CConstaterende datOisterwijk
Koppel je AI →
Document · PDF

21-37 Bestemmingsplan kv Tilburg Noord-best - bijlage 3b4- Voortoets stikstof

RAAD 18 maart 2021, gemeente OisterwijkBij agendapunt: 21-37 Bestemmingsplan 150 kv Tilburg noord-best ged. Oisterwijk29.034 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

De achtergrondwaarden worden vastgesteld met behulp van modelberekeningen, die gebaseerd zijn op metingen van stikstofconcentraties in de lucht en van deposities. Een aantal factoren is van invloed op de nauwkeurigheid van deze informatie. Naast de nauwkeurigheid van het gebruikte model zijn nog enkele andere bronnen van onzekerheid te noemen. Het detailniveau van de gebruikte informatie over emissiebronnen in binnen- en buitenland kent om praktische redenen zijn beperkingen. Hetzelfde geldt voor meteorologische en omgevingsfactoren die van invloed zijn op de verspreiding van luchtverontreiniging. Binnen een gridcel is bovendien de werkelijke concentratie niet overal gelijk. Een onzekerheidsmarge rond de weergegeven waarden is het gevolg. De onzekerheid bedraagt, afhankelijk van stof en jaar, van 15% tot 30% voor concentraties en van 50% tot 100% voor deposities (RIVM, 2017). Hoewel er sprake is van een langjarige trend waarbij de emissies en achtergronddepositie dalen, variëren de achtergronddeposities op een specifieke locatie van jaar tot jaar. Dit heeft met name te maken met jaarlijkse verschillen in weersomstandigheden (temperatuur, windrichting en hoeveelheid neerslag). Door meteorologische omstandigheden kunnen van jaar tot jaar variaties in de depositie optreden in de orde van grootte van 10% (CLO, 2019).

Dit kunnen dus jaarlijkse verschillen zijn in de ordegrootte van 70 tot 400 mol/ha/jaar. Onze referentie: D10007153:41 - Datum: 12 mei 2020

25 van 91

VOORTOETS KABELVERBINDING TILBURG NOORD - BEST

Een eenmalige, beperkte dosis, hier maximaal 0,06 mol/ha aan stikstof maar op de meeste locaties aanmerkelijk minder, als gevolg van tijdelijke activiteiten is daarom op zichzelf zeer gering ten aanzien van de jaarlijkse depositie van de afgelopen decennia (0,0015% - 0,0086% van de jaarlijkse depositie), maar ook vanuit de natuurlijke fluctuatie in stikstofdepositie en de nauwkeurigheid waarmee de achtergronddeposities zijn vastgesteld. Een bepaalde eenmalige en lage toename van de depositie is derhalve zeer gering ten opzichte van de al lang bestaande en permanente deposities op specifieke habitattypen. Ter vergelijking: de natuurlijke achtergronddepositie (zonder menselijk ingrijpen) ligt naar verwachting tussen de 71 en 357 mol N/hectare/jaar (of 1 tot 5 kg N) (Arcadis, 2011). De eenmalige maximale toename als gevolg van het project (maximaal 0,06 mol N/hectare) komt overeen met 0,05% van de gemiddelde natuurlijke jaarlijkse achtergronddepositie. Hoe verhoudt de toename zich tot de kritische depositiewaarde van habitattypen en leefgebieden? De kritische depositiewaarde geeft aan beneden welke totale depositie (in mol/ha/jaar) significante effecten als gevolg van stikstofdepositie op een habitattype of leefgebied zonder meer met zekerheid kunnen worden uitgesloten (zie ook par.5.5).

Bij deze KDW’s gaat het om de gevoeligheid van blootstelling van habitattypen en leefgebieden aan stikstofverbindingen gedurende langere perioden. De kritische depositiewaarden zijn afgerond op hele kg’s stikstof. Deze zijn daarna teruggerekend naar mol. Een meer precieze bepaling van de KDW’s is op grond van beschikbare kennis en modeluitkomsten niet mogelijk. Een verschil van 100 gram (één decimaal) geeft reeds een verschil en daarmee onbetrouwbaarheidsmarge van 7,14 mol/ha/jr. Dit betreft de permanente en dus langdurige jaarlijkse depositieniveaus. De kleine en tijdelijke depositietoename als gevolg van het project (maximaal 0,06 mol N/ha/jaar), maar meestal 0,01 mol/hectare/jaar bevindt zich dus zeer ruim binnen de betrouwbaarheidsmarges waarmee de KDW’s toegepast kunnen worden. De kleine dosis aan stikstof als gevolg van de tijdelijke activiteiten is derhalve zeer gering, zowel ten aanzien van de nauwkeurigheid waarmee de KDW’s zijn vastgesteld en ten aanzien van de hoogte van deze KDW’s als lange termijn grenswaarde.

Beoordeling Voor de kleine en tijdelijke deposities ten gevolge van de aanleg van het project geldt dat de maximale bijdrage van 0,06 mol N/ha/jaar: • Wegvalt tegen de jaarlijkse fluctuatie in stikstofdepositie ten gevolge van meteorologische condities door het jaar en over de jaren heen; • Verwaarloosbaar klein is ten opzichte van de jaarlijkse achtergronddepositie; • Binnen de betrouwbaarheidsmarges cq nauwkeurigheid van de KDW’s en de bepaling van de achtergronddeposities valt. Hieruit kan op zichzelf geconcludeerd worden dat een kleine depositietoename van maximaal 0,06 mol N/hectare/jaar gedurende de aanlegperiode de kwaliteit van habitattypen en leefgebieden niet aantast en significant negatieve effecten uitgesloten zijn.

6.4.5

Bijdrage kleine en tijdelijke deposities ten opzichte van bestaande aanvoer en afvoer van stikstof uit ecosystemen

Beschrijving Atmosferische depositie is niet de enige bron van stikstof in het leefmilieu van planten. Ook via andere mechanismen en routes komt stikstof beschikbaar. De belangrijkste hiervan zijn: • Toestroming via grond- en oppervlaktewater. Van nature zijn oppervlaktewateren en (met name) grondwater relatief arm aan stikstofverbindingen. Door menselijke invloeden (bemesting, afvalwaterlozing) bevatten grond- en oppervlaktewater in Nederland momenteel echter aanzienlijk meer stikstofverbindingen, zowel nitraat als ammonium. In habitattypen die onder invloed staan van toestromend grondwater (kwel) of overstroming met oppervlaktewater (beek- en rivierbegeleidende habitattypen) kunnen op deze wijze een verhoogde aanvoer van stikstof ondergaan. Bij overstroming kan daarbij ook voedselrijk slib nog een rol spelen. Onze referentie: D10007153:41 - Datum: 12 mei 2020

26 van 91

VOORTOETS KABELVERBINDING TILBURG NOORD - BEST

•

Mineralisatie (verdroging). In organisch materiaal in de bodem is stikstof geaccumuleerd die niet direct ter beschikking is voor levende planten. Door mineralisatie, waarbij bodemmicroben de immobiele stikstof omzetten naar vrij beschikbare stikstofverbindingen, komt deze geaccumuleerde stikstof weer vrij, in eerste instantie in de vorm van ammoniak. Via nitrificatie moet ammoniak eerst omgezet worden in nitraat, alvorens de stikstof beschikbaar is voor planten. Mineralisatie en nitrificatie is een natuurlijk proces, maar kan versneld worden in situaties waar veel zuurstof beschikbaar is. Dit gebeurt o.a. in habitattypen waar veel organische stof aanwezig is in de bodem, en waar de beluchting van de bodem toeneemt als gevolg van verdroging (verlaging van de grondwaterstand).

Beide vormen van stikstofaanvoer zijn niet of nauwelijks van natuurlijke oorsprong, maar kunnen in bepaalde situaties wel aanleiding geven tot een aanzienlijk aanvoer van voedingsstoffen: • In het Natura 2000-gebied Bunder- en Elsloërbos bijvoorbeeld, is de gemiddelde belasting van het grondwater ca. 75 mg/l nitraat, wat overeenkomt met ca. 17 mg N/l. In het gebied komt dit water via talloze bronnetjes (ca. 150) aan de oppervlakte. De afvoer van een gemiddelde bron in het Bunderbos is ca. 1 m3/uur. Per jaar komt daardoor per bron een vracht van ruim 9.000 mol N in het gebied. Het gebied heeft ruim 150 van deze bronnen. Via de bronnen komt daardoor ruim 8.000 mol N/ha/jaar het gebied binnen. Daarnaast komt er ook grondwater buiten de bronnen aan de oppervlakte. Een aanzienlijk deel van deze stikstof zal ook weer het gebied verlaten via de afvoer van het water door de beken, maar een deel van de stikstof zal opgenomen worden in de bodem en in de vegetatie. • In riviersystemen is met name in de uiterwaarden van de rivier de dynamiek uit de rivier leidend. Naast dat de overspoeling door erosie voor een deel aanwezige stoffen wegspoelt, voert de rivier ook stoffen aan. Als de Rijn als voorbeeld wordt genomen, dan is het gehalte aan stikstof ongeveer 2,5 mg/l. Deze hoeveelheid is ook ongeveer de streefwaarde voor alle rivieren.

Het gemiddelde debiet van de Rijn is ongeveer 2200 m3/s (variatie tussen 600 en 16.000 m3/s)5. Dit betekent dat de Rijn per seconde gemiddeld 5,5 kg stikstof aan- en afvoert, wat neerkomt op ca. 400 mol N per seconde. Daarnaast zal in het slib dat wordt achtergelaten ook een grote hoeveelheid stikstof achterblijven. Naast aanvoer van stikstof, vindt in natuurlijke en half-natuurlijke systemen ook afvoer van stikstofverbindingen plaats. De belangrijkste daarvan zijn: • Uitspoeling van stikstof. Een deel van de stikstof die in het systeem terecht komt wordt direct (na depositie) of indirect (na vrijkomen als gevolg van mineralisatie en nitrificatie) opgelost in het bodemwater, en via infiltratie of uitspoeling naar het oppervlaktewater uit het systeem verwijderd. Met name in drogere habitattypen van zandgronden kan het aandeel van stikstof dat op deze wijze verdwijnt aanzienlijk zijn. • Natuurlijke denitrificatie. Hierbij zetten bacteriën nitraat om in gasvormig stikstof, dat ontsnapt naar de atmosfeer. Dit is een natuurlijk proces, waarmee in de bepaling van de KDW’s van habitattypen en leefgebieden rekening is gehouden. Van de stikstof die als gevolg van een eenmalige kleine depositietoename in het milieu terecht komt, zal een zeer geringe fractie op deze wijze verdwijnen. • Immobilisatie van stikstof in organisch materiaal.

Deze stikstof is eerst door planten opgenomen, en daarin omgezet tot organische stikstofverbindingen. Plantenresten worden als organisch materiaal in de bodem opgeslagen. Afhankelijk van het bodemtype blijven ze daar langere of kortere tijd immobiel. Als gevolg van mineralisatie kunnen ze weer omgezet worden in ammonium en (via nitrificatie in) nitraat. Met name in habitattypen in veengebieden kan aanzienlijke accumulatie van stikstof in organisch materiaal optreden. • Cyclisch beheer. Cyclisch beheer is voor veel habitattypen een basisvoorwaarde voor instandhouding van habitattypen. Dit beheer is gericht op het verwijderen en (meestal ook) afvoeren van organisch materiaal. Voortzetting van dit beheer is een vanzelfsprekendheid en vastgelegd in beheerplannen en is al decennia een pijler onder natuurbeheer en heeft zijn resultaten (wetenschappelijk) ruim bewezen. De meest toegepaste beheermethoden zijn maaien, beweiden/begrazen, plaggen en chopperen (verwijderen zode met organisch materiaal) en snoeien. De stikstof wordt meestal uit het systeem verwijderd doordat het materiaal geoogst en/of afgevoerd wordt. Als gevolg van toegenomen aanvoer van nutriënten en daardoor veroorzaakte verhoogde biomassa productie is de intensiteit van dit beheer in veel gevallen, noodgedwongen, toegenomen.

Dit beheer is echter ook resultaatgericht: de biomassa of bovengrond wordt tot een bepaald niveau verwijderd. Een eventuele tijdelijke geringe toename van stikstofdepositie wordt daarmee eveneens weggenomen. Onderstaande tabel geeft enkele voorbeelden van de mate van afvoer weer per type beheer.

5

https://www.helpdeskwater.nl/onderwerpen/waterveiligheid/crisismanagement/begrippen/toelichting/afvoer/

Onze referentie: D10007153:41 - Datum: 12 mei 2020

27 van 91

VOORTOETS KABELVERBINDING TILBURG NOORD - BEST

Tabel 2 Effect beheermaatregel ten aanzien van afvoer stikstoffen uit de vegetatie. Sommige maatregelen worden jaarlijks genomen zoals maaien en begrazen, andere worden meer incidenteel uitgevoerd zoals plaggen en baggeren (bron: Berg et al, 2014) Beheermaatregel

Range van stikstofafvoer (mol/ha)

Plaggen

81.000 – 381.000

Chopperen

14.000 – 169.000

Baggeren

40.000 – 860.000

Maaien

1.000 – 10.000

Begrazen

140 – 1.200

Branden

1.000 – 10.000

Hakhoutbeheer en dunnen

11.000 – 15.000

Opslag verwijderen Ingrijpen in soortensamenstelling boomlaag

500 – 15.000 2.200 – 15.000

Beoordeling Ten aanzien van de verwijdering van stikstof uit het systeem blijkt uit het voorgaande dat de tijdelijke kleine depositietoename wegvalt tegen de hoeveelheden stikstof die weer uit het systeem verdwijnen. Met name bij (cyclisch) beheer zal de in de planten opgenomen stikstof, die afkomstig is uit de depositietoename, weer grotendeels uit het systeem verwijderd worden door het gevoerde vegetatiebeheer. De tijdelijke beperkte toevoeging heeft geen invloed op het terugbrengen van de depositie tot de KDW of het behouden van de depositie beneden de KDW. Bij beheer van de heischrale graslanden met schapenbegrazing betekent een eenmalige depositie van 1,0 mol/ha stikstof het volgende. Een plant heeft voor de aangroei van 1 gram ongeveer 0,2 gram stikstof nodig (Ter Steege, 1996). De depositie van 14 gram zal dus, ervan uitgaande dat de helft van de stikstof ook daadwerkelijk wordt benut en de andere helft uitspoelt, leiden tot een aanwas van 70 gram vegetatie van het habitattype per hectare. Een schaap heeft een voedselbehoefte van 1,7 kg droge stof per dag (Wageningen UR, 2001). Uitgaande van een drogestofgehalte van de graslandvegetatie van maximaal 50% eet een schaap per dag 3,4 kg vegetatie. Uitgedrukt in schaapdagen (hoeveelheid vegetatie die één schaap op één dag graast) is 3,4 kg dus 1 schaapdag.

Om de jaarlijkse extra aanwas van 70 gram vegetatie uit het systeem te halen, is dus (70/3.400 =) 0,024 schaapdag nodig. Uitgaande van een graasduur van 8 uur per dag (gescheperde kudde) is dat circa 12 minuten. Omgerekend komt 0,06 mol overeen met 0,8 seconden begrazing door kudde van 50 schapen. Een tijdelijke depositie van 0,06 mol N/ha komt overeen met 0,06 x 70 gram = 4,2 gram per ha (per 10.000 m2) en valt daarme ruim binnen de beheerinspanning in geval van schapenbegrazing. Ter illustratie, kan worden gekeken naar maaibeheer. Bij beheer van graslanden door maaien wordt tussen de 24 en 63 kg stikstof per ha verwijderd 6. Op basis van het gegeven (Ter Steege, 1996) dat een plant voor de aangroei van 1 gram ongeveer 0,2 gram stikstof nodig heeft, geldt een extra aanwas per 10.000 m2 van 4,2 gram ten gevolge van 0,06 mol (/ha). De hoeveelheid stikstofdepositie ten gevolge van het project valt weg tegen de hoeveelheid stikstof die wordt verwijderd met maaien.

6 Dit betrof graslanden in Californië (VS) in een mediterraan klimaat met voornamelijk Lolium multiflorum en Bromus diandrus met

Lupine albifrons, waar verspreid nog kleine oppervlaktes liggen met de originele vegetatie zonder lupine: Maron, John L. and Jefferies, Robert L., "Restoring Enriched Grasslands: Effects of Mowing on Species Richness, Productivity, and Nitrogen Retention" (2001). Biological Sciences Faculty Publications. Paper 344.

Onze referentie: D10007153:41 - Datum: 12 mei 2020

28 van 91

VOORTOETS KABELVERBINDING TILBURG NOORD - BEST

Op grond hiervan volgt dat een tijdelijke zeer lage stikstofdepositie geen invloed heeft op habitattypen in geval van een situatie met cyclisch beheer welke stikstof uit het systeem verwijderd, aangezien de eventuele bijdrage wegvalt tegen de hoeveelheden stikstof die periodiek door beheer worden verwijderd.

6.4.6

Invloed kleine en tijdelijke deposities op overbelaste systemen

Beschrijving In sommige situaties is in Natura 2000-gebieden bij specifieke habitattypen sprake van een hoge mate van overbelasting. De achtergronddepositie (ADW) is dan aanzienlijk hoger dan de kritische depositiewaarde (KDW). In de PAS-gebiedsanalyses wordt gesproken van een sterke overbelasting wanneer de ADW twee keer zo hoog is als de KDW. Bij grote overschrijdingen kunnen zich twee situaties voordoen: • De kwaliteit van het habitattype is goed, ondanks de hoge overschrijding van de KDW. In dergelijke gevallen zijn andere factoren dan stikstof sturend en/of beperkend voor de ontwikkeling van het habitattype, bijvoorbeeld omdat fosfaat beperkend is, of omdat er sprake is van een goede buffercapaciteit door toestroming van kwelwater. • De kwaliteit van het habitattype is slecht, (mede) als gevolg van de veel te hoge aanvoer van stikstof. In dergelijke situaties zijn maatregelen opgenomen in het beheerplan om de kwaliteit van de habitattypen te herstellen. Dit kunnen zowel systeemgerichte maatregelen zijn (bijvoorbeeld herstel van de waterhuishouding) als maatregelen die de geaccumuleerde stikstof uit het gebied verwijderen. Door de tijdelijke en kleine depositietoename zal de situatie in dergelijke gebieden niet wijzigen. De depositietoename zal ook geen gevolgen hebben voor de aard, omvang en succes van de maatregelen die genomen moeten worden.

Beoordeling In geval van habitattypes met een overbelasting geldt dat tijdelijke kleine deposities op grond van voorgaande nooit de oorzaak zijn, die tot gevolg heeft dat een habitattype niet meer aan het instandhoudingsdoel voldoet of dat het instandhoudingsdoel niet meer kan worden behaald. Significant negatieve effecten zijn uitgesloten.

6.4.7

Bijdragen van kleine en tijdelijke deposities ten opzichte van de achtergronddepositie

Zoals in het begin van dit hoofdstuk aangegeven is de achtergronddepositie in een groot aantal gebieden sinds een groot aantal jaren ruim hoger dan de kritische depositiewaardes die optreden. Dit is één van de oorzaken voor het niet bereiken van instandhoudingsdoelstellingen voor stikstofgevoelige habitattypen. Sinds 1980 zijn emissies hoog, zij het dat ze langzaam aan het afnemen zijn onder invloed van bijvoorbeeld strenge emissie-eisen. De tijdelijke deposities van het project vinden plaats tussen de emissies van voornamelijk landbouw, wegverkeer en industrie. Deze activiteiten vinden verspreid over het plangebied plaats. Uit de gegevens van het CBS ten aanzien van de uitstoot in 2018 blijkt dat wegverkeer een uitstoot kenden van circa 40 miljoen kg N en de landbouw circa 110 miljoen kg N (RIVM, 2020). Gezien de omvang van deze emissies, zonder de andere genoemde activiteiten, is het aannemelijk dat een tijdelijke kleine bijdrage wegvalt in het heersende beeld van emissies en als toevoeging verwaarloosbaar is. Beoordeling De emissies voor de aanleg van de verbinding Tilburg Noord – Best veroorzaakt een uitstoot van 916 kg stikstof in totaal (Bijlage B). Ten opzichte van de jaarlijkse emissies van activiteiten die bekend zijn van

Onze referentie: D10007153:41 - Datum: 12 mei 2020

29 van 91

VOORTOETS KABELVERBINDING TILBURG NOORD - BEST

landbouw en wegverkeer (150 miljoen kg stikstof in 2018 7) betekent dit (worstcase) een bijdrage van minder dan 0,0006% op jaarbasis, zonder rekening te houden met andere activiteiten als bijvoorbeeld scheepvaart, visserij, zandwinning, olie- en gaswinning en kustversterking. Dit is verwaarloosbaar en niet te onderscheiden. De emissie van het project kan derhalve, als het als toevoeging wordt beschouwd, niet tot een negatief effect leiden op habitattypen en zijn significant negatieve effecten uit te sluiten.

6.4.8

Relevantie stikstofdepositie voor het (kunnen) behalen of behouden van gewenste kwaliteit en omvang

Stikstofdepositie leidt tot verzuring of vermesting zoals bij de algemene beschrijving van effecten opgenomen. Niet alle habitattypen zijn gevoelig voor stikstof. Daarnaast zijn er habitattypen, eventueel in specifieke omstandigheden /locaties waarvoor geldt dat andere drukfactoren bepalend zijn voor het kunnen behalen en/of behouden van de gewenste kwaliteit en omvang van het habitattype. Beoordeling In het geval dat stikstofdepositie niet de voornaamste drukfactor is voor het behalen en/of behouden van een instandhoudingsdoelstelling voor een habitattype, zal een kleine tijdelijke depositie niet tot significant negatieve effecten leiden.

Figuur 7 Achtergronddepositie op de Kampina & Oisterwijkse Vennen en Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen

7 CBS Statline

Onze referentie: D10007153:41 - Datum: 12 mei 2020

30 van 91

VOORTOETS KABELVERBINDING TILBURG NOORD - BEST

6.4.9

Samengevat

De aspecten die in de vorige paragraaf zijn toegelicht zijn gebruikt voor de onderbouwing van de ecologische beoordeling van een eventueel effect van de stikstofemissies en hieruit resulterende deposities. In deze paragraaf vindt de beoordeling plaats. Daarbij worden de effecten van de deposities ten gevolge van het project op de habitattypen in de Natura 2000-gebieden Kampina & Oisterwijkse Vennen en Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen beoordeeld. Een aantal aspecten is generiek van aard. Deze aspecten zijn in de effectbeoordeling van alle stikstofgevoelige habitattypen van toepassing: • Schade van kleine en tijdelijke deposities aan planten (zie §6.4.1); • Invloed kleine en tijdelijke deposities op veranderingen in groeisnelheid en vegetatiesamenstelling (zie §6.3.3); • Bijdrage van kleine en tijdelijke deposities aan de totale depositie (zie §6.4.4); • Invloed van kleine en tijdelijke deposities op overbelaste systemen (zie §6.4.6); • Bijdrage van kleine en tijdelijke deposities ten opzichte van de achtergronddepositie (zie § 6.4.7). Om die reden worden deze aspecten bij de afzonderlijke habitattypen niet altijd afzonderlijk in de beoordeling herhaald, terwijl ze wel van toepassing zijn.

6.5

Kampina & Oisterwijkse Vennen

6.5.1

Gebiedsbeschrijving

Kampina is een restant van het half-natuurlijke Kempense heidelandschap met daarin een afwisseling van droge en natte heide, akkers, een meanderend riviertje, voedselarme vennen, blauwgraslanden, hoogveenvorming, hoge populieren en bos. De vennen in de Oisterwijkse Vennen zijn vooral ontstaan door uitstuiving in het stuifzandlandschap, waarna veentjes ontstonden (Provincie Noord-Brabant, 2013a). Stikstofdepositie leidt in het Natura 2000-gebied tot een overbelaste situatie (Provincie Noord-Brabant, 2017c). Tijdens een veldbezoek op 5 juli 2019 ten behoeve van de beoordeling van de kwaliteit van de habitattypen, is de indruk ontstaan dat het Natura 2000-gebied leidt onder vermesting, verzuring en verdroging, waarbij deze processen elkaar verder versterken. Tevens is sprake van een hoge recreatieve druk (fijnmazig netwerk van paden), waarbij delen van het gebied zeer intensief betreden worden. Op korte afstand tot het Natura 2000-gebied liggen enkele intensieve veehouderijen (varkens), waarvan de aanwezigheid tot in het gebied nadrukkelijk aanwezig zijn. Tot over een afstand van zeker zes kilometer binnen het Natura 2000gebied was de geur van de bedrijven waarneembaar. Verder vliegt defensie laag over het gebied met vliegtuigen en helikopters met de bijbehorende (zichtbare) emissies. Het duidelijkst zichtbare knelpunt in het gebied is echter de verdroging.

Deze was in het gebied duidelijk zichtbaar ter plaatse van sloten en vennen: het waterpeil leek duidelijk lager te staan dan normaal het geval was. Sloten die normaal watervoerend leken te zijn (bodem zonder vegetaties) stonden volledig droog. In de volgende paragrafen wordt specifiek per habitattype ingegaan op de effecten van de stikstofdepositie van de realisatie van de verbinding Tilburg Noord – Best (zie Figuur 8). Per habitattype is uitgewerkt wat de instandhoudingsdoelen zijn, of deze doelen gehaald worden en zo niet, waarom de doelen niet gehaald worden (welke knelpunten er zijn). Hieruit kan opgemaakt worden of de stikstofdepositie op dit moment een sturende factor is en zo ja, of aanvullende maatregelen nodig zijn. Op basis hiervan kan vervolgens ook bepaald worden wat de effecten zijn van de tijdelijke kleine toename van stikstof als gevolg van het project. Alle informatie in onderstaande tabellen van deze paragraaf komt uit het beheerplan, met uitzondering van de informatie over stikstofdepositie door het project.

Onze referentie: D10007153:41 - Datum: 12 mei 2020

31 van 91

VOORTOETS KABELVERBINDING TILBURG NOORD - BEST

Figuur 8 Projectdepositie op de Kampina en de Oisterwijksevennen

6.5.2

H2310 Stuifzandheiden met struikhei

Kritische depositiewaarde: Hoogste projectbijdrage:

1.071 mol N/hectare/jaar 0,01 mol N/hectare/jaar

Onze referentie: D10007153:41 - Datum: 12 mei 2020

32 van 91

VOORTOETS KABELVERBINDING TILBURG NOORD - BEST

Figuur 9 Projectdepositie op H2310

Aspect

Uitwerking

Instandhoudingdoelstelling

Uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit (Ministerie van EZ, 2013a).

Huidige omvang en kwaliteit

In de gebiedsanalyse is aangegeven dat het habitattype een matige kwaliteit heeft en dat de trend voor oppervlakte en kwaliteit stabiel is (Provincie Noord-Brabant, 2017a). Het habitattype is volgens het beheerplan matig ontwikkeld onder druk van vergrassing, verbossing en betreding (Provincie Noord-Brabant, 2017c).

Huidig beheer

Voor het habitattype geldt dat behoud van verstoring door wind of begrazing nodig zijn om het in stand te houden. Als natuurlijke dynamiek niet mogelijk is, moet gedacht worden aan cyclisch kapbeheer, aangevuld met plaggen.8 De volgende maatregelen worden/zijn reeds getroffen (Provincie Noord-Brabant, 2017c): • In de Huisvennen is bos gekapt voor de Natte Natuurparel, dit draagt bij aan kwaliteit en uitbreiding van oppervlak. • Verbeteren kwaliteit door periodiek terugdringen van boomopslag.

Knelpunten

In het beheerplan is opgenomen dat habitattypen van heiden en pioniervegetatie gevoelig zijn voor vermesting. Stikstofdepositie vormt hier een probleem. Verder is recreatie hier mogelijk ook een knelpunt (Provincie Noord-Brabant, 2017c). In de gebiedsanalyse zijn de volgende knelpunten opgenomen (Provincie Noord-Brabant, 2017a):

8 https://www.ecopedia.be/natura2000/natura-2000-droge-heide-op-jonge-zandafzettingen-2310

Onze referentie: D10007153:41 - Datum: 12 mei 2020

33 van 91

VOORTOETS KABELVERBINDING TILBURG NOORD - BEST

• Recreatiedruk: afname broedsels typerende soorten. • Lage pH en extreme schraalheid bodem leiden tot afname typerende soorten. • Voedselarme omstandigheden, waardoor weinig mineralen en verdwijnen van soorten. • Inkrimping stuifzandareaal ten gunste van bosbouw. • Successie door beperkt beheer. • Vergrassing door stikstofdepositie. • Beperkte hoeveelheid verstuifbaar zand. • Onvoldoende monitoring. Veldbezoek

Op 5 juli 2019 is een veldbezoek gebracht aan het Natura 2000-gebied. Stuifzandheiden met struikheide die bij de paden lagen zijn bekeken, zie Afbeelding 1. De stuifzandheiden met struikheide zijn verruigd en het aandeel met struikheidebegroeiing is beperkt. Opvallend was de hoge recreatieve betredingsdruk daar waar het habitattype voorkomt.

Afbeelding 1: Stuifzandheide met stuikheide en Zandverstuivingen.

Overschrijding KDW

Over het hele oppervlak van het habitattype is sprake van overschrijding van de KDW.

Stikstofdepositie door het project

De maximale tijdelijke toename van de stikstofdepositie op dit habitattype in dit Natura 2000gebied als gevolg van het project is gemiddeld minder dan 0,01 mol N/ha/jaar. De maximale stikstofdepositie is 0,01 mol N/ha/jaar.

Beoordeling Hoewel de kwaliteit matig is, is de trend ondanks de overbelasting wel stabiel. Recreatiedruk lijkt het grootste knelpunt te zijn, maar ook beheer en de beperkte aanwezigheid van verstuifbaar zand als gevolg van dichtgroeien zijn deel van de problematiek. De toename van stikstofdepositie door het project is dusdanig laag dat deze op zichzelf niet leidt tot een wezenlijke verandering van het habitattype in deze situatie. De toename van stikstofdepositie door het project leidt niet tot een meetbare verandering van kwaliteit of omvang of gezien de knelpunten rond dynamiek en recreatie tot een grotere inspanning die nodig is voor herstel. Effecten door de tijdelijke toename van stikstofdepositie zijn uitgesloten. Uitbreiding en verbetering worden niet belemmerd door de tijdelijke stikstofdepositie van het project. Op basis van deze analyse, wordt gesteld dat de staat van instandhouding van het habitattype niet in het geding komt als gevolg van het project.

Onze referentie: D10007153:41 - Datum: 12 mei 2020

34 van 91

VOORTOETS KABELVERBINDING TILBURG NOORD - BEST

Geconcludeerd wordt dat de kleine en tijdelijke depositie van stikstof als gevolg van de aanleg van de verbinding in het Natura 2000-gebied Kampina & Oisterwijkse Vennen geen knelpunt is voor het habitattype Stuifzandheide met struikhei en dat van significant negatieve effecten geen sprake is.

Onze referentie: D10007153:41 - Datum: 12 mei 2020

35 van 91

VOORTOETS KABELVERBINDING TILBURG NOORD - BEST

6.5.3

H2330 Zandverstuivingen

Kritische depositiewaarde: Hoogste projectbijdrage:

714 mol N/hectare/jaar 0,01 mol N/hectare/jaar

Figuur 10 Projectdepositie op H2330

Aspect

Uitwerking

Instandhoudingdoelstelling

Uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit (Ministerie van EZ, 2013a)

Huidige omvang en kwaliteit

In de gebiedsanalyse is aangegeven dat het habitattype een matige kwaliteit heeft en dat de trend voor oppervlakte en kwaliteit stabiel is (Provincie Noord-Brabant, 2017a). Het habitattype is volgens het beheerplan matig ontwikkeld in een klein oppervlakte door bosaanplant, opslag en vergrassing (Provincie Noord-Brabant, 2017c).

Huidig beheer

Om de afwisseling in de vegetatiestructuur te behouden is behoud van natuurlijke vormen van verstoring door wind of begrazing noodzakelijk. Wanneer dit niet gebeurt, gaat het habitattype over naar heide, struisgrasvegetaties en bos. Voor instandhouding zijn grote oppervlaktes stuifzand nodig, minimaal 500 ha.9 De volgende maatregelen worden/zijn reeds getroffen (Provincie Noord-Brabant, 2017c): • In de Huisvennen is bos gekapt voor de Natte Natuurparel, maar dit draagt bij aan kwaliteit en uitbreiding van oppervlak. • Verbeteren kwaliteit door periodiek terugdringen van boomopslag. • Bos gekapt en begrazing ingezet op landduinen rondom de Huisvennen. • Verbetering van de aangetaste bodemkwaliteit.

9 https://www.ecopedia.be/natura2000/natura-2000-open-graslanden-op-landduinen-2330

Onze referentie: D10007153:41 - Datum: 12 mei 2020

36 van 91

VOORTOETS KABELVERBINDING TILBURG NOORD - BEST

Knelpunten

In het beheerplan is opgenomen dat habitattypen van heiden en pioniervegetatie gevoelig zijn voor vermesting. Stikstofdepositie vormt hier een probleem. Verder is recreatie hier mogelijk ook een knelpunt (Provincie Noord-Brabant, 2017c). In de gebiedsanalyse zijn de volgende knelpunten opgenomen (Provincie Noord-Brabant, 2017a): • Vermesting en verzuring door stikstofdepositie waardoor vergrassing wordt bevorderd • Kleine omvang van gebied (0,16 ha)

Veldbezoek

Op 5 juli 2019 is een veldbezoek gebracht aan het Natura 2000-gebied, zie Afbeelding 1. Voor de stuifzanden geldt dat deze zeer gering zijn in oppervlakte, terwijl een zekere omvang nodig is voor een blijvende aanwezigheid, bijvoorbeeld om te kunnen stuiven. De stuifzanden lijken hier over te gaan in Stuifzandheiden met struikheide. Verder viel de aanwezigheid en opslag van bomen op. Dit is indicatief voor een gebrek aan beheer, wat vooral bij heide aan de rand van bos wel nodig is.

Overschrijding KDW

Over het hele oppervlak van het habitattype is sprake van overschrijding van de KDW.

Stikstofdepositie door het project

De maximale tijdelijke toename van de stikstofdepositie op dit habitattype in dit Natura 2000gebied als gevolg van het project is gemiddeld minder dan 0,01 mol N/ha/jaar. De maximale totale stikstofdepositie is 0,01 mol N/ha/jaar.

Beoordeling Ondanks de matige kwaliteit en overbelasting, is de trend wel stabiel. De primaire oorzaken van de matige kwaliteit is het ontbreken van dynamiek als gevolg van het zeer beperkte oppervlakte, waardoor beperkt tot geen overstuiving plaats vindt. Het habitattype komt namelijk niet voor in functionele omvang. 10 Stikstofdepositie speelt daardoor ook een rol doordat door het ontbreken van overstuiving vervilting en successie versneld optreedt. De toename van stikstofdepositie door het project is zeer beperkt en leidt, gezien de stabiele trend in een overbelaste situatie, op zichzelf niet tot een meetbare verandering van kwaliteit of omvang van het habitattype in deze situatie of een grotere inspanning voor herstel. Effecten als gevolg van de tijdelijke toename van stikstofdepositie door het project zijn uitgesloten. Uitbreiding en verbetering worden niet belemmerd door de tijdelijke stikstofdepositie. Op basis van deze analyse, wordt gesteld dat de staat van instandhouding van het habitattype niet in het geding komt als gevolg van het project. Geconcludeerd wordt dat de kleine en tijdelijke depositie van stikstof als gevolg van de aanleg van de verbinding in het Natura 2000-gebied Kampina & Oisterwijkse Vennen geen knelpunt is voor het habitattype Zandverstuivingen en dat van significant negatieve effecten geen sprake is.

10 Dit is volgens het profiel van het habitattype vanaf honderden hectares.

Onze referentie: D10007153:41 - Datum: 12 mei 2020

37 van 91

VOORTOETS KABELVERBINDING TILBURG NOORD - BEST

6.5.4

H3110 Zeer zwak gebufferde vennen

Kritische depositiewaarde: Hoogste projectbijdrage:

429 mol N/hectare/jaar 0,01 mol N/hectare/jaar

Figuur 11 Projectdepositie op H3110

Aspect

Uitwerking

Instandhoudingsdoelstelling

Behoud oppervlakte en verbetering kwaliteit

Huidige omvang en kwaliteit

Het habitattype komt slechts op één plek voor en heeft een goede kwaliteit.

Huidig beheer

• Aanvoer gebufferd grondwater • Plaggen randzone om organisch materiaal af te voeren • Verwijderen bos(opslag) rondom het ven

Knelpunten

• Verzuring en vermesting als gevolg van atmosferische depositie • Vermesting en verdroging door bos grenzend aan het habitattype (bladval en wateronttrekking)

Veldbezoek

Op 5 juli 2019 is een veldbezoek gebracht aan het Natura 2000-gebied. Het ven wordt recreatief gebruikt en heeft daardoor deels een onnatuurlijke oeverzone en beperkte ecologische waarde. De overige delen zien er goed uit, doordat het ven in het bos ligt, is de invloed van bomen en bladval duidelijk zichtbaar.

Overschrijding KDW

Over het hele oppervlak van het habitattype is sprake van overschrijding van de KDW

Stikstofdepositie door het project

De maximale tijdelijke toename van de stikstofdepositie op dit habitattype in dit Natura 2000-gebied als gevolg van het project is gemiddeld minder dan 0,01 mol N/ha/jaar. De maximale totale stikstofdepositie is 0,01 mol N/ha/jaar.

Onze referentie: D10007153:41 - Datum: 12 mei 2020

38 van 91

VOORTOETS KABELVERBINDING TILBURG NOORD - BEST

Beoordeling De projectgevolgen op het habitattype H3110 Zeer zwak gebufferde vennen is van toepassing op het hele oppervlak. Door de zeer lage KDW is overal sprake van een overbelaste situatie. Ondanks de overbelasting, is sprake van een goede kwaliteit. Dit is vooral het gevolg van de aanvoer van gebufferd grondwater. Het habitattype verlandt zeer langzaam en er is nauwelijks (dichte) vegetatie aanwezig. Het reguliere beheer van aanvoer van gebufferd grondwater en plaggen helpt bij het tegengaan van verzuring en het terugzetten van de successie en daarmee de kwaliteit van het type. Herstel van de hydrologie is daarmee, naast stikstof, eveneens een sturende factor. Effecten als gevolg van de tijdelijke toename van stikstofdepositie door het project zijn uitgesloten. Uitbreiding en verbetering worden niet belemmerd door de tijdelijke stikstofdepositie. Op basis van deze analyse, wordt gesteld dat de staat van instandhouding van het habitattype niet in het geding komt als gevolg van het project. Geconcludeerd wordt dat de kleine en tijdelijke depositie van stikstof als gevolg van de aanleg van de verbinding in het Natura 2000-gebied Kampina & Oisterwijkse Vennen geen knelpunt is voor het habitattype Zeer zwak gebufferde vennen en dat van significant negatieve effecten met zekerheid geen sprake is.

Onze referentie: D10007153:41 - Datum: 12 mei 2020

39 van 91

VOORTOETS KABELVERBINDING TILBURG NOORD - BEST

6.5.5

H3130 Zwakgebufferde vennen

Kritische depositiewaarde: Hoogste projectbijdrage:

571 mol N/hectare/jaar 0,06 mol N/hectare/jaar

Figuur 12 Projectdepositie op H3130

Aspect

Uitwerking

Instandhoudingdoelstelling

Uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit (Ministerie van EZ, 2013a)

Huidige omvang en kwaliteit

Het habitattype is volgens het beheerplan goed tot matig ontwikkeld met een positieve trend en potentie voor verder herstel (Provincie Noord-Brabant, 2017c). In de gebiedsanalyse is aangegeven dat het habitattype een matig tot goede kwaliteit heeft en dat de trend voor oppervlakte positief is en voor kwaliteit stabiel (Provincie Noord-Brabant, 2017a).

Onze referentie: D10007153:41 - Datum: 12 mei 2020

40 van 91

VOORTOETS KABELVERBINDING TILBURG NOORD - BEST

Huidig beheer

Bij een goede waterkwaliteit bestaat beheer vooral uit maatregelen gericht op een natuurlijk peilbeheer.11 De volgende maatregelen worden/zijn reeds getroffen (Provincie Noord-Brabant, 2017c): • Behoud en monitoring in Winkelsven, Voorste Goorven, Witven, Van Esschenven, Belversven. • Afkoppeling Beeldven van wateraanvoer. • Stoppen inlaat landbouwwater in Kolkven en Rietven. • Baggeren Rietven. • Voor centrale Oisterwijkse vennen: - Vrijzetten van oevers. - Stimuleren van fluctuerend waterpeil zodat oevers geregeld vrijvallen. - Baggeren en beperken sportvisactiviteiten Groot Kolkven (onderzoek noodzakelijk).

Knelpunten

In het beheerplan is voor vennen en moerassen aangegeven dat deze gevoelig zijn voor stikstofdepositie en dat beheermaatregelen (afzetten oevers) moeten worden genomen (Provincie Noord-Brabant, 2017c). In de gebiedsanalyse zijn de volgende knelpunten opgenomen (Provincie Noord-Brabant, 2017a): • Verzuring en vermesting. • Vermindering van toestroom beekwater. • Hoger voedselgehalte van instromend beekwater.

Veldbezoek

Op 5 juli 2019 is een veldbezoek gebracht aan het Natura 2000-gebied. Hierbij zijn de vennen die zijn gelegen rond de grote heide van de Kampina bezocht, zie Afbeelding 2. Op het oog zijn er geen wezenlijke verschillen met andere vennen, hoewel de oevers wel minder begroeid zijn met soorten van voedselrijkere omstandigheden. Met name het grote ven aan de zuidkant is structuurrijker en de vegetatie is gevarieerder dan andere vennen in het gebied. Opvallend is de droogte in het gebied waardoor delen van vennen zijn drooggevallen.

Afbeelding 2: Zwakgebufferd ven in de Kampina. Op de voorgrond ligt actief hoogveen.

Overschrijding KDW

Over het hele oppervlak van het habitattype is sprake van overschrijding van de KDW.

Stikstofdepositie door het project

De maximale tijdelijke toename van de stikstofdepositie op dit habitattype in dit Natura 2000gebied als gevolg van het project is gemiddeld 0,01 mol N/ha/jaar. De maximale totale stikstofdepositie van Het project is 0,06 mol N/ha/jaar.

Beoordeling Ondanks overbelasting is het habitattype in goed of matig ontwikkelde vorm aanwezig, maar is de trend aan oppervlakte positief en voor kwaliteit stabiel. Ondanks de overbelasting is het mogelijk dat het habitattype uitbreidt. Dit is vooral afhankelijk van de waterkwaliteit, stikstofdepositie vormt hiervoor geen knelpunt. De

11 https://www.ecopedia.be/natura2000/natura-2000-voedselarme-tot-matig-voedselarme-wateren-met-droogvallende-oevers-3130

Onze referentie: D10007153:41 - Datum: 12 mei 2020

41 van 91

VOORTOETS KABELVERBINDING TILBURG NOORD - BEST

toename van stikstofdepositie door het project leidt niet tot een meetbare verandering van kwaliteit of omvang, zeker gezien de goede kwaliteit en mogelijkheid tot uitbreiding in een overbelaste situatie, of tot een grotere inspanning die nodig is voor herstel. Effecten door de tijdelijke toename van stikstofdepositie door het project zijn uitgesloten. Op basis van deze analyse, wordt gesteld dat de staat van instandhouding van het habitattype niet in het geding komt als gevolg van het project. Geconcludeerd wordt dat de kleine en tijdelijke depositie van stikstof als gevolg van de aanleg van de verbinding in het Natura 2000-gebied Kampina & Oisterwijkse Vennen geen knelpunt is voor het habitattype Zwak gebufferde vennen en dat van significant negatieve effecten met zekerheid geen sprake is.

Onze referentie: D10007153:41 - Datum: 12 mei 2020

42 van 91

VOORTOETS KABELVERBINDING TILBURG NOORD - BEST

6.5.6

H3160 Zure vennen/ZGH3160 Zure vennen

Kritische depositiewaarde: Hoogste projectbijdrage:

714 mol N/hectare/jaar 0,06 mol N/hectare/jaar

Figuur 13 Projectdepositie op H3160

Aspect

Uitwerking

Instandhoudingdoelstelling

Behoud oppervlakte en verbetering kwaliteit. Enige achteruitgang in oppervlakte ten gunste van habitattypen zwakgebufferde vennen (H3130) of actieve hoogvenen, heideveentjes (H7110B) is toegestaan (Ministerie van EZ, 2013a).

Huidige omvang en kwaliteit

Het habitattype is volgens het beheerplan goed tot matig ontwikkeld met een positieve trend (Provincie Noord-Brabant, 2017c). In de gebiedsanalyse is aangegeven dat het habitattype in een matig tot goede kwaliteit heeft en dat de trend voor oppervlakte stabiel en voor kwaliteit positief is (Provincie Noord-Brabant, 2017a).

Huidig beheer

In het lokale instandhoudingsbeheer is het vermijden van verdroging en eutrofiëring belangrijk. Oeverzones moeten vrij blijven van sterke boomopslag. Uitvening is alleen een optie als het habitattype verdwijnt door verlanding.12 De volgende maatregelen worden/zijn reeds getroffen (Provincie Noord-Brabant, 2017c): • Vrijstellen van venoevers. • Baggeren organische laag. • Vergroten grondwatervoeding door boskap rond Huisvennen. • Behoud van rust rond Huisvennen. • Regulering aantal niet-inheemse ganzen.

12 https://www.ecopedia.be/natura2000/natura-2000-zure-bruingekleurde-vennen-3160

Onze referentie: D10007153:41 - Datum: 12 mei 2020

43 van 91

VOORTOETS KABELVERBINDING TILBURG NOORD - BEST

Knelpunten

In het beheerplan is voor vennen en moerassen aangegeven dat deze gevoelig zijn voor stikstofdepositie en dat beheermaatregelen (afzetten oevers) moeten worden genomen (Provincie Noord-Brabant, 2017c). In de gebiedsanalyse zijn de volgende knelpunten opgenomen (Provincie Noord-Brabant, 2017a): • Ophoping van ammonium door vermesting. • Verspreiding van algen en pijpenstrootje door hogere stikstofdepositie. • Eutrofiëring door ganzen.

Veldbezoek

Op 5 juli 2019 is een veldbezoek gebracht aan het Natura 2000-gebied. Hierbij zijn met name een aantal zure vennen aan de noordkant van de Kampina bezocht, zie Afbeelding 3. De kwaliteit van de vennen lijkt per ven te verschillen. Een aantal vennen hebben een vegetatie die duidt op een te hoge voedselrijkdom met pitrus, gele lis, lisdodde en waterlelie, maar voor een aantal vennen ontbreekt dergelijke vegetatie. Delen van de vennen zijn al drooggevallen. Bij een aantal vennen liggen recreatiepaden en zijn de oevers intensief betreden. Waarschijnlijk zijn ook broedende en ruiende ganzen aanwezig.

Afbeelding 3: Zuur ven in het noordoosten van de Kampina. Opvallend is het lage waterpeil waardoor een deel van het ven droog staat. Overschrijding KDW

Over het hele oppervlak van het habitattype is sprake van overschrijding van de KDW.

Stikstofdepositie door het project

De maximale tijdelijke toename van de stikstofdepositie op dit habitattype in dit Natura 2000gebied als gevolg van het project is gemiddeld minder dan 0,01 mol N/ha/jaar. De maximale totale stikstofdepositie is 0,06 mol N/ha/jaar.

Beoordeling Ondanks overbelasting is het habitattype in goed of matig ontwikkelde vorm aanwezig, maar is de trend aan oppervlakte stabiel en voor kwaliteit positief. Knelpunten in de Kampina zijn ook de verdroging, recreatie en aanwezigheid van ganzen te zijn. De toename van stikstofdepositie door het project leidt niet tot een wezenlijke verandering van deze situatie, zeker gezien de goede kwaliteit en positieve trend in een overbelaste situatie, of tot een grotere inspanning die nodig is voor herstel. Bovendien is sprake van een afname van de stikstofdepositie in de zoekgebieden. Effecten door de tijdelijke toename van stikstofdepositie door het project zijn niet meetbaar, behoud van omvang en verbetering van kwaliteit worden niet belemmerd door de tijdelijke stikstofdepositie van het project. Op basis van deze analyse, wordt gesteld dat de staat van instandhouding van het habitattype niet in het geding komt als gevolg van het project. Geconcludeerd wordt dat de kleine en tijdelijke depositie van stikstof als gevolg van de aanleg van de verbinding in het Natura 2000-gebied Kampina & Oisterwijkse Vennen geen knelpunt is voor het habitattype Zwak gebufferde vennen en dat van significant negatieve effecten met zekerheid geen sprake is.

Onze referentie: D10007153:41 - Datum: 12 mei 2020

44 van 91

VOORTOETS KABELVERBINDING TILBURG NOORD - BEST

6.5.7

H4010A/L4010A Vochtige heiden (hogere zandgronden)

Kritische depositiewaarde: Hoogste projectbijdrage:

1.214 mol N/hectare/jaar 0,02 mol N/hectare/jaar

Figuur 14 Projectdepositie op H4010A

Aspect

Uitwerking

Instandhoudingdoelstelling

Uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit (Ministerie van EZ, 2013a).

Huidige omvang en kwaliteit

Het habitattype is volgens het beheerplan matig ontwikkeld maar wel stabiel. Kwaliteitsverbetering onder invloed van beheer is aannemelijk (Provincie Noord-Brabant, 2017c). In de gebiedsanalyse is aangegeven dat het habitattype een matig tot goede kwaliteit heeft en dat de trend voor oppervlakte en kwaliteit stabiel is (Provincie Noord-Brabant, 2017a).

Huidig beheer

Wanneer het waterpeil voldoende hoog is, is nagenoeg geen beheer nodig vanwege een langzaam verlopende successie. Anders is een intensiever beheer in de vorm van plaggen, maaien en/of extensieve begrazing nodig.13 De volgende maatregelen worden/zijn reeds getroffen (Provincie Noord-Brabant, 2017c): • Afsluiten van paden. • Terugdringen bosopslag. • Inzetten van begrazing. • Ander heidebeheer. • Verbetering aangetaste bodemkwaliteit. Tijdens het veldbezoek is ook gezien dat de heide begraasd werd met runderen en schapen.

13 https://www.ecopedia.be/natura2000/natura-2000-vochtige-tot-natte-heide-4010

Onze referentie: D10007153:41 - Datum: 12 mei 2020

45 van 91

VOORTOETS KABELVERBINDING TILBURG NOORD - BEST

Knelpunten

In het beheerplan is opgenomen dat habitattypen van heiden en pioniervegetatie gevoelig zijn voor vermesting. Stikstofdepositie vormt hier een probleem. Verder is recreatie hier mogelijk ook een knelpunt (Provincie Noord-Brabant, 2017c). In de gebiedsanalyse zijn de volgende knelpunten opgenomen (Provincie Noord-Brabant, 2017a): • Vergrassing en boomopslag door stikstofdepositie. • Verdroging door drainage, peilbeheer en grondwateronttrekking. • Bodemuitputting door plaggen. • Verdwijnen soorten door recreatiedruk.

Veldbezoek

Op 5 juli 2019 is een veldbezoek gebracht aan het Natura 2000-gebied, zie Afbeelding 4. Voor de bezochte percelen vochtige heiden geldt dat deze verdroogd zijn. De vegetatie bestaat voor een groot deel nog wel uit dopheide, maar veel dode planten zijn waargenomen. Ook zijn plaatselijk tekenen van vergrassing waargenomen. Vochtige heide is ook niet altijd als dusdanig herkenbaar omdat het afwisselend met drogere heide aanwezig is, waarbij natte heide vooral in de lagere delen is gelegen.

Afbeelding 4: Vochtige heide in de Kampina. Overschrijding KDW

Over het hele oppervlak van het habitattype is sprake van overschrijding van de KDW.

Stikstofdepositie door het project

De maximale tijdelijke toename van de stikstofdepositie op dit habitattype in dit Natura 2000gebied als gevolg van het project is gemiddeld minder dan 0,01 mol N/ha/jaar. De maximale totale stikstofdepositie van het project is 0,02 mol N/ha/jaar.

Beoordeling Ondanks overbelasting is het habitattype in goed of matig ontwikkelde vorm aanwezig en is de trend voor zowel oppervlakte als kwaliteit stabiel. Verdroging lijkt in de Kampina een belangrijk knelpunt te zijn. De toename van Stikstofdepositie door het project leidt niet tot een meetbare verandering van kwaliteit of omvang, zeker gezien bij beheer kwaliteitsverbetering in een overbelaste situatie mogelijk is. Effecten van de tijdelijke toename van Stikstofdepositie door het project zijn uitgesloten. Uitbreiding en verbetering worden niet belemmerd door de tijdelijke stikstofdepositie van het project. Op basis van deze analyse, wordt gesteld dat de staat van instandhouding van het habitattype niet in het geding komt als gevolg van het project. Geconcludeerd wordt dat de kleine en tijdelijke depositie van stikstof als gevolg van de aanleg van de verbinding in het Natura 2000-gebied Kampina & Oisterwijkse Vennen geen knelpunt is voor het habitattype Vochtige heiden en dat van significant negatieve effecten met zekerheid geen sprake is.

Onze referentie: D10007153:41 - Datum: 12 mei 2020

46 van 91

VOORTOETS KABELVERBINDING TILBURG NOORD - BEST

6.5.8

H4030/L4030 Droge heiden

Kritische depositiewaarde: Hoogste projectbijdrage:

1.071 mol N/hectare/jaar 0,02 mol N/hectare/jaar

Figuur 15 Projectdepositie op H4030

Aspect

Uitwerking

Instandhoudingdoelstelling

Uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit (Ministerie van EZ, 2013a).

Huidige omvang en kwaliteit

Het habitattype is volgens het beheerplan deels goed en deels matig ontwikkeld. De trend is positief en een kwaliteitsverbetering door beheer en maatregelen is aannemelijk (Provincie Noord-Brabant, 2017c). In de gebiedsanalyse is aangegeven dat het habitattype een matige kwaliteit heeft en dat de trend voor oppervlakte positief is en voor kwaliteit stabiel (Provincie Noord-Brabant, 2017a).

Huidig beheer

Actief, cyclisch beheer is noodzakelijk om verbossing tegen te gaan. Mogelijkheden zijn maaien, begrazen, branden en plaggen. Deze laatste twee vooral op kleine schaal en gefaseerd in tijd.14 De volgende maatregelen worden/zijn reeds getroffen (Provincie NoordBrabant, 2017c): • Afsluiten van paden. • Terugdringen bosopslag. • Inzetten van begrazing. • Ander heidebeheer. • Verbetering aangetaste bodemkwaliteit. Tijdens het veldbezoek is ook gezien dat de heide begraasd werd met runderen en schapen.

14 https://www.ecopedia.be/natura2000/natura-2000-droge-heide-4030

Onze referentie: D10007153:41 - Datum: 12 mei 2020

47 van 91

VOORTOETS KABELVERBINDING TILBURG NOORD - BEST

Knelpunten

In het beheerplan is opgenomen dat habitattypen van heiden en pioniervegetatie gevoelig zijn voor vermesting. Stikstofdepositie vormt hier een probleem. Verder is recreatie hier mogelijk ook een knelpunt (Provincie Noord-Brabant, 2017c). In de gebiedsanalyse zijn de volgende knelpunten opgenomen (Provincie Noord-Brabant, 2017a): • Vergrassing door stikstofdepositie. • Intensief beheer is nodig om successie tegen te blijven gaan. • Afname verspreiding soorten door recreatiedruk. • Afgenomen vitaliteit heide leidt tot negatieve invloed van heidehaantje en plaagsoorten.

Veldbezoek

Op 5 juli 2019 is een veldbezoek gebracht aan het Natura 2000-gebied. Droge heide beslaat een groot oppervlak van het centrale deel van de Kampina (de kleine, versnipperde percelen aan de westzijde in de Oisterwijkse Vennen zijn niet bezocht). Over grote oppervlaktes is sprake van vergrassing en is struikheide niet of slechts sporadisch aanwezig, zie Afbeelding 5. Opvallend is dat in delen van het gebied over beperkte afstand grote verschillen aanwezig zijn: op de hogere delen, heuvels die enkele meters hoger liggen, lijkt de struikheide nog wel dominant aanwezig. Ook is het habitattype bij De Logt (zuiden Natura 2000-gebied) bezocht. Struikheide ontbreekt grotendeels. Een groot deel van het perceel is hier echter geplagd en de ontwikkeling is nog niet helemaal op gang gekomen. In de niet geplagde delen langs de bosranden staan soorten die duiden op enige mate van eutrofiëring: pijpenstrootje, pitrus en bochtige smele. Langs de bosranden zijn met name langs landbouwpercelen duidelijke randeffecten zichtbaar in de vorm van braam, brandnetel en andere soorten die duiden op een verstoorde, verrijkte bodem.

Afbeelding 5: Droge heide in de Kampina. Overschrijding KDW

Over het hele oppervlak van het habitattype is sprake van overschrijding van de KDW.

Stikstofdepositie door het project

De maximale tijdelijke toename van de stikstofdepositie op dit habitattype in dit Natura 2000gebied als gevolg van het project is gemiddeld minder dan 0,01 mol N/ha/jaar. De maximale totale stikstofdepositie van het project is 0,02 mol N/ha/jaar.

Beoordeling Ondanks overbelasting is het habitattype in delen toch in goede kwaliteit aanwezig en de trend is positief. Bovendien zijn ondanks de overbelaste situatie mogelijkheden voor uitbreiding en verbetering. De toename van stikstofdepositie door het project leidt niet tot een meetbare verandering van kwaliteit of omvang, zeker niet gezien de mogelijkheden voor herstel in een overbelaste situatie bij het nemen van maatregelen. Effecten als gevolg van de tijdelijke toename van Stikstofdepositie door het project zijn uitgesloten. Uitbreiding en verbetering worden niet belemmerd door de tijdelijke stikstofdepositie van het project.

Onze referentie: D10007153:41 - Datum: 12 mei 2020

48 van 91

VOORTOETS KABELVERBINDING TILBURG NOORD - BEST

Geconcludeerd wordt dat de kleine en tijdelijke depositie van stikstof als gevolg van de aanleg van de verbinding in het Natura 2000-gebied Kampina & Oisterwijkse Vennen geen knelpunt is voor het habitattype Droge heiden en dat van significant negatieve effecten met zekerheid geen sprake is.

Onze referentie: D10007153:41 - Datum: 12 mei 2020

49 van 91

VOORTOETS KABELVERBINDING TILBURG NOORD - BEST

6.5.9

H6410 Blauwgraslanden

Kritische depositiewaarde: Hoogste projectbijdrage:

1.071 mol N/hectare/jaar 0,01 mol N/hectare/jaar

Figuur 16 Projectdepositie op H6410

Aspect

Uitwerking

Instandhoudingdoelstelling

Behoud oppervlakte en verbetering kwaliteit (Ministerie van EZ, 2013a).

Huidige omvang en kwaliteit

Het habitattype is volgens het beheerplan deels goed en deels matig ontwikkeld. De trend van het oppervlak is stabiel, de kwaliteit stabiel tot licht negatief. Een kwaliteitsverbetering door beheer en maatregelen is mogelijk, maar vraagt wel een grote ingreep (Provincie NoordBrabant, 2017c). In de gebiedsanalyse is aangegeven dat het habitattype al decennia redelijk stabiel is. (Provincie Noord-Brabant, 2017a).

Huidig beheer

Actief, cyclisch beheer is noodzakelijk om verbossing tegen te gaan. Dit beheer beperkt zich hoofdzakelijk tot maaibeheer. De volgende maatregelen worden/zijn reeds getroffen (Provincie Noord-Brabant, 2017c): • Terugdringen bosopslag door maaien; • Eutrofiering tegen gaan door afvoeren maaisel.

Knelpunten

In het beheerplan is opgenomen dat blauwgraslanden gevoelig zijn voor met name verzuring en daardoor ook voor eutrofiering. Ook het dichtgroeien met bosopslag is een reëel knelpunt door de slechte bereikbaarheid van de percelen. Stikstofdepositie vormt hier een probleem (Provincie Noord-Brabant, 2017c). In de gebiedsanalyse zijn de volgende knelpunten opgenomen (Provincie Noord-Brabant, 2017a):

Onze referentie: D10007153:41 - Datum: 12 mei 2020

50 van 91

VOORTOETS KABELVERBINDING TILBURG NOORD - BEST

• • • •

Dichtgroeien door bosopslag Verzuring door ontbreken toevoer kalkrijk grond- of beekwater. Intensief beheer is nodig om successie tegen te blijven gaan. Toevoer van beekwater is mogelijk, maar is te eutroof voor blauwgrasland.

Veldbezoek

Op 5 juli 2019 is een veldbezoek gebracht aan het Natura 2000-gebied. Dit habitattype is niet bezocht vanwege de ontoegankelijkheid en geïsoleerde ligging.

Overschrijding KDW

Over het hele oppervlak van het habitattype is sprake van overschrijding van de KDW.

Stikstofdepositie door het project

De maximale tijdelijke toename van de stikstofdepositie op dit habitattype in dit Natura 2000gebied als gevolg van het project is gemiddeld minder dan 0,01 mol N/ha/jaar. De maximale totale stikstofdepositie van het project is 0,01 mol N/ha/jaar.

Beoordeling Ondanks overbelasting is het habitattype nog in redelijk kwaliteit aanwezig. De soortensamenstelling is al decennia stabiel. Op basis daarvan is de verbetering van de kwaliteit mogelijk, door met name het herstellen van inundatie door grond- of beekwater. De huidige beek is echter nog te voedselrijk om toe te passen voor inundatie, dat vergt een systeem brede aanpak. Het herstel van aanvoer van gebufferd grondwater wordt bewerkstelligd door het dempen van de Heiloop. Het dichtlopen met bos wordt voorkomen door het kappen van omliggend bos. Ondanks de overbelaste situatie zijn er goede mogelijkheden voor uitbreiding en verbetering van het habitattype. De toename van stikstofdepositie door het project leidt niet tot een meetbare verandering van kwaliteit of omvang, het habitattype kampt vooral met andere problemen. Effecten als gevolg van de tijdelijke toename van stikstofdepositie door het project zijn uitgesloten. Uitbreiding en verbetering worden niet belemmerd door de tijdelijke stikstofdepositie van het project. Geconcludeerd wordt dat de kleine en tijdelijke depositie van stikstof als gevolg van de aanleg van de verbinding in het Natura 2000-gebied Kampina & Oisterwijkse Vennen geen knelpunt is voor het habitattype Blauwgraslanden en dat van significant negatieve effecten met zekerheid geen sprake is.

Onze referentie: D10007153:41 - Datum: 12 mei 2020

51 van 91

VOORTOETS KABELVERBINDING TILBURG NOORD - BEST

6.5.10

H7110B Actieve hoogvenen (heideveentjes)

Kritische depositiewaarde: Hoogste projectbijdrage:

786 mol N/hectare/jaar 0,01 mol N/hectare/jaar

Figuur 17 Projectdepositie op H7110B

Aspect

Uitwerking

Instandhoudingsdoelstelling

Toename van oppervlakte, toename van kwaliteit

Huidige omvang en kwaliteit

In de gebiedsanalyse is aangegeven dat het habitattype een matige kwaliteit heeft en dat de trend voor oppervlakte en kwaliteit stabiel is (Provincie Noord-Brabant, 2017a). Het habitattype is volgens het beheerplan matig ontwikkeld in een klein oppervlakte, het zijn vooral restanten van oude slenken en vennen die in het verleden ontveend zijn (Provincie Noord-Brabant, 2017c). Het herstellen van abiotiek en boskap is noodzakelijk om veengroei weer opgang te brengen.

Huidig beheer

• Optimalisatie lokale waterhuishouding • Verwijderen opslag

Knelpunten

• Onstabiele waterhuishouding • Bosopslag (te veel verdamping) • Vergrassing en boomopslag als gevolg van stikstofdepositie

Veldbezoek

Op 5 juli 2019 is een veldbezoek gebracht aan het Natura 2000-gebied. Een deel van het habitattype is overzien (Afbeelding 5) langs de randen van de vennen. De ontwikkeling van hoogveen langs de rand is zichtbaar aanwezig. Welke soort of soortsamenstelling in de vegetatie aanwezig is, is niet onderzocht (niet betreden ivm kwetsbaarheid). Verdroging was duidelijk zichtbaar, evenals opslag van bos.

Onze referentie: D10007153:41 - Datum: 12 mei 2020

52 van 91

VOORTOETS KABELVERBINDING TILBURG NOORD - BEST

Overschrijding KDW

Over het hele oppervlak van het habitattype is sprake van overschrijding van de KDW.

Stikstofdepositie door het project

De maximale tijdelijke toename van de stikstofdepositie op dit habitattype in dit Natura 2000-gebied als gevolg van het project is gemiddeld minder dan 0,01 mol N/ha/jaar. De maximale totale stikstofdepositie van het project is 0,01 mol N/ha/jaar.

Beoordeling De primaire oorzaken van de geringe oppervlakte van dit habitattype is de vroegere exploitatie, gepaard aan drooglegging. Door herstel van de waterhuishouding is herstel van het habitattype opgetreden en zijn op diverse plaatsen ontwikkelingen te zien die ook in die richting wijzen. Dit beeld doet zich voor in alle hoogveengebieden in Nederland, zelfs in de nog veel ernstiger overbelaste situaties in de Peel. Verdroging in combinatie met stikstofdepositie leidt onder andere tot een veranderende samenstelling van veenmossen, maar vooral de ophoping van stikstof in ontstane pijpenstrootjesbegroeiingen en berkenopslag is een knelpunt dat tot verdere verdroging kan leiden. Daarvoor is beheer noodzakelijk in de vorm van ophogen (vasthouden) en stabiliseren van de waterstand, plaggen en het verwijderen van opslag zowel in de veentjes als rondom voor het verhogen van de grondwaterstand. Herstel van de hydrologie is daarmee de meest sturende factor. De toename van stikstofdepositie door het project is zeer beperkt en leidt, gezien de stabiele trend in een overbelaste situatie, op zichzelf niet tot een meetbare verandering van kwaliteit of omvang van het habitattype in deze situatie of een grotere inspanning voor herstel. Effecten als gevolg van de tijdelijke toename van stikstofdepositie door het project zijn uitgesloten.

Uitbreiding en verbetering worden niet belemmerd door de tijdelijke stikstofdepositie. Op basis van deze analyse, wordt gesteld dat de staat van instandhouding van het habitattype niet in het geding komt als gevolg van het project. Geconcludeerd wordt dat de kleine en tijdelijke depositie van stikstof als gevolg van de aanleg van de verbinding in het Natura 2000-gebied Kampina & Oisterwijkse Vennen geen knelpunt is voor het habitattype Actieve hoogvenen en dat van significant negatieve effecten met zekerheid geen sprake is.

Onze referentie: D10007153:41 - Datum: 12 mei 2020

53 van 91

VOORTOETS KABELVERBINDING TILBURG NOORD - BEST

6.5.11

H7150 Pioniervegetatie met snavelbiezen

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9808491/1