CConstaterende datOisterwijk
Koppel je AI →
Document · PDF

21-37 Bestemmingsplan kv Tilburg Noord-best - bijlage 3b4- Voortoets stikstof

RAAD 18 maart 2021, gemeente OisterwijkBij agendapunt: 21-37 Bestemmingsplan 150 kv Tilburg noord-best ged. Oisterwijk29.034 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

VOORTOETS KABELVERBINDING TILBURG NOORD - BEST Stikstof op Natura 2000-gebieden

12 MEI 2020

VOORTOETS KABELVERBINDING TILBURG NOORD - BEST

Contactpersoon ARJEN GOUTBEEK Projectleider & Senior Adviseur Natuur & Biodiversiteit

M +31 6 5433 6237

Onze referentie: D10007153:41 - Datum: 12 mei 2020

Arcadis Nederland B.V. Postbus 264 6800 AG Arnhem Nederland

2 van 91

VOORTOETS KABELVERBINDING TILBURG NOORD - BEST

INHOUDSOPGAVE 1

2

3

4

5

6

INLEIDING

5

1.1

Aanleiding en doel

5

1.2

Leeswijzer

5

PROJECTOMSCHRIJVING

6

2.1

Aanpassingen 150 kV-net Tilburg Noord – Best

6

2.2

Overzicht project

6

2.3

Planning

7

METHODE

8

3.1

Inleiding

8

3.2

Uitgangspunten Aerius-berekening

8

3.3

Potentieel negatief effect stikstofdepositie

8

3.4

Cumulatie van effecten

8

REIKWIJDTE EFFECTEN OF REKENRESULTAAT

11

4.1

Natura 2000-gebieden in Nederland

11

4.2

Buitenlandse Natura 2000-gebieden

11

4.3

Effectbepaling

11

DE ECOLOGISCHE BETEKENIS VAN STIKSTOF

12

5.1

Toelichting

12

5.2

Natuurlijk voorkomen van stikstof

12

5.3

Stikstofemissie en stikstofdepositie

13

5.4

Effecten van verhoogde beschikbaarheid van stikstof

14

5.5

Kritische depositiewaarden

16

5.6

Ontwikkeling van de stikstofdepositie in Nederland

17

EFFECTBEOORDELING

19

6.1

Inleiding

19

6.2

Bijdrage project

19

Onze referentie: D10007153:41 - Datum: 12 mei 2020

3 van 91

VOORTOETS KABELVERBINDING TILBURG NOORD - BEST

7

6.3

Wijze van beoordelen

21

6.4

Onderbouwing van de ecologische beoordeling

21

6.5

Kampina & Oisterwijkse Vennen

31

6.6

Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen

76

6.7

Samenvattende beoordeling en cumulatie

84

CONCLUSIE

85

COLOFON

91

Onze referentie: D10007153:41 - Datum: 12 mei 2020

4 van 91

VOORTOETS KABELVERBINDING TILBURG NOORD - BEST

1

INLEIDING

1.1

Aanleiding en doel

Op 29 mei 2019 heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) een aantal uitspraken gedaan, op basis waarvan het Programma Aanpak Stikstof (PAS) niet langer gebruikt kan worden als basis voor toestemmingsbesluiten voor activiteiten die stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden veroorzaken. Met de PAS-uitspraken zijn de drempelwaarden die de Wet natuurbescherming (Wnb) in samenhang met het PAS bevatte voor vergunningplicht (1 mol/ha/jaar) en meldingsplicht (0,05 mol/ha/jaar) niet langer rechtsgeldig. Als gevolg van de PAS-uitspraken geldt ook voor activiteiten die een depositie veroorzaken van minder dan 0,05 mol/ha/jaar het reguliere toetsingskader van de Wet natuurbescherming. De uitspraken van de ABRvS hebben ook gevolgen voor projecten en activiteiten met een tijdelijk karakter, die kleine en tijdelijke verhogingen van de stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden tot gevolg hebben. De meeste van deze projecten konden binnen het PAS met een melding geregeld worden of er was via een reservering voor zogenaamde prioritaire projecten ontwikkelingsruimte beschikbaar. Als gevolg van het wegvallen van het PAS, geldt ook voor kleine en tijdelijke deposities als gevolg van tijdelijke activiteiten het reguliere toetsingskader van de Wet natuurbescherming.

De realisatie van de kabelverbinding tussen Tilburg Noord en Best leidt tot een dergelijke tijdelijke en kleine depositie. Met behulp van Aerius is berekend welke depositie van stikstof optreedt op stikstofgevoelige habitattypen. De resultaten van de berekening zijn opgenomen in bijlage B. De hoogste depositie treedt op in het Kampina & Oisterwijkse Vennen en bedraagt 0,06 mol N/ha/jaar gedurende de aanlegfase. Op andere Natura 2000gebieden is de depositie lager. De Aerius-berekening is uitgegaan van uitvoering van werkzaamheden in één jaar, de daadwerkelijke doorlooptijd is in de praktijk twee jaar, waardoor de jaarlijkse depositie in de praktijk ongeveer de helft is van de in deze voortoets gehanteerde deposities 1. Deze voortoets gaat alleen in op de mogelijke effecten van stikstofdepositie. Eventuele overige effecten ten gevolge van het project, anders dan stikstofemissies en de daaruit volgende deposities, zijn in een separate toetsing beschreven (Antea, 2020). Het doel van deze voortoets is om te bepalen of de tijdelijke geringe stikstofemissie tijdens de aanleg van hoogspanningsverbinding Tilburg Noord – Best 150kV mogelijk significante effecten kan hebben op de natuurlijke kenmerken van betrokken Natura 2000 gebieden.

1.2

Leeswijzer

Na dit inleidende hoofdstuk volgt in hoofdstuk 2 de omschrijving van het project Tilburg Noord – Best. Hoofdstuk 3 geeft de methodiek aan die is gebruikt om effecten te bepalen, waarna hoofdstuk 4 beschrijft wat de reikwijdte van de effecten is: op welke Natura 2000-gebieden vindt stikstofdepositie plaats en met welke omvang. Hoofdstuk 5 geeft achtergrondinformatie over de ecologische betekenis van stikstof en is bedoeld voor een beter begrip van de ecologische beoordeling die in hoofdstuk 6 plaatsvindt. Hoofdstuk 7 sluit deze effectenanalyse af met een conclusie.

1 Het projecteffect wordt er niet minder van omdat stikstof cumuleert in het ecosysteem, maar conform de Aerius-

toelichting moet bij tijdelijke deposities uitgegaan worden van het (maatgevende) jaar-effect. Onze referentie: D10007153:41 - Datum: 12 mei 2020

5 van 91

VOORTOETS KABELVERBINDING TILBURG NOORD - BEST

2

PROJECTOMSCHRIJVING

2.1

Aanpassingen 150 kV-net Tilburg Noord – Best

Omdat in de regio Brabant steeds meer elektriciteit wordt verbruikt en duurzaam wordt opgewekt, neemt ook het transport van elektriciteit toe. De huidige bovengrondse 150 kV-verbinding (2 circuits) tussen Tilburg Noord en Best heeft binnen enkele jaren te weinig transportcapaciteit om aan de groeiende vraag naar elektriciteit te kunnen voldoen. Ook is deze verbinding verouderd en is er groot onderhoud aan de masten nodig.

2.2

Overzicht project

2.2.1

Aanlegfase

TenneT wil deze verbinding vervangen door een nieuwe ondergrondse kabelverbinding, mits dit technisch, planologisch en financieel mogelijk is. Het project bestaat uit een aantal verschillende onderdelen: • In bestemmingsplan vastleggen ondergrondse 150 kV-verbinding tussen Tilburg Noord en Best (2 circuits). • In bestemmingsplan vastleggen koppelpunt en hoogspanningsstation Oirschot (ter vervanging van huidig koppelpunt Oirschot Gijzelaar en aansluiting op verbinding naar Boxtel). • Aanleg ondergrondse 150 kV-verbinding tussen Tilburg Noord en Best (2 circuits). • Doortrekken van de ondergrondse 150 kV-verbinding (2 circuits) van Boxtel via Oirschot Gijzelaar naar het koppelpunt Oirschot. In de stikstofberekening is de verwijdering van de bestaande verbinding niet meegenomen. In tegenstelling tot de aanleg van de ondergrondse verbinding vindt het verwijderen van de bestaande hoogspanningsverbinding pas in 2024 en 2025 plaats. Deze werkzaamheden kunnen tevens volledig met elektrisch aangedreven voertuigen en materieel worden uitgevoerd. Daardoor is er als gevolg geen sprake van enige vorm van emissie en dus depositie op Natura 2000-gebieden.

Figuur 1 Tracé Tilburg - Best

Onze referentie: D10007153:41 - Datum: 12 mei 2020

6 van 91

VOORTOETS KABELVERBINDING TILBURG NOORD - BEST

2.2.2

Gebruiksfase

Naast de aanlegfase is ook sprake van een gebruiksfase. In de gebruiksfase is sprake van transport van opgewekte energie over het landelijke netwerk. Hierbij is geen sprake van enige vorm van stikstofemissie. Wel is er incidenteel onderhoud en zijn mogelijk reparaties nodig waarbij voertuigen ingezet worden. Hierbij is wel sprake van enige vorm van emissie, maar deze is dusdanig gering dat deze niet meetbaar is (een of enkele voertuigen). De gebruiksfase wordt dan ook buiten deze voortoets gelaten.

2.2.3

Emissiereductie

Het project heeft een lange voorgeschiedenis. Er zijn diverse alternatieven onderzocht en gemeenten hebben middels principebesluiten voorkeur uitgesproken voor het voorkeurstracé. Dit tracé is nader uitgewerkt en wordt opgenomen in vijf bestemmingsplannen. De initiatiefnemer gaat in 2020 de aanbesteding starten om aannemers te selecteren voor de realisatie. De initiatiefnemer zal de geselecteerde aannemer stimuleren om maatregelen te nemen om de uitstoot van stikstof te reduceren, ongeacht het resultaat van onderhavige ecologische beoordeling aangezien het beperken van de emissie van stikstof op zichzelf waardevol is, zie ook paragraaf 5.3. In de Aerius-berekening is hier geen rekening mee gehouden.

2.3

Planning

Op dit moment is de verwachting dat de werkzaamheden tussen 2021 en 2023 worden uitgevoerd met een doorlooptijd van maximaal twee jaar.

Onze referentie: D10007153:41 - Datum: 12 mei 2020

7 van 91

VOORTOETS KABELVERBINDING TILBURG NOORD - BEST

3

METHODE

3.1

Inleiding

Dit hoofdstuk geeft inzicht in de methodiek die is gebruikt om effecten als gevolg van tijdelijke stikstofemissies en daarmee samenhangende stikstofdeposities te kunnen bepalen. Dan gaat het ten eerste om de uitgangspunten die zijn gebruikt voor de berekeningen van de stikstofdeposities met behulp van het programma Aerius ((in paragraaf 3.2). Ten tweede gaat het om een beschrijving van het potentiele negatieve effect voor Natura 2000 (in paragraaf 3.3). Ook volgt een paragraaf over cumulatie van effecten (paragraaf 3.4).

3.2

Uitgangspunten Aerius-berekening

De uitgangspunten van de berekeningen met Aerius zijn opgenomen in Bijlage A. In eerste instantie is het project in een paar onderdelen gesplitst en per onderdeel is bepaald welk materieel, met welk vermogen, hoe lang en waar wordt ingezet. Vervolgens is op basis van deze gegevens met Aerius berekend welke deposities optreden. De inschatting van in te zetten materieel is in overleg met TenneT tot stand gekomen. Dit is gebaseerd op het verwachte, daadwerkelijk in te zetten materieel, zodat sprake is van een realistische inschatting. De berekeningen voor het bepalen van de mate van stikstofdepositie zijn gemaakt met Aerius, versie 2019A_20200113_49aab7f583. De planning is dat de aanleg in twee jaar afgerond is. Er is in de Aeriusberekening uitgegaan van een totale depositie (de depositie vindt in één jaar plaats). In de teksten wordt structureel, overeenkomstig met Aerius, uitgegaan van mol N/hectare/jaar, deze waarde per jaar is in dit geval het totale projecteffect. De daadwerkelijke depositie per jaar is lager doordat de uitvoer een langere doorlooptijd heeft. De genoemde depositiewaarden zijn daarmee worst-case. Voor de berekeningen is uitgegaan van de achtergronddepositie in het jaar 2018 (rekenjaar).

3.3

Potentieel negatief effect stikstofdepositie

Potentiele negatieve effecten die ten gevolge van stikstofdepositie optreden, zijn alleen van toepassing voor de aanlegfase. Tijdens de gebruiksfase is geen sprake van enige meetbare stikstofdepositie (zie paragraaf 2.2.2). Dit betekent dat alleen sprake is van een tijdelijke depositie, na afronding van de werkzaamheden treedt geen stikstofdepositie op ten gevolge van het project. Belangrijke negatieve effecten van stikstofdeposities zijn het gevolg van structurele overbelasting. Een overmaat aan stikstof cumuleert in het systeem omdat het niet “verwerkt” kan worden. Een overmaat aan stikstof (een overmaat is meer dan het systeem kan verwerken door afvoer door bijvoorbeeld begrazing of buffering door neutraliserende stoffen) kan leiden tot vermesting en verzuring. Hierdoor kan de soortensamenstelling wijzigen, doordat soorten die beter of meer stikstof kunnen opnemen of sneller gaan groeien, gaan domineren en “gewenste soorten” uit het systeem verdwijnen. Over het algemeen zijn de gewenste soorten van het systeem, soorten van meer schrale (voedselarme) omstandigheden. In een groot aantal Natura 2000-gebieden zijn instandhoudingsdoelstellingen gesteld voor habitattypen die gevoelig zijn voor het verzurende of vermestende effect van stikstof. Eventuele soorten die afhankelijk zijn van deze habitattypen kunnen daarmee eveneens een negatief effect ondervinden.

In hoofdstuk 5 wordt ingegaan op de functie van stikstof in het ecologisch systeem en de potentiele effecten van additionele stikstofdepositie, afhankelijk van de situatie die van toepassing is voor een habitattype.

3.4

Cumulatie van effecten

Uit artikel 2.7 van de Wet natuurbescherming volgt dat de aanleg van de verbinding niet alleen op zichzelf maar ook in cumulatie moet worden beschouwd. In dit rapport gaat het om de cumulatie van de Onze referentie: D10007153:41 - Datum: 12 mei 2020

8 van 91

VOORTOETS KABELVERBINDING TILBURG NOORD - BEST

stikstofdepositie. Cumulatie is relevant voor die Natura 2000-gebieden en die habitattypen waarvoor als gevolg van het project een potentieel negatief effect is voorzien. Voor deze gebieden en de habitattypen is bij de beoordeling de stikstofdepositie van de aanleg van de kabel de huidige situatie (de achtergronddepositie) betrokken en de depositie van toekomstige plannen en projecten waarover reeds concrete besluitvorming heeft plaatsgevonden.

Onze referentie: D10007153:41 - Datum: 12 mei 2020

9 van 91

VOORTOETS KABELVERBINDING TILBURG NOORD - BEST

4

REIKWIJDTE EFFECTEN OF REKENRESULTAAT

4.1

Natura 2000-gebieden in Nederland

Over het algemeen kan worden gesteld dat de hoogste depositie optreedt dicht bij de bron. Verder van de bron wordt de depositie van stikstof steeds minder totdat er uiteindelijk geen sprake meer is van depositie als gevolg van de emissie. Wanneer dit schematisch wordt weergegeven, wordt de depositie op een bepaalde afstand stabiel, terwijl de afstand tot de bron steeds groter wordt, neemt de depositie niet meer substantieel af. Dit is weergegeven in Figuur 2.

Figuur 2. Schematische weergave van een curve waarin de stikstofdepositie is afgezet tegen de afstand tot de bron.

Uit de Aerius-berekening blijkt dat als gevolg van de aanlegwerkzaamheden voor het project er in twee voor stikstof gevoelige Natura 2000-gebieden enige vorm van depositie wordt berekend (Bijlage B). De maximale totale stikstofdepositie betreft 0,06 mol N/ha/jaar en treedt op bij de habitattypen H3160 Zure vennen en H3130 Zwakgebufferde vennen in het Natura 2000-gebied Kampina & Oisterwijkse Vennen. Dit is het bij de verbinding meest nabijgelegen Natura 2000-gebied. De depositie van stikstof neemt vervolgens af met de afstand tot aan het plangebied tot 0,01 mol N/hectare/jaar op bepaalde habitattypen in zowel het Natura 2000-gebied Kampina & Oisterwijkse vennen als Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen.

4.2

Buitenlandse Natura 2000-gebieden

Op buitenlandse Natura 2000-gebieden zoals in België of Duitsland is geen sprake van enige meetbare depositie. Een effectbeoordeling van buitenlands beleid is niet aan de orde.

4.3

Effectbepaling

Uit de Aerius-berekening volgt dat sprake is van een tijdelijke, zeer geringe stikstofdepositie in voor stikstofgevoelige Nederlandse Natura 2000-gebieden als gevolg van de aanleg van de verbinding. De effecten van deze tijdelijke depositie worden in deze voortoets ecologisch beoordeeld. In de volgende hoofdstukken wordt eerst nader ingegaan op wat stikstof is en wat de relatie is met natuurkwaliteit. Hiermee wordt meer inzicht gegeven in de ecologie van habitattypen en wat de rol van stikstof hierin is. Deze kennis is relevant voor de inhoudelijke effectbeoordeling in hoofdstuk 6 van de optredende stikstofdepositie en daarmee de beoordeling in deze voortoets of er mogelijk sprake kan zijn van significante effecten door de tijdelijke emissie.

Onze referentie: D10007153:41 - Datum: 12 mei 2020

11 van 91

VOORTOETS KABELVERBINDING TILBURG NOORD - BEST

5

DE ECOLOGISCHE BETEKENIS VAN STIKSTOF

5.1

Toelichting

Om beter zicht te hebben op wat stikstof is, hoe dit ingrijpt in natuurlijke systemen en waarom dit een probleem kan zijn, wordt in dit hoofdstuk dieper ingegaan op de theoretische achtergrond. Belangrijke delen van deze paragraaf zijn overgenomen uit het rapport “Herstelstrategieën stikstofgevoelige habitats. Ecologische onderbouwing van de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS)”. Alterra Wageningen UR & Programmadirectie Natura 2000 van het Ministerie van Economische Zaken (Smits & Bal, 2014). Waar relevant zijn verwijzingen naar onderliggende bronnen overgenomen.

5.2

Natuurlijk voorkomen van stikstof

Stikstof is één van de onmisbare bouwstenen voor het leven op aarde, en is daarmee in ecologisch opzicht van groot belang. Stikstof (N) komt in organisch materiaal onder andere voor in aminozuren en eiwitten. De problematiek rondom stikstofdepositie zit hem in de mate waarin dit element in reactieve vorm aan onze omgeving wordt toegevoegd als gevolg van menselijke activiteiten. De belangrijkste vormen van reactief stikstof zijn stikstofoxiden (NOx) en ammonium (NH4+). Gebonden stikstof (N2), dat 80 % van de atmosfeer vormt, heeft geen directe invloed op het functioneren van ecosystemen.

Figuur 3 Vereenvoudigde weergave van de stikstofkringloop (bron: Wikipedia)

Planten kunnen stikstof via de wortels opnemen in de vorm van nitraat (NO 3-). Stikstof dat in de vorm van ammonium (NH4+) in de bodem aanwezig is, moet daarom eerst via denitrificatie omgezet worden in nitriet

Onze referentie: D10007153:41 - Datum: 12 mei 2020

12 van 91

VOORTOETS KABELVERBINDING TILBURG NOORD - BEST

en nitraat (Figuur 3). Ammonium kan zowel door depositie als door mineralisatie van organisch materiaal in de bodem terecht komen. Stikstofverbindingen zijn in veel half-natuurlijke en natuurlijke ecosystemen beperkend voor de plantengroei. Nogal wat plantensoorten zijn aangepast aan nutriëntenarme omstandigheden en kunnen alleen succesvol voortbestaan op bodems met lage N-niveaus, omdat ze hier geen concurrentie ondervinden van snelgroeiende en stikstoftolerante soorten zoals grassen, bramen en brandnetels. Stikstof kan op verschillende manieren in het leefmilieu van planten terechtkomen: door mineralisatie van organisch materiaal, aanvoer via water of de lucht en door natuurlijke of door mensen uitgevoerde bemesting (Figuur 3). Stikstof kan weer uit het leefmilieu worden verwijderd door denitrificatie door bacteriën, uitspoeling, opname in de voedselketen en oogst van gewas (waaronder ook cyclisch natuurbeheer valt).

5.3

Stikstofemissie en stikstofdepositie

De uitstoot (emissie) van luchtverontreinigende stoffen is in West-Europa in de loop van de twintigste eeuw sterk toegenomen. Tot eind jaren zeventig van de vorige eeuw was zwaveldioxide (SO2) de hoofdcomponent van luchtverontreiniging, maar daarna zijn stikstofverbindingen relatief en absoluut steeds belangrijker geworden. Stikstofoxiden (NOx: vooral NO2 en NO) ontstaan hoofdzakelijk bij de verbranding van fossiele brandstoffen in de industrie, elektriciteitscentrales, verwarmingsinstallaties en verkeer. De grootste bron hiervan is op dit moment het (vracht)verkeer. Ammoniakgas (NH 3) komt vooral vrij door vervluchtiging uit mest en urine bij beweiding, in de stal of opslag, en vroeger als de mest uitgereden werd over het land. Andere bronnen zijn de industrie, waar ammoniak vrijkomt bij enkele productieprocessen, het autoverkeer en de opslag van afvalwater. Stikstofoxiden en ammoniak komen na emissie in de atmosfeer terecht. Eenmaal in de lucht wordt het geëmitteerde gas meegevoerd door de wind, waardoor het snel wordt verspreid, waardoor snel verdunning van de concentraties aan stoffen optreedt. Ook ondergaan deze stoffen chemische reacties onder invloed van het zonlicht en de aanwezigheid van andere stoffen. Hierdoor kunnen zowel de chemische samenstelling als de vorm van de stikstofhoudende deeltjes veranderen.

In de atmosfeer komen stikstofverbindingen daardoor zowel als gas, ion en aerosol (kleine vaste deeltjes) voor. Omzetting in aerosolen is onder meer van belang voor de afstand waarover de desbetreffende stoffen getransporteerd worden. Hoe ver de verschillende componenten komen wordt bepaald door een complex van factoren, waarbij vooral de emissiehoogte, de uitstroomsnelheid, de atmosferische omstandigheden (snelheid van luchtstromingen, turbulentie e.d.), de snelheid van chemische omzettingen, de depositiesnelheid van de desbetreffende verbinding en de aard en ruwheid van het aardoppervlak met zijn vegetatie van belang zijn. Uiteindelijk zullen al deze stoffen op het aardoppervlak terechtkomen. Dit proces wordt depositie genoemd en kan op verschillende manieren verlopen. De directe afzetting of absorptie van gassen of aerosolen uit de atmosfeer aan het aardoppervlak (bodem, water of vegetatie) wordt droge depositie genoemd. Hoe hoger de snelheid van de depositie is, des te sneller wordt het gas of het deeltje uit de atmosfeer verwijderd. Zo is de transportafstand van NH 3 kort door de hoge depositiesnelheid van dit gas, terwijl die van het ammoniumaerosol door zijn lagere depositiesnelheid veel groter is. Een groot deel van de NO 2 wordt door het verkeer op laag niveau uitgestoten.

Echter, door de lage depositiesnelheid van NO 2 wordt deze stof toch veelal over grote afstanden getransporteerd. Daarnaast treedt natte depositie op, het oplossen in wolken of regenwater en daaropvolgende neerslag van stikstofverbindingen. De natte depositie levert ongeveer 25-30% van de totale N-depositie. De rest is droge depositie. Door de ruimtelijke verspreiding van de bronnen en de verschillende transport- en omzettingsprocessen in de atmosfeer, is de depositie van N-verbindingen niet overal gelijk (zie als voorbeeld Figuur 4). Zelfs in een klein land als Nederland zijn de verschillen groot: zo is de totale depositie van NO x (de som van droge en natte depositie van NO + NO2 + HNO3) in de stedelijke gebieden (o.a. in het westen van ons land) duidelijk Onze referentie: D10007153:41 - Datum: 12 mei 2020

13 van 91

VOORTOETS KABELVERBINDING TILBURG NOORD - BEST

hoger, terwijl de totale depositie van NHx (de som van droge en natte depositie van NH4+ en NH3) hoger is in het landelijk gebied, waarbij de hoogste waarden in het Peelgebied, de Gelderse Vallei, Twente en de Achterhoek worden gevonden.

Figuur 4 Achtergronddepositie stikstof in 2017 (bron: RIVM, 2019)

5.4

Effecten van verhoogde beschikbaarheid van stikstof

De gevolgen die als gevolg van een te hoge toevoer van reactieve stikstof voor planten kunnen optreden zijn (Figuur 5): • Directe toxiciteit van hoge concentraties van gassen op individuele plantensoorten. De huidige concentraties van NH3 en NOx zijn in Nederland echter zo laag dat dit bijna niet meer voorkomt en zeker niet als gevolg van tijdelijke en kleine verhogingen van de stikstofdepositie zoals bij de aanleg van de ondergrondse kabel tussen Tilburg Noord en Best; • Eutrofiëring door geleidelijke toename van de beschikbaarheid van stikstof. Een toename van de atmosferische stikstofdepositie in een voorheen onbelast gebied leidt in eerste instantie tot een toename van de beschikbaarheid van stikstof in bodem of water en aldus tot een verhoogde opname van stikstofverbindingen door de vegetatie. Dit proces wordt eutrofiëring genoemd. Door verhoogde toevoer en accumulatie van N-verbindingen zal de beschikbaarheid van stikstof voor planten geleidelijk toenemen. Als gevolg hiervan worden planten die in een stikstofarm milieu leven overheerst door (sneller) opkomende planten die gedijen bij veel stikstof, dit leidt bijvoorbeeld tot vergrassing; • Verzuring van bodem en water.

Verzuring, oftewel afname van de buffercapaciteit, is een langetermijnproces dat ook van nature plaatsvindt door carbonzuur of organische zuren maar wat (zeer sterk) versneld kan worden door de toevoer van zure of verzurende stoffen uit de atmosfeer. Afhankelijk van de bodemsamenstelling kan dit complexe proces leiden tot een lagere pH, verhoogde uitspoeling van Onze referentie: D10007153:41 - Datum: 12 mei 2020

14 van 91

VOORTOETS KABELVERBINDING TILBURG NOORD - BEST

•

•

•

kationen (calcium, magnesium of kalium), verhoogde concentraties aan toxische metalen (vooral van aluminium) en veranderingen in de verhouding tussen nitraat en ammonium in de bodem (Van Breemen et al, 1982 en Clark & Tilman, 2008). In deze situatie kunnen plantensoorten die resistent zijn tegen dergelijke zure omstandigheden gaan overheersen en verdwijnen veel van de soorten die voorkomen in een milieu met een meer neutrale pH; Negatieve effecten van de verhoogde beschikbaarheid van gereduceerd N (ammonium). In veel gebieden met hoge N-depositie heeft gereduceerd N een groot aandeel in de totale N-depositie. Dit kan tot gevolg hebben dat ammonium de overheersende N-vorm in de bodem is. Dit is vooral het geval in bodems met een van nature lage omzetting van nitraat naar ammonium (pH < 4,5) of wanneer de bodem is verzuurd door atmosferische depositie. De omzetting van nitraat naar ammonium is een microbieel proces dat nitrificatie wordt genoemd. Verhoogde concentraties ammonium in de bodem of in het water kunnen allerlei negatieve gevolgen voor de plantengroei hebben. Deze effecten zijn het grootst in gebieden met voorheen matig gebufferde bodemcondities (pH 4,5-6,8) (Stevens et al, 2011).

Juist zulke omstandigheden zijn vaak rijk aan bedreigde plantensoorten, zodat het aantal daarvan al gauw zal afnemen (Kleijn et al, 2008); Toegenomen gevoeligheid voor secundaire stressfactoren, zoals schimmelinfecties en insectenplagen en vorst- of droogteschade. Luchtverontreiniging kan de vitaliteit van soorten verminderen, waardoor deze gevoeliger worden voor aantasting door schimmels, bacteriën, virussen of insecten. Ook de verhoging van het stikstofgehalte in de bladeren of wortels kan verhoogde aantasting door herbivore (plaag)insecten zoals de heidekever veroorzaken (Berdowski, 1987). Door veranderingen in de fysiologie of groei kan bovendien de tolerantie van plantensoorten voor droogte of vorst veranderen. Verschuivingen in de chemische samenstelling (bijv. aminozuursamenstelling) van planten onder invloed van een grotere N-beschikbaarheid.

Figuur 5 Schematisch overzicht van de effecten van stikstofdepositie (Bobbink & Lamers, 2009, Kros et al, 2008 en naar Bobbink & Hettelingh, 2011)

Omdat soorten verschillend reageren op de invloed van stikstof, ontstaan veranderingen in groeisnelheid en daarmee in concurrentieverhouding tussen soorten. Dit leidt tot verdringing van minder concurrentiekrachtige soorten door stikstof minnende (nitrofiele) soorten, aangezien een groot deel van de soorten in halfnatuurlijke en natuurlijke ecosystemen juist is aangepast aan een lage stikstofbeschikbaarheid in de bodem. De samenstelling van vegetaties (en daarmee ook van habitattypen) kan daardoor veranderen. Over het Onze referentie: D10007153:41 - Datum: 12 mei 2020

15 van 91

VOORTOETS KABELVERBINDING TILBURG NOORD - BEST

algemeen leidt dit tot verlies van langzaam groeiende, en voor de habitattypen kenmerkende soorten. De kwaliteit van de habitattypen neemt daardoor af. Daardoor verandert ook de kwaliteit van de vegetatie als voedsel voor herbivoren en leefgebied voor tal van diersoorten, met allerlei gevolgen voor diersoorten hoger in de voedselketen.

5.5

Kritische depositiewaarden

In deze analyse wordt het begrip Kritische depositiewaarde (hierna KDW) gehanteerd. KDW’s zijn gehanteerd om af te bakenen welke habitats als stikstofgevoelig worden beschouwd in dit project. De kritische depositiewaarde voor stikstof is gedefinieerd als “de grens, waarboven het risico niet kan worden uitgesloten dat de kwaliteit van het habitattype significant wordt aangetast als gevolg van de verzurende en/of vermestende invloed van de atmosferische stikstofdepositie” (Van Dobben & Van Hinsberg, 2008). De situatie in Nederland is samen te vatten als een langdurige (decennia) hoge belasting van stikstof, hoger dan de KDW’s van habitattypen. Als gevolg van deze langdurige hoge belasting kunnen, met uitzondering van directe schade, de effecten optreden zoals in dit hoofdstuk opgesomd. Inzake de omvang waarbij effecten optreden concludeert Mouissie (2019) op basis van de onzekerheden in de berekening van de KDW en experimentele studies over dosis-effect relaties, dat meetbare ecologische relevante effecten ten gevolge van stikstofdepositie kunnen optreden bij een toename van meer dan 70 mol N/ha/jaar. Experimentele veldstudies betreffen vaak langjarige studies naar effecten van toenames die vele tientallen tot honderden mol N/ha/jaar bedragen, aangezien bij kleinere hoeveelheden geen verandering in de plantensamenstelling is waar te nemen.

Uit een analyse van een groot aantal veldstudies blijkt dat bij een depositie rond de KDW het verlies van soorten op kan treden bij een structurele toename van 20 mol N/ha/jaar of hoger. In sterk overbelaste situaties treedt verder soortenverlies op bij hogere toenames van 35 mol of meer. Habitats zijn dan ook gevoeliger voor een structurele toename in de depositie als de achtergronddepositie rond de KDW ligt (Caporn et al. 2016; Bobbink & Hettelingh 2011). De kritische depositiewaarden die in de herstelstrategieën als uitgangspunt worden genomen, zijn specifiek voor habitattypen in Nederland vastgesteld in Van Dobben et al. (2012). In dat rapport zijn verschillende kennisbronnen ten aanzien van kritische depositiewaarden met elkaar gecombineerd via een vast protocol (Van Dobben et al, 2012). De kritische depositiewaarden konden worden vastgesteld met een nauwkeurigheid van 70 mol/ha/jaar (= 1 kilogram N). Van de 51 habitattypen die in Nederland voorkomen zijn 45 gevoelig voor een overmaat van stikstof. De kritische depositiewaarden van deze habitattypen variëren van 400 tot 2400 mol/ha/jaar.

Wanneer de achtergronddepositie ter plekke van een habitattype hoger is dan de KDW van dat habitattype, of wanneer door toevoeging de KDW wordt overschreden, kan niet zonder onderzoek worden uitgesloten dat een verdere toename van de stikstofdepositie leidt tot (verdere) aantasting van dat habitattype. In Nederland wordt de KDW op dit moment in zeer veel stikstofgevoelige gebieden en habitattypen/leefgebieden overschreden. De KDW van een habitattype is derhalve geen harde grens waarboven nadelige effecten op de vegetatie met zekerheid zullen optreden: “Deze unieke waarden moeten gezien worden als de meest waarschijnlijke waarde gezien de huidige stand van kennis. Wanneer de atmosferische depositie hoger is dan de KDW van het habitat bestaat er een duidelijk risico op een significant negatief effect, waardoor het instandhoudingsdoel voor een habitat (in termen van kwaliteit en oppervlakte) niet duurzaam kan worden gerealiseerd. Hoe hoger de overschrijding van het kritische niveau en hoe langduriger die overschrijding, hoe groter het risico op ongewenste effecten op de biodiversiteit” (van Dobben et al, 2012). In de uitspraak van de ABRvS inzake het PAS is aangegeven (r.o. 14.5 ECLI:NL:RVS:2019:1603): Anders dan de Werkgroep ziet de Afdeling in het arrest [red.

van de uitspraak van het Europese Hof van Justitie inzake de prejudiciele vragen over het PAS) geen aanknopingspunt dat de kritische depositiewaarde als een absolute grenswaarde zou gelden voor het bepalen van de gunstige staat van instandhouding van stikstofgevoelige habitattypen. De mate en duur van de overschrijding van de kritische depositiewaarde zijn naar het oordeel van de Afdeling wel belangrijke indicatoren voor de beoordeling of de daling van de depositie door de PAS-bronmaatregelen en de effecten van de herstelmaatregelen in de gebieden al dan niet nodig zijn voor het behoud en het voorkomen van verslechtering van de stikstofgevoelige natuurwaarden. Zo zal voor een gebied waar sprake is van een ongunstige staat van instandhouding en een forse, nog jarenlang voortdurende overschrijding van de kritische depositiewaarde, eerder sprake Onze referentie: D10007153:41 - Datum: 12 mei 2020

16 van 91

VOORTOETS KABELVERBINDING TILBURG NOORD - BEST

zijn van maatregelen die nodig zijn voor het behoud of voorkomen van verslechtering, dan voor een gebied waar zeker is dat, bijvoorbeeld door de autonome ontwikkeling, de stikstofbelasting zodanig zal afnemen dat overschrijding binnen een afzienbare termijn de kritische depositiewaarde nadert.

In de kritische depositiewaarden is de invloed van andere bronnen dan depositie, zoals ammonificatie en denitrificatie en aanvoer via grond- en oppervlaktewater meegenomen. Ook is rekening gehouden met beheer van de habitattypen, als gevolg waarvan een aanzienlijk deel van de stikstof die opgeslagen is in het levende plantenmateriaal veelal weer uit het systeem wordt verwijderd.

5.6

Ontwikkeling van de stikstofdepositie in Nederland

De totale stikstofdepositie is in Nederland na 1950 tot aan het eind van de jaren tachtig van de vorige eeuw door de groei van de intensieve veehouderij en het gebruik van fossiele brandstoffen sterk gestegen. De landelijk gemiddelde stikstofdepositie bedroeg in 1990 ruim 2.700 mol stikstof per hectare en is sindsdien geleidelijk gedaald tot ruim 1.700 mol stikstof per hectare in 2016 (zie Figuur 6). De daling is de laatste jaren afgevlakt. Dit komt onder andere doordat de ammoniakuitstoot niet meer daalde. Al drie tot vier decennia is gereduceerd N de overheersende vorm (> 75 %) van stikstofdepositie in Nederlandse natuurterreinen (De Haan et al, 2008). Volgens de 'Emissieramingen luchtverontreinigende stoffen Nederland - rapportage-2017' van het Planbureau voor de Leefomgeving (Smeets et al, 2017) zal de totale uitstoot en daardoor ook de depositie van stikstof in de toekomst weer verder afnemen. De daling in stikstofdepositie op lange termijn (1990-2016) is het gevolg van lagere emissies van zowel stikstofoxiden als van NH3. De emissie van stikstofoxiden in Nederland daalde sinds 1990 met circa 65%. Deze daling is het resultaat van maatregelen bij het verkeer (o.a. invoering katalysator), bij de industrie en in de energiesector. De NH3 emissie door agrarische bronnen in Nederland is sinds 1990 met naar schatting 70% gedaald.

Deze emissiedaling is het gevolg van maatregelen zoals verbeterde voersamenstelling, het gebruik van emissiearme stallen, het afdekken van mestsilo's en het direct onderwerken van mest bij de aanwending. In de periode 2005-2016 lijkt de totale stikstofdepositie (N-totaal) gedaald, echter deze daling is niet statistisch significant. Over deze periode is de depositie van gereduceerd stikstof niet, maar de depositie van geoxideerd stikstof wel gedaald. Door meteorologische omstandigheden kunnen van jaar tot jaar variaties in de depositie optreden in de orde van grootte van 10%.

Figuur 6 Ontwikkeling van stikstofdepositie in Nederland (bron: www.clo.nl/indicatoren/nl0189-vermestende-depositie) Onze referentie: D10007153:41 - Datum: 12 mei 2020

17 van 91

VOORTOETS KABELVERBINDING TILBURG NOORD - BEST

Onze referentie: D10007153:41 - Datum: 12 mei 2020

18 van 91

VOORTOETS KABELVERBINDING TILBURG NOORD - BEST

6

EFFECTBEOORDELING

6.1

Inleiding

In dit hoofdstuk vindt de effectbeoordeling plaats. In het hoofdstuk wordt bepaald of de emissie van stikstof ten gevolge van de aanleg van de verbinding Tilburg Noord – Best tot negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden kan leiden en daarmee de natuurlijke kenmerken kunnen worden aangetast. Daarbij wordt de beschrijving beperkt tot habitattypen waarvoor instandhoudingsdoelstellingen (IHD) 2 zijn vastgesteld. Indien een significant negatief effect op het behalen van IHD’s voor habitattypen in een Natura 2000-gebied met zekerheid kan worden uitgesloten, dan zal de emissie ook geen effect hebben op het behalen van IHD’s van soorten waarvoor het betreffende Natura 2000-gebied is aangewezen. Indien een significant negatief effect op het behalen van IHD’s voor habitattypen in een Natura 2000-gebied niet met zekerheid kan worden uitgesloten, dan zullen eventuele effecten ook voor de soorten waarvoor het betreffende Natura 2000-gebied is aangewezen beoordeeld moeten worden. Overige effecten ten gevolge van het project, anders dan stikstofemissies en de daaruit volgende deposities, zijn in een separate toetsing beschreven (Antea, 2020).

Het vertrekpunt voor de beoordeling is de huidige staat van habitattypen waarvoor geldt dat in veel gevallen sprake is van een stikstofdepositie die autonoom hoger ligt dan het niveau van de kritische depositiewaarde (KDW) voor de betreffende habitattypen. Voor veel van deze habitattypen geldt daarbij dat de gewenste omvang en kwaliteit van het habitattype niet voldoen aan het gestelde instandhoudingsdoel. Het effect van de tijdelijke depositie op de instandhoudingsdoelstellingen wordt bepaald door te beoordelen welk negatief effect de tijdelijke toevoeging van depositie heeft. Er is reeds gedurende lange tijd (ca. vier decennia) sprake van een hoge stikstofemissie in Nederland. Het effect van het project moet worden beoordeeld in het licht van de toevoeging die zij doet. Daarbij staat de vraag centraal of de tijdelijke depositie: • Een direct effect kan hebben waardoor het instandhoudingsdoel niet meer kan worden behaald en/of; • Ertoe leidt dat het instandhoudingsdoel niet of met grotere onzekerheid binnen redelijke termijn behaald kan worden. Op zichzelf geldt geen termijn voor het behalen van een gesteld instandhoudingsdoel op grond van de Habitat- of Vogelrichtlijn. Sinds de jaren ’80 is sprake van zeer hoge stikstofemissies en -deposities.

Deze deposities zijn indertijd ook als knelpunt voor de natuur geïdentificeerd en er zijn beleidsdoelstellingen gesteld en maatregelen getroffen3. De vraag is relevant wat bij het beoordelen van de haalbaarheid van instandhoudingsdoelstellingen een redelijke termijn is. Gezien de decennia met zeer hoge tot hoge belasting is duidelijk dat stikstof niet tot directe negatieve effecten leidt maar tot abiotische condities die ontwikkeling belemmeren van het habitattype of concurrerende begroeiing. Door verschillen van 10-tallen mollen of meer tussen achtergronddeposities en kritische depositiewaardes en de bijdrage van bronnen in de achtergrond waarop nationaal zeer beperkt invloed is (buitenlandse emissies, zeescheepvaart, emissie-eisen voertuigen) is het niet realistisch uit te gaan van een korte termijn voor het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen. Realistisch gezien kan niet anders worden aangenomen dan dat herstel een langere termijn behoeft van minimaal een decennium. Uiteraard geldt dit in combinatie met reguliere en periodieke beheermaatregelen die onderdeel zijn van de beheerplannen.

6.2

Bijdrage project

De stikstofemissies naar de lucht en de deposities ten gevolge daarvan zijn historisch gezien al enkele decennia hoog. Zoals in hoofdstuk 5 van deze analyse (paragraaf 5.6) beschreven, zijn emissies naar de lucht vanuit verschillende beleidsterreinen een aandachtspunt. Beleid ten aanzien van de reductie is in de jaren ’80 in eerste instantie intensief opgepakt in het kader van het tegengaan van zure regen, waarin ook stikstofoxiden een rol spelen. Dit probleem is afdoende aangepakt, met name door de reductie van zwaveldioxide emissies. Het vermestende effect van stikstofoxiden is op dit moment, vanuit ecologisch perspectief, relevant aangezien dit tot negatieve effecten leidt. De volgende figuren laten zien dat emissies van stikstof sinds de jaren 80 zeer hoog zijn geweest, maar sinds 1990 een dalende trend vertonen, zij het

2

Hierna worden habitattypen waarvoor instandhoudingsdoelstellingen in het kader van een Natura 2000-gebied zijn gesteld, aangeduid met ‘habitattypen’ 3 Zure regen. Een analyse van dertig jaar verzuringsproblematiek in Nederland. (Velders et al, PBL, 2010) Onze referentie: D10007153:41 - Datum: 12 mei 2020

19 van 91

VOORTOETS KABELVERBINDING TILBURG NOORD - BEST

dat de trend van de daling afneemt. Dit is terug te zien in de deposities die, evenals de emissies, grofweg zijn gehalveerd tussen 1990 en 2010.

Figuur 7 Ontwikkeling stikstofemissies sinds 1980. (bron: PBL, 2010 en RIVM, 2019)

Figuur 8 Ontwikkeling depositie mol/ha/jr sinds 19804. (bron: PBL, 2010 en RIVM, 2019)

De daling van emissies en deposities is het gevolg van maatregelen die getroffen zijn op verschillende terreinen. Dit betreft bijvoorbeeld emissie-eisen aan voertuigen en verbrandingsinstallaties en eisen aan de landbouw. De afvlakking van deze emissies volgt eruit dat bij strengere emissie-eisen een verdere reductie steeds moeilijker bereikt wordt aangezien dit veelal gepaard gaat met significant hogere kosten. In dat kader is te zien dat, mede vanuit de beleidsvelden ten aanzien van andere emissies (broeikasgassen) beleid gericht is op de introductie van meer hernieuwbare energie om inzet van fossiele brandstoffen te vermijden in plaats van te verschonen, en over te gaan op elektrificatie voor de industrie, de gebouwde omgeving en de mobiliteitssector, terwijl parallel de elektriciteit door middel van hernieuwbare bronnen wordt opgewekt. Elektrificatie is een sectoroverstijgende hoofdlijn in het recent afgesloten Klimaatakkoord ter uitvoering van de nationale klimaatdoelstellingen. Vaststaat dat de productie van dit verbruik in 2050 nagenoeg vrij is van emissies, behoudens elektriciteit opgewekt uit biomassaverbranding, aangezien bij wet is vastgelegd dat in 2050 de elektriciteitsproductie volledig CO 2-neutraal is in 2050 (art. 2 lid 2 Klimaatwet).

6.2.1

Stikstofemissies en- deposities van het project

Er treden emissies op naar de lucht tijdens de aanleg van het project door de inzet van voer- en werktuigen. In bijlage A is een overzicht gegeven van de emissiebronnen van het project. De emissies zijn realistisch, maar worst case bepaald om een conservatieve effectbepaling te kunnen uitvoeren. In de werkelijkheid zijn de emissies, en derhalve ook de deposities ten gevolge daarvan, lager.

4 De PBL (Velders et al, 2010) rapportage geeft aan dat de betrouwbaarheid van de data inzake stikstofdeposities onvoldoende wordt

geacht voor 1980 Onze referentie: D10007153:41 - Datum: 12 mei 2020

20 van 91

VOORTOETS KABELVERBINDING TILBURG NOORD - BEST

Emissies van stikstof zijn niet te vermijden gedurende de aanlegfase omdat de werktuigen en transportmiddelen niet emissieloos beschikbaar zijn. Het is niet ondenkbaar dat op (relatief lange) termijn emissies bij dergelijke projecten kunnen worden uitgesloten. Een alternatieve uitvoering van het project die vrij is van emissie is daarbij eveneens niet mogelijk met de huidige stand der techniek. TenneT is zich sterk bewust van de mogelijkheden om emissies te beperken in de uitvoering door de selectie van materieel of werkmethoden die de inzet in tijd en daarmee emissie van werktuigen en transportmiddelen beperken. In onderhavige project stimuleert TenneT derhalve het beperken van emissies ten opzichte van ‘business as usual’. Dit doet zij door: • De aannemer te informeren over de mogelijkheden voor stikstofreductie. In werksessies wordt inzicht geboden in mogelijkheden, zoals selectie van materieel, gedragsregels tijdens de bouw (stationair draaien), elektrificatie mogelijkheden of ombouw van apparatuur (bijvoorbeeld inbouw SCR). • De aannemer te verzoeken om maatregelen te treffen en hiervoor kosten in rekening te brengen. De projecten van TenneT vinden plaats binnen het kader van openbare aanbestedingstrajecten waardoor voor een lopend project informatie concurrentiegevoelig is of niet dwingend mag worden voorgeschreven.

TenneT zal echter de meerkosten van reductieopties die redelijk, zinvol en (maatschappelijk) te verantwoorden zijn accepteren, waardoor emissies met zekerheid lager zullen zijn dan in het business as usual-scenario dat gehanteerd is in de Aerius-berekening, omdat nog geen rekening is gehouden met deze reductie.

6.3

Wijze van beoordelen

6.3.1

Hoogte van de depositie

Uit de Aerius-berekening komt naar voren dat er een tijdelijke en beperkte depositie ten gevolge van het project optreedt in een aantal habitattypen. Deze depositie is tijdelijk van aard aangezien die beperkt is tot de aanlegwerkzaamheden. Uit de berekening volgt als hoogste belasting 0,06 mol/ha/jaar in Natura 2000gebied Kampina & Oisterwijkse Vennen in de habitattypen H3160 Zure vennen en H3130 Zwak gebufferde vennen. De tijdelijke stikstofdepositie treedt ook op in het Natura 2000-gebied Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen met maximaal 0,01 mol N/ha/jaar. In bijlage B zijn de resultaten van de Aerius-berekening opgenomen. Deze Aerius-output geeft alleen het projecteffect weer van de deposities op stikstofgevoelige habitattypen. Habitattypen die niet stikstofgevoelig zijn ondervinden geen negatieve effecten ten gevolge van de stikstofdepositie, deze vallen daardoor buiten de analyse. Of sprake is van een overschrijding van de KDW wordt niet weergegeven in de Aerius-output, dit is apart onderzocht worden met behulp van het totale depositiebestand in Aerius-calculator of apart in GIS.

6.3.2

Beoordelen habitattypen

De ecologische effecten van de tijdelijke en beperkte depositie zijn beoordeeld voor alle habitattypen in de Natura 2000-gebieden die gevoelig zijn voor stikstof. Daarmee is de beoordeling geldig voor alle hexagonen die een stikstofbelasting ontvangen.

6.4

Onderbouwing van de ecologische beoordeling

De aanlegwerkzaamheden voor het project leiden tot een tijdelijke depositie. De hoogste depositie op een stikstofgevoelig habitattype bedraagt 0,06 mol N/ha/jaar gedurende de aanlegfase, hetgeen overeenkomt met ongeveer 0,84 gram stikstof per hectare gedurende de aanlegfase. De ecologische effecten van deze depositie worden beoordeeld aan de hand van een aantal aspecten. Afhankelijk van het habitattype en de aard en omvang van de depositie zijn één of meerdere aspecten relevant voor de beoordeling van een eventueel effect. In deze paragraaf wordt per aspect de achtergrond en mogelijke onderbouwing van de beoordeling beschreven. In de volgende paragraaf wordt voor de habitattypen de inhoudelijke toelichting beschreven, voor het Natura 2000-gebied. De volgende aspecten worden gehanteerd voor de ecologische beoordeling: 1. Schade van kleine en tijdelijke deposities aan planten; 2. Hoeveelheid stikstof uit depositie die ter beschikking komt aan de vegetatie; 3. Invloed kleine en tijdelijke deposities op veranderingen in groeisnelheid en vegetatiesamenstelling; Onze referentie: D10007153:41 - Datum: 12 mei 2020

21 van 91

VOORTOETS KABELVERBINDING TILBURG NOORD - BEST

4. Bijdrage van kleine en tijdelijke deposities aan de totale depositie; 5. Bijdrage kleine en tijdelijke deposities ten opzichte van bestaande aanvoer en afvoer van stikstof uit ecosystemen; 6. Invloed van kleine en tijdelijke deposities op overbelaste systemen; 7. Bijdrage van kleine en tijdelijke deposities ten opzichte van de achtergronddepositie; 8. Relevantie stikstofdepositie voor het (kunnen) behalen of behouden van gewenste kwaliteit en omvang. De beoordeling gaat uit van de meest recente wetenschappelijke inzichten en biedt daarmee wetenschappelijk zekerheid inzake de eventuele schadelijke gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen en daarmee natuurlijke kenmerken van Natura 2000-gebieden.

6.4.1

Schade van kleine en tijdelijke deposities aan planten

Beschrijving Hoge concentraties van gasvormige stikstofverbindingen en hoge concentraties van ammonium (NH 4+) in de bodem, kunnen directe toxische effecten veroorzaken op planten. Dit betekent dat deze hoge concentraties een directe schadelijke werking uitoefenen op de (cel)fysiologie van planten. Bij indirecte effecten, wat aan de orde is bij stikstofdeposities via de atmosfeer zoals als gevolg van de aanleg van het kabeltracé, treden de eventiele schadelijke effecten op door geleidelijke veranderingen in het bodemmilieu (waarbij overigens ook giftige stoffen zoals aluminium kunnen ontstaan) en/of door veranderingen in beschikbaarheid van voedingsstoffen voor planten. Het gaat dan niet om een directe toediening op een plant. De huidige concentraties van NH3, NOx en SO2 zijn in Nederland zo laag dat directe toxische schade aan planten (bijna) niet meer voorkomt. Een negatief effect in de vorm van directe schade is derhalve in Nederland niet aan de orde als het gaat om atmosferische depositie van stikstof. Dit volgt ook uit het gegeven van de continue hoge achtergronddepositie. De kritische depositiewaarde voor een habitattype moet ook gezien worden als waarde waarboven een negatief effect niet is uit te sluiten zonder onderzoek.

Mouissie (2019) concludeert op basis van de onzekerheden in de berekening van de KDW en experimentele studies over dosis-effect relaties dat meetbare ecologische relevante effecten ten gevolge van stikstofdepositie kunnen optreden bij een toename van meer 70 mol N/ha/jaar. Experimentele veldstudies betreffen vaak langjarige studies naar effecten van toenames die vele tientallen tot honderden mol N/ha/jaar bedragen. Uit een analyse van een groot aantal veldstudies blijkt dat bij een depositie rond de KDW het verlies van soorten op kan treden bij een structurele toename van 20 mol N/ha/jaar of hoger. In sterk overbelaste situaties treedt (verder) soortenverlies op bij hogere toenames van 35 mol of meer. Habitats zijn dan ook gevoeliger voor een structurele toename in de depositie als de achtergronddepositie rond de KDW ligt (Caporn et al. 2016; Bobbink & Hettelingh 2011). Beoordeling De toevoeging van een beperkte hoeveelheid stikstof, in het geval van het project maximaal 0,06 mol/ha/jaar is tijdelijk en minimaal. Op zichzelf leidt de maximale depositie met zekerheid niet tot waarneembare effecten en derhalve ook niet tot directe schade.

Ten opzichte van de laagste kritische depositiewaarde van stikstofgevoelige habitattypen in Nederland (=429 mol/ha/jr) is dit 0,014%, terwijl de jaarlijkse achtergronddepositie vele malen hoger ligt en de jaarlijkse fluctuatie eveneens veel groter is (varieert tussen de 700 en 4.000 mol N/ha/jaar). Het meest gevoelige habitattype dat een tijdelijke depositie ondervindt is H3110 Zeer zwakgebufferde vennen (KDW 429 mol/ha/jr). Van de hexagonen van dit habitattypen die een tijdelijke depositie ondervinden als gevolg van het project is de projectdepositie maximaal 0,01 mol N/ha/jaar en de jaarlijkse achtergronddepositie minimaal 1.532 mol/ha/jr. Deze waarden zijn van een dusdanige orde (0,00065%), dat directe aantasting van planten niet aan de orde is. Het verdwijnen van de vegetaties met een lage stikstoftolerantie wordt veroorzaakt door concurrentie en niet door directe schade aan de planten. Hieruit volgt ook de conclusie dat kleine en tijdelijke toenames van depositie van stikstof nooit kunnen leiden tot meetbare directe schade aan planten. Significant negatieve effecten op planten zijn met zekerheid uitgesloten.

Onze referentie: D10007153:41 - Datum: 12 mei 2020

22 van 91

VOORTOETS KABELVERBINDING TILBURG NOORD - BEST

6.4.2

Hoeveelheid stikstof die ter beschikking komt aan de vegetatie

Beschrijving Nitraat (NO3-) en ammonium (NH4+) zijn stikstofverbindingen die oplossen in water en zo via de bodem door plantenwortels kunnen worden opgenomen. Nitraat wordt vrijwel niet geabsorbeerd door bodemdeeltjes en is direct beschikbaar voor planten. Ammonium in de oplossing is in evenwicht met het ammonium dat aan bodemdeeltjes geadsorbeerd is. Vooral in bodem met een hoog aandeel kleideeltjes kan het aandeel gebonden ammonium hoog zijn. De gebonden ammonium is voor een deel beschikbaar voor planten (Mengel, 1991). Als de hoeveelheid opgelost stikstof in de bodem hoog is en deze niet door planten wordt opgenomen, dan kan een deel van de stikstof uitspoelen. In terrestrische systemen spoelt stikstof bijna altijd uit in de vorm van nitraat, aangezien ammonium in de bodem weinig mobiel is en maar zeer beperkt naar het grondwater verdwijnt. Alleen in natte systemen, waaronder veengronden, kan ammoniumuitspoeling naar het grondwater ook kwantitatief van belang zijn (Kros et al, 2008). De uitspoeling van nitraat naar het grondwater is in de loof- en naaldbossen van Europa sterk gerelateerd aan de totale stikstofdepositie die op en in het bos terechtkomt (Dise & Wright, 1995, De Vries et al, 2007 en Dise et al, 2009). Bij stikstofdeposities onder de 8-10 kg N/ha/jaar (571-714 mol/ha/jaar) spoelt in bossen vrijwel geen nitraat uit naar het grondwater.

Daarboven neemt de uitspoeling met een toenemende stikstofdepositie significant toe. Uitspoeling is afhankelijk van het soort bodem, waarbij in zandgronden de meeste stikstof uitspoelt en in veengrond het minste. In volgorde van meeste naar minste uitspoeling is het zand, klei en veen, waarbij met name in zandgronden ook de grondwatertrap een belangrijke rol speelt (RIVM, 2007). Daarbij geldt dat hoe droger de bodem, hoe groter de concentratie uitspoeling is (Schoumans et al, 2008). De hoeveelheden stikstof die uitspoelen na het groeiseizoen op landbouwgrond is ter indicatie opgenomen in de volgende tabel.

Tabel 1 Fractie van het stikstofoverschot op de bodembalans dat uitspoelt naar grond- en oppervlaktewater (uitspoelingsfractie) per bodemgebruik en grondsoort. De romeinse cijfers geven de grondwatertrappen: I = zeer nat en VIII = zeer droog). (Naar tabel 3.1 en 3.2 uit RIVM, 2007. De uitspoeling van het stikstofoverschot naar grond- en oppervlaktewater op landbouwbedrijven). Bodemgebruik

Zand

Klei

Veen

I/II/II*

III

III*

IV

V

V*

VI

VII

VIII

Bouwland

0,04

0,07

0,28

0,38

0,45

0,43

0,58

0,74

0,89

0,36

-

Grasland

0,02

0,04

0,14

0,20

0,23

0,22

0,30

0,38

0,46

0,12

0,04

Deze tabel geeft de situatie weer in bemeste landbouwgebieden. In natuurgebieden is de uitspoeling naar het grond- of oppervlaktewater niet het gevolg van bemesting, maar het gevolg van atmosferische depositie en mineralisatie van organische stof. De jaarlijkse nutriëntenvrachten van het uit- en afspoelende water uit natuurgebieden in zandgebieden varieert in de periode 2016-2030 tussen 4 en 16 kg N/ha/jaar bij een depositie van 33 (± 7) kg N/ha/jaar (Schoumans et al, 2008). Bij het bepalen van de KDW’s is in beginsel rekening gehouden met het feit dat een deel van de atmosferische depositie in habitattypen weer uit het systeem verdwijnt. Bij het beoordelen van het effect van een tijdelijke toename van deposities geldt echter dat een deel van de stikstof uit de wortelzone zal verdwijnen voordat deze vastgelegd wordt (en later weer ter beschikking kan komen voor de plant) of direct opgenomen wordt door de planten. De hoogte van de depositie en daarmee de beschikbaarheid van de atmosferisch toegevoegde stikstof heeft geen relatie met de KDW. Wanneer een groot deel uitspoelt, zal de daadwerkelijk beschikbare hoeveelheid lager zijn. Buiten het groeiseizoen nemen planten relatief weinig

Onze referentie: D10007153:41 - Datum: 12 mei 2020

23 van 91

VOORTOETS KABELVERBINDING TILBURG NOORD - BEST

voedingsstoffen op uit de bodem. In het najaar en de winter zal daarom een groter deel van de depositie uit de wortelzone verdwijnen dan in het voorjaar en de zomer. Hoewel het moeilijk is om betrouwbare kwantitatieve onderbouwingen te geven voor de mate waarin stikstof die als gevolg van atmosferische depositie in een natuurgebied terecht komt weer uitspoelt, en daarom niet ter beschikking komt aan de vegetatie, kan een aantal algemene conclusies getrokken worden: • Een deel van de stikstof die via droge of natte depositie in een habitattype terecht komt zal niet direct worden opgenomen door de plant, maar worden gebonden in de bodem of uitspoelen naar het grond- of oppervlaktewater; • Nitraat wordt slecht gebonden in de bodem en blijft of gaat daardoor in oplossing in het bodemwater. Uitspoeling van stikstof zal daarom vooral in de vorm van nitraat plaatsvinden. • Deze uitspoeling is vooral relevant in habitattypen van zandgronden en is groter naarmate deze habitattypen verbonden zijn aan drogere omstandigheden. In klei- en vooral veenbodem is uitspoeling van stikstof aanzienlijk geringer. • Bij de activiteiten van TenneT voor de aanleg van het kabeltracé is vooral sprake van uitstoot van NO x, wat in de vorm van opgelost nitraat in het bodemmilieu terecht komt.

• In specifieke gevallen (drogere omstandigheden in zandgronden) verdwijnt een deel van de depositie (tot meer dan 50%) weer uit het systeem voordat het opgenomen wordt door planten. Beoordeling De stikstofdeposities als gevolg van het project zijn het hoogste aan de randen van de Natura 2000gebieden. Beide gebieden bestaan grotendeels uit droge zandbodems en kennen een hogere mate van uitspoeling, waardoor voor in ieder geval de habitattypen van deze zandgronden gesteld wordt dat een belangrijk deel van de depositie niet beschikbaar komt. Het daadwerkelijk potentieel is daarmee aanzienlijk kleiner dan de hoeveelheid stikstof die neerkomt op het habitattype en daarmee heeft de stikstofdepositie van het project met zekerheid geen significant negatieve effecten.

6.4.3

Invloed kleine en tijdelijke deposities op veranderingen in groeisnelheid en vegetatiesamenstelling

Beschrijving De toename van stikstof als gevolg van depositie kan leiden tot effecten op planten als gevolg van vermesting en verzuring. Bij vermesting is sprake van een grotere beschikbaarheid van voor planten opneembaar stikstof (nitraat en ammonium), dat dient als bouwstof voor de plant. Een grotere beschikbaarheid van deze bouwstoffen bevoordeelt relatief snelgroeiende planten, die daardoor concurrentievoordeel kunnen krijgen t.o.v. minder snel groeiende soorten. Deze laatste soorten zijn veelal de voor zeldzame en bedreigde habitattypen kenmerkende soorten. Afname van deze soorten leidt tot vermindering van de kwaliteit van de habitattypen, en op den duur zelfs tot areaalverlies. Om een beeld te krijgen van de vermestende invloed van een éénmalige en kleine depositietoename van 1 mol/ha is de volgende berekening illustratief. • Een depositie van 1 mol N/ha komt overeen met 14 gram N per hectare. • De productie van natuurlijke habitattypen loopt uiteen tussen 2.000 en 6.000 kg droge stof/ha/jaar (Tolkamp et al, 2006). • Het aandeel in stikstof varieert tussen plantensoorten en omstandigheden: het drooggewicht van een plant bestaat gemiddeld voor 1,5% uit stikstof. Dit gemiddelde varieert van 0,5% bij houtachtige planten tot 5,0% bij peulvruchten (bron: Nutrinorm.nl).

• Voor de biomassaproductie van natuurlijke habitattypen is dus gemiddeld 30 - 90 kg N/ha/jaar nodig (1,5% van 2.000 tot 6.000 kg). Dit komt overeen met circa 2.150 - 6.400 mol N/ha/jaar. Dit betreft de totale aanvoer van stikstof, dus ook vanuit bronnen naast atmosferische depositie zoals via grond- en oppervlaktewater, nalevering uit de bodem, mineralisatie van organische materiaal en natuurlijke bemesting (via dieren of vee dat ingezet wordt bij natuurlijke begrazing). • Een depositie van 0,06 mol/ha komt overeen met 0,00093 - 0,0028% van de jaarlijks benodigde hoeveelheid stikstof voor natuurlijke habitats, uitgaande van 1,5% stikstof in het drooggewicht van Onze referentie: D10007153:41 - Datum: 12 mei 2020

24 van 91

VOORTOETS KABELVERBINDING TILBURG NOORD - BEST

planten. Wanneer dit 5,0% is (zoals bij het gewas peulvruchten), dan is dit 0,003% of 0,009%. Hierbij is uitgegaan van een depositie van 0,06 mol N/ha/jaar. Dermate geringe percentages leiden niet tot meetbare veranderingen in groeisnelheid van individuele planten, ook wanneer deze dosis volledig ter beschikking zou komen aan de vegetatie. Daardoor ontstaan ook geen meetbare verschuivingen in concurrentiepositie en geen veranderingen in de verhouding waarmee individuele soorten ten opzichte van elkaar in de vegetatie voorkomen. Hieruit wordt geconcludeerd dat een eenmalige kleine depositietoename de kwaliteit van habitattypen en leefgebieden niet meetbaar aantast. Beoordeling Een kleine, eenmalige toename van de depositie van maximaal 0,06 mol N/hectare/jaar leidt niet tot meetbare verschillen in groeisnelheid van individuele planten, daar is de hoeveelheid beschikbare stikstof te klein voor. Er ontstaan geen meetbare verschuivingen in concurrentiepositie en ook geen veranderingen in de verhouding waarmee individuele soorten in de vegetatie voorkomen. Hieruit kan geconcludeerd worden dat de kleine, eenmalige depositietoename van maximaal 0,06 mol N/hectare/jaar de kwaliteit van habitattypen en leefgebieden niet meetbaar aantast en significant negatieve effecten zijn uitgesloten.

6.4.4

Bijdrage van kleine en tijdelijke deposities aan de totale depositie

Beschrijving Om een beeld te geven wat de omvang is van de kleine, eenmalige deposities als gevolg van het project, wordt weergegeven wat deze toename is, gerelateerd aan de totale depositie in een gebied, de gevoeligheid van de habitattypen en leefgebieden en de nauwkeurigheid waarmee effecten kunnen worden vastgesteld. Dit geeft inzicht in de mate van relevantie van de tijdelijke depositie. Hoeveel is 1 mol stikstof per hectare per jaar? Een mol stikstof komt overeen met 14 gram N (of in de vorm van stikstofverbindingen met 62 gram NO 3- of 18 gram NH4+). 14 gram N komt overeen met het gewicht van circa vier suikerklontjes (of één eetlepel suiker). Als gevolg van deze depositie, wordt deze hoeveelheid gedurende een jaar gelijkmatig in tijd en ruimte verdeeld over een oppervlakte die gelijk is aan ongeveer twee voetbalvelden. Per vierkante meter is dit 0,0014 gr of 1,4 mg. Hoe verhoudt toename zich tot achtergrondbelasting in een bepaald gebied? Op alle Natura 2000-gebieden in Nederland vindt als gevolg van natuurlijke en door mensen beïnvloede oorzaken depositie van stikstof plaats. Deze achtergronddepositie (ADW) varieert tussen ca. 700 en 4.000 mol/ha/jaar, afhankelijk van de locatie. Deze deposities vinden al gedurende decennia permanent plaats, zij het dat ze in de afgelopen decennia aanzienlijk gedaald zijn.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9808491/1