21-39 Vaststellen REKS- bijlage 2k Burgerparticipatiemodellen voor wind-en-zonne-energie
Tekst van het document
consulteren
zijn er buurtapps als Buurkracht (gefinancierd door Enexis), Hopplr en Nextdoor.
36
Gereedschap voor procesparticipatie regio Hart van Brabant (II) Fysieke experimenteerlocaties (living
Coproduceren
labs of fieldlabs) Referenda
De snelfietsroute F261 Tilburg – Waalwijk fungeerde als living lab. Doel was om de bewegwijzering, de uitstraling en vindbaarheid van de snelfietsroute te testen.
Coproduceren
Veel gemeenten hebben een referendumverordering, waarin staat wat de voorwaarden zijn voor raadgevende of raadplegende referenda (zoals Tilburg en Oisterwijk).
Participatieprojecten Burgerinitiatief
Coproduceren,
Spinderwind is een regionaal voorbeeld van een initiatief waarbij burgers actief zijn betrokken.
delegeren
Vanuit de ervaringen die hier zijn opgedaan kunnen nieuwe participatieprojecten worden opgezet.
Delegeren,
Het Spoorpark in Tilburg is een voorbeeld van een burgerinitiatief, waarbij de gemeente de
zelfbestuur
uitvoering heeft overgedragen aan een burgercollectief.
4.2 Financiële participatie
38
Vormen van financiële participatie Financiële participatie door burgers kent als doel het lokaal te laten landen van financiële baten die gegenereerd worden door duurzameenergieprojecten. De wijze waarop dit wordt ingericht kent vele vormen. Op hoofdlijnen zijn er echter twee belangrijke richtingen te onderscheiden: • Risicodragend investeren door burgers; • Een afdracht vanuit het project aan de omgeving. In het eerste geval investeren burgers zelf of via een energiecoöperatie in een duurzaam-energieproject. Deze burgers profiteren op die manier mee doordat een deel van de (verwachte) winsten naar hen toevloeit. Belangrijk te bedenken is dat deze investering, net als andere investeringen, een zeker risicoprofiel kent. Het betreft geen financiële tegemoetkoming zonder dat hier een risico tegenover staat.. Daar staat tegenover dat het project (deels) daadwerkelijk eigendom van de omgeving kan worden, hetgeen het draagvlak vergroot en de rendementen lokaal houdt. Ook kunnen burgers zelf beslissen in welk project zijn willen participeren en voor welk bedrag. Naast risicodragende investeringen door burgers kan financiële participatie ook worden vormgegeven door een afdracht van projecten aan de omgeving.
Er wordt hierbij periodiek een bepaald bedrag afgedragen aan een vooraf bestempeld doel of fonds waar de omgeving bij gebaat is, zogenaamde “bovenwettelijke activiteiten voor acceptatie en participatie”. Belangrijk verschil met risicodragend investeren is dat burgers geen eigendom van het project worden en niet op individuele basis financiële middelen ontvangen. Dit stelt mensen die niet in staan zijn zelf te investeren in een project in staat om mee te profiteren. Belangrijk is om het bestedingsdoel van de afdrachten vooral duidelijk vast te leggen. De afdrachten kunnen worden beheerd door vertegenwoordigers van de lokale populatie
zodat de lokale belangen zijn geborgd. In het geval van een afdracht is er voor burgers ook geen sprake van risico. Ook het afnemen van stroom met korting door omwonenden uit het project is een mogelijkheid om burgers niet investeren toch te laten participeren.
Hoewel deze twee ‘sporen’ van financiële participatie apart worden benoemd, hoeven zij elkaar binnen een project niet uit te sluiten. Het is goed denkbaar dat een energiecoöperatie – met inbreng van lokaal vermogen – een project ontwikkelt en er daarnaast ook een afdracht vanuit het project naar de omgeving gaat. Op deze wijze kunnen geïnteresseerde en geëquipeerde bewoners investeren in het project en profiteren ook burgers die daartoe niet in staat zijn mee. Daarnaast kan een coöperatie een deel van de winsten/rendementen inzetten om nieuwe projecten op te zetten. Wel kleven er risico’s aan de hoogte van financiële baten uit toekomstige wind- en zonprojecten. Zo is de verwachting dat voor bepaalde projecten, zeker voor wind, vanaf eind 2020 geen SDEsubsidie meer wordt verstrekt. Daarnaast is er de markttrend dat negatieve elektriciteitsprijzen zich steeds vaker voordoen, hetgeen op langere termijn de rentabiliteit van wind-/zonparken kan doen afnemen. Deze ontwikkelingen kunnen een negatieve impact hebben op toekomstige omgevingsbaten.
39
Risicodragend investeren: risico vooral afhankelijk van instapmoment Het risico van een duurzaam-energieproject verschilt per fase. In de ontwikkelfase zijn de risico’s groot. Er is bijvoorbeeld nog veel onzekerheid omtrent verkrijgen van vergunningen (MER), ontvangen van subsidie (SDE), verkrijgen van aansluiting op het elektriciteitsnet en financiering van het project. Wanneer deze zaken zijn vastgesteld, hierna ‘vergunningsverlening’ genoemd, is het risico beperkt. Met deze verlening wordt er binnen het project de meeste waarde toegevoegd. Daarnaast worden veel projecten verkocht wanneer de vergunningen/SDE-beschikking zijn vastgesteld. Het is belangrijk dat de uitgangspunten voor participatie dan ook al geborgd zijn. De ontwikkelfase wordt afgesloten wanneer de financiering rond is en financial close wordt bereikt. Vanaf de bouwfase wordt het risicoprofiel voor de investeerders flink minder. Zie onder voor een indicatieve weergave van de ontwikkeling van het risicoprofiel van een wind- of zonproject. Participeren kan op verschillende momenten in de ontwikkeling van een project. Daarmee geeft een ander “instapmoment” voor burgers een ander risicoprofiel aan de aangeboden financiële participatie: 1. Tijdens de ontwikkelfase is het risicoprofiel hoog en de kenmerken van eigen vermogen als financieringsvorm is passend (hoog risico, hoog rendement).
Het risico neemt af wanneer het bouwrecht is verkregen (vergunningen, SDE+ definitief gegund), waarbij ook de grootste waardesprong in het project wordt gemaakt. 2. Rondom financial close is het risicoprofiel al beperkter, eigen of achtergesteld vermogen is passend (eigen vermogen wel met vergoeding voor ontwikkelende partij) 3. 1 jaar na de bouw werden in het verleden vooral achtergestelde obligaties aangeboden 4. Tijdens de exploitatiefase worden eigenlijk geen participaties meer aangeboden, projecten veranderen soms wel van eigenaar Omvang risico Ontwikkelen (5-10 jr)
1
Bouw (1 jr)
1 jr na voltooiing
2
Vergunning Financial Close
Exploitatie tot jaar 15
Exploitatie vanaf jaar 15
3
Voltooiing
15 jaar na Voltooiing
40
Klimaatakkoord sorteert voor dat burgers vanaf start ontwikkelfase risicodragend betrokken zijn In het Klimaatakkoord is opgenomen dat partijen gelijkwaardig samenwerken in de ontwikkeling, bouw en exploitatie van een project. Dit vertaalt zich in evenwichtige eigendomsverdeling in een gebied waarbij gestreefd wordt naar 50% eigendom van de productie van de lokale omgeving (burgers en bedrijven). Investeren in een zon –en/of windproject is ondernemerschap. Dat vergt ook mee-investeren en risicolopen. Als gekozen wordt voor een model waarbij vanaf start van de ontwikkelfase gelijkwaardig wordt samengewerkt, dan betekent dit dat het risicoprofiel van het project hoog is. De ontwikkeling van het project is zeker bij wind langjarig, de ontwikkelkosten zijn substantieel. Er is veel kennis nodig van projectontwikkeling, procesparticipatie, juridische-, technische- en financiële kennis alsmede kennis van de energiemarkt. Er is een ontwikkelmodel denkbaar waarin een private ontwikkelaar samen met een energiecoöperatie de ontwikkeling doorloopt, het zelfstandig ontwikkelen van een project door een energiecoöperatie kan ook. Daar is in veel gevallen wel “professionele” ondersteuning voor nodig gezien de benodigde kennisintensiteit. Voor zon geldt dit ook, maar in mindere mate.
Om dit model succesvol uit te rollen zijn er een aantal punten die aandacht behoeven: • Kennis & competenties coöperatie & continuïteit hierin; • Voldoende ontwikkelkapitaal; • Zekerheid van inbreng voldoende aansprakelijk vermogen bij financial close van het project; • Besluitvormingsproces in ontwikkel- en exploitatiefase op orde • Hoe voorkomen dat alleen “happy few” kunnen investeren • Inbreng kapitaal zeer risicovol – risico op negatieve publiciteit als inleg verdampt
41
Alternatieve modellen risicodragend investeren vereisen afspraken op principeniveau aan de voorkant en monitoring van deze afspraken Indien het niet mogelijk of praktisch niet haalbaar is dat vanaf start ontwikkeling mee wordt ontwikkeld door een energiecoöperatie, kan wel een kader met de (private) ontwikkelaar worden afgesproken ten aanzien van maatschappelijke meerwaarde waaronder toekomstige mogelijkheden voor burgers om te investeren en een gebiedsgebonden bijdrage. Deze afspraken kunnen ook tussen de gemeente (als ontwikkelende partij) en coöperatie worden gemaakt. De hoofdlijn daarvan kan zijn dat: • Partijen komen overeen dat ontwikkelaar financiële participatievormen aanbiedt die zoveel mogelijk maatschappelijke waarde creëren voor de inwoners en bedrijven van de gemeente, rekening houdend met behouden van een haalbare businesscase voor de ontwikkelaar. • Het (toekomstige) aanbod om risicodragend te participeren omvat een financieel rendement dat minimaal marktconform is gegeven het risicoprofiel van het project en het type vermogen. • Bij het aanbod om risicodragend te participeren draagt de ontwikkelaar er zorg voor dat een prospectus wordt opgesteld die de AFM-toets kan doorstaan in termen van kwaliteit. • De financiële participatie is met voorrang toegankelijk voor alle burgers en bedrijven van de nabijgelegen gemeente(n) en de regio Hart van Brabant.
• Partijen spreken af dat het voorstel tot financiële participatie wordt door de gemeente of regio hart van Brabant getoetst op de geformuleerde uitgangspunten. • De ontwikkelaar zal tevens een afdracht doen in een gebiedsfonds, welke minimaal 0,4-0,5 euro per MWh zal bedragen • Iets zeggen over inzet van middelen > samen met omgeving • De plannen zullen nader worden ontwikkeld, vastgelegd en uitgevoerd waarbij partijen samen verder kunnen uitwerken. Hierover dient hierover duidelijkheid te zijn vóórdat de financiering van dit project van start zal gaan.
42
Afdracht aan de omgeving: slim inzetten van de rendementen Om lokaal of regionaal te komen tot een gedragen aanpak, voor het inzetten van de rendementen die door de 50% lokaal eigendom worden gegenereerd, is een proces. Dat proces kan per project worden doorlopen, maar ook voor een aantal projecten tegelijkertijd. Bijvoorbeeld wanneer de totale opgave wordt verdeeld naar gebiedsopgaves. In dat geval kunnen er op gebiedsniveau afspraken worden gemaakt over hoe om te gaan met de rendementen. Een aantal van de gestelde uitgangspunten heeft betrekking op het inzetten van de rendementen:
• Samen met gemeenten en ontwikkelaars zorgen de 14 LEC’s ervoor dat iedereen kan meedoen/meeprofiteren, ook mensen met een laag inkomen; • De participatie van de LEC(‘s) moet een positieve bijdrage leveren aan het draagvlak voor en de slagingskans van een initiatief. Ook moet de bewustwording ten aanzien van de gehele energietransitie erdoor worden verhoogd;
• Opbrengsten, anders dan een redelijke vergoeding op ingelegd kapitaal, komen ten goede komen aan de energietransitie of verduurzaming van de omgeving; Waarbij valt aan te tekenen dat onder ‘meedoen en meeprofiteren’ ook werkgelegenheid en social return wordt verstaan en dat klimaatadaptatie (b.v. bosontwikkeling) ook onderdeel is van de verduurzaming van de omgeving. Het besteden van de rendementen Conform bovenstaande uitgangspunten onderstaand een aantal voorbeelden van projecten die met de rendementen kunnen worden gefinancierd: • Verduurzaming van huizen; bijvoorbeeld het inregelen van een adviestraject. Hieraan kan ook de financiering van de maatregelen gekoppeld worden, waarbij de rendementen dienen als risicodragend kapitaal in bijvoorbeeld een ESCO; • Ontwikkeling collectieve zonprojecten; bijvoorbeeld een postcoderoos op een groot dak; • Samen met bewoners ontwikkelen van wijkplannen ten behoeve van de warmtetransitie. Hieraan kan, net als bij de verduurzaming van huizen, ook een stuk van de financiering gekoppeld worden; • Electrische deelauto’s of duurzaam vervoer voor ouderen; • Leveren van een bijdrage aan de klimaatadaptatie opgave. Bijvoorbeeld stimuleren van groene daken, bosontwikkeling of vergroening schoolpleinen; • Etc….
Beheer en coördinatie van de gelden Wanneer lokaal of regionaal afspraken zijn gemaakt over waar de rendementen op ingezet kunnen worden is de vraag wie de rendementen gaat beheren en coördineert welke initiatieven aanspraak maken op de gelden. Belangrijk daarbij het vertrouwen heeft van alle stakeholders (omwonenden, gemeenschap, gemeente etc.). Een mogelijkheid is dat de LEC’s deze rol op zich nemen. Het is dan wel noodzakelijk dat de gemeenschap, en niet alleen de investeerders, lid kunnen worden van de coöperatie zodat iedereen wordt vertegenwoordigd. Dit sluit aan bij het model Spinderwind. Een andere optie is dat de rendementen terecht komen in een omgevingsfonds (b.v. een stichting). Het beheer ligt dan bij een onafhankelijk bestuur en samen met de omgeving wordt een ‘lokale energie agenda’ opgesteld waarin afspraken worden gemaakt waar de gelden voor gebruikt kunnen worden. Dit sluit aan bij het model A16. Later in dit rapport worden deze modellen verder toegelicht.
4.3 Sociale participatie
44
Sociale participatie Sociale participatie is niet als ambitie geformuleerd in het Klimaatakkoord en de wind- en zon gedragscodes. Desondanks is afgesproken in het concept bod REKS van de regio Hart van Brabant dat sociale participatie specifieke aandacht krijgt en verankerd is in het participatie deel. De reden hiervoor is dat met het inrichten van sociale participatie uiting wordt gegeven aan het principe van distributieve rechtvaardigheid, vrij vertaald als 'het gelijk verdelen van de koek'. Niet iedereen heeft immers de mogelijkheid om financieel te participeren (of heeft andere barrières) maar ervaart de transitie als een last of kostenpost. Door revenuen uit windmolenparken of zonnevelden op enige wijze te besteden aan de gemeenschap komt de opbrengst op een andere manier ten goede aan deze stakeholders. De definitie “Gemeenschap” is breed gedefinieerd; hieronder vallen verenigingen, stichtingen, het MKB, scholen, religieuze gemeenschappen, huizenbezitters, probleemwijken. De opbrengst van het energieproject kan zo terugvloeien in de samenleving waardoor er voor de lokale samenleving een winstmodel ontstaat uit de transitie, wat kan bijdragen aan draagvlak. Sociale participatie vervult daarnaast een belangrijke rol als het gaat om het bereiken van een breed maatschappelijk draagvlak, waar financiële participatie meer uitgaat van draagvlak door eigenaarschap.
Sociaal participatie plan Het sociale deel van participatie kan worden vorm gegeven in een sociaal participatieplan. Belangrijk is dat dit aan het begin van het traject wordt vormgegeven. In dit plan kunnen de volgende onderwerpen aan bod komen: 1) 2) 3) 4)
Hoe ziet de sociale leefomgeving van het gebied rondom het energieproject eruit? Welke sociale cohesie is er aanwezig (carnavals verenigingen, buurtinitiatieven, scholen etc.) Welke initiatieven zijn gebaat bij financiële ondersteuning en hebben een brede maatschappelijke borging? Welke leden van de gemeenschap profiteren mee met een eventuele financiële ondersteuning?
Bovenstaande vragen vergen onderzoek per locatie/gebied. Daarnaast is het van belang dat het communicatieve element van sociale participatie aandacht krijgt; communicatie/omgevingsmanagement functionarissen van het duurzame energieproject moeten op de hoogte zijn van kansen en mogelijkheden van sociale participatie. Zij kunnen helpen om de boodschap, 'de gemeenschap investeert in een windmolen/zonpark en wij plukken er met z'n allen de vruchten van' goed en hiermee bij te dragen aan het beoogde draagvlak. De baten van een energieproject komen ten gunste aan de gehele omgeving. Een omgevingsfonds of klimaatfonds speelt hierbij een rol. Eigenaarschap van een wind- of zonnepark hoeft niet alleen te zijn weggelegd voor de meer vermogende mensen. Veel coöperaties geven kleine aandelen of obligaties uit, zodat iedereen kan meedoen, en hebben ook een bovengrens om grote investeerders buiten de deur te houden. Daarnaast kunnen mensen met een smalle beurs ook meeprofiteren door stroomafname.
5 Rollen LEC’s en uitdagingen
46
Aanpakken uitdagingen: intentieverklaring lokale energiecoöperaties Er zijn in de regio Hart van Brabant 14 lokale energiecoöperaties actief. Gegeven de uitdagingen die er liggen zoals hiervoor beschreven hebben deze coöperaties zich uitgesproken om zich gezamenlijk in te zetten om deze uitdagingen het hoofd te bieden. Zij zetten zich in om minimaal 50% lokale participatie in grootschalige wind- en zonprojecten te realiseren. De coöperaties doen daarbij een handreiking aan de gemeente, maar spreken ook het belang van een wederkerige inspanning uit. Om de 50% lokale participatie haalbaar te maken ambiëren de coöperaties het volgende: •
•
Gezamenlijk een professionaliseringsslag maken op het gebied van kennis, capaciteit en continuïteit; Op regionaal niveau de samenwerking gaan intensiveren. Uitgangspunt is daarbij dat de lokale verankering behouden blijft.
Aan de gemeenten verzoeken de coöperaties dat zij meehelpen deze ambitie waar te maken. Concreet gaat dit om: •
•
Toezeggen dat de gemeente de LEC’s, individueel of in samenwerking, zullen faciliteren en ondersteunen om hun rol bij de ontwikkeling, realisatie en exploitatie van grootschalige projecten op een professionele manier kunnen gaan uitvoeren; Bijdragen aan de benodigde financiële middelen voor de professionaliseringsslag en de voorinvestering in de projecten. Daarbij kunnen de BOM, de provincie en mogelijk andere partijen
•
naar verwachting ondersteunen. Een revolverend, regionaal fonds lijkt hiervoor de beste oplossing, zodat het voor de gemeenten uiteindelijk kostenneutraal is; In gemeentelijk beleid vastleggen dat bij de ontwikkeling van (grootschalige) zon- en windprojecten de ontwikkelende partij een lokale energiecoöperatie betrekt bij het realiseren van de lokale participatie. De lokale participatie moet in samenwerking met een lokale energiecoöperatie worden vormgegeven.
Participatie zoals geambieerd door de coöperaties betekent medeeigenaarschap voor inwoners, waarbij ook inwoners met een minder ruim financieel perspectief betrokken dienen te worden. Inherent hieraan is dat de financiële risico’s die bestaan tijdens de ontwikkelfase van energieprojecten niet worden neergelegd bij bewoners. Andere belangrijke ontwikkelingen zijn de professionalisering van coöperaties en financiering van voorinvesteringen. Beide verdienen aandacht om de ambities van de REKS, die zullen leiden tot een schaalvergroting van lokale energieprojecten, te kunnen waarborgen. De coöperaties ambiëren een regionale green deal met gemeenten om verder invulling aan hun rol binnen burgerparticipatie in energietransitie vorm te geven.
47
LEC’s gaan samen met gemeenten/ontwikkelaars voor 50% Het uitgangspunt in deze rapportage is dat energiecoöperaties, samen met gemeenten en ontwikkelaars, op basis van gelijkwaardigheid gaan samenwerken om 50% lokaal eigendom bij duurzame-energieprojecten voor elkaar te krijgen. Later in deze rapportage worden enkele denkrichtingen gepresenteerd hoe deze samenwerking kan worden vormgegeven.
Uitdagingen Om als energiecoöperatie vanaf de start van de ontwikkelfase gelijkwaardig samen te werken met andere partijen, dienen de volgende uitdagingen te worden geadresseerd: 1. Inbreng van kennis & competenties vanuit de coöperatie gegeven de rol die zij in het project willen/kunnen spelen en continuïteit hierin; 2. Voldoende kapitaal om de ontwikkelfase te doorlopen. Hier wordt het bouwrecht verkregen, waarmee binnen het project de meeste waarde wordt toegevoegd. Deze waardesprong wordt geborgd door voldoende kapitaal beschikbaar te hebben; 3. Voldoende kapitaal bij financial close om aansprakelijk vermogen in project in te brengen. In de praktijk zal het ook zo zijn dat er initiatiefnemers zijn die al een bestaande grondpositie hebben en een project al aan het ontwikkelen zijn. Ook in deze projecten dient de gemeente zich in te spannen de 50% lokaal eigendom te borgen. Wanneer vanuit de initiatiefnemers wordt aangeboden dat energiecoöperaties kunnen bijdragen is het onverminderd van belang om bovenstaande op orde te hebben. Dit zorgt ervoor dat een energiecoöperatie vanuit de toegevoegde waarde die ze voor het project heeft gesprekspartner wordt, vanuit een positie waarin dit geloofwaardig kan worden neergezet.
48
Uitdaging I: Inbreng van kennis & competenties vanuit de coöperatie gegeven de rol die zij in het project willen/kunnen spelen en continuïteit hierin
Benodigde competenties Het streven van de lokale energiecoöperaties (LEC’s) om samen met gemeenten voor tenminste 50% te participeren in de ontwikkeling, bouw en exploitatie van grootschalige energie opwek is een stevige opgave. Naast het (mede-) verantwoordelijk zijn voor een miljoenenbedrijf zullen inhoudelijke taken moeten worden vervuld op het gebied van algemeen- en projectmanagement, verwerven van middelen, financieel- en fiscaal management, marketing, communicatie en omgevingsmanagement en de techniek. Daarnaast zullen de projecten financieel rendement opleveren. Voor de lokale 50% staan de LEC’s samen met de gemeenten en ontwikkelaars aan het roer om hieraan een passende bestemming te geven. Daarbij is het de maatschappelijke taak van de LEC’s om zoveel mogelijk lokale inwoners (en wellicht ook bedrijven) hiervan mee te laten profiteren (inclusiviteit). De omstandigheden waarin projecten tot stand komt zijn complex. Er zijn veel stakeholders, ieder met hun eigen materiële en immateriële wensen. Een, niet limitatieve, opsomming: gemeente, provincie, grondeigenaren, direct omwonenden, inwoners van belendende woonwijken/-kernen en diverse maatschappelijke belangenorganisaties. Daarnaast krijgen wind-, maar ook zonprojecten, regelmatig te maken met weerstand uit de omgeving.
De LEC zal door haar rol in het project (lokale belangenbehartiger/vertegenwoordiger en soms ook initiatiefnemer) veelal het aanspreekpunt zijn voor de lokaal betrokkenen. Gegeven bovenstaande zal iedere LEC dus veel kennis en competenties in huis moeten hebben, dan wel organiseren, om deze verantwoordelijkheid gedurende vele jaren te kunnen dragen. Binnen de LEC’s in Hart van Brabant is al veel kennis en kunde aanwezig die door deskundige leden, veelal op vrijwillige basis, wordt ingezet. Het meest sprekende voorbeeld hiervan is de totstandkoming van windpark Spinder in Tilburg door 11 samenwerkende coöperaties. Teneinde de ambitie van de LEC’s, om tenminste voor 50% te participeren in de vanuit de REKS voortkomende duurzame-energieprojecten, waar te maken zal de reeds bestaande kennis en kunde zodanig moeten worden georganiseerd en opgeschaald dat een slagvaardige, adequate en op continuïteit gerichte samenwerking ontstaat. Hierbij wordt gedacht aan: een regionale ondersteuningsstructuur bestaande uit deskundigen uit de LEC’s (op zakelijke basis) en waarschijnlijk enkele vaste krachten (als daarvoor de middelen beschikbaar komen) en het waar nodig versterken of ondersteunen van de individuele LEC’s. Hierbij moet het mogelijk zijn om naar behoefte te kunnen opschalen door middel van inhuur en/of uitbesteding.
Na de ambitieuze intentieverklaring van de LEC’s is de vraag bij hen teruggelegd om de gewenste rol in de verschillende fasen van projecten nader uit te werken en aan te geven welke competenties bij hen reeds beschikbaar zijn, dan wel in de uitvoeringsorganisatie georganiseerd moet worden. Als hulpmiddel hierbij zijn in de tabel op de volgende slide de uit te voeren rollen en taken geïnventariseerd, onderverdeeld in de eerder onderkende parallelle sporen ruimtelijk, projectontwikkeling en participatie.
Uitdaging I: Inbreng van kennis & competenties vanuit de coöperatie gegeven de rol die zij in het project willen/kunnen spelen en continuïteit hierin Matrix rollen en taken voor projecten, opgedeeld in drie parallelle werksporen: ruimtelijk spoor, projectontwikkelspoor en participatiespoor. Enkele taken zijn onder algemeen gerubriceerd Parallelle sporen Rollen/taken in de diverse fasen van een project
Ruimtelijk
Projectontwikkeling
Participatie
Algemeen
Ontwikkelfase Verkennen van mogelijkheden voor een project met partners, grondeigenaren en gemeente
x
Samenwerkingsstructuur met andere LEC’s en regionale ondersteuningsstructuur goed afspreken, incl. rol-/taakverdeling
x
Haalbaarheidsonderzoek met de onderdelen: • Grondpositie contracteren • Verkennen ruimtelijke procedures • Draagvlakonderzoek/verwerven bij omgeving en politiek • Financiële haalbaarheid •
x
x x
x x
Samenwerking met partner (andere aandeelhouder) contracteren:
Contractueel vastleggen Investeringsplan en businesscase goedkeuren Ruimtelijke procedures incl. technisch onderzoek Technisch ontwerp Div. contracten en bestelling
x
x
x
x
x x
T.b.v. financiële participatie, waaronder opstellen participatieregels en -administratie conform AFMrichtlijnen en werven van deelnemers Engineering Banklening
x
x x
x x
x
Bouwfase Bouwen en in bedrijfstellen installatie
x
Exploitatie- en beheerfase Technisch beheer Financieel beheer
x x
Besteden rendement, waaronder: afspraken maken met lokale stakeholders, sociaal zwakkeren weten te bereiken, bedenken sociale bestedingspropositie en uitvoeren van de bestedingen
x x
49
50
Uitdaging II: Voldoende kapitaal om de ontwikkelfase te doorlopen Ontwikkelkosten zijn kosten die verband houden met de voorbereiding van een windpark of een zonnepark. Deze voorbereiding bestaat uit kosten voor onderzoek in verband met de financiering voor de projectleiding, marketing en communicatie, juridische, financiële en de technische voorbereiding. De gerealiseerde coöperatieve windparken zoals Spinderwind en Windpark Nijmegen-Betuwe hebben het ontwikkelkapitaal met moeite bij elkaar gekregen. Zeker in geval van opschaling van de wind- en zon ambities is het wenselijk dat ontwikkelkapitaal meer structureel aanwezig is. Enerzijds om projecten op gang te krijgen waarvan de coöperatie ook echt initiatiefnemer is en anderzijds om een positie te verkrijgen in projecten waarbij de coöperatie aanhaakt bij een (publieke of private) initiatiefnemer. Daarnaast is dit kapitaal gezien de waardesprong in deze fase wordt gerealiseerd cruciaal. Deze uitdaging rondom structurele beschikbaarheid van ontwikkelkapitaal is twee manieren aan te gaan: 1) Beperken van benodigde ontwikkelkapitaal Het beperken van ontwikkelkapitaal wordt gerealiseerd doordat partijen waar de energiecoöperatie zaken mee doet bereid zijn om de rekening naar achter te schuiven. Enkele voorbeelden hiervan uit de praktijk zijn:
• Beperken van de omvang of uitstel van betalen van leges door gemeente; • Samenwerken met adviseurs die de coöperatie (deels) risicodragend ondersteunen in de ontwikkeling en daarvoor met een zogeheten “succes fee” worden gecompenseerd, of met een aandeel in het windpark;
• Uren die door leden van de coöperatie worden gemaakt worden bij financial close vergoed. De volgende slide gaat verder in op de compositie van de ontwikkelkosten en hoe deze beperkt kunnen worden.
2) Funden van benodigde ontwikkelkapitaal Het nog benodigde ontwikkelkapitaal moet worden ingebracht. Dit kan door: • Het ophalen van geld bij burgers en bedrijven; • Beschikbaar stellen van ontwikkelkapitaal door de provincie, regio en/of individuele gemeente in de vorm van subsidie of een lening om de projectontwikkeling mee te bekostigen; • Binnenhalen van aandeelhouder zoals de BOM die mede ontwikkelkapitaal verschaft; • Beoogd turbineleverancier die ontwikkelkapitaal levert. Elk van deze fundingsmogelijkheden heeft zijn voor- en nadelen. Verderop in dit hoofdstuk wordt een aantal ondersteuningsstructuren behandeld die kunnen bijdragen aan het funden van benodigd ontwikkelkapitaal.
51
Uitdaging II: Voldoende kapitaal om de ontwikkelfase te doorlopen
Beperken ontwikkelkosten Eerder is becijferd dat het totaal in te brengen ontwikkelkapitaal door coöperaties ordegrootte ~15 miljoen is, uitgaande van 50% lokaal eigendom. Eventuele aankoop van grond is niet meegerekend in de ontwikkelkosten. De ontwikkelkosten van een windproject bestaan uit: • Leges aan de gemeente • Overige ontwikkelkosten:
Beperken van de omvang of uitstel van betalen van leges Een verplichting tot het betalen van leges ontstaat bij het in behandeling nemen van een aanvraag omgevingsvergunning. Het is mogelijk de legesheffing af te stemmen op het gemeentelijke duurzaamheidsbeleid op het gebied van de energietransitie. De uitwerking in de legesverordening kan op verschillende manieren plaatsvinden, zoals een gehele of gedeeltelijke vrijstelling van leges of een vermindering van leges als een bouw- of aanlegactiviteit bepaalde duurzaamheidsmaatregelen omvat. Ook het uitstellen van betalen van leges tot aan financial close is een mogelijkheid. Aan de andere kant levert uitstel van betaling gemeenten risico’s op. Er is dan ook een model denkbaar waarin dit risico op regionale schaal wordt gespreid. Beperken overige ontwikkelkosten De overige ontwikkelkosten bestaan grotendeels uit kosten die gemaakt moeten worden waarvan de partijen gezien hun belangen niet bereid zijn om de kosten te beperken of later af te rekenen. Denk aan specifieke onderzoeken die moeten worden verricht. De kosten van externe inhuur van projectontwikkeling en advisering zijn (deels) wel te beperken met gebruik van alternatieve verdienmodellen (succes fee bij financial close of een aandeel in het windpark als waardering voor het werk).
Om deze modellen in te kunnen zetten is vertrouwen nodig dat het project een goede kans van slagen heeft.
52
Uitdaging III: voldoende inbreng eigen vermogen bij financial close In hoofdstuk 2 is berekend dat voor de doelstellingen van Hart van Brabant een totale eigen vermogen inbreng van €20 miljoen door de lokale omgeving (50%) nodig is. De LEC’s zijn een van de partijen die aan de lat staan om dit in te brengen bij financial close, waarbij het niet op voorhand zeker is dat zij hiertoe in staat zijn. Daarom is het belangrijk om achtervang te hebben voor de inbreng van eigen vermogen. Het is dus nodig dat een partij zekerheid verstrekt richting externe kapitaalverschaffers dat de energiecoöperatie voldoende eigen (of achtergesteld) vermogen kan inbrengen, door een garantie te geven dat het eventuele "gat" aan aansprakelijk/eigen vermogen wordt opgevangen.
Financiering – opgave Hart van Brabant Totale investering (Capex)
€196.000.000
Aandeel eigen vermogen (EV)
20%
Totale inbreng EV
€39.200.000
Lokale inbreng EV
€19.600.000
Deze achtervang kan worden verstrekt door: • BOM –investeert maximaal 25% van de risicodragende investering voor een energieproject. Het project dient een minimale grootte van €4 miljoen te hebben. Verwacht in beginsel een marktconform rendement. • Klimaatfonds Tilburg – voorwaarden nog niet bekend. Wellicht gunstiger voorwaarden dan de BOM. Vraag is of dit fonds op termijn voor de hele regio beschikbaar komt. • Een structurele oplossing kan ook zijn een regionaal (ontwikkel- en) financieringsbedrijf. Dit bedrijf kan eventueel ook nog vreemd vermogen verstrekken, maar aangezien daaraan geen gebrek is (geen marktfalen) ligt dit niet gelijk voor de hand. • Landelijke energiecoöperaties/crowd funding.
Bij de aanbevelingen werken we de mogelijkheden op dit gebied verder uit.
6 Aanbevelingen en vervolgstappen
54
6 aanbevelingen voor ontwikkelen van participatiemodellen in Hart van Brabant Aanbeveling I: Laat de streefbeelden omtrent participatie in Hart van Brabant leidend zijn in het vormgeven van participatie in wind- en zonprojecten. Aanbeveling II: Gemeenten nemen indien mogelijk het voortouw in de startfase van het participatieproces. Aanbeveling III: LEC’s moeten voor hun inzet binnen de (REKS) projecten hun rol scherp definiëren in afstemming met andere stakeholders Aanbeveling IV: equipeer de coöperaties zodat zij in staat zijn samen met andere stakeholders 50% participatie waar te kunnen maken Aanbeveling V: Werk toe naar een uitvoeringsconvenant tussen overheden waarin afspraken gemaakt worden over de voor de uitvoering en organisatie van de REKS projecten, o.a. over de in te zetten kennis en kunde, ontwikkelkracht en de benodigde financiering. Aanbeveling VI: Maak op basis van het convenant een regionale green deal met vrijwillige afspraken tussen energiecoöperaties, provincie, gemeenten en private ontwikkelaars waarin de uitgangspunten van 50% lokale participatie worden vastgelegd.
Aanbeveling I: Laat de streefbeelden omtrent participatie in Hart van
Brabant leidend zijn in het vormgeven van participatie in wind- en zonprojecten
De aanbevelingen over hoe het participatieproces van duurzame-energieprojecten en mogelijke rol(len) daarin van de lokale energiecoöperaties kunnen worden opgesplitst in een reeks uitgangspunten en de verdere uitwerking hiervan. Onderstaande streefbeelden geven bieden een houtskoolschets hoe participatie in de regio Hart van Brabant vormgegeven kan worden. Het dient bezien te worden als basis uitgangspunten van waaruit het gesprek met stakeholders kan worden aangegaan. 1) 2) 3) 4) 5) 6) 7) 8) 9) 10) 11) 12) 13) 14)
De ambitie voor 50% lokaal eigendom wordt omarmd Partijen in de regio staan hier samen voor aan de lat Proces- en financiële participatie uit het Klimaatakkoord vormen de grondslag voor elke gemeente van de regio Hart van Brabant. Er wordt specifiek aandacht besteed aan sociale participatie. Wat betekent dat de regionale stakeholders er samen voor zorgen dat iedereen kan meedoen/meeprofiteren, ook mensen met een laag inkomen Lokale verankering is het uitgangspunt van de projectontwikkeling Burgerparticipatie betekent mede-eigenaarschap voor de inwoners in de projecten Het risico voor de kosten in de ontwikkelfase wordt niet bij (individuele) burgers neergelegd. Veel kleine participanten heeft de voorkeur boven enkele grote Opbrengsten, anders dan een redelijke vergoeding op ingelegd kapitaal, worden besteed aan duurzaamheid (bijvoorbeeld via een duurzaamheidsfonds. De vorm en spelregels hiervan zullen nog nader uitgewerkt worden Rendementen moeten lokaal landen en ten goede komen aan de energietransitie of verduurzaming van de omgeving De rendementen moeten ten goede komen aan alle inwoners van Hart van Brabant.
Al is nog uit te werken hoe de lasten en de lusten daarbij precies verdeeld gaan worden Op regionaal niveau is daar waar nodig een professionele uitvoeringsorganisatie beschikbaar om de ontwikkeling van duurzame regionale energieprojecten te ondersteunen, in samenwerking met gemeenten en LEC’s. De participatie van de LEC’s moet een positieve bijdrage leveren aan het draagvlak voor en de slagingskans van een initiatief. Ook moet de bewustwording ten aanzien van de gehele energietransitie erdoor worden verhoogd Een participerende (combinatie van) LEC’s trekt vanaf het initiatief, op basis van gelijkwaardigheid, op met de ontwikkelaar(s), als de LEC’s niet zelf de initiatiefnemer zijn.
Bovenstaande uitgangspunten zijn leidend bij de aanbevelingen en vervolgstappen die op de volgende slides worden gepresenteerd. Zij dienen als principiële basis waarop de regionale samenwerking wordt gebaseerd.
55
56
Aanbeveling II : Gemeenten nemen indien mogelijk het voortouw in de
startfase van het participatieproces
Gemeenten kunnen in de ontwikkelfase van het project in het opzetten van het participatieproces het voortouw nemen met behulp van instrumenten als een quickscan. Hierbij is de meest ideale situatie dat de ontwikkeling van het duurzame project in de voorgaande planfase al vanuit een publieke ontwikkeling is vormgegeven in goede samenwerking met ontwikkelaars. In deze situatie kan de gemeente het voortouw nemen en bepalen welke partijen betrokken kunnen worden in het participatieproces, waarover zij worden betrokken en wanneer. Onderdeel hiervan is het bepalen welke rol de gemeente als bevoegd gezag wil spelen in het proces en welke rol de ontwikkelaar daarin heeft. Voor de hubs kan op regionaal niveau worden samengewerkt met andere gemeenten om dit proces vorm te geven, al dan niet met ondersteuning van de lokale LEC’s. Een instrument als een quickscan kan hierbij zeer behulpzaam zijn. Een andere belangrijke reden om het voortouw te nemen als gemeente is het gegeven dat publieke afdwingbaarheid om minimaal 50% lokaal eigendom af te dwingen bij een duurzaam energieproject wettelijk geen grond heeft3. De afspraken met initiatiefnemers die gemaakt worden vóórdat de vergunningen verleend zijn moeten puur ruimtelijk van aard zijn. Gemeenten rest daarom alleen de mogelijkheid om via regionale green deals met projectontwikkelaars privaatrechtelijke afspraken te maken op dit onderwerp.
Om deze reden zouden de gemeenten het voortouw moeten nemen. Procescommunicatie naar de in- en omwonenden is een belangrijk onderdeel van de procesparticipatie. Gemeenten hebben vanuit hun positie al een uitstekende positie om de in- en omwonenden te informeren over de ontwikkeling van het duurzame energieproject. Het is echter niet vanzelfsprekend dat gemeenten het voortouw kunnen nemen. Er zijn situaties waarbij ontwikkelaars een grondpositie hebben ingenomen waardoor het participatieproces vanuit deze uitgangspositie start. In deze situatie is de ontwikkelaar vooral aan zet om het participatieproces verder vorm te geven. De rol van de gemeente kan hier meer faciliterend zijn, en kan eventueel aanbieden aan de ontwikkelaar om in samenspraak het participatieproces verder vorm te geven. Tevens is de benodigde capaciteit bij gemeenten vaak een knelpunt. Het uitvoeren van het participatieproces vergt veel inzet, hetgeen bij de kleinere gemeenten voor terughoudendheid kan zorgen. De op te zetten uitvoeringsorganisatie van de REKS kan dit knelpunt op te lossen door de inzet van expert teams, die dit capaciteitsprobleem kan mitigeren.
57
Aanbeveling III : LEC’s moeten voor hun inzet binnen de (REKS) projecten hun rol scherp definiëren in afstemming met andere stakeholders.
Momenteel ligt er een intentieverklaring van de 14 LEC’s die de ambities verwoordt van hun bijdrage aan de ontwikkeling van duurzame energieprojecten in de regio. Deze ambities moeten de komende periode verder geconcretiseerd worden zodat voor alle stakeholders duidelijk wordt welke rol de coöperaties op zich kunnen nemen.
Voor deze concretisering wordt aanbevolen om de volgende uitgangspunten te hanteren: 1. Doe een aanbod tot samenwerking. De rol van de LEC’s kan op verschillende manieren worden ingevuld, van licht tot zwaar. En van samen optrekken tot zelf ontwikkelen als ‘marktpartij’. Wanneer de doelstelling is om zo’n groot mogelijk deel van de revenuen lokaal/regionaal te laten landen en daadwerkelijk bij alle doelgroepen terecht te laten komen dan zouden gemeenten en LEC’s hierin samen op moeten trekken. Op deze manier kan het best een samenwerking met marktpartijen gezocht worden en kan er ook invulling gegeven worden aan de juridische belemmeringen om de 50% lokaal eigendom af te dwingen. Door samen met de gemeenten op te trekken kunnen ook de belangen van beide partijen het best worden geborgd en kwaliteiten optimaal worden ingezet. 2. Ga in dialoog met andere stakeholders en specifiek met de gemeenten De belangen en ambities van de verschillende stakeholders lopen uiteen. Het verdient dan ook een aanbeveling om bij het interne proces tussen de LEC’s ook meningen en visies van andere stakeholders te betrekken. En dan voornamelijk die van de gemeenten omdat daarmee het meest intensief zal worden samengewerkt in de uitvoering. Pas wanneer de verwachtingen ‘van buitenaf’ goed helder zijn kan ook het best de eigen rol van de LEC’s worden gedefinieerd.
Op deze manier wordt ook voorkomen dat het ‘aanbod’ namens de LEC’s niet land bij de gemeenten en andere stakeholders.
Aanbeveling IV: equipeer de coöperaties zodat zij in staat zijn samen met andere stakeholders 50% participatie waar te maken Geconstateerd is dat de coöperaties onvoldoende geëquipeerd zijn om hun rol bij de ontwikkeling, realisatie en exploitatie van grootschalige opwek professioneel te vervullen. Hierbij zijn een gebrek aan kennis, ontwikkelkapitaal en financieringskracht een belangrijke belemmering voor LEC’s. De energie coöperaties kunnen alleen een volwaardige partner zijn als zij in de projectontwikkeling ook daadwerkelijk waarde kunnen toevoegen. Het is dus van belang dat de coöperaties deze waarde kunnen leveren op het moment dat dit nodig is. Diverse stakeholders kunnen een bijdrage leveren om de energie coöperaties beter te equiperen (kennis, ontwikkelkapitaal, financiering); •
Lokale bedrijfsleven; ambities verduurzamen onderneming en rol lokale GVO’s daarbij, omvang behoefte GVO’s, kansrijkheid bijdrage aan ontwikkelingen financiering wind- en zonprojecten, via welk model kan bijdrage het best worden gestructureerd;
•
Gemeenten: mogelijkheid en bereidheid betalen leges te beperken en/of uit te stellen tot financial close, bijdragen aan ontwikkelkapitaal, welke structurering (fonds, bedrijf) en vorm inbreng (subsidie, lening). Daarnaast kunnen gemeenten via een eventueel ontwikkelbedrijf ook bijdragen aan risicodragend kapitaal en de professionaliseringsslag voor coöperaties.
•
Specifiek Gemeente Tilburg: Het college van B&W van Tilburg ondersteunt een initiatiefvoorstel en onderzoekt hoe Tilburg als initiatiefnemer en financier grootschalige energie opwek kan realiseren, waarbij het uitgangspunt is dat de in te zetten middelen tenminste worden terugverdiend en de rendementen worden gebruikt voor de verdere financiering van de energietransitie in de stad. Daarbij wordt gekeken naar een verantwoorde inzet €200 miljoen
•
Provincie: bijdragen aan ontwikkelkapitaal, welke structurering (fonds, bedrijf) en vorm inbreng (subsidie, lening). Toegevoegde waarde ten opzichte van BOM door wellicht gunstiger voorwaarden te stellen aan inbreng kapitaal. Daarnaast kan de Provincie een rol pakken of de regie nemen over de ruimtelijke procedures, zodat er lokaal gefocust kan worden op het vormgeven en borgen van de 50% lokaal eigendom.
•
De BOM investeert vanuit hun rol direct in (onder andere) duurzame energieprojecten. Zou de BOM bereid zijn bij te dragen aan een regionaal ontwikkelfonds/-bedrijf? Wat is de toegevoegde waarde voor de BOM en kan de BOM in een rol in het fonds meer betekenen voor projecten. Is het ontwikkelfonds ook open voor (kleine) ontwikkelaars?
In de volgende slides zijn enkele denkrichtingen opgenomen om deze belemmeringen weg te nemen. De 14 leidende streefbeelden liggen hieraan ten grondslag. Belangrijk is dat de genoemde structuren slechts enkele denkrichtingen zijn waarin deze principes terugkomen, er zijn nog vele andere structuren denkbaar.
58
59
Denkrichting 1: model ontwikkelfonds Ontwikkelfonds – Het regionale ontwikkelfonds heeft als doel het beschikbaar stellen van ontwikkelkapitaal om zo duurzameenergieprojecten te helpen realiseren. Voor ontwikkelkapitaal kunnen projecten kunnen een beroep doen op het ontwikkelfonds voor financiële middelen om ontwikkelkosten te betalen, welke dan bij financial close worden terugbetaald. De projecten worden vanuit de energiecoöperaties, ontwikkelaars en gemeenten professioneel ontwikkeld, waar het fonds de coöperaties een positie geeft om de rol als initiatiefnemer op te kunnen pakken. Daarnaast kunnen ook gemeenten profiteren van het fonds. Het beschikbaar stellen van ontwikkelkapitaal kan in de vorm van subsidie of een lening. Het is denkbaar bij het beschikbaar stellen van de lening een rente te vragen waarbij de hoofdsom van de lening inclusief rente wordt terugbetaald bij financial close. Aan het ter beschikking stellen van de lening kunnen ook bepaalde eisen worden gesteld, zoals een in voldoende mate professionele energiecoöperatie. Of als de initiatiefnemer een private ontwikkelaar is, eisen die borgen dat ruimte wordt gegeven voor lokaal eigendom. Bij de hoogte van de rente kan het maatschappelijk belang worden meegewogen zonder ongeoorloofde staatssteun te verlenen.
Daarnaast is een denkrichting het ontwikkelfonds op te delen in een ‘project-specifiek’ deel en een algemeen deel. Bedrijven zouden zo in staat worden gesteld bij te dragen aan projecten in hun direct omgeving, hetgeen aantrekkelijk kan zijn als hier bijvoorbeeld GVO’s tegenover staan. De publieke spelers die bijdragen aan het fonds zouden dan in het ontwikkelkapitaal kunnen voorzien die niet worden opgepakt door het bedrijfsleven en andere kosten die niet direct aan een specifiek project kunnen worden toebedeeld. Een andere mogelijkheid is dat bedrijven niet via het fonds, maar direct in projecten investeren.
Verstrekker vreemd vermogen
Ontwikkelaar
Project 1
Project 2
Project 3
SPV6 / expertiseteam LEC 1
SPV / expertiseteam LEC 2
SPV / expertiseteam LEC 3
€
€
€
Ontwikkelfonds Ontwikkelkapitaal € Bedrijfsleven
€ Provincie
€ Gemeente
€ BOM
6. SPV: Special Purpose Vehicle., oftewel een entiteit specifiek opgericht voor het betreffende project.
60
Denkrichting 2: model ontwikkelbedrijf
Ontwikkelbedrijf – Het doel van het regionale ontwikkelbedrijf overlapt met dat van het ontwikkelfonds, namelijk het beschikbaar stellen van ontwikkelkapitaal. Aanvullend op het fonds is er binnen het ontwikkelbedrijf kennis en kunde aanwezig over het opzetten van wind- en zonprojecten. Deze expertise is afkomstig van een flexibele schil van experts die gezamenlijk alle benodigde expertises afdekken. Deze experts kunnen afkomstig zijn uit de LEC’s, maar nemen deel op persoonlijke titel. De kennis/kunde wordt beschikbaar gesteld wanneer nodig. Dit equipeert enerzijds de energiecoöperaties bij het (mee)ontwikkelen van projecten en geeft hen een sterkere positie. Anderzijds kan deze kennis/kunde ook door gemeenten in hun voordeel worden gebruikt zodat zij beter in staat zijn de opwekopgave te helpen realiseren. Het ontwikkelbedrijf equipeert zo dus ook gemeenten.
Verstrekker vreemd vermogen
Ontwikkelaar
Project 1
Project 2
Project 3
SPV / expertiseteam LEC 1
SPV / expertiseteam LEC 2
SPV / expertiseteam LEC 3
Met de gemeenten aan boord van het ontwikkelbedrijf kunnen zij eveneens een sturende rol innemen op het gebied van procesparticipatie en vergunningverlening. Het ontwikkelbedrijf kan diverse stakeholders aandeelhouders hebben die vanuit hun eigen belangen bijdragen. Vergeleken met het ontwikkelfonds kent dit model een breder doel. Het is belangrijk dat er goed doordachte afweging wordt gemaakt of de kennis en kunde (FTE’s van schil experts) voldoende toevoegen bovenop het beschikbaar stellen van ontwikkelkapitaal.
Ontwikkelbedrijf Kennis / kunde Kennis/kunde
Gemeenten
€ Provincie
Ontwikkelkapitaal
€
€ Bedrijfsleven
€
BOM
61
Denkrichting 3: model ontwikkel- & financieringsbedrijf Ontwikkel- & financieringsbedrijf – Het doel van het regionale ontwikkel- & financieringsbedrijf overlapt deels met dat van het regionaal ontwikkelbedrijf
Verstrekker vreemd vermogen
Ontwikkelaar
Additioneel naast het faciliteren van het ontwikkeltraject bestaat ook de mogelijkheid om vanuit het bedrijf risicodragend te investeren in projecten, samen met de energiecoöperaties en ontwikkelaars. Voor de coöperaties kan het ontwikkel- en financieringsbedrijf als achtervang dienen. Het ontwikkel- en financieringsbedrijf kan ook gemeenten in staat stellen risicodragend te investeren in projecten wanneer zij dit willen. Zo kan er op regionale schaal worden samengewerkt en is er ook de mogelijkheid als individuele gemeente bij te dragen aan projecten.
Project 1
Project 2
Project 3
SPV / expertiseteam LEC 1
SPV / expertiseteam LEC 2
SPV / expertiseteam LEC 3
Ontwikkel- en financieringsbedrijf Kennis / kunde Kennis/kunde
Gemeenten
Ontwikkelkapitaal €
Provincie
€
Financiering EV €
Bedrijfsleven
€
BOM
Aanbeveling V: Werk toe naar een uitvoeringsconvenant tussen
overheden
De REKS opgave voor Hart van Brabant is fors, en vereist een goede samenwerking tussen de REKS overheidspartijen in de uitvoeringsfase. De hiervoor benodigde samenwerkingsafspraken over de uitvoering kunnen worden vastgelegd in een convenant. Op deze wijze kunnen heldere afspraken gemaakt worden over de doelen van de samenwerking, randvoorwaarden van de uitvoering, en rolverdeling. Zo is er vanuit de publieke kant 1 lijn van waaruit een regionale green deal participatie kan worden ingestoken (zie aanbeveling V). Door een goede samenwerking en publieke uitvoering van onder meer de ruimtelijke inpassing van wind- en zonneparken zoals vastgelegd in een convenant wordt toegevoegde waarde gecreëerd richting private partijen. De gezamenlijke overheidspartijen hebben daarmee waarde te bieden en kunnen daarvoor ook meer randvoorwaarden stellen richting met private partijen over optimale vormen van burgerparticipatie en de rol van de energie coöperaties. In het convenant kunnen de volgende onderwerpen afgesproken worden:
• Vastleggen van de gemeenschappelijke doelen;
• • •
• • •
o Te behalen opgesteld vermogen van de verschillende REKS projecten; o Inwerkingtreding en duur uitvoeringsorganisatie; Vastleggen van verplichtingen van partijen (taken en rollen); Structuur en organisatie van de uitvoeringsorganisatie; Beschrijving van activiteiten en reikwijdte van de uitvoeringsorganisatie; o Monitoring o Kennis & kunde, o Wijze van bekostiging van de ontwikkelactiviteiten, o Financiering van de realisatie van REKS projecten De wijze van betrokkenheid van andere partijen, zoals LEC’s, Enexis en het lokale bedrijfsleven Uitvoering van het participatieproces; Financiering
Dit convenant kan na het vaststellen van het concept-bod REKS door alle partijen worden vormgegeven en kan eind 2020 bekrachtigd worden.
62
Aanbeveling VI: Maak op basis van het convenant een regionale green
deal met vrijwillige afspraken tussen gemeenten, private ontwikkelaars energiecoöperaties en andere partijen Regionale Green Deal participatie In de uitvoeringsfase van de REKS wordt invulling gegeven aan de ambitie van 50% lokaal eigendom waarbij er aandacht is voor en regie is op de gestelde streefbeelden voor participatie. Deze ambitie kan niet langs publieke weg afgedwongen worden. Een privaat middel om dit met alle stakeholders te organiseren is het afsluiten van een Green Deal. Het windproject langs de A16 heeft aangetoond dat dit een effectieve manier is om het lokaal eigendom te organiseren. Een Green Deal is een afsprakenkader waarbinnen je met partijen samenwerkt om een duurzaamheidsopgave in te vullen. Binnen de REKS heeft dit betrekking op de realisatie van de gestelde opgave (wind en zonneparken) en het organiseren van de 50% lokaal eigendom. De opgave kan zowel regio breed als op gebiedsniveau worden ingestoken. De aanbeveling is om de 50% lokaal eigendom te organiseren middels een Green Deal. Waarbij het de voorkeur heeft om dit, gezien de behapbaarheid van het proces, per gebiedsopgave vorm te geven. Proces Green Deal Om een Green Deal af te sluiten dienen een aantal stappen, zorgvuldig doorlopen te worden. Onderstaand een puntsgewijs overzicht. Wanneer de Green Deal aanpak wordt omarmd zal dit verder uitgewerkt moeten worden in een plan van aanpak
1. 2. 3. 4. 5.
De ambitie van 50% lokaal eigendom en de streefbeelden op te nemen in het beleid (REKS en afwegingskaders – lokaal en regionaal) Samenwerkingsovereenkomst afsluiten tussen lokale stakeholders (LEC’s) en Gemeenten als vervolg op de interne intentieovereenkomst van de LECs; Op basis van deze intentie overeenkomst marktpartijen betrekken; Gezamenlijk de uitgangspunten vastleggen; Vormgeven van een uitvoeringsorganisatie (capaciteit) en ontwikkelfonds (middelen) die gezamenlijk als doel hebben om zo veel mogelijk rendement lokaal te houden en invulling te geven aan de Green Deal; 6. Lokaal plannen maken (energie-agenda’s) om invulling te geven aan de rendementen die middels het lokaal eigendom beschikbaar komen.
63
64
Vervolgstappen Proces stappen De hiervoor gepresenteerde modellen tot regionale samenwerking zijn, zoals eerder genoemd, denkrichtingen. Een belangrijke vervolgstap is het inrichten van de samenwerking middels een uitvoeringsorganisatie. Voor het vormgeven van de samenwerking zouden de volgende vervolgstappen genomen dienen te worden:
1. Vaststellen bestuurlijke streefbeelden REKS (publieke) partijen. 2. Uitwerken van een convenant tussen REKS (publieke) partijen. 3. Uitwerken van een samenwerkingsovereenkomst tussen 4. 5. 6. 7.
de LEC’s en de REKS uitvoeringsorganisatie Deze stap dient te worden doorlopen parallel aan het uitwerken van een convenant tussen de REKS partijen. Opstellen van een door overheden en LEC’s gedragen concept ‘Regionale Green Deal participatie’. Marktpartijen uitnodigen om in dialoog te gaan over de Green Deal. Afsluiten Green Deal tussen alle partijen. Inrichten en in bedrijf stellen functionele uitvoeringsorganisatie.
en/of
gemeenten.
Bijlagen
1 Voorbeelden projecten
67
Bijlage: aantal voorbeeldprojecten In deze bijlage worden een aantal voorbeeldprojecten geëxamineerd op de drie facetten van participatie. Hieruit kunnen waardevolle lessen worden geleerd, zowel van zaken die succesvol zijn verlopen, maar ook dingen die minder goed zijn gegaan en waar lering uit kan worden getrokken. De volgende projecten worden behandeld: • Energie A16 • Spinder Wind • Windpark Nijmegen-Betuwe
Energie A16 Korte beschrijving project Energie A16 is een gebiedsontwikkeling die voor energie start met 28 windmolens van 4,5-5,2MW (maximale tiphoogte 210 meter) in meerdere clusters met 9 verschillende projectontwikkelaars. Van Hazeldonk (Belgische grens) tot aan de Moerdijkbrug langs de A16. De bouwvergunningen zijn verstrekt door Provinciale Staten, procedure bij Raad van State loopt nu, uitspraak te verwachten medio 2020. Start bouw eind 2021 – aanvang 2022. Het ruimtelijke spoor inclusief eerste digitale MER is te vinden via de link, de uitwerking van de lokale participatie/meerwaarde is te vinden via deze link. De windmolens worden gezien als middel om een inclusieve energietransitie in het gebied te realiseren.
Procesparticipatie De A16 als zoekgebied voor minimaal 100MW, dit stamt uit het eerste energie-akkoord. Gemeenten hebben destijds een windenergie bod gedaan. Formeel was het Rijk bevoegd gezag. Op verzoek van de 4 aanliggende gemeenten heeft de provincie via een coördinatiebesluit de bevoegdheid overgenomen. De gemeenten en de provincie hebben via het convenant A16 rollen en taken afgestemd. Gemeenten zijn verantwoordelijk voor de lokale participatie en de provincie voor het ruimtelijke spoor en is regisseur. Vanuit alle gemeenten zijn vertegenwoordigers uit de samenleving aangehaakt voor de uitwerking van de green deal afspraken. De provincie Brabant heeft ervoor gekozen een open planproces te organiseren. Voor een goed artikel over het hele proces zie deze link. Het gegeven dat er windmolens komen stond weliswaar vast (afspraak met het Rijk), maar hoeveel, hoe groot en waar precies, niet. Puur gelet op hindernissen op basis van wettelijke normen was de zone van 1 kilometer aan weerzijde van de A16 geschikt voor 40+ windmolens 150-200MW opgesteld vermogen. Omwonenden en andere lokale belanghebbenden zijn uitgenodigd mee te doen en velen hebben daaraan ook gehoor gegeven. Via tientallen informatieavonden, klankbordgroep-bijeenkomsten, keukentafelgesprekken en kenniscafés is een traject doorlopen dat begon met 24 mogelijke opstellingsvarianten.
Hiervan zijn er 11 nader onderzocht. Voorkomen van geluidsoverlast bleek het meest gedragen leidende principe. Het uiteindelijke voorkeursalternatief met 28 windmolens is daarop gebaseerd. Vele maatregelen en acties binnen dit alternatief zijn voortgekomen uit overleg met de omgeving. Vrijwel de hele participatieladder is doorlopen waarbij het kader “er komt 100MW windenergie” vaststond.
Financiële participatie De samenwerking A16, bestaande uit vertegenwoordigers wijk- en dorpsraden, bewoners/bestuursleden lokale stichtingen, gemeenten, provincie, programma sociale innovatie en Energiefonds Brabant hebben ervoor gekozen de financiële participatie vanuit de omgeving pas na financial close te gaan organiseren. De provincie Brabant verhaalde de plankosten pas bij het afgeven van de bouwvergunning na vaststelling van het voorkeursalternatief. Dat betekende voor alle ontwikkelaars een ‘free ride’ tot dat moment. Hierdoor werd het totale project-ontwikkelrisico een stuk kleiner. We hebben vervolgens een tussenorganisatie ingericht (Participatiefonds Windenergie A16) die met funding vanuit het Energiefonds Brabant, via 4 lokale participatiefondsen een belang van 25% heeft genomen in 13 projectentiteiten. Na financial close is het idee via crowdfunding de inleg van het Energiefonds Brabant op termijn en nominaal te vervangen. Alle toegevoegde waarde blijft achter in de 4 lokale fondsen.
De inzet van deze middelen moet volgens de volgende leidende principes worden ingezet: 1: Iedereen moet mee kunnen doen (zie hierna), 2: er is een betere verdeling lasten – lusten nodig (dat vertaalt zich in deelname start dichterbij de molens) en 3: de revenuen dienen als hefboom ingezet te worden (dat vertaalt zich in investeringen in nieuwe projecten zoals zonnedaken/velden, ESCO structuren, elektrisch vervoer e.d.). Via het traject van de lokale energie agenda, georganiseerd via lokale stichtingen (in het algemeen belang opgezet) en wijk- en dorpsraden, wordt bepaald voor welke projecten de middelen worden ingezet. De focus zal bij de A16 komen te liggen op zonnepanelen (op eigen dak en via collectief zon op andermans dak/veld en isolatie inclusief kierdichting, waterzijdig inregelen en ventilatie (zie ook pilot 80-60-40 Slimme Stappen) voor alle mensen thuis. Sport en MKB kan meedoen.
68
Energie A16 Korte beschrijving project Energie A16 is een gebiedsontwikkeling die voor energie start met 28 windmolens van 4,5-5,2MW (maximale tiphoogte 210 meter) in meerdere clusters met 9 verschillende projectontwikkelaars. Van Hazeldonk (Belgische grens) tot aan de Moerdijkbrug langs de A16. De bouwvergunningen zijn verstrekt door Provinciale Staten, procedure bij Raad van State loopt nu, uitspraak te verwachten medio 2020. Start bouw eind 2021 – aanvang 2022. Het ruimtelijke spoor inclusief eerste digitale MER is te vinden via de link, de uitwerking van de lokale participatie/meerwaarde is te vinden via deze link. De windmolens worden gezien als middel om een inclusieve energietransitie in het gebied te realiseren.
Sociale participatie Als je dieper graaft kom je erachter dat nu maar 15% van alle huishoudens gebruik (kunnen) maken van of de energie gerelateerde leningen en/of de subsidies die mogelijk zijn voor het aanschaffen van energiemaatregelen zoals zonnepanelen. De huishoudens binnen deze doelgroep zijn overwegend ook de huishoudens die financieel participeren in energieprojecten via bijvoorbeeld crowdfunding. 15% van de huishoudens zit met, of dicht tegen betalingsproblemen aan (dit % zal zeker stijgen). Voor deze doelgroep wordt via de pilot EVI (energie voor iedereen) onderzocht hoe deze huishoudens te betrekken zijn bij de energietransitie. De leerervaring daar wordt gebruikt in de aanpak A16. De grootste uitdaging zit dus vooral in het kunnen betrekken van de 85% van de huishoudens die nu niet participeren in de energietransitie. De thema’s zijn daarvoor financiële participatie, zonne-energie, isolatie (zie hiervoor) en duurzame energieafname, ieder thema afzonderlijk of in samenhang. In de gemeente Breda wordt momenteel onderzocht hoe GGF (Gebouw Gebonden Financiering) kan worden ingezet. Een mogelijke vertaling hiervan gaat A16-breed een toepassing vinden, wellicht zelfs met eigen AFM vergunning.
Er wordt momenteel gewerkt aan een toekomstbestendige coöperatieve governance A16-breed voor collectieve zonprojecten via de Regeling Verlaagd Tarief (postcoderoos) of SDE+, waarbij het idee is om via voorfinanciering uit de fondsen de instap als deelnemer zonnestroom voor omwonenden te verlagen, mogelijk zelfs naar € 25 per deelnemer of nog minder. Aangezien een laadpaal ook lid kan zijn van een coöperatie, ligt het ‘aansluiten’ van elektrisch (deel) vervoer in het verlengde hiervan. Het initiëren van nieuwe projecten met een eigen verdienmodel voor een specifieke doelgroep, denk aan sport of sociale verhuur, is ook een van de mogelijkheden. Doordat de fondsen ter beschikking staan aan de lokale energieagenda-afspraken (sociaal contract) waar ook de gemeente onderdeel van is, is langjarige samenwerking mogelijk. Bovenstaande vraagt van alle partijen een behoorlijke bijdrage. De grootste uitdaging is de samenwerking vast te houden, ieders rol scherp te houden en daarbinnen om te gaan met nieuwe medewerkers en inwoners die eerst 6 – 9 maanden nodig hebben om zich in te werken. De borging van e.a. is vastgelegd in de governance A16 (geheel aan rechtsvormen en overeenkomsten). De middelen uit de fondsen worden pas ingezet als het instrumentarium er is om iedereen mee te kunnen laten doen, hetgeen een forse uitdaging is.