CConstaterende datOisterwijk
Koppel je AI →
Document · PDF

21-149 Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan buitengebied herziening 2020- toelichting- bijlage

RAAD 14 oktober 2021, gemeente OisterwijkBij agendapunt: 21-149 Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan buitengebied, herziening 202052.295 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 5 van 7

ter inzage gelegd. Naar aanleiding hiervan kan de voorwaarde verwijderd worden, zoals opgenomen in sub f. van art. 3.5.8, 4.5.9, 5.5.8, 6.5.9 en 7.5.9 en sub f. onder 6 van art. 3.7.3, 6.7.3 en 7.7.3. Dit provinciaal beleid is nu nog niet vastgesteld. Wijziging: Geen. 2. De andere punten van de namens cliënt ingediende inspraakreactie gingen over de in het voorontwerpbestemmingsplan opgenomen regeling wat betreft een toename van de bestaande oppervlakte dierenverblijf voor een veehouderij en een geitenhouderij. Mede naar aanleiding van de reactie op deze punten zijn in de regels van het ontwerpbestemmingsplan Buitengebied, herziening 2020 een aantal wijzigingen aangebracht in deze regeling. Cliënt is van mening dat met de doorgevoerde wijzigingen echter nog geen sprake is van een adequate en duidelijke regeling: • De afwijkingsmogelijkheid om met een omgevingsvergunning af te kunnen wijken van de bepaling dat een toename van de bestaande oppervlakte dierenverblijf voor een veehouderij en geitenhouderij niet is toegestaan, is met het ontwerpbestemmingsplan opgenomen in art. 4.5.9 van de regels. Dit artikel biedt gezien de aanhef slechts de mogelijkheid om af te wijken van de in art. 4.4.1, onder a, onder 6 opgenomen bepaling. Geconstateerd wordt echter dat ook art.

40.1, onder g nog de bepaling bevat dat geen toename van de bestaande oppervlakte dierenverblijf voor een veehouderij en geitenhouderij is toegestaan. Met de regels van het ontwerpbestemmingsplan is er geen mogelijkheid geboden om af te wijken van deze bepaling. Het klopt dat in artikel 39.3 en 40 onterecht de verbodsbepaling nog is opgenomen om dierenverblijven uit te breiden nu dit in de agrarische bestemmingen zelf is geregeld. Deze verbodsbepaling wordt daarom geschrapt. Verder klopt het dat op grond van de begripsbepaling een geitenhouderij ook gezien wordt als een veehouderij. Nu hiervoor op grond van de IOV een specifieke regeling geldt is het logisch dit ook specifiek te benoemen in artikel 4.5.9 en deze bepaling in de overige agrarische bestemmingen. Wijziging: De verbodsbepaling voor het uitbreiding dierenverblijven uit artikel 39.3 en 40 wordt geschrapt. • In de in art. 4.4.1, onder a, onder 6 en art. 40.1, onder g van de regels van het ontwerpbestemmingsplan opgenomen bepalingen wat betreft een toename van de bestaande oppervlakte dierenverblijf wordt een geitenhouderij apart genoemd naast een veehouderij. Dit is anders bij de in art. 4.5.9 opgenomen afwijkingsmogelijkheid, hier wordt slechts een veehouderij genoemd.

Hierdoor ontstaat enige onduidelijkheid over of een geitenhouderij nu wel of niet in aanmerking komt voor toepassing van de afwijkingsmogelijkheid, ook al is een geitenhouderij ook een veehouderij. Om de onduidelijkheid weg te nemen, zou een geitenhouderij ook in art. 4.5.9 weer apart naast een veehouderij genoemd moeten worden. Verder zou als extra voorwaarde aan de afwijkingsmogelijkheid toegevoegd moeten worden dat een toename van de oppervlakte dierenverblijf voor een geitenhouderij pas is toegestaan, nadat het volgens de IOV geldende moratorium voor geitenhouderij is opgeheven. Klopt. De bepaling over uitbreiding dierenverbijven binnen de agrarische bestemmingen worden daarom uitgebreid met geitenhouderijen. Voor geitenhouderijen wordt daarin aanvullend specifieke voorwaarden conform de IOV opgenomen. Wijziging: De bepaling over uitbreiding dierenverbijven binnen de agrarische bestemmingen worden uitgebreid met geitenhouderijen en als volgt aangevuld:  als bestaande oppervlaktedierenverblijf voor geiten geldt de oppervlakte die: d. als dierenverblijf mag worden gebruikt krachtens een omgevingsvergunningmilieu, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid onder e, Wet algemene bepalingenomgevingsrecht, of de omgevingsvergunning beperkte milieutoets, bedoeld in artikel2,eerste lid, onder i, Wet Nota van zienswijzen en wijzigingen “Buitengebied Haaren, Herziening 2020” pag. 59

algemene bepalingen omgevingsrecht of melding, bedoeld inartikel1.10 Activiteitenbesluit milieubeheer; en e. op 7 juli 2017 legaal aanwezig was; of f. mag worden gebouwd krachtens een vóór 7 juli 2017 verleende vergunning. Uitbreiding is toegestaan als: d. de toename van de oppervlakte dierenverblijf voor de geitenhouderij is ingegeven vanuit een dierenwelzijnsconcept zonder toename van het aantal geiten diedegeitenhouderij krachtens een omgevingsvergunning milieu, bedoeld in artikel 2.1, eerstelid onder e, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, of de omgevingsvergunning beperktemilieutoets, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder i, Wet algemene bepalingenomgevingsrecht of melding, bedoeld in artikel 1.10 Activiteitenbesluit milieubeheer,op 7juli 2017 mag houden; e. het dierenwelzijnsconcept per aanwezige melkgeit ten minste 1,30 m² dierenverblijfhanteert. f. Indien het volgens de Interim Omgevingsverordening geldende moratorium voor geitenhouderij is opgeheven.

Zienswijze 35. Cliënt exploiteert een geitenhouderij en een boomkwekerij ter plaatse van de agrarische bedrijfslocatie, gelegen aan de Noenes 16 te Haaren (verder: bedrijfslocatie). Bij brief van 12 december 2019 is namens cliënt al een inspraakreactie ingediend op het voorontwerpbestemmingsplan Buitengebied, herziening 2020'. Gronden 1. Een punt van de inspraakreactie op het voorontwerpbestemmingsplan betrof de constatering dat met de hierin opgenomen regels, de regels van de op 25 oktober 2019 vastgestelde Interim omgevingsverordening Noord-Brabant (IOV) niet op de juiste, volledige manier in het plan waren verwerkt. Voor de reactie op dit punt is in het 'Eindverslag inspraak en vooroverleg actualisatie bp Buitengebied' verwezen naar de reactie op de vooroverlegreactie van de provincie. Hierin is vermeld dat de regels van het bestemmingsplan Buitengebied, herziening 2020' in overeenstemming worden gebracht met de regels van de IOV. Cliënt is van mening dat met de (gewijzigde) regels van het ontwerpbestemmingsplan Buitengebied, herziening 2020' de regels van de geldende IOV nog altijd niet op de juiste, volledige manier in het plan zijn verwerkt: In de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant (IOV) is wat veehouderijen betreft geen onderscheid naar soort veehouderij gemaakt.

In de IOV zijn de regels ten aanzien van veehouderijen gesteld op basis van de ligging in Stedelijk gebied, Landelijk gebied buiten Beperkingen veehouderij, Beperkingen veehouderij en Stalderingsgebied. Alleen voor geitenhouderijen geldt een aparte algemene regel. Verder zijn de regels ten aanzien van veehouderijen in Beperkingen veehouderij niet van toepassing voor grondgebonden veehouderijen en gelden de regels ten aanzien van veehouderijen in Stalderingsgebied alleen voor hokdierhouderijen. Een vergelijk van de regels van het ontwerpbestemmingsplan ‘Buitengebied, herziening 2020’ met de regels ten aanzien van veehouderijen van de IOV geeft aanleiding voor de volgende opmerkingen: In het ontwerpbestemmingsplan is in tegenstelling tot in de IOV wat veehouderijen betreft wel onderscheid gemaakt in soort veehouderij. Uit de bestemmingsomschrijvingen van art. 3.1, 4.1, 5.1, 6.1 en 7.1 van de regels volgt dat grondgebonden veehouderijen en intensieve veehouderijen worden toegestaan. Zodoende worden de veehouderijen die volgens de begripsbepalingen van de regels van het ontwerpbestemmingsplan en de IOV geen grondgebonden veehouderij en geen intensieve veehouderij zijn niet toegestaan.

Zulke nietgrondgebonden veehouderijen zijn conform de regels van de IOV echter wel mogelijk en zijn zeker ook bestaand aanwezig in het buitengebied van de gemeente Haaren en daarmee het plangebied van de vast te stellen bestemmingsplanherziening; In de doeleindenomschrijving bij alle agrarische bestemming wordt ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - veehouderij': een 'grondgebonden veehouderij' het woord grondgebonden geschrapt. Dit om te zorgen dat ook veehouderijen die niet volledig grondgebonden zijn blijven toegestaan. Wijziging: In de doeleindenomschrijving bij alle agrarische bestemming wordt ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - veehouderij': een 'grondgebonden veehouderij' het woord grondgebonden geschrapt.

Nota van zienswijzen en wijzigingen “Buitengebied Haaren, Herziening 2020” pag. 60

2. Voor locaties van bestaande intensieve veehouderijen is op de verbeelding van het ontwerpbestemmingsplan naast de aanduiding ‘intensieve veehouderij’ (vaak) ook de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch - veehouderij' opgenomen. Aan locaties van andere veehouderijen is alleen de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch - veehouderij' toegekend. Door het vorige maakt het ontwerpbestemmingsplan echter alleen mogelijk dat bestaande intensieve veehouderijen om kunnen schakelen naar een grondgebonden veehouderij. De regels ten aanzien van veehouderijen van de IOV vereisen dit niet. De regels ten aanzien van veehouderijen van de IOV vereisen ook niet dat omschakeling naar een intensieve veehouderij alleen mogelijk is op basis van een wijzigingsbevoegdheid zoals opgenomen in art. 3.7.3, 6.7.3 en 7.7.3 van de regels van het ontwerpbestemmingsplan; In de doeleindenomschrijving bij alle agrarische bestemming wordt ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - veehouderij': een 'grondgebonden veehouderij' het woord grondgebonden geschrapt. Dit om te zorgen dat ook veehouderijen die niet volledig grondgebonden zijn blijven toegestaan. Wijziging: In de doeleindenomschrijving bij alle agrarische bestemming wordt ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - veehouderij': een 'grondgebonden veehouderij' het woord grondgebonden geschrapt. 3. Sub l.

van art. 3.2.2, 4.2.2, 5.2.2, 6.2.2 en 7.2.2 van de regels van het ontwerpbestemmingsplan dient conform art. 3.51 van de regels van de IOV ook van toepassing te zijn ter plaatse van de aanduiding ‘overige zone - beperkingen veehouderij’. Hetzelfde geldt voor sub f. van art. 3.2.4, 4.2.4, 5.2.4, 6.2.4 en 7.2.4. Hierbij dient wel opgenomen te worden dat voor grondgebonden veehouderijen ter plaatse van de aanduiding ‘overige zone - beperkingen veehouderij’ enkel geldt dat geen toename van de oppervlakte van dierenverblijven is toegestaan. In artikel 3.5.8 (en vergelijkbaar in de overige agrarische bestemmingen) is conform de IOV opgenomen onder welke voorwaarden binnen de aanduiding ‘overige zone-beperking veehouderij toename van het oppervlakte van dierenverblijven is toegestaan. Om onduidelijkheden hierover bij de toetsing van bouwaanvragen te voorkomen worden de bepalingen uit artikel 3.4.1 en 3.5.8 ook toegevoegd aan de bouwregels. Deze aanpassing wordt tevens doorgevoerd in alle agrarische bestemmingen. Wijziging: De bepalingen uit artikel 3.4.1 en 3.5.8 worden ook toegevoegd aan de bouwregels. Deze aanpassing wordt tevens doorgevoerd in alle agrarische bestemmingen. 4. Het bepaalde onder 5. in sub a. van art. 3.4.1 en 6.4.1 en onder 6. in sub a. van art. 4.4.1, 5.4.1 en 7.4.1 van de regels van het ontwerpbestemmingsplan dient conform art.

3.50 van de regels van de IOV van toepassing te zijn voor veehouderijen en geitenhouderijen ter plaatse van de aanduidingen ‘overige zone - gemengd landelijk gebied’ en ‘overige zone - groenblauwe mantel’. Klopt. Dit is geborgd doordat voor andere zones en aanduidingen in andere bepalingen al is vastgelegd wat daarin wel/niet is toegestaan. Wijziging: Geen. 5. De in sub h. van art. 3.5.8, 4.5.9, 5.5.8, 6.5.9 en 7.5.9, in sub f. van art. 3.7.3 en 6.7.3 en in sub g. van art. 7.7.3 van de regels van het ontwerpbestemmingsplan opgenomen voorwaarde ten aanzien van stalderen komt niet geheel overeen met art. 3.52 van de regels van de IOV. Niet opgenomen is onder andere dat het bewijs aangevraagd moet worden bij en wordt uitgegeven door de provincie;. In artikel 3.52 lid 5 is bepaald dat het bewijs dat aan de voorwaarden wordt voldaan, wordt uitgegeven door of namens GS. Dit hoeft niet te worden geregeld in het bestemmingsplan. Wijziging: Geen. .

Nota van zienswijzen en wijzigingen “Buitengebied Haaren, Herziening 2020” pag. 61

Tot slot valt het volgende op te merken. De provincie Noord-Brabant heeft de wijzigingsverordening ‘Wijziging Interim omgevingsverordening - regelwijziging 2’ in ontwerp ter inzage gelegd. Naar aanleiding hiervan kan de voorwaarde verwijderd worden, zoals opgenomen in sub f. van art. 3.5.8, 4.5.9, 5.5.8, 6.5.9 en 7.5.9 en sub f. onder 6 van art. 3.7.3, 6.7.3 en 7.7.3. Dit provinciaal beleid is nu nog niet vastgesteld. Wijziging: Geen. 2. De andere punten van de namens cliënt ingediende inspraakreactie gingen over de in het voorontwerpbestemmingsplan opgenomen regeling wat betreft een toename van de bestaande oppervlakte dierenverblijf voor een veehouderij en een geitenhouderij. Mede naar aanleiding van de reactie op deze punten zijn in de regels van het ontwerpbestemmingsplan (Buitengebied, herziening 2020' een aantal wijzigingen aangebracht in deze regeling. Cliënt is van mening dat met de doorgevoerde wijzigingen echter nog geen sprake is van een adequate en duidelijke regeling: • De afwijkingsmogelijkheid om met een omgevingsvergunning af te kunnen wijken van de bepaling dat een toename van de bestaande oppervlakte dierenverblijf voor een veehouderij en geitenhouderij niet is toegestaan, is met het ontwerpbestemmingsplan opgenomen in art. 4.5.9 van de regels. Dit artikel biedt gezien de aanhef slechts de mogelijkheid om af te wijken van de in art.

4.4.1, onder a, onder 6 opgenomen bepaling. Geconstateerd wordt echter dat ook art. 40.1, onder g nog de bepaling bevat dat geen toename van de bestaande oppervlakte dierenverblijf voor een veehouderij en geitenhouderij is toegestaan. Met de regels van het ontwerpbestemmingsplan is er geen mogelijkheid geboden om af te wijken van deze bepaling. Het klopt dat in artikel 39.3 en 40 onterecht de verbodsbepaling nog is opgenomen om dierenverblijven uit te breiden nu dit in de agrarische bestemmingen zelf is geregeld. Deze verbodsbepaling wordt daarom geschrapt. Verder klopt het dat op grond van de begripsbepaling een geitenhouderij ook gezien wordt als een veehouderij. Nu hiervoor op grond van de IOV een specifieke regeling geldt is het logisch dit ook specifiek te benoemen in artikel 4.5.9 en deze bepaling in de overige agrarische bestemmingen. Wijziging: De verbodsbepaling voor het uitbreiding dierenverblijven uit artikel 39.3 en 40 wordt geschrapt. • In de in art. 4.4.1, onder a, onder 6 en art. 40.1, onder g van de regels van het ontwerpbestemmingsplan opgenomen bepalingen wat betreft een toename van de bestaande oppervlakte dierenverblijf wordt een geitenhouderij apart genoemd naast een veehouderij. Dit is anders bij de in art. 4.5.9 opgenomen afwijkingsmogelijkheid, hier wordt slechts een veehouderij genoemd.

Hierdoor ontstaat enige onduidelijkheid over of een geitenhouderij nu wel of niet in aanmerking komt voor toepassing van de afwijkingsmogelijkheid, ook al is een geitenhouderij ook een veehouderij. Om de onduidelijkheid weg te nemen, zou een geitenhouderij ook in art. 4.5.9 weer apart naast een veehouderij genoemd moeten worden. Verder zou als extra voorwaarde aan de afwijkingsmogelijkheid toegevoegd moeten worden dat een toename van de oppervlakte dierenverblijf voor een geitenhouderij pas is toegestaan, nadat het volgens de IOV geldende moratorium voor geitenhouderij is opgeheven. Klopt. De bepaling over uitbreiding dierenverbijven binnen de agrarische bestemmingen worden daarom uitgebreid met geitenhouderijen. Voor geitenhouderijen wordt daarin aanvullend specifieke voorwaarden conform de IOV opgenomen. Wijziging: De bepaling over uitbreiding dierenverbijven binnen de agrarische bestemmingen worden uitgebreid met geitenhouderijen en als volgt aangevuld:  als bestaande oppervlaktedierenverblijf voor geiten geldt de oppervlakte die: g. als dierenverblijf mag worden gebruikt krachtens een omgevingsvergunningmilieu, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid onder e, Wet algemene bepalingenomgevingsrecht, of de omgevingsvergunning beperkte milieutoets, bedoeld in artikel2,eerste lid, onder i, Wet Nota van zienswijzen en wijzigingen “Buitengebied Haaren, Herziening 2020” pag. 62

algemene bepalingen omgevingsrecht of melding, bedoeld inartikel1.10 Activiteitenbesluit milieubeheer; en h. op 7 juli 2017 legaal aanwezig was; of i. mag worden gebouwd krachtens een vóór 7 juli 2017 verleende vergunning. Uitbreiding is toegestaan als: g. de toename van de oppervlakte dierenverblijf voor de geitenhouderij is ingegeven vanuit een dierenwelzijnsconcept zonder toename van het aantal geiten diedegeitenhouderij krachtens een omgevingsvergunning milieu, bedoeld in artikel 2.1, eerstelid onder e, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, of de omgevingsvergunning beperktemilieutoets, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder i, Wet algemene bepalingenomgevingsrecht of melding, bedoeld in artikel 1.10 Activiteitenbesluit milieubeheer,op 7juli 2017 mag houden; h. het dierenwelzijnsconcept per aanwezige melkgeit ten minste 1,30 m² dierenverblijfhanteert. i. Indien het volgens de Interim Omgevingsverordening geldende moratorium voor geitenhouderij is opgeheven.

Zienswijze 36. Cliént heeft een wijzigingsplan doorlopen om zijn teeltbedrijf uit te breiden. Het wijzigingsplan ‘Berktweg 10, Haaren’ is hiertoe vastgesteld d.d. 30 oktober 018. Dit wijzigingsplan had o.a. als doel de uitbreiding in teeltondersteunende voorzieningen. In het ontwerpbestemmingsplan ‘Buitengebied, herziening 2020’ is aan de noordelijke rand (over circa 40 m) van het bouwvlak en de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – teeltondersteunende voorzieningen’ nu de gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone – snelweg’ opgenomen. Bij deze aanduiding heeft u navolgende regeling opgenomen: 41.15 Vrijwaringszone - snelweg 41.15.1 Bouwregels Ter plaatse van de aanduiding 'vrijwaringszone - snelweg' mag, ongeacht het bepaalde in de afzonderlijke bestemmingen, geen bebouwing worden gebouwd, met uitzondering van de met de A59 verband houdende bouwwerken, zoals geluidswerende voorzieningen en ecologische voorzieningen. 41.15.2 Afwijken van de bouwregels Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde onder 41.15.1 voor het bouwen van een bebouwing ter plaatse van de aanduiding 'vrijwaringszone - snelweg', mits door de bouw van deze bebouwing de verkeersbelangen niet onevenredig worden geschaad. Daartoe dient vooraf de betrokken wegbeheerder te worden gehoord.

De in lid 41.15.2, sub a bedoelde omgevingsvergunning wordt geacht te zijn verleend ten aanzien van bebouwing die bestaat op het tijdstip van de ter visie legging van het ontwerp van het plan, dan wel mag worden opgericht krachtens een voor dat tijdstip aangevraagde omgevingsvergunning. Ten eerste is volstrekt onduidelijk waarom deze regeling is opgenomen. In de toelichting wordt hier niets over gesteld. Daarnaast is de A59 de snelweg van Terheijden naar ’s-Hertogenbosch. Deze weg ligt op zeer ruime afstand vanaf het plangebied, waardoor evident doelstelling wordt gemist. Verder is in artikel 41.15 een impliciet bouwverbod opgenomen, behoudens indien het bebouwing betreft die verband houdt met de A59 (?). Zoals voorgaand toegelicht beschikt cliënt over geldende bouwrechten. De locatie beschikt reeds zeer geruime tijd over een bouwvlak en een aanduiding ten behoeve van teeltondersteunende voorzieningen. Met het wijzigingsplan uit 2018 zijn hier bovendien veranderingen in aangebracht, gericht op de uitbreiding en ontwikkeling van het bedrijf. Het is dan ook volstrekt onredelijk dat nu een aanduiding wordt opgenomen, waarin een impliciet bouwverbod wordt opgenomen. Cliënt heeft in deze zone containervelden opgericht en maakt daarbij bovendien gedurende de seizoenen telkens gebruik van de bouwmogelijkheden voor tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen.

Het is voor initiatiefnemer dan ook niet acceptabel dat in deze zone (op zijn bouwvlak en in de aanduiding voor teeltondersteunende voorzieningen) geen bebouwing mag worden opgericht. Primair verzoeken wij u om de aanduiding ter plaatse van de locatie te verwijderen. Secundair (indien u hiertoe niet bereid bent) dan dient tenminste een uitzondering te worden opgenomen voor bestaande bouwrechten, als van toepassing ter plaatse van het bouwvlak en de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – teeltondersteunende voorzieningen’. Het oprichten van bebouwing op deze delen heeft geen gevolgen voor de verkeersbelangen. Op verzoek van Rijkswaterstaat in het kader van het vooroverleg is deze regeling opgenomen. In plaats van A59 moet hier staan N65. Dit wordt aangepast. Het is niet de intentie om met deze bepaling Nota van zienswijzen en wijzigingen “Buitengebied Haaren, Herziening 2020” pag. 63

bestaande bouwrechten aan te tasten. Bestaande bouwvlakken worden daarom in de regeling uitgezonderd. Wijziging: Aan artikel 41.15 wordt een uitzonderingsbepaling opgenomen waarmee bouwpercelen en reeds in uitvoering zijn, dan wel krachtens een verleende vergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan, worden uitgezonderd. Zoals in de inleiding toegelicht en zoals bij uw gemeente bekend exploiteert clënt een tuinplantenkwekerij, waarbij de tuinplanten worden geteeld in de aanwezige kas en op de containervelden. In het ontwerpbestemmingsplan is door uw gemeente nu een regeling opgenomen aangaande spuitzones gewasbeschermingsmiddelen. Cliënt verzoekt u om de agrarische gevestigde belangen in acht te nemen en in dat kader de regeling te herzien, dan wel te verduidelijken. Ten aanzien van spuitzones gewasbeschermingsmiddelen is door uw gemeente navolgende gebruiksbepaling opgenomen (en vergelijkbaar in diverse andere artikelen): 3.4.1 Strijdig gebruik a. Als strijdig gebruik wordt in ieder geval aangemerkt: [….] 7.

het gebruik van gronden voor fruitteelt en boomgaarden binnen een afstand van 50 m tot (bedrijfs)woningen inclusief tuinen en erven, sport- en recreatievoorzieningen en maatschappelijke voorzieningen, uitgezonderd en voor zover: • aangetoond is dat geen gebruik wordt gemaakt van gewasbeschermingsmiddelen, dan indien gewasbestrijdingsmiddelen worden toegepast wordt voorzien in een windcirkel en gebruik wordt gemaakt van driftarme spuitdoppen; • het woon- en leefklimaat en/of het verblijfsklimaat voor bestrijdingsmiddelen gevoelige functies niet onevenredig wordt aangetast. In de regels is nu dus generiek een bepaling opgenomen met een zone van 50 meter rondom gevoelige objecten. Het is daarbij bovendien onduidelijk tot hoe ver deze beperkingen reiken, aangezien de afstand geldt tot woningen, tuinen, erven, sport- en recreatievoorzieningen e.d. Het is dus niet gekoppeld aan specifieke enkelbestemmingen, maar tot allerlei voorzieningen. Onduidelijk is hoe ver de bijbehorende begrenzing hierbij reikt. Dit is rechtsonzeker. (Letterlijk te lezen zou een dergelijke beperking bovendien zelfs kunnen gelden tot de eigen bedrijfswoning, wat uiteraard niet van toepassing mag zijn.) Daarnaast zorgt deze bepaling voor onevenredige beperkingen in de bedrijfsvoering van agrarische bedrijven. In de toelichting is bovendien niet opgenomen waarom deze regeling is toegevoegd.

Tevens dient door u onderzocht en onderbouwd te worden of dit rechtmatig is wat betreft bestaande belangen. Het is niet zo maar mogelijk om rechtmatig gebruik van gronden voor fruitteelt en boomgaarden onder het overgangsrecht te brengen. In ieder geval dient een uitzondering opgenomen te worden voor bestaand gebruik. In het plan is nu onvoldoende onderbouwd waarom dergelijke volksgezondheidsrisico’s worden aangenomen en dat het daarmee rechtmatig is om bestaande telers in hun rechten te beperken. Vaste jurisprudentie toont aan dat onderbouwd moet worden waarom dit rechtmatig wordt geacht, waarbij alle belangen dienen te worden afgewogen. In geen enkele wettelijke regeling zijn afstanden vastgelegd die in acht moeten worden genomen voor spuitzones tussen gevoelige functies en percelen met open teelt waarop gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt. Hiervoor dient dus een ruimtelijke afweging te worden gemaakt, waarbij in beginsel in de praktijk wordt uitgegaan van 50 meter als vuistregel. Deze 50 meter heeft echter geen verdere wetenschappelijke basis. Het Activiteitenbesluit milieubeheer, in combinatie met de Activiteitenregeling milieubeheer, bevat de regels voor de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen op open teelten (paragraaf 3.5.3 Abm). Hierbij wordt zoveel mogelijk driftarme apparatuur voorgeschreven.

Sinds 1 januari 2018 geldt hierbij een minimale vereiste driftreductie van 75% (artikel 3.78a Abm) ten opzichte van de referentietechniek. Blijkens het rapport ‘Driftblootstelling van omstanders en omwonenden door boomgaard bespuitingen’, Wageningen UR, rapport 609, mei 2015, kan door de wettelijk voorgeschreven driftreductie van 75% (DRT 75), de aan te houden afstand (in een open veld toestand) reeds verkleind worden tot 30 meter (in plaats van 50 meter). Dit WUR-rapport gaat overigens uit van het meest toxische middel in de fruitteelt (‘Captan’) en is daarbij ‘worst case’ voor alle andere

Nota van zienswijzen en wijzigingen “Buitengebied Haaren, Herziening 2020” pag. 64

middelen. Aangezien de driftreductie van 75% wettelijk is vastgelegd, kan de genoemde 50 meter in artikel 3.4.1 dus reeds in ieder geval worden verkleind tot 30 meter. Verder dient te worden opgenomen dat dit enkel geldt voor open teelten en dus niet voor dergelijke teelten in gebouwen (bijvoorbeeld in kassen). Tevens dient een uitzondering te worden gemaakt dat een dergelijke zone in ieder geval niet geldt voor fruitteelt en boomgaarden binnen agrarische bouwvlakken of binnen de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – teeltondersteunende voorzieningen’. Hier zijn immers rechtmatig bestaande teelten en teeltondersteunende voorzieningen toegestaan. Cliënt heeft notabene in 2018 hiertoe een wijzigingsplan doorlopen, waarbij het aspect gewasbeschermingsmiddelen reeds getoetst is (en akkoord is bevonden). Voorkomen dient te worden dat rechtmatig aanwezige teeltvoorzieningen binnen 50 meter vanaf woningen niet meer gebruikt mogen worden. Dit is onwenselijk en raakt agrarische ondernemers in bestaande rechten. Tevens is onduidelijk wat bedoeld wordt met een windcirkel? Worden hier windhagen bedoeld? Tevens is onduidelijk wat bedoeld wordt met driftarme doppen (en hoe driftarm die dan moeten zijn?). Het Activiteitenbesluit schrijft namelijk reeds minimaal 75% driftreductie voor, dus alle teelten vinden plaats met driftarme doppen.

En verder dient verduidelijkt te worden wat bedoeld wordt met ‘boomgaarden’. Dit is nu namelijk niet gedefinieerd. Blijkens de Dikke Van Dale betreft dit een stuk grond beplant met (hoge / opgaande) vruchtbomen (bijvoorbeeld fruit- of notenbomen). Dit is dus in ieder geval niet gericht op overige boomkwekerijpercelen met tuinplantenkwekerijen en lage boomteelt. Dit is ook overeenkomstig het normaal praktisch spraakgebruik. Cliënt verzoekt u om ook te bevestigen dat dit in ieder geval inderdaad niet geldt voor tuinplantenkwekerijen en lage boomteelt. Gelet op de onderzoeken die er zijn omtrent driftblootstelling (zie o.a. het voornoemde WUR-rapport) dient dit enkel te gaan of om fruitboomgaarden, of om boomgaarden voor de opgaande teelt van bomen. Lage neerwaartse bespuitingen bij de reguliere boomteelt (tuinplanten, coniferen, buxussen, heesters e.d.) dienen in ieder geval uitgezonderd te worden van deze bepalingen. Door de spuittechniek (neerwaarts gericht) en de lage teelt is er geen sprake van risico’s voor omwonenden. Bovendien is er sprake van een groot aantal van dit type bestaande boomkwekerijteelten in uw gemeente, waarbij uw gemeente zich bovendien mede profileert als boomkwekerij-gemeente (met ter plaatse zelfs een aangeduid boomteeltontwikkelingsgebied).

Het kan en mag niet zo zijn dat u met deze bepalingen uw bestaande telers, die een zeer groot grondgebied binnen uw gemeente in gebruik hebben, raakt in de bedrijfsmatige rechten en mogelijkheden. Dit heeft bovendien grote consequenties voor de waardes van gronden. De regeling dient in ieder geval ook uitgezonderd te worden voor het aangeduide boomteeltontwikkelingsgebied. De nu opgenomen regeling voor spuitzones is onduidelijk, rechtsonzeker, te verstrekkend en onevenredig gelet op de belangen van de (boom)telers in uw gemeente. Gevoelige functies zijn plaatsen waar regelmatig en voor een groot gedeelte van de dag mensen verblijven of samenkomen. Een woning met tuin/erf wordt als zodanig aangemerkt. Om te bepalen hoe de afstand moet worden gemeten wordt de specifieke gebruiksregel aangepast, door aan te geven dat er een afstand moet worden aangehouden tot gevoelige functies voor gewasbeschermingsmiddelen. In de begrippenlijst wordt het begrip ‘gevoelige functie voor gewasbeschermingsmiddelen’ toegevoegd. In paragraaf 2.7 van de toelichting wordt dit nu onderbouwd. In paragraaf 2.7 van de toelichting wordt daarom onderbouwd waarom deze regeling wordt toegepast. In de gemeente blijkt dat de gezondheid van omwonenden met de vigerende regeling niet kan worden gegarandeerd.

De gewasbeschermingsmiddelen afkomstig van fruitteelt en boomgaarden leidt in situaties tot een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat. In de specifieke gebruiksregel wordt een uitzondering opgenomen voor zover het bestaande en vervanging van bestaande fruitteelt en boomgaarden betreft.In de praktijk bestaat er een vuistregel dat er 50 meter afstand moet worden aangehouden tussen een gevoelige functie voor gewasbeschermingsmiddelen en een agrarisch perceel met open teelten. Het terugbrengen van een acceptabele afstand in het kader van een goede ruimtelijke ordening hangt onder meer af van de soort teelt en de plaatselijke omstandigheden (bv. windrichting, soort gewasbeschermingsmiddelen). Omdat elk geval anders is, dient dit per geval te worden onderzocht en afgewogen. Dat is maatwerk. Als wordt afgeweken van de richtafstand, moet er een goede onderbouwing voor zijn, blijkt uit deze uitspraak (toen was artikel 3.78a Abm nog niet in werking getreden): ECLI:NL:RVS:2016:855. Ten aanzien van gewasbeschermingsmiddelen bij open teelten is het Activiteitenbesluit milieubeheer sinds 1 januari 2018 inderdaad gewijzigd. De regels ten aanzien van driftreducerende maatregelen zijn verscherpt en op het gehele perceel van toepassing. In Artikel 3.78a van het Activiteitenbesluit staat dat bij het toepassen van gewasbeschermingsmiddelen er een techniek moet worden gebruikt die een

Nota van zienswijzen en wijzigingen “Buitengebied Haaren, Herziening 2020” pag. 65

driftreductie bereikt van ten minste 75%.Uit het onderzoek van de universiteit Wageningen blijkt dat als gebruik gemaakt wordt van een spuit waarbij een driftreductietechniek van 75% wordt gebruikt er een afstand van 30 meter kan worden aangehouden. Bij deze berekening is uitgegaan van een standaardsituatie waarbij geen haag of oppervlaktewater aanwezig is, en het meest schadelijke gewasbeschermingsmiddel. Als er wel een haag of oppervlaktewater aanwezig zijn wordt de afstand kleiner. De richtafstand wordt daarom aangepast in 30 meter. Ook wordt aangegeven dat het om open teelten gaat en dus niet om teelt in gebouwen. Gezien de eis in het Activiteitenbesluit wordt de voorwaarden voor een windcirkel en driftarme spuitdoppen verwijderd. Wijziging: Artikel 3.4.1 en dit artikel in de overige agrarische bestemmingen wordt als volgt gewijzigd: a. Als strijdig gebruik wordt in ieder geval aangemerkt: … 7.

het gebruik van gronden voor open teelten van sierplanten en bomen en boomgaarden, binnen een afstand van 30 m tot gevoelige functies voor gewasbeschermingsmiddelen, uitgezonderd en voor zover: • het bestaande en vervanging van bestaande open teelten van sierplaten en bomen betreft; • aangetoond is dat geen gebruik wordt gemaakt van gewasbeschermingsmiddelen; • het woon- en leefklimaat en/of het verblijfsklimaat voor bestrijdingsmiddelen gevoelige functies niet onevenredig wordt aangetast. Toevoegen aan artikel 1: “gevoelige functie voor gewasbeschermingsmiddelen: gronden en percelen waar geregeld en gedurende langere periode mensen kunnen verblijven of samenkomen zoals (bedrijfs)woningen, tuinen, erven, zorgfuncties en kampeerterreinen;” In paragraaf 2.7 van de toelichting wordt onderbouwd waarom de regeling inzake gewasbeschermingsmiddelen wordt opgenomen.

Zienswijze 37. Aan de locatie Margrietweg 5 te Helvoirt is een boomkwekerij met rundveehouderij gevestigd. Deze locatie staat te koop, waarbij er een aantal concreet geïnteresseerden zijn die ter plaatse een paardenfokkerij (een op de agrarische productie gerichte paardenhouderij) willen vestigen. In het geldende bestemmingsplan is onder de begripsbepaling van een grondgebonden agrarisch bedrijf ter plaatse momenteel rechtstreeks een paardenfokkerij toegestaan. Om dit bovendien zekerheidshalve bevestigd te hebben, heeft hierover in december 2019 correspondentie met uw gemeente plaatsgevonden, zie hiertoe de bijgevoegde bijlage. Hierbij is bevestigd dat een paardenfokkerij een grondgebonden agrarisch bedrijf betreft. Een paardenfokkerij is dan ook momenteel ter plaatse rechtstreeks toegestaan. Vanuit die informatie is het aan- en verkooptraject gestart, waarbij er momenteel sprake is van een afrondende fase in de onderhandelingen met een potentiële koper. Echter, met de nu opgenomen regeling in het ontwerpbestemmingsplan en de toelichting daarover in de nota van inspraak, zorgt u ervoor dat de beoogde vestiging van een paardenfokkerij ter plaatse niet meer is toegestaan. Dit is onwenselijk gelet op het bovenstaande en betreft een inbreuk op de bestaande rechten.

In de toelichting op uw herzieningsplan is benoemd dat binnen de agrarische bestemmingen ook paardenhouderijen zijn opgenomen, waarbij feitelijk een paardenhouderij geen agrarisch bedrijf is. Deze stelling is echter onjuist. Een paardenhouderij is een agrarisch bedrijf, afhankelijk van de bedrijfsvorm. Een agrarisch bedrijf betreft een bedrijf gericht op het voortbrengen van producten door het telen van gewassen of door het houden van dieren. Een paardenfokkerij is evident een agrarisch bedrijf. Het betreft immers een bedrijf, gericht op het voortbrengen van producten (veulens), door het houden van dieren (fokmerries en eventueel hengsten). Ook het gelieerd hieraan opfokken, africhten en trainen is agrarisch, namelijk gericht op een waardevermeerdering van het agrarische product. Die ‘producten’ zijn in deze de paarden (of pony’s), die worden gefokt en door middel van africhting en training naar een hoger niveau worden gebracht, en daardoor in waarde worden vermeerderd. (Zie hiertoe bovendien de meer uitgebreide toelichting in de bijgevoegde correspondentie.) Gelet op het bovenstaande verzoek ik u om blijvend recht te doen aan de situatie waarbij ter plaatse planologisch een op de agrarische productie gerichte paardenhouderij (paardenfokkerij) is toegestaan. Een paardenfokkerij is

Nota van zienswijzen en wijzigingen “Buitengebied Haaren, Herziening 2020” pag. 66

momenteel ter plaatse rechtstreeks toegestaan en het is wenselijk dat dit ongewijzigd behouden blijft. Dit kunt u bijvoorbeeld doen door alsnog ter plaatse de aanduiding ‘paardenhouderij’ op te nemen. Gelet op de concrete aan- en verkoopsituatie en de correspondentie hieromtrent in december 2019 is dit rechtmatig. Op grond van het bestemmingsplan is op ieder agrarisch bouwvlak een grondgebonden agrarisch bedrijf toegestaan. Een paardenfokkerij kan gezien worden als grondgebonden agrarisch bedrijf en is daarmee dus rechtstreeks toegestaan op een agrarisch bouwvlak. Het klopt daarom dat in de doeleindenomschrijving bij de agrarische bestemmingen: ter plaatse van de aanduiding 'paardenhouderij': een paardenhouderijbedrijf of een paardenfokkerij de toevoeging of een paardenfokkerij verwarrend is en niks toevoegd. Deze toevoeging wordt daarom geschrapt. Wijziging: In de doeleindenomschrijving bij de agrarische bestemmingen: ter plaatse van de aanduiding 'paardenhouderij': een paardenhouderijbedrijf of een paardenfokkerij de toevoeging of een paardenfokkerij wordt geschrapt. In directe nabijheid van de bedrijfslocatie Ruiting 11 te Haaren zijn diverse bestaande teeltondersteunende voorzieningen aanwezig. Het betreft o.a. de kadastrale percelen gemeente Haaren, sectie C, perceelnummers 1767, 1768, 1769 en 1588 (zie tevens navolgende afbeelding).

Het betreft hier containervelden, voorzien van anti-worteldoek en betonnen paden en verhardingen voor de kweek van diverse boomkwekerijgewassen (zoals lavendels). Tevens wordt gebruik gemaakt van tijdelijke lage tunnels om de teeltomstandigheden te begunstigen. In de huidige situatie is ruim 4,6 hectare aan teeltondersteunende voorzieningen legaal aanwezig. Door de Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State (ABRvS) is immers d.d. 2 juli 2008 (ECLI:NL:RVS:2008:1845) geoordeeld dat ten tijde van de aanleg van deze teeltondersteunende voorzieningen geen aanlegvergunning was benodigd en dat de werken geschieden in het kader van de bestendige agrarische bedrijfsvoering en daarmee in overeenstemming zijn met het destijds geldende bestemmingsplan. Deze uitspraak is als bijlage aan onderhavige zienswijze toegevoegd. Deze bestaande teeltondersteunende voorzieningen zijn door uw gemeente reeds tweemaal onder het overgangsrecht gebracht, te weten in het bestemmingsplan ‘Buitengebied Haaren’, als vastgesteld in 2009 en in het bestemmingsplan ‘Buitengebied Haaren, herziening 2014’, als vastgesteld in 2014. Conform vaste jurisprudentie is het niet toegestaan om bestaande rechtmatige voorzieningen meermaals onder het overgangsrecht te brengen. Gelet op het bovenstaande en de uitspraak van de ABRvS zijn de aanwezige teeltondersteunende voorzieningen ter plaatse rechtmatig aanwezig.

Daar het niet de doelstelling is om dit bestaande rechtmatige gebruik te wijzigen, is het niet toegestaan om deze teeltondersteunende voorzieningen nu wederom onder het overgangsrecht te brengen. U wordt daarom verzocht om deze bestaande rechtmatig aanwezige teeltondersteunende voorzieningen positief te bestemmen. Namens cliënt verzoek ik u om hiervoor ter plaatse de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch met waarden – teeltondersteunende voorzieningen’ toe te kennen. Wegens uw juridische plansystematiek (als opgenomen in artikel 45.1, lid a) dient daardoor bovendien de aanduiding ‘overige zone – ambtshalve wijziging’ te worden opgenomen. Deze aanduidingen dienen te worden toegekend op de op navolgende afbeelding rood omkaderde zone. Het klopt dat hier teeltondersteunende voorzieningen aanwezig zijn en dat er geen grond is deze niet opnieuw onder het overgangsrecht te plaatsen. Voor de percelen Haaren, sectie C nummers 1767, 1768, 1769 en 1588 wordt dus conform bestaandde rechten de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch met waarden-teeltondersteunende voorzieningen"opgenomen. Wijziging: Voor de percelen Haaren, sectie C nummers 1767, 1768, 1769 en 1588 wordt conform bestaandde rechten de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch met waarden-teeltondersteunende voorzieningen"opgenomen.

Zienswijze 38. Teeltondersteunende voorzieningen op perceel 1748. In het voorontwerpbestemmingsplan bent u erop gewezen dat tussen het bedrijf Ruiting 11 en de wegzijde (op het kadastrale perceel 1748) op de verbeelding de functieaanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch met waarden – teeltondersteunende voorzieningen’ ontbrak, zoals opgenomen op de verbeelding van het Nota van zienswijzen en wijzigingen “Buitengebied Haaren, Herziening 2020” pag. 67

bestemmingsplan ‘Buitengebied Haaren’. Op de verbeelding van het ontwerpbestemmingsplan ‘Buitengebied, herziening 2020’ is deze aanduiding nu weer toegekend, echter onjuist. Het betreft hier namelijk een perceel met de enkelbestemming ‘Agrarisch met Waarden – Landschaps- en Natuurwaarden 1’. De aanduiding dient derhalve, gelet op de regels, niet te zijn: • specifieke vorm van agrarisch – teeltondersteunende voorzieningen maar: • specifieke vorm van agrarisch met waarden – teeltondersteunende voorzieningen (In het geldende bestemmingsplan ‘Buitengebied Haaren’ was deze aanduiding wel correct opgenomen.) Namens cliënt wil ik u verzoeken om dit te corrigeren. Klopt dit wordt aangepast. Wijziging: Op het perceel 1748 bij Ruiting 11 in Haaren wordt op de verbeelding de functieaanduiding 'specifieke vorm van agrarisch met waarden-teeltondersteunende voorzieningen. Spuitzones gewasbeschermingsmiddelen Zoals in de inleiding toegelicht en zoals bij uw gemeente bekend exploiteert cliënt een boomkwekerij. Hiervoor heeft het bedrijf o.a. containervelden en diverse landbouwgronden in uw gemeente in gebruik. In het ontwerpbestemmingsplan is door uw gemeente nu een regeling opgenomen aangaande spuitzones gewasbeschermingsmiddelen. Cliënt verzoekt u om de agrarische gevestigde belangen in acht te nemen en in dat kader de regeling te herzien, dan wel te verduidelijken.

Ten aanzien van spuitzones gewasbeschermingsmiddelen is door uw gemeente navolgende gebruiksbepaling opgenomen (en vergelijkbaar in diverse andere artikelen): 3.4.1 Strijdig gebruik a. Als strijdig gebruik wordt in ieder geval aangemerkt: [….] 7. het gebruik van gronden voor fruitteelt en boomgaarden binnen een afstand van 50 m tot (bedrijfs)woningen inclusief tuinen en erven, sport- en recreatievoorzieningen en maatschappelijke voorzieningen, uitgezonderd en voor zover: • aangetoond is dat geen gebruik wordt gemaakt van gewasbeschermingsmiddelen, dan indien gewasbestrijdingsmiddelen worden toegepast wordt voorzien in een windcirkel en gebruik wordt gemaakt van driftarme spuitdoppen; • het woon- en leefklimaat en/of het verblijfsklimaat voor bestrijdingsmiddelen gevoelige functies niet onevenredig wordt aangetast. In de regels is nu dus generiek een bepaling opgenomen met een zone van 50 meter rondom gevoelige objecten. Het is daarbij bovendien onduidelijk tot hoe ver deze beperkingen reiken, aangezien de afstand geldt tot woningen, tuinen, erven, sport- en recreatievoorzieningen e.d. Het is dus niet gekoppeld aan specifieke enkelbestemmingen, maar tot allerlei voorzieningen. Onduidelijk is hoe ver de bijbehorende begrenzing hierbij reikt. Dit is rechtsonzeker.

(Letterlijk te lezen zou een dergelijke beperking bovendien zelfs kunnen gelden tot de eigen bedrijfswoning, wat uiteraard niet van toepassing mag zijn.) Daarnaast zorgt deze bepaling voor onevenredige beperkingen in de bedrijfsvoering van agrarische bedrijven. In de toelichting is bovendien niet opgenomen waarom deze regeling is toegevoegd. Tevens dient door u onderzocht en onderbouwd te worden of dit rechtmatig is wat betreft bestaande belangen. Het is niet zo maar mogelijk om rechtmatig gebruik van gronden voor fruitteelt en boomgaarden onder het overgangsrecht te brengen. In ieder geval dient een uitzondering opgenomen te worden voor bestaand gebruik. In het plan is nu onvoldoende onderbouwd waarom dergelijke volksgezondheidsrisico’s worden aangenomen en dat het daarmee rechtmatig is om bestaande telers in hun rechten te beperken. Vaste jurisprudentie toont aan dat onderbouwd moet worden waarom dit rechtmatig wordt geacht, waarbij alle belangen dienen te worden afgewogen. In geen enkele wettelijke regeling zijn afstanden vastgelegd die in acht moeten worden genomen voor spuitzones tussen gevoelige functies en percelen met open teelt waarop gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt. Hiervoor dient dus een ruimtelijke afweging te worden gemaakt, waarbij in beginsel in de praktijk wordt uitgegaan van 50 meter als vuistregel.

Deze 50 meter heeft echter geen verdere wetenschappelijke basis. Het Activiteitenbesluit milieubeheer, in combinatie met de Activiteitenregeling milieubeheer, bevat de regels voor de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen op open teelten (paragraaf 3.5.3 Abm). Hierbij wordt zoveel mogelijk driftarme apparatuur voorgeschreven. Sinds 1 januari 2018 geldt hierbij een minimale vereiste driftreductie van 75% (artikel 3.78a Abm) ten opzichte van de referentietechniek.

Nota van zienswijzen en wijzigingen “Buitengebied Haaren, Herziening 2020” pag. 68

Blijkens het rapport ‘Driftblootstelling van omstanders en omwonenden door boomgaard bespuitingen’, Wageningen UR, rapport 609, mei 2015, kan door de wettelijk voorgeschreven driftreductie van 75% (DRT 75), de aan te houden afstand (in een open veld toestand) reeds verkleind worden tot 30 meter (in plaats van 50 meter). Dit WUR-rapport gaat overigens uit van het meest toxische middel in de fruitteelt (‘Captan’) en is daarbij ‘worst case’ voor alle andere middelen. Aangezien de driftreductie van 75% wettelijk is vastgelegd, kan de genoemde 50 meter in artikel 3.4.1 dus reeds in ieder geval worden verkleind tot 30 meter. Verder dient te worden opgenomen dat dit enkel geldt voor open teelten en dus niet voor dergelijke teelten in gebouwen (bijvoorbeeld in (tunnel)kassen). Tevens dient een uitzondering te worden gemaakt dat een dergelijke zone in ieder geval niet geldt voor fruitteelt en boomgaarden binnen agrarische bouwvlakken of binnen de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch met waarden – teeltondersteunende voorzieningen’. Hier zijn immers rechtmatig bestaande teelten en teeltondersteunende voorzieningen toegestaan. Voorkomen dient te worden dat rechtmatig aanwezige teeltvoorzieningen binnen 50 meter vanaf woningen e.d. niet meer gebruikt mogen worden. Dit is onwenselijk en raakt agrarische ondernemers in bestaande rechten.

Tevens is onduidelijk wat bedoeld wordt met een windcirkel? Worden hier windhagen bedoeld? Tevens is onduidelijk wat bedoeld wordt met driftarme doppen (en hoe driftarm die dan moeten zijn?). Het Activiteitenbesluit schrijft namelijk reeds minimaal 75% driftreductie voor, dus alle teelten vinden plaats met driftarme doppen. En verder dient verduidelijkt te worden wat bedoeld wordt met ‘boomgaarden’. Dit is nu namelijk niet gedefinieerd. Blijkens de Dikke Van Dale betreft dit een stuk grond beplant met (hoge / opgaande) vruchtbomen (bijvoorbeeld fruitof notenbomen). Dit is dus in ieder geval niet gericht op overige boomkwekerijpercelen met tuinplantenkwekerijen en lage boomteelt. Dit is ook overeenkomstig het normaal praktisch spraakgebruik. Cliënt verzoekt u om ook te bevestigen dat dit in ieder geval inderdaad niet geldt voor tuinplantenkwekerijen en lage boomteelt. Gelet op de onderzoeken die er zijn omtrent driftblootstelling (zie o.a. het voornoemde WUR-rapport) dient dit enkel te gaan of om fruitboomgaarden, of om boomgaarden voor de opgaande teelt van bomen. Lage neerwaartse bespuitingen bij de reguliere boomteelt (tuinplanten, coniferen, buxussen, heesters e.d.) dienen in ieder geval uitgezonderd te worden van deze bepalingen. Door de spuittechniek (neerwaarts gericht) en de lage teelt is er geen sprake van risico’s voor omwonenden.

Bovendien is er sprake van een groot aantal van dit type bestaande boomkwekerijteelten in uw gemeente, waarbij uw gemeente zich bovendien mede profileert als boomkwekerij-gemeente. Het kan en mag niet zo zijn dat u met deze bepalingen uw bestaande telers, die een zeer groot grondgebied binnen uw gemeente in gebruik hebben, raakt in de bedrijfsmatige rechten en mogelijkheden. Dit heeft bovendien grote consequenties voor de waardes van gronden. De nu opgenomen regeling voor spuitzones is onduidelijk, rechtsonzeker, te verstrekkend en onevenredig gelet op de belangen van de (boom)telers in uw gemeente. Gevoelige functies zijn plaatsen waar regelmatig en voor een groot gedeelte van de dag mensen verblijven of samenkomen. Een woning met tuin/erf wordt als zodanig aangemerkt. Om te bepalen hoe de afstand moet worden gemeten wordt de specifieke gebruiksregel aangepast, door aan te geven dat er een afstand moet worden aangehouden tot gevoelige functies voor gewasbeschermingsmiddelen. In de begrippenlijst wordt het begrip ‘gevoelige functie voor gewasbeschermingsmiddelen’ toegevoegd. In paragraaf 2.7 van de toelichting wordt dit nu onderbouwd. In paragraaf 2.7 van de toelichting wordt daarom onderbouwd waarom deze regeling wordt toegepast. In de gemeente blijkt dat de gezondheid van omwonenden met de vigerende regeling niet kan worden gegarandeerd.

De gewasbeschermingsmiddelen afkomstig van fruitteelt en boomgaarden leidt in situaties tot een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat. In de specifieke gebruiksregel wordt een uitzondering opgenomen voor zover het bestaande en vervanging van bestaande fruitteelt en boomgaarden betreft.In de praktijk bestaat er een vuistregel dat er 50 meter afstand moet worden aangehouden tussen een gevoelige functie voor gewasbeschermingsmiddelen en een agrarisch perceel met open teelten. Het terugbrengen van een acceptabele afstand in het kader van een goede ruimtelijke ordening hangt onder meer af van de soort teelt en de plaatselijke omstandigheden (bv. windrichting, soort gewasbeschermingsmiddelen). Omdat elk geval anders is, dient dit per geval te worden onderzocht en afgewogen. Dat is maatwerk. Als wordt afgeweken van de richtafstand, moet er een goede onderbouwing voor zijn, blijkt uit deze uitspraak (toen was artikel 3.78a Abm nog niet in werking getreden): ECLI:NL:RVS:2016:855. Ten aanzien van gewasbeschermingsmiddelen bij open teelten is het Activiteitenbesluit milieubeheer sinds 1 januari 2018 inderdaad gewijzigd. De regels ten aanzien van driftreducerende maatregelen zijn verscherpt en op het gehele perceel van toepassing. In Artikel 3.78a van het Activiteitenbesluit staat dat bij het toepassen van gewasbeschermingsmiddelen er een techniek moet worden gebruikt die een

Nota van zienswijzen en wijzigingen “Buitengebied Haaren, Herziening 2020” pag. 69

driftreductie bereikt van ten minste 75%.Uit het onderzoek van de universiteit Wageningen blijkt dat als gebruik gemaakt wordt van een spuit waarbij een driftreductietechniek van 75% wordt gebruikt er een afstand van 30 meter kan worden aangehouden. Bij deze berekening is uitgegaan van een standaardsituatie waarbij geen haag of oppervlaktewater aanwezig is, en het meest schadelijke gewasbeschermingsmiddel. Als er wel een haag of oppervlaktewater aanwezig zijn wordt de afstand kleiner. De richtafstand wordt daarom aangepast in 30 meter. Ook wordt aangegeven dat het om open teelten gaat en dus niet om teelt in gebouwen. Gezien de eis in het Activiteitenbesluit wordt de voorwaarden voor een windcirkel en driftarme spuitdoppen verwijderd. Wijziging: Artikel 3.4.1 en dit artikel in de overige agrarische bestemmingen wordt als volgt gewijzigd: a. Als strijdig gebruik wordt in ieder geval aangemerkt: … 7.

het gebruik van gronden voor open teelten van sierplanten en bomen en boomgaarden, binnen een afstand van 30 m tot gevoelige functies voor gewasbeschermingsmiddelen, uitgezonderd en voor zover: • het bestaande en vervanging van bestaande open teelten van sierplaten en bomen betreft; • aangetoond is dat geen gebruik wordt gemaakt van gewasbeschermingsmiddelen; • het woon- en leefklimaat en/of het verblijfsklimaat voor bestrijdingsmiddelen gevoelige functies niet onevenredig wordt aangetast. Toevoegen aan artikel 1: “gevoelige functie voor gewasbeschermingsmiddelen: gronden en percelen waar geregeld en gedurende langere periode mensen kunnen verblijven of samenkomen zoals (bedrijfs)woningen, tuinen, erven, zorgfuncties en kampeerterreinen;” In paragraaf 2.7 van de toelichting wordt onderbouwd waarom de regeling inzake gewasbeschermingsmiddelen wordt opgenomen.

Zienswijze 39. Mijn zienswijze heeft betrekking op ons perceel Helvoirtsestraat 12, dat onderdeel uitmaakt van het ontwerpbestemmingsplan. Voor ons perceel is op 27 januari 2014 een wijzigingsplan vastgesteld. Uit het ontwerpbestemmingsplan begrijp ik dat het de bedoeling is dat oude bestemmingsplannen blijven gelden in combinatie met het nieuwe bestemmingsplan, maar geldt dat ook voor wijzigingsplannen die zijn vastgesteld op basis van het oude bestemmingsplan? Of komen de regels van het nieuwe bestemmingsplan in de plaats van de regels van het wijzigingsplan? Volgens mij is een bestemmingsplan bedoeld om duidelijkheid te bieden over wat waar wel of niet is toegestaan, maar het ontwerpbestemmingsplan biedt die duidelijkheid niet. Ik vraag u daarom om het bestemmingsplan niet op deze wijze vast te stellen maar om een nieuw ontwerp te maken waaruit wel duidelijk wordt wat de bedoeling is en om dat dan opnieuw ter inzage te leggen. Het vastgestelde wijzigingsplan Helvoirtsestraat 12 is al opgenomen in het ontwerpbestemmingsplan. Er bestaat dus geen gevaar dat aan het wijzigingsplan voorbij wordt gelopen. Wijziging: Geen.

Zienswijze 40. In dit ontwerp bestemmingsplan heeft de gemeente Haaren gekozen voor flexibiliteit en ruime ontwikkelingsmogelijkheden op agrarische percelen. De flexibiliteit heeft tot doel om ruime ontwikkelingsmogelijkheden te bieden om de leegstand van agrarische bebouwing te beperken. De belangrijkste documenten die basis zijn voor het bestemmingsplan zijn het Beleid Vrijkomende Agrarische Bebouwing en de beleidsregels in het afsprakenkader Kwaliteitsverbetering landschap gemeente Haaren. Dit beleid is eerder vastgesteld en wordt nu geïmplementeerd in dit bestemmingsplan, waardoor het een andere juridische status krijgt. Daarnaast zijn nieuwe regels toegevoegd in een aantal bestemmingen en zijn regels ten opzichte van het vigerende bestemmingsplan verruimd. Wij hebben daar bezwaar tegen, vanuit

Nota van zienswijzen en wijzigingen “Buitengebied Haaren, Herziening 2020” pag. 70

verder omschreven redenen. Wij vinden het daarom van belang om ten aanzien van bepaalde onderdelen een zienswijze tegen het ontwerp bestemmingsplan in te dienen. Wij hebben geconstateerd dat zowel het vigerende als nieuwe bestemmingsplan op diverse vlakken fors afwijkt van het bestemmingsplan 'Buitengebied 2011' van de gemeente Vught. In de zienswijze geven wij daarom de grote verschillen aan tussen de bestemmingsplannen Buitengebied van de gemeenten Haaren en Vught. Door deze verschillen in de bestemmingsplannen zal een rechtsongelijkheid ontstaan ten aanzien van alle inwoners en grondeigenaren van Vught, Cromvoirt en Helvoirt. Met het oog op deze rechtsongelijkheid die in 2021 bij de herindeling gaat ontstaan zou naar onze mening het onderhavige ontwerp bestemmingsplan moeten streven naar harmonisatie van het beleid. Hoewel ook de gemeente Vught in dit streven naar het eigen beleid zal kijken, leidt het nieuwe bestemmingsplan echter tot een vergroting van de verschillen. Aangezien wij het zuinig ruimtegebruik en het behoud en de bevordering van de uitzonderlijk hoge ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied van de beide gemeenten zien als een van de belangrijkste troeven van aantrekkelijkheid, vrezen wij met de voorgestane verruiming van de bestemmingsplanregels een verrommeling van het buitengebied.

De hiervoor genoemde rechtsongelijkheid is een zorg die ook wordt gedeeld door twee andere ontvangende gemeenten, namelijk Boxtel en Oisterwijk. Hieronder geven wij eerst de gezamenlijk gedeelde onderdelen weer. Vastgesteld kan worden dat beleid op veel terreinen binnen de gemeenten, niet congruent is. Dat valt niet te betreuren, het is een groot goed dat mensen de vrijheid hebben lokaal eigen keuzes te maken. De verschillen die ontstaan zijn inherent aan een herindeling en het gaat er dus niet om welk beleid dominant moet zijn. De wet arhi beschermt die democratische beginselen en regelt het proces hoe gemeentebesturen daarmee moeten omgaan bij een herindeling. Bij bestemmingsplannen is wettelijk bepaald dat die gewoon overkomen naar de ontvangende gemeenten, die, na de datum van herindeling en na de verkiezingen, kunnen kiezen welke lijn gevolgd dient te worden. Er mag van de gemeenteraad van Haaren niet verlangd worden om rechten van haar inwoners terzijde te schuiven voor beleid waarbij de Haarense inwoners op geen enkele wijze betrokken zijn geweest. De nu voorliggende herziening (actualisatie) is een vertaling van de wensen van die inwoners, die in een langlopend zorgvuldig openbaar proces, bottom up, tot stand is gekomen.

Wij zien door de herindeling geen verandering van die wensen ontstaan en roepen de ontvangende gemeenten op deze serieus te nemen en op zijn minst begrip te hebben voor een eigen kijk van de dorpen wat wenselijk en toelaatbaar is in de eigen woonomgeving. Dat lijkt ons een warm welkom. Wijziging: Geen. A Wijzigingsbevoegdheid vrijkomende agrarische bebouwingen sloopregeling Binnen de agrarische bestemmingen zijn wijzigingsbevoegdheden opgenomen voor vrijkomende agrarische bebouwing (VAB). Daarbij kan de bestemming worden gewijzigd in een woon- of bedrigsbestemining waarbij de oppervlakte van de bebouwing meer dan 200m2 mag bedragen. Deze wijzigingsbevoegdheid verwijst naar de Beleidsnotitie vrijkomende agrarische bebouwing en de beleidsregels Kwaliteitsverbetering landschap gemeente Haaren. Wij zijn uiteraard niet tegen het opnemen van mogelijkheden voor vrijkomende agrarische bebouwing, maar kunnen niet instemmen met het ruime aantal functies dat wordt toegestaan en de gehanteerde maatvoering voor bijgebouwen. Wij vinden het onwenselijk dat door de wijziging ruime gebruiksmogelijkheden kunnen ontstaan met een divers aantal functies. Deze functies zijn gebaseerd op de gehele handreiking 'Bedrijven en milieuzonering 2009'. De wijzigingsbevoegdheid maakt het mogelijk om bedrijven toe te staan die thuishoren op een bedrijventerrein.

Wij zijn van mening, dat de wijzigingsbevoegdheid afgebakend dient te worden qua type bedrijf, waarbij gekeken moet worden wat passend is binnen het landelijk gebied. Daarnaast hebben wij er bezwaar tegen dat het VAB-beleid expliciet onderdeel gaat uitmaken van het bestemmingsplan. De beleidsregels zijn dusdanig geformuleerd dat per geval met maatwerk wordt gekeken of en hoe de beoogde ontwikkeling past. Door deze beoordeling nu vast te leggen als wijzigingsbevoegdheid is dit niet meer mogelijk. Verder betekent deze keuze dat er bij een noodzakelijke wijziging van de beleidsregels (bijvoorbeeld gewijzigde landelijke regelgeving) een herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk is. Het implementeren van het VAB-beleid in het bestemmingsplan maakt het VAB-beleid zèlf minder flexibel omdat het bestemmingsplan ervoor moet worden aangepast. Er is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen voor het wijzigen van de agrarische bestemming naar

Nota van zienswijzen en wijzigingen “Buitengebied Haaren, Herziening 2020” pag. 71

wonen en bedrijf. Bij de wijzigingsbevoegdheid naar de bestemming 'Wonen' met een bijgebouw tot maximaal 200m2 is een maximale oppervlakte van het bestemmingsvlak opgenomen. Deze bepaling ontbreekt bij de overige wijzigingsbevoegdheden, waardoor zeer ruime bestemmingsvlakken voor wonen en bedrijf ontstaan. Naar onze mening is voor het omzetten van een VAB-locatie altijd maatwerk nodig, waardoor er een goede ruimtelijke afweging voor specifieke gevallen kan plaatsvinden. Paragraaf 2.2. van het VAB beleid geeft zelfs aan, dat aan de gemeenteraad kan worden verzocht om een herziening van het bestemmingsplan. In de regels is het opgenomen als een wijzigingsbevoegdheid. Dit is in strijd met het VAB beleid. Tenslotte maken wij bezwaar tegen de gehanteerde maatvoering van de bijgebouwen. Het bestemmingsplan biedt tevens de mogelijkheid, om bij wijziging van de agrarische bestemming ongelimiteerd bijgebouwen te laten staan. Dit is vastgelegd in de sloopregeling die aan het VABbeleid gekoppeld is en is opgenomen in afsprakenkader Kwaliteitsverbetering landschap. Daarin is bepaald, dat indien niet aan de sloopverplichting kan worden voldaan, een bijdrage moet worden gestort in het sloopfonds. Dit vinden wij onwenselijk, omdat daarmee de sloop van gebouwen kan worden afgekocht.

Om ongewenste bebouwing in het buitengebied te kunnen verwijderen, dient een striktere bepaling voorzien van een maatvoering te worden opgenomen om overtollige bebouwing te slopen. Er vindt geen verstening van het buitengebied plaats. Er kan namelijk geen enkele vierkante meter bebouwing bij komen. De wijzigingsbevoegdheid biedt uitsluitend mogelijkheden om onder voorwaarden het gebruik van bestaande gebouwen te wijzigen met daarbij een sloopverplichting. Het klopt dat de Regeling Kwaliteitsverbetering landschap gemeente Haaren voor die sloopverplichting ook de mogelijkheid biedt niet op de locatie zelf te slopen maar de sloopverplichting te voldoen middels een bijdrage in het sloopfonds. Om te voorkomen dat bij een actualisatie van dit afsprakenkader Kwaliteitsverbetering landschap gemeente Haaren ook een herziening van dit bestemmingsplan nodig is, is ruimte voor een beleidswijziging van deze regels opgenomen. Dit maakt dat straks de ontvangende gemeenten meer ruimte hebben hierin eigen keuzes te maken. Verder is de inpasbaarheid van een functie locatie afhankelijk. De opgenomen regeling biedt juist een uitgebreid beoordelingskader voor die inpasbaarheid. Niet alleen met bepalingen gericht op milieukundige, landschappelijke en verkeerskundige inpasbaarheid, maar ook op draagvlak in de omgeving en meerwaardetoets.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10540019/1