Bijlage 1 Het vast te stellen bestemmingsplan
Tekst van het document
Bestemmingsplan Pannenschuurlaan 211 Oisterwijk
|28
Uitsnede Provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart
Historische geografie (lijn) – redelijk hoog De pannenschuurlaan zelf is aangewezen als historisch geografische lijn van redelijk hoge waarde. Het planvoornemen aan de Pannenschuurlaan 211 is niet in strijd met de cultuurhistorische waarden van de provincie Noord-Brabant. Molenbiotoop Het plangebied ligt gedeeltelijk in de molenbiotoop van de Kerkhovense molen. Een molenbiotoop of molenbeschermingszone is een gebied waarbij vaak beperkingen gelden voor gebouwen en/of beplantingen in de omgeving van een molen. Dit om zo veel mogelijk onbelemmerende toetreding van de wind voor molens mogelijk te maken. De regels omtrent die molenbiotoop zijn vastgelegd in het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ en ‘Woongebieden Oisterwijk’. Een gedeelte van het plangebied behoudt de dubbelbestemming ‘Waarde - Cultuurhistorie’. De voor ‘Waarde – Cultuurhistorie’ aangewezen gronden zijn – behalve voor de andere aldaar voorkomende bestemming(en) – mede bestemd voor de bescherming van de molen als werktuig en als beeldbepalend cultuurhistorisch waardevol element.
Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels: a) binnen een afstand van 100 meter tot het middelpunt van de molen wordt geen bebouwing opgericht met een bouwhoogte van meer dan 0 meter; b) binnen een afstand van 100 meter tot 200 meter tot het middelpunt van de molen wordt geen bebouwing opgericht met een bouwhoogte van meer dan 7 meter; c) binnen een afstand van 200 meter tot 300 meter tot het middelpunt van de molen wordt geen bebouwing opgericht met een bouwhoogte van meer dan 8 meter; d) binnen een afstand van 300 meter tot 400 meter tot het middelpunt van de molen wordt geen bebouwing opgericht met een bouwhoogte van meer dan 10 meter;
Bestemmingsplan Pannenschuurlaan 211 Oisterwijk
|29
e)
binnen een afstand van 400 meter tot 500 meter tot het middelpunt van de molen wordt geen bebouwing opgericht met een bouwhoogte van meer dan 11 meter; f) het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde onder a t/m e indien: 1. de vrije windvang of het zicht op de molen al zijn beperkt vanwege aanwezige bebouwing en de windvang en het zicht op de molen niet verder worden beperkt vanwege de nieuw op te richten bebouwing; 2. toepassing van de in dit lid onder a t/m e bedoelde maten de belangen in verband met de nieuw op te richten bebouwing onevenredig zouden schaden; g) indien op grond van de regels voor de andere, op deze gronden voorkomende bestemmingen een lagere maximale bouwhoogte geldt dan de maximaal toelaatbare bouwhoogte ingevolge dit lid onder a t/m e, prevaleert de maximaal toelaatbare bouwhoogte van de andere bestemmingen; h) indien op grond van de regels voor de andere, op deze gronden voorkomende bestemmingen een hogere maximale bouwhoogte geldt dan de maximaal toelaatbare bouwhoogte ingevolge dit lid onder a t/m e, prevaleert de maximaal toelaatbare bouwhoogte van de bestaande bouwwerken.
Daarnaast is de volgende regeling voor, onder andere, hoog opgaande beplanting opgenomen: Aanlegverbod zonder omgevingsvergunning Het is binnen een afstand van 500 meter van de molen verboden op of in de gronden met de bestemming Waarde - Cultuurhistorie zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van het bevoegd gezag (omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden) de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: a) het beplanten met bomen, heesters en andere hoog opgaande beplanting; b) het ophogen van gronden. Uitzondering op het aanlegverbod Het verbod is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die: a) normaal beheer of onderhoud ten dienste van de bestemming betreffen; b) reeds op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan in uitvoering zijn; c) noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarvoor ingevolge deze regels een omgevingsvergunning voor afwijken is verleend; d) het beplanten met bomen, heesters en andere opgaande beplanting die als zij volgroeid zijn, niet hoger zijn dan de maximaal toelaatbare bouwhoogte van de gebouwen op het zelfde bouwperceel zoals in het plan is toegestaan. Alleen het meest zuidelijke gedeelte van het plangebied binnen de molenbiotoop op een afstand van circa 460 meter.
In het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ staat dat binnen een afstand van 400 en 500 meter tot het middelpunt van de molen geen bouwwerken worden opgericht met een bouwhoogte van meer dan 11 meter. De ontwikkeling van de meest zuidelijke Ruimte voor Ruimte woning valt binnen deze regeling. De bouwhoogte in dit bestemmingsplan van maximaal 10 meter blijft binnen dit gebied onder de 11 meter. De huidige regeling voor de molenbiotoop wordt overgenomen in dit bestemmingsplan.
Bestemmingsplan Pannenschuurlaan 211 Oisterwijk
|30
Conclusie De aspecten archeologie en cultuurhistorie vormen geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.
5.2
Bedrijven en milieuzonering
De Wet milieubeheer (Wm) zorgt ervoor dat milieuoverlast in woongebieden zoveel mogelijk wordt beperkt. Alle voorzieningen en bedrijven die overlast veroorzaken moeten daarom een vergunning hebben in het kader van de Wet milieubeheer. In de publicatie ‘Bedrijven en Milieuzonering’ (2009) van de VNG (Vereniging van Nederlandse Gemeenten) is een lijst met indicatieve richtafstanden opgenomen voor milieubelastende bedrijfsactiviteiten ten opzichte van gevoelige bestemmingen. De lijst geeft richtlijnen voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De benodigde afstand tussen bedrijven en gevoelige functies is afhankelijk van de aard en omvang van het bedrijf en de omgeving. Omgevingstype gemengd gebied Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend”.
Omgevingstype rustige woonwijk/rustig buitengebied Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven of kantoren) voor. Langs de randen (in de overgang naar mogelijke bedrijfsfuncties) is weinig verstoring door verkeer. Een vergelijkbaar omgevingstype qua aanvaardbare milieubelasting is een rustig buitengebied (eventueel inclusief verblijfsrecreatie), een stiltegebied of een natuurgebied. Alle bedrijven die in de buurt van het plangebied liggen worden aan de hand van een milieucategorie verbonden met een maximale hinderafstand ten opzichte van milieugevoelige bestemmingen. Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6
t.o.v. rustige woonwijk 10 meter 30 meter 50 meter 100 meter 200 meter 300 meter 500 meter 700 meter 1.000 meter 1.500 meter
t.o.v. gemengd gebied 0 meter 10 meter 30 meter 50 meter 100 meter 200 meter 300 meter 500 meter 700 meter 1.000 meter
Bestemmingsplan Pannenschuurlaan 211 Oisterwijk
|31
Onderzoek Voor onderhavig planvoornemen dient aangetoond te worden of omliggende bedrijven belemmerd worden in hun bedrijfsvoering en/of in het plangebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het planperceel aan de Pannenschuurlaan 211 is gelegen ten noorden van de kern Oisterwijk. Het plangebied bevindt zich aan een hoofdontsluitingsweg in een gebied waar zowel woningen als (agrarische) bedrijven voorkomen. Om die reden wordt er gerekend met de richtafstanden t.o.v. een gemengd gebied. Belemmering omliggende bedrijven Aan de Molenbaan, ten oosten van het plangebied, bevinden zich vier bedrijfsbestemmingen. De bedrijfsbestemmingen betreffen een makelaar, varkenshouderij, kinderopvang en dierenarts. Enkel de varkenshouderij voldoet niet aan de richtafstand die is voorgeschreven. Aan de Kreitenstraat 40 bevindt zich een veehouderij op 60 meter afstand van het plangebied. De Kreitenmolenstraat 300 voorziet in de laatste nabijgelegen bedrijfsbestemming, namelijk een restaurant op 150 meter afstand. Deze twee bedrijfsbestemmingen liggen ook ruim buiten de richtafstanden voor een gemengd gebied. Aan de Hoolstraat 17 (390 meter), Kreitenstraat 20 en 40 (630 meter 115 meter), en de Spreeuwenburgerweg 41 en 60 (180 meter en 360 meter) bevinden zich veehouderijen. Adres
Functie
Categorie
Richtafstand
Hoolstraat 17 Molenbaan 1 Molenbaan 1 Molenbaan 2 Molenbaan 7 – A Kreitenstraat 20 Kreitenstraat 40 Kreitenmolenstraat 300 Spreeuwenburgerweg 41 Spreeuwenburgerweg 60
Veehouderij Makelaar Varkenshouderij Kinderopvang Dierenarts Veehouderij Veehouderij Restaurant Veehouderij Veehouderij
3.2 1 4.1 2 3.1 3.2 3.2 1 3.2 3.2
50 meter 0 meter 200 meter 10 meter 30 meter 50 meter 50 meter 0 meter 50 meter 50 meter
Werkelijke afstand 390 meter 90 meter 80 meter 135 meter 55 meter 630 meter 115 meter 150 meter 180 meter 360 meter
De varkenshouderij aan de Molenbaan 1 voldoet niet aan de richtafstand. Derhalve is een geuronderzoek uitgevoerd waaruit blijkt dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat aan de Pannenschuurlaan 211 en dat de ontwikkeling geen onevenredig nadelig effect heeft voor de bedrijfsvoering van de varkenshouderij. Het geuronderzoek is als bijlage bij deze toelichting opgenomen. Aan de overige richtafstanden wordt voldaan. Er is sprake van een goed woon- en leefklimaat. De bedrijfsvoering van de bestaande bedrijven wordt door de nieuwe woningen niet nadelig beïnvloed. Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de planontwikkeling.
5.3
Bodemkwaliteit
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang om de bodemkwaliteit te onderzoeken. Bij functiewijzigingen moet gekeken worden of de bodemkwaliteit voldoende is ten
Bestemmingsplan Pannenschuurlaan 211 Oisterwijk
|32
dienste van de beoogde nieuwe functie. Nieuwe bestemmingen moeten bij voorkeur op schone grond worden gerealiseerd. Onderzoek In februari 2023 is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd aan de Pannenschuurlaan 211 te Oisterwijk, kadastraal bekend gemeente Oisterwijk, sectie H, nummers 444 en 830. Het volledige bodemonderzoek is opgenomen in bijlage 2 van de toelichting. Tijdens de veldinspectie op de locatie zijn behoudens een asbesthoudende dakbedekking geen waarnemingen gedaan die wijzen op de aanwezigheid van bodemverontreiniging of bronnen van verontreiniging. Rood omlijnde gedeelte: In het opgeboorde bodemmateriaal zijn zintuigelijk geen bijzonderheden waargenomen. Uit de analyseresultaten blijkt dat de bovengrond plaatselijk licht verhoogd is met zink. De ondergrond is plaatselijk licht verhoogd met kobalt en nikkel. Het freatisch grondwater is licht verhoogd met zink, benzeen, xylenen, barium, cadmium, nikkel en zink. De resultaten van dit bodemonderzoek geven geen aanleiding tot het uitvoeren van een nader bodemonderzoek. De milieuhygiënische conditie van de bodem vormt geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling. In het kader van dit onderzoek is geen specifiek onderzoek (conform NEN 5707) verricht naar het voorkomen van asbest in de grond en op het maaiveld. Wel heeft een inspectie van het terrein plaatsgevonden.
Op het maaiveld en in de vrijkomende grond zijn geen asbestverdachte materialen aangetroffen. Het voorliggende onderzoek doet echter geen bindende uitspraak over de aan- of afwezigheid van asbest in de bodem binnen de onderzoekslocatie. Voormalig onderzocht gedeelte perceel door Aeres Milieu in 2018 en 2020 (geel omlijnd): Gebaseerd op de verzamelde gegevens uit het vooronderzoek kan het restant van de onderzoekslocatie rekening houdend met de (lichte) verhogingen met metalen, PCB, PAK en zeer plaatselijk minerale olie in de bodem als “onverdacht” worden beschouwd op het voorkomen van bodemverontreiniging. Op de locatie is in 2020 een verkennend onderzoek asbest in bodem uitgevoerd (rapport Pannenschuurlaan 211 te Oisterwijk, d.d. 16-01-2020 met kenmerk AM18542-2). Uit het onderzoek blijkt dat er ter plaatse van de loods en de aangrenzende stal een marginaal verhoogde asbestconcentratie is aangetoond. Ter plaatse van het vervallen stalletje in de zuidoosthoek van de locatie is een matig verhoogde concentratie met asbest aangetoond. De reguliere geldigheidstermijn van een bodemrapportage is 3 tot 5 jaar. Het bevoegd gezag kan verlangen dat er opnieuw een asbest in bodem onderzoek wordt uitgevoerd op de locatie daar de asbesthoudende dakbedekking uit het verkennende asbestonderzoek uit 2020 nog aanwezig is op de locatie.
Opgemerkt dient te worden dat er tijdens het onderzoek dat uitgevoerd is in 2020 geen rekening is gehouden met de eventuele verontreiniging van de bodem door PCB (polychloorbifenylen). Recent is gebleken dat asbesthoudende (dak)platen voorzien kunnen zijn van een coating die polychloorbifenylen (PCB) bevat. Door verwering van dergelijke asbestdaken, bestaat de kans dat er dan behalve een asbestverontreiniging ook een PCB-verontreiniging in de bodem aanwezig is. PCB zijn daarmee een verdachte stof bij asbestonderzoek. Indien er werkzaamheden plaatsvinden, waarbij grond vrijkomt, kan de grond mogelijk niet zonder meer worden afgevoerd of elders
Bestemmingsplan Pannenschuurlaan 211 Oisterwijk
|33
worden toegepast. Ten aanzien van hergebruik van deze grond elders is het Besluit Bodemkwaliteit en het Handelingskader PFAS van toepassing. Het grondwater ter plaatse van de onderzoekslocatie is niet multifunctioneel toepasbaar. Het wordt daarom afgeraden het freatisch grondwater te gebruiken voor consumptie, besproeiing of proceswater.
Globale begrenzing onderzoekslocatie
Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor het planvoornemen. Op basis van het eerder uitgevoerde asbestonderzoek blijkt dat er asbest aanwezig was ter plaatse van de loods en de aangrenzende stal. Het aspect asbest en PCB kan te zijner tijd na sloop meegenomen worden in een aanvullend bovengrondonderzoek.
5.4
Externe veiligheid
Bij het mogelijk maken van nieuwe gevoelige functies is het aspect externe veiligheid van belang. Dit heeft betrekking op inrichtingen, buisleidingen en transportroutes waar een ongeval met gevaarlijke stoffen kan plaatsvinden, met fatale gevolgen voor personen die geen directe relatie hebben tot de risicovolle activiteit. De wet- en regelgeving omtrent externe veiligheid is vastgesteld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) de Structuurvisie buisleidingen en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Het beleid richt zich op het beschermen van kwetsbare objecten en beperkt kwetsbare objecten. Kwetsbare objecten zijn onder andere woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen en kinderdagverblijven. Onder meer kantoren, winkels, horeca en parkeerterreinen worden als beperkt kwetsbare objecten aangewezen. De beoogde ontwikkeling omvat nieuwe kwetsbare objecten. De Risicokaart Nederland geeft een overzicht van de ligging van risicovolle activiteiten (inrichtingen, buisleidingen en transportroutes). Om de externe veiligheid ten behoeve van een nieuwe ontwikkeling te beoordelen wordt er een onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR).
Plaatsgebonden risico Het PR is de kans dat een persoon, die (onafgebroken en onbeschermd) op een bepaalde plaats aanwezig is, overlijdt door een calamiteit op het terrein van een inrichting of bij een transportmodaliteit. Het PR wordt op de kaart van het gebied weergeven middels zogeheten Bestemmingsplan Pannenschuurlaan 211 Oisterwijk
|34
risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10 -6 contour (welke als wettelijk harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde. De voorgenomen ontwikkeling is niet gelegen binnen een risicocontour. Het plaatsgebonden risico leidt daarmee tot geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling. Groepsrisico Het GR bestaat uit de cumulatieve kans per jaar dat een groep van een bepaalde omvang (10 personen of meer) overlijdt als gevolg van een calamiteit op het terrein van een inrichting of bij een transportmodaliteit. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Dit wil zeggen dat elke wijziging inzake planologische keuzes, zowel moet worden onderbouwd als ook verantwoord moet worden door het bevoegd gezag. Het bevoegd gezag geeft hierbij aan of het groepsrisico in de betreffende situatie verantwoord wordt beschouwd. Besluit externe veiligheid inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor personen. Het gaat daarbij onder meer om bedrijven die vallen onder het BRZO (Besluit Risico’s Zware Ongevallen), LPG-tankstations en opslagplaatsen met gevaarlijke stoffen.
Belangrijke begrippen in het kader van externe veiligheid zijn het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico (PR) is in het Bevi gedefinieerd als het ‘risico op een plaats buiten een inrichting, uitgedrukt als de kans per jaar dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof of gevaarlijke afvalstof betrokken is’. Het groepsrisico (GR) is gedefinieerd als de ‘cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof of gevaarlijke afvalstof betrokken is’. Verder zijn kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten van belang. Kwetsbare objecten zijn bijvoorbeeld scholen, kantoorgebouwen met een bruto vloeroppervlak van meer dan 1.500 m² en woningen met een dichtheid van meer dan twee woningen per hectare. Beperkt kwetsbare objecten zijn onder meer sporthallen, zwembaden en woningen met een dichtheid van maximaal twee woningen per hectare. Het Bevi bevat eisen voor het plaatsgebonden risico en regels voor het groepsrisico.
Voor het plaatsgebonden risico geldt onder meer een grenswaarde van 10-6 per jaar voor kwetsbare objecten in nieuwe situaties (PR-contour). Voor het groepsrisico geldt dat de gemeenteraad verantwoording moet afleggen over de wijze waarop het groepsrisico is meegewogen in de besluitvorming. Besluit externe veiligheid transportroutes Het externe veiligheidsbeleid voor het vervoer van gevaarlijke stoffen is vanaf 1 april 2015 vastgelegd in de Wet Basisnet en de Wet vervoer gevaarlijke stoffen (Wgvs). Voor ruimtelijke ordening in relatie tot transportroutes is er het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Dit besluit is gebaseerd op de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en de Wet milieubeheer (Wm). Volgens het Bevt mag op grond van een ruimtelijk besluit geen kwetsbaar object in de veiligheidszone worden gebouwd. Nieuwe beperkt kwetsbare objecten mogen alleen in uitzonderlijke gevallen in de
Bestemmingsplan Pannenschuurlaan 211 Oisterwijk
|35
veiligheidszone worden toegestaan. Het Bevt gaat ook in op de hoogte van het groepsrisico. Wanneer het aannemelijk is dat het groepsrisico ver beneden de oriëntatiewaarde blijft of nauwelijks toeneemt, is een verantwoording van het groepsrisico niet verplicht. Besluit externe veiligheid buisleidingen Het besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) regelt de taken en verantwoordelijkheden van leidingexploitanten en gemeenten. De belangrijkste eisen aan bestemmingsplannen zijn: ruimtelijke reservering voor plaatsgebonden risico, verantwoording van het groepsrisico en een ruimtelijke reservering voor zogenoemde belemmeringenstroken met een aanlegvergunningenstelsel. Inventarisatie risicobronnen Voor de inventarisatie van de risicobronnen is gebruik gemaakt van de risicokaart van Nederland. Basisnet-spoortraject met PAG-indicatie Basisnet-wegtraject zonder PAG-indicatie Buisleidingen Plangebied
Uitsnede Risicokaart Nederland
Bestemmingsplan Pannenschuurlaan 211 Oisterwijk
|36
Kaart veiligheidsregio (plangebied blauw)
Transport over water In de nabij omgeving van het plangebied zijn geen vaarwegen aanwezig die een beperking vormen in het kader van externe veiligheid. Transport over spoor of weg Het niet-leiding gebonden transport van gevaarlijke stoffen in Oisterwijk vindt plaats over de weg en het spoor. In de nabijheid van het plangebied vindt transport van gevaarlijke stoffen plaats over de spoorlijn Tilburg – Eindhoven, de Rijksweg N65 en Pannenschuurlaan. De afstand tot de spoorlijn Tilburg – Eindhoven bedraagt circa 1.400 meter. Het spoortraject heeft een invloedsgebied van >2km in verband met het vervoer van toxische stoffen. Om die reden dient getoetst te worden aan artikel 7 van het Besluit externe veiligheid transportroutes. Voor de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid kan aansluiting worden gezocht bij de standaard verantwoording en het standaard advies van de Veiligheidsregio. Deze stukken zijn als bijlage bij het bestemmingsplan gevoegd. Onderzoek Voor de locatie is op 16 januari 2023 een onderzoek externe veiligheid uitgevoerd door Adviesgroep AVIV. In notitie externe veiligheid worden de risico’s van het vervoer van gevaarlijke stoffen bepaald door toepassing van de vuistregels zoals opgenomen in de handleiding risicoanalyse transport (Hart). Het volledige onderzoek is bijgevoegd als bijlage bij deze toelichting.
Het plaatsgebonden risico vormt geen belemmering voor de ontwikkeling. Het groepsrisico is en blijft kleiner dan 10% van de oriëntatiewaarde. Daarnaast is er geen toename van het groepsrisico, aangezien de populatie na de ontwikkeling van het plangebied nagenoeg niet verandert. De verdere Bestemmingsplan Pannenschuurlaan 211 Oisterwijk
|37
verantwoording van het groepsrisico kan daarom achterwege blijven. Wel dient, conform artikel 7 van het Bevt, het bestuur van de veiligheidsregio in de gelegenheid te worden gesteld om advies uit te brengen. In de toelichting bij het besluit dient in elk geval in te worden gegaan op de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp en de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien een ramp zich voordoet. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
5.5
Flora & fauna
Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming is de Nederlandse wet die de bescherming van natuurgebieden en soorten regelt. Met deze wet worden de Europese natuurbeschermingsrichtlijnen (de vogel- en habitatrichtlijn) zo helder mogelijk geïmplementeerd. Bovendien sluit het instrumentarium van de Wet natuurbescherming aan op het huidige omgevingsrecht en de toekomstige Omgevingswet. Het eerste aanspreekpunt voor de aanvraag van een omgevingsvergunning is de gemeente. De bevoegdheden om te toetsen aan de Wet natuurbescherming is bij de provincie gelegd. Het uitgangspunt van de wet is dat er geen schade mag worden toegebracht aan beschermde dieren of planten, tenzij dit nadrukkelijk is toegestaan. Natura 2000-gebieden Natura 2000 is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. In Nederland worden deze gebieden aangewezen binnen de EU-vogelrichtlijn en de EU-habitatrichtlijn. In Natura 2000 gebieden worden bepaalde diersoorten en hun natuurlijke leefomgeving beschermd om de biodiversiteit te behouden. In het opgestelde beheerplan wordt beschreven hoe de instandhoudingsdoelstellingen bereikt dienen te worden. Nederland heeft ruim 160 Natura 2000 gebieden. Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN), vroeger de Ecologische hoofdstructuur genoemd (EHS), is het Nederlandse netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden.
Het bestaat uit gebieden die samen een netwerk vormen door Nederland waar de natuur voorrang heeft. Het netwerk helpt voorkomen dat planten en dieren in geïsoleerde gebieden uitsterven en dat natuurgebieden hun waarde verliezen. In het NNN geldt het ‘nee, tenzij’ principe. Dit houdt in dat ruimtelijke ingrepen niet zijn toegestaan, tenzij er geen alternatieven zijn en er sprake is van een groot openbaar belang. De effecten van de ingreep moeten bovendien worden gecompenseerd. Naast ongeveer 20 Nationale parken, meren, rivieren en de kustzone van de Noordzee en de Waddenzee vallen alle Natura 2000 gebieden onder het NNN. De landbouwgebieden worden beheerd volgens agrarisch natuurbeheer. Beschermde planten en dieren De lijsten met beschermde soorten zijn veranderd. Er zijn soorten die voorheen beschermd waren en onder de Wet natuurwetbescherming (Wn) niet meer en andersom. Zo zijn een aantal soorten orchideeën, de kleine modderkruiper en rode bosmieren sinds 1 januari 2017 niet meer beschermd. De Wn kent drie algemene beschermingsregimes waarin de voorschriften van de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en twee verdragen (Bern en Bonn) zijn geïmplementeerd en waarin aanvullende voorschriften zijn gesteld voor de dier- en plantensoorten die niet onder die specifieke voorschriften vallen, maar wel bescherming:
Bestemmingsplan Pannenschuurlaan 211 Oisterwijk
|38
•
Vogels alle vogels in de zin van de Vogelrichtlijn (paragraaf 3.1 van de Wn). Verder nemen de meeste provincies de onder de Flora- en faunawet benoemde vogelsoorten waarvan het nest jaarrond werd beschermd over. Voor een aantal vogelsoorten geldt dat hun nesten jaarrond beschermd zijn, ook als de soort op het moment van de handeling geen gebruik maakt van het nest. Dit is het geval wanneer een vogelsoort jaarlijks terugkeert naar zijn nest en niet of nauwelijks in staat is om elders in zijn leefgebied een vervangend nest te vinden of te maken. • Internationaal beschermde soorten alle dieren en planten, genoemd in de bijlagen bij de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (paragraaf 3.2 van de Wn). • Overige beschermde soorten soorten genoemd in de bijlage bij de Wn, die niet onder de reikwijdte van paragraaf 3.2 vallen (paragraaf 3.3 van de Wn). Hieronder vallen onder meer de ‘algemene’ soorten die onder de Flora- en faunawet bij ruimtelijke ingrepen waren vrijgesteld. Vrijwel al deze soorten zijn door alle provincies eveneens voor ruimtelijke ingrepen vrijgesteld (een uitzondering geldt bijvoorbeeld voor de mol, die onder de Wn niet meer is beschermd). De beschermde status van soorten kan echter per provincie verschillen. Provincies hebben de bevoegdheid om bij provinciale verordening vrijstelling te verlenen voor nationaal beschermde soorten.
Er is dan geen ontheffing nodig voor werkzaamheden. Voor soorten die ook niet in de bijlagen van de Wn worden genoemd, fungeert de zorgplichtbepaling (artikel 1.11 Wn) als vangnet. Op grond van deze bepaling moeten schadelijke handelingen voor alle in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving in beginsel achterwege worden gelaten, dan wel moeten maatregelen worden genomen om schadelijke gevolgen (zoveel mogelijk) te voorkomen. Onderzoek Voor de locatie is een ecologische quickscan uitgevoerd (bijlage, BrabantEco, 2023-BE-0488, 24 januari 2023). Het doel van verkennend onderzoek is om vast te stellen of de geplande ontwikkeling mogelijk effect heeft op de beschermde flora en fauna en op beschermde natuurgebieden. Er wordt een eerste inzicht verkregen in het mogelijke effect op deze beschermde natuurwaarden in en om het plangebied en de mogelijke vervolgstappen die moeten worden ondernomen met betrekking tot aanvullend onderzoek, nader effectonderzoek en nadere procedures. Het doel van dit onderzoek is het vaststellen of uitsluiten van aanwezigheid van beschermde soorten die zijn opgenomen in paragraaf 3.1, 3.2 en 3.3 van de Wet natuurbescherming. Naast soorten die bijzondere bescherming genieten, geldt er een algemene zorgplicht om planten en dieren niet onnodig te verstoren.
Daarom dienen flora en fauna en eventuele effecten in kaart gebracht te worden om deze te kunnen toetsen aan natuurwetgeving. Het rapport zoals opgenomen in de bijlagen bij deze toelichting geeft inzicht in de mogelijke knelpunten in het kader van natuurwetgeving en -beleid en de mogelijke effecten als gevolg van het project en kan voor de opdrachtgever als bewijsstuk dienen voor het verrichtte natuuronderzoek. Conclusie Onderzoek naar de gebiedsbescherming toont aan dat er geen negatieve effecten zijn te verwachten ten aanzien van de NNN en Natura 2000. Een Aerius berekening in hoofdstuk 5.6 toont de stikstofdepositie aan. Onderzoek naar de soortbescherming toont aan dat beschermde soorten planten door gebrek aan geschikte biotopen niet zijn te verwachten in het gebied. Binnen het plangebied zijn houtopstanden aanwezig welke met de beoogde ontwikkelingen blijven bestaan.
Bestemmingsplan Pannenschuurlaan 211 Oisterwijk
|39
Tijdens het veldonderzoek is er geconstateerd dat er mogelijk gebouw bewonende vleermuizen voorkomen in de woning op het plangebied. In ditzelfde gebouw komen mogelijk nestlocaties voor broedende huismussen voor. Onderzoek naar deze soortgroepen is noodzakelijk. Voor de bestaande te behouden (bedrijfs)woning kunnen bij verbouwwerkzaamheden de eventuele aanwezige vleermuizen of huismussen een belemmering zijn. Het onderzoek is alleen noodzakelijk wanneer er een omgevingsvergunning voor de verbouw van de bestaande woning aangevraagd wordt, maar vormt geen belemmering voor de haalbaarheid van het bestemmingsplan. Voor de twee nieuwe Ruimte voor Ruimte woningen zijn er geen belemmeringen. Voor de overige beschermde en onbeschermde soortgroepen wordt aanwezigheid in de vorm van nesten, vaste verblijfplaatsen of voorplantingsgebied niet mogelijk geacht. Het aspect flora en fauna vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.
5.6
Stikstof
Beleid Het Programma Aanpak Stikstof (PAS) en de daarbij behorende toetsingskader is in werking getreden op 1 juli 2015. Te veel stikstof is slecht voor de natuur, waardoor een natuurvergunning of een ander toestemmingsbesluit nodig is voor activiteiten waar stikstof bij vrij komt (bijvoorbeeld in de landbouw, woningbouw of de industrie). Tot 29 mei 2019 was toestemming voor dergelijke activiteiten gebaseerd op het Programma Aanpak Stikstof. Op 29 mei 2019 heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State het PAS ongeldig verklaard. Het Programma Aanpak Stikstof (PAS) biedt niet genoeg bescherming aan zogenoemde Natura 2000-gebieden. Een nieuwe stikstofrekentoepassing maakt sommige bouwprojecten toch mogelijk. Het kabinet heeft destijds een nieuwe rekenmethode naar buiten gebracht (de ‘AERIUS Calculator 2020’) welke het verlenen van vergunning voor projecten mogelijk moet maken. Inmiddels is ‘AERIUS Calculator (versie 2023)’ de meest recente versie waarmee gerekend kan worden. Projecten waarvan (met behulp van deze rekenmethode) kan worden bewezen dat ze de natuur niet raken, komen in aanmerking voor een vergunning. De natuur wordt niet geraakt zolang de depositie van stikstof op beschermde natuurgebieden niet hoger bedraagt dan 0,00 mol/ha/j.
In het geval de depositie wél hoger is dan 0,00 mol/ha/j, zijn er enkele mogelijkheden zoals het (intern of extern) salderen of de ADC-toets. Deze toets is echter enkel bruikbaar bij zeer grote dwingende projecten zonder alternatief, waarbij tevens gecompenseerd wordt. Het salderen is een manier om uiteindelijk de natuurvergunning te verkrijgen door binnen of buiten het project aan te tonen dat er minder of geen extra stikstof neerslaat op Natura 2000-gebieden. Onderzoek Het planvoornemen betreft de wens om de planlocatie aan de Pannenschuurlaan 211 te Oisterwijk te herontwikkelen. De beoogde ontwikkeling voorziet in het herbestemmen van de agrarische bedrijfslocatie naar een woonbestemming. De huidige bedrijfswoning wordt omgezet naar een burgerwoning. Daarnaast worden twee kavels gecreëerd met twee ruimte-voor-ruimte woningen. Uit de berekeningen blijkt dat – met de uitgangspunten die in dit onderzoek gedaan zijn gedurende de aanlegfase en gebruiksfase geen toename van de stikstofdepositie groter dan 0,00 mol/ha/jaar is berekend. Wanneer de uitgangspunten in dit onderzoek wijzigen, dan dient een nieuwe AERIUS-berekening te worden uitgevoerd.
Bestemmingsplan Pannenschuurlaan 211 Oisterwijk
|40
Conclusie Het aspect stikstof vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.
5.7
Geluid
Beleid Het aspect geluid speelt een belangrijke rol in de omgevingskwaliteit. Er bestaan verschillende geluidsbronnen die van invloed kunnen zijn op deze omgevingskwaliteit. Overlast van geluid op geluidsgevoelige functies dient te worden voorkomen. In de Wet geluidhinder (Wgh) wordt onderscheid gemaakt tussen verkeerslawaai en industrielawaai. Ter bepaling van de geluidsbelasting dient op grond van de Wgh iedere weg in beschouwing te worden genomen tenzij de weg binnen een woonerf gelegen is of voor de weg een maximum rijsnelheid van 30 km/uur geldt. De te beschouwen wegen hebben een onderzoekszone waarbinnen een akoestisch onderzoek dient plaats te vinden. De grootte van de zone is afhankelijk van het aantal rijstroken en de definitie van het gebied (buitenstedelijk of binnenstedelijk). Op grond van de Wgh bedraagt de voorkeursgrenswaarde 48 dB op de gevels van geluidgevoelige bestemmingen. In artikel 1 van de Wet geluidhinder wordt een beperkt aantal type objecten aangemerkt als geluidsgevoelig object. Dit zijn: woningen, geluidsgevoelige terreinen en andere geluidsgevoelige gebouwen (onder andere onderwijsgebouwen, ziekenhuishuizen en verpleeghuizen). Objecten die niet onder deze categorieën zijn te scharen zijn op basis van de Wgh niet beschermd tegen geluidhinder.
Beoordeling Vervangende nieuwbouw In opdracht van Aeres Milieu is, in het kader van de realisatie van vervangende nieuwbouw aan de Pannenschuurlaan te Oisterwijk, door K+ Adviesgroep een akoestisch onderzoek verricht naar de te verwachten optredende geluidbelastingen vanwege wegverkeerslawaai ter plaatse van de nieuwe situatie in het kader van de Wet geluidhinder. Het akoestisch onderzoek is noodzakelijk omdat het plan is gelegen binnen de geluidzone van de N65, Pannenschuurlaan, Molenbaan, Tulderbaan en Kreitenstraat. Het volledige onderzoek is als bijlage bij deze toelichting opgenomen. Wet geluidhinder (N65) De voorkeursgrenswaarde wordt wel, maar de maximale ontheffingswaarde wordt niet overschreden. De geluidbelasting ten gevolge van de N65 is maximaal 58 dB (incl. aftrek art. 110g Wgh). Bij de gemeente Oisterwijk kan een verzoek worden ingediend voor het verlenen van een hogere waarde. Het treffen van maatregelen aan de bron in de vorm van een andere wegverharding zou kunnen worden overwogen. Hiermee is een geluidreductie van maximaal 5 dB te realiseren. De geluidbelasting kan daarmee niet worden teruggebracht tot de voorkeursgrenswaarde of lager. De kosten voor dergelijke maatregelen worden geraamd op €90.000,- (300 m * 6m * €50,-) en stuiten daarmee op bezwaren van financiële aard.
Daarnaast is de weg op ruime afstand gelegen waardoor het stuk wegdek groter kan uitvallen. De gemeente Oisterwijk beschikt niet over een eigen geluidbeleid waarin aanvullende eisen worden gesteld bij het aanvragen van een hogere waarde.
Bestemmingsplan Pannenschuurlaan 211 Oisterwijk
|41
-
Conform Bouwbesluit worden in deze situatie eisen gesteld aan de minimale gevelgeluidwering. Wanneer een hogere waarde wordt verleend, moet voor de nieuwe woning worden aangetoond welke geluidwerende maatregelen aan de gevel noodzakelijk zijn om te kunnen voldoen aan het gestelde in Afdeling 3.1 van het Bouwbesluit. De minimaal vereiste geluidwering is het verschil in geluidbelasting (zonder aftrek artikel 110g Wgh) en 33 dB. In tabel 4.6 is de benodigde karakteristieke geluidwering weergegeven.
Wet geluidhinder (Pannenschuurlaan) De maximale ontheffingswaarde wordt overschreden bij waarneempunt 27. Dit betekent dat de gevel doof moet worden uitgevoerd of moeten worden voorzien van een bouwkundige voorziening om de geluidbelasting terug te brengen tot onder de maximale ontheffingswaarde. Bij voorliggende plannen is men voornemens om bouwkundige voorzieningen te treffen, bijvoorbeeld Silent Air, om de geluidbelasting achter deze voorziening terug te brengen zodat achterliggende ramen in verblijfsgebieden geopend kunnen worden. De voorkeursgrenswaarde wordt ter plaatse van de overige waarneempunten overschreden. De geluidbelasting ten gevolge van de Pannenschuurlaan is hier maximaal 57 dB (incl. aftrek art. 110g Wgh). Bij de gemeente Oisterwijk kan een verzoek worden ingediend voor het verlenen van een hogere waarde. Het treffen van maatregelen aan de bron in de vorm van een andere wegverharding zou kunnen worden overwogen. Hiermee is een geluidreductie van maximaal 5 dB te realiseren. De geluidbelasting kan daarmee niet worden teruggebracht tot de voorkeursgrenswaarde of lager. De kosten voor dergelijke maatregelen worden geraamd op €90.000,- (300 m * 6m * €50,-) en stuiten daarmee op bezwaren van financiële aard. De gemeente Oisterwijk beschikt niet over een eigen geluidbeleid waarin aanvullende eisen worden gesteld bij het aanvragen van een hogere waarde.
Conform Bouwbesluit worden in deze situatie eisen gesteld aan de minimale gevelgeluidwering. Wanneer een hogere waarde wordt verleend, moet voor de nieuwe woning worden aangetoond welke geluidwerende maatregelen aan de gevel noodzakelijk zijn om te kunnen voldoen aan het gestelde in Afdeling 3.1 van het Bouwbesluit. De minimaal vereiste geluidwering is het verschil in geluidbelasting (zonder aftrek artikel 110g Wgh) en 33 dB. In tabel 4.6 is de benodigde karakteristieke geluidwering weergegeven. Wet geluidhinder (Molenbaan) De geluidbelasting ten gevolge van deze weg is maximaal 37 dB, incl. aftrek artikel 110g. De waarde ligt onder de voorkeursgrenswaarde waardoor geen hogere waarde ten aanzien van deze weg hoeft te worden aangevraagd. De Wet geluidhinder legt ten gevolge van deze weg geen restricties op aan het plan. Wet geluidhinder (Tulderbaan) De geluidbelasting ten gevolge van deze weg is maximaal 29 dB, incl. aftrek artikel 110g. De waarde ligt onder de voorkeursgrenswaarde waardoor geen hogere waarde ten aanzien van deze weg hoeft te worden aangevraagd. De Wet geluidhinder legt ten gevolge van deze weg geen restricties op aan het plan. Wet geluidhinder (Kreitenstraat) De geluidbelasting ten gevolge van deze weg is maximaal 30 dB, incl. aftrek artikel 110g. De waarde ligt onder de voorkeursgrenswaarde waardoor geen hogere waarde ten aanzien van
Bestemmingsplan Pannenschuurlaan 211 Oisterwijk
|42
deze weg hoeft te worden aangevraagd. De Wet geluidhinder legt ten gevolge van deze weg geen restricties op aan het plan. Twee nieuwbouwwoningen In opdracht van Aeres Milieu is, in het kader van de realisatie van twee nieuwbouwwoningen aan de Pannenschuurlaan te Oisterwijk, door K+ Adviesgroep een akoestisch onderzoek verricht naar de te verwachten optredende geluidbelastingen vanwege wegverkeerslawaai ter plaatse van de nieuwe situatie in het kader van de Wet geluidhinder. Het akoestisch onderzoek is noodzakelijk omdat het plan is gelegen binnen de geluidzone van de N65, Pannenschuurlaan, Molenbaan, Tulderbaan en Kreitenstraat. Het volledige onderzoek is als bijlage bij deze toelichting opgenomen. Wet geluidhinder (N65) De maximale ontheffingswaarde wordt overschreden ter plaatse van waarneempunt 4. Dit betekent dat de betreffende gevel doof moet worden uitgevoerd, of moeten worden voorzien van een bouwkundige voorziening om de geluidbelasting terug te brengen tot onder de maximale ontheffingswaarde. Bij voorliggende plannen is men voornemens om bouwkundige voorzieningen te treffen, bijvoorbeeld Silent Air, om de geluidbelasting achter deze voorziening terug te brengen zodat achterliggende ramen in verblijfsgebieden geopend kunnen worden. Bij de gemeente Oisterwijk kan een verzoek worden ingediend voor het verlenen van een hogere waarde voor de overige waarneempunten.
Het treffen van maatregelen aan de bron in de vorm van een andere wegverharding zou kunnen worden overwogen. Hiermee is een geluidreductie van maximaal 5 dB te realiseren. De geluidbelasting kan daarmee niet worden teruggebracht tot de voorkeursgrenswaarde of lager. De kosten voor dergelijke maatregelen worden geraamd op €90.000,- (300 m * 6m * €50,-) en stuiten daarmee op bezwaren van financiële aard. De gemeente Oisterwijk beschikt niet over een eigen geluidbeleid waarin aanvullende eisen worden gesteld bij het aanvragen van een hogere waarde. Conform Bouwbesluit worden in deze situatie eisen gesteld aan de minimale gevelgeluidwering. Wanneer een hogere waarde wordt verleend, moet voor de nieuwe woning worden aangetoond welke geluidwerende maatregelen aan de gevel noodzakelijk zijn om te kunnen voldoen aan het gestelde in Afdeling 3.1 van het Bouwbesluit. De minimaal vereiste geluidwering is het verschil in geluidbelasting (zonder aftrek artikel 110g Wgh) en 33 dB. In tabel 4.6 is de benodigde karakteristieke geluidwering weergegeven. Wet geluidhinder (Pannenschuurlaan) De maximale ontheffingswaarde wordt overschreden bij verschillende waarneempunten. Dit betekent dat de betreffende gevels doof moet worden uitgevoerd, of moeten worden voorzien van een bouwkundige voorziening om de geluidbelasting terug te brengen tot onder de maximale ontheffingswaarde.
Bij voorliggende plannen is men voornemens om bouwkundige voorzieningen te treffen, te weten Silent Air, om de geluidbelasting achter deze voorziening terug te brengen zodat achterliggende ramen in verblijfsgebieden geopend kunnen worden. In het ontwerp van de woningen is al gerekend met een scherm om zorg te dragen dat de geluidbelasting op de achtergevel beneden de voorkeursgrenswaarde ligt. Gezien de dove gevel ook op de verdiepingen benodigd is, is een dergelijk hoog scherm nodig dat er bezwaren optreden van financiële en landschappelijke aard. Aanvullend is onderzocht of het verplaatsen van het bouwvlak leidt tot een optredende geluidbelasting onder de maximale ontheffingswaarde. Een verdubbeling van de afstand tot aan de weg zal leiden tot een verlaging van de optredende waarde van 3 dB. De optredende waarde zou hiermee alsnog boven de maximale ontheffingswaarde uitkomen.
Bestemmingsplan Pannenschuurlaan 211 Oisterwijk
|43
-
-
Het treffen van maatregelen aan de bron in de vorm van een andere wegverharding zou kunnen worden overwogen. Hiermee is een geluidreductie van maximaal 5 dB te realiseren. De geluidbelasting kan daarmee worden teruggebracht tot de voorkeursgrenswaarde of lager. De kosten voor dergelijke maatregelen worden geraamd op €90.000,- (300 m * 6m * €50,-) en stuiten daarmee op bezwaren van financiële aard. De gemeente Oisterwijk beschikt niet over een eigen geluidbeleid waarin aanvullende eisen worden gesteld bij het aanvragen van een hogere waarde. Conform Bouwbesluit worden in deze situatie eisen gesteld aan de minimale gevelgeluidwering. Wanneer een hogere waarde wordt verleend, moet voor de nieuwe woning worden aangetoond welke geluidwerende maatregelen aan de gevel noodzakelijk zijn om te kunnen voldoen aan het gestelde in Afdeling 3.1 van het Bouwbesluit. De minimaal vereiste geluidwering is het verschil in geluidbelasting (zonder aftrek artikel 110g Wgh) en 33 dB. In tabel 4.6 is de benodigde karakteristieke geluidwering weergegeven.
Wet geluidhinder (Molenbaan) De geluidbelasting ten gevolge van deze weg is maximaal 36 dB, incl. aftrek artikel 110g. De waarde ligt onder de voorkeursgrenswaarde waardoor geen hogere waarde ten aanzien van deze weg hoeft te worden aangevraagd. De Wet geluidhinder legt ten gevolge van deze weg geen restricties op aan het plan. Wet geluidhinder (Tulderbaan) De geluidbelasting ten gevolge van deze weg is maximaal 27 dB, incl. aftrek artikel 110g. De waarde ligt onder de voorkeursgrenswaarde waardoor geen hogere waarde ten aanzien van deze weg hoeft te worden aangevraagd. De Wet geluidhinder legt ten gevolge van deze weg geen restricties op aan het plan. Wet geluidhinder (Kreitenstraat) De geluidbelasting ten gevolge van deze weg is maximaal 36 dB, incl. aftrek artikel 110g. De waarde ligt onder de voorkeursgrenswaarde waardoor geen hogere waarde ten aanzien van deze weg hoeft te worden aangevraagd. De Wet geluidhinder legt ten gevolge van deze weg geen restricties op aan het plan. Conclusie Als gevolg van de geluidbelasting van de N65 en de Pannenschuurlaan dient de gevel doof uitgevoerd te worden of er moeten bouwkundige voorzieningen worden getroffen om de geluidbelasting terug te brengen tot onder de maximale ontheffingswaarde.
5.8
Luchtkwaliteit
Beleid Nederland heeft de Europese regels ten aanzien van luchtkwaliteit geïmplementeerd in de Wet milieubeheer (Wm). Op 15 november 2007 is het onderdeel luchtkwaliteit van de Wet milieubeheer in werking getreden. Kern van de wet is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Hierin wordt gereguleerd hoe moet worden omgegaan met overschrijdingen op het gebied van de luchtkwaliteit. In bijlage 2 van de Wet milieubeheer worden stoffen genoemd die mogelijk vrij kunnen komen bij activiteiten binnen een inrichting, zoals fijn stof (PM10 en PM2,5), stikstofdioxide (NO2), benzeen (C6H6), koolmonoxide (CO) en zwaveldioxide (SO2). Aangezien
Bestemmingsplan Pannenschuurlaan 211 Oisterwijk
|44
binnen Nederland met name de componenten NO2 en PM10 relevant zijn, worden in de voorliggende memo enkel de emissies als gevolg van deze componenten beschouwd. Het programma houdt rekening met de nieuwe ontwikkelingen zoals bouwprojecten of de aanleg van infrastructuur. Projecten die passen binnen de voorwaarden van het Programma, behoeven niet meer te worden getoetst aan de normstelling (grenswaarden) die gelden voor luchtkwaliteit. Ook projecten die ‘Niet in betekenende mate’ (NIBM) van invloed zijn op de luchtkwaliteit behoeven niet te worden getoetst aan deze grenswaarden. De criteria om te kunnen beoordelen in hoeverre sprake is van NIBM, zijn vastgelegd in de regeling NIBM. Er is sprake van een ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ indien vanwege het bouwplan de concentraties in de buitenlucht aan zowel fijnstof (PM10) als stikstofdioxide (NO2) met niet meer dan 3% toeneemt. De “Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)” wijst categorieën van gevallen aan die als “niet in betekende mate” worden aangemerkt waarmee invulling wordt gegeven aan artikel 5.16, vierde lid, van de Wet milieubeheer. Hiermee wordt voorkomen dat voor projecten waarvan op voorhand gesteld kan worden dat deze niet in betekenende mate bijdragen, een uitgebreide toetsing voor het aspect luchtkwaliteit dient plaats te vinden.
Zo zijn in de “Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)” woningbouwlocaties aangewezen die zullen worden voorzien van één ontsluitingsweg en die netto niet meer dan 1500 nieuwe woningen genereren. In het geval van twee ontsluitingswegen geldt hierbij netto niet meer dan 3000 nieuwe woningen. Hiervan is derhalve vastgesteld dat deze “niet in betekenende mate” bijdragen aan de luchtkwaliteit, ofwel de concentraties aan de genoemde componenten in de buitenlucht met niet meer dan 3% toenemen. Onderzoek NIBM Uit de regeling NIBM blijkt dat een project met minder dan 1.500 woningen niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. In dit geval is sprake van een woningbouwproject met één reeds planologisch vergunde woning en één nieuwe woning, waardoor de luchtkwaliteit aspecten geen belemmering vormen voor dit project. Luchtkwaliteit ter plaatse Omgekeerd dient aangetoond te worden dat ter plaatse van het plangebied sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit. In de wet zijn grenswaarden opgenomen ten aanzien van de jaargemiddelde concentraties voor onder andere stikstofdioxide en fijnstof. De vigerende grenswaarden voor stikstofdioxiden en fijnstof zijn in de navolgende tabel weergegeven. Stof Stikstofdioxide (NO2) Fijnstof (PM10) Fijnstof (PM2,5)
Toetsing van Jaargemiddelde concentratie Jaargemiddelde concentratie Jaargemiddelde concentratie
Grenswaarde 40 µg/m3 40 µg/m3 20 µg/m3
Volgens de Atlas leefomgeving van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) bedraagt de achtergrondconcentratie fijnstof ter plaatse ongeveer 15 µg/ m3 (PM10) en ongeveer 8 µg/m3 (PM2,5) en de achtergrondconcentratie stikstofdioxiden (NO2) ter plaatse ongeveer 10 µg/m3.
Bestemmingsplan Pannenschuurlaan 211 Oisterwijk
|45
Er wordt hiermee ruimschoots voldaan aan de normen voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voldaan. Gesteld kan worden dat ter plaatse sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op het gebied van luchtkwaliteit. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de planontwikkeling.
5.9
Water
Kaderrichtlijn Water De Kaderrichtlijn water is een Europese richtlijn die moet leiden tot een verbetering van de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater. De Kaderrichtlijn moet in landelijke wet- en regelgeving worden omgezet. Met de komst van de Implementatiewet EG-kaderrichtlijn water is de KRW vertaald in de Nederlandse wetgeving. De Europese Kaderrichtlijn heeft gevolgen voor de gemeente op het gebied van riolering, afkoppelen, toepassing van bouwmaterialen en het ruimtelijke beleid. Er worden ecologische en fysisch-chemische doelen geformuleerd die afhankelijk zijn van de functie van een watergang. Nationaal Waterprogramma 2022-2027 Het nationaal waterbeleid voor de komende jaren is vastgesteld in het Nationaal Waterprogramma 2022-2027 door de minister van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW). Het nationaal waterbeleid voor de komende jaren is in 2015 vastgesteld in het Nationaal Waterplan 2016-2021 door het kabinet. Het Rijk streeft naar een duurzaam en klimaatbestendig waterbeheer en heeft de ambitie om de komende decennia te investeren in bescherming tegen overstromingen en in de zoetwatervoorziening. Voor een duurzaam en klimaatbestendig watersysteem is het van belang bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening te houden met waterhuishoudkundige eisen op de korte en de lange termijn.
In de jaren voorafgaand aan de vorige Nationale Waterplannen, gaven de Vierde Nota waterhuishouding, de Commissie Waterbeheer 21 e eeuw en het Nationaal Bestuursakkoord Water een belangrijke impuls aan het waterbeheer. Dit gaat met het Nationaal Waterprogramma 2022-2027 een nieuwe fase in. Regionaal Water en Bodem Programma (RWP) 2022-2027 Het Regionaal Water en Bodem Programma (RWP) is de opvolger van het Provinciaal Milieu- en Waterplan. Het is onderdeel van het planstelsel voor de wateropgaven in Nederland, samen met het Nationaal Water Programma en de waterbeheerprogramma’s van de waterschappen. Het doel van dit nieuwe RWP is: een klimaatadaptief Brabant met veilig, schoon en voldoende water en een vitale bodem. Deze opgaven zijn ook van belang voor vrijwel alle andere provinciale opgaven: wonen en werken, infrastructuur en mobiliteit, landbouw en voedsel, natuur en biodiversiteit, erfgoed, een concurrerende en duurzame economie, en de energietransitie. Waterschap De Dommel Onderhavig plangebied ligt binnen het beheergebied van het Waterschap De Dommel. Het beleid van het waterschap De Dommel is gericht op water als basis voor een toekomstbestendige leefomgeving. Het waterbeheerprogramma 2022-2027 van het waterschap schetst de visie en ambities voor de lange termijn (2050). De Dommel is anders gaan denken dan in het voorgaande Waterbeheerplan 2016-2021.
In 2050 wil de Dommel een leefomgeving die klaar is voor de toekomst en een watersysteem dat daarbij past. Dat laatste wil zeggen; een waterhuishouding die robuust, flexibel en in balans is met de natuur en de omgeving en zorgt voor een goede
Bestemmingsplan Pannenschuurlaan 211 Oisterwijk
|46
waterkwaliteit. De droge zomers van 2018, 2019 en 2020, én de wateroverlast in 2021 tonen de urgentie aan en laten zien dat omgang met water fundamenteel moét veranderen. Deze grote veranderopgave heet de watertransitie. Het klimaat verandert, daardoor is het watersysteem van Midden-Brabant kwetsbaar geworden. Daarbij speelt mee dat het weer extremer wordt, de vraag naar ruimte toeneemt en er meer (grond)water wordt verbruikt. Bovendien is ons water, ondanks alle inspanningen, nog steeds niet schoon genoeg. Daarnaast zijn er ook andere uitdagingen in de leefomgeving. Denk aan natuurherstel, de energie- en landbouwtransitie en de woningbouwopgave. Het watersysteem speelt een cruciale rol in ál deze uitdagingen. De komende zes jaar maakt het waterschap het verschil door de focus in de aanpak te verleggen. De ambitie en de veranderingen zijn gericht op: Van beekdalgericht naar gebiedsgericht: de aandacht gaat vanaf nu ook naar de flanken, de hoge zandruggen en bebouwd gebied, niet alleen naar beekdal; Van een sectorale aanpak naar een integrale aanpak; samen met overheden en gebiedspartners werken we aan meerdere doelen in het gebied; Van ‘water afvoeren’ naar ‘elke druppel telt’; we richten het waterbeheer in op maximaal water vasthouden, we gaan minder grondwater gebruiken en slimmer sturen.
Brabant Keur Voor de beheergebieden van de waterschappen Aa en Maas, Brabantse Delta en De Dommel geldt dezelfde keur: Brabant keur. De keur bevat regels ter bescherming van de waterwerken die nodig zijn voor een goed waterbeheer (kwantiteit) en voor de bescherming van het gebied tegen hoog water. Bij veel projecten is sprake van een toename van het verharde oppervlak. Hieromtrent is bij de Algemene regels bij de keur het volgende opgenomen: 1. Bij een toename van het verharde oppervlak van minder dan 500 m² stelt het waterschap geen andere eisen aan de verwerking van het hemelwater. Hiervoor geldt het gemeentelijk beleid. 2. Bij een toename van het verharde oppervlak van meer dan 500 m² maar minder dan 10.000 m² moeten compenserende maatregelen ten aanzien van de verwerking van het hemelwater worden getroffen conform de rekenregel: benodigde compensatie (in m²) X gevoeligheidsfactor X 0,06 (in m²). Bij een toename van het verhard oppervlak van meer dan 10.000 m² is een watervergunning nodig. Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen De notitie geeft uitgangspunten en randvoorwaarden bij het hydrologisch neutraal bouwen en maakt inzichtelijk welke hydrologische gevolgen ruimtelijke ontwikkelingen kunnen hebben op het watersysteem.
De notitie bevat beleidsuitgangspunten, voorwaarden en normen om de negatieve hydrologische gevolgen te compenseren binnen de ontwikkeling. Gemeente Oisterwijk Op 22 februari 2022 is de Verordening afvoer hemelwater en grondwater 2022 vastgesteld door de gemeente Oisterwijk. Conform het gemeentelijk beleid heeft de eigenaar van een perceel de verplichting om al het hemelwater dat op betreffend perceel valt op eigen terrein te verwerken. De eigenaar heeft daarbij vrije keuze in de toe te passen voorziening(en) waarbij het volgende geldt: a. deze moet 0,06 (60 mm per m2) x oppervlak (m2) x gevoeligheidsfactor (volgens keur waterschap) in 1 uur kunnen verwerken of tijdelijk kunnen bergen.
Bestemmingsplan Pannenschuurlaan 211 Oisterwijk
|47
b.
de snelheid van verwerking van het geborgen hemelwater dient dusdanig te zijn, dat de berging na 48 uren weer leeg is. Bij aanvraag wijziging bestemmingsplan / omgevingsplan of omgevings- vergunning dient dit beschreven en berekend te worden.
Grondwater Bij de aanleg van nieuwe bebouwing worden zo min mogelijk ontwateringsmiddelen toegepast. Waar mogelijk zal gekozen worden voor het ophogen van terreinen om de ontwateringsdiepte op acceptabel niveau te houden. Voor nieuwe bebouwing wordt uitgegaan van het volgende uitgangspunt: GHG 0,70 m1 - mv met een overschrijdingskans van maximaal 4 weken p/jr. 0,50 – mv Waterparagraaf Bodem Het plangebied ligt in het noordelijke deel van Oisterwijk (gemeente Oisterwijk). Van belang bij voorkoming van grondwateroverlast is de hoogteligging van het plangebied in relatie tot de optredende grondwaterstanden. Het plangebied is in oostelijke richting aflopend richting de Pannenschuurlaan van 10,4 m + NAP naar 9,8 m + NAP. De watergang langs de Pannenschuurlaan heeft een slootbodem op ca. 9,4 + NAP. Onderstaande afbeelding geeft een overzicht weer van de genoemde hoogteverschillen visueel weer.
Hoogteligging plangebied
Bestemmingsplan Pannenschuurlaan 211 Oisterwijk
|48
Grondwater De optredende grondwaterstanden zijn afhankelijk van de lokale bodemopbouw en ontwatering van het gebied. Hiervoor is gebruik gemaakt van gekende bodemdata van DINO loket en bodemdata Nederland. Volgens het Dinoloket en Bodemdata Nederland bestaat de bodem tot 2,8 m beneden maaiveld hoofdzakelijk te bestaan uit zand, leem en silt. Tot 0,8 m beneden maaiveld is een zandige leemlaag te verwachten. Op basis van het meetnet van peilbuizen van de gemeente Oisterwijk is inzicht in de grondwaterstanden in de omgeving van het plangebied. Het meest relevante meetpunt is gelegen aan het Molenbaantje ten noorden van de Rijksweg N65. De gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) is gelegen op 8,38 meter + NAP. De maaiveldhoogte van het plangebied loopt in oostelijke richting af van 10,44 meter + NAP naar 9,88 meter + NAP. Uit deze gegevens kan worden opgemaakt dat de GHG ter plaatse minimaal 1,50 meter onder het maaiveld is gelegen (9,88 m – 8,38 m = 1,50 m). Op basis van deze inschattingen kan gesteld worden dat het plangebied zich goed leent voor het aanleggen van waterbergende voorzieningen.
Grondwaterstand plangebied
Bestemmingsplan Pannenschuurlaan 211 Oisterwijk
|49
Oppervlaktewater
Uitsnede legger De Dommel
Langs de noordoostkant van het plangebied stroomt een B-watergang (zie voorgaande afbeelding). In het planvoornemen wordt de watergang niet aangetast. Hemelwater Voor hemelwater vraagt het waterschap om onderstaande voorkeursvolgorde toe te passen, waarbij optie 1 het meest wenselijk en optie 5 het minst wenselijk is: 1. bergen en hergebruik 2. bergen en infiltreren 3. bergen en vertraagd afvoeren naar oppervlaktewater (direct of indirect) 4. direct afvoeren naar oppervlaktewater 5. bergen en vertraagd afvoeren naar de riolering Het hemelwater wordt opgevangen op de daken en vertraagd afgevoerd. In de tuin is er sprake van berging van water en infiltratie in de bodem. Waterberging Voor het totale verharde oppervlak in de nieuwe situatie dienen er compensatievoorzieningen aangelegd te worden ten behoeve van waterberging. De bestaande woning met de bijbehorende verhardingen heeft een oppervlakte van 613 m². De beide nieuwe woningen hebben elk een oppervlakte van 150 m² en de bijgebouwen een oppervlakte van elk 100 m². Voor verharding (oprit, terras, etc.) wordt per kavel 250 m² gerekend. In totaal betekent dit een oppervlakteverharding van 1.613 m³. Conform de rekenregel van de gemeente Oisterwijk dient er 96,8 m³ waterberging per
Bestemmingsplan Pannenschuurlaan 211 Oisterwijk
|50
kavel gerealiseerd te worden. (1.613 x 0,06 m² = 96,8 m³). Hier is genoeg ruimte voor op de percelen aan de Pannenschuurlaan. De waterberging wordt gerealiseerd door het aanleggen van compensatievoorzieningen tussen de percelen. Er kan gekozen worden voor open water in bijvoorbeeld de vorm van vijvers, wadi’s of laagtes in de tuin. Daarnaast kan ook gekozen worden voor het plaatsen van infiltratiekratten onder de verharding (terras of oprit) of een vergelijkbaar systeem. Voor een plaatsing onder een licht belaste verharding dient een gronddekking van minimaal 0,5 meter aangehouden worden. Waarschijnlijk is een combinatie van maatregelen noodzakelijk, bijvoorbeeld infiltratiekratten onder het terras in combinatie met laagtes in de tuin of toepassing van halfverharding of waterpassende verharding. Lozing van hemelwater op openbaar gebied is niet toegestaan. De aanleg en instandhouding daarvan worden via een voorwaardelijke verplichting in de regels geborgd. Afvalwater Het afvalwater dat binnen het plangebied zal worden geproduceerd, zal worden afgevoerd via een nieuw aan te leggen DWA rioolstelsel binnen het plangebied. Dit stelsel wordt aangesloten op bestaande (gemengde) rioolstelsel langs de Pannenschuurlaan. Watertoets Op 10 oktober 2023 heeft waterschap de Dommel op het voorontwerpbestemmingsplan gereageerd.