Bijlage 1 - Onderbouwing evenwichtige toedeling van functies aan locaties Haarendael
Tekst van het document
Voorgaande motivering is van een nadere onderbouwing voorzien in het rapport ‘Onderzoek gewasbescherming Landgoed Haarendael, zie Bijlage 21. Een gebruiksbeperking voor de naastgelegen agrarische grond is dus ook niet nodig.
Landgoed Haarendael
57
Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.
4.6
Geur
In de regelgeving is bepaald dat een omgevingsplan erin voorziet dat de geur van een activiteit op een geurgevoelig gebouw (artikel 5.91 Bkl) aanvaardbaar moet zijn (artikel 5.92, tweede lid, Bkl). In artikel 5.91 van het Bkl is de definitie van een geurgevoelig gebouw opgenomen. Het gaat dan in ieder geval om woningen, onderwijsinstellingen, gebouwen met gezondheidszorgfuncties en kinderopvang met bedgebied (wat inhoudt dat er slaapgelegenheid is). Dit betekent dat de gemeente moet beoordelen of waarden, afstanden of gebruiksregels leiden tot een aanvaardbaar hinderniveau. De gemeente moet onder de Omgevingswet rekening houden met mogelijke cumulatie van geur door meerdere activiteiten. De activiteiten dienen te voldoen aan de regels die in het tijdelijk omgevingsplan staan. Indien er nog geen aanpassing heeft plaatsgevonden van het tijdelijk omgevingsplan en sprake is van een activiteit/inrichting die/dat voorheen onder het Activiteitenbesluit milieubeheer viel, dan gelden de regels uit de Bruidsschat. De Bruidsschat bevat regels over: •
Geur door het houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony’s voor het berijden in een dierenverblijf (par. 22.3.6.2 BS);
Voor geur zijn er voor dierenverblijven voor landbouwhuisdieren specifieke instructieregels waar de gemeente zich aan moet houden. In deze instructieregels zijn voor landbouwhuisdieren met een geuremissiefactor, twee typen normen opgenomen: standaardwaarden en grenswaarden. In een omgevingsplan kan de gemeente afwijken van deze standaardwaarden, zolang dit onder de gestelde grenswaarden blijft. Geurgevoelig gebouw
Standaardwaarde
Grenswaarde
Gelegen binnen de bebouwingscontour geur en
2,0 ouE/m3
8,0 ouE/m3
3,0 ouE/m3
14,0 ouE/m3
8,0 ouE/m3
20,0 ouE/m3
14,0 ouE/m
35,0 ouE/m3
buiten een concentratiegebied Gelegen binnen de bebouwingscontour geur en binnen een concentratiegebied Gelegen buiten de bebouwingscontour geur en buiten een concentratiegebied Gelegen buiten de bebouwingscontour geur en binnen een concentratiegebied Tabel Standaardwaarde en grenswaarde toelaatbare geur (ouE/m3 als 98-percentiel) door houden landbouwhuisdieren met geuremissiefactor op een geurgevoelig gebouw
In het Bkl wordt onderscheid gemaakt tussen concentratiegebieden en niet-concentratiegebieden en binnen en buiten de bebouwingscontour. Het onderscheid tussen concentratiegebieden en niet-concentratiegebieden valt terug te voeren op een verschil in de relatie tussen geurbelasting en geurhinder. Het RIVM geeft aan dat er geen gezondheidskundige grenswaarden zijn voor geurbelasting of
58
Landgoed Haarendael
geurhinder. Welk percentage door geur gehinderde omwonenden aanvaardbaar is, is een beleidsmatige keuze. Voor dieren waarvoor in de Omgevingsregeling geen omrekeningsfactoren zijn vastgesteld, zoals melkrundvee, vrouwelijk jongvee en paarden gelden afstandseisen. De minimaal aan te houden afstand bedraagt 50 meter tot een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom en 100 meter tot een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom. Deze afstanden gelden ongeacht het aantal dieren dat er gehouden wordt en worden gemeten vanaf het dichtstbijzijnde emissiepunt van een stal waarin de betreffende dieren worden gehouden. Daarnaast moet de afstand van de buitenzijde van een dierenverblijf (onafhankelijk van de diersoort die er gehouden wordt) minimaal 25 meter bedragen tot een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom en 50 meter bedragen tot een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom (gevel-gevel afstand). Projectspecifiek Voorliggend initiatief voorziet in het toevoegen van geurgevoelige objecten. In voorliggende paragraaf is daarom beoordeeld wat het geureffect is van agrarische bedrijven op het woon- en leefklimaat binnen Haarendael en of bedrijven mogelijk worden belemmerd in de bedrijfsvoering als gevolg van voorliggend initiatief. Woon- en leefklimaat Voorgrondbelasting & gevolgen voor bestaande bedrijven.
In de directe omgeving van Haarendael liggen enkele agrarische bedrijven. Het gaat in alle gevallen om bedrijven met vaste afstandsdieren. Het dichtstbij gelegen agrarisch bouwvlak in de omgeving van het projectgebied bevindt zich aan de Hoge Raam, op ca 180 m afstand ten oosten van het projectgebied. Daarmee wordt ruimschoots voldaan aan de minimaal aan te houden afstand van 50 m tot een geurgevoelig object. Ten aanzien van voorgrondbelasting wordt er voldaan aan de minimale wettelijke afstanden. Vanwege de ruime afstanden tussen projectgebied en agrarische bedrijven in de omgeving, ondervinden deze bedrijven ook niet onevenredig geschaad in de bedrijfsvoering. Achtergrondbelasting Navolgende afbeelding toont de kaart achtergrondbelasting.
Landgoed Haarendael
59
Uitsnede van de kaart achtergrondbelasting geur (bron: atlas odzob)
De gemeente Oisterwijk ligt binnen een concentratiegebied. Binnen deze gebieden zijn veel veehouderijen actief, waardoor bij de beoordeling van het leefklimaat een hogere geurbelasting wordt geaccepteerd. Uit voorgaande kaart valt af te lezen dat de geurbelasting binnen het projectgebied minder dan 3 < 3 OUE/m³. De belasting is daarmee zeer laag. Er is sprake van een ‘zeer goed’ leefklimaat. Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.
4.7
Geluid
Veel functies in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid. Ze maken geluid of ze worden eraan blootgesteld. De regels van het Bkl over geluid gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige functies. In het Bkl zijn instructieregels opgenomen hoe om te gaan met geluid m.b.t. geluidgevoelige functies en stiltegebieden. Bij geluidgevoelige functies gaat het om gebouwen ten behoeve van functies zoals wonen, onderwijs of zorg. Voor andere gebouwen (functies) of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'. In de bruidsschat is het onderdeel geluid geregeld in paragraaf 22.3.4. Daarin staan regels over geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig functie die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. In de bruidsschat zijn waarden bepaald (zie artikel 22.57 Bruidsschat waar waarden gelden). Het Bkl bevat standaardwaarden en grenswaarden voor geluid en staan in de volgende tabel.
60
Landgoed Haarendael
Geluidbronsoort
Standaardwaarde, in dB.
Grenswaarde, in dB.
Rijks- en provinciale wegen. In Lden
50
60
Gemeente- en waterschapswegen. In Lden
53
70
Hoofd- en lokale spoorwegen. In Lden
55
65
Lden
50
55
Lnight
40
45
Industrieterrein
Standaardwaarde en grenswaarde op de gevel van een geluidgevoelig gebouw bij toelaten geluidbron, Tabel 3.34 en 3.35 Bkl
Het bevoegd gezag moet voorzien in een aanvaardbaar geluidsniveau door een lokale (spoor)weg op een geluidgevoelig gebouw (artikel 5.78l, lid 2 Bkl). De kans op gezondheidsschade is klein als het geluid voldoet aan de standaardwaarde. Minder geluid dan de standaardwaarde of het geluid op het tijdstip van de wijziging van het omgevingsplan, is aanvaardbaar (artikel 5.78m, lid 1 en lid 2 Bkl). Het bevoegd gezag mag meer geluid dan de standaardwaarde als aanvaardbaar beoordelen. Het besluit moet dan voldoen aan de eisen uit de instructieregels (artikelen 5.78m tot en met 5.78q Bkl). Op grond van artikel 5.78, lid 3 Bkl bepaalt het omgevingsplan dat de waarden gelden: •
op een aangewezen geluidgevoelig gebouw: o
op de gevel, als het gaat om een aanwezig geluidgevoelig gebouw
o
op de locatie waar een gevel mag komen, als het gaat om een nieuw te bouwen geluidgevoelig gebouw
•
op de begrenzing van de locatie voor het plaatsen van een woonschip of woonwagen
•
in geval van een binnenwaarde, in een geluidgevoelige ruimte.
Het bevoegd gezag kan alleen geluid tot en met de grenswaarde op de gevel van een geluidgevoelig gebouw toestaan als ze: 1. geen geluidbeperkende maatregelen kan treffen om aan de standaardwaarde te voldoen (artikel 5.78n, lid 1, onder a Bkl); 2. de overschrijding van de standaardwaarde zoveel mogelijk heeft beperkt door het treffen van geluidbeperkende maatregelen (artikel 5.78n, lid 1b Bkl); 3. bij voorwaarde 1 en 2 geluidbeperkende maatregelen overweegt die financieel doelmatig zijn en tegen het treffen geen overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische aard bestaan (artikel 5.78n, lid 2 Bkl); 4. besluit tot geluidwerende maatregelen als het geluid in een geluidgevoelige ruimte hoger is dan de grenswaarde in geluidgevoelig ruimte (binnenwaarde) (artikel 3.52 Bkl). De karakteristieke geluidwering van deze ruimte is minstens 3 dB groter dan het verschil tussen het gezamenlijk geluid en de grenswaarde. Deze grenswaarde in geluidgevoelig ruimte is meestal 36
Landgoed Haarendael
61
dB. In een beperkt aantal bestaande situaties is de grenswaarde 41 dB (artikel 3.52, lid 1, onder a sub 1 Bkl); 5. het gecumuleerd geluid beoordeelt (artikel 5.78p Bkl); 6. het gezamenlijk geluid bepaalt (artikel 5.78q Bkl). De geluidsregels van het Bkl zijn alleen van toepassing bij het realiseren van geluidgevoelige functies binnen een geluidsaandachtsgebied. De omvang van dit aandachtsgebied is afhankelijk van de verkeersdrukte, rijsnelheid, afstand van het project tot de weg en eventuele afschermende bebouwing. Het geluidaandachtsgebied van een gemeenteweg, lokale spoorweg en waterschapsweg is tot een nader te bepalen tijdstip begrenst door vaste afstanden (art. 17.5 omgevingsregeling), zie navolgende tabel. Geluidsaandachtsgebied
Breedte (m)
Weg bestaande uit 1 of 2 rijstroken, snelheid 30 km/u of minder
100
Weg bestaande uit 1 of 2 rijstroken, snelheid meer dan 30 km/u
200
Weg bestaande uit 3 of meer rijstroken
350
Lokale spoorweg bestaande uit 1 of 2 sporen
200
Lokale spoorweg bestaande uit 3 of meer sporen
350
Tabel: Breedte van het geluidaandachtsgebied vanaf de rand van de weg of de buitenste spoorstaaf, artikel 17.5 omgevingsregeling
Wegen met een verkeersintensiteit van in elk geval minder dan 1.000 motorvoertuigen per etmaal als kalenderjaargemiddelde hebben geen aandachtsgebied. Projectspecifiek Voorliggend initiatief voorziet in het toevoegen van geluidgevoelige bebouwing. Daarom is getoetst aan de regels uit het Bkl. De projectlocatie ligt in het aandachtsgebied van de Rijksweg N65. In het kader van voorliggende ontwikkeling is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. Het onderzoeksrapport is opgenomen in Bijlage 7. De belangrijkste conclusie van het onderzoek is dat de standaardwaarde op enkele gevels van de woongebouwen op het voorterrein wordt overschreden, maar het plan voldoet aan de wettelijke eisen van de Omgevingswet onder de voorwaarde dat het binnenniveau van 33 dB gehaald wordt. Middels gevelwering is dit mogelijk. Dit wordt getoetst bij de aanvraag voor de omgevingsvergunning voor het bouwen. Het plan voldoet aan het gemeentelijk beleid. Op basis van voorstaande kán, ook al wordt de standaardwaarde overschreden, het aspect geluid aanvaardbaar zijn en kán dit plan voldoen aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Spoor- en industriegeluid In de directe omgeving van het projectgebied zijn geen spoorwegen en/of bedrijventerreinen aanwezig. Geluidhinder als gevolg van deze bronnen kan op voorhand worden uitgesloten.
Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.
62
Landgoed Haarendael
4.8
Omgevingsveiligheid
Omgevingsveiligheid beschrijft de risico’s die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Bkl. De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Plaatsgebonden risico Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl). Groepsrisico Bij groepsrisico is sprake van ‘aandachtsgebieden’.
Hierbij gaat het om de kans per jaar dat tien of meer personen overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een aandachtsgebied. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Dit zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM). Aandachtsgebieden zijn er voor de scenario’s brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico’s (REV). Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (art. 5.14 Bkl). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.90 tot en met 4.96 Bbl).
Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden er dus altijd aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl). Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen worden dan opgenomen in de omgevingsvergunning.
Landgoed Haarendael
63
Een berekening van het groepsrisico is onder de Omgevingswet optioneel; het is niet meer verplicht om het groepsrisico te bepalen, maar een gemeente mag hier nog wel om vragen (via een voorschrift) om de toelaatbaarheid van de situatie te beoordelen. Uitgangspunt is dat personen buiten een aandachtsgebied in een gebouw (dat voldoet aan de eisen uit het BBL) voldoende zijn beschermd tegen de mogelijke effecten van een grootschalig ongeval met gevaarlijke stoffen bij de risicobron. Projectspecifiek Via de website atlasleefomgeving.nl kan voor de locatie worden vastgesteld of er in de directe omgeving inrichtingen, buisleidingen en/of belangrijke transportroutes aanwezig zijn die in het kader van de omgevingsveiligheid van belang zijn. Bijgevoegd een screenshot van die website. Het projectgebied is hier globaal aangegeven met de blauwe cirkel.
Uitsnede risicokaart (bron: atlasleefomgeving.nl)
Op de risicokaart is te zien dat de Rijksweg N65 is aangewezen als transportweg voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over weg (gifwolk aandachtsgebied). Het projectgebied ligt buiten de plaatsgebonden risicocontour van deze weg. Vanaf de hartlijn van de weg geldt een maximaal aandachtsgebied van 300 m. Het aandachtsgebied is onder te verdelen in drie categorieën: •
Gifwolkaandachtsgebied: 300 m;
•
Explosie aandachtsgebied: 200 m;
•
Brand aandachtsgebied: berekende afstand.
Het aandachtsgebied (gifwolk en explosie) loopt door tot binnen het projectgebied. De dichtstbij toegestane kwetsbare objecten (woongebouwen op het voorterrein) liggen buiten de relevante
64
Landgoed Haarendael
aandachtsgebieden. Via de kaart bij de onderbouwing etfal is geborgd dat deze woongebouwen ook niet dichter op de Rijksweg gerealiseerd mogen worden. In het hoofdgebouw zijn ook zorgwoningen toegestaan. Het hoofdgebouw staat op nog verdere afstand van de Rijksweg. Een verdere verantwoording van het groepsrisico is daarmee niet nodig. Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.
4.9
Trilling
Trillingen kunnen nadelige gevolgen hebben voor de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Ze kunnen effect hebben op het welzijn of schade aan gebouwen veroorzaken. De Omgevingswet beschermt (delen van) gebouwen. Trilling wordt gezien als een milieubelastende activiteit. In het omgevingsplan neemt de gemeente regels op voor trillingen door milieubelastende activiteiten. Vastgelegd wordt welke trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen aanvaardbaar zijn. Hiervoor gelden de instructieregels over trillingen door activiteiten op trillinggevoelige gebouwen in het Bkl. Een trillinggevoelig gebouw is een gebouw of een gedeelte van een gebouw met een: a. woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; b. onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; c.
gezondheidszorgfuncties met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; of
d. bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan. Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen trillingen. Het onderdeel Trillingen is geregeld in paragraaf 22.3.5 van de Bruidsschat. Daarin worden regels gesteld aan trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Er gelden maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen. De maximale waarden zijn opgenomen in de tabellen in artikel 22.88 en de uitzondering in artikel 22.87a (in verband met agrarische bedrijvigheid) van de Bruidsschat. Projectspecifiek In de ruime omgeving van het projectgebied zijn geen activiteiten aanwezig die trillingen kunnen veroorzaken zoals grote wegen, spoorlijnen en/of industriële machines. Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.
Landgoed Haarendael
65
4.10 M.e.r.-beoordeling De wetgeving omtrent de milieueffectrapportage (m.e.r) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. In artikel 16.34, tweede lid van de Omgevingswet is aangegeven dat onder een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de SMB-richtlijn (richtlijn 2001/42/EG (Strategische milieubeoordeling), in ieder geval wordt verstaan een omgevingsvisie, een programma, een omgevingsplan en een voorkeursbeslissing. Het bevoegd gezag zal per specifiek geval na moeten gaan of er sprake is van een plan of programma in de zin van de SMB-richtlijn. Er wordt onder de Omgevingswet geen onderscheid meer gemaakt tussen een formele en vormvrije m.e.r-beoordeling op grond van aangewezen drempelwaarden. Er is dus nog maar één m.e.r.-beoordelingsprocedure. Beoordeling of een m.e.r.-procedure of m.e.r.-beoordeling plaats moet vinden volgt uit Bijlage V van het Omgevingsbesluit. 1. De eerste stap is te kijken of het project past binnen de omschrijving van een project in kolom 1. 2. Vervolgens moet gekeken worden of in kolom 4 'de omgevingsvergunning' of 'het omgevingsplan' staat. Het omgevingsplan is relevant als in het plan vergunningplichtige activiteiten worden aangewezen. 3.
Als bovenstaande stappen van toepassing zijn op het project, moet bepaald worden of voor het project een mer-plicht of een mer-beoordelingsplicht geldt. Dit gebeurt door te kijken naar de kolommen 2 en 3. o
Voldoet het project aan de voorwaarden van kolom 2? Dan geldt voor het project een 'project-mer-plicht'.
o
Voldoet het project aan de voorwaarden van kolom 3? Dan geldt voor het project een 'project-mer-beoordelingsplicht'.
Als er voor het project een omgevingsvergunning wordt aangevraagd voor een omgevingsplanactiviteit, dan wordt die omgevingsvergunning aangemerkt als het besluit in plaats van het besluit tot vaststelling van een omgevingsplan. Dit volgt uit artikel 11.8 onder 3 van het Omgevingsbesluit. Daarmee geldt er dus ook voor omgevingsvergunningaanvragen die niet in kolom 4 staan wel de m.e.r.-(beoordelings)plicht. Projectspecifiek Het onderhavige initiatief behelst de ontwikkeling van een gevarieerd programma van wonen en voorzieningen binnen een bestaand landgoed. Het programma wordt gerealiseerd binnen bestaande- en nieuwe bebouwing. Dit valt onder een stedelijk ontwikkelingsproject categorie J11 Bijlage V Omgevingsbesluit). Het opstellen van een mer-beoordelingsnotitie is opgesteld en toegevoegd als Bijlage 8. De belangrijkste conclusie is dat uit de beoordeling blijkt dat het project een beperkte omvang heeft, niet in een kwetsbaar gebied ligt en geen ontwikkeling mogelijk maakt waarbij aanzienlijke
66
Landgoed Haarendael
milieueffecten kunnen optreden. Verder onderzoek in het kader van hoofdstuk 11 van het Omgevingsbesluit is niet nodig: er wordt afgezien van het doorlopen van een m.e.r. procedure. Aanzienlijke milieueffecten kunnen worden uitgesloten. Verder onderzoek in het kader van hoofdstuk 11 van het Omgevingsbesluit is niet nodig: het project is niet m.e.r.-plichtig. Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.
Landgoed Haarendael
67
Hoofdstuk 5
Goede omgevingskwaliteit
In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze een goede omgevingskwaliteit wordt gewaarborgd en verder ontwikkeld door de voorgenomen ontwikkeling.
5.1
Zorgvuldig ruimtegebruik
De Ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. De instructieregel in artikel 5.129g Bkl regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de Ladder is vereist. Artikel 8.0b Bkl regelt dat deze instructieregel ook geldt voor een omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Artikel 5.129g Bkl geeft geen ondergrens aan. In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn hiervoor lijnen uitgezet. Bij woningbouw is vanaf 12 woningen sprake van een stedelijke ontwikkeling die Ladderplichtig is. De Raad van State heeft ook aangegeven dat geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling bij ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen in de vorm van een terrein met een ruimtebeslag van minder dan 500 m² of een gebouw met een brutovloeroppervlakte kleiner dan 500 m². De Ladderonderbouwing beschrijft de behoefte aan de ontwikkeling. Als de ontwikkeling buiten het bestaand stedelijk gebied plaatsvindt, moet bovendien gemotiveerd worden waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.
De aard en omvang van de ontwikkeling bepalen het schaalniveau waarop de ruimtebehoefte wordt afgewogen. Projectspecifiek Voorliggend initiatief voorziet in onder andere het toevoegen van maximaal 260 woningen (appartementen) en een programma met voorzieningen met een bijbehorend oppervlak van minimaal 6.000 m² bvo. Daarmee is sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject. Voorliggend initiatief voorziet in de herontwikkeling van landgoed Haarendael. Met het toekennen van een breed en gevarieerd programma ontstaat er een mogelijkheid om het in verval geraakte landgoed weer toekomstbestendig te maken. Verschillende gebouwen vertegenwoordigen cultuurhistorische waarden en kunnen door het initiatief behouden blijven voor toekomstige generaties. Samen met het toevoegen van en een algehele herinrichting van het landgoed wordt er ingespeeld op actuele maatschappelijke behoefte aan nieuwe woningen
68
Landgoed Haarendael
Behoefte 1. Woningbouw In de toekomstige situatie worden er maximaal 260 appartementen in verschillende prijsklassen toegevoegd aan Haarendael. Er is nationaal sprake van een urgente maatschappelijke behoefte aan nieuwe woningen, waaronder betaalbare woningen. Voorliggend initiatief speelt direct in op deze behoefte. In Hoofdstuk 3 Beleid is nader aangetoond dat het woonprogramma van Haarendael één op één aansluit op de actuele en relevante regionale- en gemeentelijke woningbouwafspraken. 2. Voorzieningen Als onderdeel van het reeds vastgestelde ‘Ontwikkelkader Landgoed Haarendael’ uit juli 2023 is een marktonderzoek uitgevoerd waarin de behoefte aan voorzieningen is onderzocht. Dit onderzoek is toegevoegd als Bijlage 9. De gekozen programmamix uit het Ontwikkelkader is mede tot stand gekomen via een marktonderzoek, uitgevoerd door Ginder (bijlage 12, samenvatting marktonderzoek Ginder, Gemeente Oisterwijk, 2022). De belangrijkste conclusies uit dit marktonderzoek zijn dat een combinatie aan functies in het hoofdgebouw – gezien de omvang – nodig is. Het landgoed kan volgens Ginder het beste ruimte bieden aan zorg en/of leisure, in combinatie met wonen. Het leisure aspect is daarbij uitgewerkt in een groot hotel met publiekstrekker (onderscheidend concept).
Op dit laatste punt wijkt dit ontwikkelkader echter af van de conclusies van het marktonderzoek omdat een dergelijke grootschalige voorziening een te grote parkeerdruk op het terrein legt. Dit kan het landgoed ruimtelijk niet aan. De programmering uit het Ontwikkelkader is doorvertaald in het huidige voorzieningenprogramma (zie paragraaf 2.2 en de nadere toelichting op de programmering uit het VOSP, Bijlage 2. Op basis van het ontwikkelkader en nadere afspraken met de gemeente Oisterwijk voor de programmering een aandeel aan voorzieningen van minimaal 16% ten opzichte van het gehele programma. Dit percentage is geborgd via de optelsom van verschillende voorzieningen zoals opgenomen in Hoofdstuk 7. Alternatieve locaties Het projectgebied ligt binnen het landelijk gebied van de gemeente Oisterwijk. Voorliggend initiatief is direct verbonden met landgoed Haarendael. Het landgoed is in vervallen staat geraakt en een brand heeft het hoofdgebouw grotendeels verwoest. Met het toekennen van nieuwe bouw- en gebruiksmogelijkheden ontstaat er weer toekomstperspectief voor het landgoed, met behoud en herstel van cultuurhistorische waarden. Bij de totstandkoming van voorliggend initiatief zijn alternatieve ontwikkellocaties dan ook niet aan de orde geweest. Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.
Landgoed Haarendael
69
5.2
Archeologie, cultuurhistorie en landschap
De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van projecten onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. De Erfgoedwet en de Omgevingswet vormen samen het fundament voor de duiding en de bescherming van het cultureel erfgoed. De vuistregel voor de verdeling tussen Erfgoedwet en Omgevingswet is als volgt: de duiding van cultureel erfgoed en de zorg voor cultuurgoederen in overheidsbezit staat in de Erfgoedwet; de omgang met het cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving is geregeld in de Omgevingswet. Voor gebouwde of aangelegde monumenten betekent dit dat de vergunningverlening voor het wijzigen van rijksmonumenten is geregeld via de Omgevingswet. Ook aanwijzing en omgang met beschermde stads- en dorpsgezichten gebeurt op grond van de Omgevingswet. Datzelfde geldt voor de omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving (vergunningverlening en integratie in de planvorming). Besluit kwaliteit leefomgeving In het Bkl is ten aanzien van de bescherming een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl).
Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten. Het gemeentelijk beleid over archeologie en cultuurhistorie is veelal opgenomen op de archeologische beleidskaart en/of de cultuurhistorische waardenkaart. Deze archeologische waarden en verwachtingen en de cultuurhistorische waarden zijn veelal vertaald in respectievelijk archeologische dubbelbestemmingen en cultuurhistorische dubbelbestemmingen opgenomen in het (tijdelijk deel van het) omgevingsplan of activiteitgericht in het gemeentebrede omgevingsplan. Indien het initiatief in deze (werkings)gebieden is gelegen, wordt hieraan getoetst. Projectspecifiek Cultuurhistorie en landschap De herontwikkeling van Haarendael vertrekt vanuit het historische Seminarie-gebouw als basis van de opgave. Het monument vormt het hart van het ensemble en bepaalt in belangrijke mate de ruimtelijke en culturele identiteit van de plek. Het omliggende landschap sluit zich daarbij aan, het is
70
Landgoed Haarendael
ondersteunend en volgend, gericht op het versterken van de monumentale waarden en de samenhang van het geheel. Binnen landgoed Haarendael zijn verschillende cultuurhistorisch waardevolle objecten aanwezig, zowel gebouwen als landschappen. Enkele bestaande gebouwen zijn aangewezen als rijksmonument. Uitgangspunt van de ontwikkeling is deze objecten te behouden, herstellen en waar mogelijk te verbeteren. De functieverandering van het landgoed vormt bovendien het startpunt van de herontwikkeling en de nieuwbouw van een hoofdgebouw geïnspireerd op het afgebrande Groot-Seminarie. Voordat over wordt gegaan op een nadere toetsing is het eerst goed stil te staan bij wat er precies wordt bedoeld met ‘cultuurhistorische waarden’. De gemeente Oisterwijk hanteert daarvoor de volgende definitie: Waarden en kenmerken van een gebied of daar aanwezige zaken, verband houdend met het bouwkundig erfgoed, het stedenbouwkundig erfgoed, de historische groenwaarden, het historisch-geograrisch erfgoed en de bekende en verwachte archeologische waarden. Op verschillende manieren en door verschillende bevoegdheden zijn er regels opgenomen om deze cultuurhistorische waarden te behouden en herstellen. De gemeente Oisterwijk en provincie NoordBrabant wijzen door naar de Cultuurhistorische Waardenkaarten. Navolgende afbeelding toont hier een uitsnede van:
Uitsnede van de cultuurhistorische waardenkaart (bron: CWK Noord-Brabant)
Op basis van de kaart en de daarbij aangemerkte waarden binnen de projectlocatie, is hieronder een beschrijving op hoofdlijnen op welke manier cultuurhistorische waarden binnen het projectgebied en behouden blijven en/ of worden versterkt. Een uitgebreidere toelichting op deze verantwoording is te raadplegen in het VOSP uit Bijlage 2 en het beeldkwaliteitsplan uit Bijlage 3. Deze twee ontwerpstukken zijn mede tot stand gekomen op basis van verschillende onderzoeken:
Landgoed Haarendael
71
•
Visie op Herontwikkeling, februari 2022 (Bedaux Architecten);
•
Bouw- en cultuurhistorisch onderzoek Groot-Seminarie Haarendael, maart 2020 (Van Reenen);
•
Landschapselementen op Landgoed, juli 2023 Haarendael (Van Dooren);
•
Park en tuin vm. Groot-Seminarie Haarendael, januari 2022 (NM Erfgoed & landschap).
Navolgende afbeelding toont een overzichtskaart van alle binnen het projectgebied aanwezige cultuurhistorische waarden:
Uitsnede van de kaart ‘cultuurhistorische complexen’ (bron: brabant.nl)
Bebouwing (rijksmonument/ cultuurhistorisch gebied): •
Groot-Seminariegebouw: de oudste delen van dit gebouw dateren uit 1837 en zijn rijksmonumentaal. De brand heeft dit gebouw aanzienlijk aangetast. Uitgangspunt van het nieuw te realiseren hoofdgebouw is om zoveel mogelijk monumentale waarden te behouden of terug te laten brengen bij de nieuwbouw. Op basis van een Integraal conserveringsplan (zie Bijlage 1) is een beeld gekregen van de huidige staat van het Groot-Seminarie en welke (gevel)delen behoudenswaardig zijn. Op basis van het conserveringsplan is het ontwerp uit het VOSP verder uitgewerkt. In het beeldkwaliteitsplan uit Bijlage 3 zijn de stedenbouwkundige- en architectonische kaders uitgewerkt. Dit kader dient als toetsingskader bij opvolgende vergunningaanvragen.
72
Landgoed Haarendael
•
Het poortgebouw tussen seminarie en kerk: Deze oost-west lopende tussengang vormt de verbinding tussen twee oudere vleugels van het Groot-Seminarie. Dit gebouwdeel is van algemeen belang en heeft architectonische waarden. Zie verder het bepaalde onder ‘Groot-Seminariegebouw’.
•
De kerk (kapel): Het betreft hier tussen 1936 en 1940 ontworpen en in vormen van de Delftse School opgetrokken kerk. De kerk is grotendeels onaangetast. Het gebouw blijft behouden en krijgt verschillende functies;
•
De toegangspoort: Deze poort bevindt zich aan de parallelweg van de Rijksweg aan de ingang van het terrein. Net als de kerk en het poortgebouw is de poort zeer waarschijnlijk in de periode 1936-1940 gebouwd. De historische Poort der Zuchten vormt en blijft de herkenbare entree van het landgoed.
•
Cultuurhistorische waarden landgoed als geheel: De onderlinge samenhang op het landgoed komt tot stand door het ensemble van poort, oprijlaan, voorhof en hoofdgebouw inclusief kapel. Dit ensemble vormt de drager voor ingrepen en bouwplannen die worden gerealiseerd. In de toekomst blijft het ensemble van hoofdgebouw en kapel het zwaartepunt van het landgoed, de overige gebouwen zijn daaraan ondergeschikt.
Landschap (monumentaal groen/ ) •
De dubbele laanbeplanting: de historische laan bestaat onder andere uit monumentale lindebomen en lange zichtlijnen. De weg wordt opnieuw geasfalteerd en is straks alleen nog maar toegankelijk voor fietsers en wandelaars. De huidige laan wordt in ere hersteld door de open plekken op te vullen met nieuwe lindebomen van dezelfde soort. Daarnaast wordt het aanwezige opschot, dat typisch is voor lindebomen, benut om er een doorlopende haag van te vormen. Zo wordt het oorspronkelijke karakter van de laan hersteld en krijgt de laan een samenhangende, groene uitstraling.
•
De tuin van het Groot-Seminariegebouw: Alle tuinen hebben hun cultuurhistorische waarde, waaraan het initiatief een nieuwe interpretatie hebben toegevoegd. Ze zijn er nu ook voor recreatie, zodat bewoners en bezoekers er kunnen genieten. Routes verbinden de verschillende tuinen.
•
De monumentale Hollandse linde voor het Groot-Seminariegebouw: deze boom blijft behouden en is ingepast in de inrichting van het voorterrein van het nieuwe hoofdgebouw.
Overige elementen •
Beken: bestaande houtsingels met watergangen blijven behouden. De grachten rondom Haarendael worden opgeschoond, rekening houdend met mogelijke vervuiling. Daarbij wordt een expert betrokken om de juiste diepte te bepalen. Het verdiepen van delen van de grachten kan kansen bieden voor de natuur.
Landgoed Haarendael
73
•
Wegen- en paden: Het cultuurhistorische waardevolle pad wordt ingepast in de nieuwe padenstructuur op het landgoed. Ter hoogte van het Groot-Seminarie sluit de route aan op de oostzijde van het terrein, waar een verbinding wordt gemaakt met het dorp Haaren. Dit pad (waaronder de oprijlaan) is alleen voor fietsers en voetgangers toegankelijk. Alle wegen en paden worden opgeknapt. De hoofdlaan wordt voorzien van nieuw asfalt met een afstrooilaag (zandtint).
Bij de verdere uitwerking van de herontwikkeling dienen de landschappelijke-, stedenbouwkundigeen architectonische kaders uit het beeldkwaliteitsplan (Bijlage 3) in acht te worden genomen. Daarmee is geborgd dat de herontwikkeling de cultuurhistorische waarden behoud en versterkt. Archeologie Vanwege mogelijke archeologische waarden binnen het projectgebied is een archeologisch onderzoek opgestart. Aan de hand van een bureauonderzoek is een verwachting geschetst van de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden en is een plan van aanpak beschreven voor vervolgwerkzaamheden. Het bureauonderzoek is toegevoegd als Bijlage 10. Op grond van het uitgevoerde bureauonderzoek geldt voor het plangebied een middelhoge tot hoge verwachting op archeologische resten van bewoning, begraving, wegen/infrastructuur en/of (agrarisch) landgebruik uit de periode (midden-)paleolithicum – vroege middeleeuwen, een hoge verwachting op sporen van agrarisch landgebruik en evt. bewoning uit de late middeleeuwen, alsmede een hoge verwachting op sporen van bebouwing, agrarisch landgebruik en wegen uit de nieuwe t/m de recente tijd. Archeologische resten uit de late middeleeuwen en nieuwe/recente tijd kunnen vanaf het maaiveld worden verwacht, oudere archeologische resten vanaf ca. 0,5/0,8 m -mv in de top van het dekzand.
Mobilia uit de prehistorie t/m de vroege middeleeuwen kunnen daarnaast in (de onderkant van) het esdek/plaggendek zijn opgenomen. Verkennend booronderzoek Op basis van de uitkomsten van het bureauonderzoek is een verkennend booronderzoek uitgevoerd , waarbij de bodemopbouw en de mate van intactheid van de bodem is getoetst. Het booronderzoek is uitgevoerd op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Plan van Aanpak (PvA). De belangrijkste uitkomst van het onderzoek is dat de bodemopbouw in de meeste boringen is verstoord tot in de C-horizont als gevolg van agrarische activiteiten en/ of de inrichting van het landgoed en de daarbij behorende bebouwing in de 19e en 20e eeuw. In enkele boringen verspreid door het onderzoeksgebied van fase 1 is een intacte eerdlaag van een hoge zwarte enkeerdgrond aangetroffen, de locaties waar de eerdlaag nog intact is liggen echter versnipperd door het onderzoeksgebied. Op basis van de grotendeels verstoorde bodemopbouw kan de archeologische verwachting voor de onderzochte delen van het plangebied worden bijgesteld naar laag met als indicatie ‘verstoord’. Het advies is om de onderzochte delen van het plangebied vrij te geven voor de beoogde herontwikkeling. Aanvullend archeologisch onderzoek is niet aan de orde.
74
Landgoed Haarendael
Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.
5.3
Ecologie
De Wet natuurbescherming (Wnb) is opgenomen in de Omgevingswet: de Aanvullingswet natuur, het Aanvullingsbesluit natuur en de Aanvullingsregeling natuur. Er is sprake van een beleidsneutrale overgang. Het huidige normenkader, de instrumenten en de bevoegdheidsverdeling voor het natuurbeschermingsrecht blijven ongewijzigd, met uitzondering van stikstof. Het beoordelen van de effecten van een planontwikkeling op beschermde gebieden is geregeld in artikel 11.6 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de voormalige Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Gebiedsbescherming De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden.
Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een ruimtelijk besluit in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; 2. Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en 3. De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. In afdeling 8.6 Bkl staat het beoordelingskader voor de omgevingsvergunning voor Natura 2000-activiteiten. Dit is door middel van het aanvullingsspoor Natuur gebeurd.
Landgoed Haarendael
75
Soortenbescherming Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, en op bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of: •
er soorten aanwezig zijn; en
•
welke soorten dat zijn.
In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is. Projectspecifiek Ten behoeve van voorliggende ontwikkeling zijn inmiddels verschillende ecologische onderzoeken uitgevoerd. Tevens is een voortoets stikstofdepositie uitgevoerd. De uitkomsten van deze onderzoeken zijn verwerkt in voorliggende paragraaf. Soortenbescherming De afgelopen periode zijn verschillende ecologische onderzoeken uitgevoerd. In een samenvattende notitie is een overzicht geschetst van deze onderzoeken. Het gaat in ieder geval om: •
Quickscan Natuur
•
Notitie BOPA Landgoed Haarendael
De oplegnotitie en quickscan Flora en Fauna zijn toegevoegd in Bijlage 12en Bijlage 13. Ook zijn er inmiddels enkele aanvullende onderzoeken uitgevoerd. Deze onderzoeken en eventuele vervolgstappen zullen in het kader van de omgevingsvergunningaanvraag worden ingediend bij het bevoegd gezag. In de Notitie BOPA is wel een nadere toelichting op de huidige stand van zaken van deze onderzoeken raadpleegbaar. De belangrijkste conclusie van de Quickscan Natuur en Notitie BOPA is er dat er met de voorgenomen ontwikkelingen sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het kader van het aspect ecologie. Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende: Natura 2000 / Beschermd natuurmonument/ Wetland/ Nationaal Park. Provinciaal aangewezen gebieden Het projectgebied maakt geen deel uit van een beschermd gebied betreffende het Natuurnetwerk Brabant of de Groenblauwe mantel. Op een afstand van circa 245 m ligt het
76
Landgoed Haarendael
Natuurnetwerk Brabant (figuur 3.5). Op een afstand van circa 670 m ligt de Groenblauwe mantel (figuur 3.6). Ten aanzien van het Natuurnetwerk Brabant geldt dat externe werking (o.a. geluid, licht of trillingen) een toetsingskader biedt. De afstand tot het NNB is echter nog relatief groot. De tussenliggende N65 zorgt reeds voor de nodige verstoringen. Bovendien hebben tussenliggende bebouwing en bosschages een bufferende werking. Er is derhalve geen sprake van negatieve effecten op het Natuurnetwerk Brabant ten gevolge van externe werkingen. Natura 2000-gebieden Het perceel ligt op circa 1,4 km afstand tot het Natura 2000-gebied Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen. Gezien de afstand tot dit gebied zijn externe effecten als gevolg van een toename van stikstofdepositie op voorhand niet uit te sluiten. Hiertoe is een Passende beoordeling Landgoed Haarendael opgesteld, zie Bijlage 14. Als gevolg van de ontwikkelingen in het projectgebied waarvoor de berekeningen zijn uitgevoerd is er ten opzichte van de referentiesituatie in zowel de gebruiksfase als de aanlegfase geen sprake van een bijdrage van stikstofdepositie op (bijna) overbelaste hexagonen van de Natura 2000-gebieden groter dan 0,00 mol/ha/j. Ook zijn er naast effecten vanwege stikstofdepositie geen overige effecten op Natura 2000-gebieden.
Er is dus geen sprake van mogelijke negatieve gevolgen op beschermde Natura 2000-gebieden zoals bedoeld in het Bal, Artikel 11.6, specifieke zorgplicht, onder 2. De natuurlijke kenmerken van het gebied worden niet aangetast. Op basis van deze passende beoordeling kan een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-acti-viteit worden verleend. Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.
5.4
Verkeer en parkeren
Een ruimtelijke ontwikkeling zorgt vaak voor een verandering van het aantal verkeersbewegingen. Bij het toelaten van een nieuwe functie moet daarom worden aangetoond wat het effect is op de bereikbaarheid en verkeersafwikkeling. Daarbij dient in beeld te worden gebracht of er sprake is van een (extra) parkeerbehoefte voor auto’s. Er mag geen onaanvaardbaar effect zijn. De gemeente stelt parkeerbeleid op met daarin parkeernormen waaraan nieuwe ontwikkelingen moeten voldoen. De activiteit dient dus aan het gemeentelijk beleid getoetst te worden. Projectspecifiek Landgoed Haarendael krijgt een divers programma met woningen, commerciële- en maatschappelijke voorzieningen en dagrecreatieve mogelijkheden. Bewoners, recreanten en andere benodigde bezoeken het landgoed met nieuwe en verschillende vervoersstromen tot gevolg. In voorliggende paragraaf is ingegaan op wat de herontwikkeling betekent voor de algehele verkeerssituatie ter plaatse.
Landgoed Haarendael
77
Verkeersaantrekkende werking Om een beeld te krijgen wat de herontwikkeling van Haarendael betekent voor de algehele verkeerssituatie door de toename van autoverkeer, is een berekening gemaakt van de te verwachte toekomstige verkeersaantrekkende werking. Dit is verwerkt in het ‘Onderzoek verkeersontsluiting Landgoed Haarendael’ uit Bijlage 17. Uit het onderzoek volgt dat de totale ritgeneratie uitkomt op ca 2.600 mvt per etmaal. Daarbij is uitgegaan van de volgende verdeling: •
81% autoverkeer;
•
15% fietsverkeer
•
4% openbaar vervoer.
Uit de verdeling volgt een relatief hoog aandeel autoverkeer. Dit is te verklaren door de afgelegen ligging van Haarendael. Bovendien is de locatie goed ontsloten aan de N65. Op basis van de aantallen en verdeling naar vervoersstromen is vervolgens een beeld geschetst hoe het autoverkeer zich verspreid naar de omgeving, zie daartoe de verdere uiteenzetting in hoofdstuk 3 van het onderzoek. Wegen en ontsluiting Uitgangspunt is om Haarendael zo veel als mogelijk vrij te houden van autoverkeer. Om die reden is besloten om de hoofdtoegangslaan vrij te houden van auto’s. In plaats daarvan vindt toekomstige ontsluiting van het projectgebied voor autoverkeer plaats via een nieuwe ontsluitingsweg aan de westzijde van het projectgebied. Deze nieuwe weg ontsluit de parkeerzone van Haarendael op de Rijksweg (parallelweg). De ontsluitingsweg leidt bewoners en bezoekers langs de parkeerplaatsen en takt halverwege het projectgebied af in oostelijke richting. Daar komt de weg uiteindelijk uit bij de twee bestaande boerderijen (hotel/ café-restaurant en de toegang tot de halfverdiepte parkeergarage onder de twee woongebouwen aan de oostkant van het projectgebied.
De gekozen opzet en ontsluitingsstructuur zorgt er voor dat de aanwezigheid van auto’s binnen het centrale deel van Haarendael zo veel als mogelijk wordt beperkt, terwijl parkeren mogelijk blijft dicht bij de woongebouwen, het hoofdgebouw en andere voorzieningen binnen Haarendeal. Autoverkeer bereikt Haarendael via de Rijksweg (parallelweg van de N65). Om de toename van het aantal verkeersbewegingen (zie hierna) goed te kunnen verwerken is een aanpassing nodig van de aansluiting van deze Rijksweg op de provinciale N65. Deze aansluiting ligt op enige afstand ten westen van het projectgebied. Deze benodigde aanpassing wordt mogelijk gemaakt via een eigen procedure.
78
Landgoed Haarendael
Parkeren Op basis van het huidige bekende programma en de door de gemeente Oisterwijk gehanteerde parkeernormen is een berekening gemaakt van het aantal benodigde parkeerplaatsen. In totaal zijn ca 407 parkeerplaatsen nodig. De bijbehorende berekening is toegevoegd in Bijlage 18. Parkeren vindt geheel plaats binnen het projectgebied. Loopafstanden worden zoveel mogelijk geminimaliseerd, tegelijkertijd wordt parkeren zo veel mogelijk in de randen van het gebied opgelost. Over de gehele lengte aan de westkant van het projectgebied komt een parkeerstrook. Het zuidelijk deel van deze beoogde parkeerstrook betreft een overloopgebied en kan worden gebruikt op momenten dat extra parkeervoorzieningen nodig zijn, bijvoorbeeld tijdens kleinschalige evenementen. De twee appartementen B1 en B2 liggen op meer dan 200 meter van het parkeren aan de rand. Ook het parkeren in de boomgaard ligt vooral voor B1 redelijk ver weg. Ongeveer 150 meter is de afstand. Vandaar dat er is gezocht naar een extra parkeerruimte onder de gebouwen. Deze parkeergarage wordt half verdiept uitgevoerd. Aan de zijde van de lindelaan overbrugt het landschap de hoogte van de halfverdiepte parkeergarage met een talud van 1 op 40. Dit is nauwelijks waarneembaar. De zijkanten worden op een mooie manier afgewerkt. Waardoor je zo het landschap in wandelt.
Een nadere toelichting op het aspect parkeren is uitgewerkt in hoofdstuk 6 van het VOSP. Voor minder valide parkeren worden kleine parkeerkoffers dichterbij ingangen aangelegd of plekken in de parkeervlakken die dichter bij functies liggen aangewezen. In afwijking van de standaardparkeerplaatsen is voor de miva parkeerplaatsen een ruimere regeling opgenomen zodat deze op het maaiveld dicht bij de bebouwing kunnen worden gerealiseerd om loopafstanden naar woningen en voorzieningen zoveel als mogelijk te beperken. Wandelen, fietsen en openbaar vervoer Het landgoed krijgt een fijnmazig netwerk van wandelpaden. Belangrijk is dat routes uitkomen bij het hoofdgebouw, via de hoofdentree, hoofdlaan of zijingangen. Aan de achterzijde komt een extra ommetje, dat via de houtsingel leidt naar het hoofdgebouw, zodat ook deze route het landgoed op een herkenbare manier ontsluit. In de bestaande situatie beschikt het landgoed al over een fietsnetwerk, zoals navolgende afbeelding inzichtelijk maakt. Dit fietsnetwerk zal worden ingepast binnen de nieuwe inrichting. In de directe omgeving zijn geen treinstations en/ of bushaltes gelegen. De dichtstbij gelegen bushalte ligt op 20 minuten lopen, ten oosten aan de Helvoirtseweg in Haaren. Het bestaande dichtstbij gelegen treinstation betreft het station van Haaren, op 20 minuten fietsafstand.
Mogelijk krijgt ook Udenhout in de toekomst een treinstation, waardoor de ontsluitingsmogelijkheden van Haarendael per fiets en openbaar vervoer verbeteren.
Landgoed Haarendael
79
De beoogde nieuwe wandel (links) en fietspaden (links) (bron: VOSP)
Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.
5.5
Duurzaamheid en klimaatadaptatie
Het klimaat verandert en steeds vaker worden we geconfronteerd met de gevolgen, zoals hitte, droogte, extreme neerslag en overstromingen. Klimaatverandering is in een vergaand stadium en de effecten en risico’s voor onze samenleving worden steeds groter. Aan de ene kant moeten we de uitstoot van broeikasgassen verminderen, zodat de opwarming beperkt blijft. Aan de andere kant is het noodzakelijk om ons als samenleving aan te passen en voor te bereiden op de reeds ingezette klimaatveranderingen en de gevolgen daarvan. Niet alleen om schade te beperken, maar ook om kansen te benutten. De nationale opgave voor klimaatadaptatie is beschreven in het Bestuursakkoord Klimaatadaptatie en het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie met daarin een prominente rol voor gemeenten. Lokale gevoeligheden voor klimaatverandering moeten in kaart worden gebracht en als integraal onderdeel van beleid daadkrachtig worden aangepakt. Daarbij is het van belang zowel te kijken naar aanpassingen aan de bestaande openbare ruimte als naar nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen.
80
Landgoed Haarendael
Projectspecifiek Op basis van de klimaateffectatlas is in beeld gebracht welke risico's zich kunnen voordoen in het projectgebied als gevolg van klimaatverandering. Wateroverlast Uit de klimaateffectatlas blijkt dat bij het onderdeel wateroverlast er ter plaatse van het projectgebied een toename van het aantal zeer natte dagen verwacht wordt. Gemiddeld neemt de jaarlijkse neerslag toe, echter neemt de hoeveelheid neerslag in de zomer naar verwachting af ten opzichte de huidige situatie. Er is een kleine toename in de kans dat veel en langdurige regenval leidt tot grondwateroverlast op het perceel door de lage grondwaterstand. Voorliggend projectgebied blijft echter in de toekomstige situatie voor het grootste deel onverhard en er zullen verschillende bergingsvoorzieningen worden gerealiseerd waaronder wadi’s. Overtollig hemelwater heeft voldoende mogelijkheden om in de bodem te infiltreren, zie verder ook de waterparagraaf 4.1. Hittestress Uit de klimaateffectatlas blijkt dat bij het onderdeel hittestress er binnen het projectgebied meer tropische dagen en langere hitte verwacht kan worden. De geplande nieuwbouw is goed geïsoleerd conform de huidige normen. Daarmee voldoen de woningen aan de toegenomen koelbehoefte die kan ontstaan als een gevolg van hittestress.
Daarbij zal het projectgebied rondom de woningen en voorzieningen zo groen mogelijk worden ingericht en met zo min mogelijk verharding, ter voorkoming van hittestress. Droogte De klimaateffectatlas laat wat betreft droogte zien dat in het projectgebied een hoger neerslagtekort verwacht kan worden. Dit heeft gevolgen voor de grondwaterstanden en droogtegevoeligheid van het gebied. Door het hemelwater binnen het projectgebied te bergen en te laten infiltreren blijft het hemelwater ook in het gebied zelf. De kans op natuurbranden bij langdurige droogte blijft in de toekomst gelijk aan de huidige situatie. Overstroming De klimaateffectatlas laat zien dat het projectgebied op ruime afstand tot de grote wateren en rivieren. Mochten ergens de dijken bezwijken dan is vanwege de hogere ligging van het gebied er slechts een zeer kleine kans dat het projectgebied overstroomt. Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.
Landgoed Haarendael
81
Hoofdstuk 6
Conclusie
Artikel 1.3 van de Omgevingswet, “maatschappelijke doelen van de wet”, bepaalt het volgende: “Deze wet is, met het oog op duurzame ontwikkeling, de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu, gericht op het in onderlinge samenhang: 1. bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, ook vanwege de intrinsieke waarde van de natuur, en 2. doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften.” De Memorie van toelichting licht dit verder toe: Met behulp van de wet moet de samenleving in staat zijn om de fysieke leefomgeving op de gewenste kwaliteit te brengen, te houden én tegelijkertijd voldoende ruimte te laten voor activiteiten van burgers en bedrijven. Centraal staat de samenhangende zorg voor de fysieke leefomgeving welke integrale oplossingen moet bevorderen. Integraal betekent niet dat er geen sectorale beleidsdoelen meer zullen zijn. Zo zullen er doelen en randvoorwaarden blijven op het gebied van veiligheid, gezondheid, kwaliteit van ecosystemen, beschikbaarheid van hulpbronnen en behoud van cultureel erfgoed. Het is voor een goede integratie van belang dat sectorale doelen en randvoorwaarden helder en eenduidig zijn, omdat deze het uitgangspunt vormen voor de integrale zorg voor de fysieke leefomgeving.
Mocht het zo zijn dat er in een bepaald geval een norm wordt overschreden dan is er de bestuurlijke afwegingsruimte. Die ruimte kan nodig zijn om (gemotiveerd) af te wijken van een norm in verband met bijvoorbeeld (bijzondere) lokale situaties, complexe gebieden of gebiedsoverstijgende belangen. Om een plan te kunnen vergunnen dient het te voldoen aan de wettelijk eis dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Om deze vraag te beantwoorden is een afweging nodig tussen alle aspecten met betrekking tot het plan. Van belang daarbij is dat voldaan wordt aan de eisen voor gezondheid en veiligheid. Dit is van belang omdat hiervoor niet één algemene norm is maar dit tot stand komt als optelsom – en weging – van het totaal. Het kan gewenst zijn af te wijken van een, of meerdere, sectorale aspecten om uitvoering van een maatschappelijk gewenste activiteit of maatwerk in het individuele geval mogelijk te maken. Op deze manier kan afgewogen worden waarom een ontwikkeling bijdraagt aan de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Aan de hand van een voorbeeld is dit makkelijk duidelijk te maken: dat een woning meer geluid ontvangt van wegverkeer dan gewenst maakt nog niet dat het onaanvaardbaar is. Dat geldt voor veel woningen waar mensen gezond en veilig wonen. Dat geldt ook voor geur, omgevingsveiligheid, trilling, luchtkwaliteit of bodemkwaliteit.
Maar als álle zes deze aspecten wat hoger zijn, of drie flink hoger of twee heel hoog – maar binnen de maximale norm – dan kan de conclusie anders zijn. In voorgaande hoofdstukken is ingegaan op die regels, beleidsonderwerpen en onderzoeksaspecten die relevant zijn voor de beoordeling of bij dit project sprake is van een evenwichtige toedeling van
82
Landgoed Haarendael
functies aan locaties. Overige regels, beleidsonderwerpen en onderzoeksaspecten zijn niet relevant voor de beoordeling van dit project en daarom niet beschreven. Dit is in lijn met de Memorie van toelichting paragraaf 2.2 en 4.16.4. Projectspecifiek Uit voorgaande hoofdstukken blijkt dat er geen aspecten zijn die beperkend werken op de gewenste ontwikkeling. Er wordt voldaan aan de eisen voor gezondheid en veiligheid: ook als optelsom -en de weging daarbij- geldt dat gezien hetgeen in hoofdstuk 4 en 5 is te lezen (“veilige en gezonde fysieke leefomgeving“ en “een goede omgevingskwaliteit”) dit plan voldoet aan evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Landgoed Haarendael
83
Hoofdstuk 7
Toestemming en voorwaarden
Deze onderbouwing etfal is de basis voor het planologische basisbesluit voor hierna nog aan te vragen omgevingsvergunningen. Zie ook paragraaf 1.3 voor het bredere wettelijke kader en een toelichting op het planologische basisbesluit. Het kader waarbinnen omgevingsvergunningen verleend kunnen worden en de voorwaarden die daarbij gelden wordt in de volgende paragrafen vormgegeven.
7.1
Functies & kaart bij onderbouwing etfal
Navolgende uitsnede toont welke functies via de kaart bij de onderbouwing etfal aan de locatie worden toegekend. De volledige kaart is toegevoegd in Bijlage 19.
Uitsnede van de kaart bij de onderbouwing etfal Haarendael (bron: Buro SRO)
84
Landgoed Haarendael
7.2
Begrippenlijst
Bezinningsruimte Dit is een plek waar je overdekt tot rust kan komen in het landschap. De plek is publiek toegankelijk en altijd open. De plek heeft een zitje waar je alleen of samen na kan denken. Bouwwerk Constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren, met inbegrip van de daarvan deel uitmakende bouwwerkgebonden installaties anders dan een schip dat wordt gebruikt voor verblijf van personen en dat is bestemd en wordt gebruikt voor de vaart. Bouwwerk, geen gebouw zijnde bouwwerk of gedeelte daarvan, voor zover dat geen gebouw of onderdeel daarvan is. Evenement Een kleinschalig één- twee of driedaags evenement, waarbij: a. het aantal aanwezigen niet meer bedraagt dan 250 personen; b. de activiteiten plaatsvinden op maandag tot en met donderdag tussen 09.00 en 23.00 uur, op vrijdag en zaterdag tussen 09.00 en 01.00 uur en op zondag tussen 13.00 en 23.00 uur; c.