnaast bevindt zich in de directe omgeving een locatie waar een mestverwerkingsinstallatie gerealiseerd mag worden (Servennenstraat 6) en een burgerwoning (Molenakkerstraat 10). Op grotere afstand van de locaties is de bebouwing in het lint langs de Heuvelstraat en de bebouwing in het lint langs de Broekzijde. In beide linten bestaat de bebouwing voornamelijk uit burgerwoningen. In deze linten zijn de burgerwoningen op verschillende plekken afgewisseld met agrarische bedrijven en een enkele niet-agrarische functie.

2.1.2 Ruimtelijke structuur Molenak kerstraat 12 Op deze locatie is momenteel een intensieve veehouderij gevestigd. Ter plaatse mogen 3.808 vleesvarkens en 12 paarden gehouden worden. De aanwezige bebouwing bestaat uit meerdere bedrijfsgebouwen, waaronder diverse varkensstallen, meerdere voersilo's, luchtwassers en een woonhuis met bijgebouw. De varkensstallen zijn ongeveer 4.790 m² groot. Het bijgebouw bij de bedrijfswoning is ongeveer 180 m² groot. Ter plaatse is een bouwvlak toegekend. Het huidige bouwvlak is circa 1,5 hectare groot. In de volgende figuur is een luchtfoto opgenomen van de huidige situatie.

11

Luchtfoto huidige situatie ter plaatse bouwvlak Molenakkerstraat 12 Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl. Servennenstraat 11 Op de locatie is momenteel een intensieve veehouderij gevestigd. Ter plaatse mogen 67 stuks rundvee en 9.270 vleesvarkens gehouden worden. Ten behoeve van de huidige bedrijfsvoering vinden er ter plaatse eveneens agrarische technische werkzaamheden plaats in de vorm van het innemen, opslaan en distribueren van drijfmest voor eigen gebruik en voor derden en het opwaarderen van reststromen uit de voedingsmiddelenindustrie naar hoogwaardig duurzaam veevoederstromen. Deze worden dan vervolgens in het eigen bedrijf benut voor de aanwezige veestapel. De aanwezige bebouwing bestaat uit meerdere bedrijfsgebouwen, waaronder diverse varkensstallen, voeropslag, drijfmestsilo, sleufsilo's, werktuigenloods en overdekte grondstoffenopslag, meerdere voersilo's, luchtwassers en een woonhuis met bijgebouw. De oppervlakte aan varkensstallen bedraagt ongeveer 8.500 m². De aanwezige loods is ongeveer 1.410 m² groot en de drijfmestsilo is ongeveer 450 m² groot. Ter plaatse is een bouwvlak toegekend. Het huidige bouwvlak is circa 2 hectare groot. In de volgende figuur is een luchtfoto opgenomen van de huidige situatie.

Luchtfoto huidige situatie ter plaatse bouwvlak Servennenstraat 11 Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl.

2.2

Gewenste situatie

2.2.1 Ruimtelijke structuur Molenak kerstraat 12 De initiatiefnemer is voornemens de locatie te herontwikkelen naar een woonbestemming, waarbij de bedrijfswoning wordt omgezet naar een burgerwoning en het bijgebouw van circa 180 m² blijft staan. De agrarische bebouwing en overige voorzieningen worden gesaneerd. In de volgende figuur is de gewenste situatie in een situatieschets weergegeven. 12

Het bestemmingsvlak 'Wonen - 2' ter plaatse zal een omvang van circa 2.200 m² omvatten om de gewenste ontwikkeling mogelijk te maken.

Situatieschets gewenste situatie locatie Molenakkerstraat 12. Servennenstraat 11 Op de locatie aan de Servennenstraat 11 wordt het agrarisch gebruik voortgezet. Dit in de vorm van een akkerbouwbedrijf als hoofdactiviteit met een tweetal nevenactiviteiten, te weten statische opslag en agrarisch technische werkzaamheden. De agrarisch technische werkzaamheden bestaan, net als in de huidige situatie, uit het opwaarderen van restproducten uit de voedingsmiddelenindustrie naar hoogwaardig duurzame veevoederstromen en het innemen, opslaan en distribueren van mest voor eigen gebruik en voor derden. De bedrijfsvoering zal in hoofdzaak bestaan uit akkerbouw. De initiatiefnemer heeft hiervoor circa 36 hectare aan landbouwgronden in gebruik waarop verschillende gewassen worden geteeld. In de rekenmodule van het LEI Wageningen is op basis van de geteelde gewassen een berekening van de "Standaard Opbrengst" (SO) gemaakt. De SO berekent de arbeidsbehoefte bij een bedrijfsvoering volgens de opgegeven waarden. Uit de LEI berekening, waarvoor wordt verwezen naar bijlage 1 bij deze toelichting, blijkt dat het bedrijf met de geteelde gewassen een arbeidsbehoefte van 0,75 tot 1,5 (gemiddeld 1) arbeidsjaareenheden heeft. Een arbeidsjaareenheid betreft een arbeidsbehoefte voor 1 voltijd medewerker. Dit betekent dat het bedrijf een volwaardige arbeidsbehoefte heeft voor 1 voltijd medewerker.

Daarmee is het akkerbouwbedrijf aan te merken als een volwaardige hoofdactiviteit. 13

De opwaardering van reststromen naar veevoederstromen bestaat uit het vermengen, vermalen en vermoezen van diverse producten afkomstig van de humane voedingsindustrie, niet zijnde afvalstoffen, in een zodanige samenstelling dat de voedingswaarde optimaal past binnen het rantsoen van verschillende diersoorten. Het gaat nadrukkelijk niet om chemische of biologische processen waarbij de samenstelling van de reststromen wordt beïnvloed. Voorbeelden zijn: tarwezetmeel, glucose, maïsgluten, maïsweekwater, biergist, etc. Bij de opslag van een product worden alleen de noodzakelijke werkzaamheden verricht. Deze voldoen aan de door het productschap van diervoeders gestelde normen. De mengers worden gebruikt voor bijvoorbeeld het homogeen maken van een product. Dit gebeurt onder andere door bij de aanvoer de lading over verschillende silo's te verdelen en te mengen, maar ook het voorkomen van ontmenging van het product in de silo's. De mengers zijn voorzien van elektrisch aangedreven roerwerken. Ze zijn tevens voorzien van elektronisch weegstaven welke de juiste hoeveelheden aangeven. In de huidige situatie wordt de activiteit uitgevoerd ten behoeve van het eigen bedrijf. In de gewenste situatie zal de activiteit, bij wijze van nevenactiviteit bij de agrarische bedrijfsvoering, als agrarisch technische dienst aan andere veehouderijen worden uitgevoerd.

Het innemen, opslaan en distribueren van drijfmest voor eigen gebruik en voor derden ziet de initiatiefnemer als een activiteit van nuttige toepassing met een verdienmodel. De opslag van drijfmest is mest die afkomstig van veehouders uit de eigen regio, Midden-Brabant. De drijfmest zal aangewend worden op de eigen akkerbouwgronden en landbouwgronden van derden. Dit betreffen hoofdzakelijk gronden in de regio Midden-Brabant, waar onderhavige locatie gelegen is. Er vindt geen fysische of chemische bewerking van de drijfmest plaats anders dan wegen, bemonsteren en mengen van drijfmest. De drijfmest wordt wél gezien als afvalstof. Op de locatie is dus sprake van het opslaan of bewerken van een afvalstof, echter blijft deze opslag beperkt onder de drempelwaarde van 50 ton per dag. De mest zal in de bestaande mestsilo opgeslagen worden met een maximale opslagcapaciteit van 2.200 m3. Het maximale volume op jaarbasis bedraagt ca. 7.500 m³ gezien de huidige regels rondom het al dan niet mogen uitrijden van drijfmest. Eenzelfde gedachtegang ligt ten grondslag aan het verhuren van ruimte voor statische opslag. Ook deze activiteit dient ter verbreding van de agrarische bedrijfsvoering en tezamen met de overige activiteiten wordt er op deze wijze een duurzaam economisch model gevonden voor de vervolgactiviteiten ter plaatse.

De locatie is gelegen in de directe nabijheid van de A58, tussen Eindhoven en Tilburg. In afstemming met een aanbieder van statische opslagruimtes door heel Nederland is gebleken dat er in deze gemeente behoefte bestaat aan extra opslagruimtes. Alleen kan niet verzekerd worden dat de huurders alleen afkomstig zijn uit de eigen gemeente, want als het gaat om stallingslocatie voor kampeermiddelen is de locatie ook aantrekkelijk voor huurders uit de directe regio, Eindhoven - Tilburg. Om de beoogde bedrijfsvoering op deze locatie uit te kunnen voeren wordt er naast de reeds aanwezige en vergunde loods een nieuwe loods gerealiseerd met een oppervlakte van circa 2.400 m². De totale oppervlakte aan bedrijfsgebouwen bedraagt circa 4.200 m², waarvan circa 2.400 m² ten dienste staat van het akkerbouwbedrijf en circa 1.800 m² ten behoeve van de nevenactiviteiten. Naast de bedrijfsgebouwen zijn er nog diverse overige voorzieningen aanwezig als een mestsilo, bijproductensilo's, diverse sleufsilo's voor de opslag van agrarische producten, reststromen en veevoederstromen en parkeer- en rangeerterrein. Voor de opslag van de geteelde agrarische producten en ten behoeve van de nevenactiviteit zullen ter plaatse van een deel van de te slopen stallen nieuwe sleufsilo's worden aangelegd (in totaal 8 sleufsilo's met een totale oppervlakte van circa 2.200 m²).

De totale bebouwde oppervlakte zal met de voorgenomen ontwikkeling afnemen. Om ter plaatse te voorzien in een bouwvlak passend bij de voorgenomen bedrijfsomvang en in het kader van zorgvuldig ruimtegebruik zal het bouwvlak ter plaatse worden verkleind tot een oppervlakte van circa 1,5 hectare. In de volgende figuur is de gewenste situatie in een situatieschets weergegeven. De volledige tekening op schaal is opgenomen in bijlage 2 bij deze toelichting.

14

Situatietekening gewenste situatie Servennenstraat 11.

2.2.2 Landschappelijke inpassing Bij ruimtelijke ontwikkelingen is het van belang dat de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving niet verloren gaat maar, als mogelijk, juist wordt versterkt. Tevens is vanuit het ruimtelijke beleid (Interim Omgevingsverordening Provincie Noord-Brabant en Werkafspraken kwaliteitsverbetering landschap Hart van Brabant) een goede landschappelijke inpassing een vereiste. Om te onderzoeken of de ontwikkeling mogelijk kan bijdragen aan de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving is door een landschapsdeskundige voor elk van de locaties een tekening opgesteld waarop is aangegeven hoe de voorgenomen ontwikkeling op beide locaties landschappelijk zal worden ingepast. Deze tekeningen zijn in de volgende figuren weergegeven.

15

Tekening landschappelijke inpassing Molenakkerstraat 12. Bron: Van Dooren Landschap.

16

Tekening landschappelijke inpassing Servennenstraat 11. Bron: Van Dooren Landschap Deze tekeningen maken onderdeel uit van een landschappelijk inrichtingsplan dat ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling voor beide locaties is opgesteld. In dit landschappelijk inrichtingsplan is opgenomen op welke manier de voorgenomen ontwikkeling landschappelijk wordt ingepast en welke soorten beplanting daarvoor worden toegepast. Voor het gehele landschappelijk inrichtingsplan wordt verwezen naar bijlage 3 van deze toelichting. Bij de voorgenomen landschappelijke inpassing is rekening gehouden met de landschappelijke kwaliteiten van de omgeving en de structuren van het landschap. De inpassing sluit daarmee goed aan bij de huidige landschappelijke elementen in de omgeving. Hiermee kan worden gesteld dat ter plaatse wordt voorzien in een goede landschappelijke inpassing.

17

Hoofdstuk 3 3.1

Beleidskader

Rijksbeleid

3.1.1 Nationale Omgevingsvisie Op 11 september 2020 heeft de Rijksoverheid de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. De NOVI is de langetermijnvisie van het Rijk op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. Nederland staat voor een aantal urgente maatschappelijke opgaven die zowel lokaal als regionaal, nationaal en internationaal spelen. Grote en complexe opgaven zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland flink veranderen. Nederland kent echter een lange traditie van aanpassen. Deze opgaven worden dan ook benut om vooruit te komen en tegelijkertijd het mooie van Nederland te behouden voor de volgende generaties. Met de NOVI wordt perspectief geboden om deze grote opgaven aan te pakken, om samen het land mooier en sterker te maken en daarbij voort te bouwen op het bestaande landschap en de (historische) steden. Omgevingskwaliteit is het kernbegrip: dat wil zeggen ruimtelijke kwaliteit én milieukwaliteit. Met inachtneming van maatschappelijke waarden en inhoudelijke normen voor bijvoorbeeld gezondheid, veiligheid en milieu. In dat samenspel van normen, waarden en collectieve ambities, stuurt de NOVI op samenwerking tussen alle betrokken partijen. Met de ambities van het Rijk wordt veel gevraagd van de leefomgeving.

De ambities vragen meer ruimte dan er eigenlijk beschikbaar is. Derhalve wordt de volgende conclusie gesteld: niet alles kan en niet alles kan overal. De vraag daarbij is hoe kansen kunnen worden verzilverd en eventuele bedreigingen het hoofd geboden kunnen worden. Het Rijk moet en wil in dit proces het voortouw nemen. Schaarste betekent immers dat moet worden gekozen. De NOVI stelt een nieuwe aanpak voor: integraal, samen met andere overheden en maatschappelijke organisaties, en met meer regie vanuit het Rijk. Met steeds een zorgvuldige afweging van belangen wordt gewerkt aan de prioriteiten van de overheid: ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie, een duurzaam en (circulair) economisch groeipotentieel, sterke en gezonde steden en regio's en een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Voor deze prioriteiten zijn voor zowel de korte als lange termijn maatregelen nodig die in de praktijk voortdurend op elkaar inspelen. Daarbij staan de volgende maatregelen centraal: 1. Klimaatbestendige inrichting in 2050: Hierbij is het van belang dat het watergebruik beter wordt afgestemd op het beschikbare water en dat water langer wordt vastgehouden.

Tevens is van belang dat functies die gebruik maken van de fysieke leefomgeving meer worden afgestemd op de eigenschappen van het bodem-watersysteem en dat de energietransitie naar een volledig duurzame energiewinning verder wordt gestimuleerd en ontwikkeld. 2. Duurzame en circulaire economie: Hierbij is het van belang dat de gevolgen voor de economie, mede door de COVID-19 pandemie, zoveel mogelijk worden beperkt en dat bij de locaties van kantoren, bedrijventerreinen, grootschalige logistieke functies en datacentra, naast de vraag van bedrijven en economische vitaliteit, aansluiting wordt gehouden op het verkeers en vervoersnetwerk, het elektriciteitsnetwerk en rekening wordt gehouden met de aantrekkelijkheid en kwaliteit van stad en land. Daarbij wordt ingezet op actieve clustering van (grootschalige) logistieke functies op logistieke knooppunten langs (inter)nationale corridors en worden investeringen gedaan in het duurzaam en circulair maken van de economie en energievoorziening in samenhang met het versterken van de kwaliteit van de leefomgeving. 3.

Ontwikkeling Stedelijk Netwerk Nederland: Hierbij is het van belang dat wordt gebouwd aan sterke, aantrekkelijke en gezonde steden met een goed bereikbaar netwerk van steden en regio's, dat aan woningbouw een nieuwe, stevige impuls wordt gegeven en dat zo veel mogelijk in bestaand stedelijk gebied wordt ontwikkeld, klimaatbestendig en natuurinclusief. Daarbij behouden grote open ruimten tussen de steden het groene karakter, wordt het aanbod en de kwaliteit van groen in de stad versterkt en wordt de aansluiting op het groene gebied buiten de stad verbeterd. 4. Geleidelijke en zorgvuldige herindeling van het landelijk gebied: Hierbij is het van belang dat de biodiversiteit wordt verbeterd, dat steeds meer richting wordt gegeven 18

aan een duurzame kringlooplandbouw in goed evenwicht met natuur en landschap en dat wordt bijgedragen aan een landelijk gebied waarin het prettig wonen, werken en recreëren is en waarin ruimte is en blijft voor economisch vitale landbouw als belangrijke drager van het platteland. Vanuit de NOVI geeft het Rijk kaders en richting voor zowel nationale als decentrale keuzes. Let wel: het Rijk eigent zich geen centraliserende rol toe. Integendeel, de verantwoordelijkheid ligt bij alle partijen gezamenlijk. Vanuit het Rijk wordt gestreefd naar regie op het samenspel en regie bij het bewaken van de nationale belangen. Dilemma's worden niet uit de weg gegaan, maar er worden kansen gecreëerd, juist door samen met de ambities aan de slag te gaan. Kansen om de kwaliteit van de leefomgeving te verbeteren. En zo ook kansen om sociale samenhang en economisch herstel te bevorderen en kansen om schone, veilige en duurzame technieken, die bijdragen aan de beoogde transitie naar een duurzame en circulaire samenleving, stevig te verankeren in de manier van leven en werken. Het Rijk benoemt wel duidelijk de nationale belangen, maakt nationale keuzes, geeft richting aan decentrale afwegingen én werkt gebiedsgericht. Met de NOVI wil de Rijksoverheid in concrete gebieden tot keuzes komen.

Daarbij wil het Rijk doen wat goed is voor heel Nederland en wat tegelijkertijd recht doet aan de eigenheid van de regio's. Dit vergt een goed samenspel tussen Rijk, provincie, waterschappen en gemeenten, maar ook tussen overheden en bedrijven, maatschappelijke instellingen en burgers. Vanuit al deze partijen is daarom al intensief meegedacht bij de totstandkoming van de NOVI. Bij de uitvoering van de NOVI wordt deze samenwerking voortgezet. Centraal bij de afweging van belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving, zowel van de boven- als van de ondergrond. Het gaat daarbij om 'omgevingsinclusief' beleid. De NOVI onderscheidt daarbij drie afwegingsprincipes: 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies. 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal. 3. Afwentelen wordt voorkomen. Het Rijk zal bij de uitvoering van de NOVI zichtbaar maken hoe de omgevingsinclusieve benadering vorm krijgt en de afwegingsprincipes benut worden. Het Rijk geeft daarbij voorkeursvolgorden voor bepaalde ontwikkelingen mee aan de provincies en gemeenten. Zo lang geen sprake is van een nationaal belang en zo lang de ambities van het Rijk niet worden tegengewerkt geeft het Rijk de beoordeling en uitvoering van ontwikkelingen zoveel mogelijk aan provincies en gemeenten.

De nationale belangen zijn juridisch verankerd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). In het Barro is aangegeven welke gebieden, of projecten, van nationaal belang zijn en aanvullende toetsing behoeven. Om te bepalen of sprake is van strijdigheid met de nationale belangen dient daarom verder te worden getoetst aan het Barro. Deze toetsing is opgenomen in de paragraaf "Besluit algemene regels ruimtelijke ordening" (paragraaf 3.1.2). De verdere toetsing van ontwikkelingen aan ruimtelijke en milieutechnische belangen vindt plaats aan het provinciaal beleid. In algemene zin wordt vanuit de NOVI ingezet op een verduurzaming van de agrarische sector en het landelijk gebied. De voorgenomen ontwikkeling sluit daar bij aan, waarmee de voorgenomen ontwikkeling in algemene zin aansluit bij de doelstellingen uit de NOVI.

3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Op 17 december 2011 is de Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) Ruimte gedeeltelijk in werking getreden. Deze nieuwe AMvB Ruimte heeft de eerdere ontwerp AMvB Ruimte 2009 vervangen. Juridisch wordt de AMvB Ruimte aangeduid als Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het Barro is op 1 oktober 2012 geactualiseerd en is vanaf die datum geheel in werking getreden. Met de inwerkingtreding van het Barro naast het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), is de juridische verankering van de uitgangspunten uit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte compleet. In het Barro zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van de nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Het Barro is deels opgebouwd uit hoofdstukken afkomstig van de ontwerp AMvB Ruimte die eind 2009 is aangeboden en deels uit nieuwe onderwerpen. Per onderwerp worden vervolgens regels gegeven, waaraan 19

bestemmingsplannen zullen moeten voldoen. Het besluit bepaalt tevens: "Voor zover dit besluit strekt tot aanpassing van een bestemmingsplan dat van kracht is, stelt de gemeenteraad uiterlijk binnen drie jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit een bestemmingsplan vast met inachtneming van dit besluit." Volgens de toelichting bij dit artikel geldt als hoofdregel, dat de regels van het Barro alleen van toepassing zijn wanneer na inwerkingtreding van het Barro een nieuw bestemmingsplan voor het eerst nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt binnen de aangegeven projectgebieden. Alleen wanneer het Barro expliciet een aanpassing van bestemmingsplannen vergt, omdat een reeds bestaand bestemmingsplan binnen een of meerdere van de projectgebieden is gelegen, dan moet dat binnen drie jaar gebeuren. Het Barro draagt bij aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang en "vermindering van de bestuurlijke drukte". Belemmeringen die de realisatie van de genoemde projecten zouden kunnen frustreren of vertragen worden door het Barro op voorhand onmogelijk gemaakt. Daar staat tegenover dat de regelgeving voor lagere overheden weer wat ingewikkelder is geworden.

Gemeenten die een bestemmingsplan opstellen dat raakvlakken heeft met een of meerdere belangen van de projecten in het Barro, zullen nauwkeurig de regelgeving van het Barro moeten controleren. Het Barro vormt daarmee een nieuwe, dwingende checklist bij de opstelling van bestemmingsplannen. In het Barro zijn de projecten van nationaal belang beschreven. Deze projecten zijn in beeld gebracht in de bij het Barro behorende kaarten. De locatie is niet in een van de aangewezen projectgebieden gelegen. Hiermee zijn de bepalingen uit het Barro niet van toepassing op de planlocatie en is geen sprake van strijdigheid met de nationale belangen.

3.1.3 Ladder duurzame verstedelijking Ingevolgde artikel 3.1.6 lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), de zogenaamde Ladder voor duurzame verstedelijking, dient de toelichting bij een bestemmingsplan, waarin een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk wordt maakt, een beschrijving te bevatten van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Een stedelijke ontwikkeling is als volgt gedefinieerd: "ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen." Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van het omschakelen van een bedrijfswoning naar een burgerwoning en het omschakelen van een intensieve veehouderij naar een akkerbouwbedrijf met nevenactiviteiten. De omschakeling van een intensieve veehouderij naar een akkerbouwbedrijf met nevenactiviteiten is per definitie niet te beschouwen als een stedelijke ontwikkeling. Voor de omschakeling van een bedrijfswoning naar een burgerwoning kan, omdat sprake is van een burgerwoning, daarmee mogelijk gesproken worden van een woningbouwlocatie, wat is aan te merken als een stedelijke ontwikkeling.

Op basis van jurisprudentie (uitspraken ABRvS 28 juni 2017, 201608869/1/R3, Dongeradeel) is echter bepaald dat wanneer een bestemmingsplan voorziet in niet meer dan 11 woningen die gelet op hun onderlinge afstand als één woningbouwlocatie als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, van het Bro, kunnen worden aangemerkt, deze ontwikkeling in beginsel niet als een stedelijke ontwikkeling kan worden aangemerkt. Er is bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van het oprichten van meer dan 11 woningen die als één woningbouwlocatie kunnen worden aangemerkt. Daarmee is bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van een stedelijke ontwikkeling, waarmee een verdere toetsing aan de Ladder duurzame verstedelijking niet is vereist.

20

3.2

Provinciaal beleid

3.2.1 Omgevingsvisie Noord-Brabant Op 14 december 2018 heeft de provincie Noord-Brabant de Omgevingsvisie Noord-Brabant "De kwaliteit van Brabant" vastgesteld. De omgevingsvisie bevat de belangrijkste ambities voor de fysieke leefomgeving voor de komende jaren. Dat gaat om ambities op gebied van de energietransitie, een klimaatproof Brabant, Brabant als slimme netwerkstad en een concurrerende, duurzame economie. De omgevingsvisie geeft ook aan op welke nieuwe manieren de provincie met betrokkenen wil samenwerken aan omgevingsvraagstukken en welke waarden daarbij centraal staan. Met de omgevingsvisie wil de provincie vast aansluiten bij en gaan werken volgens de uitgangspunten van de nieuwe Omgevingswet. Samen met andere overheden, initiatiefnemers en andere betrokken partijen wordt actief gezocht naar praktijken waarin deze nieuwe manier van werken centraal staat. De Omgevingsvisie gaat over twee vragen: Hoe moet de Brabantse leefomgeving er in 2050 uit zien? Wat moet in 2030 voor elkaar zijn om dat toekomstperspectief te verwezenlijken? De doelstelling die Noord-Brabant heeft voor 2050 is dat zij in dat jaar welvarend, verbonden en klimaatproof zijn.

De welvaart wil de provincie bereiken door te investeren in een gezonde en sterke concurrentiepositie door het goede vestigingsklimaat voor bedrijven en kenniswerkers, maar ook door de voortrekkersrol in de transitie naar een innovatieve en duurzame economie. De provincie ziet welvaart niet alleen als economische bestaanszekerheid, maar ook als geluk, gezondheid en veiligheid van mensen. In dat kader stelt de provincie dat in 2050 bestaande problemen in de fysieke leefomgeving zijn opgelost en dat het robuuste natuurnetwerk uitstekend functioneert. Dankzij investeringen in natuur, verdrogingsbestrijding, bodem, waterkwaliteit, een groene (natuurrijke) inrichting van woon- en werkgebieden en het terugdringen van emissies uit landbouw en industrie, wil de provincie zowel de menselijke leefomgeving als die voor flora en fauna verbeteren. Dit leidt tot een goed welbevinden en een grote soortenrijkdom. Voor wat betreft de verbondenheid is het streven van de provincie dat Brabant de centrale ligging uitstekend weet te benutten door goede verbindingen op zowel fysiek als op sociaal-maatschappelijk (digitaal) gebied. Daarbij is een van de doelen dat de logistieke bedrijvigheid nog steeds een topsector is, maar dan op een schonere en slimmere manier. Daarnaast bieden nog zichtbare historische waarden, erfgoed en landschappelijke verscheidenheid een verbinding met het verleden.

Deze elementen dienen te blijven behouden voor een aantrekkelijke omgeving als uitloopgebied voor de inwoners van steden,dorpen en recreatie. Met betrekking tot het streven klimaatproof te zijn, wil de provincie in 2050 geheel energieneutraal zijn. Dit willen zij bereiken door alleen nog duurzame energie te gebruiken. Daarnaast wil de provincie verdere klimaatverandering tegengaan door de uitstoot van koolstofdioxide en de uitstoot van methaan uit de landbouw fors terug te dringen. Daarnaast wil de provincie goed om kunnen gaan met de klimaatverandering en de effecten daarvan. Hierbij staat duurzaam, gezond en klimaatbestendig bouwen centraal. Daarnaast dient voldoende ruimte beschikbaar te zijn om water op te vangen en vast te houden in tijden van droogte en om wateroverlast te voorkomen. Op basis van deze doelstellingen heeft de provincie vier hoofdopgaven geformuleerd: Werken aan de Brabantse energietransitie. Werken aan een klimaatproof Brabant. Werken aan de slimme netwerkstad. Werken aan een concurrerende, duurzame economie. Deze opgaven worden niet los van elkaar gezien, maar zijn vanuit de basis met elkaar verbonden. Hierbij 21

wordt gekeken vanuit een gebiedsspecifieke benadering om de kansen en bedreigingen van de opgaven te benoemen en rekening te houden met de kansen vanuit andere hoofdopgaven. Voor beëindiging van veehouderijbedrijven en hergebruik van de vrijkomende gebouwen zijn geen specifieke beleidsuitgangspunten opgenomen. Wel neemt bij de beëindiging van de varkenshouderijbedrijven ter plaatse de uitstoot van fijnstof, stikstofoxide, koolstofdioxide en methaan af. Dit draagt bij aan de doelstellingen van de provincie. Gezien het voorgaande past de voorgenomen ontwikkeling binnen de doelstellingen zoals zijn verwoord in de Omgevingsvisie Noord-Brabant van de provincie Noord-Brabant. Gezien het voorgaande kan worden gesteld dat de voorgenomen ontwikkeling past binnen de beleidskaders zoals zijn verwoord in ''De kwaliteit van Brabant'' van de provincie Noord-Brabant.

3.2.2 Interim Omgevingsverordering Noord-Brabant Op 25 oktober 2019 heeft de provincie Noord-Brabant de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant (verder: de omgevingsverordening) vastgesteld. De omgevingsverordening bevat een vertaling van het ruimtelijke beleidskader uit de Omgevingsvisie Noord-Brabant naar concrete regels, waarmee de ruimtelijke beleidsvisie van de provincie juridisch is verankerd. De omgevingsverordening is meerdere malen geactualiseerd. De meest recente versie is op 1 augustus 2023 geconsolideerd en in werking getreden. Vanuit de omgevingsverordening is de locatie gelegen in een gebied dat nader is aangemerkt als 'landelijk gebied' met de nadere aanduidingen 'gemengd landelijk gebied' en 'stalderingsgebied'. Bij de voorgenomen ontwikkeling aan de Molenakkerstraat 12 wordt een intensieve varkenshouderij omgeschakeld naar een burgerwoning. Daarbij worden de huidige bedrijfsgebouwen gesloopt. Bij de voorgenomen ontwikkeling aan de Servennenstraat 11 wordt een intensieve varkenshouderij omgeschakeld naar een akkerbouwbedrijf met statische opslag en agrarisch technische werkzaamheden als nevenactiviteit. Daarbij worden op een loods en mestsilo na alle huidige bedrijfsgebouwen gesloopt. In ruil daarvoor wordt één nieuw bedrijfsgebouw opgericht met een omvang van 2.400 m².

Daarnaast worden ter plaatse de bij de gewenste bedrijfsvoering noodzakelijke voorzieningen opgericht. Binnen het gebied dat is aangemerkt als stalderingsgebied gelden aanvullende voorwaarden voor (de ontwikkeling van) veehouderijbedrijven. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van een (ontwikkeling van een) veehouderijbedrijf, maar wordt dit juist beëindigd. De regels met betrekking tot het stalderingsgebied zijn daarmee niet van toepassing op de voorgenomen ontwikkeling op beide locaties. 3.2.2.1 Omschakeling naar wonen Molenakkerstraat 12 In artikel 3.68 van de verordening is opgenomen dat alleen bestaande woningen in het landelijk gebied zijn toegestaan. In afwijking hierop is in artikel 3.69, onder c, opgenomen dat een bestaande bedrijfswoning mag worden omgeschakeld naar een burgerwoning onder de volgende voorwaarden: "Artikel 3.69 Afwijkende regels (burger)woningen In afwijking van Artikel 3.68 Wonen in Landelijk gebied kan een bestemmingsplan voorzien in: a. b. c. d.

(...) (...) (...) het gebruik van een voormalige bedrijfswoning als burgerwoning, als is verzekerd dat: 1. er geen splitsing in meerdere woonfuncties plaatsvindt; 2. overtollige bebouwing wordt gesloopt."

Bij de beëindiging van het agrarisch bedrijf ter plaatse wordt de bestaande bedrijfswoning omgeschakeld naar een burgerwoning. Daarbij zal deze bedrijfswoning niet worden gesplitst in meerdere wooneenheden. Tevens worden de (voormalige) varkensstallen ter plaatse gesloopt. Daarmee is tevens sloop van overtollige bebouwing. Aan de voorwaarden voor het gebruik van een (voormalige) bedrijfswoning als burgerwoning wordt daarmee voldaan. 22

Naast de specifieke voorwaarden voor het herbestemming van een agrarische bedrijfswoning in het landelijk gebied gelden algemene regels voor het behoud en de versterking van de omgevingskwaliteit. Hiervoor zijn de volgende regels opgenomen: "Artikel 3.5 zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit Lid 1 Een bestemmingsplan geeft bij de evenwichtige toedeling van functies zoals opgenomen in hoofdstuk 3 Instructieregels aan gemeenten invulling aan een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving. Lid 2 Voor een goede omgevingskwaliteit en een veilige, gezonde leefomgeving wordt rekening gehouden met: a. zorgvuldig ruimtegebruik; b. de waarden in een gebied met toepassing van de lagenbenadering; c. meerwaardecreatie." Voor elk van de afzonderlijk genoemde onderdelen voor een goede omgevingskwaliteit zijn vervolgens aanvullende bepalingen opgenomen. Voor zorgvuldig ruimtegebruik gelden de volgende aanvullende bepalingen: "Artikel 3.6 zorgvuldig ruimtegebruik Lid 1 Zorgvuldig ruimtegebruik houdt in dat: a. de toedeling van functies in beginsel plaatsvindt binnen bestaand ruimtebeslag voor bebouwing, behalve in de gevallen dat: 1. nieuwvestiging mogelijk is op grond van de bepalingen in dit hoofdstuk; 2.

er feitelijk of vanuit kwalitatieve overwegingen onvoldoende ruimte is en uitbreiding, al dan niet gelijktijdig met de vestiging van een functie, op grond van de bepalingen in dit hoofdstuk is toegestaan; b. bij stedelijke ontwikkeling toepassing is gegeven aan artikel 3.1.6, tweede lid, Besluit ruimtelijke ordening (ladder voor duurzame verstedelijking); c. gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere permanente voorzieningen worden geconcentreerd binnen een bouwperceel. d. de mogelijkheden voor intensivering van bestaand ruimtebeslag, zoals door meervoudig ruimtegebruik of door verticale bouw, zijn afgewogen en betrokken bij een ontwikkeling. Lid 2 Onder bestaand ruimtebeslag voor bebouwing wordt verstaan het werkingsgebied Stedelijk Gebied of een bestaand bouwperceel." Er is bij de voorgenomen ontwikkeling sprake van een ontwikkeling binnen het bestaande ruimtebeslag. Het ruimtebeslag op de bedrijfslocatie zal door de sloop van de huidige varkensstallen en de verkleining van het bouwvlak aanzienlijk zal afnemen. Met de verkleining van het bouwvlak wordt het principe zorgvuldig ruimtegebruik nadrukkelijk geborgd. Daarnaast is, zoals nader is aangetoond in de paragraaf "Ladder duurzame verstedelijking" (paragraaf 3.1.3) geen sprake van een stedelijke ontwikkeling. Tevens zal na realisatie van de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van bebouwing buiten een bouwvlak.

Er is daarmee sprake van zorgvuldig ruimtegebruik. Voor wat betreft de waarden in een gebied door toepassing van de lagenbenadering zijn in de verordening 23

de volgende aanvullende voorwaarden opgenomen: "Artikel 3.7 toepassing van de lagenbenadering Lid 1 De toepassing van de lagenbenadering omvat het effect van de ontwikkeling op de lagen in onderlinge wisselwerking met elkaar en het actief benutten van de factor tijd. Lid 2 De lagenbenadering omvat de effecten op: a. de ondergrond, zoals de bodem, het grondwater en archeologische waarden; b. de netwerklaag, zoals infrastructuur, natuurnetwerk, energienetwerk, waterwegen waaronder een goede, multimodale afwikkeling van het personen- en goederenvervoer. c. de bovenste laag zoals cultuurhistorische en landschappelijke waarden, de omvang van de functie en de bebouwing, de effecten op bestaande en toekomstige functies, de effecten op volksgezondheid, veiligheid en milieu. Lid 3 Door de factor tijd actief te benutten wordt rekening gehouden met de herkomstwaarde, vanuit het verleden, de (on)omkeerbaarheid van optredende effecten en de toekomstwaarde gelet op duurzaamheid en toekomstbestendigheid." Zoals nader is aangetoond en omschreven in het hoofdstuk "Ruimtelijke- en milieuaspecten" (hoofdstuk 4) is met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van een mogelijke aantasting van de in het gebied (mogelijk) voorkomende waarden en/of functies. Er zal daarmee geen sprake zijn van mogelijke negatieve effecten op de genoemde lagen en/of kenmerken daarvan.

Voor wat betreft de meerwaardecreatie gelden vanuit de verordening de volgende aanvullende bepalingen: "Artikel 3.8 meerwaardecreatie Lid 1 Meerwaardecreatie omvat een evenwichtige benadering van de economische, ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling zijn betrokken, waaronder: a. de mogelijkheid om opgaven en ontwikkelingen te combineren waardoor er meerwaarde ontstaat; b. de bijdrage van een ontwikkeling aan andere opgaven en belangen dan die rechtstreeks met de ontwikk eling gemoeid zijn. Lid 2 De fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit, bedoeld in artikel 3.9 Kwaliteitsverbetering landschap k an deel uitmaken van de meerwaardecreatie." Bij de voorgenomen ontwikkeling zal een intensieve veehouderij worden beëindigd. Een intensieve veehouderij heeft een grote uitstoot van geur, fijnstof, stikstofoxiden, broeikasgassen en ammoniak. Bij de voorgenomen beëindiging zal de uitstoot van het bedrijf in zijn geheel worden beëindigd. Dit heeft een aanzienlijke meerwaarde op het gebied van milieu en natuur. Het woon- en leefklimaat in de omgeving zal met de voorgenomen ontwikkeling daarmee aanzienlijk worden verbeterd.

Tevens zal met de voorgenomen ontwikkeling, zoals nader is omschreven in de paragraaf "Landschappelijke inpassing" (paragraaf 2.2.2), worden voorzien in een goede bij het gebied passende landschappelijke inpassing (zie hiervoor de tekening met landschappelijke inpassing zoals is opgenomen als bijlage 3 bij deze toelichting). Het voorzien in een goede landschappelijke inpassing is opgenomen als een van de mogelijkheden voor kwaliteitsverbetering van het landschap zoals zijn genoemd in artikel 3.9 van de verordening en is derhalve aan te merken als een vorm van meerwaardecreatie. Ten slotte zal met de voorgenomen ontwikkeling een groot deel van de aanwezige bebouwing worden 24

gesloopt. De huidige aanwezige stallen zijn aan te merken als overtollige bebouwing. Sloop van bebouwing is in artikel 3.9 van de verordening eveneens opgenomen als mogelijkheid voor kwaliteitsverbetering van het landschap en is derhalve ook aan te merken als een vorm van meerwaardecreatie. Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt daarmee voorzien in een meerwaardecreatie. Gezien bij de voorgenomen ontwikkeling sprake is van zorgvuldig ruimtegebruik, geen sprake is van een mogelijke aantasting van de functies en waarden in de verschillende lagen en/of de kenmerken daarvan en sprake is van meerwaardecreatie wordt met de voorgenomen ontwikkeling voldaan aan de zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit. Gezien het voorgaande past de voorgenomen ontwikkeling aan de Molenakkerstraat 12 binnen de regels zoals zijn opgenomen in de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant van de provincie Noord-Brabant.

3.2.2.2 Omschakeling naar grondgebonden teeltbedrijf Servennenstraat 11 Voor wat betreft (de omschakeling naar) een grondgebonden akkerbouwbedrijf, een grondgebonden teeltbedrijf, in het (gemengd) landelijk gebied gelden, vanuit artikel 3.54 van de omgevingsverordening, de volgende regels: "Artikel 3.54 grondgebonden teeltbedrijf in gemengd landelijk gebied Een bestemmingsplan van toepassing op Gemengd landelijk gebied kan voorzien in de ontwikkeling van een teeltbedrijf op een bestaand bouwperceel of in de uitbreiding van een bouwperceel waarbij: a. de bouw of uitbreiding van een teeltondersteunende kas is toegestaan tot ten hoogste 5.000 m2; b. de bouw of uitvoering van permanente teeltondersteunende voorzieningen is toegestaan tot ten hoogste 3 hectare." Ad. artikel 3.54, sub a: Er is bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van het oprichten en/of uitbreiden van kassen. Er is daarmee geen sprake van een overschrijding van de maximaal toelaatbare oppervlakte aan kassen bij een grondgebonden agrarisch teeltbedrijf. Aan deze voorwaarde wordt voldaan. Ad. artikel 3.54, sub b: Er is bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van het oprichten en/of uitbreiden van permantent teeltondersteunende voorzieningen.

Er is daarmee geen sprake van een overschrijding van de maximaal toelaatbare oppervlakte aan permanente teeltondersteunende voorzieningen bij een grondgebonden agrarisch teeltbedrijf. Aan deze voorwaarde wordt voldaan. Zoals blijkt uit voorgaande wordt met de voorgenomen ontwikkeling voldaan aan de regels die gelden voor een akkerbouwbedrijf in het (gemengd) landelijk gebied. Hiermee past de voorgenomen omschakeling naar een grondgebonden teeltbedrijf binnen de bepalingen zoals zijn opgenomen in de omgevingsverordening. Naast de agrarische activiteiten wenst de initiatiefnemer, om ter plaatse te kunnen voorzien in voldoende inkomsten bij het bedrijf, niet-agrarische activiteiten bij de agrarische bedrijfsvoering uit te voeren. Het betreft opwaardering van reststromen naar duurzame veevoeders (agrarisch technische werkzaamheden) en statische opslag. Voor wat betreft het uitvoeren van (niet-agrarische) activiteiten bij het agrarisch bedrijf is in artikel 3.3 van de omgevingsverordening bepaald dat wanneer de vestiging van een activiteit op grond van de omgevingsverordening is toegestaan dat in dat geval deze activiteit dan ook als nevenactiviteit is toegestaan. Dit houdt in dat voor de nevenfuncties in principe moet worden getoetst aan de regels voor vestiging van de gewenste functies.

Hierbij moet onderscheid worden gemaakt in de vestiging van een niet-agrarische functie (statische opslag) en de vestiging van een agrarisch technische (of agrarisch verwante) functie. Voor de vestiging van een niet-agrarische functie in het landelijk gebied zijn in artikel 3.73 specifieke 25

voorwaarden opgenomen. Wanneer aan deze voorwaarden wordt voldaan dan mogen de niet-agrarische activiteiten ook bij wijze van neventak worden uitgevoerd bij het agrarisch bedrijf. De regels uit artikel 3.73 luiden als volgt: "Artikel 3.73 Vestiging niet-agrarische functie in Landelijk gebied Lid 1 Een bestemmingsplan van toepassing op Landelijk gebied kan voorzien in de vestiging van een niet-agrarische functie op een bestaand bouwperceel als aan de volgende voorwaarden is voldaan: a. de vestiging past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied waarbij de volgende aspecten zijn betrokk en: 1. een gebiedsgerichte benadering welke activiteiten en functies passen in de omgeving; 2. welke effecten de mogelijke ontwikkeling heeft op andere aspecten, waaronder mobiliteit, agrarische ontwikkeling, leefbaarheid en leegstand elders; 3. hoe de vestiging bijdraagt aan het versterken van de omgevingskwaliteit, waaronder een bijdrage aan de sloop van overtollig en leegstaand vastgoed in het Landelijk gebied. b. er vindt geen splitsing (IOV) plaats van het bouwperceel; c. overtollige bebouwing wordt gesloopt; d. de vestiging heeft geen betrekking op: 1. een kantoor met baliefunctie; 2. lawaaisport; 3. mestbewerking. Lid 2 Het bestemmingsplan dat de vestiging mogelijk maakt, borgt dat de functie, ook op langere termijn, past binnen de ontwikkelingsrichting en stelt daartoe regels: a. b.

c. d.

over een bij de omgeving passende omvang en publieksaantrekkende werking; welke specifieke gebruiksactiviteit is toegestaan; dat opslag en stalling plaatsvindt in gebouwen; dat de ontwikkeling verplaatst naar een passende locatie als deze niet langer past binnen de maximaal toegestane omvang.

Lid 3 Als een binnen de omgeving passende omvang geldt voor: a. bedrijvigheid, dat deze kleinschalig is en past binnen een gemengde omgeving waardoor het niet doelmatig is om deze te vestigen op een bedrijventerrein; b. een detailhandelsvoorziening, een omvang van het verkoopvloeroppervlak van ten hoogste 200 m²; c. een voorziening ten dienste van vrije-tijd en zorg, een omvang van de bebouwing van ten hoogste 1 hectare." Ad. 3.73, lid 1, sub a, onder 1: De gemeente Oisterwijk heeft bij het opstellen van de gemeentelijke visie en het bestemmingsplan voor het buitengebied voor verschillende gebieden onderzocht welke functies in de gebieden passend en wenselijk zijn. De locatie is gelegen in een overwegend agrarisch gebied, waarbinnen de agrarische bedrijvigheid in principe voorrang heeft op niet-agrarische ontwikkelingen. Niet-agrarische ontwikkelingen (al dan niet als nevenactiviteit) zijn onder voorwaarden mogelijk, mits het agrarisch karakter van het gebied zoveel mogelijk wordt behouden en wanneer agrarische bedrijven in de omgeving niet worden beperkt. Bij de voorgenomen ontwikkeling zal de agrarische hoofdfunctie worden behouden. Het intensieve veehouderijbedrijf zal worden omgeschakeld naar een grondgebonden bedrijf. De niet-agrarische activiteiten zullen ondergeschikt aan de agrarische hoofdactiviteit worden uitgevoerd. Het agrarisch bedrijf blijft daarmee in gebruik.

Dit sluit aan bij de doelstellingen van het agrarisch gebied waarin de locatie is gelegen. Het agrarisch karakter van het gebied blijft daarmee in stand. Daarnaast zal de voorgenomen ontwikkeling, zoals nader is aangetoond in de paragraaf "Milieuzonering" (paragraaf 4.1.1), niet leiden tot een beperking van de mogelijkheden van omliggende functies en 26

bestemmingen, waarmee geen sprake is van een beperking van andere agrarische bedrijven in het gebied. De voorgenomen ontwikkeling past daarmee binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied waarin de locatie is gelegen. Aan deze voorwaarde wordt daarmee voldaan. Ad. 3.73, lid 1, sub a, onder 2: Zoals nader is aangetoond in het hoofdstuk "Ruimtelijke- en milieuaspecten" (hoofdstuk 4) zal de voorgenomen ontwikkeling geen nadelige gevolgen hebben op de in de omgeving aanwezige functies en/of waarden. Tevens zal met de voorgenomen beëindiging van de intensieve veehouderij sprake zijn van een aanzienlijke afname van de uitstoot van geur, fijnstof, stikstofoxiden, ammoniak en broeikasgassen. Daarmee zal de voorgenomen ontwikkeling een positief effect hebben op de leefbaarheid in de omgeving. Vanuit de maatschappij wordt volksgezondheid steeds meer gezien als belangrijke factor voor het woonen leefgenot van de mens. Met de maatschappelijke discussie die momenteel speelt rondom volksgezondheid in relatie tot veehouderijen en door de campagnes van dierenrechtenorganisaties wordt het beeld op intensieve veehouderijen steeds negatiever. Bij de voorgenomen ontwikkeling worden twee intensieve veehouderijen beëindigd. Daarmee wordt een deel van de angst bij omwonenden op risico's voor de volksgezondheid vanuit de veehouderijen weggenomen.

Er zal immers niet langer meer sprake zijn van twee veehouderijen met de mogelijk daarbij behorende gezondheidsrisico's. Zoals nader aangetoond in de paragraaf "Milieuzonering" (paragraaf 4.1.1) zal de voorgenomen ontwikkeling niet leiden tot een beperking van de ontwikkelingsmogelijkheden en/of bedrijfsvoering van omliggende agrarische bedrijven. Tevens zullen ook geen andere functies in de ontwikkelingsmogelijkheden worden geschaad. Er is daarmee geen sprake van een belemmering van de agrarische ontwikkeling van het gebied. Een intensieve veehouderij heeft een grote energiebehoefte. Daarnaast heeft een intensieve veehouderij een grote uitstoot van geur, fijnstof, broeikasgassen en ammoniak. Bij de voorgenomen ontwikkeling zal de intensieve veehouderij ter plaatse worden beëindigd. Daarbij zal de een deel van de (nieuwe) bedrijfsbebouwing worden gebruikt voor het uitvoeren van een niet-agrarische nevenactiviteit in de vorm van statische opslag. Een dergelijke niet-agrarische functie heeft een aanzienlijk lagere energiebehoefte dan een functie als intensieve veehouderij. Het energieverbruik op de locatie zal daarmee lager worden dan in de huidige situatie. Dit komt ten goede aan het klimaat en aan het milieu. Daarnaast zal met de voorgenomen ontwikkeling de uitstoot van broeikasgassen aanzienlijk afnemen.

De voorgenomen ontwikkeling draagt daarmee bij aan een verbetering van het klimaat. Door een verminderde uitstoot van broeikasgassen zal minder sprake zijn van een bijdrage aan de klimaatsverandering en de opwarming van de aarde. Er is bij de voorgenomen ontwikkeling, zoals nader is omschreven in de paragraaf "Verkeer en parkeren" (paragraaf 4.4), geen sprake van aanpassingen aan of van een aantasting van de infrastructuur ter plaatse. Tevens zal parkeren geheel op eigen terrein plaatsvinden. Het aantal verkeersbewegingen zal met de voorgenomen ontwikkeling niet in onevenredige mate toenemen. Daarmee zal er geen sprake zijn van nadelige gevolgen op de mobiliteit in het gebied. De gewenste ontwikkeling betreft geen bedrijfsvoering die zal concurreren met functies op het bedrijventerrein. Statische opslag is doorgaans niet op een bedrijventerrein gevestigd, maar op voormalige agrarische bedrijven in het buitengebied. Dit komt voornamelijk door de grote hoeveelheid aan beschikbare voormalige agrarische bedrijfsgebouwen in het buitengebied. Daarnaast is de agrarische grond aanzienlijk goedkoper dan grond op een bedrijventerrein, waardoor het voor veel ondernemers op een bedrijventerrein niet interessant genoeg is om grote gebouwen neer te zetten op bedrijfsgronden voor statische opslag.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14170303/1