CConstaterende datOisterwijk
Koppel je AI →
Document · PDF

22-64 OVGB Uitbreiding tuinplantenkwekerij Oisterwijksedreef 4a- Bijlage 2 Ruimtelijke onderbouwing

RAAD 10 maart 2022, gemeente OisterwijkBij agendapunt: 22-64 Ontwerpverklaring van geen bedenkingen uitbreiding van de tuinplantenkwekerij Oisterwijksedreef 4a Haaren32.802 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Het voornemen heeft betrekking op een agrarische bedrijfsuitbreiding ten behoeve van een duurzaam en economisch toekomstperspectief in een regionaal belangrijke sector (boomkwekerij en plantenteelt) en binnen een hiervoor regionaal aangewezen gebied (boomteeltontwikkelingsgebied). Dit samengaand met versterking van de ruimtelijke kwaliteit en zorgvuldig ruimtegebruik. Het voornemen is daardoor passend binnen de gestelde ambities uit de NOVI. Gelet op het schaalniveau van het voornemen (perceelsniveau) is een nadere toetsing niet aan de orde.

Ruimtelijke onderbouwing Oisterwijksedreef 4a, Haaren

23

3.1.2 Besluit en ministeriële regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Barro, Rarro) Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) en de bijbehorende ministeriële regeling (Rarro) bieden de juridische kaders die nodig zijn om het ruimtelijk rijksbeleid als benoemd in de NOVI te borgen. De onderwerpen uit deze wettelijke regelingen dienen beperkingen te stellen aan de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op decentraal niveau. Volgens de kaarten behorende bij het Rarro is de projectlocatie ten eerste gelegen in de radarverstoringsgebieden van de radarstations Herwijnen, Volkel, Wemeldinge en Woensdrecht. Wegens de ligging in de radarverstoringsgebieden geldt een maximale bouwhoogte van 90 meter t.o.v. NAP (voor windturbines). Dergelijke bouwhoogtes zijn bij het plan echter niet aan de orde, waardoor de genoemde bouwhoogtes met zekerheid niet in het geding komen. Daarnaast is de projectlocatie gedeeltelijk gelegen binnen het voorkeurstracé van buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen en het bijbehorend zoekgebied (zie hiertoe Afbeelding 12). Een aangeduid voorkeurstracé dient daarbij nog nader te worden uitgewerkt.

In het Barro (artikel 2.9.4) is opgenomen dat een nieuw ruimtelijk plan dat betrekking heeft op gronden die zijn gelegen binnen het voorkeurstracé, ten opzichte van het geldende bestemmingsplan, geen nieuwe activiteiten toestaat die een belemmering kunnen vormen voor de aanleg van een buisleiding van nationaal belang. Het deel waarop de gevraagde vergroting van het bouwvlak ziet is ruimschoots buiten het aangeduide voorkeurstracé gelegen. Ook de nieuw te bouwen foliekas en watersilo’s zijn gelegen buiten het voorkeurstracé. Hierdoor kan het voornemen worden toegestaan. Met het voornemen zijn dus geen nationale belangen of nationaal aangewezen gebieden gemoeid. Geconcludeerd kan worden dat onderhavige ontwikkeling passend is binnen de regels zoals gesteld in het Barro en de Rarro.

Afbeelding 12: Uitsnede kaart Rarro, projectlocatie Oisterwijksedreef 4a rood omkaderd weergegeven.

Ruimtelijke onderbouwing Oisterwijksedreef 4a, Haaren

24

3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking In artikel 3.1.6, tweede lid van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ opgenomen. De vernieuwde vorm van dit toetsingsinstrument voor zorgvuldig ruimtegebruik bij stedelijke ontwikkelingen is op 1 juli 2017 in werking getreden. Dit motiveringsvereiste houdt in dat de toelichting bij een plan dat ‘een nieuwe stedelijke ontwikkeling’ mogelijk maakt, een beschrijving bevat van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het plan de ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Een stedelijke ontwikkeling is in het Bro gedefinieerd als ‘ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen’. De ladder voor duurzame verstedelijking heeft als voornaamste doel om zuinig en zorgvuldig om te gaan met de realisatie van nieuwe stedelijke functies en om ongewenste leegstand te voorkomen. Bovendien wordt met de ladder bijgedragen aan de tendens dat stedelijke functies zo veel mogelijk moeten worden geconcentreerd in het bestaand stedelijk gebied en dat extra ruimtebeslag voor stedelijke functies in het buitengebied in beginsel wordt voorkomen.

Toetsend aan deze ladder dient allereerst te worden bepaald of onderhavig plan voorziet in een ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’. In onderhavige situatie is sprake van de uitbreiding van een tuinplantenkwekerij met een foliekas en watersilo’s. Dit betreft een agrarische bedrijfsuitbreiding en is daarmee qua aard en type bedrijfsvoering voorbehouden aan het buitengebied. De ladder beoogt stedelijke functies zoveel mogelijk te concentreren in het bestaand stedelijk gebied, en om extra ruimtebeslag voor stedelijke functies in het buitengebied in beginsel te voorkomen. De doelstelling van de ladder beoogt dus een ruimtelijke scheiding tussen stedelijke functies en buitengebied-gebonden functies. De agrarische bedrijfsactiviteiten van o.a. een plantenkwekerij zijn juist voorbehouden aan het buitengebied. Voor de exploitatie van een plantenkwekerij is het hebben van voldoende teeltgronden in de directe omgeving immers essentieel. Daarbij wordt veelal gebruik gemaakt van landbouwvoertuigen, zoals tractoren, ten behoeve van de werkzaamheden op de teeltvelden. Deze ruimte voor teeltgronden kan niet worden gevonden in het stedelijk gebied. De agrarische bedrijfsvoering is dus juist per uitstek toebehorende aan het buitengebied.

De agrarische bedrijfsvoering van de plantenkwekerij is ongeschikt voor het stedelijke gebied, en de functie past daarmee tevens niet binnen de bedoelde definiëring van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Als er verder getoetst wordt aan de doelstelling van de ladder, namelijk het voorkomen van leegstand en het zorgvuldig omgaan met ruimte, dan dient aangetoond te worden dat er sprake is van een behoefte aan die ontwikkeling. De Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen (zie Bijlage 2 en paragraaf 2.3) heeft geoordeeld dat er sprake is van een volwaardig agrarisch bedrijf en dat de gevraagde teeltondersteunende kas noodzakelijk is vanuit de optiek van een doelmatige agrarische bedrijfsvoering. De vergroting van het bouwvlak is daarmee noodzakelijk. Het voornemen voorziet in een ontwikkeling van een functie buiten het bestaand stedelijk gebied, dat gelet op aard, omvang en behoefte specifiek aan het buitengebied is gebonden. Het project is dus geen ontwikkeling waarvoor de ladder voor duurzame verstedelijking in het leven is geroepen. Het plan voorziet dus niet in een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 3.1.6, lid 2 van het Bro. Wel is aangetoond dat het plan voorziet in een behoefte aan de ontwikkeling en dat niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.

Het plan voldoet daarmee aan de doelstelling van de ladder voor duurzame verstedelijking.

3.2

Provinciaal beleid

3.2.1 Structuurvisie 2010 – partiële herziening 2014 De Structuurvisie 2010 – partiële herziening 2014 (SVRO 2014) is vastgesteld op 7 februari 2014 en betreft een herziening van de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening 2010. De structuurvisie geeft de hoofdlijnen van het provinciaal ruimtelijk beleid tot 2025 (met een doorkijk naar 2040). De visie is

Ruimtelijke onderbouwing Oisterwijksedreef 4a, Haaren

25

bovendien bindend voor het ruimtelijk handelen van de provincie. Het is de basis voor de wijze waarop de provincie de instrumenten inzet die de Wet ruimtelijke ordening biedt. De visie is geconcretiseerd tot een kaderstellende set regels in de Verordening ruimte Noord-Brabant en vervolgens overgenomen in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. De ruimtelijke visie van de provincie bestaat op hoofdlijnen uit het inzetten op een robuust en veerkrachtig natuur- en watersysteem, met aandacht voor hoogwaterbescherming, droogte en biodiversiteit. Daarnaast een multifunctioneel landelijk gebied, waar de functies landbouw, recreatie en natuur in relatie tot elkaar ruimte krijgen. Met daarbij aandacht voor cultuurhistorische waarden en de leefbaarheid van kleine kernen. Tevens wordt ingezet op een gevarieerd en aantrekkelijk stedelijk gebied, met sterke steden, groene geledingszones en uitloopgebieden (intensieve recreatie, stadslandbouw). Daarbij is aandacht voor sterke regionale economische clusters, (inter)nationale bereikbaarheid en knooppuntontwikkeling (zowel in de centra als aan de randen van de steden). Bovenstaande is vertaald in 14 provinciale ruimtelijke belangen die worden nagestreefd. De projectlocatie is op de Structurenkaart uit de SVRO 2014 gelegen binnen de structuur ‘gemengd landelijk gebied’ (zie Afbeelding 13).

Het landelijk gebied ligt buiten de groenblauwe structuur (natuurgebieden en wateren) en de stedelijke structuur (steden, dorpen en bedrijventerreinen). Het landelijk gebied biedt een multifunctionele gebruiksruimte voor land- en tuinbouw, natuur, water, recreatie, toerisme en kleinschalige stedelijke functies. De land- en tuinbouw zijn daarbij de grootste ruimtegebruikers. De positie van de agrarische sector varieert daarbij van sterke landbouwclusters (‘accentgebied agrarische ontwikkeling’) tot een meer gemengd gebied (‘gemengd landelijk gebied’). In de gemengde plattelandseconomie is naast ruimte voor de land- en tuinbouw ook ruimte voor de ontwikkeling van niet-agrarische functies, zoals recreatie of kleinschalige bedrijvigheid. Dit kan door verbreding van agrarische activiteiten, maar ook als zelfstandige functie, met name op vrijkomende locaties. De verschillende functies dienen hierbij in evenwicht met elkaar te worden ontwikkeld. Rondom steden, dorpen en natuur is er in de meeste gevallen feitelijk sprake van een gemengde plattelandseconomie, in plaats van een meer primaire agrarische gebiedsontwikkeling. Uit de Structurenkaart volgt bovendien het aangeduide buisleidingennet. Doelstelling is hier het behoud van het bestaande tracé voor deze ondergrondse infrastructuur. De provincie Noord-Brabant wil o.a.

ruimte bieden voor de verdere ontwikkeling van de land- en tuinbouw, mits deze bijdraagt aan een verdere verduurzaming van de sector. Ontwikkelingen dienen daarbij bovendien een bijdrage te leveren aan de versterking en beleving van het landschap. Specifiek ten aanzien van de boomteeltsector, waartoe onderhavig bedrijf ook behoort, wordt gesteld dat deze sector sterk vertegenwoordigd is in de provincie Noord-Brabant en dat deze een steeds belangrijkere positie in Nederland inneemt. Boomteelt concentreert zich in een aantal regio’s, waaronder in de regio rondom Haaren. Vanwege deze belangrijke economische positie wil de provincie ruimte bieden aan verdere ontwikkeling van deze sector. Onderhavige ontwikkeling betreft de uitbreiding van een tuinplantenkwekerij met een teeltondersteunende kas en watersilo’s. Deze uitbreiding wordt voorzien buiten het buisleidingentracé. Er is sprake van een landbouwkundige noodzaak voor de aanleg van deze voorzieningen voor het duurzaam en economisch toekomstperspectief van het bedrijf, zoals tevens door de Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen wordt onderschreven (Bijlage 2). Bij de ontwikkeling is aandacht voor landschappelijke kwaliteit en zoals blijkt uit onderhavige ruimtelijke onderbouwing worden functies in de omgeving gerespecteerd.

Tevens is de projectlocatie gelegen in een gebied waarin de boomteeltsector een belangrijke regionale functie vervuld. De ontwikkeling is daarmee passend binnen de provinciale visie en ambities, als voorgestaan in de SVRO 2014. Een nadere concretisering van de provinciale voorwaarden is opgenomen in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant, waaraan in paragraaf 3.2.3 zal worden getoetst. Uit bovenstaande blijkt echter dat het initiatief passend is binnen de beleidsdoelstellingen uit de SVRO 2014.

Ruimtelijke onderbouwing Oisterwijksedreef 4a, Haaren

26

Afbeelding 13: Uitsnede Structurenkaart SVRO 2014, projectlocatie globaal rood omkaderd weergegeven. 3.2.2 Omgevingsvisie ‘De kwaliteit van Brabant’ Provinciale Staten van Noord-Brabant hebben op 14 december 2018 de Omgevingsvisie ‘De kwaliteit van Brabant’ vastgesteld. Deze omgevingsvisie bevat de hoofdlijnen van het provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving. De omgevingsvisie beschrijft daarvoor de strategische hoofdopgaven voor de lange termijn over klimaatverandering, energietransitie, verstedelijking en bereikbaarheid, concurrerende duurzame economie en de basis op orde. De omgevingsvisie heeft een wettelijke basis in het omgevingsrecht (komende Omgevingswet) en vervangt uiteindelijk de strategische elementen van huidige provinciale plannen, zoals de structuurvisie, het verkeers- en vervoersplan, het milieu- en waterplan en de natuurvisie. De omgevingsvisie ziet op een strategische gebiedsopgave voor de provincie als geheel en formuleert daarbij de ambities voor de toekomst, richting 2050 en met een tussenstap in 2030. Niet wordt vastgelegd hoe deze doelen precies bereikt gaan worden. Met een open blik is centraal uitgangspunt om vanuit alle partijen en disciplines de visie voor Brabant verder te gaan uitwerken. Deze verdere uitwerking van de ambities betreft de navolgende opgave voor de komende bestuursperiodes en zal terecht komen in nog op te stellen programma’s.

Ruimtelijke onderbouwing Oisterwijksedreef 4a, Haaren

27

Om de ambities (het Panorama) te realiseren en Brabant in de toekomst welvarend, verbonden en klimaatproof te laten zijn, worden er vier hoofdopgaven onderscheiden: • Werken aan de Brabantse energietransitie; • Werken aan een klimaatproof Brabant; • Werken aan de slimme netwerkstad; • Werken aan een concurrerende, duurzame economie. De basisopgave is daarbij een balans tussen beschermen (een veilige leefomgeving, een gezonde leefomgeving, met waarborg voor een goede omgevingskwaliteit inclusief natuur) en benutten (optimaal gebruik en ontwikkelen van de leefomgeving om maatschappelijke behoeften te vervullen). Tevens wordt de opvatting van de wetgever en de doelstelling van de Omgevingswet gedeeld om bevoegdheden en verantwoordelijkheden zo laag mogelijk weg te leggen. De gemeente is de eerstverantwoordelijke waar het gaat om ontwikkelen en beschermen van de fysieke leefomgeving. Anderzijds zijn er zaken die het schaalniveau van een gemeente te boven gaan en hebben provincies vanuit de wet specifieke taken en bevoegdheden. Vanuit deze basisgedachte wordt naar de beste rolverdeling gezocht ter verwezenlijking van de strategische ambities. De Omgevingsvisie bevat de hoofdlijnen hoe de provincie Noord-Brabant wil gaan denken en handelen onder de nieuwe Omgevingswet.

Centraal staat daarbij ‘Verbinden in vertrouwen’, met de volgende uitgangspunten vanuit de provincie: • ‘We gaan voor meerwaarde-creatie’; • ‘We gaan voor technische én sociale innovatie’; • ‘We gaan voor kwaliteit boven kwantiteit’; • ‘We gaan voor steeds beter’; • ‘We gaan voor proactief en preventief boven gevolgbeperking en herstel’. Onderhavige ontwikkeling is als kleinschalig aan te merken in verhouding tot de strategische gebiedsambities voor de provincie Noord-Brabant richting 2050. Wegens het schaalniveau raakt de ontwikkeling niet de basis- en hoofdopgaven uit de Omgevingsvisie. Wel zorgt de ontwikkeling voor een positieve bijdrage aan de lokale economie, voor een regionaal belangrijke sector (boomteelt). Tevens gaat de ontwikkeling gepaard met een kwaliteitsverbetering van het landschap. Vanuit die zingeving wordt de planontwikkeling wel geacht op haar niveau bij te dragen aan de ambities als nagestreefd in de Brabantse omgevingsvisie. 3.2.3 Interim omgevingsverordening Noord-Brabant Naast één omgevingsvisie wordt voor de provincie vanuit de Omgevingswet ook voorgeschreven dat één omgevingsverordening vastgesteld dient te worden voor haar grondgebied. In de omgevingsvisie staat wat de provincie wil bereiken en wat ze wil doen om dat te bereiken.

Dat kan vragen om een nadere uitwerking van beleid en maatregelen, een (beleids)programma, of regels om de ambities te realiseren en belangrijke waarden te beschermen. Op het moment dat regels nodig zijn, dan dienen deze opgenomen te worden in een omgevingsverordening. De omgevingsverordening bevat enerzijds algemene regels voor burgers en bedrijven voor activiteiten. Daarnaast zijn instructieregels opgenomen voor bestuursorganen van de overheid, zoals gemeenten en waterschappen. Deze instructieregels dienen in acht te worden genomen bij de uitvoering van taken, zoals de vaststelling van een omgevingsplan. De Omgevingswet is nog niet in werking getreden (voorziene planning omstreeks 2022). Om echter naar deze wettelijke transitie toe te werken, maakt de provincie eerst een Interim omgevingsverordening. Deze Interim omgevingsverordening voegt de bestaande regels over de fysieke leefomgeving zoveel mogelijk samen in één verordening en is in hoofdzaak beleidsneutraal. De omgevingsverordening vervangt onder andere de: • Provinciale milieuverordening; • Verordening natuurbescherming; • Verordening ontgrondingen;

Ruimtelijke onderbouwing Oisterwijksedreef 4a, Haaren

28

• • •

Verordening ruimte; Verordening water; Verordening wegen.

De Interim omgevingsverordening Noord-Brabant (IOV) is op 25 oktober 2019 vastgesteld door Provinciale Staten. Op 4 november is dit beleidsdocument gepubliceerd, waarmee deze per 5 november 2019 in werking is getreden. De Interim omgevingsverordening is hoofdzakelijk beleidsneutraal van karakter. Dat betekent dat de huidige regels zijn gehandhaafd en met het huidige beschermingsniveau zijn samengevoegd in de gebundelde omgevingsverordening. Voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet wordt nog een definitieve omgevingsverordening vastgesteld. Daarin worden zowel benodigde aanpassingen wegens de Omgevingswet meegenomen, als ook beleidswijzigingen gebaseerd op programma’s. Voor ruimtelijke plannen is met name relevant dat de Verordening ruimte Noord-Brabant is opgenomen in de IOV. In de Verordening ruimte Noord-Brabant waren de provinciale ambities uit de SVRO 2014 doorvertaald naar een kaderstellende set regels die door gemeentes moesten worden toegepast bij ruimtelijke besluiten. Tevens bevatte deze verordening ook rechtstreeks werkende regels, hoofdzakelijk ten aanzien van veehouderijen en mestbewerkingsinitiatieven, die ook in de reguliere vergunningverlening moesten worden toegepast. De IOV bevat zowel rechtstreeks werkende regels, als instructieregels aan andere bevoegde gezagen.

De rechtstreeks werkende regels hebben betrekking op zaken als grondwaterwinning, ontgronden, veehouderijen en mestbewerking. Dergelijke activiteiten zijn met onderhavig plan niet aan de orde. Het vaststellen van een omgevingsplan, nu nog bestemmingsplan of wijzigingsplan, valt onder de reikwijdte van ‘Instructieregels aan gemeenten’ (Hoofdstuk 3 van de IOV). De ontwikkelingsmogelijkheden en toegestane functies worden bepaald door de ligging van een locatie binnen de structuren en aanduidingen. Daarnaast bevat de verordening algemene regels voor de bevordering van de ruimtelijke kwaliteit. Op het kaartmateriaal van de Interim omgevingsverordening, bestaande uit een 8-tal kaarten zie o.a. Afbeelding 14, Afbeelding 15 en Afbeelding 16, volgt dat de projectlocatie o.a. is gelegen ter plaatse van: • Landelijk gebied; • Gemengd landelijk gebied; • Teeltondersteunende kassen; • Boringsvrije zone (max. boordiepte: 70 m); • Stalderingsgebied; • Beperkingen veehouderij; • Verbod uitbreiding veehouderij; • Attentiezone waterhuishouding; • Diep grondwaterlichaam; • Waterwinning voor menselijke consumptie; • Norm wateroverlast buiten stedelijk gebied. Op het noordelijk deel van de projectlocatie, zie Afbeelding 15, is aanvullend de structuur ‘Natuur Netwerk Brabant – ecologische verbindingszone’ en ‘behoud en herstel van watersystemen’ van toepassing.

Deze aanduidingen zijn toegekend wegens de aanwezigheid van de Ruijsbossche Waterloop.

Ruimtelijke onderbouwing Oisterwijksedreef 4a, Haaren

29

Afbeelding 14: Uitsnede ‘Kaart 6: Instructieregels gemeenten: basiskaart Landelijk gebied’, projectlocatie rood omkaderd weergegeven.

Ruimtelijke onderbouwing Oisterwijksedreef 4a, Haaren

30

Afbeelding 15: Uitsnede ‘Kaart 4: Instructieregels gemeenten: natuur en stiltegebieden’, projectlocatie rood omkaderd weergegeven.

Ruimtelijke onderbouwing Oisterwijksedreef 4a, Haaren

31

Afbeelding 16: Uitsnede ‘Kaart 7: Instructieregels gemeenten: specifieke gebieden voor agrarische ontwikkelingen’, projectlocatie rood omkaderd weergegeven. Voor de voorgenomen ontwikkeling zijn er meerdere sporen die gevolgd moeten worden in het kader van toetsing aan de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. Ten eerste moet voldaan worden aan de basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Daarnaast moet worden getoetst aan de geldende regels voor de van toepassing zijnde structuren en aanduidingen. In paragraaf 3.1.2 van de IOV zijn de basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies opgenomen. De basisprincipes hebben betrekking op een zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit en een kwaliteitsverbetering van het landschap. Zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit Een bestemmingsplan geeft bij de evenwichtige toedeling van functies invulling aan een goede omgevingskwaliteit, met een veilige, gezonde leefomgeving. Hierbij wordt rekening gehouden met: •

Zorgvuldig ruimtegebruik.

Zorgvuldig ruimtegebruik houdt in dat de toedeling van functies in beginsel plaatsvindt binnen bestaand ruimtebeslag voor bebouwing, behalve als er feitelijk of vanuit kwalitatieve overwegingen onvoldoende ruimte is en uitbreiding op grond van de IOV mogelijk is.

Ruimtelijke onderbouwing Oisterwijksedreef 4a, Haaren

32

•

De waarden in een gebied met toepassing van de lagenbenadering.

De toepassing van de lagenbenadering omvat het effect van de ontwikkeling op de lagen in onderlinge wisselwerking met elkaar en het actief benutten van de factor tijd. De lagenbenadering omvat de effecten op: o De ondergrond, zoals de bodem, het grondwater en archeologische waarden; o De netwerklaag, zoals infrastructuur, natuurnetwerk, energienetwerk, waterwegen waaronder een goede, multimodale afwikkeling van het personen- en goederenvervoer; o De bovenste laag, zoals cultuurhistorische en landschappelijke waarden, de omvang van de functie en de bebouwing, de effecten op bestaande en toekomstige functies, de effecten op volksgezondheid, veiligheid en milieu. Met het actief benutten van de factor tijd wordt bedoeld het rekening houden met de herkomstwaarde, vanuit het verleden, de (on)omkeerbaarheid van optredende effecten en de toekomstwaarde gelet op duurzaamheid en toekomstbestendigheid. •

Meerwaardecreatie.

Meerwaardecreatie omvat een evenwichtige benadering van de economische, ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling zijn betrokken, waaronder: o De mogelijkheid om opgaven en ontwikkelingen te combineren waardoor er meerwaarde ontstaat; o De bijdrage van een ontwikkeling aan andere opgaven en belangen dan die rechtstreeks met de ontwikkeling gemoeid zijn. De fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit, kan deel uitmaken van de meerwaardecreatie. In onderhavige situatie betreft het de uitbreiding van een bestaand teeltbedrijf, binnen boomteeltontwikkelingsgebied. Op het huidige bouwvlak is feitelijk onvoldoende ruimte om de beoogde foliekas te realiseren. Uitbreiding is op grond van de IOV mogelijk, zoals navolgend nader zal worden toegelicht. Op de aanwezige aan het bedrijf toebehorende teeltgronden wordt een foliekas gerealiseerd, zodat efficiënter kan worden geteeld. Hiervoor wordt het bouwvlak uitgebreid. De bedrijfsmatige noodzaak is hierbij door de AAB onderschreven (Bijlage 2).Gelet hierop is er sprake van zorgvuldig ruimtegebruik. De lagenbenadering benodigd een verantwoording waaruit blijkt dat rekening is gehouden met de gevolgen van de beoogde ruimtelijke ontwikkeling voor de diverse lagen. De toetsing van de effecten van het voornemen op de lagen is per onderwerp uitgebreid uiteengezet in voorliggende toelichting.

Hieruit volgt dat het voornemen ruimtelijk en milieuhygiënisch aanvaardbaar is. De meerwaardecreatie volgt uit de ontwikkeling in boomteeltontwikkelingsgebied (economisch belang), met daarbij een fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit (landschappelijke inpassing en een groen-blauwe invulling ter plaatse van de ecologische verbindingszone van de Ruijsbossche Waterloop). Gelet op het bovenstaande wordt voldaan aan de provinciale zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit. Kwaliteitsverbetering landschap In artikel 3.9 van de IOV zijn de regels omtrent kwaliteitsverbetering van het landschap opgenomen. Dit houdt in dat ruimtelijke ontwikkelingen in het landelijk gebied gepaard dienen te gaan met een fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit van het gebied of de omgeving. Het bestemmingsplan motiveert dat de verbetering past binnen de gewenste ontwikkeling van het gebied en op welke wijze de uitvoering financieel, juridisch en feitelijk is geborgd. Een verbetering van de landschappelijke kwaliteit kan mede omvatten: • Landschappelijke inpassing; Ruimtelijke onderbouwing Oisterwijksedreef 4a, Haaren

33

• • • • • •

Het toevoegen, versterken of herstellen van landschapselementen; Het behoud of herstel van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing of terreinen; Het wegnemen van verharding; Het slopen van bebouwing; De realisering van het Natuur netwerk Brabant en ecologische verbindingszones; Het aanleggen van extensieve recreatieve mogelijkheden.

Indien de kwaliteitsverbetering niet op locatie kan worden bewerkstelligd is het ook mogelijk een passende financiële bijdrage te doen in een (gemeentelijk) landschapsfonds. De gemeente Oisterwijk heeft zich voor dit provinciale beleid geconformeerd aan de regionale ‘Werkafspraken kwaliteitsverbetering landschap Hart van Brabant, actualisering 2015’ (als vastgesteld d.d. 10 december 2015). In paragraaf 2.6 is deze toetsing uitgevoerd voor onderhavig project. Met de voorgenomen landschappelijke inrichting wordt de projectlocatie adequaat landschappelijk ingepast en wordt voldaan aan het (provinciaal en gemeentelijk) vereiste van kwaliteitsverbetering van het landschap. De aanleg en instandhouding van de landschappelijke inpassing kan bovendien worden geborgd middels het opnemen van voorschriften in de omgevingsvergunning. Gelet op het bovenstaande wordt financieel, juridisch en feitelijk verzekerd dat de ontwikkeling gepaard gaat met een evenredige kwaliteitsverbetering van het landschap. De beoogde ontwikkeling is daarmee in overeenstemming met artikel 3.9 van de IOV. Structuren en aanduidingen ‘Landelijk gebied’, ‘Gemengd landelijk gebied’ en ‘Teeltondersteunende kassen’ De projectlocatie is gelegen in het gemengd landelijk gebied en het betreft een grondgebonden teeltbedrijf (tuinplantenkwekerij).

In artikel 3.54 van de IOV N-Br is bepaald dat een ruimtelijk plan binnen het gemengd landelijk gebied kan voorzien in een uitbreiding van een grondgebonden teeltbedrijf, als dit vanuit een goede agrarische bedrijfsvoering nodig is en de bouw of uitbreiding van een kas beperkt is tot ten hoogste 5.000 m2. In artikel 3.65 is opgenomen dat in afwijking van het voorgaande, wegens de ligging binnen het gebied ‘Teeltondersteunende kassen’ er 1,5 hectare netto glas is toegestaan, als dat noodzakelijk is voor de agrarische bedrijfsvoering. Daarbij dient wel bepaald te worden dat omschakeling en doorgroei naar een zelfstandig glastuinbouwbedrijf is uitgesloten. Wegens de ligging binnen ‘Teeltondersteunende kassen’ worden dus ruimere uitbreidingsmogelijkheden geboden aan teeltbedrijven. Het project heeft betrekking op de uitbreiding van het bouwvlak ten behoeve van de realisatie van een foliekas van circa 4.550 m2. De Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen heeft onderschreven dat het bouwplan noodzakelijk is voor een doelmatige agrarische bedrijfsvoering (Bijlage 2). Wegens de ligging in het boomteeltontwikkelingsgebied is er sprake van veel ruimere bouwmogelijkheden (tot 1,5 hectare) dan gevraagd. Het initiatief voldoet aan de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. ‘Boringsvrije zone’ In artikel 3.12 van de IOV zijn de regels opgenomen voor de boringsvrije zones.

Een ruimtelijk plan gelegen binnen deze aanduiding strekt mede tot het behoud van de weerstandbiedende bodemlagen. Tevens worden regels gesteld die het risico op schade aan de bodem en het zich daarin bevindende grondwater voorkomen. In de toelichting van de IOV wordt genoemd dat in de boringsvrije zones een beperkte bescherming geldt, namelijk die van het behoud van de beschermende kleilaag in de bodem. Activiteiten moeten worden voorkomen, dan wel dienen hieraan voorwaarden te worden verbonden, indien deze de beschermende kleilaag in de bodem kunnen doorboren. Voor onderhavige projectlocatie is de maximale boordiepte op 70 meter gesteld. Het voornemen gaat niet gepaard met dergelijke bodemingrepen. Er is dus geen sprake van activiteiten met een mogelijke negatieve invloed op de beschermende bodemlagen.

Ruimtelijke onderbouwing Oisterwijksedreef 4a, Haaren

34

‘Attentiezone waterhuishouding’ De gronden aangeduid als ‘attentiezone waterhuishouding’ strekken tot de bescherming van de waterhuishouding. Functies en activiteiten die een negatief effect hebben op de hydrologische instandhoudingsdoelstellingen van het Natuur Netwerk Brabant dienen te worden uitgesloten. Voor activiteiten met een mogelijk negatief effect op de hydrologische instandhoudingsdoelstellingen is een omgevingsvergunning benodigd, waarbij het waterschapsbestuur betrokken dient te worden. Het voornemen heeft betrekking op de realisatie van een foliekas en watersilo’s, waarbij het watersysteem wordt gerespecteerd en het voornemen hydrologisch neutraal wordt gerealiseerd. Dit is nader uitgewerkt in de opgenomen waterparagraaf, in paragraaf 4.6. Het project heeft geen mogelijke negatieve effecten op het watersysteem. Daarmee wordt voldaan aan de gestelde regels. ‘Beperkingen veehouderij’, ‘Stalderingsgebied’ en ‘Verbod uitbreiding veehouderij’ Wegens de toekenning van deze aanduidingen gelden er beperkingen voor de ontwikkelingsmogelijkheden van de (intensieve) veehouderij. Daar het initiatief echter geen betrekking heeft op een veehouderij, wordt toetsing aan deze aanduidingen buiten beschouwing gelaten.

‘Natuur Netwerk Brabant – ecologische verbindingszone’ en ‘Behoud en herstel van watersystemen’ Aan de noordzijde van de projectlocatie is een zone nabij de Ruijsbossche Waterloop aangeduid als ‘Natuur Netwerk Brabant – ecologische verbindingszone’ (artikel 3.25) en ‘Behoud en herstel van watersystemen’ (artikel 3.27). Voor de ecologische verbindingszone geldt een beperkt beschermingsregime, gericht op het bieden van basisbescherming. Een ecologische verbindingszone wordt aangeduid als een zoekgebied. Wegens deze ligging is de uiteindelijke doelstelling de uitwerking, het behoud en beheer van de ecologische verbindingszone. Een ruimtelijk plan (dus een afwijking ten opzichte van het geldende planologische regime) dient daarbij te voorkomen dat het gebied hiervoor minder geschikt wordt, zoals door het beperken van het oprichten van bebouwing of verharding. Bestaande rechten worden hierbij echter gerespecteerd. Het werkingsgebied ‘Behoud en herstel watersystemen’ is hier van toepassing, wegens de natte ecologische verbindingszone van de Ruijsbossche Waterloop. In deze gebieden is het beleid gericht op behoud, verbetering en herstel van het natuurlijke watersysteem. Het kan bijvoorbeeld betreffen het laten hermeanderen van beken, het aanleggen van plas-draszones en het herstel van kwel.

Hiervoor zijn ook gronden naast de waterloop nodig om deze maatregelen goed te kunnen uitvoeren. Ook op deze gronden wordt derhalve beoogd om het oprichten van bebouwing en verhardingen te beperken. In onderhavig voornemen worden de nieuw te bouwen foliekas en watersilo’s opgericht buiten de in de geldende provinciale verordening aangeduide ecologische verbindingszone. Deze provinciale aanduidingen zijn bovendien doorvertaald in het recent vastgestelde bestemmingsplan ‘Buitengebied, herziening 2020’ van de voormalige gemeente Haaren. Het bouwplan hanteert de huidige achterste grens van het geldende bouwvlak. Hiermee worden de voornoemde groen-blauwe functies gerespecteerd. Om de aanwezige Ruijsbossche Waterloop bovendien een ecologische kwaliteitsimpuls te geven, wordt hier geïnvesteerd in een landschappelijke inpassing (zie paragraaf 2.6 en Bijlage 3). De doelsoorten van de te realiseren EVZ zijn hierbij mede als uitgangspunt gehanteerd. Er wordt een kruidenrijke zoom aangeplant, met een wadi / retentielaagte en met een bomenrij bestaande uit een mix van inheemse, streekeigen boomsoorten die goed gedijen op voedselrijke zandgronden met matig vochtige tot natte bodem. Bij het plaatsen van de bomen wordt een afdoende afstand tot de waterloop gerespecteerd, zodat onderhoud mogelijk blijft.

De voorgenomen aanplant draagt bij aan de ecologische functie en biodiversiteit, als natuurlijke stapsteen van de Ruijsbossche Waterloop als ecologische verbindingszone. Hierdoor wordt voldaan aan de gestelde regels hieromtrent. Bovendien is het eerdere planvoornemen juist gewijzigd ten behoeve van het respecteren van de Ruijsbossche Waterloop. In het oorspronkelijke principeverzoek, daterend juni 2019, waren de te bouwen watersilo’s gesitueerd ten noorden van de nieuw te bouwen foliekas, dus eveneens buiten het geldende bouwvlak. Ten noorden van de foliekas is echter de voorziene ecologische verbindingszone nabij de Ruijsbossche Waterloop geprojecteerd. Naar aanleiding van (informeel) overleg inzake het

Ruimtelijke onderbouwing Oisterwijksedreef 4a, Haaren

35

principeverzoek, tussen de voormalige gemeente Haaren, provincie Noord-Brabant en initiatiefnemers is de situering van de watersilo’s gewijzigd tot de situering als nu opgenomen in Afbeelding 1 (ten westen van de nieuw te bouwen foliekas, op het achtererf tussen de loods en de foliekas). Ook is naar aanleiding van dit overleg de nieuw te bouwen foliekas (met ruim 8 m) ingekort tot de achtergrens van het huidige agrarische bouwvlak. Dit ook om de geprojecteerde ecologische verbindingszone direct ten noorden van het huidige agrarische bouwvlak te respecteren. Naar aanleiding van deze wijzigingen in het bouwplan (inkorten foliekas en verplaatsen silo’s) is vervolgens ervoor gekozen om aan de noordzijde te voorzien in een extra landschappelijke inpassing (retentielaagte, kruidenrijke zoom, bomenrij van landschapsbomen), ter bijdrage aan de ecologische verbindingszone van de Ruijsbossche Waterloop. Hiermee gaat het bouwplan gepaard met het leveren van een meerwaarde in o.a. landschappelijke inpassing, biodiversiteit en de ecologische kwaliteiten van de Ruijsbossche Waterloop als ecologische verbindingszone. De gekozen situering van de watersilo’s respecteert bovendien de bestaande rechten uit het geldende bestemmingsplan ‘Buitengebied, herziening 2020’. De watersilo’s betreffen bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en worden gerealiseerd in het bestaande bouwvlak.

De silo’s zijn bovendien vergunningvrij voor de activiteit bouw op grond van het Besluit omgevingsrecht (Bor). In het Bor, Bijlage II, Hoofdstuk III, artikel 3, lid 6 is als vergunningvrije activiteit aangemerkt het realiseren van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, in achtererfgebied ten behoeve van een agrarische bedrijfsvoering, voor zover het betreft een silo. In onderhavige situatie worden silo’s gerealiseerd in het achtererfgebied, in het agrarische bouwvlak. Voor de binnen het bouwvlak te realiseren erfverharding geldt bovendien geen aanlegvergunningplicht (omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden). Enkel voor de geringe hoeveelheid te realiseren erfverharding buiten het bouwvlak is derhalve een aanlegvergunning benodigd. (Zie bovendien de nadere toelichting hieromtrent in paragraaf 2.4.) Concluderend, de (water)silo’s en erfverharding binnen het geldende agrarische bouwvlak zijn vergunningvrij op grond van het geldende bestemmingsplan en Bijlage II van het Besluit omgevingsrecht. Hiermee worden bestaande rechten gerespecteerd.

Met de voorgenomen afwijkingen van het geldende bestemmingsplan (foliekas en erfverharding buiten het bouwvlak) is de ecologische verbindingszone van de Ruijsbossche Waterloop gerespecteerd en is bovendien hiertoe een meerwaarde geleverd (door de voorgenomen realisatie van groen-blauwe landschappelijke inpassing). Waterschap De Dommel is in voorbereiding op de (feitelijke) uitvoering om te komen tot de EVZ Ruijsbossche Waterloop. Ter bescherming van een toekomstig aan te leggen EVZ wordt in de Legger Waterstaatswerken 2021 een profiel van vrije ruimte (10 meter breed) vastgelegd. De voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling respecteert dit profiel van vrije ruimte; in deze zone wordt geen nieuwe bebouwing gerealiseerd. Op 3 december 2021, onder kenmerk Z65892/U135867, heeft Waterschap De Dommel haar vooroverlegreactie aangeboden. In deze vooroverlegreactie is ingestemd met de ruimtelijke ontwikkeling en een positief wateradvies gegeven. Deze reactie is nader uitgeschreven in paragraaf 4.6 en Bijlage 11. Het plan houdt volgens het waterschap goed rekening met de verschillende waterbelangen. Ten aanzien van de zone langs de Ruijsbossche Waterloop geven ze aan dat het bouwvlak hier niet wordt vergroot en dat er ruimte is voor landschappelijke inpassing.

Zo blijft er hier ruimte voor de ecologische verbindingszone die langs de waterloop ligt en levert de groene inrichting van de noordwesthoek een positieve bijdrage aan de EVZ-functie. De EVZ langs de Ruijsbossche Waterloop is, aldus de visie van het waterschap, bedoeld als verbindende schakel voor de doelsoorten hermelijn, kamsalamander en kleine ijsvogelvlinder. Voor deze soorten is variatie in landschapselementen en beschutting in de vorm van struweel belangrijk als onderdeel van het leefgebied. Binnen de landschappelijke inpassing zijn nog mogelijkheden voor optimalisatie voor deze doelsoorten. Deze optimalisatie is nader toegelicht in paragraaf 4.6 en naar aanleiding van het vooroverleg verwerkt in het landschappelijk inpassingsplan. Hierdoor levert de ruimtelijke ontwikkeling een positieve bijdrage aan de realisatie van de EVZ langs de Ruijsbossche Waterloop.

Ruimtelijke onderbouwing Oisterwijksedreef 4a, Haaren

36

Uit voorgaande toetsing volgt dat het planvoornemen in overeenstemming is met de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant.

3.3

Gemeentelijk beleid

Naast het geldende bestemmingsplan, zie paragraaf 2.4, wordt het gemeentelijke ruimtelijke beleid vastgelegd in een structuurvisie. Een gemeentelijke structuurvisie is een strategisch beleidsdocument over de ruimtelijke en functionele ontwikkelingen in de gemeente. In deze visie gaat het met name om de keuze op hoofdlijnen van de voorgenomen ruimtelijke ontwikkelingen en het te voeren ruimtelijk beleid. Een structuurvisie is daarbij enkel juridisch bindend voor de gemeente zelf. Het ruimtelijk beleid uit de structuurvisie dient doorvertaald te worden, bijvoorbeeld in bestemmingsplannen, alvorens zij juridische binding geven voor derden. De geldende structuurvisie voor Haaren, waaronder voor het buitengebied, wordt in navolgende paragraaf besproken. Haaren was tot 1 januari 2021 een zelfstandige gemeente, bestaande uit de kernen Haaren, Helvoirt, Esch en Biezenmortel. Per 1 januari 2021 heeft hierbij een herindeling plaatsgevonden, waarna de kern Haaren aan het grondgebied van gemeente Oisterwijk is toegevoegd. De geldende structuurvisie voor Haaren, waaronder het buitengebied, betreft de ‘Structuurvisie Haaren’ en wordt in navolgende paragraaf besproken.

Deze structuurvisie is na de herindeling van gemeente Haaren van kracht gebleven voor het voormalige Haarense gebied, binnen de gemeentegrenzen van de gemeente Oisterwijk, zoals dat per 1 januari 2021, op grond van de Wet van 8 juli 2020 tot splitsing van de gemeente Haaren, is ontstaan. 3.3.1 Structuurvisie Haaren Op 22 januari 2015 heeft de gemeenteraad van Haaren de Structuurvisie Haaren vastgesteld. Deze structuurvisie kan als een ruimtelijke uitwerking worden beschouwd van de in 2011 vastgestelde Toekomstvisie van de gemeente Haaren. Deze Toekomstvisie heeft een horizon tot 2022; in deze structuurvisie komt de ruimtelijke ontwikkeling in die periode aan bod en wordt verder vooruit gekeken. Tevens worden in deze structuurvisie de abstracte doelen uit de Toekomstvisie geconcretiseerd. Deze structuurvisie biedt de hoofdlijnen van het ruimtelijke beleid van de gemeente Haaren, zoals dat beleid moet gaan bijdragen aan de doelen uit de Toekomstvisie. Deel A: De visie Om concrete plannen goed te kunnen toetsen en af te kunnen wegen is het ten eerste belangrijk om duidelijke kaders te scheppen en aan te geven wat de gemeente wil bereiken. Hierbij worden strategieën en keuzes weergegeven, zonder daarbij het voorspellen of in beelden vatten van de toekomst. De structuurvisie gaat uit van het principe ‘ieder ruimtegebruik is op alle plaatsen mogelijk, mits…’.

De structuurvisie biedt een gedegen afwegingskader voor de ‘mitsen’. Voor de gemeente is de structuurvisie juridisch gezien een ‘zelfbindend’ document. De gemeente Haaren dient zich bij haar beleidskeuzes aan de structuurvisie te houden. Het afwegingskader is weergegeven in deel A. In deel A wordt tevens beschreven op basis van welke trends en ontwikkelingen dit afwegingskader tot stand is gekomen. Naast deel A beslaat deze structuurvisie nog twee delen, namelijk deel B en deel C. Onderdeel van Deel B vormt ook de structuurvisiekaart. Deel B: Het uitvoeringskader De structuurvisie is bindend voor het gemeentebestuur, maar bevat geen rechtstreekse verplichtingen richting de burger. Burgers mogen desondanks verwachten dat het bestuur bij verzoeken en vragen van de burger haar antwoord zal baseren op de beleidsuitspraken in de structuurvisie. In deel B wordt uitgezet hoe het antwoord van de gemeente Haaren er uit zal zien. Dit antwoord kan bestaan uit de inzet van diverse typen instrumenten, zoals procesmatige instrumenten, juridische instrumenten (zoals het bestemmingsplan) en financiële instrumenten. Om burgers en ondernemers te faciliteren in ruimtelijke ontwikkelingen heeft de gemeente één procesmatig instrument extra uitgewerkt, namelijk het Haarens Kwaliteitsmenu.

In dit menu worden handreikingen gedaan voor de omgang met het landschap in de gemeente bij ruimtelijke ontwikkelingen.

Ruimtelijke onderbouwing Oisterwijksedreef 4a, Haaren

37

Een belangrijk onderdeel van de structuurvisie vormt de structuurvisiekaart. Vanuit de visie (deel A) en het Haarens Kwaliteitsmenu (onderdeel van deel B) wordt verwezen naar deze kaart om zodoende aan te geven op welke plaatsen bepaald beleid van toepassing is en waar bepaalde ontwikkelingsprincipes van toepassing zijn. Zo wordt in deel A van de visie bij de weergave van het sectorale beleid op diverse plaatsen aangegeven dat een wenselijke ontwikkeling ‘moet passen in (de karakteristieken) van de omgeving’. Op de structuurvisiekaart zijn deze verschillende omgevingen weergegeven, zo is zichtbaar binnen welke omgevingskarakteristieken een initiatief moet passen. De omgevingstypes op de structuurvisiekaart wijzen daarbij vervolgens naar het Haarens Kwaliteitsmenu. Hierin wordt per onderscheiden omgeving beschreven wat de specifieke kwaliteiten zijn en hoe de kwaliteiten verder ontwikkeld kunnen worden. Zo wordt bij ieder initiatief getoetst of het past binnen de kwaliteiten van de omgeving. Deel C: De atlas Tot slot is het bij het toepassen van het afwegingskader uit deel A en het uitvoeringsinstrumentarium uit deel B van belang om de context te begrijpen waarin de ontwikkeling van de gemeente Haaren plaatsvindt. In deel C van deze structuurvisie wordt allereerst de natuurlijke en sociaal-culturele geschiedenis beschreven.

Vervolgens wordt de gemeente Haaren geplaatst binnen de beleidscontext van hogere overheden en dat van de regio Noordoost Brabant. Deze achtergrond is belangrijk om te begrijpen waar de ruimtelijke kwaliteiten en knelpunten in de gemeente hun oorsprong vinden. Deel C betreft dus met name een achtergronddocument voor de (toepassing van de) beleidskeuzes als geformuleerd in Deel A en Deel B. Toetsend aan het eerste deel, de visie (Deel A), dient aangetoond te worden op welke wijze de ontwikkeling bijdraagt aan de in de visie beschreven (gemeentelijke regierollen) basisverantwoordelijkheid, ambities, benutten van kansen en voorkomen van bedreigingen. • Gemeentelijke basisverantwoordelijkheden: een aantal ontwikkelingen is van basisbelang om goed te kunnen wonen, leven, werken en recreëren in de gemeente Haaren. • Ambities: Sommige ontwikkelingen vindt de gemeente Haaren van zodanig belang voor haar inwoners dat zij daarin zelf het voortouw wil nemen. • Kansen voor de gemeente: Veel nieuwe ontwikkelingen ontstaan door initiatieven van derden (ondernemers, instellingen of burgers). De gemeente Haaren wil in staat zijn de kansen die zich door deze ontwikkelingen voordoen zo goed mogelijk te benutten (en daar waar nodig sturing te geven). • Bedreigingen voor de gemeente voorkomen: De gemeente Haaren kent een aantal kwaliteiten en waarden die van onderscheidend belang zijn.

Ontwikkelingen die deze kwaliteiten en waarden aantasten dienen te worden voorkomen. Per beleidsveld (‘Wonen & Woonomgeving’, ‘Werken & Economie’, ‘Welzijn & Voorzieningen’, ‘Omgevingskwaliteit’ en ‘Mobiliteit’) zijn in de structuurvisie (Deel A) de gemeentelijke regierollen beschreven. Voor onderhavige ontwikkeling is daarbij, gelet op de aard daarvan, met name een toetsing aan ‘Werken & Economie’ relevant, evenals ‘Omgevingskwaliteit’. In algemeenheid stelt de gemeente Haaren het als haar basisverantwoordelijkheid te beschouwen om bestaande bedrijven binnen de gemeente te behouden en duurzaam te laten doorontwikkelen. Dit uitgangspunt geldt daarbij voor bedrijven die op een bij hun omvang, uitstraling en impact op de omgeving passende locatie zijn gevestigd. Ambities liggen daarbij met name in het versterken van de boomteeltsector, zorg en recreatie. Kansen worden gevonden in het faciliteren van in de bedrijfsomgeving passende initiatieven, daarbij rekening houdend met de ruimtelijke kwaliteit (kan anders een bedreiging vormen). De meeste ondernemers willen in geval van groei die op de eigen kavel kunnen accommoderen. In de visie van de gemeente Haaren moet zoveel mogelijk aan de groei op eigen kavel tegemoet worden gekomen. De gemeente neemt daarom een proactieve houding aan ten aanzien van o.a.

het plannen van de voorspelbare ongecompliceerde behoefte van bedrijven (reguliere omgeving, vervangingsbehoefte).

Ruimtelijke onderbouwing Oisterwijksedreef 4a, Haaren

38

In onderhavige situatie betreft het een uit Haaren afkomstige plantenkwekerij, gelegen in het boomteeltontwikkelingsgebied. Het boomteeltontwikkelingsgebied is het aangewezen gebied waar boomteeltbedrijven (waaronder plantenkwekers) de ruimte krijgen om door te groeien en te ontwikkelen. De boomteeltsector is één van de belangrijkste economische dragers van Haaren en zorgt in belangrijke mate voor lokale werkgelegenheid. De gemeente wil deze vitale economische sector daarom behouden en stimuleren. Uitbreiding op deze locatie geeft dus invulling aan de beleidsuitgangspunten zoals opgenomen in de structuurvisie. Gelet op het bovenstaande past het voornemen daarom in de visie aangaande ‘Werken & Economie’. Ten aanzien van ‘Omgevingskwaliteit’ is het een basisverantwoordelijkheid om de Haarense kernwaarden van de landschappen en dorpen te behouden en te versterken. Initiatieven die hieraan een bijdrage leveren worden gefaciliteerd. Zoals in paragraaf 2.6 reeds uitgebreid is gemotiveerd, zorgt het voornemen in belangrijke mate voor een verbetering van de omgevingskwaliteit, middels de voorgenomen landschappelijke inpassing (mede nabij de Ruijsbossche Waterloop). Blijkens de structuurvisiekaart, onderdeel van Deel B, is de locatie Oisterwijksedreef 4a gelegen in het beekdal van de Ruijsbossche Waterloop.

De Ruijsbossche Waterloop voert vanaf de zuidoost zijde van Haaren richting het noorden. Daar gaat de loop over in de Broekleij. Het betreft een relatief open beekdal, waarbij de bovenloop ingeklemd is tussen de lintbebouwing van Haaren en ’t Eind. Ontwikkelingen in het gebied dienen in samenhang met de aangrenzende gebieden te worden beschouwd. Dit gebied valt deels samen met het boomteeltontwikkelingsgebied. De voor het landschap beeldbepalende boomteeltsector krijgt hiermee ruimere mogelijkheden dan elders in de gemeente. Met dit Haarens Kwaliteitsmenu voor dit gebiedstype is rekening gehouden bij de vormgeving van de voorgenomen landschappelijke inpassing, zoals nader toegelicht in paragraaf 2.6 en nader uitgewerkt in het landschappelijk inpassingsplan (Bijlage 3). Er wordt daarbij tevens een kwaliteitsimpuls gegeven aan de zone van de projectlocatie, direct nabij de Ruijsbossche Waterloop. Gelet op de aard van de ontwikkeling, uitbreiding van een tuinplantenkwekerij in boomteeltontwikkelingsgebied, in combinatie met een goede landschappelijke inpassing, past het voornemen binnen de gemeentelijke doelen, zoals opgenomen in de Structuurvisie Haaren. Het project draagt derhalve op perceelsniveau bij aan de gemeentelijke ambities.

Met het positieve principebesluit uit januari 2020 heeft het college van burgemeester en wethouders van de (voormalige) gemeente Haaren aangegeven onderhavige ontwikkeling te willen faciliteren.

Ruimtelijke onderbouwing Oisterwijksedreef 4a, Haaren

39

4.

OMGEVINGSASPECTEN

Een bestuursorgaan dient bij de voorbereiding van een besluit, zoals bij het vaststellen van een bestemmingsplan, de nodige kennis te vergaren omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen, zo wordt beschreven in artikel 3.2 van de Algemene wet bestuursrecht. Ten behoeve van onderhavig ruimtelijk plan zijn de relevante omgevingsaspecten uitgewerkt. Deze aspecten komen in navolgende paragrafen aan bod.

4.1

Bodem

Het landelijk beleid gaat uit van het principe dat de bodem geschikt dient te zijn voor de beoogde functie. Met andere woorden, de bodemkwaliteit mag geen onaanvaardbaar risico opleveren voor de gebruikers van de bodem. De gewenste functie bepaalt dus ook de gewenste bodemkwaliteit. Op alle locaties waar een ingrijpende functiewijziging of wijziging van het bodemgebruik wordt voorzien, dient een bodemonderzoek te worden uitgevoerd. Indien op grond van historische informatie blijkt dat in het verleden bodembedreigende activiteiten hebben plaatsgevonden, dan dient een volledig verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd. Op basis van de onderzoeksresultaten kan vervolgens worden nagegaan of er vervolgmaatregelen getroffen moeten worden, zoals een nader onderzoek of eventueel een bodemsanering. Door Lankelma Geotechniek Zuid B.V. is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. De volledige rapportage is bijgevoegd in Bijlage 4. Navolgend worden de conclusies samengevat weergegeven. Algemeen De bodem op de locatie bestaat tot de verkende diepte van 3,5 m-mv overwegend uit matig fijn siltig zand. In de ondergrond is in het traject 0,5 – 1,5 m-mv een leemlaag aangetroffen. Met name de bovengrond is humushoudend. Ter plaatse van boring B02 is in de bovengrond een laag menggranulaat aangetroffen. Overige bodemvreemde materialen zijn niet aangetroffen.

Tijdens de uitvoering van de veldwerkzaamheden is geen aanvullende informatie naar voren gekomen welke tot een aanpassing van de boorstrategie heeft geleid. Grond In de grondmengmonsters MM1 en MM2 (bovengrond) en in de grondmengmonsters MM3 en MM4 (ondergrond) zijn analytisch geen van de onderzochte parameters in verhoogde mate aangetoond. Allen liggen onder de achtergrondwaarden. Op basis van het Besluit bodemkwaliteit kan de milieuhygiënische kwaliteit van beide bodemlagen indicatief als klasse ‘AW2000’ beschouwd worden. Grondwater In het grondwater uit peilbuis B01 zijn analytisch licht verhoogde concentraties met barium en zink aangetoond. De concentraties overschrijden de streefwaarden, doch niet de interventiewaarden. Asbest in grond/puin In het kader van het onderzoek is geen specifiek onderzoek (conform NEN5707 en NEN5897) verricht naar het voorkomen van asbest in de grond, puin en op het maaiveld. Wel heeft een indicatieve inspectie van het terrein plaatsgevonden. In de vrijkomende grond, het puin en op het maaiveld zijn geen asbestverdachte (plaat)materialen aangetroffen. Het uitgevoerde onderzoek doet echter geen bindende uitspraak over de aan- of afwezigheid van asbest in de bodem binnen de onderzoekslocatie. Voor het aangetroffen menggranulaat is een KOMO-certificaat aanwezig. Het menggranulaat is derhalve niet op asbest onderzocht.

Toetsing hypothese De hypothese ‘onverdacht’ kan op basis van de resultaten, slechts licht verhoogde gehalten in het grondwater, formeel worden aanvaard.

Ruimtelijke onderbouwing Oisterwijksedreef 4a, Haaren

40

Nader bodemonderzoek Op basis van voornoemde samenvatting en conclusies is nader bodemonderzoek vanuit milieuhygiënisch oogpunt gezien niet aan de orde. Resumé en aanbeveling Middels het uitgevoerde bodemonderzoek is de milieuhygiënische kwaliteit van de grond en het grondwater vastgelegd. In het kader van de Wet bodembescherming zijn geen aanvullende procedures noodzakelijk. Op basis van de bevindingen uit het uitgevoerde bodemonderzoek zijn er vanuit milieuhygiënisch oogpunt derhalve geen belemmeringen c.q. beperkingen voor de geplande nieuwbouw op deze locatie. Aanvullend onderzoek gewasbeschermingsmiddelen Door Lankelma Geotechniek Zuid B.V. is bovendien een aanvullend bodemonderzoek uitgevoerd, specifiek ten aanzien van het aspect gewasbeschermingsmiddelen. De volledige rapportage is bijgevoegd in Bijlage 8. In de onderzochte monsters zijn bestrijdingsmiddelen (OCB) niet verhoogd aangetoond. Door middel van het aanvullend bodemonderzoek is de milieuhygiënische kwaliteit van de grond in voldoende mate vastgelegd. Op basis van de bevindingen uit het uitgevoerde bodemonderzoek zijn er vanuit milieuhygiënisch oogpunt derhalve geen belemmeringen c.q. beperkingen voor de geplande nieuwbouw op deze locatie.

4.2

Bedrijven en milieuzonering

Het woon- en leefklimaat ter plaatse van de projectlocatie wordt bepaald door de milieubelastende activiteiten in de directe omgeving. Een goede ruimtelijke ordening voorziet in het voorkomen van voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten. Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven of veehouderijen) en gevoelige functies (zoals woningen of verblijfsrecreatieve eenheden) wordt hinder en gevaar voorkomen en wordt het bedrijven mogelijk gemaakt zich binnen aanvaardbare voorwaarden te vestigen. Deze systematiek wordt ‘milieuzonering’ genoemd. De VNG-Handreiking ‘Bedrijven en milieuzonering’, editie 2009 bevat een richtafstandenlijst, waarmee milieuzonering kan worden toegepast. Deze richtafstandenlijst bevat richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. Deze richtafstanden geven een indicatieve afstand, waarmee hinder ter plaatse van gevoelige functies wordt voorkomen bij een gemiddeld nieuw bedrijf binnen het betreffende type bedrijvigheid. De richtafstanden bieden bovendien in beginsel ruimte voor normale groei van de bedrijfsactiviteiten.

Deze toepassing geeft derhalve een zeer goede indicatie inzake het woon- en leefklimaat ter plaatse van gevoelige functies en de eventuele gevolgen voor de ontwikkelingsmogelijkheden van deze bedrijvigheid. Als de richtafstanden niet worden behaald is nader onderzoek vereist om de aanvaardbaarheid van een ontwikkeling aan te tonen. De richtafstandenlijsten vermelden de richtafstanden die bij voorkeur worden aangehouden tussen bedrijven en de omgevingstypen ‘rustige woonwijk’ en ‘rustig buitengebied’. Bij het omgevingstype ‘gemengd gebied’, kunnen gemotiveerd kleinere richtafstanden worden aangehouden, daar deze gebieden gezien de aanwezige functiemenging of ligging nabij drukke wegen al een hogere milieubelasting kennen. Navolgend zijn de definities van beide omgevingstypen uit de VNGhandreiking opgenomen. Onderhavige projectlocatie kan worden aangemerkt als gelegen in het gebiedstype rustige woonwijk / rustig buitengebied.

Ruimtelijke onderbouwing Oisterwijksedreef 4a, Haaren

41

Tabel 1: Omgevingstypen (Bron: VNG-Handreiking ‘Bedrijven en milieuzonering’) Omgevingstype rustige woonwijk en rustig buitengebied Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven of kantoren) voor. Langs de randen (in de overgang naar mogelijke bedrijfsfuncties) is weinig verstoring door verkeer. Een vergelijkbaar omgevingstype qua aanvaardbare milieubelasting is een rustig buitengebied (eventueel inclusief verblijfsrecreatie), een stiltegebied of een natuurgebied. Omgevingstype gemengd gebied Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend.

Tabel 2: Richtafstanden en omgevingstype (Bron: VNG-Handreiking ‘Bedrijven en milieuzonering’) Milieucategorie Richtafstand tot omgevingstype Richtafstand tot omgevingstype rustige woonwijk en rustig gemengd gebied buitengebied 1 10 m 0m 2 30 m 10 m 3.1 50 m 30 m 3.2 100 m 50 m 4.1 200 m 100 m 4.2 300 m 200 m 5.1 500 m 300 m 5.2 700 m 500 m 5.3 1.000 m 700 m 6 1.500 m 1.000 m Bij het aspect bedrijven en milieuzonering dient ten eerste beoordeeld te worden of er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van milieugevoelige functies, bezien vanuit de milieugevolgen door milieubelastende functies (bedrijvigheid). Ten tweede dient beoordeeld te worden of, indien een milieugevoelige functie wordt gerealiseerd (zoals woningen), of omliggende bedrijven hierdoor niet worden beperkt in hun ontwikkelingsmogelijkheden. Het project heeft betrekking op de uitbreiding van een bestaand teeltbedrijf met een foliekas en watersilo’s. Hiervoor wordt het agrarisch bouwvlak vergroot. De foliekas wordt gebruikt voor de plantenteelt. Het project zorgt dus niet voor de oprichting van een nieuwe milieugevoelige functie. In de huidige situatie is reeds sprake van een bestaande bedrijfswoning. Deze blijft in de beoogde situatie ongewijzigd behouden.

Het project gaat dus niet gepaard met de realisatie van een nieuwe milieugevoelige functie, of de wijziging van een milieugevoelige functie. Hierdoor heeft het voornemen met zekerheid geen gevolgen voor de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven. De uitbreiding of wijziging van een bedrijf, zoals een teeltbedrijf, kan echter wel gevolgen hebben voor het woon- en leefklimaat nabij bestaande milieugevoelige functies. Derhalve dient beoordeeld te worden of met de realisatie van het voornemen nog steeds sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. In Tabel 3 zijn de van toepassing zijnde richtafstanden voor een plantenkwekerij opgenomen, als afkomstig uit de VNG-Handreiking ‘Bedrijven en milieuzonering’.

Ruimtelijke onderbouwing Oisterwijksedreef 4a, Haaren

42

Stof

Geluid

Gevaar

Grootste afstand

Categorie

Adres en omschrijving Oisterwijksedreef 4a Tuinbouw

Geur

Tabel 3: Bedrijvigheid op projectlocatie met toe te passen richtafstanden (Bron: VNG-Handreiking ‘Bedrijven en milieuzonering’) Richtafstanden in meters (bij rustige woonwijk / rustig buitengebied)

10

10

30

10

30

2

Nemelaerstraat 29

Past. Jansenstraat 36 Oisterwijksedreef 4a

Oisterwijksedreef 2-2a

Oisterwijksedreef 4

Afbeelding 17: Uitsnede kaart met omliggende geldende bestemmingen, projectlocatie globaal rood omkaderd weergegeven. In Afbeelding 17 is de ligging van de projectlocatie aangeduid met de omliggende functies. De dichtstbijzijnde woning van derden betreft Pastoor Jansenstraat 36 te Haaren. Conform het voor deze locatie geldende bestemmingsplan ‘Kom Haaren’ dienen hoofdgebouwen (woningen) gerealiseerd te worden binnen het aangeduide bouwvlak. Aan Oisterwijksedreef 4 is een restaurant (pannenkoekenhuis) gevestigd. Uit Tabel 3 volgt dat voor een tuinbouwbedrijf een maximale richtafstand van 30 meter geldt in rustig buitengebied, dit wegens het aspect geluid (voor de aspecten geur, stof en gevaar geldt een richtafstand van 10 meter). De afstand tussen het voorgenomen agrarisch bouwvlak van Oisterwijksedreef 4a na uitbreiding, tot het bouwvlak van Pastoor Jansenstraat 36 bedraagt 32 meter. Er wordt derhalve een ruim voldoende onderlinge afstand gerespecteerd.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11239822/1