CConstaterende datOisterwijk
Koppel je AI →
Document · PDF

21-39 Vaststellen REKS- bijlage 2k Burgerparticipatiemodellen voor wind-en-zonne-energie

RAAD 3 juni 2021, gemeente OisterwijkBij agendapunt: 21-39 Vaststellen Regionale Energie en Klimaat Strategie (REKS)19.667 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Burgerparticipatiemodellen voor wind- en zonprojecten Proces, sociaal en financieel

Definitief 23 april 2020

2

Managementsamenvatting Inleiding De Regio Hart van Brabant zet vol in op het realiseren van nieuwe wind- en zonprojecten. De afspraken in het Klimaatakkoord over onder meer burgerparticipatie vormen daarvoor de basis. Het verwerven van draagvlak en acceptatie bij omwonenden, bijvoorbeeld door het bieden van mogelijkheden tot (financiële) participatie, bevordert een voorspoedige uitrol van wind en zon op land. Vanuit de regio Hart van Brabant en het programma Sociale Innovatie in Energie, een samenwerking tussen Enpuls en de provincie Noord-Brabant, hebben Rebel en 14 energiecoöperaties in Hart van Brabant gevraagd om financiële, proces- en sociale burgerparticipatiemodellen te ontwikkelen. Daarbij is er specifieke aandacht voor de rol van de energiecoöperaties. Wij zijn van mening dat draagvlak en eigenaarschap van duurzame-energieprojecten bij uitstek ontstaat door een goede procesparticipatie en met oog voor de toegankelijkheid van financiële arrangementen voor participatie voor alle inwoners van Hart van Brabant. Deze rapportage geeft inzichten en ideeën om participatieprocessen te verbeteren en in te passen voor duurzame energieprocessen.

Hierbij zijn twee onderwerpen specifiek uitgelicht: 1) Een aanpak voor het participatieproces van duurzameenergieprojecten binnen Hart van Brabant 2) Een aanpak wat de mogelijke rol van energiecoöperaties kan zijn bij het vormgeven van financiële, proces- en sociale participatie in de vorm van eigendom van duurzame energieprojecten. Daarnaast wordt een aanpak geformuleerd voor sociale participatie. Hoe zorgen we ervoor dat alle burgers van Hart van Brabant mee kunnen doen (inclusiviteit), ook diegenen met een smalle beurs. Dit sociale aspect van participatie komt zowel terug in de procesparticipatie alsook door financieel te participeren.

Kaders In het Klimaatakkoord is opgenomen dat het verwerven van draagvlak bij omwonenden, bijvoorbeeld door het bieden van mogelijkheden tot (financiële) participatie, een voorspoedige uitrol ondersteunen en bevorderen. Dit met als ambitie dat 50 procent van nieuwe hernieuwbare productie op land in eigendom komt van de lokale omgeving. De gedragscodes wind en zon schrijven op hoofdlijnen een vergelijkbaar beeld voor. Levensfasen in wind- en zonprojecten Bij realiseren van wind- en zonprojecten zijn verschillende fasen te onderscheiden: 1. 2. 3.

Ontwikkelfase Bouwfase Exploitatiefase

De ontwikkelfase begint met de eerste oriënterende gesprekken. Stakeholders hierin zijn o.a. de initiatiefnemers, grondeigenaren, gemeente en energiecoöperatie(s). Hierbij komen onderwerpen aan de orde als de beoogde locatie, afstemming van ambities en de wijze van samenwerking. Er zijn in de ontwikkelfase 3 verschillende ‘sporen’ te onderscheiden: het ruimtelijk spoor (doorlopen van de ruimtelijke procedures), het participatiespoor (betrekken van de omgeving en invullen van lokaal eigendom) en de brede projectontwikkeling (alles wat niet onder de vorige sporen valt).

3

Managementsamenvatting In de bouwfase wordt het park daadwerkelijk gerealiseerd door de partijen die daarvoor zijn gecontracteerd. Belangrijk is wel om dit goed te monitoren en daarover te communiceren. Deze fase wordt afgesloten met de opening van het park Wanneer het park is gerealiseerd volgt de exploitatiefase. Het park zal dan op een professionele wijze technisch en administratief beheerd moeten worden. Wanneer er voor gekozen wordt om de 50% ‘ademend te organiseren’ en mensen dus ook na financial close nog in en uit kunnen stappen zal dit nog een extra dynamiek met zich meebrengen voor de exploitant (dit kan zowel een lokale exploitant zijn als een marktpartij of een combinatie). De opgave in Hart van Brabant De Regio Hart van Brabant heeft in het kader van de REKS een doelstelling van 1 TWh (=1000 GWh) aan duurzame opwek in 2030. Een deel van dit doel wordt al ingevuld door bestaande bronnen, hiermee kan de resterende opgave worden berekend. Deze bedraagt 451 GWh. De totale investering die hier bij hoort bedraagt ruwweg €200 miljoen. Vanuit financieel perspectief is van belang dat voldoende kapitaal ter beschikking is om de investeringen te financieren. Ook is voldoende ontwikkelkapitaal nodig om de ontwikkelfase van projecten door te komen. Participatievormen In het Klimaatakkoord zijn in de ‘participatiewaaier’ diverse vormen van financiële participatie opgenomen.

Binnen Hart van Brabant wordt

onder participatie echter niet alleen financiële participatie verstaan, maar ook proces- en sociale participatie. Procesparticipatie betreft het (zo vroeg mogelijk) betrekken van belanghebbenden bij het proces van de besluitvorming over een project. De wijze waarop dit gebeurt is vooral gebieds- en project specifiek. Voor regio Hart van Brabant is in het REKS bod opgenomen dat procesparticipatie een van de grondslagen is voor elke gemeente in de regio. Dit uitgangspunt vraagt een actieve rol van de gemeenten. Procesparticipatie vraagt om lokaal maatwerk. Elk lokaal project kent weer andere belanghebbende partijen en de omgeving waarin het project wordt uitgevoerd verschilt. Essentieel is dat bij de start van het project de gemeente indien mogelijk zorgdraagt voor een goede analyse (QuickScan) van de uitgangssituatie, waarbij in kaart wordt gebracht wat er speelt, welke partijen betrokken zijn of in het gebied aanwezig zijn, wat in het verleden voor omwonenden belangrijke ruimtelijke ontwikkelingen zijn geweest en andere relevante gebeurtenissen. Na het uitvoeren van een QuickScan kan de procesparticipatiestrategie opgesteld worden.

Procesparticipatie kan zowel vanuit het ‘machtsperspectief van de overheid of ontwikkelaar’ die inspraak verlenen als vanuit het perspectief van bewoners bezien worden, die op basis van de beschikbare informatie mee willen denken en helpen de ontwikkeling te realiseren.

4

Managementsamenvatting Financiële participatie door burgers kent als doel het lokaal te laten landen van financiële baten die gegenereerd worden door duurzameenergieprojecten. Op hoofdlijnen zijn er twee vormen van financiële participatie: risicodragend investeringen door burgers en een afdracht vanuit een project aan de omgeving. In het eerste geval investeren burgers zelf of via een energiecoöperatie in een duurzaamenergieproject. Deze burgers profiteren op die manier mee doordat een deel van de (verwachte) winsten naar hen toevloeit. Dit is niet zonder risico, waarbij de hoogte van het risico vooral afhankelijk is van de fase waarin het project zich bevindt. Vooral in de ontwikkelfase zijn de risico’s hoog, waarna het risico afneemt vanaf het moment dat alle vergunning zijn verkregen en de grootste waardesprong in het project wordt gemaakt. Daarnaast kan financiële participatie ook worden vormgegeven door een afdracht van projecten aan de omgeving. Er wordt hierbij periodiek een bepaald bedrag afgedragen aan een vooraf bestempeld doel of fonds waar de omgeving bij gebaat is, zogenaamde “bovenwettelijke activiteiten voor acceptatie en participatie”. Hoewel deze twee ‘sporen’ van financiële participatie apart worden benoemd, hoeven zij elkaar binnen een project niet uit te sluiten.

Sociale participatie is niet als ambitie geformuleerd in het Klimaatakkoord en de wind- en zon gedragscodes. Desondanks is afgesproken in het concept bod REKS van de regio Hart van Brabant dat sociale participatie specifieke aandacht krijgt en verankerd is in het participatie deel. Hiermee wordt uiting gegeven aan het principe van distributieve rechtvaardigheid, niet iedereen heeft immers de mogelijkheid om financieel te participeren. Het sociale deel van participatie kan worden vorm gegeven in een sociaal participatieplan, hierin kunnen onderwerpen als de sociale leefomgeving, sociale

cohesie, relevante maatschappelijke initiatieven en behoeften van leden uit de gemeenschap terugkomen. In het plan wordt beschreven hoe deze thema’s kunnen profiteren van revenuen uit energieprojecten. Daarnaast is het van belang dat het communicatieve element van sociale participatie aandacht krijgt; communicatie/omgevingsmanagement functionarissen van het duurzame energieproject moeten op de hoogte zijn van kansen en mogelijkheden van sociale participatie. Rol energiecoöperaties en uitdagingen Het uitgangspunt in deze rapportage is dat energiecoöperaties, samen met gemeenten en ontwikkelaars, op basis van gelijkwaardigheid gaan samenwerken om 50% lokaal eigendom bij duurzame-energieprojecten voor elkaar te krijgen. Een concrete invulling van deze geambieerde rol moet wel verder ingevuld worden. Om als energiecoöperatie vanaf de start van de ontwikkelfase gelijkwaardig samen te werken met andere partijen, dienen in ieder geval de volgende uitdagingen te worden geadresseerd: 1. Inbreng van kennis & competenties vanuit de coöperatie gegeven de rol die zij in het project willen/kunnen spelen en continuïteit hierin. Binnen de LEC’s in Hart van Brabant is al veel kennis en kunde aanwezig die door deskundige leden, veelal op vrijwillige basis, wordt ingezet.

Teneinde de ambitie van de LEC’s, om tenminste voor 50% te participeren in de vanuit de REKS voortkomende duurzame-energieprojecten, waar te maken zal de reeds bestaande kennis en kunde zodanig moeten worden georganiseerd en opgeschaald dat een slagvaardige, adequate en op continuïteit gerichte samenwerking ontstaat. Hierbij kan worden gedacht aan een regionale ondersteuningsstructuur waarin kennis en kunde geborgd is in een flexibele schil aan experts.

5

Managementsamenvatting 2. Voldoende kapitaal om de ontwikkelfase te doorlopen. Hier wordt het bouwrecht verkregen, waarmee binnen het project de meeste waarde wordt toegevoegd. Deze waardesprong wordt geborgd door voldoende kapitaal beschikbaar te hebben. Ontwikkelkosten zijn kosten die verband houden met de voorbereiding van een windpark of een zonnepark. in geval van opschaling van de wind- en zon ambities is het wenselijk dat ontwikkelkapitaal meer structureel aanwezig is. Enerzijds om projecten op gang te krijgen waarvan de coöperatie ook echt initiatiefnemer is en anderzijds om een positie te verkrijgen in projecten waarbij de coöperatie aanhaakt bij een (publieke of private) initiatiefnemer. De rondom structurele beschikbaarheid van ontwikkelkapitaal is twee manieren aan te gaan, namelijk het beperken van het benodigde ontwikkelkapitaal en financieringsmogelijkheden creëren. Bij beperken kan worden gedacht aan legesuitstel en het vergoeden van gemaakt uren door coöperatieleden bij financial close. Funding kan worden verzorgd door partijen als de BOM, overheden, burgers, het bedrijfsleven of de beoogde turbine-/panelenleverancier. 3. Voldoende kapitaal bij financial close om aansprakelijk vermogen in project in te brengen.

De LEC’s zijn een van de partijen die aan de lat staan om dit kapitaal in te brengen bij financial close, waarbij het niet op voorhand zeker is dat zij hiertoe in staat zijn. Het is dus nodig dat een partij zekerheid verstrekt richting externe kapitaalverschaffers dat de energiecoöperatie voldoende eigen (of achtergesteld) vermogen kan inbrengen, door een garantie te geven dat het eventuele "gat" aan aansprakelijk/eigen vermogen wordt opgevangen.

Aanbevelingen Om de hiervoor beschreven uitdagingen het hoofd te bieden, formuleren wij 6 aanbevelingen: 1. Laat de streefbeelden omtrent participatie in Hart van Brabant leidend zijn in het vormgeven van participatie in winden zonprojecten. De 14 streefbeelden hebben onder andere betrekking op 50% lokaal eigendom, lokale rendementen en invulling van proces- en sociale participatie. 2. Gemeenten nemen indien mogelijk het voortouw in de startfase van het participatieproces. Gemeenten kunnen in de ontwikkelfase van het project in het opzetten van het participatieproces het voortouw nemen met behulp van instrumenten als een quickscan. Hierbij is de meest ideale situatie dat de ontwikkeling van het duurzame project in de voorgaande planfase al vanuit een publieke ontwikkeling is vormgegeven in goede samenwerking met ontwikkelaars. In deze situatie kan de gemeente het voortouw nemen en bepalen welke partijen betrokken kunnen worden in het participatieproces. In het geval dat een ontwikkelaar al een grondpositie heeft ingenomen is de ontwikkelaar vooral aan zet om het participatieproces verder vorm te geven. De rol van de gemeente kan hier meer faciliterend zijn, en kan eventueel aanbieden aan de ontwikkelaar om in samenspraak het participatieproces verder vorm te geven.

6

Managementsamenvatting 3. LEC’s moeten voor hun inzet binnen de (REKS) projecten hun rol scherp definiëren in afstemming met andere stakeholders. Vanuit een intentieverklaring van de 14 LEC’s moeten de ambities de komende periode verder geconcretiseerd worden zodat voor alle stakeholders duidelijk wordt welke rol de coöperaties op zich kunnen nemen. Uitgangspunten kunnen zijn: a) Concretiseer het aanbod tot samenwerking. Op deze manier kan het best een samenwerking met marktpartijen gezocht worden en kan er ook invulling gegeven worden aan de juridische belemmeringen om de 50% lokaal eigendom af te dwingen. Door samen met de gemeenten op te trekken kunnen ook de belangen van beide partijen het best worden geborgd en kwaliteiten optimaal worden ingezet. b) Ga in dialoog met andere stakeholders en specifiek met de gemeenten om deze rol te bepalen. Pas wanneer de verwachtingen ‘van buitenaf’ goed helder zijn kan ook het best de eigen rol van de LEC’s worden gedefinieerd.

4. Equipeer de coöperaties zodat zij in staat zijn samen met andere stakeholders 50% participatie waar te kunnen maken. De rol van de LEC’s wordt hierbij bezien afhankelijk van of een private of publieke partij het ontwikkelinitiatief heeft. In het eerste geval ligt de rol van de LEC voornamelijk bij het organiseren van lokale participatie en hiermee het lokale belang borgen, bijvoorbeeld wanneer de gemeente de LEC hiervoor naar voren schuift. Wanneer het ontwikkelinitiatief bij de publieke kant ligt, kunnen LEC’s in opdracht van de gemeente

naast het participatiespoor ook de projectontwikkeling voor hun rekening nemen. Om dit mogelijk te maken zijn denkrichtingen benoemd om een regionale ondersteuningsstructuur op te zetten: a)

Een regionaal ontwikkelfonds, dat als doel heeft het beschikbaar stellen van ontwikkelkapitaal om zo duurzameenergieprojecten te helpen realiseren. De projecten worden vanuit de energiecoöperaties, ontwikkelaars en gemeenten professioneel ontwikkeld, waar het fonds de coöperaties een positie geeft om de rol als initiatiefnemer op te kunnen pakken. Het beschikbaar stellen van ontwikkelkapitaal kan in de vorm van subsidie of een lening. Het is denkbaar bij het beschikbaar stellen van de lening een rente te vragen waarbij de hoofdsom van de lening inclusief rente wordt terugbetaald bij financial close. Het ontwikkelkapitaal wordt verstrekt door partijen als de BOM, provincie, gemeenten en het bedrijfsleven. b) Een regionaal ontwikkelbedrijf, waarbinnen aanvullend op het ontwikkelfonds kennis en kunde aanwezig is over het opzetten van wind- en zonprojecten. Deze expertise is afkomstig van een flexibele schil van experts die gezamenlijk alle benodigde expertises afdekken. Deze experts kunnen afkomstig zijn uit de LEC’s, maar nemen deel op persoonlijke titel. De kennis/kunde wordt beschikbaar gesteld wanneer nodig. Dit equipeert enerzijds de energiecoöperaties bij het (mee)ontwikkelen van projecten en geeft hen een sterkere positie. Anderzijds kan deze kennis/kunde ook door gemeenten in hun voordeel worden gebruikt zodat zij beter in staat zijn de opwekopgave te helpen realiseren.

7

Managementsamenvatting lokaal eigendom te organiseren middels een Green Deal. c)

De derde denkrichting, een regionaal ontwikkel- en financieringsbedrijf, voegt het risicodragend investeren in projecten als mogelijkheid toe. Voor de coöperaties kan het ontwikkel- en financieringsbedrijf als achtervang dienen. Het ontwikkel- en financieringsbedrijf kan ook gemeenten in staat stellen risicodragend te investeren in projecten wanneer zij dit willen. 5. Werk toe naar een uitvoeringsconvenant tussen overheden. De REKS opgave voor Hart van Brabant is fors, en vereist een goede samenwerking tussen de REKS overheidspartijen in de uitvoeringsfase. De hiervoor benodigde samenwerkingsafspraken over de uitvoering kunnen worden vastgelegd in een convenant. Zo is er vanuit de publieke kant 1 lijn van waaruit een regionale green deal participatie kan worden ingestoken. 6. Maak op basis van het convenant een regionale green deal met vrijwillige afspraken tussen gemeenten, private ontwikkelaars, energiecoöperaties en provincie. In de uitvoeringsfase van de REKS wordt invulling gegeven aan de ambitie van 50% lokaal eigendom waarbij er aandacht is voor en regie is op de gestelde streefbeelden voor participatie. Deze ambitie kan niet langs publieke weg afgedwongen worden. Een privaat middel om dit met alle stakeholders te organiseren is het afsluiten van een Green Deal. De aanbeveling is om de 50%

0 Deze rapportage

9

Aan de lezers van deze rapportage Deze rapportage is geschreven voor degenen die in de regio Hart van Brabant en andere Brabantse regio’s te maken krijgen met vraagstukken over het inrichten van het participatief proces dat gekoppeld is aan de ontwikkeling van duurzame-energieprojecten. De rapportage biedt inzichten en ideeën aan gemeenten en initiatiefnemers van duurzame-energieprojecten om hen te helpen bij het vormgeven van hun participatiestrategie en hun participatieplannen. Deze rapportage beoogt daarbij niet compleet te zijn; het onderwerp participatie is veelzijdig en is door het Klimaatakkoord en de daarop gebaseerde Regionale Energie Strategieën (RESsen) erg in beweging. Wel kan deze rapportage een goed startpunt vormen om het participatieproces op te pakken. Hierbij wordt verondersteld dat voorafgaand aan het opstarten van het participatieproces al de nodige ontwikkelingen hebben plaatsgevonden op ruimtelijk gebied, waarbij locaties voor de ruimtelijke inpassing van wind– en zonprojecten al bepaald zijn. De Regionale Energie en Klimaat Strategie (REKS) van de regio Hart van Brabant vormt op regionaal niveau het sluitstuk op dat voorliggende traject. Op hoofdlijnen is hier bepaald waar de zoekgebieden van de duurzame energieprojecten zich bevinden in de regio.

Gemeenten en ontwikkelaars zijn daarmee nu aan zet gekomen om binnen deze zoekgebieden op lokaal niveau concrete locaties te

identificeren en projecten te initiëren. Juist dan is het moment gekomen waarop gemeenten, initiatiefnemers en andere betrokken zoals de inwoners van Hart van Brabant het participatieve proces goed met elkaar inrichten. Een proces dat zich zou moeten kenmerken als een betrouwbaar en transparant proces dat bijdraagt aan de acceptatie van duurzame-energieprojecten in de regio. Niet alleen een goed ingericht participatieproces biedt een garantie voor de acceptatie van een wind- of zonproject bij omwonenden en andere betrokken stakeholders. Net zo belangrijk is dat zij ook in financiële zin kunnen meeprofiteren van de opbrengsten van het project. Voor de gemeenten binnen de regio Hart van Brabant is het daarbij ook belangrijk dat de opbrengsten van het duurzame energieproject ook ten goede kan komen aan de omgeving. Pas als al deze elementen, met aandacht voor de specifieke lokale omstandigheden van het project, in het participatieproces geadresseerd worden, kan dit in belangrijke mate bijdragen aan de succesvolle ontwikkeling van een duurzaam-energieproject.

10

Op zoek naar effectieve samenwerkingsmodellen tussen energiecoöperaties, overheid en bedrijfsleven De Regio Hart van Brabant zet vol in op het realiseren van nieuwe wind- en zonprojecten. De afspraken in het Klimaatakkoord over onder meer burgerparticipatie vormen daarvoor de basis. Het verwerven van draagvlak en acceptatie bij omwonenden, bijvoorbeeld door het bieden van mogelijkheden tot (financiële) participatie, bevordert een voorspoedige uitrol van wind en zon op land. Enpuls en de regio Hart van Brabant hebben Rebel en 14 energiecoöperaties in Hart van Brabant gevraagd om financiële, procesen sociale burgerparticipatiemodellen te ontwikkelen. Daarbij met specifieke aandacht voor de rol van de energiecoöperaties. Wij zijn van mening dat draagvlak en eigenaarschap van duurzame-energieprojecten bij uitstek ontstaat door een goede procesparticipatie en met oog voor de toegankelijkheid van financiële arrangementen voor participatie voor alle inwoners van Hart van Brabant. Deze rapportage geeft inzichten en ideeën om participatieprocessen te verbeteren en in te passen voor duurzame energieprocessen. Hierbij zijn twee onderwerpen specifiek uitgelicht: 1) Een aanpak voor het participatieproces van duurzameenergieprojecten binnen Hart van Brabant.

Bij de beantwoording van deze vraag komt aan de orde: wat is de algehele participatie- en communicatiestrategie van de regio HvB, welke rollen kunnen gemeenten en energiecoöperaties daarbinnen nemen, wat zien de coöperaties zelf als logische rollen, welke competenties behoren bij deze rollen en zijn de coöperaties nu al in staat om deze rol(len) te kunnen vervullen.

2) Een aanpak wat de mogelijke rol van energiecoöperaties kan zijn bij het vormgeven van financiële, proces- en sociale participatie in de vorm van eigendom van duurzame energieprojecten. Hierbij wordt ingegaan op afspraken die op regioniveau zijn te maken als het gaat om eigenaarschap en financiële participatie, welke financiële burgerparticipatiemodellen zijn denkbaar, wat kan de rol van een energiecoöperatie zijn in deze modellen, tegen welke belemmeringen lopen energiecoöperaties op in de verschillende modellen en hoe kan dit worden opgelost. Ook is er aandacht voor de benodigde competenties behorende bij de rollen en of energiecoöperaties nu al in staat om deze rol(len) te kunnen vervullen. 3) Daarnaast wordt een aanpak geformuleerd voor sociale participatie. Hoe zorgen we ervoor dat alle burgers van Hart van Brabant mee kunnen doen (inclusiviteit), ook diegenen met een smalle beurs. Dit sociale aspect van participatie komt zowel terug in de procesparticipatie alsook door financieel te participeren. Deze vraag wordt geïncorporeerd bij de beantwoording van 1 en 2.

De opbouw van het rapport is als volgt: 1. Het belang van lokale participatie 2. Context en kaders 3. De opgave voor Hart van Brabant 4. Facetten van participatie 5. Rollen lokale energiecoöperaties en uitgagingen 6. Aanbevelingen en vervolgstappen

1 Het belang van lokale participatie

12

Belang van 50% lokaal eigendom in regio Hart van Brabant In het klimaatakkoord is de ambitie opgenomen om 50% van opgave voor grootschalige opwek van hernieuwbare elektriciteit op land in eigendom van de lokale omgeving te realiseren. In de regio Hart van Brabant is een werkgroep participatie ingericht, met medewerking van het programma Sociale Innovatie Energietransitie (opgezet door de provincie Noord-Brabant en Enpuls) en de regiogemeenten, om uit te werken hoe aan deze ambitie invulling gegeven kan worden. Dit gebeurt aan de hand van de onderzoeksvragen zoals eerder gesteld. Hier ligt echter nog een vraag boven. ‘Waarom zouden we 50% lokaal eigendom willen?’ De klimaatopgave is heel groot en de gemiddelde Nederlander heeft weinig gevoel bij 49% CO2 reductie in 2030. Daarnaast wordt iedereen wel aangesproken op duurzamer leven, is er de ambitie om ‘van het aardgas af te gaan’ en loopt de energierekening op. Dit komt mede door de ODE (opslag duurzame energie) die gebruikt wordt om grootschalige opwek (SDE++) te subsidiëren. Door invulling te geven aan de 50% lokaal eigendom, en indien mogelijk zelfs 100%, is het mogelijk om een aantal vliegen in één klap te slaan. Het lokaal eigendom zorgt ervoor dat lokale vertegenwoordigers regie houden over beslissingen die genomen worden rondom de ontwikkeling van de grootschalige opwek en over de bestemming van de rendementen.

Belangrijke notie hierbij is dat lokaal eigendom niet publiekrechtelijk afdwingbaar is door gemeenten, zeker wanneer de beoogde ontwikkellocatie zich niet op gemeentegrond bevindt. In de bijlage is dit nader uitgewerkt.

Enkele voordelen zijn: • Lokale partijen kennen de omgeving en de mensen wat bijdraagt aan een zorgvuldige afweging bij het tegemoet komen aan de bedenkingen; • Een groot gedeelte van de rendementen blijven lokaal en vertrekken dus niet uit de regio of zelfs vanuit Nederland; • Deze rendementen kunnen worden aangewend om verder invulling te geven aan de verduurzamingsopgave. Bijvoorbeeld voor financiering van besparingsmaatregelen of het invullen van het warmtevraagstuk; • De rendementen kunnen dus energie armoede tegenaan en er voor zorgen dat iedereen mee kan doen met de energietransitie; • Als winstmaximalisatie geen doel is kan er een eerlijke verdeling worden afgesproken voor de lusten en de lasten; • Met de rendementen kan uiting gegeven worden aan het principe van distributieve rechtvaardigheid, vrij vertaald als 'het gelijk verdelen van de koek'. Niet iedereen heeft immers de mogelijkheid om financieel te participeren (of heeft andere barrières) maar ervaart de transitie als een last of kostenpost. Door regie te houden op de elektriciteitsproductie en de afzet kan er op termijn een slimme koppeling gelegd worden met de energievraag en zodoende op systeemniveau (o.a. beschikbare capaciteit elektriciteitsnet) slimme keuzes worden gemaakt; • Dit alles leidt tot meer draagvlak voor grootschalige opwek, maar ook voor de energietransitie in zijn geheel.

2 Context en kaders

14

Klimaatakkoord streeft naar 50% eigendom productie van de lokale omgeving (burgers en bedrijven) met ruimte om hiervan lokaal af te wijken In het Klimaatakkoord is opgenomen dat goed georganiseerde tenders en het verwerven van draagvlak bij omwonenden, bijvoorbeeld door het bieden van mogelijkheden tot (financiële) participatie, een voorspoedige uitrol ondersteunen en bevorderen. Dit met als ambitie dat 50 procent van nieuwe hernieuwbare productie op land in eigendom komt van de lokale omgeving. Daarnaast is in de verdere uitwerking opgenomen dat:

50% eigendom van de productie van de lokale omgeving (burgers en bedrijven). Investeren in een zon –en/of windproject is ondernemerschap. Dat vergt ook mee-investeren en risicolopen. Het streven voor de eigendomsverhouding is een algemeen streven voor 2030. Er is lokaal ruimte om hier vanwege lokale project-gerelateerde redenen van af te wijken.

De initiatiefnemer doorloopt een proces om te komen tot een wenselijke en haalbare vormgeving van participatie. Het gaat hierbij om de participatiewaaier; dit kan zijn procesparticipatie, financiële participatie, financiële obligaties, eigendomsparticipatie, een omgevingsfonds of een combinatie hiervan. Het bevoegd gezag controleert dat initiatiefnemers en omgeving hierover het gesprek aangaan. Afspraken met de omgeving worden bij voorkeur vastgelegd in een omgevingsovereenkomst. Op basis hiervan wordt er een projectplan gemaakt waarin wordt beschreven hoe binnen het project de participatie optimaal wordt ingericht.

Naast financiële participatie door middel van eigendom, is een omgevingsfonds één van de mogelijkheden van de participatiewaaier. Als er een omgevingsfonds komt, dan wordt dit met een voor het project redelijk bedrag gevuld door de initiatiefnemer(s), waarbij de hoogte van de bedragen uit de NWEA-gedragscode als richtlijn wordt gehanteerd. Belangrijk is wel dat een afdracht aan de omgeving geen vervanging voor lokaal eigendom kan zijn. Ongeacht wie de eigenaar van het project is, dient de afdracht plaats te vinden.

Om de projecten voor de bouw en exploitatie van hernieuwbaar op land in de energietransitie te laten slagen, gaan in gebieden met mogelijkheden en ambities voor hernieuwbare opwekking, partijen gelijkwaardig samenwerken in de ontwikkeling, bouw en exploitatie van een project. Dit vertaalt zich in evenwichtige eigendomsverdeling in een gebied waarbij gestreefd wordt naar

15

Afdwingbaarheid lokaal eigendom Een belangrijk uitgangspunt bij lokaal eigendom is dat dit in goed overleg tussen alle betrokken stakeholders wordt vormgegeven. Toch is het gezien de schaal van de opgave en diversiteit aan projectsituaties ook belangrijk een beeld te hebben bij de mogelijkheden van het bevoegd gezag wanneer dit niet plaatsvindt.

ontwikkelen projecten binnen een bepaald gebied worden vastgelegd. Het toepassen van de privaatrechtelijke route is wel onderhevig aan de toetsing onder de doorkruisingsleer, die voorschrijft dat een gemeente enkel privaatrechtelijk kan handelen wanneer hiervoor geen publiekrechtelijke oplossing bestaat. Later in dit rapport wordt er dieper ingegaan op deze green deal.

Via de publiekrechtelijke route (het al dan niet toekennen van vergunningen) is er binnen de huidige wetgeving geen mogelijkheid om lokaal eigendom bij energieprojecten af te dwingen. Deze conclusie volgt uit een rapport van de Noordelijke Rekenkamer.1 Ook de toekomstige omgevingswet lijkt hiervoor geen aanknopingspunten te bieden. Wel blijkt uit recente jurisprudentie2 dat “op grond van

gemeentelijk beleid, van een initiatiefnemer kan worden verlangd dat hij (specifieke) inspanningen verricht die zijn gericht op het informeren van omwonenden en het verwerven of vergroten van het maatschappelijk draagvlak voor de gewenste ontwikkeling. Het niet behoorlijk nakomen van een dergelijke verplichting kan voor het bestuursorgaan reden zijn de gewenste medewerking niet te verlenen.” Dat dit uiting vindt in lokaal eigendom is hierbij niet gespecificeerd.

Wanneer er met marktpartijen afspraken worden gemaakt omtrent lokaal eigendom is dit wél (privaatrechtelijk) afdwingbaar. De gemaakte afspraken kunnen alleen op vrijwillige basis tot stand komen. Dit zou bijvoorbeeld kunnen gebeuren door middel van een regionale green deal tussen overheden en marktpartijen waarin uitganspunten voor te

1. Rapportage Noordelijke Rekenkamer - Verdeling onder hoogspanning; een onderzoek naar de verdeling van kosten en baten rondom wind- en zonneparken in opdracht van provincie Groningen (2019) 2. ECLI:NL:RVS:2019:4209

16

Gedragscode windsector: omgeving vroeg betrekken, participatie is maatwerk, financiële bijdrage in overleg met omgeving besteden De NWEA gedragscode is in 2016 ondertekend door: de Nederlandse WindEnergie Associatie (NWEA), Stichting De Natuur- en Milieufederaties, Stichting Natuur & Milieu, Greenpeace Nederland, Vereniging Milieudefensie en ODE Decentraal. Kern van de NWEA Gedragscode is dat de omgeving in een zo vroeg mogelijk stadium bij windprojecten wordt betrokken. Voor ieder project wordt in dialoog met belanghebbenden en het bevoegd gezag (bijvoorbeeld de gemeente) een participatieplan opgesteld, waarmee afspraken over participatie door burgers vast komen te liggen. Bij het opstellen van het participatieplan is het uitgangspunt altijd maatwerk. Alle windprojecten zijn immers verschillend. Het maakt bijvoorbeeld uit of het om windmolens op de Tweede Maasvlakte gaat of nabij stedelijk gebied. Binnen en buiten de windsector wordt hard gewerkt om de omgeving te betrekken bij windenergie. Niet alleen door compensatiebedragen beschikbaar te stellen voor de omgeving, maar ook door met omwonenden in gesprek te gaan en goed te weten op welke wijze windenergie voor de omgeving acceptabel is. Doel is om de lusten en de lasten goed te verdelen en om omwonenden al in een vroeg stadium te betrekken bij windprojecten.

Brede acceptatie van windenergie zijn niet alleen een zaak van de initiatiefnemers van windprojecten. Ontwikkelaars van windenergie kunnen omwonenden echter alleen goed betrekken als ook de betreffende overheden een actievere rol nemen. Alleen als overheden, ontwikkelaars en natuur- en milieuorganisaties samen de omgeving betrekken kan Nederland snel bouwen aan een duurzame energievoorziening. Als indicatie voor de financiële ruimte voor bovenwettelijke activiteiten voor acceptatie en participatie, is binnen de Gedragscode gekeken naar bedragen die in verschillende provincies gelden. Deze zijn vertaald naar een richtbedrag per MWh (0,40-0,50 EUR/MWh) per jaar3 omdat de financiële mogelijkheden mede afhankelijk zijn van de productie. Deze financiële participatie kan op diverse manieren worden ingevuld: gebiedsfonds, korting op energierekening, uitgiften van obligaties, deelname via coöperatie etc. Dit wordt in overleg tussen initiatiefnemers en omgeving bepaald. De besteding van het bedrag zal – staat in de Gedragscode – in overleg met de omgeving worden vastgesteld. Zo kan optimaal rekening gehouden worden met wensen die in het gebied leven.

3. Wanneer er vanwege overheidseisen een afdracht aan de omgeving verplicht is gesteld, mag deze verplichte afdracht worden afgetrokken van het hier genoemde richtbedrag.

17

Gedragscode zonne-energie sector: gelijkwaardig optrekken van stakeholders, streven naar 50% eigendom bij lokale omgeving, maatwerk Op 13 november 2019 hebben negen partijen de Gedragscode Zon op Land getekend. Het gaat om de brancheorganisatie Holland Solar, de vereniging van omwonenden van energieprojecten NLVOW, Energie Samen, Greenpeace, Milieudefensie, Natuur & Milieu, de Natuur en Milieufederaties, Natuurmonumenten, en de Vogelbescherming. Samen vertegenwoordigen deze organisaties meer dan 2 miljoen Nederlanders, 400 energiecoöperaties, 1000 lokale natuur- en milieugroepen, vele bewonersgroepen en 170 bedrijven in de zonnesector. Qua procesparticipatie is opgenomen dat door het organiseren van procesparticipatie kunnen stakeholders inclusief omwonenden bijdragen aan het ontwerp door specifieke (gebieds-) kennis in te brengen. Daar waar er nog geen structuur van organisatie is voor omwonenden, faciliteert de ontwikkelaar de participatie van de omgeving zodat zij in staat zijn om geïnformeerd mee te doen aan het proces. De ondertekenende partijen van deze gedragscode hechten aan het gelijkwaardig en in vertrouwen optrekken van energiecoöperaties, commerciële ontwikkelaars, bewoners in de omgeving en andere stakeholders. Dit doen zij vanaf het begin van de ontwikkelfase van een concreet project.

Wat dat betekent zal van geval tot geval verschillend zijn gezien de verschillen tussen de gebieden en wensen van de stakeholders. Over financiële participatie wordt verwezen naar het Klimaatakkoord. De gedragscode merkt op dat de exacte vorm van de financiële participatie en de definiëring van ‘de lokale omgeving’ is met het Klimaatakkoord niet scherp vastgelegd. Dit is ook geen zaak voor

uniforme regels maar iets dat per project vorm kan krijgen. De gedachte dat omwonenden de mogelijkheid krijgen om financieel te investeren en daarmee mee te profiteren en mee te doen aan de energietransitie staat centraal. De gedragscode benadrukt kortom dat maatwerk op het gebied van participatie (maar ook breder) centraal staat. Belangrijk is wel dat maatwerk niet inhoudt dat bepaalde vormen van participatie achterwege gelaten kunnen worden.

18

Klimaatakkoord en gedragsregels: overeenkomsten en verschillen Er zijn veel overeenkomsten te vinden tussen wat er in Klimaatakkoord is geschreven over participatie en de gedragscodes wind en zon. Zo is er in alle drie de documenten een streven naar procesparticipatie vanaf de beginfase van projecten. Het belang van de dialoog tussen initiatiefnemer, omwonenden en overheid wordt gedeeld, evenals een eerlijke verdeling van lusten en lasten. Het is dus zaak ervoor te zorgen dat dit mogelijk wordt, vooral op het gebied van ontwikkelkapitaal en deskundigheid. Financiële participatie komt terug in alle documenten, en hoewel de invulling op een aantal punten verschilt (zie rechterkolom), met een aantal overeenkomsten. Zo wordt benadrukt dat ieder project uniek is en daarom vraagt om maatwerk. Er is ruimte om van de richtlijnen af te wijken als de lokale situatie hierom vraagt. De gedragscode wind en het Klimaatakkoord maken beide melding van het omgevingsfonds via welke baten uit projecten naar de omgeving vloeien. Voor de grootte van deze bijdrage verwijst het Klimaatakkoord naar de gedragscode, waarin een bijdrage van €0.40/0.50 per MWh wordt aanbevolen. Per windmolen van 3MW komt dit neer op zo’n €3.500 - €4.500 per jaar.

Naast overeenkomsten zijn er ook verschillen tussen de documenten te vinden. Zo verwijst de gedragscode zon expliciet naar een faciliterende rol voor de initiatiefnemer van het project om een participatiestructuur in de omgeving op te zetten. Een ander belangrijk verschil is dat beide gedragscodes, in tegenstelling tot het Klimaatakkoord, geen melding maken van lokaal eigendom van energieprojecten. Lokaal eigendom is een verregaande vorm van financiële participatie. Dit brengt mee-investeren en ook risico lopen van burgers met zich mee. Dit betekent echter niet dat een afdracht aan de omgeving zoals benoemd in de gedragscodes een vervanging kan vormen voor lokaal eigendom. Beide dienen geborgd te worden. De huidige tendens is dat burgerparticipatie de afgelopen jaren een toenemende mate van ambitie kent. Het Klimaatakkoord volgt deze lijn met het streven naar lokaal eigendom, waar de gedragscode wind (huidige versie stamt uit 2016) ook minder verregaande vormen van participatie opneemt.

2.1 Fasering van duurzameenergieprojecten

20

Levensfasen in zon-/windprojecten & bijbehorende activiteiten Bij realiseren van wind- en zonprojecten zijn verschillende fasen te onderscheiden: 1. 2. 3.

Ontwikkelfase Bouwfase Exploitatiefase

1. Ontwikkelfase De ontwikkelfase wordt beschreven aan de hand van 3 ‘sporen;’ waarop actie dient te worden ondernomen: • Ruimtelijk spoor: het doorlopen van de ruimtelijke procedures; • Participatiespoor: het betrekken van de omgeving en invullen van lokaal eigendom; • Brede projectontwikkeling: alles wat niet onder de vorige sporen valt. De ontwikkelfase begint met de eerste oriënterende gesprekken. Stakeholders hierin zijn o.a. de initiatiefnemers, grondeigenaren, gemeente en energiecoöperatie(s). Hierbij komen onderwerpen aan de orde als de beoogde locatie, afstemming van ambities en de wijze van samenwerking. Om te onderzoeken of een haalbaar project mogelijk is zijn er diverse aandachtspunten: •

•

Ruimtelijk: • Wat zijn de ruimtelijke voorwaarden? • Grondposities: onderhandelingen met grondeigenaren. Participatie: • Zoeken naar draagvlak en acceptatie omgeving, door middel van eerste omgevingsdialogen – eerste stap in het participatieproces.

Brede projectontwikkeling • Netinpassing: is er aansluitcapaciteit en zijn de (maatschappelijke) kosten aanvaardbaar? • Financieel: is er een haalbare businesscase te verwachten? • Is er politiek draagvlak voor opwek op deze locatie? Bovenstaande onderdelen lopen parallel aan elkaar en zijn even belangrijk. Alle lichten moeten uiteindelijk op groen om verder te kunnen. •

Wanneer een project kansrijk is om tot realisatie te komen, wordt verder gegaan met de projectontwikkeling. Daarbij wordt meer gedetailleerd ingegaan op: • •

•

Ruimtelijk: doorlopen van WABO (omgevingsrecht) procedure. Participatie: procesparticipatie met omgeving en bewoners, opstellen participatievorm en -organisatiestructuur en maken communicatieplan. Brede projectontwikkeling: • Onderzoeken windaanbod; • Inschatten uitgaven en inkomsten, opstellen businesscase; • Bepalen wijze van aanbesteding; • Onderzoeken optimale windturbines; • Aanvragen van SDE-subsidie; • Uitwerken financieringsstructuur; • Terrein inmeten en sonderingen uitvoeren, maken ontwerp en tracé bepaling netaansluiting.

Als deze stappen zijn doorlopen is het bouwrecht verkregen. Hiermee zijn de grootste en meeste risico’s weggenomen en is de grootste waardesprong bereikt.

21

Levensfasen in zon-/windprojecten & bijbehorende activiteiten Op een goede afronding van voorgaande onderdelen volgt een onherroepelijke vergunning voor het project en kan worden aangevangen met het vastleggen van hetgeen is ontwikkeld ten behoeve van de realisatie van het park. Het vastleggen van de afspraken omvat drie thema’s: 1.

Participatie: uitrollen communicatieplan ten behoeve van het ophalen van participaties, het inregelen van de organisatie en het sluiten van de overeenkomsten. 2. Financieel/juridisch: doorlopen van de aanbesteding, bestellen netaansluiting en sluiten contracten waaronder financieringsovereenkomsten en leveren en onderhouden van windturbines. 3. Technisch: vaststellen van het technisch uitvoeringsplan. Bovenstaande wordt afgesloten door de ‘financial close’, waarmee alle financiële afspraken van het project zijn vastgelegd en de ontwikkelfase wordt afgesloten. 2.Bouwfase In deze fase wordt het park daadwerkelijk gerealiseerd door de partijen die daarvoor zijn gecontracteerd. Belangrijk is wel om dit goed te monitoren en daarover te communiceren. Deze fase wordt afgesloten met de opening van het park

3. Exploitatiefase Wanneer het park is gerealiseerd zal het op een professionele wijze technisch en administratief beheerd moeten worden. Wanneer er voor gekozen wordt om de 50% ‘ademend te organiseren’ en mensen dus ook na financial close nog in en uit kunnen stappen zal dit nog een extra dynamiek met zich meebrengen voor de exploitant (dit kan zowel een lokale exploitant zijn als een marktpartij of een combinatie).

3 Opgave regio Hart van Brabant

23

Kengetallen wind op land – opgave Hart van Brabant

Energieopgave tot 2030 De Regio Hart van Brabant heeft in het kader van de REKS een doelstelling van 1 TWh (=1000 GWh) aan duurzame opwek in 2030. Een deel van dit doel wordt al ingevuld door bestaande bronnen, hiermee kan de resterende opgave worden berekend. De stand van zaken is: • • •

Momenteel gerealiseerd Kansrijke initiatieven in stedelijk gebied Productie van zonne-energie op daken

•

Resterende opgave tot 2030

134 GWh 140 GWh 275 GWh ---------451 GWh

Vanuit financieel perspectief is van belang dat voldoende kapitaal ter beschikking is om de investeringen te financieren. Ook is voldoende ontwikkelkapitaal nodig om de ontwikkelfase van projecten door te komen. Om een beeld te schetsen van de benodigde hoeveelheid kapitaal gaan we conform het voorkeursscenario uit van het realiseren van 100 hectare aan zonnevelden, goed voor 95 GWh. De resterende opgave wordt gedekt door 40 windmolens met een vermogen van 3 megawatt en 3.000 vollasturen, goed voor 360 GWh. De doorrekening van de financiële opgave is ter illustratie en geschiedt op basis van de kengetallen uit de PBL conceptadviezen SDE++ 2020 voor wind op land en zonne-energie. De tabellen rechts tonen de doorrekeningen van de opgave voor zon en wind.

Vermogen in MW

120

Vollasturen / jaar

3.000

GWh opwek / jaar

360

Investeringen / KW

€ 1.100

Totale investering (Capex)

€ 132.000.000

Ontwikkelkosten

7.5% van de investering

Gemeentelijke leges4

3% van de investering

Kengetallen zon op land – opgave Hart van Brabant Vermogen in MWp

100

Vollasturen / jaar

950

GWh opwek / jaar

95

Investeringen / KWp

€ 640

Totale investering (Capex)

€ 64.000.000

Ontwikkelkosten

7.5% van de investering

Gemeentelijke leges4

3% van de investering

4. De leges liggen landelijk gemiddeld op zo’n 3% van de totale investeringskosten. In randstedelijke gemeenten ligt dit over het algemeen hoger, in landelijke gebieden lager.

24

Financieringsopgave tot 2030 De totale investering die behoort tot de energieopgave bedraagt, zoals getoond op de vorige slide, ruwweg €200 miljoen. Dit is de financiële opgave die de regio dient te vervullen tot 2030.

De regio Hart van Brabant, evenals het Klimaatakkoord, streeft naar minimaal 50% lokaal eigendom. Eigendom ligt in de inbreng van eigen vermogen, waarbij een aandeel boven de 50% een meerderheidsaandeel en zeggenschap mee zich meebrengt. De financiering van windprojecten geschiedt volgens PBL gemiddeld voor 20% door middel van eigen vermogen inbreng. Specifiek voor windprojecten geldt dat er in de praktijk kan worden volstaan met een inbreng van 10% eigen vermogen, echter wordt hier voorzichtigheidshalve gerekend met 20%. Het merendeel van de investering wordt dus gedekt voor vreemd vermogen (bijvoorbeeld leningen van banken). In de opgave van Hart van Brabant betekent dit een totale eigen vermogen inbreng van € 40 miljoen, waarvan € 20 miljoen door lokale bewoners (50%). Het ligt voor de hand dit bedrag op te halen bij bewoners via energiecoöperaties. Als individuele bewoners zeggenschap krijgen in het project kan dit tot ingewikkelde besluitvorming leiden. Ter indicatie: wanneer de lokale inbreng wordt berekend per inwoner, leidt dit tot een bedrag van €44. Om energieprojecten van de grond te krijgen is er tijdens de ontwikkelfase kapitaal benodigd. Dit ontwikkelkapitaal is bijvoorbeeld nodig om vergunningen te verkrijgen. Voor de totale opgave in Hart van Brabant is er zo’n €15 miljoen aan ontwikkelkapitaal nodig, waarvan €6 miljoen aan gemeentelijke leges.

Dit zijn aanzienlijke bedragen, en de ervaring leert dat coöperaties moeite

Financiering – opgave Hart van Brabant Totale investering (Capex)

€196.000.000

Aandeel eigen vermogen (EV)

20%

Totale inbreng EV

€39.200.000

Lokale inbreng EV

€19.600.000

Inwoners in Hart van Brabant (2019)

447.000

Inbreng per inwoner

€44

Ontwikkelkapitaal

~€15.000.000

Waarvan leges

~€6.000.000

hebben om dit kapitaal bijeen te krijgen (en zo de ambitie van 50% lokaal eigendom compliceert). Daarnaast is ook het risico hoog in deze vroege fase. Het is de vraag of het wenselijk is deze risico’s via energiecoöperaties bij bewoners neer te leggen. Dit risico zit bijvoorbeeld in de onzekerheid omtrent de vergunningsaanvraag, toekenning van SDE-subsidie en financiering van het project. Het ligt hierom voor de hand te inventariseren welke rol weggelegd is voor partijen als gemeenten/BOM/provincie om structurele oplossing te vinden voor de kapitaalbehoefte in de ontwikkelfase.

4 Facetten van participatie

26

In het Klimaatakkoord zijn in de ‘participatiewaaier’ diverse vormen van financiële participatie opgenomen. Binnen Hart van Brabant wordt onder participatie echter niet alleen financiële participatie verstaan, maar ook proces- en sociale participatie.

4.1 Procesparticipatie

28

Aanpak procesparticipatie Hubs is lokaal verankerd Voor regio Hart van Brabant is in het REKS bod opgenomen dat procesparticipatie een van de grondslagen is voor elke gemeente in de regio. Dit uitgangspunt vraagt een actieve rol van de gemeenten. In de regio zetten we in op locaties waar clusters van wind- of zonne-energie geplaatst kunnen worden; energiehubs (of kort gezegd hubs). Dat betekent dat -bijvoorbeeld- windmolens niet verspreid over het landschap geplaatst worden, maar in groepjes (clusters) bij elkaar geplaatst worden. Waar die clusters precies terecht komen en hoe groot ze worden, dat is nog niet bekend. Op welke wijze het participatieproces wordt uitgevoerd voor deze hubs, is afhankelijk van de specifieke kenmerken van het energieproject en de omgeving. In ieder geval zal op lokaal niveau bepaald moeten worden door gemeenten hoe het participatieproces voor de projectontwikkeling van de hubs eruit ziet. Procesparticipatie vraagt derhalve om lokaal maatwerk. Elk lokaal project kent weer andere belanghebbende partijen en de omgeving waarin het project wordt uitgevoerd verschilt.

29

Startpunt: Quickscan en rolverdeling Procesparticipatie betreft het (zo vroeg mogelijk) betrekken van belanghebbenden bij het proces van de besluitvorming over een project. De wijze waarop dit gebeurd is vooral gebieds-en project specifiek. Essentieel is dat bij de start van het project de gemeente indien mogelijk zorgdraagt voor een goede analyse (Quickscan) van de uitgangssituatie, waarbij in kaart wordt gebracht wat er speelt, welke partijen betrokken zijn of in het gebied aanwezig zijn, wat in het verleden voor omwonenden belangrijke ruimtelijke ontwikkelingen zijn geweest en andere relevante gebeurtenissen. Belangrijk is hierbij dat de Quickscan tot in de haarvaten van het gebied wordt gemaakt. Het vereist een diepgang die verder gaat dan alleen een hoogover-analyse. Het verkregen beeld wordt met hoog betrokken partijen (geselecteerd op basis van op basis van een stakeholders analyse) in de projectomgeving (bewoners en lokale bedrijven) getoetst en aangescherpt.

Belangrijk is ook de rolverdeling en timing van het participatieproces. Aan de ene kant kan, zodra een initiatiefnemer in beeld is en een concreet project start, de gemeente het aan de betreffende ontwikkelaar en/of coöperatie overlaten om het initiatief te nemen in de participatie. De ervaring leert dat gemeenten moeite hebben later bij te springen (capaciteitgebrek) wanneer de ontwikkelaar moeite heeft het participatieproces goed te organiseren. Een andere optie is hier als gemeente de regie op te houden en actief een benadering voor procesparticipatie naar ontwikkelaars te communiceren. Het verhalen van leges en plankosten bij vergunningverlening biedt hiertoe een mogelijkheid. De start is het moment dát de overheid in principe open staat voor een initiatief en de initiatiefnemer met de grondeigenaar een locatie op het oog heeft. Belangrijk is dat duidelijk en transparant voor de omgeving is wie wanneer waarover beslist en hoe de omgeving hierbij betrokken wordt. Daarnaast zijn de partijen die het initiatief nemen voor het participatieproces (gemeenten, ontwikkelaars of coöperaties) ook inhoudelijk open en transparant over het project.

30

Aandachtspunten bij uitvoering Quickscan procesparticipatie 1.

Er zal veel aandacht gegeven moeten worden aan de mate waarin partijen van elkaar afhankelijk zijn voor het bereiken van de beoogde besluitvorming en doelen. Belangrijk is hierbij de onderlinge relaties van partijen (formeel als informeel) in kaart te brengen en het individuele belang van alle partijen. Hoe groter de onderlinge afhankelijkheid blijkt tussen partijen hoe nauwer de betrokkenheid van deze partijen moet zijn en daarmee ook de wijze van participatiegraad.

2.

Een actoreninventarisatie is een belangrijk onderdeel van de QuickScan. Dit betreft het in kaart brengen van de onderlinge relaties en het netwerk van de omgeving. Dit gaat verder dan alleen de hoog/direct betrokkenen. Hoe complex is de interne omgeving? Hoeveel externe stakeholders zijn er? Hieruit kunnen bijvoorbeeld informele gezaghebbende partijen geïdentificeerd worden die cruciaal kunnen zijn tijdens het participatie proces. Ook kunnen de overleg, besluit-en communicatiestructuren in kaart gebracht worden bij en tussen de actoren, waarvan gebruik gemaakt kan worden in het participatie proces.

3.

Bij het uitvoeren van de QuickScan zal rekening gehouden moeten worden met de Omgevingswet, omdat het energieproject aan ruimtelijke beleids- en besluitvorming onderhevig is. In ieder geval zal gecontroleerd moeten worden of er al een Omgevingsvisie of Planvormingsfase voor het gebied is opgesteld. Naast een inhoudelijke toetsing van deze plannen kan onderzocht worden hoe het participatie traject ten aanzien van deze visie en planvorming is vormgegeven, wie betrokken was en wat de beleid- en besluitvorrmings punten zijn van dit traject.

4.

Het tijdig betrekken van alle partijen is essentieel, alleen als alle partijen gelijktijdig aan de start verschijnen, kan ook gezamenlijk de finish gehaald worden. Hiermee wordt gedurende het participatieproces onderling vertrouwen gecreëerd en kunnen eventuele meningsverschillen uit het verleden of verschillende opvattingen beter worden geslecht. Het participatieproces is daarmee ook een publiek private burger samenwerking, waarbij de publieke zijde niet dominant mag zijn.

5.

Het identificeren van koppelkansen maakt onderdeel uit van de QuickScan. Gezien de geïdentificeerde opgaven in regio Hart van Brabant lijken er kansen te liggen op de combinatie van energie opwekking, natuurontwikkeling (o.a. Hilvarenbeek Goirle), agrarische herstructurering (o.a. Waalwijk Heusden) en recreatie (o.a. Loon op Zand, Hilvarenbeek)

31

Aandachtspunten bij uitvoering QuickScan procesparticipatie II 6.

De externe effecten van het energieproject op de omgeving roepen vaak vragen op. De antwoorden hierop zijn zeker in het begin van het traject onzeker omdat lange termijn effecten nog niet bekend zijn en eventuele risico’s pas in de loop van het traject goed zijn in te schatten. Naar mate de onzekerheid over risico’s en effecten hoog is bij aanvang van het project, zal in het algemeen ook de behoefte bestaan in hogere mate betrokken te willen zijn bij het project.

7.

Voor regio Hart van Brabant wordt nagedacht binnen de REKS over het plaatsten van clusters van wind en zon op hiervoor aangewezen zoekgebieden. Tevens zal ook via de regionale structuurvisie warmte ook over de warmtevoorziening nagedacht worden, hetgeen weer vragen oproept over de inzet van biomassa en nog in ontwikkeling zijnde technologieën zoals aquathermie. Wind- en zon technologie zijn al onderwerp van maatschappelijke discussies ten aanzien van ruimtelijke beslaglegging en ethische- en gezondheidseffecten. Ook andere duurzame vormen van energieopwekking kennen hun eigen (maatschappelijke) discussiepunten. Het verdiend aanbeveling deze technologie specifieke discussiepunten in de QuickScan mee te nemen.

8.

Borging van participatie. Staan de betrokken bestuurders open voor een meebeslissende rol van stakeholders?

9.

Participatie is een intensief en langdurig proces. Is er capaciteit beschikbaar bij de gemeente?

10. Zijn er deskundigen/betrouwbare partners die bewoners/omwonenden (mee) kunnen begeleiden (zoals energiecorporaties, gebiedsfonds, onafhankelijke procesbegeleiders). Er heerst immers een vorm van wantrouwen jegens het bevoegd gezag? 11. Schrijf een sociaal participatieplan als onderdeel van de Quickscan dat beschrijft hoe de baten van een energieproject ten gunste komen aan de gehele omgeving. Een omgevingsfonds of klimaatfonds speelt hierbij een rol5. Beschrijf in het plan ook hoe mensen met smalle beurs in staat kunnen worden gesteld om ook mee te investeren in het project. Hier ligt een duidelijke verbinding met de financiële aspecten van participatie.

5. Een omgevingsfonds wordt gevuld vanuit de exploitatie van een project. De particuliere exploitant betaalt hieraan mee. Een duurzaamheidsfonds wordt vanuit de winst van de lokale participant betaald, na een redelijke vergoeding voor de kapitaalverstrekkers. De externe participant betaalt niet mee.

32

Opbrengsten Quickscan Het uitvoeren van de QuickScan zal idealiter de volgende uitkomsten opleveren:

A. Er is onderzocht welke partijen in het gebied actief zijn B. Er is een beeld van de mate waarin partijen geraakt worden door het project. C. De belangen van de partijen zijn in kaart gebracht. D. De bereidheid van partijen om mee te doen aan een participatieproject is bekend. E. De organisatiegraad van de partijen is gewaardeerd. F. Het netwerk en interactie tussen de partijen is via een actoren inventarisatie opgesteld G. De communicatie- en besluitvormings processen van de partijen is bekend. H. De voorgeschiedenis van het gebied is in kaart gebracht. I. De invloed van eventuele voorafgaande besluitvorming (bijv. vanuit de Omgevingswet traject) is onderzocht. J. De risico’s en effecten op de omgeving zijn bekend, en K. Inzicht in de discussies die spelen rondom de in te zetten energietechnologie. L. Duidelijkheid hoe de financiële stromen en structuur lopen binnen het project Op basis van de uitgevoerde QuickScan kan een procesparticipatiestrategie worden opgesteld, die uitvoering geeft aan het participatieproces.

33

Perspectief op procesparticipatie I Na het uitvoeren van een QuickScan kan de procesparticipatie strategie opgesteld worden. Belangrijk is wel vast te stellen met welk oogmerk deze strategie wordt uitgevoerd. De insteek van de procesparticipatie strategie moet niet doelmatig ingestoken worden, waardoor een beeld van plichtsmatigheid ontstaat, die het draagvlak van het proces en de daaraan gekoppelde besluitvorming ondermijnt. Maatschappelijke betrokkenheid organiseren en het bouwen van relaties dragen in positieve zin bij aan een succesvolle uitvoering van de strategie. Participatie kan zowel vanuit het ‘machtsperspectief van de overheid of ontwikkelaar’ die inspraak verlenen als vanuit het perspectief van bewoners bezien worden, die op basis van de beschikbare informatie mee willen denken en helpen de ontwikkeling te realiseren.

Om te bepalen welke vorm van participatie passend is, is belangrijk te kijken naar de mate van afhankelijkheid van externe partijen en de gewenste betrokkenheid van partijen In algemene zijn worden vier hoofdcategorieën van participatie gehanteerd, die verschillen in intensiteit, namelijk: 1) Informeren (website, nieuwsbrief, voorlichtingsavond, excursie) 2) Inspreken (interview, panel, enquête); 3) Consulteren (joint fact finding, dialoog, advies); 4) Co-produceren/ samenwerken (mede-) initiëren, financieel participeren, onderhandelen), 4) delegeren en 5) Zelfbestuur. Onderstaande afbeelding is een voorbeeld van een dergelijke

participatieladder.

34

Perspectief op procesparticipatie II Onderstaand stroomschema geeft schematisch het ontwikkelproces van een energieproject weer. Daarbij worden de 5 projectfases aangegeven en de participatieinstrumenten die in die fases ingezet kunnen worden.

1 Beleidsplan en/of structuurvisie 2 Communicatie / informatievoorziening 3 Planschade 4 Convenant / intentieovereenkomst 5 Enquête / opinieonderzoek 6 Inspraak / advies bij opstellen participatieplan 7. Klankbordgroep / adviesgroep 8 Ontwerpateliers 9 PlanMER 10 Selectie ontwikkelaar / aanbesteding

1 Anterieure (grondexploitatie) overeenkomst 2 Bestemmingsplan / inpassingsplan 3 Communicatie / informatievoorziening 4 Planschade 5 Convenant / intentieovereenkomst 6 Grondexploitatieplan 7 Inspraak / advies bij opstellen participatieplan 8 Klankbordgroep / adviesgroep 9 Maatwerkvoorschrift 10 Omgevingsvergunning / overige vergunningen

1 Communicatie /informatievoorziening 2 Contracten met lokale ondernemers 3 Financiële participatie: coöperatie of windvereniging

1 Bouwvoorlichting 2 Klachtenloket windenergie 3 Schadevergoedingsregeling 4 Vier de successen

1 Delen opbrengst met omgeving 2 Financiele participatie: coöperatie / windvereniging 3 Financiele participatie: obligaties 4 Klachtenloket windenergie 5 Monitoring 6 Terugregeling / stilstand

35

Participatie instrumenten regio Hart van Brabant (I) Mogelijkheden voor burgerparticipatie Onderstaand overzicht biedt handvatten om, afhankelijk van de (gewenste) mate van participatie, het (gewenste) aantal betrokkenen en de afzender (regionaal of lokaal, overheid of LEC’s), inwoners op verschillende manieren te laten participeren. Tool

Mate van

Praktijkvoorbeeld (good practices)

participatie Informeren

REKS-animatie

Nieuwsbrieven (online)

Informeren

nieuwsbrieven vanuit de regio (o.a. REKS, Hart van Brabant, Midpoint)

Brochures en geprinte media

Informeren

Gemeentepagina’s in lokale media, brochures op gemeentehuizen

Informeren

website REKS (Hart van Brabant). Voor de gemeenten is in het kader van de REKS op

Beeldmateriaal (animaties, infographics)

(offline) Website (inclusief f.a.q.)

regioniveau een f.a.q. opgesteld, die zij vervolgens op hun eigen kanalen kunnen plaatsen (al dan niet in aangepaste vorm). Lespakketten voor scholen

Informeren

Online tools ((buurt)apps of

Informeren,

Swipocratie, een project vanuit de Brabantse Milieufederatie waarin jongeren wordt

interactieve websites)

inspreken

gevraagd hun mening te geven over REKS-gerelateerde thema’s. Door te swipen kunnen zij

Flitspeilingen, enquêtes

Inspreken

hun mening geven over stellingen.

Onder andere de gemeente Tilburg houdt met enige regelmaat flitspeilingen via sociale media als Facebook en Instagram. Op de website van Frankwatching staat een artikel hierover.

Bijeenkomsten zoals werkateliers,

Informeren,

Lokale energiecoöperaties organiseren met enige regelmaat energiecafés, en gemeenten

bewonersavonden,

inspreken,

organiseren bewonersavonden. Afhankelijk van het doel van de bijeenkomst kan de mate

raadsontmoetingen of

consulteren,

van participatie variëren van informeren (bewonersavonden) tot coproduceren

motiemarkten

coproduceren

(werkateliers).

Klankbordgroepen, jeugdraden en

Inspreken,

Verschillende gemeenten hebben burgerpanels, zoals Tilburg, Oisterwijk en Waalwijk. Ook

burgerpanels of -platforms

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10040261/1