CConstaterende datOisterwijk
Koppel je AI →
Document · PDF

22-64 OVGB Uitbreiding tuinplantenkwekerij Oisterwijksedreef 4a- Bijlage 2 Ruimtelijke onderbouwing

RAAD 10 maart 2022, gemeente OisterwijkBij agendapunt: 22-64 Ontwerpverklaring van geen bedenkingen uitbreiding van de tuinplantenkwekerij Oisterwijksedreef 4a Haaren32.802 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Ruimtelijke onderbouwing Oisterwijksedreef 4a, Haaren

43

Wettelijke normen gelden tot op de gevel van de woning. Hoewel er aan de richtafstand tot de woning aan de Pastoor Jansenstraat 36 wordt voldaan, is het gelet op jurisprudentie, wenselijk om ook een beschouwing te maken over de aanvaardbaarheid van het plan in relatie tot de aanwezige tuinen bij de woningen. De projectlocatie grenst aan de Pastoor Jansenstraat 36 met de nieuw te bouwen foliekas. De aanwezige foliekas heeft wegens de aard van de bedrijfsvoering ter plaatse geen relevante milieukundige uitstraling (geluid, stof, gevaar, geur) tot gevolg. Er is sprake van dichte bebouwing, waar inpandig planten worden gekweekt. Er is ten gevolge van de nieuw te bouwen foliekas derhalve geen sprake van milieuhinder richting de nabijgelegen woningen en bijbehorende tuinen. Zowel ter plaatse van de woningen, als de tuinen, is derhalve sprake van een blijvend aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Bedrijfsactiviteiten met een mogelijke geluidsuitstraling betreffen enkel laden en lossen en verkeersbewegingen en deze vinden nabij de bestaande boomkwekerijloods (op ruime afstand > 90 m, tot omliggende woningen) plaats. De situering van deze bedrijfsactiviteiten blijft met het voornemen ongewijzigd behouden. De afstand van het bouwplan tot Oisterwijksedreef 4 bedraagt circa 61 meter.

Hierdoor kan geconcludeerd worden dat er voor de aanwezige woningen en gevoelige functies met zekerheid een voldoende onderlinge afstand gerespecteerd wordt. Ter plaatse van deze woningen en gevoelige functies zal geen milieuhinder worden ervaren ten gevolge van de bedrijfsactiviteiten van het tuinbouwbedrijf. Er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, bezien vanuit bedrijven en milieuzonering. De voorgenomen ontwikkeling heeft geen nadelige gevolgen voor de milieubelasting ter plaatse van bestaande woningen en overige milieugevoelige functies. Ook na uitbreiding is er in de omgeving van de projectlocatie blijvend sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

4.3

Veehouderijen en volksgezondheid

Volksgezondheid is geen onderwerp dat al standaard wordt toegepast in het onderzoek naar bedrijven en milieuzonering. Veehouderijen zijn echter tegenwoordig regelmatig onderwerp van discussie omtrent het aspect volksgezondheid. De focus ligt hierbij met name op grootschalige varkens-, pluimvee- en geitenhouderijen. Op basis van de momenteel uitgevoerde onderzoeken kunnen nog geen eenduidige conclusies worden getrokken of er sprake is van een causaal verband tussen veehouderijen en volksgezondheid. Dit wordt ook door de Gezondheidsraad geconcludeerd in haar advies van 14 februari 2018 hieromtrent. In dit advies wordt bovendien gesteld dat hoewel niet kan worden vastgesteld wat eventuele gezondheidseffecten veroorzaakt, dat het wel zinvol is om emissiereducerende maatregelen bij veehouderijen te treffen. Vervolgonderzoek is nog noodzakelijk en gaande. Navolgend wordt een samenvatting gegeven van de belangrijkste gepubliceerde onderzoeken met betrekking tot veehouderijen en volksgezondheid. In augustus 2016 is het onderzoek ‘Veehouderij en Gezondheid Omwonenden’ (VGO-1) gepubliceerd, RIVM-rapport 2016-0058. Voor dit onderzoek is uitgebreid onderzoek gedaan in het oosten van NoordBrabant en het noorden van Limburg, een dichtbevolkt gebied met een hoge veehouderijendichtheid. Deze conclusies zijn derhalve niet één-op-één door te trekken naar gebieden met een andere samenstelling.

• Het VGO-onderzoek bevestigt eerdere bevindingen dat astma en neusallergieën minder voorkomen bij mensen die op korte afstand wonen van veehouderijen. Verder komt COPD in de landelijke delen van het onderzoeksgebied net zo vaak voor als in gebieden met een lage dichtheid aan veehouderijen. COPD-patiënten blijken wel een belangrijke risicogroep voor luchtweg-gerelateerde gezondheidseffecten in relatie tot veehouderijen. • Uit het VGO-onderzoek komen aanwijzingen naar voren dat het wonen in de buurt van veehouderijen een nadelig effect heeft op de longfunctie. Daarnaast blijkt dat de longfunctie lager is wanneer de concentratie ammoniak in de lucht hoog is. Dit lijkt niet te wijten te zijn aan ammoniak zelf, maar aan fijnstof-deeltjes die worden gevormd doordat ammoniak met

Ruimtelijke onderbouwing Oisterwijksedreef 4a, Haaren

44

•

andere stoffen in de lucht reageert. In de buurt van veehouderijen komen bovendien meer endotoxinen, fijnstof en mogelijke andere componenten afkomstig uit de veehouderij voor. Het VGO-onderzoek heeft nieuwe inzichten opgeleverd in de relatie tussen veehouderij en gezondheid. De inzichten zijn niet compleet en het is niet altijd duidelijk of er een oorzakelijk verband bestaat. Vervolgonderzoek is hiertoe noodzakelijk.

In juni 2017 verscheen het onderzoeksrapport ‘Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (aanvullende studies); Analyse van gezondheidseffecten, risicofactoren en uitstoot van bio-aerosolen’, RIVM-rapport 2017-0062 (VGO-2). Dit onderzoek bevestigt de conclusies uit het VGO-onderzoek uit augustus 2016. Verder toont dit onderzoek aan dat rondom een individuele geitenhouderij en pluimveehouderijen sprake is van een verhoogde kans op longontsteking. In september 2018 is een deelrapport ‘Longontsteking in de nabijheid van geiten- en pluimveehouderijen; actualisering van gegevens uit huisartsenpraktijken 2014-2016’ gepubliceerd. Dit rapport maakt deel uit van een reeks vervolgonderzoeken in het kader van het onderzoeksprogramma Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (VGO 3). De resultaten van dit onderzoek wijzen, net als de voorgaande onderzoeken, op een associatie tussen het wonen in nabijheid van een geitenhouderij en een verhoogd risico op longontsteking. De associatie tussen een verhoogd risico op longontsteking en het wonen in de buurt van een pluimveehouderij blijkt, in de jaren die binnen deze actualisering zijn onderzocht, niet meer statistisch significant te zijn. Uit het VGO 2 en VGO 3-onderzoek blijkt dat het verhoogde risico voor longontstekingen in nabijheid van geitenhouderijen zich voordoet, binnen een afstand van 2 km rondom dergelijke bedrijven.

Hierbij kan wel de kanttekening worden geplaatst dat bijvoorbeeld in Noord-Brabant een groot deel van de gehele provincie is gelegen binnen deze afstand van 2 km rondom alle geitenhouderijen. Samengevat is er nog geen concreet toetsingskader of rekenmodel, maar dient wel een afweging te worden gemaakt aan de hand van de specifieke situatie en reeds bekende informatie. Effecten op de volksgezondheid van omwonenden kunnen binnen het huidige wettelijke kader dus nog niet concreet worden getoetst. Voordat een omgevingsvergunning, activiteit milieu, verleend wordt, moet het beoogde initiatief van de veehouderij echter getoetst worden aan diverse milieuaspecten, zoals ammoniakuitstoot, geur, fijnstof, aanwezigheid en gebruik van gevaarlijke stoffen, aan- en afvoer van meststoffen, geluid, brandveiligheid, etc. Door diverse wetten is voorgeschreven wat de maximale grenswaarden zijn waaraan een veehouderij moet voldoen. Indien een veehouderij niet voldoet, zal een vergunning dus niet verleend worden. Er mag vanuit worden gegaan dat de grenswaarden die in de wet zijn opgenomen de volksgezondheid in voldoende mate beschermen. In de bedrijfsexploitatie worden gezondheidsrisico’s door het toepassen van strenge hygiëneregels bovendien zoveel mogelijk voorkomen. Op Afbeelding 18 is de projectlocatie weergegeven met de omliggende veehouderijbedrijven.

Uit deze kaart volgt ten eerste dat onderhavige projectlocatie aan de Oisterwijksedreef 4a een voormalig veehouderijbedrijf betreft. Blijkens het Web-BVB Brabant was er tot medio 2008 ter plaatse sprake van een varkenshouderij. Na deze periode is het bedrijf omgeschakeld tot de huidige plantenkwekerij. De dichtstbijzijnde veehouderij betreft het gemengde bedrijf (varkens- en rundveehouderij) aan Belversedijk 4 te Haaren, op een afstand van circa 450 meter. De dichtstbijzijnde geitenhouderij is gelegen aan Belversestraat 10a te Haaren, op een afstand van 840 meter in noordoostelijke richting. Door deze ligging ligt de projectlocatie uit de overheersende windrichting ten opzichte van dit bedrijf. Bovendien is tussen de projectlocatie en de geitenhouderij een deel van de bebouwde kom van de kern Haaren gelegen. Gelet op de ligging van dit bedrijf ten opzichte van de projectlocatie is er geen sprake van onaanvaardbare volksgezondheidsrisico’s. Dit bedrijf betreft overigens de enige geitenhouderij binnen een afstand van 2 kilometer. De veehouderijendichtheid in directe omgeving van de projectlocatie is laag en de onderlinge afstand tot veehouderijbedrijven is erg ruim. Het project heeft geen betrekking op de oprichting van een nieuwe gevoelige functie (zoals een woning). Het plan is gericht op de uitbreiding van de plantenkwekerij met een foliekas en twee watersilo’s.

De te bouwen kas betreft een koude kas, waarin alleen de basisvoorzieningen worden

Ruimtelijke onderbouwing Oisterwijksedreef 4a, Haaren

45

ingericht. Deze kas betreft geen gevoelige functie. Daarnaast heeft het voornemen ook geen betrekking op de uitbreiding van het aantal werkzame personen in het plangebied. Bovendien is er sprake van een bestaande bedrijfswoning, welke ongewijzigd blijft behouden. Het aspect veehouderijen en volksgezondheid is derhalve niet relevant voor het planvoornemen.

Afbeelding 18: Kaart veehouderijbedrijven, projectlocatie globaal rood omkaderd weergegeven. (Bron: Kaartbank provincie Noord-Brabant) Desondanks wordt navolgend volledigheidshalve wel een nadere beoordeling uitgevoerd voor het aspect volksgezondheid in het plangebied. Vooruitlopend op wetenschappelijk aangetoonde causale verbanden tussen de veehouderijsector en potentiële risico’s voor de volksgezondheid en een wettelijk kader hieromtrent, is de ‘Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: endotoxine toetsingskader 1.0’ opgesteld. Endotoxine is een celwandfragment van gram negatieve bacteriën. Op 7 juli 2016 verscheen het rapport ‘Emissies van endotoxinen uit de Veehouderij: emissiemetingen en verspreidingsmodelering’ (Wageningen UR Livestock Research, juni 2016, rapport 949). Uit het rapport blijkt dat rondom varkens- en pluimveehouderijen mogelijk een overschrijding van de advieswaarde van 30 EU/m3 (vastgesteld door de Gezondheidsraad) aan de orde is. De uitkomsten van het endotoxine onderzoek zijn uitgewerkt in een aanvullend onderzoek (‘Endotoxine concentraties rond stallen; indicatieve modelberekeningen’, ErbrinkStacks Consult, 5

Ruimtelijke onderbouwing Oisterwijksedreef 4a, Haaren

46

september 2016). Endotoxines kunnen nog niet concreet gemeten, dan wel berekend worden. Wel heeft het aanvullend onderzoek als resultaat dat op basis van een fijnstofemissie (bronsterkte) de aan te houden afstand kan worden bepaald om een te hoge blootstelling aan endotoxinen te voorkomen. Dit heeft geleid tot een rekentabel met afstanden tot varkens- en pluimveehouderijen. De rapporten richten zich met name op deze diercategorieën, omdat bij deze bedrijven de emissie van fijnstof en grovere stofdeeltjes het hoogste is. Bij veehouderijbedrijven met andere diersoorten wordt er vanuit gegaan dat de emissie van fijnstof en daarmee gepaard gaand, endotoxinen, verhoudingsgewijs laag is en daarom geen relevant risico veroorzaakt. Op basis van deze rekentabel volgt dat bij afstanden van meer dan 200 meter, overschrijdingen van de advieswaardes voor endotoxinen bij varkenshouderijen (tot circa 1.400 kg PM 10/jaar, dus bedrijven met een zeer hoge fijnstof-uitstoot), niet meer voorkomen. De dichtstbijzijnde varkenshouderij betreft Belversedijk 4 op een afstand van meer dan 450 meter. Grootschalige pluimveehouderijen zijn in de omgeving van het plangebied afwezig. Er wordt vanuit endotoxines bezien dus een ruimschoots voldoende afstand gehanteerd. Voor intensieve veehouderijen wordt in de VNG-handreiking een grootste richtafstand van circa 200 meter (voor het aspect geur) gehanteerd.

Geur zorgt bij veehouderijen veelal het eerste voor hinder, dit bovendien in combinatie met de geurbelasting door diverse veehouderijen gezamenlijk (de achtergrondbelasting). In onderhavige situatie betreft enkel de bestaande bedrijfswoning een geurgevoelig object (en betreft het een bedrijfswoning toebehorende aan een voormalig veehouderijbedrijf, waardoor een toetsing aan vaste afstanden geldt in plaats van aan geurnormen). Deze woning blijft echter ongewijzigd behouden. Het plan heeft dus geen gevolgen voor de ontwikkelingsmogelijkheden voor omliggende veehouderijen. De (voormalige) gemeente Haaren heeft een geurverordening (‘Verordening geurhinder en veehouderij 2019 gemeente Haaren’) en ‘Beleidsregel geur en ruimtelijke plannen 2019 gemeente Haaren’ vastgesteld. In deze beleidsregels werd in agrarisch- en boomteeltontwikkelingsgebied (als hier van toepassing) een achtergrondbelasting tot en met 10 OU E/m3 als ‘Goed’ aangemerkt, tot en met 20 OUE/m3 als ‘Afweegbaar’ en > 20 OUE/m3 als ‘Slecht’. Door de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant is de achtergrondbelasting ten gevolge van veehouderijactiviteiten inzichtelijk gemaakt, peildatum februari 2021. Uit deze kaart, zie Afbeelding 19, volgt dat de geursituatie in het plangebied als ‘Zeer goed’ is aan te merken (achtergrondbelasting 0 3 OUE/m3).

Er is dus tevens sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, bezien vanuit geur (achtergrondbelasting) ten gevolge van veehouderijbedrijven.

Ruimtelijke onderbouwing Oisterwijksedreef 4a, Haaren

47

Afbeelding 19: Kaart gecumuleerde geurbelasting ODZOB, februari 2021. Planlocatie globaal rood omkaderd weergegeven. Op basis van de ‘Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0’ (versie mei 2018) kan tevens worden beoordeeld of er potentieel sprake is van een verhoogd volksgezondheidsrisico ten aanzien van veehouderijen. Navolgend wordt het stappenplan uit de ‘Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0’ doorlopen, ondanks dat het voornemen geen betrekking heeft op de realisatie van een gevoelige functie. Dit stappenplan is bedoeld voor veehouderij-ontwikkelingen. Deze kan echter desondanks ook, waar van toepassing, worden gebruikt voor de beoordeling van overige ruimtelijke ontwikkelingen. Indien alle 7 stappen positief kunnen worden doorlopen kan het aspect volksgezondheid door veehouderijen als ruimtelijk aanvaardbaar worden beoordeeld. • Stap 1: Beoordeeld dient te worden of voldaan wordt aan de endotoxine-afstanden voor varkens- en pluimveehouderijen op basis van het endotoxine toetsingskader 1.0. In de directe omgeving (> 450 m) zijn geen varkens- en pluimveehouderijen aanwezig. Er wordt voldaan aan de endotoxine-richtafstanden. • Stap 2: De ontwikkeling is gericht op de oprichting van een foliekas en leidt dus zelf niet tot een toename in de emissies voor geur en/of fijnstof en/of ammoniak.

• Stap 3a: Geur dient getoetst te worden of er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat aan de hand van het wettelijk kader. Voor dieren met geuremissiefactoren geldt in Ruimtelijke onderbouwing Oisterwijksedreef 4a, Haaren

48

•

• •

•

• • •

concentratiegebied in buitengebied maximaal 20% geurgehinderden (dit komt overeen met een voorgrondbelasting van 10 OUE/m3 en een achtergrondbelasting van 20 OUE/m3). Zoals volgt uit Afbeelding 19 is de (achtergrond)geurbelasting kleiner dan 3 OUE/m3. Hierdoor wordt voldaan aan een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Voor dieren zonder emissiefactor wordt getoetst aan een afstand van 50 meter. De dichtstbijzijnde veehouderij Belversedijk 4 is gelegen op meer dan 450 meter. Aan de gestelde afstand wordt dus ruimschoots voldaan. Stap 3b: Geur dient vervolgens getoetst te worden of er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, aan de hand van een gezondheidskundige advieswaarde. Dit is voor dieren met geuremissiefactor in buitengebied 20% geurgehinderden en komt dan overheen met een voorgrondbelasting van 5 OUE/m3 en een achtergrondbelasting van 10 OUE/m3. Zoals volgt uit Afbeelding 19 is de (achtergrond)geurbelasting kleiner dan 3 OUE/m3. Hierdoor wordt voldaan aan een aanvaardbaar woon- en leefklimaat aan de hand van de gezondheidskundige advieswaarde. Voor dieren zonder emissiefactor wordt getoetst aan een afstand van 100 meter. De dichtstbijzijnde veehouderij Belversedijk 4 gelegen op meer dan 450 meter. Aan de gestelde afstand wordt dus voldaan. Stap 4a: Niet van toepassing.

Getoetst dient te worden of indien er sprake is van een veehouderij, of er meerdere diersoorten bedrijfsmatig worden gehouden. Stap 4b: Niet van toepassing, getoetst dient te worden of de onderlinge afstand tussen varkens- en pluimveehouderijen niet minder dan 100 meter bedraagt. Varkens- en pluimveehouderijen zijn binnen 200 meter afwezig. Stap 5a, b en c: Niet van toepassing daar het geen ontwikkeling van een veehouderij betreft. Bovendien is er bij voorgenomen project geen sprake van de oprichting van een gevoelige functie. Stap 6: Niet van toepassing, er is geen sprake van mestbe- of verwerking als nevenactiviteit of als zelfstandige activiteit. Stal 7: Bij omwonenden is geen sprake van ongerustheid over de volksgezondheid. Conclusie: Advisering door GGD wordt niet geadviseerd.

Het project gaat niet gepaard met de oprichting van een nieuwe (geur)gevoelige functie. Mede hierdoor, maar ook wegens de ligging van de projectlocatie ten opzichte van omliggende veehouderijen, kan het plan als aanvaardbaar worden aangemerkt, bezien vanuit veehouderijen en volksgezondheid.

4.4

Spuitzones en gewasbeschermingsmiddelen

Doordat de projectlocatie is gelegen in het buitengebied is het in het kader van het aspect volksgezondheid wenselijk om te beschouwen of er sprake is van potentiële risico’s ten aanzien van de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen. Indien gewasbeschermingsmiddelen op open teeltgronden worden toegepast kan er sprake zijn van drift. Hierdoor kunnen deze gewasbeschermingsmiddelen bijvoorbeeld bij woningen en in tuinen terecht komen (verwaaien). Om een zonering te kunnen hanteren tussen bespuitingen en gevoelige functies wordt de term ‘spuitzones’ gehanteerd. Of er sprake is van een gevoelige functie kan mede afgeleid worden uit de vaste jurisprudentie. Hieruit volgt dat moet worden beoordeeld of in het betreffende object of ter plaatse van de betreffende functie mensen langdurig (kunnen) verblijven. Daarmee hebben zij een grotere kans op blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen. Als dat het geval is, is doorgaans sprake van een gevoelig object. Dat is bijvoorbeeld het geval bij woningen, kantoren en tuinen. Het Activiteitenbesluit milieubeheer bevat de regels voor de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen op open teelten. Hierbij wordt zoveel mogelijk driftarme apparatuur voorgeschreven. Sinds 1 januari 2018 geldt hierbij een minimale driftreductie van 75% ten opzichte van de referentietechniek.

Bovendien bevat het Activiteitenbesluit milieubeheer regels voor teeltvrije zones in directe nabijheid van oppervlaktewateren (zoals sloten). Deze teeltvrije zones hebben een functie aangaande de vermindering van de drift van gewasbeschermingsmiddelen naar oppervlaktewater (en daarmee ook richting naastgelegen functies).

Ruimtelijke onderbouwing Oisterwijksedreef 4a, Haaren

49

In geen enkele wettelijke regeling zijn afstanden vastgelegd die in acht moeten worden genomen voor spuitzones tussen gevoelige functies en percelen met open teelt waarop gewasbeschermingsmiddelen worden toegepast. Ten aanzien van spuitzones wordt daarom normaliter in beginsel uitgegaan van een veiligheidsafstand van 50 meter (vuistregel) tussen de gronden waar gewassen op worden geteeld en gevoelige objecten (zoals woningen). Uit het rapport ‘Gewasbescherming en omwonenden’ van de Gezondheidsraad van 29 januari 2014 blijkt dat op dit moment nog geen toereikend onderzoek voorhanden is waaruit de effecten blijken van gewasbeschermingsmiddelen voor de gezondheid van omwonenden. De onderzoekscommissie vermoedt bovendien dat het risico voor omwonenden laag zal zijn ten opzichte van het risico voor beroepsmatig blootgestelden. Ook blijkt uit het rapport geen noodzaak tot een vaste spuitzone (van bijvoorbeeld 50 meter). Het Activiteitenbesluit milieubeheer, in combinatie met de Activiteitenregeling milieubeheer, bevat de regels voor de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen op open teelten (paragraaf 3.5.3 Abm). Hierbij wordt zoveel mogelijk driftarme apparatuur voorgeschreven. Sinds 1 januari 2018 geldt hierbij een minimale vereiste driftreductie van 75% (artikel 3.78a Abm) ten opzichte van de referentietechniek.

Bovendien bevat het Activiteitenbesluit milieubeheer regels voor teeltvrije zones in directe nabijheid van oppervlaktewateren (zoals sloten). Deze teeltvrije zones hebben een functie aangaande de vermindering van drift van gewasbeschermingsmiddelen naar oppervlaktewater (en daarmee ook richting naastgelegen functies). Ook bevatten de regels een verbod op de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen bij hogere windsnelheden. Blijkens het rapport ‘Driftblootstelling van omstanders en omwonenden door boomgaard bespuitingen’, Wageningen UR, rapport 609, maart 2015, kan door de wettelijk voorgeschreven driftreductie van 75%, de aan te houden afstand reeds verkleind worden tot 30 meter (in plaats van 50 meter). Afstanden en risico’s op drift kunnen bovendien verder worden verkleind door de toepassing van windhagen of houtwallen, een verdergaande driftreducerende techniek, een ander type teelt of een andere spuittechniek. Wanneer er sprake is van oppervlaktewater langs een boomgaard moet op basis van het Activiteitenbesluit milieubeheer een driftreducerende techniek met een driftreductie van minstens 90% (DRT 90) worden toegepast. De bestemming van de landbouwpercelen kan de teelt van akkerbouwgewassen, grasland, boomteelt of fruitteelt zijn. Als de bestemming fruitteelt ingevuld wordt, is de drift van gewasbeschermingsmiddelen hoger dan wanneer boomteelt plaatsvindt.

Drift in de fruitteelt is door de aard van de bespuitingen (opwaarts en zijwaarts gericht) en door de hoge spuitfrequentie, het meest intensief van alle teelten. Bij laanbomenteelt wordt ook op- en zijwaarts gespoten, maar minder intensief. In bijvoorbeeld de lage bomenteelt wordt voornamelijk neerwaarts gespoten. Deze spuittechniek (neerwaarts gericht spuiten) zorgt voor beduidend minder drift in de lucht, dan op- of zijwaartse bespuitingen. In het voornoemde rapport is aangegeven dat het middel ‘Captan’ in de fruitteelt maatgevend is voor de beoordeling van drift. Bij de minimaal aan te houden afstanden ten aanzien van Captan, zullen zich ook geen overschrijdingen voordoen bij andere stoffen die worden toegepast. Dit middel mag bovendien jaarrond worden toegepast, dus ook in de ‘kale boom’-situatie. Uit het rapport, en met de voorgeschreven driftreductie van 75%, kunnen de benodigde afstanden herleid worden, als opgenomen in Tabel 4. Dit betreft dus een ‘worst case’ situatie, als van toepassing bij het zwaarste (meest toxische) middel in de fruitteelt. Hieruit volgt maximaal een te hanteren onderlinge afstand van 30 meter.

Ruimtelijke onderbouwing Oisterwijksedreef 4a, Haaren

50

Tabel 4: Benodigde afstand vanaf de laatste bomenrij (m) om voor de stof Captan geen overschrijding van het dermale blootstellingseindpunt te krijgen.

Enkel ten zuiden / zuidwesten van de projectlocatie zijn gronden van derden met een agrarische bestemming aanwezig. Hier is sprake van laanbomenteelt. De afstand tussen deze teelt en de bestaande bedrijfswoning Oisterwijksedreef 4a (en bijbehorende tuin) bedraagt 33 meter. In het geldende bestemmingsplan ‘Buitengebied, herziening 2020’ is bovendien in de regels bepaald dat het in gebruik nemen van gronden voor open teelten van sierplanten, bomen en boomgaarden niet is toegestaan, binnen een afstand van 30 meter tot voor gewasbeschermingsmiddelen gevoelige functies. Dit behoudens indien maatregelen worden getroffen door de teler, of indien het woon- en leefklimaat ten gevolge van gewasbeschermingsmiddelen op andere wijze kan worden gegarandeerd. De (voormalige) gemeente Haaren heeft derhalve 30 meter als passende afstand geacht om te respecteren tot de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen en gevoelige functies, en heeft deze afstand bovendien als zodanig juridisch-planologisch geborgd. Daar de omliggende gronden, binnen deze afstand van 30 meter, nu niet in gebruik zijn voor de genoemde teelten waar gewasbeschermingsmiddelen relevant zijn, is het op grond van het geldende bestemmingsplan nu bovendien ook niet meer toegestaan om de gronden hiervoor in gebruik te nemen.

Door het geldende planologische regime, en de huidige functies in het plangebied, wordt derhalve reeds geborgd dat deze 30 meter tot de gevoelige functies in het plangebied wordt gerespecteerd. Hieromtrent is onderhavige planontwikkeling reeds als ruimtelijk aanvaardbaar te beoordelen aangaande dit aspect. Onderhavig plan heeft bovendien geen betrekking op de oprichting van een nieuwe gevoelige functie, waarbij het aspect spuitzones relevant is. De bestaande bedrijfswoning blijft ongewijzigd behouden. Het voornemen wordt bovendien mogelijk gemaakt met een omgevingsvergunning om af te wijken van het bestemmingsplan (‘projectafwijkingsbesluit’). Daarbij vindt enkel een ruimtelijke afweging plaats aangaande de voorgenomen afwijking van het bestemmingsplan, in onderhavige situatie de foliekas. Het plan voorziet in de oprichting van een foliekas en twee watersilo’s. Bij een foliekas worden eventuele gewasbeschermingsmiddelen inpandig toegepast en is er dus geen risico op drift richting de omgeving. De teelt inpandig in kassen is voor dit aspect dus positief voor de volksgezondheid en de functies in de omgeving. Door de aard van het project, wordt het aspect spuitzones ruimtelijk aanvaardbaar geacht.

Ruimtelijke onderbouwing Oisterwijksedreef 4a, Haaren

51

4.5

Wegverkeerslawaai

Op basis van de Wet geluidhinder (Wgh) dienen de geluidsgrenswaarden in acht te worden genomen, bij de vaststelling van plannen binnen de zones rondom wegen en indien het plan mogelijkheden biedt voor: • De realisatie van woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen en van geluidsgevoelige terreinen; • De aanleg van een nieuwe weg en/of reconstructie van een bestaande weg; • Functiewijziging van een niet-geluidsgevoelige functie in een geluidsgevoelige functie. Als geluidsgevoelige gebouwen worden aangemerkt woningen, onderwijsgebouwen, ziekenhuizen, verpleeghuizen, verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen en kinderdagverblijven. Geluidsgevoelige terreinen zijn woonwagenstandplaatsen of ligplaatsen voor woonschepen. De onderzoekszone voor wegen is hierbij afhankelijk van de ligging en de hoeveelheid rijbanen. De onderzoekszones zijn inzichtelijk gemaakt in navolgende tabel. De Wgh regelt bovendien dat binnen een als ‘woonerf’ aangeduid gebied, of in een zone nabij wegen waarvoor een maximum snelheidsregime van 30 km/u geldt, de betreffende normen niet in acht hoeven te worden genomen.

Tabel 5: Onderzoekszones Wet geluidhinder Aantal meters aan weerszijden van de weg Aantal rijstroken Stedelijk gebied Buitenstedelijk gebied 5 of meer 350 meter 600 meter 3 of 4 350 meter 400 meter 1 of 2 200 meter 250 meter Onderhavig project betreft de uitbreiding van een tuinplantenkwekerij met een foliekas en twee watersilo’s. Dit betreffen geen geluidsgevoelige functies. De bestaande bedrijfswoning blijft met het voornemen behouden. Het project wordt mogelijk gemaakt met een omgevingsvergunning om af te wijken van het bestemmingsplan (‘projectafwijkingsbesluit’). Derhalve wordt in beginsel enkel de gevraagde afwijking ten opzichte van het geldende bestemmingsplan (foliekas) beoordeeld, en niet de reeds bestaande en toegestane zaken. Desondanks kan geconcludeerd worden dat het behoud van de bestaande bedrijfswoning ruimtelijk aanvaardbaar is, bezien vanuit het aspect wegverkeerslawaai. De voorgevel van de woning is gelegen op circa 25 meter afstand tot de as van de weg Oisterwijksedreef. Het betreft bovendien een moderne woning in een goede bouwkundige staat. Door de afstand van de woning tot de weg, en de bouwkundige opbouw van de bestaande woning (gevels / beglazing) kan in de woning worden voldaan aan het voorgeschreven binnenniveau uit het Bouwbesluit. Er is dus geen sprake van de oprichting van een nieuwe geluidsgevoelige functie.

Tevens heeft de ontwikkeling geen wijziging van een weg tot gevolg. Het aspect wegverkeerslawaai is dus niet relevant voor het voornemen.

4.6

Waterhuishouding

Waterhuishoudkundige aspecten zijn een belangrijk aandachtspunt bij het opstellen van ruimtelijke plannen. De watertoets is dan ook wettelijk verankerd in artikel 3.1.6 lid 1, sub b Bro. Hierin is bepaald dat een plan een waterparagraaf dient te bevatten, waarin de keuzes ten aanzien van water gemotiveerd worden. Daarnaast dient ook de waterbeheerder om een advies te worden gevraagd. Nederland is groot geworden door het leven met en de strijd tegen het water. In de 20e eeuw is, doordat er te weinig rekening is gehouden met het waterbelang, veel ruimte aan het water onttrokken en veel afvalwater direct of indirect geloosd op het oppervlaktewater. Om de toekomst van Nederland veilig te stellen is het nodig om te anticiperen op klimaatsveranderingen en om bij de ruimtelijke planvorming goed rekening te houden met water. De waterbeheerder (Waterschap De Dommel) heeft de taak, kennis en kunde om daar zorg voor te dragen. Daarom is het belangrijk om het waterschap vroegtijdig te betrekken bij de planvorming.

Ruimtelijke onderbouwing Oisterwijksedreef 4a, Haaren

52

Op Europees, nationaal en stroomgebiedsniveau wordt gewerkt aan de Kaderrichtlijn Water (KRW). De KRW streeft naar duurzame en robuuste watersystemen. Basisprincipes van het nationaal en Europees beleid zijn: meer ruimte voor water, voorkomen van afwenteling van de waterproblematiek in ruimte of tijd en stand-still (géén verdere achteruitgang in de huidige (2000) chemische en ecologische waterkwaliteit). Het streven naar een veilig, gezond en duurzaam waterbeheer staat in de belangstelling. Thema’s zoals ‘water in de stad’ en ‘water als ordenend principe’ zijn beleidsspeerpunten op alle overheidsniveaus. Het vroegtijdig betrekken van de waterbeheerder en het meewegen van het waterbelang is, door middel van de watertoets, verankerd in het Bro. Het belangrijkste instrument vanuit het waterschap is de Keur. In het Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan (V-GRP) heeft de gemeente Oisterwijk haar visie op het stedelijk waterbeheer vastgelegd. Het bovenstaande resulteert in een voorkeursvolgorde voor het verwerken van hemelwater, waarbij optie 1 het meest wenselijk en optie 5 het minst wenselijk is: 1. Hergebruik 2. Vasthouden 3. Bergen en afvoeren 4. Afvoeren naar oppervlaktewater (direct of indirect) 5. Afvoeren naar de riolering Aan de hand van deze waterparagraaf wordt duidelijk gemaakt hoe binnen onderhavig plan met water wordt omgegaan.

Beleid Waterschap De Dommel De planlocatie is gelegen binnen het stroomgebied van Waterschap De Dommel. De visie van Waterschap De Dommel is vervat in het Waterbeheerplan 2016 – 2021 ‘Waardevol Water’ en kent een geldigheid vanaf 1 januari 2016. Het waterbeheerplan beschrijft de doelstellingen van Waterschap De Dommel voor de periode 2016 – 2021 en hoe zij deze doelstellingen wil realiseren. Daarnaast heeft het waterschap waar nodig nog toegespitst beleid en beleidsregels op de verschillende thema’s/speerpunten uit het waterbeheerplan en heeft het waterschap een eigen verordening; de Keur en de legger. De Keur Waterschap De Dommel 2015 bevat gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. De legger geeft aan waar de waterstaatswerken liggen, aan welke afmetingen en eisen die moeten voldoen en wie onderhoudsplichtig is. Veelal is voor deze ingrepen een watervergunning van het waterschap benodigd. De waterschapsdoelen zijn doorvertaald in beleidsregels, waaronder de Keur. De drie NoordBrabantse Waterschappen Aa en Maas, Brabantse Delta en De Dommel hebben gezamenlijk besloten om de Keuren te uniformeren en te dereguleren. De nieuwe uniforme keuren zijn in werking getreden op 1 maart 2015.

In de Keuren zijn diverse regels opgenomen om gebieden met een specifieke waterhuishoudkundige functie te beschermen, zoals de attentiegebieden en de invloedsgebieden Natura 2000. Er geldt een specifiek beschermingsregime, afhankelijk van het type gebied en de ligging in of nabij een beschermd gebied en de voorgenomen activiteiten. Een ander zeer belangrijk en vaak ruimtevragend aspect betreft de verplichting om zorgvuldig om te gaan met neerslag afkomstig van een toename van verhard of bebouwd oppervlak of door het afkoppelen van bestaand verhard oppervlak. Per 26 maart 2021 is de laatste partiële herziening van de Keur en de Algemene Regels van Waterschap de Dommel in werking getreden. Een watervergunning is noodzakelijk, tenzij: • De waterparagraaf van het bestemmingsplan, na 1 januari 2019, de schriftelijke instemming heeft verkregen van Waterschap de Dommel en de in de waterparagraaf genoemde maatregelen zijn uitgevoerd, of voor zover: • Het afkoppelen van verhard oppervlak maximaal 10.000 m2 is, of: • De toename van verhard oppervlak maximaal 500 m2 is, of: • De toename van verhard oppervlak bestaat uit een groen dak, of Ruimtelijke onderbouwing Oisterwijksedreef 4a, Haaren

53

•

De toename van verhard oppervlak tussen de 500 m2 en 10.000 m2 is, en compenserende maatregelen zijn getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan. Er moet dan een voorziening worden getroffen met een minimale retentiecapaciteit, conform de rekenregel:

Benodigde retentiecapaciteit (in m³) = toename verhard oppervlak (in m²) x gevoeligheidsfactor x 0,06 De gevoeligheidsfactor kan 1, ½, of ¼ bedragen en is aangeduid op de kaart ‘Algemene regel versnelde afvoer regenwater door verhard oppervlak’, toebehorende aan de Keur. Daarnaast zijn een aantal voorschriften gesteld aan nieuwe retentievoorzieningen, zoals dat de bodem boven de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) dient te liggen, er een vertraagde afvoer naar het oppervlaktewater plaatsvindt (diameter 4 cm, of wel 2 l/s/ha) en er sprake dient te zijn van een overloopconstructie. De gevoeligheidsfactor wordt niet toegepast bij toenames van verharde oppervlaktes groter dan 10.000 m2. Dan wordt immers gerekend met een benodigde bergingscapaciteit van 600 m3/hectare toename verhard oppervlak. Ook de gemeente Oisterwijk hanteert regels ten aanzien van de benodigde hemelwaterberging. Het Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) Oisterwijk 2015 – 2019 (is verlengd) en de Verordening afvoer hemelwater en grondwater 2018 (nr. 161908) zijn van toepassing verklaard. Concretiserend bevat dit beleid o.a. regels voor de opvang en berging van hemelwater. Bij elke ruimtelijke ontwikkeling dient binnen het plangebied een bui van 60 mm regen in 1 uur op eigen terrein opgevangen of verwerkt te worden. Er mag geen afvloeiing naar riolering of andere percelen plaatsvinden.

Bij hevigere buien mag het meerdere wel geloosd worden op bij voorkeur een sloot of gemeentelijke infiltratievoorziening, middels een overstortconstructie. Er wordt niet enkel gekeken naar de uitbreiding van het afvloeiend dak- / verhard oppervlak, maar naar de gehele locatie. De oorspronkelijke situatie speelt daarbij dus geen rol. Bij elke ontwikkeling zal derhalve een voorziening getroffen moeten worden voor berging en verwerking van regenwater (dan wel dient deze reeds hiervoor bestaand aanwezige voorziening te worden behouden). Uit de Keur- en Leggerkaart, Afbeelding 20 en Afbeelding 21, volgt dat de projectlocatie is gelegen in attentiegebied en invloedsgebied Natura 2000. De Ruijsbossche Waterloop is aangemerkt als Awatergang. Rondom de Ruijsbossche Waterloop is een profiel van vrije ruimte van 10 meter beoogd (voor de natte natuurzone). De sloot op de oostelijke perceelsgrens van de projectlocatie is aangewezen als B-watergang. In het profiel van vrije ruimte (zone van 10 meter breed) nabij de Ruijsbossche Waterloop is geen bebouwing (loods, silo’s of kas) voorzien. Deze bebouwing respecteert dit profiel van vrije ruimte. Het project betreft de oprichting van een foliekas, extra erfverharding en een tweetal watersilo’s op een tuinplantenkwekerij.

In de huidige situatie is er enkel sprake van de teelt van tuinplanten in de vollegrond op de bij het bedrijf behorende landbouwgronden. Op locatie is in de huidige situatie een bestaande bedrijfswoning en loods aanwezig, met een verhard erf. Het niet-verontreinigd hemelwater van deze bestaande bebouwing en verharding wordt middels goten en afschot afgevoerd naar het bestaande slotenstelsel rondom de projectlocatie. In Afbeelding 1 is een situatietekening van de beoogde bedrijfsopzet bijgevoegd. In Tabel 6 is de toe- en afname van het verhard en bebouwd oppervlak op projectlocatie samengevat weergegeven, welke het gevolg is van het voorgenomen bouwplan. Tabel 6: Toe- en afname verhard en bebouwd oppervlak op projectlocatie Betreft Oppervlakte (m2) Nieuw te bouwen kas 4.550 Nieuw te bouwen watersilo’s en erfverharding 1.200 Gesloopte kas en waterbassin - 1.000 Totaal toename 4.750 Uit voorgaande tabel volgt dat de totale toename van het verhard / bebouwd oppervlak 4.750 m 2 bedraagt. Daar deze toename meer bedraagt dan 500 m2, is hemelwaterberging op grond van het waterschapsbeleid benodigd (conform de rekenregels uit de Keur). In de beoogde situatie zal de totale Ruimtelijke onderbouwing Oisterwijksedreef 4a, Haaren

54

omvang aan bebouwing en verharding circa 9.000 m2 bedragen. Op grond van het (strengere) gemeentelijke beleid dient derhalve hemelwaterberging te worden gerealiseerd voor deze totale omvang van 9.000 m2. De gevoeligheidsfactor ter plaatse van de projectlocatie bedraagt 1. Derhalve is een waterberging benodigd van 9.000 m2 x 0,06 = 540 m3. Een toename van het verhard oppervlak, kan leiden tot een zwaardere belasting van het oppervlaktewatersysteem en wateroverlast stroomafwaarts. Dit komt doordat neerslag via het verharde oppervlak sneller wordt afgevoerd naar het oppervlaktewater dan wanneer het oppervlak onverhard was gebleven. Deze versnelde afvoer kan wateroverlast benedenstrooms veroorzaken omdat de piekafvoer toeneemt. Dit effect wordt versterkt, wanneer er meerdere van deze ingrepen plaatsvinden die leiden tot een toename van het verhard oppervlak dat afwatert op een oppervlaktewater (cumulatief effect). De twee watersilo’s worden gerealiseerd ten behoeve van het waterhuishoudkundig systeem. Eén van de watersilo’s zal worden gebruikt voor het opvangen van hemelwater (HNO-voorziening). Dit water kan bovendien waar nodig weer worden ingezet ten behoeve van de teelt. Indien ten behoeve van de teelt geen water is benodigd, zal het water vertraagd vanuit de silo worden afgevoerd, zodat de silo weer beschikbaar is bij een volgende bui (middels een driewegkraan).

De andere watersilo wordt gebruikt voor retourwater vanuit de foliekas. Er is dus sprake van een gescheiden opvangvoorziening tussen schoon hemelwater en retourwater vanuit de kas. In de nieuw te bouwen foliekas worden handelingen met de planten verricht ten behoeve van de teelt. Het betreft bijvoorbeeld watergift, bemesting en de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen. Conform de eisen uit het Activiteitenbesluit milieubeheer wat betreft nullozing uit kassen, zal al het water vanuit de kas (condens water, retour gietwater) recirculeren. De foliekas zal worden uitgevoerd met een gesloten vloer, bestaande uit een ondergrond van waterdicht folie, een lavalaag en antiworteldoek. Via de lavalaag wordt retour water afgevoerd richting de watersilo. De ondergrond is derhalve niet waterdoorlatend richting de bodem. Initiatiefnemers hebben in overleg met een teeltvoorlichter de benodigde omvang van de watersilo voor retourwater voor de aanwezige plantenteelt bepaald. Hieruit volgt dat een watersilo van 300 m 3 afdoende is voor het interne watersysteem vanuit de foliekas. Al het afvalwater recirculeert, middels een inpandige pompput, vanaf de kas naar de silo en wordt vanuit daar weer toegepast in de kas. Het betreft een gesloten watersysteem. Ten behoeve van hemelwaterberging worden op de projectlocatie twee voorzieningen gerealiseerd.

Het betreft enerzijds één silo voor het opvangen van hemelwater (HNO-voorziening) en anderzijds een wadi / retentielaagte in de landschappelijke zone ten noorden van de foliekas (zie tevens Afbeelding 11). De silo heeft een inhoud van 300 m3. Het hemelwater vanaf de daken zal via dakgoten middels vrij verval in deze silo terecht komen (dit dus niet mechanisch, middels verpompen). Hierdoor kan de silo bij een hevige bui snel genoeg worden gevuld. De wadi / retentielaagte zal worden uitgevoerd op circa 700 m2 in de landschappelijke inpassing, met een gemiddelde bergingsdiepte van 0,4 m. De wadi / retentielaagte heeft derhalve een capaciteit van 700 m 2 x 0,4 m = 280 m3. De totale bergingscapaciteit bedraagt daarmee 580 m3 en is derhalve voldoende om te voldoen aan zowel het beleid van het waterschap, als van gemeente Oisterwijk. Er is bovendien sprake van een geringe overcapaciteit van circa 40 m3. Door het treffen van de beoogde voorzieningen blijft het bestaande watersysteem ter plaatse goed functioneren. De hemelwatersilo wordt uitgevoerd met een driewegkraan. In nattere periodes zal de silo vertraagd afvoeren op de wadi (leegloopvoorziening, middels een buis met een diameter van omstreeks 40 mm, ongeveer overeenkomend met een vertraagde afvoer van 2 l/s/ha). Initiatiefnemers zorgen er daarbij voor dat bij aanvang van een hevige bui de (hemelwateropvang)silo leeg is.

In tijden van droogte kan deze leegloopvoorziening door initiatiefnemers worden dichtgezet, waardoor het beschikbare hemelwater naar wens nuttig kan worden toegepast binnen de eigen teelt. Dit draagt bij aan klimaatadaptatie. Met de leegloopvoorziening wordt echter in de overige periodes ervoor gezorgd dat deze wateropvangvoorziening bij een volgende bui weer beschikbaar is.

Ruimtelijke onderbouwing Oisterwijksedreef 4a, Haaren

55

De silo zal met name worden gebruikt voor de opvang van hemelwater afkomstig van de loods en de nieuw te bouwen foliekas. Middels dakgoten afkomstig van deze bebouwing, zal dit hemelwater onder vrij verval in de silo terecht komen. Het hemelwater van de verharding en bedrijfswoning gaat rechtstreeks naar de wadi (middels dakgoten, kolken en afschot). De bergingsbehoefte en onderverdeling tussen de hemelwaterafvoer op silo (foliekas en loods) en wadi (erfverharding en bedrijfswoning) staat ook in passende verhouding tot de omvang van deze bebouwing en de verharding. In de wadi zal het hemelwater ter plaatse infiltreren in de bodem. Voor buien groter dan 60 mm in 1 uur zal worden voorzien in een noodoverstort op het oppervlaktewater, betreffende de nabijgelegen perceelssloten. Tevens is er sprake van een bestaande grondwaterbron waaruit grondwater wordt onttrokken ten behoeve van de bedrijfsvoering. Er vinden geen wijzigingen plaats in de bestaande onttrekkingscapaciteit. Wegens de ligging in ‘Invloedsgebied Natura 2000’ gelden regels voor nieuwe, of gewijzigde grondwateronttrekkingen. Het voornemen gaat echter niet gepaard met een wijziging van de bestaande grondwateronttrekking. Aan de noordzijde van de projectlocatie is een A-watergang (Ruijsbossche Waterloop) aanwezig. Op de oostelijke perceelsgrens is een B-watergang aanwezig.

Beide watergangen blijven met het voornemen ongewijzigd behouden. Het bouwplan respecteert de huidige achtergrens van het geldende agrarische bouwvlak en de bouwmogelijkheden in het geldende agrarische bouwvlak. Tussen de grens van het huidige agrarische bouwvlak en de Ruijsbossche Waterloop wordt een landschappelijke inpassing gerealiseerd. Het betreft een bomenrij (passend in natte omstandigheden), met een kruidenrijke zoom en wadi / retentielaagte. Hierdoor wordt een kwaliteitsimpuls gegeven aan de natte natuurzone en ecologische verbindingszone rondom de Ruijsbossche Waterloop. Hierbij worden de bomen op minimaal 5 meter vanaf de insteek van de watergang gerealiseerd, zodat onderhoud aan deze A-watergang mogelijk blijft. De nieuw te bouwen foliekas respecteert bovendien een voldoende afstand tot de bestaande B-watergang, zodat ook hier het onderhoud mogelijk blijft. Het voornemen heeft geen betrekking op wijziging van deze bestaande watergangen. Blijkens de Keurkaart is de locatie gelegen in een Attentiegebied. Attentiegebieden zijn aangewezen ter bescherming van de zogenaamde natte natuurparels (onderdeel Natuur Netwerk Brabant). Het plan mag geen bestemmingen of regels bevatten die ingrepen met een negatief effect op de waterhuishouding binnen deze natte natuurparel mogelijk maken.

Het voorgenomen bouwplan, in combinatie met het hydrologisch neutraal ontwikkelingen, heeft geen negatieve gevolgen op de waterhuishouding binnen deze natte natuurparel. Gelet op het bovenstaande is het voornemen vanuit het aspect water aanvaardbaar. Vooroverlegreactie waterschap december 2021 Op 3 december 2021, onder kenmerk Z65892/U135867, heeft Waterschap De Dommel haar vooroverlegreactie aangeboden. In deze vooroverlegreactie is ingestemd met de ruimtelijke ontwikkeling en een positief wateradvies gegeven. Het plan houdt goed rekening met de verschillende waterbelangen, samengevat: • Regenwater van het verhard oppervlak van het bedrijf wordt verzameld in één van de beide watersilo’s en in een wadi (totaal 580 m3). Het regenwater in de silo hergebruiken de initiatiefnemers om de planten in de foliekas water te geven. Dit vermindert het gebruik van grondwater. Is het water niet nodig voor hergebruik, dan stroomt het vanuit de silo vertraagd af naar de wadi, waar het kan infiltreren in de bodem. • Het water vanuit de kas recirculeert. Het betreft een gesloten watersysteem, dat voorkomt dat meststoffen en bestrijdingsmiddelen met het gietwater in de bodem, het grondwater of het oppervlaktewater terecht komen. • In de zone langs de Ruijsbossche Waterloop wordt het bouwvlak niet vergroot en is ruimte voor landschappelijke inpassing.

Zo blijft er hier ruimte voor de ecologische verbindingszone Ruimtelijke onderbouwing Oisterwijksedreef 4a, Haaren

56

•

(EVZ) die langs deze waterloop ligt. De groene inrichting van de noordwesthoek van het perceel draagt bij aan de EVZ-functie. Langs de Ruijsbossche Waterloop geldt volgens de Legger waterstaatswerken 2021 (zie Afbeelding 21) een profiel van vrije ruimte van 10 meter breed. Het profiel van vrije ruimte is bedoeld voor het aanleggen van een natte natuurzone langs de Ruijsbossche Waterloop, passend bij de EVZ-functie van de beek. In het profiel van vrije ruimte zijn werken die niet eenvoudig ongedaan gemaakt kunnen worden (zoals bebouwing), niet toegestaan. Dit volgt uit Hoofdstuk 14A van de ‘Beleidsregels voor waterkering, waterkwantiteit en grondwater’. Het waterschap heeft verzocht om de watersilo’s buiten het profiel van vrije ruimte te plaatsen. Eén van de watersilo’s was gering binnen dit profiel van vrije ruimte gelegen. Naar aanleiding van de reactie van het waterschap is de positionering van de silo’s en de uitvoering gering gewijzigd. De silo’s zijn gewijzigd van een binnendiameter van 10 meter, naar een binnendiameter van 9 meter. Tevens zijn de silo’s gering dichter op de bedrijfsbebouwing (loods en kas) en nabij elkaar verschoven. Hierdoor wordt het profiel van vrije ruimte van 10 meter nabij de Ruijsbossche Waterloop gevrijwaard van bebouwing. Dit is inzichtelijk gemaakt op de situatietekening in Bijlage 1.

Advies waterschap - optimalisatie ecologische verbindingszone Ruijsbossche Waterloop Aan de noordzijde van het perceel is de A-watergang, Ruijsbossche Waterloop, aanwezig. De EVZ langs de Ruijsbossche Waterloop is bedoeld als verbindende schakel voor de doelsoorten hermelijn, kamsalamander en kleine ijsvogelvlinder. Voor deze soorten is variatie in landschapselementen en beschutting in de vorm van struweel belangrijk als onderdeel van het leefgebied. Binnen de landschappelijke inpassing zijn nog mogelijkheden voor optimalisatie voor deze doelsoorten: • In de landschappelijke inpassing zou gekozen kunnen worden voor het pluksgewijs aanplanten van struweel in plaats van, of als onderdeel van de bomenrijen. Bijvoorbeeld aan de noordkant van de wadi, of tussen de wadi en de foliekas. • In de wadi mag enige variatie in de bodemdiepte gemaakt worden. Dat draagt niet bij aan bergingscapaciteit voor regenwater, omdat de bodem dan onder de gemiddeld hoogste grondwaterstanden zal liggen, maar het levert wel variatie in groeiplaatsen op. Sommige stukjes blijven dan langer nat, zodat zich hier andere plantensoorten vestigen. En er kunnen kleine tijdelijke ‘poeltjes’ ontstaan, die interessant zijn voor o.a. amfibieën. • Het waterschap werkt op dit moment aan de voorbereiding voor het realiseren van de EVZ en de natte natuurzone langs de Ruijsbossche Waterloop.

Wanneer ook ter hoogte van het plangebied oeververflauwing van de beek mogelijk zou zijn, zou dat een grote meerwaarde hebben voor de EVZ-functie. Als dit tot de mogelijkheden behoort, bespreekt het waterschap dit graag met initiatiefnemer. De twee eerstgenoemde aanbevelingen kunnen direct in de feitelijke uitvoering van de landschappelijke inpassing worden meegenomen. Het landschappelijk inpassingsplan is hierop aangevuld. De derde aanbeveling is momenteel nog onvoldoende concreet, gelet op het voorbereidende stadium waarin het waterschap zich nog bevindt. Initiatiefnemers staan uiteraard zodra het zo ver is, wel open voor een verkennend gesprek naar de wensen en mogelijkheden.

Ruimtelijke onderbouwing Oisterwijksedreef 4a, Haaren

57

Afbeelding 20: Uitsnede Keurkaart, plangebied globaal rood omkaderd weergegeven.

Ruimtelijke onderbouwing Oisterwijksedreef 4a, Haaren

58

Afbeelding 21: Uitsnede Leggerkaart waterstaatswerken 2021, profiel van vrije ruimte paars weergegeven, plangebied globaal rood omkaderd weergegeven.

4.7

Luchtkwaliteit

In de Wet milieubeheer is de Europese richtlijn op het gebied van grenswaarden voor diverse stoffen opgenomen. Het doel van deze wet is om mensen te beschermen tegen het gevaar van luchtvervuiling. In Bijlage 2 van de Wet milieubeheer zijn milieukwaliteitseisen voor de buitenlucht opgenomen. Deze milieukwaliteitseisen zijn vertaald naar grenswaarden van de concentratie van stikstofdioxide, fijnstof, lood, zwaveldioxide, koolmonoxide en benzeen. Een ontwikkeling kan op basis van artikel 5.16, eerste lid, onder c uit de Wet milieubeheer worden toegestaan indien aannemelijk kan worden gemaakt dat een uitoefening of toepassing, rekening houdend met de effecten, de luchtkwaliteit ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) verslechtert. Een project draagt in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging als het een toename veroorzaakt van meer dan 1,2 µg/m3 voor zowel PM10 als NO2. Overschrijding van de grenswaarden voor de overige genoemde stoffen is in het buitengebied, of in kleine kernen, nagenoeg nooit aan de orde. In de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) (NIBM) zijn categorieën van gevallen aangewezen, waarin de uitoefening van bevoegdheden of toepassing van een of meer wettelijke voorschriften in ieder geval ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdraagt. Als zodanig aangewezen worden o.a.

akkerbouw- of tuinbouwbedrijven met open grondteelt, maar ook permanente en niet-verwarmde opstanden van glas of van kunststof voor het telen van gewassen. Onderhavig plan heeft betrekking op een tuinplantenkwekerij, waarbij een niet-verwarmde foliekas wordt opgericht voor het telen van gewassen. Een dergelijke activiteit is benoemd als categorie van gevallen die in ieder geval NIBM bijdragen aan de luchtkwaliteit. Het voornemen gaat bovendien niet gepaard met een relevante wijziging in het aantal verkeersbewegingen (zie toelichting in paragraaf 2.5). Het voornemen is derhalve aanvaardbaar, bezien vanuit het aspect luchtkwaliteit. De functies in het plangebied gaan niet gepaard met relevante emissies van luchtverontreinigende stoffen.

Ruimtelijke onderbouwing Oisterwijksedreef 4a, Haaren

59

Separaat dient beoordeeld te worden of de luchtkwaliteit ter plaatse aanvaardbaar is voor (blijvend) menselijk verblijf. Daarvoor wordt gebruik gemaakt van de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland (GCN-kaarten) van het RIVM. Op deze kaarten wordt de achtergrondconcentratie inzichtelijk gemaakt welke het gevolg is van de infrastructurele en bedrijvige omstandigheden ter plaatse. Uit de GCN-kaarten (voor 2020, gegevens 2020) volgt dat de achtergrondconcentraties in de plangebied als volgt bedragen: • PM10: 18,08 µg/m3 (18 - 20 µg/m3) • NO2: 14,6 µg/m3 (10 - 15 µg/m3) Voor PM10 en NO2 geldt voor de jaargemiddelde concentratie een grenswaarde van 40 µg/m3. Wat betreft zowel fijnstof als stikstofdioxide wordt dus ruimschoots voldaan aan de gestelde grenswaarden. In het plangebied is dus sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat inzake luchtkwaliteit. Geconcludeerd kan worden dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de onderhavige ontwikkeling.

4.8

Natuurgebieden

De Wet natuurbescherming is in werking getreden op 1 januari 2017 en heeft daarbij het voorheen geldende wettelijke stelsel voor de natuurbescherming vervangen, namelijk de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. De wet regelt ten eerste de taken en bevoegdheden ten behoeve van de bescherming van natuurgebieden en planten- en diersoorten (‘gebiedsbescherming’ en ‘soortenbescherming’). Daarnaast bevat de wet onder meer bepalingen over de jacht en over houtopstanden. In de Wet natuurbescherming is de Europese regelgeving omtrent natuurbescherming, zoals vastgelegd in de Vogel- en Habitatrichtlijn als uitgangspunt genomen. De gebiedsbescherming van de Wnb richt zich in hoofdzaak op de bescherming van de Natura 2000-gebieden. Provincies hebben daarnaast de bevoegdheid om gebieden naar keuze, gelegen buiten het Natuurnetwerk Nederland, aan te wijzen en te beschermen via eigen provinciaal beleid. Deze gebieden worden aangeduid als ‘bijzondere provinciale natuurgebieden’, onderscheidenlijk ‘bijzondere provinciale landschappen’. Vrijwel alle verantwoordelijkheden inzake natuurbescherming zijn bij de provincies komen te liggen. Ten aanzien van gebiedsbescherming is in de Wet natuurbescherming opgenomen dat beoordeeld dient te worden of plannen en projecten significante gevolgen kunnen hebben voor de Natura 2000gebieden.

Een project is vergunningplichtig op grond van de Wet natuurbescherming indien het project significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied. Indien een project geen significante gevolgen heeft voor een Natura 2000-gebied, dan gelden geen verdere restricties of procedurele vereisten vanuit de Wet natuurbescherming. Natura 2000-gebieden kunnen schade ondervinden wegens diverse aspecten, zoals verdroging, oppervlakteverlies, verontreiniging, versnippering, verzilting, optische verstoring, verzuring en vermesting. Potentiële externe effecten, niet zijnde ten gevolge van stikstofdepositie, kunnen in de regel reeds met voldoende zekerheid worden uitgesloten indien een locatie op ruime afstand (bijvoorbeeld > 500 meter) van een Natura 2000-gebied is gelegen. De potentiële effecten ten gevolge van stikstofdepositie (en dientengevolge verzuring en vermesting) kunnen ook op grotere afstanden merkbaar zijn. In Nederland zijn er 118 (van de 161) Natura 2000-gebieden met stikstofgevoelige habitats, waarvan de kritische depositiewaarde (KDW) reeds wordt overschreden. De KDW geeft aan bij welke mate van stikstofdepositie wordt aangenomen dat niet langer op voorhand kan worden uitgesloten dat er een risico is dat de kwaliteit van het habitattype wordt aangetast als gevolg van de verzurende en/of vermestende invloed van de stikstofdepositie.

Indien een project geen stikstofdepositie veroorzaakt op de Natura 2000-gebieden, of geen toename ten opzichte van de referentiesituatie, kan worden uitgesloten dat het plan een significant gevolg kan hebben. Hierbij wordt de stikstofdepositie inzichtelijk

Ruimtelijke onderbouwing Oisterwijksedreef 4a, Haaren

60

gemaakt met het rekenprogramma AERIUS Calculator en betreft de toetsingswaarde dus 0,00 mol N/ha/jaar (toename) op de hexagonen van de stikstofgevoelige habitats in de Natura 2000-gebieden. Voor het voorgenomen project zijn de effecten op de Natura 2000-gebieden onderzocht. Tevens is hierbij een berekening uitgevoerd met AERIUS Calculator (van de gebruiksfase). De volledige rapportage is bijgevoegd in Bijlage 5. Hierin wordt tevens de in- en output nader toegelicht. Navolgend worden de belangrijkste conclusies uit het rapport samengevat weergegeven. De projectlocatie is op ruime afstand gelegen ten opzichte van de Natura 2000-gebieden. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft ‘Kampina & Oisterwijkse Vennen’ op een afstand van 850 meter in zuidelijke richting. In noordwestelijke richting is op circa 2,8 kilometer het gebied ‘Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen’ aanwezig. Door de aard van het bedrijf (tuinplantenkwekerij in de vollegrondsteelt en met (koude) kas) en de ruime afstand tot de Natura 2000-gebieden (> 0,85 kilometer) kunnen overige effecten, niet zijnde ten gevolge van stikstofdepositie, reeds met zekerheid worden uitgesloten. In de gebieden zijn geen effecten merkbaar vanuit de projectlocatie. Om dit ook voor stikstofdepositie te kunnen bevestigen zijn hiervoor berekeningen met AERIUS Calculator uitgevoerd.

De beoogde situatie gaat gepaard met de uitstoot van stikstofverbindingen. Het betreft stookinstallaties (CV-ketels woning en bedrijfsloods) en voertuigbewegingen. In Bijlage 5 is een AERIUS-berekening uitgevoerd van de beoogde bedrijfsopzet. Uit de berekening met AERIUS Calculator van de beoogde situatie volgt dat er geen sprake is van depositieresultaten boven de 0,00 mol N/ha/jaar. Het project heeft dus geen negatieve gevolgen voor de Natura 2000-gebieden en er is geen sprake van een vergunningplicht op grond van de Wet natuurbescherming. Voor de bouw- en aanlegfase is er sprake van een uitzondering op de Wnb-vergunningplicht op basis van artikel 2.9a Wnb, juncto artikel 2.5 Bnb. Deze activiteiten hebben geen negatieve gevolgen voor de Natura 2000-gebieden en er is geen sprake van een vergunningplicht op grond van de Wet natuurbescherming. Onderhavige ontwikkeling heeft derhalve met zekerheid geen mogelijk effect tot gevolg op de Natura 2000-gebieden.

Ruimtelijke onderbouwing Oisterwijksedreef 4a, Haaren

61

Afbeelding 22: Uitsnede topografische kaart met globale weergave ligging plangebied (rood omkaderd) ten opzichte van Natura 2000-gebieden.

4.9

Flora en fauna

Ook de voormalige Flora- en faunawet is per 1 januari 2017 opgegaan in de Wet natuurbescherming. Dit houdt in dat de soortenbescherming ook via deze overkoepelende natuurwet is geregeld. Het beschermingsregime van soorten is o.a. afkomstig uit de Vogel- en Habitatrichtlijn. Bovendien is voor de soortenbescherming wettelijk rechtstreeks verwezen naar de hiervoor relevante Europese verdragen, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn. Het beschermingsregime betreffende soorten (flora en fauna) is opgenomen in hoofdstuk 3 van de Wnb. De verbodsbepalingen zijn hierbij afhankelijk gesteld van de soort (en daarmee de opname van die soort op de diverse lijsten) en de voorgenomen handelingen. Bovendien is een algemeen geldende zorgplicht opgenomen om handelingen achterwege te laten of maatregelen te treffen, om te voorkomen dat nadelige gevolgen ontstaan voor in het wild levende dieren en planten. Conform de Wet natuurbescherming is de initiatiefnemer bij ruimtelijke ingrepen verplicht op de hoogte te zijn van mogelijke voorkomende beschermde soorten binnen het plangebied. Vanuit die kennis dienen plannen en projecten getoetst te worden aan eventuele strijdigheid met de verbodsbepalingen uit de Wnb.

Conform vaste jurisprudentie kan een plan worden vastgesteld, of een project doorgang vinden, indien aannemelijk wordt gemaakt dat het aspect flora en fauna niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. Ten behoeve van het aspect flora en fauna is door Ijzerman Advies een quickscan flora en fauna uitgevoerd. Deze quickscan is bijgevoegd in Bijlage 6. Voor het volledige onderzoek en de conclusies wordt naar deze bijlage verwezen. Navolgend zijn de resultaten van dit onderzoek samengevat. De quickscan flora en fauna is een oriënterend onderzoek naar de actuele beschermde natuurwaarden van een locatie in relatie tot de geplande ingrepen. Het betreft een momentopname en bestaat uit een veldinspectie, een deskstudie en een beoordeling op basis van expert judgement. Gebieden Het plangebied is niet gelegen in of in de directe nabijheid van een Natura 2000-gebied. De instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden zullen geen negatieve effecten ondervinden van de geplande ontwikkelingen, ten opzichte van het huidige gebruik. Er vinden door het voornemen

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11239822/1