CConstaterende datOisterwijk
Koppel je AI →
Document · PDF

22-64 OVGB Uitbreiding tuinplantenkwekerij Oisterwijksedreef 4a- Bijlage 2 Ruimtelijke onderbouwing

RAAD 10 maart 2022, gemeente OisterwijkBij agendapunt: 22-64 Ontwerpverklaring van geen bedenkingen uitbreiding van de tuinplantenkwekerij Oisterwijksedreef 4a Haaren32.802 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 4

Ruimtelijke onderbouwing Oisterwijksedreef 4a, Haaren

62

geen verhoogde emissies van licht, geluid of stoffen plaats die van negatieve invloed zouden kunnen zijn op Natura 2000-gebieden. Een vergunning Wet natuurbescherming is niet noodzakelijk. Flora Bij de veldinspectie is de locatie onderzocht door een ervaren vegetatiekundige, op het voorkomen van beschermde soorten of resten hiervan. Op en langs de randen van de percelen zijn enkel vrijgestelde soorten en zijn geen beschermde soorten aangetroffen. Het plangebied is met nadruk geïnspecteerd op potentiële groeiplaatsen voor beschermde soorten. Deze soorten of hun groeiplaatsen zijn niet aangetroffen in het plangebied. Op basis van de deskstudie NDFF (Nationale Databank Flora en Fauna) in combinatie met de veldinspectie, de aanwezige structuren en biotopen worden beschermde soorten bovendien ook niet verwacht op de planlocatie. Ongewervelden Beschermde ongewervelden, zoals bepaalde vlinders, libellen, kevers en mieren, zijn niet aangetroffen op de planlocatie. De locatie bevat geen natuurlijk ontwikkelde oevervegetaties of arme of matigvoedselrijke vegetaties. Beschermde soorten zijn vaak zeer specifiek in hun biotoopkeuze en afhankelijk van de aanwezigheid van (vaak zeldzame en kwetsbare) waardplanten of vegetaties. Op de planlocatie ontbreken deze omstandigheden, waardoor ook geschikte biotopen voor deze beschermde ongewervelden ontbreken.

Op basis van de aangetroffen omstandigheden kan worden geconcludeerd dat er geen beschermde soorten voorkomen. Op basis van de deskstudie NDFF, in combinatie met de veldinspectie, de aanwezige structuren en biotopen worden beschermde soorten niet verwacht op de projectlocatie. Amfibieën, vissen en reptielen Potentiële geschikte water- en oeverstructuren voor beschermde soorten ontbreken op de planlocatie zelf. Beschermde amfibieën- of vissoorten zullen hierdoor geen gebruik maken van het plangebied als voortplantingsgebied. De ontwikkeling is landgebonden en er zullen geen waterstructuren worden aangetast. In theorie is het mogelijk dat er in het plangebied enkele algemene amfibieënsoorten, zoals bruine kikker of gewone pad in landfase voorkomen. Hoewel deze soorten beschermd zijn (artikel 3.10), worden zij niet bedreigd in hun voorkomen en staan vermeld als vrijgestelde soorten in de provincie Noord-Brabant. Voor het opzettelijk doden of vangen en voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen wordt vrijstelling verleend als de handeling verband houdt met ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden (hier van toepassing). Het is echter wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen.

Op de planlocatie zijn geen overig beschermde soorten aangetroffen. Op basis van de deskstudie NDFF, in combinatie met de veldinspectie, de aanwezige structuren en biotopen worden beschermde soorten niet verwacht op de projectlocatie. Broedvogels Alle bewoonde nesten in het broedseizoen vallen onder de bescherming van de Wet natuurbescherming. Met eventuele werkzaamheden dient dus rekening te worden gehouden met het broedseizoen van vogels. Overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van vogels wordt voorkomen door de werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. Er wordt geen standaardperiode gehanteerd voor het broedseizoen. Van belang is of een broedgeval aanwezig is, ongeacht de periode. Indien de werkzaamheden uitgevoerd worden op het moment dat er geen broedgevallen (meer) aanwezig zijn, is overtreding van de wet niet aan de orde. Op de projectlocatie ontbreken opgaande groenstructuren, zoals bomen en struiken, die groot genoeg zijn om als broedlocatie te dienen. Rekening houden met broedvogels in bomen is derhalve niet aan de orde. Op basis van de deskstudie NDFF, in combinatie met de veldinspectie, de aanwezige structuren en biotopen worden beschermde soorten niet verwacht op de projectlocatie.

Zoogdieren Het is mogelijk dat er een enkel individu van een beschermde soort op de locatie kan worden aangetroffen, zoals egel, mol, konijn, veldmuis en bepaalde spitsmuizen. Deze soorten zijn weliswaar beschermd, maar behoren in de provincie Noord-Brabant tot de vrijgestelde soorten. In het kader van

Ruimtelijke onderbouwing Oisterwijksedreef 4a, Haaren

63

ruimtelijke ontwikkelingen hoeft voor deze soorten geen ontheffing meer te worden aangevraagd. Het is echter wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen. Hierbij valt te denken aan het uitvoeren van de meest verstorende werkzaamheden in de maanden september en oktober. In de provincie Noord-Brabant zijn de das, bunzing, hermelijn en wezel eveneens beschermd. De locatie is uitvoerig geïnspecteerd op sporen die duiden op de aanwezigheid van deze soorten. Ook is gekeken of er op de locatie potentieel geschikt habitat aanwezig is. Er zijn geen sporen zoals prooiresten, pootafdrukken, wissels, uitwerpselen of nestmateriaal aangetroffen. Alle soorten vleermuizen vallen onder de groep beschermde soorten. Op de projectlocatie staan ter plaatse van de op te richten foliekas en watersilo’s geen bomen of bebouwing. Potentiële vaste verblijfslocaties voor vleermuizen ontbreken op de locatie. Als foerageergebied heeft het geen substantiële functie voor vleermuizen. In de omgeving kunnen in theorie algemene soorten zoals gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus) en laatvlieger (Eptesicus serotinus) voorkomen. Deze dieren zijn cultuurvolgers en maken vaak gebruik van lijnvormige groen- en bebouwingsstructuren en straatverlichting.

Bestaande lijnvormige groenstructuren waarlangs migratieof foerageerroutes van vleermuizen zouden kunnen liggen, worden niet aangetast door de voorgenomen plannen. Eventuele vliegroutes worden niet onderbroken. De geplande ontwikkeling heeft door gebrek aan geschikte verblijfslocaties of het ontbreken van een gebruiksfunctie (foerageergebied of vliegroute) geen negatieve effecten op lokale populaties vleermuizen. Op basis van de deskstudie NDFF, in combinatie met de veldinspectie, de aanwezige structuren en biotopen worden beschermde soorten niet verwacht op de projectlocatie. Advies • Vrijgestelde soorten kunnen mogelijkerwijs worden aangetroffen. Hiervoor hoeft in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen geen ontheffing of vergunning meer te worden aangevraagd. Het voorkomen van deze soorten wordt door de geplande ontwikkelingen niet in gevaar gebracht. Het is echter wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen. Hierbij valt te denken aan het uitvoeren van de meest verstorende werkzaamheden in de maanden september en oktober. • Voor overige beschermde soorten is nader onderzoek niet noodzakelijk door het ontbreken van geschikte biotopen en vaste verblijfslocaties.

Het aspect flora en fauna staat dus met zekerheid de uitvoerbaarheid van het project niet in de weg en er is geen sprake van een mogelijk negatief effect op soorten.

4.10

Externe veiligheid

Externe veiligheid heeft betrekking op de risico’s die mensen lopen als gevolg van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven, transportroutes (wegen, spoorwegen en waterwegen) en buisleidingen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico’s vastgelegd in diverse besluiten. De belangrijkste zijn: • Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); • Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb); • Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het ‘plaatsgebonden risico’ en het ‘groepsrisico’. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. Navolgend worden beide begrippen verder uitgewerkt. Risiconormering Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft de kans om op een bepaalde plaats te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergegeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10 -6 contour (die

Ruimtelijke onderbouwing Oisterwijksedreef 4a, Haaren

64

als wettelijke harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde, waarvan gemotiveerd mag worden afgeweken. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang (10 personen of meer). Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit en kent geen vaste norm, maar een oriëntatiewaarde (=’1’). Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag. Verantwoordingsplicht groepsrisico Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico’s in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal de gemeente). Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen.

Ook bestaat er een verplichting voor het bevoegd gezag om de Veiligheidsregio / Regionale Brandweer in de gelegenheid te stellen om advies uit te brengen. In de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht (Afbeelding 23). Bron Inrichtingen (Bevi)

Wanneer groepsrisicoverantwoording? Altijd wanneer binnen invloedsgebied ruimtelijk besluit wordt genomen. Buisleidingen (Bevb) Altijd wanneer binnen invloedsgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen. Er kan echter worden volstaan met een beperkte verantwoording wanneer: 1) het groepsrisico lager is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde, of 2) de toename minder is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde, of 3) personen zich buiten de 100% letaliteitsgrens bevinden. Bij een beperkte verantwoording hoeven alleen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid beschouwd te worden. Weg, spoorweg of Altijd wanneer binnen invloedsgebied een ruimtelijk besluit wordt binnenwater (Bevt) genomen. Er kan echter worden volstaan met een beperkte verantwoording wanneer: 1) het groepsrisico lager is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde, of 2) de toename minder is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde, of 3) personen zich buiten de 200 meter-zone bevinden. Bij een beperkte verantwoording hoeven alleen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid beschouwd te worden. Afbeelding 23: Groepsrisicoverantwoording ‘Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico’. Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het ‘restrisico’ dat overblijft nadat de benodigde veiligheidsverhogende maatregelen genomen zijn.

Tevens wordt in het kader van ‘een goede ruimtelijke ordening’ (artikel 3.1 Wro) onder andere getoetst aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit het Activiteitenbesluit, het Barro, de effectafstanden uit de ‘Circulaire effectafstanden LPG-tankstations’ enzovoorts. Inventarisatie en toetsing Om te bepalen of er in de directe omgeving van de projectlocatie risicofactoren aanwezig zijn is de risicokaart met de bijbehorende database geraadpleegd, zie hiertoe Afbeelding 24. Tevens is het vigerende bestemmingsplan geraadpleegd (Afbeelding 7). Ruimtelijke onderbouwing Oisterwijksedreef 4a, Haaren

65

Over de projectlocatie lopen twee buisleidingen voor het vervoeren van brandstoffen. Het betreft een tracé van een hoge druk 36” ruwe olieleiding en een hoge druk 24” olieproductenleiding. Beide leidingen zijn in beheer bij de N.V. Rotterdam-Rijn Pijpleiding Maatschappij (RRP). Door middel van een QRA is door RRP de plaatsgebonden risicocontour berekend op maximaal 46,1 meter. Het invloedsgebied is berekend op maximaal 70,6 meter. In het geldende bestemmingsplan is een gebiedsaanduiding ‘veiligheidszone – leiding’ toegekend in de zone rondom deze leidingen (circa 48 m vanuit de 36”-leiding en 42 m vanuit de 24” leiding). In deze zone is het niet toegestaan om kwetsbare objecten op te richten. Tevens is een dubbelbestemming ‘Leiding – Brandstof’ toegekend ter plaatse van de belemmeringenzone. De PR 10-6 contour en het invloedsgebied reiken voor een beperkt deel over de nieuw te bouwen foliekas, en geheel over de bestaande bedrijfswoning. De nieuw te bouwen foliekas betreft echter geen kwetsbaar object en kan dus worden toegestaan. De bestaande bedrijfswoning is een beperkt kwetsbaar object (art. 1 lid 1 sub b Bevi), zodoende wordt voldaan aan de richtwaarde zoals beschreven in artikel 11 lid 2 Bevb. Op de ligging van de RRP buisleidingen is de ‘Structuurvisie buisleidingen 2012 – 2035’ van toepassing.

Het doel van deze Structuurvisie is om door middel van een voorkeurstracé ruimte vrij te houden in Nederland voor de aanleg van toekomstige buisleidingen van nationaal en internationaal belang voor het transport van gevaarlijke stoffen. Dit is bovendien als zodanig doorvertaald in het Barro en Rarro (zie hiertoe tevens paragraaf 3.1.2). De nieuw te bouwen foliekas is voorzien buiten het voorkeurstracé (en nabij de bestaande bedrijfsbebouwing). In september 2019, ter beoordeling van het principeverzoek, is contact geweest tussen RRP en de (voormalige) gemeente Haaren aangaande het voornemen (zie hiertoe Bijlage 9). Hierbij heeft de RRP aangegeven dat als er geen nieuw kwetsbaar object ontstaat (een foliekas betreft geen kwetsbaar object), dan heeft RRP geen bezwaren voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor de uitbreiding van het bedrijf aan de noordzijde van de bestaande boomkwekerijloods. Hierbij is wel verzocht om aan te geven dat er geen materiaal of bouwmaterialen worden opgeslagen binnen de belemmerende strook van RRP. Deze opslag is niet aan de orde, waardoor aan de voorwaarden van RRP wordt voldaan. In december 2021 is een hernieuwde beoordeling, in het kader van het officiële vooroverleg, gevraagd aan RRP door gemeente Oisterwijk. Hierbij heeft RRP aangegeven geen bezwaar te hebben tegen het oprichten van de foliekas.

Hierbij is wel verzocht om de initiatiefnemers te verzoeken om de RRP tijdig in te lichten zodra de werkzaamheden worden ingepland, zodat eventuele knelpunten vroegtijdig kunnen worden herkend en besproken. Tevens heeft RRP de brochure ‘Veilig werken in de RRPleidingstrook’ (versie november 2016) ter beschikking gesteld. De voorwaarden en werkafspraken uit deze brochure worden in acht genomen bij de feitelijke uitvoering. Tevens ligt in zuidelijke richting, op circa 110 meter vanaf de inrichtingsgrens, een hogedrukaardgasleiding Z-520-38 met een werkdruk van 40 bar en een diameter van 12,76 inch. Het invloedsgebied van de hogedruk-aardgasleiding heeft derhalve een reikwijdte van 140 meter (Ministerie I&M (2016) ‘Handboek buisleiding in bestemmingsplannen’) en reikt gedeeltelijk over de projectlocatie. De projectlocatie is gelegen buiten de 100% letaliteitszone van deze leiding, waardoor volstaan kan worden met een beperkte verantwoording groepsrisico. Op circa 830 meter ten zuiden van de projectlocatie ligt het Basisnet spoorlijn Eindhoven – Tilburg spoortraject nr. 12AA.3. Over deze route worden gevaarlijke stoffen uit spoorcategorie A, B2, C3 en D3 vervoerd. Derhalve heeft deze spoorlijn een invloedsgebied van 995 meter (RIVM (2016) ‘Handreiking risicoanalyse transport’). Het invloedsgebied reikt geheel over de projectlocatie.

Tussen de 200 en 1500 meter is er enkel nog sprake van een invloedsgebied voor het toxisch scenario. In dit gebied kan voldoende bescherming worden geboden door ramen en deuren te sluiten. Overige risicoaspecten, zoals een BLEVE (explosie) of invloedsgebied plasbrand, zijn op een dergelijke afstand niet meer aan de orde. Binnenshuis zijn mensen vanaf 200 meter voldoende veilig. Conform het Bevt dient voor een project binnen het invloedsgebied van een transportroute een verantwoording van het groepsrisico uitgevoerd te worden. Aangezien het plan niet binnen 200 meter van de transportroute ligt, kan volstaan worden met een beperkte verantwoording (artikel 8, lid 1 en artikel 7, Bevt).

Ruimtelijke onderbouwing Oisterwijksedreef 4a, Haaren

66

Inrichtingen met potentiële externe veiligheidsrisico’s zijn op ruime afstand gelegen. Op circa 300 meter ten noordwesten is een gasdrukregel- en meetstation Z-150 gelegen, aan Nemelaerstraat 1. In de database behorende bij de risicokaart is hierbij een veiligheidsafstand van 15 meter opgenomen (gemeten vanaf het gebouw). Bij Kasteel Nemelaer is een bovengrondse propaantank van 3.000 liter aanwezig. In het Activiteitenbesluit milieubeheer wordt hiervoor een veiligheidsafstand van 10 meter gehanteerd. Ook aan Belversedijk 3 is een propaantank aanwezig. Het betreft een propaantank van 8 m3, waardoor op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer een veiligheidsafstand van 15 meter geldt. De projectlocatie is ruimschoots buiten de invloedssfeer van bovengenoemde inrichtingen gelegen. Het project behelst de oprichting van een foliekas en een tweetal watersilo’s op een tuinplantenkwekerij. Het betreft dus niet de oprichting van een nieuw (beperkt) kwetsbaar object. De bestaande bedrijfswoning blijft met het voornemen ongewijzigd behouden. Deze woning betreft reeds een bestaand beperkt kwetsbaar object. Zoals in onderhavige ruimtelijke motivatie bovendien toegelicht gaat de uitbreiding niet gepaard met een toename van het aantal werkzame personen op projectlocatie. Het project zorgt dus niet voor een toename van de personendichtheid in het gebied.

De ontwikkeling heeft daarmee geen gevolgen voor de risico’s inzake externe veiligheid of een toename van het aantal personen op de projectlocatie. Navolgend is, conform de van toepassing zijnde wetgeving, een beperkte verantwoording voor het groepsrisico opgenomen. Beperkte verantwoording groepsrisico spoorweg en buisleidingen Vanwege de ligging van de projectlocatie binnen meerdere invloedsgebieden dient het groepsrisico verantwoord te worden. Een beperkte verantwoording volstaat, omdat de toevoeging van de foliekas niet zorgt voor een relevante verhoging van het groepsrisico (artikel 12 lid 3 Bevb en artikel 8 lid 2 Bevt). Het groepsrisico dient beperkt verantwoord te worden voor de scenario’s fakkelbrand (HDaardgasleiding), toxische wolk (Basisnet spoor) en plasbrand (RRP-buisleiding). Ontwikkeling groepsrisico Er is geen sprake van een relevante toename van de personendichtheid op de projectlocatie. De beschouwing van het groepsrisico en de verantwoording daarvan is om deze reden volledig kwalitatief uitgevoerd. Mogelijkheden tot beperking groepsrisico - spoorweg De mogelijkheid tot beperking van het groepsrisico door het beïnvloeden van de personendichtheid is op deze grote afstand tot de risicobron (spoorweg) geen item. Zoals gesteld heeft op deze afstand een toe- of afname van personendichtheid geen invloed op het groepsrisico.

Verder is de kans te overlijden als gevolg van een incident met gevaarlijke stoffen in deze gebieden vele malen kleiner dan 1/1.000.000. Veiligheidsmaatregelen aan de bron zijn daarom niet realistisch. De bestrijdbaarheid van de omvang van een ramp of zwaar ongeval - spoorweg In geval van een calamiteit zal de brandweer ingezet worden aan de bron ter beperking van de effecten van de calamiteit. Het bestrijdbaarheidsvraagstuk in relatie tot de ontwikkeling op deze grote afstand van de risicobron wordt om voornoemde redenen niet verder beschouwd. Rond het plangebied zijn voldoende aan- en afvoerroutes beschikbaar voor de inzet van hulpdiensten. Mogelijkheden tot zelfredzaamheid – spoorweg en buisleidingen Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten. Het zelfredzame vermogen van personen is een belangrijke voorwaarde om grote calamiteiten bij een incident te voorkomen. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchting en zijn afhankelijk van het maatgevende scenario. Blootstelling aan een toxisch gas is in onderhavige situatie voor de spoorweg het bepalende scenario. In geval van een calamiteit dienen personen te schuilen.

De mate waarin deze bouwwerken afsluitbaar zijn tegen de indringing van toxisch gas en de tijdsduur dat deze bouwwerken worden blootgesteld zijn hierbij parameters. Woningen zijn, wegens de eisen uit het Bouwbesluit, goed geïsoleerd,

Ruimtelijke onderbouwing Oisterwijksedreef 4a, Haaren

67

waardoor deze een goede bescherming bieden tegen het binnendringen van het toxisch gas. Belangrijk is daarbij dat eventuele luchtbehandelingsinstallaties eenvoudig zijn uit te schakelen (en ramen en deuren zijn te sluiten). Het invloedsgebied van de brandbare vloeistoffen en gassen die door de aanwezige buisleidingen worden vervoerd, reiken tot over de projectlocatie. Het plasbrandscenario is derhalve het maatgevende scenario in deze verantwoordingsplicht. Daarnaast is er ook sprake van een risico op fakkelbrand vanwege de aardgas-buisleiding. Bij beide scenario’s gaat het in grote lijnen om het potentiële gevaar dat door de plas- of fakkelbrand door warmtestraling onbeschermde personen overlijden dan wel verwond kunnen worden, en daarnaast het overslaan van brand. Het is van belang dat de brandweer snel ter plaatse is. De beide scenario’s kunnen pas effectief worden bestreden als de toevoer door de leidingbeheerders is gestopt. De schade kan – op grotere afstand – beperkt worden door het verminderen van het oppervlak van de plasbrand en de verspreiding van de brandbare vloeistof te beperken. Indien bij een calamiteit met brandbare vloeistoffen of gassen personen betrokken zijn, moeten zij zich in veiligheid brengen buiten het invloedsgebied van brandbare stoffen. Dit is dus met name het ontvluchten van het gevaar.

Verder dient in geval van een calamiteit tijdig gewaarschuwd te worden. Dit gebeurt door het in werking stellen van het WAS (Waarschuwings- en AlarmSysteem) als onderdeel van de algemene rampenbestrijding. Het grondgebied van Haaren valt grotendeels binnen de dekking van de sirenepalen. Tevens wordt er gebruik gemaakt van NL-alert. NL-alert is een alarmmiddel van de overheid voor de mobiele telefoon. Met NL-alert kan de overheid mensen in de directe omgeving van een noodsituatie met een tekstbericht informeren. In het bericht staat specifiek wat er aan de hand is en iemand op dat moment het beste kan doen. De mogelijkheden ten aanzien van zelfredzaamheid op de projectlocatie kunnen als positief worden beoordeeld. Er is geen grotere groep niet - of verminderd – zelfredzame mensen op de projectlocatie aanwezig. Het voornemen ziet op de oprichting van een foliekas, als teeltondersteunende kas. Op de aanwezige gronden vindt nu ook reeds plantenteelt plaats. De ontwikkeling heeft daarmee geen invloed op de personendichtheid op de projectlocatie. De aanwezigen zijn voldoende mobiel om zelfstandig te kunnen vluchten. Bovendien is het aantal mensen in het plangebied beperkt (en is er geen sprake van een relevante toename aan mensen binnen het plangebied). Binnen het plangebied zijn tevens voldoende vluchtwegen van de risicobron af.

Conclusie invloedsgebied spoorweg en buisleidingen De beoogde ontwikkeling is niet gelegen binnen een PR 10 -6 risicocontour of een plasbrandaandachtsgebied. Wel is de planlocatie gelegen binnen het invloedsgebied van gevaarlijke stoffen over een spoorweg en door buisleidingen. Door de ligging van de locatie in de nabijheid van de kern van Haaren en de aard van de gevraagde functie kunnen zaken als bereikbaarheid door hulpdiensten, mogelijkheden bestrijdbaarheid in geval van calamiteiten, alarmeringsmogelijkheden en zelfredzaamheid als positief worden beoordeeld. Het groepsrisico is beperkt verantwoord en wordt aanvaardbaar geacht. In november 2021 heeft de Brandweer Midden en West Brabant, in het kader van het vooroverleg, geadviseerd omtrent de ontwikkeling. Hierbij is aangegeven dat voor het aspect externe veiligheid gebruik kan worden gemaakt van het standaardadvies voor Oisterwijk. Dit advies is in volledigheid bijgevoegd in Bijlage 10. Tevens is aangegeven dat er in directe nabijheid van de locatie een bluswatervoorziening aanwezig is (drie brandkranen). Conclusie Het bouwplan voor de foliekas en watersilo’s vindt grotendeels plaats buiten de PR 10-6 zone en het voorkeurstracé van de buisleidingen. Tevens vindt de ontwikkeling geheel buiten de belemmeringenzone van de buisleidingen plaats.

De situatie binnen de PR 10 -6 zone verandert niet ten opzichte van de huidige situatie. Er worden geen (beperkt) kwetsbare objecten toegevoegd, het aanwezige beperkt kwetsbare object (de bestaande bedrijfswoning) voldoet aan de richtwaarde. Externe veiligheid vormt geen belemmering voor het plan.

Ruimtelijke onderbouwing Oisterwijksedreef 4a, Haaren

68

Afbeelding 24: Uitsnede risicokaart, planlocatie globaal blauw omkaderd weergegeven.

4.11

Kabels, leidingen en hoogspanningsverbindingen

Bij ruimtelijke ingrepen dient de initiatiefnemer rekening te houden met planologisch relevante kabels en leidingen. Onder planologisch relevante kabels en leidingen wordt verstaan: • Hoogspanningsverbindingen van 50 kV en hoger; • Buisleidingen voor transport van aardgas met een uitwendige diameter van meer dan 50 mm en een druk van meer dan 16 bar; • Buisleidingen voor transport van aardolieproducten met een uitwendige diameter van meer dan 70 mm en een druk van meer dan 16 bar; • Buisleidingen met een diameter van 400 mm of meer buiten de bebouwde kom; • Buisleidingen voor transport van andere stoffen dan aardgas en aardolieproducten, die risico’s met zich meebrengen voor mens en/of leefomgeving wanneer deze leidingen beschadigd raken.

Ruimtelijke onderbouwing Oisterwijksedreef 4a, Haaren

69

Op de projectlocatie, zie hiervoor o.a. Afbeelding 24 en een uitsnede van de verbeelding van het bestemmingsplan in Afbeelding 25, zijn een tweetal buisleidingen van RRP (N.V. Rotterdam-Rijn Pijpleiding Maatschappij) aanwezig. De bescherming van deze buisleidingen is doorvertaald in het geldende bestemmingsplan, middels o.a. de dubbelbestemming ‘Leiding – Brandstof’ en de gebiedsaanduiding ‘veiligheidszone – leiding’. Deze dubbelbestemming beschermt de buisleiding en de belemmerende strook van 5 m ter weerszijden van de leiding. Binnen deze dubbelbestemming is bouwen, of het uitvoeren van bodemingrepen, in beginsel niet toegestaan. Hiervan kan worden afgeweken indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de belangen van en de veiligheidssituatie rond de betreffende buisleiding. Tevens dient hierbij schriftelijk advies te worden ingewonnen bij de leidingbeheerder. De gebiedsaanduiding ‘veiligheidszone – leiding’ bepaalt dat binnen deze aanduiding het oprichten van kwetsbare objecten niet is toegestaan. Een foliekas betreft geen kwetsbaar object. De nieuw te bouwen foliekas en watersilo’s worden gerealiseerd buiten de dubbelbestemming (buiten de buisleiding met belemmerende strook). Tevens is er in het kader van het principeverzoek vooroverleg geweest met de leidingbeheerder, RRP (Bijlage 9).

RRP heeft hierbij aangegeven dat, wegens de ligging buiten de belemmerende strook en omdat er geen kwetsbaar object ontstaat, zij geen bezwaren hebben tegen het verlenen van de gevraagde omgevingsvergunning. Hierbij hebben zij verzocht om te bevestigen dat er geen materieel of bouwmaterialen worden opgeslagen binnen de belemmerende strook van RRP. Aan dit verzoek wordt uiteraard gehoor gegeven. Door de regels van RRP te respecteren en te bouwen buiten de buisleidingenstrook met belemmeringszone, kan het bouwplan doorgang vinden. Het voornemen heeft geen nadelige invloed op het behoud en de bescherming van de aanwezige buisleidingen. Voor het overige is er op of in directe nabijheid van de projectlocatie geen sprake van de aanwezigheid van planologisch relevante kabels, leidingen of hoogspanningsverbindingen. Naast bovengenoemde leidingen, kunnen ook nog andere reguliere kabels en leidingen in het plan aanwezig zijn (zoals elektriciteits- of waterleidingen). Bij eventuele toekomstige bodemingrepen, zal door initiatiefnemer een KLIC-melding worden gedaan. Hierdoor kunnen ook deze eventueel aanwezige reguliere leidingen afdoende worden beschermd bij bodemingrepen.

Ruimtelijke onderbouwing Oisterwijksedreef 4a, Haaren

70

Afbeelding 25: Uitsnede verbeelding bestemmingsplan ‘Buitengebied Haaren, herziening 2020’, plangebied rood omkaderd weergegeven, leidingzones geel aangegeven.

4.12

Cultuurhistorie

Het cultuurhistorisch belang wordt in de ruimtelijke ordening o.a. behartigd door opname van een motiveringsvereiste in artikel 3.1.6, lid 5 Besluit ruimtelijke ordening. Dit artikel bepaalt dat in een toelichting tenminste een beschrijving wordt opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden rekening is gehouden. In de provincie Noord-Brabant dienen in het kader van het behoud van waardevolle cultuurhistorische elementen en archeologische vindplaatsen, bestemmingsplannen te worden getoetst aan de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW-kaart 2010, herziening 2016). Een uitsnede van deze kaart voor het plangebied is bijgevoegd in Afbeelding 26. Hierop staan de bepalende cultuurhistorische elementen aangeven, van rijksbelang (kaartlaag II) en provinciaal belang (kaartlaag I). Tevens geeft deze kaart een weergave van de Cultuurhistorische Waardenkaart 2006 (kaartlaag III). Deze laatste kaartlaag heeft geen juridisch bindende werking. Volgens de toelichting op de Cultuurhistorische Waardenkaart is deze kaartlaag te beschouwen als informatie- en inspiratiebron. De provincie hecht aan deze aspecten geen nader belang meer en deze kaartlaag wordt dan ook niet meer op provinciaal niveau geactualiseerd. Dit wordt overgelaten aan de gemeentes.

Uit de cultuurhistorische waardenkaart volgt dat de projectlocatie is gelegen in de regio Meierij, het archeologisch landschap Dekzandrug Tilburg - Den Bosch. Tevens is de locatie aangeduid met een hoge trefkans op de Indicatieve Archeologische Waardenkaart (IKAW) van het Rijk. Verder is de locatie gelegen in het cultuurhistorisch landschap Groene Woud. De weg Oisterwijksedreef/Pastoor Jansenstraat heeft een redelijk hoge geografische waarde. De regio Meierij kent een zeer uitgestrekte ligging, die de cultuurhistorische waarden van een relatief grootschalige regio vertegenwoordigd. De bewoningsgeschiedenis en de inrichting van het gebied zijn

Ruimtelijke onderbouwing Oisterwijksedreef 4a, Haaren

71

in hoge mate bepaald door de natuurlijke terreingesteldheid. De indeling in agrarische gebruikseenheden is op veel plaatsen nog goed herkenbaar. In combinatie met de dorpen en buurtschappen en de plaatselijk aanwezige kleinschaligheid verleent dit het gebied een grote landschappelijke en cultuurhistorische waarde. Twee andere aspecten die het landschap van de Meierij kenmerken zijn de landgoederen en buitenplaatsen en de populierenteelt. De uitgestrekte ligging geldt bovendien voor het cultuurhistorisch landschap Groene Woud. Het Groene Woud is aangewezen als Nationaal Landschap. Kenmerkend is de opbouw van het gebied in beekdalen en dekzandplateaus en de inrichting die nauw gerelateerd is aan de terreingesteldheid. Kleinschalige Middeleeuwse ontginningslandschappen worden afgewisseld met uitgestrekte bossen, heidevelden, zandverstuivingen en jonge ontginningen. Specifieke elementen zijn laanstructuren, kastelen, buitenplaatsen en watermolens. In dit landschap wordt het cultuurhistorisch belang beschermd door o.a. het behoud van de kleinschalige karakteristieken, het afstemmen van nieuwe economische dragers op de cultuurhistorische identiteit van het Groene Woud en het vergroten van de cultuurhistorische waardering door het vergroten van de beleving.

Het archeologisch landschap Dekzandrug Tilburg - Den Bosch heeft als doelstelling het duurzaam en in samenhang behouden van het bodemarchief (in het archeologiebeleid). Het aspect archeologie komt in navolgende paragraaf verder aan bod. Dit gebied loopt van Goirle tot Vught en heeft een langgerekte vorm. Het gebied herbergt relatief veel middelgrote woonkernen. Rondom de bebouwde kommen is voornamelijk landbouwgrond aanwezig. De provinciale strategieën voor de cultuurhistorische ontsluiting van bovengenoemde gebieden is opgesteld voor de volledige regio en kent derhalve een ander schaalniveau dan onderhavig voornemen. De ontwikkeling heeft geen invloed op de cultuurhistorische waarde van deze regio. Op of in directe nabijheid van de projectlocatie is geen cultuurhistorisch waardevolle bebouwing aanwezig. Bovendien betreft de locatie een bestaand agrarisch bedrijfsperceel en wordt aansluitend aan het huidige bouwvlak, op gronden die momenteel reeds in gebruik zijn voor de teelt, een foliekas gerealiseerd. Onderhavig initiatief is relatief kleinschalig van aard en kent niet het schaalniveau waarop de cultuurhistorische waarden van de genoemde gebieden ontwikkeld of versterkt kunnen worden ter verwezenlijking van de regionale ambities. De geografie van de Oisterwijksedreef/Pastoor Jansenstraat blijft bovendien ongewijzigd behouden.

Het voornemen heeft dus geen invloed op het aspect cultuurhistorie.

Ruimtelijke onderbouwing Oisterwijksedreef 4a, Haaren

72

Afbeelding 26: Uitsnede CHW-kaart 2010, herziening 2016, plangebied globaal blauw omkaderd weergegeven.

Ruimtelijke onderbouwing Oisterwijksedreef 4a, Haaren

73

4.13

Archeologie

In 1992 heeft Nederland het ‘Verdrag van Malta’ inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed in Europees verband mede ondertekend. Uitgangspunt van dit verdrag is het archeologisch erfgoed zo veel mogelijk te behouden. Waar dit niet mogelijk is, dient het bodemarchief met zorg ontsloten te worden. Bij het ontwikkelen van ruimtelijk beleid moet het archeologisch belang vanaf het begin meewegen in de besluitvorming. Sinds 2007 kent Nederland de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz, betreft een wijziging van de Monumentenwet 1988). Op basis van deze wet zijn gemeenten verplicht een archeologisch beleid te voeren. Daar hoort ook bij dat de archeologische waarden en verwachtingen binnen de gemeente inzichtelijk gemaakt moeten worden. Verder stelt de Wamz 2007 dat gemeenten archeologieparagrafen moeten opnemen in bestemmingsplannen. Het doel hiervan is om het ‘bodemarchief’ zoveel mogelijk te beschermen. De archeologische resten in de bodem vormen een belangrijke bron van informatie over het verleden. Vanaf 1 juli 2016 wordt de bescherming voor archeologie gereguleerd in de Erfgoedwet. De voorgeschreven archeologische bescherming uit de Monumentenwet 1988 (inclusief de Wamz) wordt hiermee voortgezet. In de Erfgoedwet is o.a. geregeld hoe gebouwde en archeologische monumenten aangewezen kunnen worden als wettelijk beschermd monument.

Een stelsel aan diverse vergunningen en subsidieregelingen draagt vervolgens bij aan de bescherming van deze monumenten. Verder stelt deze wet o.a. uitvoeringsregels aan de archeologische monumentenzorg, met bijvoorbeeld regels inzake certificering en de omgang met vondsten in het kader van archeologisch onderzoek. De Erfgoedwet bevat daarnaast (middels het overgangsrecht en de verwijzing hierin naar de Monumentenwet 1988) regels voor omgang met archeologie in het algemeen. Hierbij is o.a. bepaald dat bij de vaststelling van een bestemmingsplan, rekening dient te worden gehouden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten. Tevens kan in het belang van de archeologische monumentenzorg hiertoe een omgevingsvergunningstelsel (bijvoorbeeld voor bouwen of voor aanlegactiviteiten) met de bijbehorende onderzoeksvereisten verplicht worden gesteld. Doorvertaling van de (bescherming van de) archeologische waarden vindt normaliter plaats in bestemmingsplannen, door middel van een archeologische dubbelbestemming. Het aspect archeologie komt daarbij mogelijk in het geding bij bodemingrepen. Archeologisch onderzoek is vereist als deze bodemingrepen een bepaalde omvang en diepte overschrijden. Deze omvang en diepte is vastgelegd in de archeologische dubbelbestemmingen.

In het geldende bestemmingsplan heeft de locatie aan de Oisterwijksedreef 4a te Haaren een archeologische dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’ toegekend gekregen. In beginsel dient derhalve voor bodemingrepen groter dan 100 m2 en dieper dan 0,5 meter een archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De agrarische bouwvlakken zijn hierbij uitgezonderd van deze onderzoeksverplichting. Het voornemen behelst de oprichting van een foliekas en een tweetal watersilo’s. Derhalve is er sprake van bodemingrepen groter dan 100 m2 en dieper dan 0,5 m. Om deze reden is een archeologisch onderzoek uitgevoerd. Dit archeologisch onderzoek (Inventariserend Veldonderzoek Overig (IVO-O), uitgevoerd door ArcheoPro, is bijgevoegd in Bijlage 7. Navolgend zijn de onderzoeksresultaten samengevat weergegeven. Volgens het gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel geldt voor het plangebied in verband met de ligging in een gradiëntzone, een hoge verwachting voor resten uit het paleolithicum tot en met het mesolithicum. Resten uit het neolithicum tot en met de vroege-middeleeuwen zullen eerder hebben gelegen op de hogere zandgronden ten noorden van het plangebied dan op de smalle uitloper waarop het plangebied ligt. Hiervoor geldt derhalve eerder een middelhoge- dan een hoge verwachting.

Door de ligging buiten de historische bebouwing en niet direct langs de weg, heeft het plangebied hooguit een middelhoge verwachting voor resten van bewoning uit de late middeleeuwen en de nieuwe tijd.

Ruimtelijke onderbouwing Oisterwijksedreef 4a, Haaren

74

Om het gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel te toetsen zijn binnen het plangebied acht boringen gezet met behulp van een zandguts en een megaboor. Tevens is op het grootse deel van het plangebied een oppervlaktekartering uitgevoerd. Uit de resultaten van het booronderzoek blijkt dat de westelijke helft van het plangebied in het verleden te nat zal zijn geweest voor bewoning. Bovendien is de bodem hier tot (diep) in de C-horizont verstoord en heeft de uitvoering van een oppervlaktekartering hier geen relevante archeologische indicatoren opgeleverd. Op de oostelijke helft van het plangebied is de bodem van nature beter ontwaterd en zijn bovendien resten van podzolvorming aangetroffen. Ook hier is de bodem echter veelal tot in de Chorizont verstoord en heeft de uitvoering van een oppervlaktekartering geen relevante archeologische indicatoren opgeleverd. Deze zijn evenmin aangetroffen op de twee boorpunten met resten van podzolvorming waarop is nageboord met een megaboor.

Aan de hand van de onderzoeksresultaten kunnen de onderzoeksvragen als volgt beantwoord worden: • Kunnen binnen het plangebied (nog) archeologische resten verwacht worden? Doordat alleen dit deel van het plangebied in het verleden droog genoeg was voor bewoning kunnen resten van bewoning hooguit verwacht worden op het oostelijke deel van het plangebied dat oorspronkelijk de voortzetting vormde van de ten noorden van het plangebied gelegen dekzandhoogte. • Zo ja, in welke zones en op welke diepten is dit het geval? De in het verleden voor bewoning geschikte zone ligt rond de boorpunten 5 en 8. Hier kunnen behoudenswaardige resten van grondsporen aanwezig zijn vanaf ongeveer zestig centimeter beneden het maaiveld. • Wat zijn de verwachte prospectieve kenmerken van dergelijke archeologische resten? Door het vergraven van de dekzandbodem, kunnen eventueel losse artefacten al vanaf het maaiveld aanwezig zijn. Opgevulde sporen zullen zichtbaar zijn onder de geroerde toplagen vanaf ongeveer zestig centimeter beneden het maaiveld. Grondsporen kunnen door het vergraven van de dekzandbodem volledig verloren zijn gegaan.

• Welke vorm van veldonderzoek is geschikt om de verwachte resten op te sporen? De uitvoering van een oppervlaktekartering en het uitvoeren van megaboringen heeft nergens binnen het plangebied relevante archeologische indicatoren opgeleverd die op de (voormalige) aanwezigheid van archeologische sporen zouden kunnen wijzen. De resultaten van het onderzoek geven derhalve geen aanleiding om aanvullend archeologisch onderzoek te adviseren. Uit het uitgevoerde archeologische onderzoek volgt dat de ontwikkeling geen relevante gevolgen heeft voor het aspect archeologie. Ondanks het uitgevoerde onderzoek kan desondanks de aanwezigheid van archeologische sporen of resten nooit volledig worden uitgesloten. Indien tijdens de graafwerkzaamheden toch archeologische sporen of resten worden aangetroffen, dient hiervan een melding te worden gemaakt bij de gemeente Oisterwijk, conform artikel 5.10 (Archeologische toevalsvondst) en artikel 5.11 (Waarneming) van de Erfgoedwet.

4.14

Milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling

Het voornemen dient ook te worden getoetst aan de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r. of er sprake is van een mogelijke verplichting tot het opstellen van een milieueffectrapportage. Een milieueffectrapportage (MER), en de bijbehorende procedure (m.e.r.), is een hulpmiddel om de belangen van het milieu volwaardig te betrekken bij de besluitvorming omtrent plannen en projecten. Het gaat hierbij wel enkel om plannen en projecten, waarbij het milieu mogelijk nadelig kan worden beïnvloed. Voor projecten gelden de onderstaande criteria als uitgangspunt om te beoordelen of een MER noodzakelijk is:

Ruimtelijke onderbouwing Oisterwijksedreef 4a, Haaren

75

1. Er is sprake van een besluit dat voorziet in één of meerdere activiteiten boven de grenswaarden uit de C-lijst van het Besluit m.e.r. Een dergelijk besluit is aangewezen als MERplichtig. 2. Er is sprake van een besluit dat voorziet in één of meerdere activiteiten boven de (indicatieve) grenswaarden uit de D-lijst van het Besluit m.e.r. Het besluit moet eerst worden beoordeeld om na te gaan of er sprake is van een m.e.r.-plicht; het besluit is dan m.e.r.beoordelingsplichtig. Naar aanleiding van de m.e.r.-beoordeling kan als conclusie volgen dat er alsnog een MER moet worden opgesteld, of dat er geen belangrijke milieugevolgen zijn. 3. Activiteiten die o.g.v. een provinciale omgevingsverordening zijn aangewezen als MERplichtig. Per 1 april 2011 is het Besluit m.e.r. gewijzigd. Aanleiding hiertoe is de modernisering van de m.e.r.wetgeving in 2010 en de uitspraak van het Europese Hof van 15 oktober 2009 (HvJ EG 15 oktober 2009, zaak C-255/08). Deze wijziging heeft tot gevolg dat de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r. indicatief zijn geworden. Ook een project onder de drempelwaarden, kan immers (afhankelijk van de omstandigheden van de activiteit en de ligging) belangrijke nadelige (milieu)gevolgen hebben. Ook onder de genoemde drempelwaarden moet derhalve worden beoordeeld of het doorlopen van een m.e.r.(beoordeling) noodzakelijk is.

Dit betreft de ‘vormvrije m.e.r.-beoordeling’. Deze beoordeling houdt in dat onderzocht dient te worden of er bij het initiatief sprake is van bijzondere omstandigheden of milieueffecten, waardoor toch een MER moet worden opgesteld. Hierbij worden de selectiecriteria uit Bijlage III bij de Europese m.e.r.-richtlijn (2011/92/EU) gehanteerd. Deze criteria betreffen o.a. de omvang van het project, de cumulatie met andere projecten en het gebruik van natuurlijke hulpbronnen. Uit het eerstgenoemde criterium volgt dat het project moet worden beschouwd in relatie tot de activiteiten en drempelwaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r. In onderhavige situatie is er sprake van een bestaand agrarisch bedrijf (tuinplantenkwekerij) en heeft het voornemen betrekking op de uitbreiding met een foliekas en watersilo’s. Een dergelijke ontwikkeling wordt niet genoemd op de C- en D-lijst. Geconcludeerd kan worden dat er voor het project geen plicht geldt tot het opstellen van een MER of een m.e.r.-beoordeling. Bovendien is de voorgenomen activiteit ook niet aangewezen als MER-plichtig in de provinciale Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. Er is dus geen sprake van de verplichting tot het opstellen van een MER en het doorlopen van de bijbehorende procedure.

Wel heeft er in deze ruimtelijke onderbouwing, inclusief bijbehorende onderzoeksrapportages, een beoordeling van de milieuaspecten plaatsgevonden, waarbij alle relevante omgevingsaspecten zijn getoetst en akkoord bevonden. Deze toetsing is inhoudelijk gelijk te stellen aan een vormvrije m.e.r.-beoordeling voor een dergelijk initiatief. Er is geen sprake van belangrijke nadelige milieugevolgen. Er is dus voldaan aan de wettelijke verplichtingen hieromtrent.

Ruimtelijke onderbouwing Oisterwijksedreef 4a, Haaren

76

5.

UITVOERBAARHEID EN PROCEDURE

5.1

Financiële uitvoerbaarheid

De voorgestane ontwikkeling aan de Oisterwijksedreef 4a te Haaren betreft een bedrijfsmatig initiatief op eigen verzoek. De met de ontwikkeling gepaard gaande kosten worden dan ook gedragen door de desbetreffende initiatiefnemers. Hierbij is de economische uitvoerbaarheid voor het bevoegd gezag gegarandeerd. Er zijn geen financiële consequenties voor het bevoegd gezag. Dit zal worden vastgelegd in een anterieure overeenkomst, waarin o.a. wordt opgenomen dat eventuele planschade voor rekening komt van de initiatiefnemer. Tevens worden eventuele kosten verhaald met een exploitatiebijdrage aan de gemeentelijke kosten op grond van de gemeentelijke ‘Regeling plankosten exploitatieplan’. Doordat het verhaal van de kosten van grondexploitatie anderszins is verzekerd, er geen fasering of tijdvak behoeft te worden vastgelegd en er geen sprake is van anderszins vast te leggen locatie-eisen is geen exploitatieplan benodigd. De economische uitvoerbaarheid is hiermee afdoende aangetoond.

5.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid en procedure

Bij de maatschappelijke uitvoerbaarheid gaat het erom dat er maatschappelijk draagvlak is voor een voornemen. In dat kader wordt de gelegenheid tot inspraak geboden conform de wettelijk voorgeschreven procedure. Bovendien vindt vooroverleg plaats met de daartoe aangewezen instanties. 5.2.1 Procedure algemeen Het voornemen kan worden gerealiseerd middels een omgevingsvergunning, activiteit ‘handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening’ (‘projectafwijkingsbesluit’, artikel 2.1, eerste lid, sub c juncto artikel 2.12, eerste lid, sub a onder 3º Wet algemene bepalingen omgevingsrecht). Deze deelactiviteit maakt onderdeel uit van de totale aanvraag omgevingsvergunning. Op grond van artikel 6.18 Besluit omgevingsrecht (Bor), in combinatie met artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient het bestuursorgaan inzake het besluit overleg te plegen met de gebruikelijke overlegpartners. De resultaten van dit vooroverleg worden betrokken bij de besluitvorming. In artikel 3.10 van de Wabo wordt de uniforme openbare voorbereidingsprocedure uit afdeling 3.4 Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing verklaard voor een projectafwijkingsbesluit. Dit houdt in dat er ten eerste een ontwerpbeschikking van de omgevingsvergunning wordt verleend. Deze wordt vervolgens voor een termijn van 6 weken ter inzage gelegd.

Tijdens deze periode wordt een ieder in de gelegenheid gesteld om een zienswijze in te dienen tegen het ontwerpbesluit. Na afloop van deze termijn worden de eventuele zienswijzen verwerkt, waarna een definitief besluit wordt genomen. Na definitieve verlening van de omgevingsvergunning wordt de beschikking nogmaals voor 6 weken ter inzage gelegd. Gedurende deze termijn kan beroep worden ingesteld door degenen die zienswijzen hebben ingediend en van mening zijn dat deze niet correct zijn verwerkt of door degenen die niet verweten kan worden geen zienswijzen te hebben ingediend tegen het ontwerp. Indien geen beroep wordt ingesteld, is het besluit daags na de inzagetermijn onherroepelijk en treedt het besluit bovendien in werking. De resultaten van de inzagetermijn zullen worden betrokken bij de besluitvorming. 5.2.2 Omgevingsdialoog Initiatiefnemer heeft in april 2021 omtrent het project een omgevingsdialoog gevoerd met de betrokkenen in de directe invloedssfeer. Het betrof de adressen Pastoor Jansenstraat 36, Pastoor Jansenstraat 34a, Pastoor Jansenstraat 34-32, Oisterwijksedreef 4 en het noordelijk gelegen glastuinbouwbedrijf (Nemelaerstraat 29). De ondertekende verslagen hiervan zijn ter beschikking gesteld aan de gemeente Oisterwijk. Hierbij is in een persoonlijk gesprek toegelicht wat de plannen zijn en zijn situatietekeningen van de beoogde situatie getoond.

Hierbij is de gelegenheid geboden om vragen te stellen, of om opmerkingen te maken.

Ruimtelijke onderbouwing Oisterwijksedreef 4a, Haaren

77

Uit de omgevingsdialoog volgde dat vrijwel alle adressen akkoord zijn met het planvoornemen en bovendien de voorgenomen realisatie van de landschappelijke inpassing een meerwaarde vinden. Alle adressen, behoudens één, hadden hierbij geen aanvullende opmerkingen of suggesties. Eén adres heeft wegens de massa van het bouwplan geadviseerd, dan wel aangegeven het fijner te vinden, om meer en dichtere beplanting te realiseren aan de noord- en oostzijde van de foliekas die groen en hoog genoeg is om de kas achter in te passen. Initiatiefnemers hebben er echter voor gekozen om niet aan deze wens tegemoet te komen, wegens de teelttechnische functionaliteit van de kas. Ten behoeve van de functionaliteit van de kas is onder andere voldoende lichtinval gewenst. Door aan de noordelijke en oostelijke zijde te kiezen voor een volledig dichte groene afschermende inpassing ontstaat een verminderde lichtinval en schaduwwerking. Dit werkt nadelig voor de productiviteit van de teelt. Bovendien kan beplanting dicht nabij de foliekas zorgen voor schade (middels takken door de wind beschadigen van de folie). Er is derhalve in overleg met een landschapsarchitect gekozen voor een beplanting die enerzijds zorgt voor een landschappelijke inpassing en anderzijds voor het behoud van de teelttechnische functionaliteit. Derhalve is aan de oostelijke zijde gekozen voor een knotwilgenrij.

Aan de noordzijde van de kas komt een wadi, met kruidenrijke zoom en een bomenrij van landschapsbomen. Door de situering en onderlinge afstanden kunnen deze bomen tot volle wasdom komen. De aan te planten bomen (knotwilgen en landschapsbomen) respecteren daarbij een afdoende afstand tot de nieuw te bouwen foliekas. In de beoogde situatie is er dan ook sprake van een passende landschappelijke inpassing. Om deze reden is, na afweging, niet volledig tegemoet gekomen aan de voorgestelde wensen. 5.2.3 Vooroverleg De (ontwerp) besluitdocumenten (ruimtelijke onderbouwing met bijbehorende bijlagen) zijn voor vooroverleg aangeboden aan de relevante vooroverlegpartners, te weten provincie Noord-Brabant, Waterschap De Dommel en Brandweer Midden en West Brabant. Ook zijn de documenten ter vooroverleg aangeboden bij de N.V. Rotterdam-Rijn Pijpleiding Maatschappij (RRP). In de periode november / december 2021 zijn de vooroverlegreacties ontvangen. De aandachtspunten uit de vooroverlegreacties zijn in acht genomen bij de verdere planuitwerking. De inhoudelijke samenvatting van de gegeven vooroverlegreacties en de wijze van verwerking voor onderhavige ruimtelijke ontwikkeling is uiteengezet in bijgevoegde nota vooroverleg (Bijlage 11).

Ruimtelijke onderbouwing Oisterwijksedreef 4a, Haaren

78

6.

CONCLUSIE EN AFWEGING

Initiatiefnemers exploiteren aan de Oisterwijksedreef 4a te Haaren een agrarisch bedrijf in de vorm van een tuinplantenkwekerij. De huidige teelt vindt hierbij met name plaats in de vollegrond. Ten behoeve van een doelmatige agrarische bedrijfsvoering zijn zij voornemens om het bedrijf uit te breiden met een foliekas (circa 4.550 m2) en een tweetal watersilo’s. Tevens wordt hierbij extra erfverharding aangelegd en wordt de beoogde bedrijfsopzet landschappelijk ingepast. De voorgenomen foliekas wordt gedeeltelijk gerealiseerd buiten het bestaande agrarische bouwvlak, als opgenomen in het geldende bestemmingsplan. Het geldende bouwvlak heeft een omvang van circa 0,62 hectare. Om de kas te kunnen realiseren is het wenselijk om dit bouwvlak te vergroten met circa 0,31 hectare tot een totaal van 0,93 hectare. De watersilo’s zijn toegestaan op grond van het geldende bestemmingsplan en bovendien vergunningsvrij voor de activiteit bouw op grond van het Besluit omgevingsrecht, Bijlage II, Hoofdstuk III, artikel 3, onderdeel 6 (een bouwwerk, geen gebouw zijnde, in achtererfgebied ten behoeve van agrarische bedrijfsvoering, voor zover het betreft een silo). De voorgenomen erfverharding binnen het bouwvlak is eveneens rechtstreeks toegestaan op basis van het geldende planologische regime. Enkel voor de erfverharding buiten het bouwvlak is een omgevingsvergunning benodigd.

Voor de gewenste vergroting van het bouwvlak en de realisatie van het bouwplan (foliekas en erfverharding buiten het bouwvlak) dient derhalve een ruimtelijke procedure te worden doorlopen. Op 21 januari 2020 is door het college van burgemeester en wethouders van de (voormalige) gemeente Haaren, onder zaaknummer Z51820, een positief principebesluit genomen. De ruimtelijke procedure wordt doorlopen middels een omgevingsvergunning voor het buitenplans afwijken van het bestemmingsplan (‘projectafwijkingsbesluit’) op basis van artikel 2.1, eerste lid, sub c van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) juncto artikel 2.12, eerste lid, sub a onder 3⁰. Onderhavige ruimtelijke onderbouwing heeft als doel om aan te tonen dat het voornemen in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Het project is getoetst aan de beleidskaders op nationaal, provinciaal en gemeentelijk niveau. Deze beleidsdocumenten vormen geen belemmering voor het initiatief, behoudens het geldende bestemmingsplan. Dit daar het voornemen gedeeltelijk buiten het geldende agrarische bouwvlak is voorzien. Om af te wijken van het bestemmingsplan wordt echter onderhavige omgevingsvergunning aangevraagd. Tevens is het project getoetst aan de diverse omgevingsaspecten en sectorale wet- en regelgeving. Hieruit is gebleken dat de voorgenomen uitbreiding ruimtelijk aanvaardbaar is.

Concluderend, de voorgenomen uitbreiding aan de Oisterwijksedreef 4a te Haaren is ruimtelijk aanvaardbaar. De gewenste omgevingsvergunning kan dus worden verleend.

Ruimtelijke onderbouwing Oisterwijksedreef 4a, Haaren

79

BIJLAGEN Bijlage 1: Situatietekening beoogde situatie Bijlage 2: AAB-advies Bijlage 3: Landschappelijk inpassingsplan Bijlage 4: Verkennend bodemonderzoek Bijlage 5: Berekeningen AERIUS Calculator Bijlage 6: Quickscan flora en fauna Bijlage 7: Archeologisch onderzoek Bijlage 8: Aanvullend bodemonderzoek gewasbeschermingsmiddelen Bijlage 9: Akkoord leidingbeheerder RRP Bijlage 10: Standaard advies veiligheidsregio Bijlage 11: Nota vooroverleg

Ruimtelijke onderbouwing Oisterwijksedreef 4a, Haaren

80

LS Plan & Advies | Berktweg 3, 5076 PA Haaren | www.lsplanadvies.nl KvK-nr. 67701051 | Tel nr. 06 31 58 00 26 | E-mail: linda@lsplanadvies.nl

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11239822/1