21-149 Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan buitengebied herziening 2020- toelichting- bijlage
Tekst van het document
Ten eerste stelt u hiermee dat het hobbymatig houden van dieren in het gehele plan strijdig is, door de koppeling met een afwijking van artikel 3.1 (de bestemmingsomschrijving), behoudens indien een omgevingsvergunning wordt verleend. Binnen uw gemeente worden op grote schaal hobbymatig dieren gehouden. Dit betreft enerzijds op landbouwgronden (bijvoorbeeld door middel van beweiding), maar anderzijds ook in huis (huisdieren) of in de privé bijgebouwen, of in overige gebouwen. Het is onduidelijk wat u nu wel of niet toestaat. Mogelijk onbedoeld, maakt u bestaand gebruik van de (bedrijfs)woning en 100 m2 bijbehorende bouwwerken bij de (bedrijfs)woning hierdoor ook strijdig, indien deze bebouwing gebruikt wordt voor het hobbymatig houden van dieren / vee. In deze bebouwing dient hobbymatig houden van dieren reeds helemaal niet ter discussie te staan en dient deze gewoon toegestaan te zijn. Hobbymatig houden van dieren is er in vele vormen. Het kan bijvoorbeeld betreffen wat kleinvee in een dierenweitje (geiten, kippen, een pony, alpaca’s, herten), paarden of pony’s, honden of katten, een volière met siervogels, een duiventil, bijen, of juist het houden van vee / landbouwhuisdieren (zoogkoeien, schapen e.d.). Het is onduidelijk wat uw gemeente nu dus rechtstreeks wel toestaat en wat dus juist niet.
Is, gelet op uw begripsbepaling ‘hobbymatig houden van dieren’, uw bedoeling dat dit enkel geldt voor het houden van vee, en dus niet voor het houden van overige dieren? Dan is het beter om ‘hobbymatig houden van dieren’ te wijzigen in ‘hobbymatig houden van vee’. Tevens is dan nog discussie wat daarbij valt onder het houden van ‘vee’. Daarnaast kan nog onderscheid worden gemaakt tussen het houden van dieren op landbouwgronden, of het houden van dieren in gebouwen. Voor het houden van dieren op landbouwgronden geldt dat dit valt onder beweiding. Wellicht is het daarom beter dat u aan de bestemmingsomschrijvingen toevoegt dat op deze agrarische bestemde gronden ook agrarische bodemexploitatie is toegestaan, waaronder beweiding. Hiermee staat u het gebruik van onbebouwde landbouwgronden voor het hobbymatig houden van dieren (weiden) in ieder geval toe. En dat vervolgens de voorgestelde regeling aanvullende bouwmogelijkheden biedt, voor 200 m2 extra aan bebouwing voor hobbymatig gebruikte stallen / gebouwen voor het houden van dieren. Dus dat een eventuele vergunningplicht enkel ziet op aanvullende mogelijkheden, waar het gaat om het bouwen van gebouwen.
(Waarbij het overigens gelet op administratieve lasten wenselijk is om dit rechtstreeks toe te staan, net als in het voorontwerpbestemmingsplan, en dit niet te koppelen aan een afwijkingsbevoegdheid.) Ten aanzien van de koppeling met stikstofdepositie en Natura 2000 kan nog het volgende worden gesteld. Commissie Remkes heeft de overheid geadviseerd aangaande o.a. beweiden. Hieruit volgt dat de provincies als uitgangspunt hanteren, overeenkomstig de bestuurlijke afspraken naar aanleiding van het advies van de Commissie Remkes over beweiden, dat geen Wnb-vergunningplicht geldt voor beweiden. Dit geldt voor alle diercategorieën. Het houden van dieren op landbouwgronden hoeft dus niet gekoppeld te worden aan het onderdeel stikstofdepositie. Tevens is in de werkafspraken vastgelegd dat hobbymatig gebruik, gelieerd aan woongebruik, niet hoeft te worden meegenomen in de diverse stikstofberekeningen. In de ‘Instructie gegevensinvoer voor AERIUS Calculator 2019A’, versie januari 2020, is bijvoorbeeld opgenomen dat voor woningen geen ammoniakemissie wordt meegenomen. Ook andersoortig woongebruik met eventuele stikstofemissies (gras maaien, hobbymatig gebruik auto’s, quads, motoren) wordt niet meegerekend in stikstofdepositie-berekeningen. Aangezien het hobbymatige activiteiten betreft, gaat het om niet noemenswaardige activiteiten. Deze activiteiten worden uitgezonderd
Nota van zienswijzen en wijzigingen “Buitengebied Haaren, Herziening 2020” pag. 45
van de stikstofregels. In uw artikel staat bovendien ‘stikstofemissie’ en ‘ammoniakemissie’, maar waar het een ruimtelijk belang betreft gaat het om ‘stikstofdepositie’. Ook dit klopt dus niet op deze wijze. (In uw nota van inspraak noemt u overigens ook ‘stikstofdepositie’.) De nu opgenomen regeling is onduidelijk, brengt rechtsonzekerheid met zich mee en is te verstrekkend. De nu opgenomen regeling zorgt bovendien voor aanzienlijke administratieve lasten en kosten voor een groot aantal van uw inwoners. Op nagenoeg ieder agrarisch erf is immers wel sprake van een vorm van hobbymatig houden van dieren. U wordt daarom ook verzocht om dit gebruik rechtstreeks mogelijk te maken, zonder toepassing van een afwijkingsbevoegdheid. Een vergelijkbare bepaling als in het voorontwerpbestemmingsplan was hierbij veel beter, dan dat nu is voorzien. U wordt verzocht deze regeling in haar geheel te herzien, vanuit het uitgangspunt van de oorspronkelijke bedoeling namelijk een verruiming bieden voor het hobbymatig houden van dieren. Tevens wordt u verzocht om een duidelijke regeling te bieden, waarbij indien noodzakelijk, een verduidelijkende toelichting wordt gegeven in de toelichting. Het hobbymatig houden van dieren is een al deccenia lang bestaande praktijk maar vraagt nu in het kader van de stikstofproblematiek aandacht in dit bestemmingsplan.
Het doel van dit regelen is dat het hobbymatig houden van dieren niet leidt tot een toename van de stikstofemissie ten opzichte van de feitelijke en planologisch legale situatie. Het hobbymatig houden van dieren valt onder de grens van een inrichting zoals genoemd in de Wet milieubeheer, waarvoor geen omgevingsvergunning of melding noodzakelijk is. Gericht op de doelstelling wordt nu een gebruiksbepaling opgenomen. Wijziging: De afwijkingsbevoegdheid voor het hobbymatig houden van dieren binnen de agrarische bestemmingen wordt geschrapt. Hiervoor in de plaats komt de volgende gebruiksbepaling: Het hobbymatig houden van dieren is toegestaan indien dit niet leidt tot een toename van de stikstofdepositie ten opzichte van de stikstofdepositie (mol/ha/jaar) van het ten tijde van de vaststelling van het plan feitelijke en planologisch legale situatie zoals die blijkt of kan worden afgeleid uit een vergunning als bedoeld in artikel 2.7 lid 2 van de Wet natuurbescherming, een omgevingsvergunning waarbij de toestemming op grond van artikel 2.7 van de Wet natuurbescherming is aangehaakt, welke zijn opgenomen in Bijlage 20 Overzicht vergunningen Wet natuurbescherming, dan wel een ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan geregistreerde melding als bedoeld in artikel 8 van de Regeling programmatische aanpak stikstof of, indien een vergunning/melding ontbreekt, de bestaande
planologisch legale activiteit en de daarbij behorende ammoniakemissie die ten hoogste feitelijk door die bestaande planologische legale activiteit wordt veroorzaakt. Deze wijziging wordt ook doorgevoerd in overige agrarische bestemmingen. De regeling voor paardenhouderijen is in het bestemmingsplan nog steeds onduidelijk. Bijvoorbeeld artikel 3.1, lid b, sub 4 is daarin verwarrend, aangezien deze nu lijkt te suggereren dat een paardenfokkerij alleen is toegestaan ter plaatse van de aanduiding ‘paardenhouderij’. In uw nota van inspraak wordt dit nu ook genoemd, maar dit is in strijd met de voorheen geldende planologische situatie. Het geldende bestemmingsplan werd voorheen zodanig uitgelegd (correspondentie is beschikbaar) dat een ‘paardenfokkerij’ ook valt onder een grondgebonden agrarisch bedrijf. Een paardenfokkerij is dus op elk agrarisch bouwvlak nu rechtstreeks toegestaan. Indien het een andersoortige paardenhouderij is (niet gericht op agrarische productie), dan is daarvoor een aanduiding ‘paardenhouderij’ benodigd. In de toelichting op uw herzieningsplan is benoemd dat binnen de agrarische bestemmingen ook paardenhouderijen zijn opgenomen, waarbij feitelijk een paardenhouderij geen agrarisch bedrijf is. Deze stelling is echter onjuist. Een paardenhouderij is een agrarisch bedrijf, afhankelijk van de bedrijfsvorm.
Een agrarisch bedrijf betreft een bedrijf gericht op het voortbrengen van producten door het telen van gewassen of door het houden van dieren. Een paardenfokkerij is evident een agrarisch bedrijf. Het betreft immers een bedrijf, gericht op het voortbrengen van producten (veulens), door het houden van dieren (fokmerries en eventueel hengsten). Ook het gelieerd hieraan opfokken, africhten en trainen is agrarisch, namelijk gericht op een waardevermeerdering van het agrarische product. Die ‘producten’ zijn in deze de paarden (of pony’s), die worden gefokt en door middel van africhting en training naar een hoger niveau worden gebracht, en daardoor in waarde worden vermeerderd. Africhting en training is bovendien noodzakelijk om de producten in waarde te vermeerderen. Immers het verkopen van jonge onopgeleide paarden levert bedrijfsmatig veel minder op (en staat niet in verhouding tot de gemaakte kosten), dan een goed opgeleid paard. Daarom zorgen deze bedrijven (fokkerijen en stoeterijen) ervoor dat zij (goed) getrainde paarden verkopen. Op
Nota van zienswijzen en wijzigingen “Buitengebied Haaren, Herziening 2020” pag. 46
locatie verrichten zij daarvoor de bedrijfsactiviteiten. Een paardenpensionstalling is daarbij echter duidelijk niet agrarisch, maar agrarisch verwant. Een pensionstalling brengt duidelijk geen producten voort, maar verleent diensten aan particulieren (dat zij hun paard daar kunnen stallen en berijden). In de begripsbepalingen is opgenomen: Paardenhouderij Het bedrijfsmatig, niet op agrarische productie gericht houden en stallen van paarden en pony’s, met als ondergeschikte nevenfunctie het fokken, africhten, trainen en berijden van paarden en pony’s. Met de nu doorgevoerde aanpassing van de regels lijkt het alsof een paardenfokkerij ook enkel is toegestaan, indien ook de aanduiding ‘paardenhouderij’ is toegekend. In het plan dient verduidelijkt (dan wel gewijzigd) te worden dat paardenfokkerijen (of wel agrarische, productiegerichte paardenhouderijen met fokken, opfokken, africhten en trainen) rechtstreeks zijn toegestaan (als zijnde een grondgebonden agrarisch bedrijf) en dat alleen ter plaatse van de aanduiding ‘paardenhouderij’ ook niet op agrarische productie gerichte paardenhouderijen (gebruiksgericht) zijn toegestaan. Indien u hebt bedoeld dat paardenfokkerijen alleen nog maar zijn toegestaan ter plaatse van de aanduiding ‘paardenhouderij’ (en indien u niet bereid bent om dit te wijzigen) dan perkt u de bestaande mogelijkheden van agrarische bouwvlakken in.
Dit kan en mag niet de bedoeling zijn, bezien vanuit bestaande rechten. Op grond van het bestemmingsplan is op ieder agrarisch bouwvlak een grondgebonden agrarisch bedrijf toegestaan. Een paardenfokkerij kan gezien worden als grondgebonden agrarisch bedrijf en is daarmee dus rechtstreeks toegestaan op een agrarisch bouwvlak. Het klopt daarom dat in de doeleindenomschrijving bij de agrarische bestemmingen: ter plaatse van de aanduiding 'paardenhouderij': een paardenhouderijbedrijf of een paardenfokkerij de toevoeging of een paardenfokkerij verwarrend is en niks toevoegd. Deze toevoeging wordt daarom geschrapt. Wijziging: In de doeleindenomschrijving bij de agrarische bestemmingen: ter plaatse van de aanduiding 'paardenhouderij': een paardenhouderijbedrijf of een paardenfokkerij de toevoeging of een paardenfokkerij wordt geschrapt. Aanvullend wil ik hierbij bovendien nog specifiek op reageren bezien vanuit de locatie Margrietweg 5 te Helvoirt. Op deze locatie is een bestaand agrarisch bouwvlak aanwezig, boomteelt en rundveehouderij. De locatie staat momenteel te koop. Voor deze locatie hebben zich intussen diverse kopers gemeld, die ter plaatse een paardenfokkerij willen vestigen.
Conform het geldende bestemmingsplan is een agrarische paardenhouderij (paardenfokkerij) nu ter plaatse rechtstreeks toegestaan (over deze locatie is bovendien gecorrespondeerd met gemeente om deze informatie te verkrijgen aangaande de verkoop). Indien u nu de voorgestelde verandering doorvoert, dan willen wij u verzoeken om tenminste ook de aanduiding ‘paardenhouderij’ toe te kennen aan Margrietweg 5 te Helvoirt. Hier is momenteel nu een agrarische paardenhouderij planologisch toegestaan en het is wenselijk dat dit behouden blijft. Zeker aangezien hiertoe concrete plannen zijn voor deze locatie. Het wijzigen van deze rechten is onevenredig. Op grond van het bestemmingsplan is op ieder agrarisch bouwvlak een grondgebonden agrarisch bedrijf toegestaan. Een paardenfokkerij kan gezien worden als grondgebonden agrarisch bedrijf en is daarmee dus rechtstreeks toegestaan op een agrarisch bouwvlak. Het klopt daarom dat in de doeleindenomschrijving bij de agrarische bestemmingen: ter plaatse van de aanduiding 'paardenhouderij': een paardenhouderijbedrijf of een paardenfokkerij de toevoeging of een paardenfokkerij verwarrend is en niks toevoegd. Deze toevoeging wordt daarom geschrapt.
Wijziging: In de doeleindenomschrijving bij de agrarische bestemmingen: ter plaatse van de aanduiding 'paardenhouderij': een paardenhouderijbedrijf of een paardenfokkerij de toevoeging of een paardenfokkerij wordt geschrapt. In het geldende bestemmingsplan is in de regels opgenomen dat als strijdig gebruik wordt aangemerkt het gebruik van gronden buiten het bouwvlak als paardenbakken. Binnen het bouwvlak mochten paardenbakken dus worden opgericht. Ook ten aanzien van paardenbakken heeft uw raad met de uitgangspunten van 20 september 2018 bedoeld om een verruiming te bieden in de mogelijkheden. Echter, in artikel 3.4.1 (strijdig gebruik) zijn de bepalingen nu gewijzigd, waarbij in artikel 3.4.1, sub a, lid 6 nu als strijdig gebruik is aangemerkt het gebruik van gronden als paardenbakken. Ook het oprichten van paardenbakken binnen de agrarische
Nota van zienswijzen en wijzigingen “Buitengebied Haaren, Herziening 2020” pag. 47
bouwvlakken wordt nu dus als strijdig gebruik aangemerkt. Dit betreft dus geen versoepeling, maar perkt de mogelijkheden juist in. Daarnaast zijn door deze wijziging van de regels diverse bestaande paardenbakken (onbedoeld?) onder het overgangsrecht gebracht. Het is niet wenselijk (en niet toegestaan) om deze legale voorzieningen onder het overgangsrecht te brengen. Tevens zorgt u er met deze wijze van bestemmen voor dat zelfs bij paardenhouderijen het strijdig is om binnen het bouwvlak een paardenbak op te richten. In artikel 3.5.1 heeft u vervolgens een afwijkingsbevoegdheid opgenomen, waarmee vergunning verleend kan worden voor een paardenbak. Bovengenoemde artikelen dienen echter aangepast te worden dat binnen een bouwvlak het rechtstreeks is toegestaan om een paardenbak op te richten en dat voor buiten de bouwvlakken de vergunningsmogelijkheid als bedoeld in artikel 3.5.1 wordt geboden. Hierdoor doet u recht aan de door u gestelde beleidsmatige uitgangspunten, namelijk het verruimen van de mogelijkheden. In artikel 4.4.1 a 3 is het nog wel correct opgenomen, namelijk dat het gebruik van gronden binnen het bouwvlak voor paardenbakken niet als strijdig gebruik wordt aangemerkt. Verzocht wordt om deze regels aan te passen, zodat paardenbakken binnen de (agrarische) bouwvlakken weer worden toegestaan.
Het klopt dat onterecht paardenbakken binnen het agrarisch bouwvlak zijn verboden. Bij de gebruiksbepalingen van de agrarische bestemmingen wordt daarom: het gebruik van de gronden als paardenbakken gewijzigd in het gebruik van de gronden buiten het bouwvlak als paardenbakken; Wijziging: Bij de gebruiksbepalingen van de agrarische bestemmingen wordt : het gebruik van de gronden als paardenbakken gewijzigd in het gebruik van de gronden buiten het bouwvlak als paardenbakken. In de enkelbestemming ‘Wonen’ is een bevoegdheid opgenomen om, onder voorwaarden, voor bijbehorende bouwwerken de oppervlakte te verruimen van 100 m2 naar 200 m2. Het is wenselijk om een dergelijke bevoegdheid ook op te nemen voor (agrarische) bedrijfswoningen. Binnen de agrarische bouwvlakken zitten meer dan voldoende bouwmogelijkheden voor bedrijfsbebouwing. Wijziging: Geen. Retentievoorzieningen zijn voorzieningen waar hemelwater tijdelijk kan worden vastgehouden om wateroverlast te voorkomen (en zodat deze ter plaatse normaliter vertraagd kan infiltreren). Dergelijke retentievoorzieningen zijn er in kunstmatige varianten (bijvoorbeeld waterbassins, silo’s, infiltratiekratten e.d.) en natuurlijke varianten (zoals een nieuw te graven sloot, poel of juist een retentielaagte (wadi)). In de strijdig gebruiksregels (o.a.
artikel 3.4.1, sub c) is opgenomen dat de aanleg van retentievoorzieningen en waterbassins uitsluitend is toegestaan binnen het bouwvlak. Deze regels zijn redelijk te achten waar het kunstmatige voorzieningen / bouwwerken betreft. Deze regels zijn echter onredelijk waar het betreft een natuurlijke voorziening (sloot, poel of retentielaagte). Deze retentievoorzieningen zijn namelijk prima in te passen in het landschap en vaak ook een meerwaarde wat betreft landschappelijke inpassing. Voorgesteld wordt daarom om aan deze bepaling toe te voegen dat retentievoorzieningen in het bouwvlak dienen te worden gerealiseerd, voor zover het bouwwerken betreft. In het aanlegvergunningenstelsel (omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken en/of werkzaamheden) is een omgevingsvergunning verplicht gesteld voor retentievoorzieningen. Uw gemeente loopt hierdoor geen risico’s, aangezien de retentievoorzieningen (die geen bouwwerken zijn) dan alsnog een toetsing ondergaan. Binnen de bouwvlakken is namelijk vaak geen ruimte voor sloten, vijvers of retentielaagtes, terwijl deze wel zeer waardevol zijn in hemelwateropvang en tevens positief zijn aangaande klimaatadaptatie e.d. Door vast te houden aan de bepaling dat deze voorzieningen in het bouwvlak moeten worden opgericht, zorgt dit voor onevenredige beperkingen.
In de nota van inspraak is opgenomen dat in de specifieke gebruiksregels de regel wordt verwijderd dat de aanleg van retentievoorzieningen uitsluitend binnen het bouwvlak is toegestaan. Deze aanpassing heeft u echter niet doorgevoerd in het ontwerpbestemmingsplan. Conform de Nota van inspraak worden de specifieke gebruiksregels in de agrarische bestemmingen aangepast door te verwijderen dat de aanleg van retentievoorzieningen uitsluitend binnen het bouwvlak is toegestaan, Wijziging:
Nota van zienswijzen en wijzigingen “Buitengebied Haaren, Herziening 2020” pag. 48
Artikel 3.4.1 onder c wordt als volgt aangepast: "Het plaatsen van retentievoorzieningen en waterbassins is uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak". Deze aanpassing wordt in ook doorgevoerd in de overige agrarische bestemmingen. Artikel 41.12 Overige zone – attentiezone waterhuishouding: in dit artikel ontbreken bepalingen over de toelaatbaarheid, dus wanneer een omgevingsvergunning kan worden verleend. Verzocht wordt om dit nog toe te voegen, overeenkomstig de overige bepalingen in artikel 41. Aan artikel 41.12 wordt een bepaling omtrent toelaatbaarheid toegevoegd waarin is opgenomen dat een omgevingsvergunning kan worden verleend indien de verwachten gevolgen geen onevenredige schade aanrichten aan de waterhuishouding en de hydrologische instandhoudingsdoelen van het hierbinnen gelegen Natuur Netwerk Brabant. Wijziging: Aan artikel 41.12 wordt lid 41.12.4 Toelaatbaarheid toegevoegd waarin is opgenomen dat een omgevingsvergunning kan worden verleend indien de verwachten gevolgen geen onevenredige schade aanrichten aan de waterhuishouding en de hydrologische instandhoudingsdoelen van het hierbinnen gelegen Natuur Netwerk Brabant. In een aantal plandelen zijn de verwijzingen naar de Interim omgevingsverordening NoordBrabant nog niet correct geactualiseerd. Het betreft o.a.: • Begripsbepaling ‘Natuur Netwerk Brabant’.
• Toelichting, paragraaf 2.2, dit betreft nog de kaarten en aanduidingen als van toepassing in de Verordening ruimte Noord-Brabant en niet de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. De definitie van de begrippen 'Natuur Netwerk Brabant' en 'Brabantse Zorgvuldigheidsscore veehouderij' wordt geactualiseerd. De verwijzing naar de Omgevingsverordening ruimte NoordBrabant in de planregels wordt tevens aangepast. In de toelichting worden de kaarten uit de Interim omgevingsverordening opgenomen. Wijziging: De definitie van het begrip Natuur Netwerk Brabant en het begrip Brabantse Zorgvuldigheidsscore veehouderij wordt aangepast, door te verwijzen naar de Interim omgevingsverordening NoordBrabant van de provincie Noord-Brabant of haar rechtsopvolger. Ook in artikel 3.5.8, 4.5.9, 5.5.8, 6.5.9 en 7.5.9 wordt een verwijzing naar de Interim omgevingsverordening opgenomen. In par. 2.2 van de toelichting worden de kaarten vervangen door zones uit de Interim omgevingsverordening. Uw gemeente heeft de begripsbepaling van plattelandswoning gewijzigd.
In de nieuwe situatie betreft dit: Plattelandswoning: Een woning, behorend tot of voorheen behorend tot een agrarisch bedrijf, die door een derde bewoond mag worden en wordt beschouwd als onderdeel van het agrarisch bedrijf; In deze begripsbepaling ontbreekt echter de essentie van waarvoor een plattelandswoning bedoeld is, namelijk dat die wat betreft milieugevolgen wordt gezien als onderdeel van het agrarische bedrijf en dat deze dus in de basis daartegen ook niet wordt beschermd (jurisprudentie daargelaten). Dit mede om te voorkomen dat het bedrijf beperkt wordt door de plattelandswoning. De nu gebruikte begripsbepaling doet hier dus geen recht aan. Een beter passende begripsbepaling is bijvoorbeeld: Plattelandswoning: een bedrijfswoning, behorend tot of voorheen behorend tot een agrarisch bedrijf, die – naast het gebruik als bedrijfswoning voor het agrarische bedrijf waarbij de woning hoort – tevens door derden (die geen functionele binding hebben met het agrarisch bedrijf ter plaatse, zoals burgers) bewoond mag worden, en wordt met betrekking tot die landbouwinrichting voor de toepassing van de diverse wetgeving en de daarop berustende bepalingen beschouwd als onderdeel van die inrichting (en wordt dus niet beschermd tegen milieugevolgen van het bijbehorende bedrijf), tenzij bij of krachtens de wetgeving anders is bepaald.
Verzocht wordt om recht te doen aan de bedoelingen van de ‘Wet plattelandswoningen’ en hiervoor een passende regeling op te nemen. Het uitgangspunt van deze herziening van het bestemmingsplan is een binnenplanse afwijkingsbevoegdheid op te nemen op basis waarvan een in te dienen verzoek kan worden gewogen. Het daarbij opgenomen toetsingskader is overgenomen van het geldend Beleid Plattelandswoning gemeente Haaren waarin de gemeenteraad voor deze aanscherping heeft gekozen. Wijziging: Geen.
Nota van zienswijzen en wijzigingen “Buitengebied Haaren, Herziening 2020” pag. 49
Uw gemeente heeft ervoor gekozen om een begripsbepaling toe te voegen voor gebouwgebonden teeltbedrijf en -kwekerij. Deze begripsbepaling betreft: Gebouwgebonden teeltbedrijf en –kwekerij Teelt en kweek van gewassen en dieren die alleen in een gebouw plaatsvindt, zoals champignonteeltbedrijven, witlofkwekerijen, viskwekerijen, wormenkwekerijen en insectenkwekerijen; Deze begripsbepaling is nu onvoldoende duidelijk. Immers een glastuinbouwbedrijf is ook gericht op de teelt van gewassen die alleen in een gebouw plaatsvindt. Een intensieve veehouderij is ook een kweek van dieren alleen in een gebouw (stallen). Opgenomen dient te worden dat hiermee niet wordt bedoeld een glastuinbouwbedrijf, of een intensieve veehouderij. Wellicht kan dit door bij gebouw toe te voegen dat hiermee niet wordt bedoeld kassen of stallen. Het klopt dat met gebouwgebonden teeltbedrijf en -kwekerij geen intensieve veehouderij of glastuinbouwbedrijf wordt bedoeld. Dit wordt daarom verduidelijkt in de begripsbepaling. Wijziging: De definitie van het begrip 'gebouwgebonden teelbedrijf en -kwekerij' wordt als volgt gewijzigd: "teelt en kweek van gewassen en dieren die alleen in een gebouw plaatsvindt, zoals champignonteeltbedrijven, witlofkwekerijen, viskwekerijen, wormenkwekerijen en insectenkwekerijen, niet zijnde een intensieve veehouderij of glastuinbouwbedrijf;".
Begripsbepaling ‘duurzame energie’ In deze begripsbepaling moet nog de laatste bijzin worden verwijderd ‘Hieronder worden geen voorzieningen begrepen;’ Het klopt dat in de begripsbelaing de laatste bijzijn niet van toepassing is. Deze wordt daarom verwijderd. Wijziging: In de begripsbepaling bij ''duurzame energie' wordt de laatste bijzin ''Hieronder worden geen voorzieningen begrepen" verwijderd. In artikel 39.2 worden bouwmogelijkheden geboden voor ondergronds bouwen. Echter in de wijze van meten (artikel 2) ontbreekt een bepaling hoe de verticale diepte gemeten moet worden. Dit heeft bij de uitwerking bij plannen in uw gemeente in het verleden voor onduidelijkheid gezorgd. Verzocht wordt dan ook om een passende meetbepaling hiervoor op te nemen. Om onduidelijkheid te voorkomen wordt aan de wijze van meten een bepaling voor het meten van de ondergrondse verticale bouwdiepte van een bouwwerk toegevoegd. Wijziging: Aan artikel 2 wordt toegevoegd: "ondergronds (verticale) bouwdiepte van een bouwwerk: vanaf het peil tot de afgewerkte vloer van het ondergrondse (deel van het) bouwwerk." • De wijziging van ‘boomteeltontwikkelingsgebied’ naar ‘overige zone – boomteeltontwikkelingsgebied’ is niet genoemd in artikel 45 en daardoor juridisch onzeker. Ook is deze wijziging nu niet gekoppeld aan de aanduiding ‘overige zone – ambtshalve wijziging’. Dit dient hersteld te worden.
• Bovengenoemde geldt bovendien voor de wijziging van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch met waarden – struweelvogelgebied’. De naamgeving van de gebiedsaanduiding 'boomteeltonwikkelingsgebied' is gewijzigd. Dit geldt ook voor de functieaanduiding 'specifieke vorm van agrarisch met waarden - struweelvogels'. Dit wordt in artikel 45 vermeld. Wijziging: Aan artikel 45.1 onder b wordt toegevoegd: 'overige zone - boomteeltontwikkelingsgebied' en 'specifieke vorm van agrarisch met waarden - struweelvogelgebied'. Onder e wordt toegevoegd: 'boomteeltontwikkelingsgebied' en 'specifieke vorm van agrarisch met waarden - struweelvogels'. In diverse wijzigingsbevoegdheden dient opgenomen te worden dat naast de nieuwe bestemming de overige gronden een gebiedsbestemming krijgen conform de omliggende gronden (zoals in 3.7.7 c). Een dergelijke bepaling ontbreekt in diverse wijzigingsbevoegdheden. Daarmee wordt het formeel juridisch onmogelijk gemaakt om een
Nota van zienswijzen en wijzigingen “Buitengebied Haaren, Herziening 2020” pag. 50
bouwperceel te verkleinen en de overige gronden een agrarische bestemming toe te kennen. Verzocht wordt om alle wijzigingsbevoegdheden, waar van toepassing, hierop aan te vullen. Het klopt dat de laatste zinsnede zoals opgenomen in artikel 3.7.7 onder c ook opgenomen dient te worden in een aantal andere wijzigingsbevoegdheden. Dit wordt aangepast in de regels. Wijziging: In de wijzingsbevoegdheden naar een nieuwe bestemming wordt toegevoegd dat overige gronden een gebiedsbestemming krijgen conform de omliggende gronden. In artikel 3.7.14 zit nog een typefout in de functieaanduiding. In het kader van rechtszekerheid wordt verzocht om dit te wijzigen. De typefout in artikel 3.7.14 wordt hersteld. Wijziging: In artikel 3.7.14 onder b wordt de typefout in de aanduiding 'specifieke vorm van agrarischv veehouderij' hersteld. Binnen de enkelbestemming ‘Bedrijf’ is in artikel 8.3.1 een afwijkingsbevoegdheid opgenomen waarmee een omgevingsvergunning kan worden verkregen om de oppervlakte aan bedrijfsgebouwen uit te breiden. Hierbij is in lid f opgenomen dat ter plaatse van de aanduiding ‘overige zone – kern landelijk gebied’ het bouwperceel niet meer mag bedragen dan 5.000 m2. Dit lid dient echter verwijderd te worden. Deze afwijkingsbevoegdheid ziet op het binnen eenzelfde bestemmingsvlak bouwen van bedrijfsgebouwen.
Het bouwperceel blijft daarbij ongewijzigd behouden (nog daargelaten wat daarvan de bestaande omvang is). Dit lid is dan ook een loze bepaling in dit artikel, gelet op de doelstelling. Klopt. Wordt aangepast. Wijziging: Binnen de enkelbestemming ‘Bedrijf’ in artikel 8.3.1 wordt lid f verwijderd. 41.7 Overige zone – Natuur Netwerk Brabant ecologische verbindingszone Ten eerste worden in dit artikel meerdere schrijfwijzen gebruikt van deze aanduiding. Verzocht wordt om dit consistent te maken. De naamgeving van de gebiedsaanduiding wordt aangepast, waardoor deze consistent wordt. Wijziging: In artikel 41.7 wordt de naamgeving van de gebiedsaanduiding gecorrigeerd naar 'overige zone Natuur Netwerk Brabant ecologische verbindindszone'. Tevens dient in artikel 41.7.4 bij de uitzonderingen opgenomen te worden daar waar het gaat om werken die verricht worden binnen een bouwvlak. Dit klopt, de genoemde uitzondering wordt toegevoegd aan artikel 41.7.4. Wijziging: Aan artikel 41.7.4 wordt toegevoegd: "c. binnen een bouwvlak worden uitgevoerd." In artikel 41.9.3 dient bij de uitzonderingen op de vergunningplicht aanvullend te worden toegevoegd, daar waar het gaat om werken of werkzaamheden die verricht worden binnen een bouwvlak. Dit klopt, de genoemde uitzondering wordt toegevoegd aan artikel 41.9.3.
Wijziging: Aan artikel 41.9.3 wordt toegevoegd "en werken en werkzaamheden die binnen een bouwvlak worden uitgevoerd.". De aanduiding ‘overige zone – cultuurhistorisch vlak’ is in het ontwerpbestemmingsplan opgenomen ter bescherming van de cultuurhistorisch waardevolle gebieden, zoals de Belversche Akkers of Kerkeind. De Interim omgevingsverordening Noord-Brabant bepaald dat een bestemmingsplan ter plaatse van deze aanduiding mede is gericht op behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de cultuurhistorische waarden en kenmerken. Echter, met de
Nota van zienswijzen en wijzigingen “Buitengebied Haaren, Herziening 2020” pag. 51
huidig gekozen regeling zorgt u voor een inperking van bestaande bouwrechten en mogelijkheden. Bijvoorbeeld ter plaatse van de gehele Belversche Akkers is deze functieaanduiding opgenomen. In dit gebied zijn vele agrarische bouwvlakken en overige bestemmingsvlakken (bijvoorbeeld ‘Wonen’, ‘Gemengd – 2’, ‘Bedrijf’) aanwezig. Door de gekozen regeling in artikel 41.11.2 dient elk bouwplan getoetst te worden aan de cultuurhistorische waarden. Ook indien dit bouwplan rechtmatig gerealiseerd wordt binnen bestaande bouwvlakken en bestemmingsvlakken. Dit is onevenredig en te verstrekkend. • In artikel 41.11.2 dient daarom een uitzondering te worden opgenomen dat dit niet geldt voor het bouwen van bouwwerken binnen een bouwvlak / bouwperceel / bedrijfsmatig bestemmingsvlak, bestemmingsvlak ‘Wonen’, ‘Bedrijf’, ‘Gemengd – 2’. Het gaat binnen deze bouwvlakken / bestemmingsvlakken immers om verworven bouwrechten. De bepaling in artikel 41.11.2 beperkt de bestaande bouwrechten. Het artikel wordt gewijzigd. Wijziging: Artikel 41.11.2 wordt als volgt gewijzigd: "a.
Een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk, zoals bedoeld in artikel 2.1, eerste lid onder a Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, kan slechts worden verleend indien de verwachten gevolgen geen onevenredige schade aanrichten aan de wezenlijke cultuurhistorische waarden en kenmerken van het betreffende gebied, zoals opgenomen in de Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie Noord-Brabant. b. Het bepaalde onder a geldt niet voor het bouwen van bouwwerken binnen een bouwvlak. c. Het bepaalde onder a geldt niet voor het bouwen van bouwwerken op een bouwperceel binnen een bestemmingsvlak waar geen sprake is van een bouwvlak. In artikel 41.11.4 dient een uitzondering opgenomen te worden voor werken of werkzaamheden die worden verricht binnen een bouwvlak. Dit klopt, de genoemde uitzondering wordt toegevoegd aan artikel 41.11.4. Wijziging: Aan artikel 41.11.4 wordt toegevoegd "en werken en werkzaamheden die binnen een bouwvlak worden uitgevoerd.". In artikel 41.11.3 is het wenselijk om te verduidelijken dat bij het aanplanten (of verwijderen) van opgaande begroeiing niet wordt bedoeld boomteelt. In het aangeduide gebied zijn immers diverse bestaande boomteeltpercelen aanwezig. Voorkomen moet worden dat bestaande teelten niet meer zijn toegestaan. Deze bestaande teelten (landerijen) zorgen bovendien mede voor de aanwezige cultuurhistorische waarden.
Om te voorkomen dat boomteelt ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - cultuurhistorisch vlak' niet meer is toegestaan wordt deze uitgezonderd op de vergunningplicht in artikel 41.11.3. Wijziging: Aan artikel 41.11.3 onder a en d wordt toegevoegd: ", niet zijnde boomteelt". In artikel 42.5 is de afwijkingsbevoegdheid opgenomen waarmee vergunning kan worden verleend voor tijdelijke huisvesting van seizoenwerknemers van een agrarisch bedrijf. In dat artikel is o.a. opgenomen dat huisvesting mag plaatsvinden ‘in daartoe verbouwde bedrijfsgebouwen’. Hierbij kan de discussie ontstaan of daarmee bijvoorbeeld ook nieuwbouw ten behoeve van huisvesting is toegestaan, of dat het moet gaan om bestaande bedrijfsgebouwen die verbouwd worden. Soms kan er op locaties een verbeterde kwaliteit van huisvesting worden gerealiseerd door nieuw te bouwen, specifiek ten behoeve van de huisvesting. Of door bij nieuwbouw van een loods, tevens direct een ruimte voor huisvesting te reserveren. Het verzoek is dan ook om die duidelijkheid in de regeling te bieden, zodat ook directe nieuwbouw voor huisvesting is toegestaan. Dit is in het belang van een adequate kwalitatieve huisvesting van seizoenwerknemers binnen uw gemeente. De aangehaalde afwijkingsregeling is geen onderdeel van de bestemmingsplanherziening. Wijziging: Geen.
Voorgaand zijn diverse zienswijzen toegelicht, waarbij bijvoorbeeld voorbeelden zijn gegeven. Voor de agrarische enkelbestemmingen is dit met name gericht op artikel 3. Deze punten zijn
Nota van zienswijzen en wijzigingen “Buitengebied Haaren, Herziening 2020” pag. 52
echter vergelijkbaar van toepassing voor de overige agrarische enkelbestemmingen (artikel 3 t/m 7). Waar deze zienswijze dus inhoudelijk ook van toepassing is op de overige bestemmingen of de overige delen van het bestemmingsplan, dan wordt geacht ook op die onderdelen en bestemmingen deze zienswijze gegeven te zijn. U wordt daarom verzocht om de eventuele aanpassingen ook in de overige bestemmingen door te voeren. Waar sprake is van een wijziging in een enkelbestemming, wordt deze waar nodig doorgevoerd in de rest van de planregels. Wijziging: Geen. Aan Berktweg 3 te Haaren is een agrarisch bedrijf gevestigd, zijnde een glastuinbouwbedrijf. Te midden van de bestaande bedrijfsvoering (tussen de bestaande bedrijfsgebouwen en ter plaatse van bestaande erfverharding) is een enkelbestemming ‘Water’ opgenomen. Deze enkelbestemming correspondeerde met een voorheen aanwezige sloot. Deze sloot is gedempt na een door Waterschap De Dommel verleende watervergunning (zie bijgevoegde bijlage). Deze watervergunning is verleend d.d. 7 mei 2012 onder kenmerk U13475. Ter plaatse van deze voormalige watergang is door uw gemeente bovendien een omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van o.a. een bedrijfsloods. De enkelbestemming ‘Water’ ligt nu door het bouwvlak heen (wat conform SVBP niet eens kan).
Gelet op het bovenstaande wordt verzocht om de enkelbestemming ‘Water’ hier te verwijderen. (Conform uw juridisch gekozen systematiek dient vervolgens ook aanvullend gekozen te worden voor de aanduiding ‘overige zone – ambtshalve wijziging’.) Dit klopt. De verbeelding wordt aangepast. Wijziging: De strook water wordt omgezet naar Agrarisch. Ook de aanduiding glastuinbouw wordt ook aangepast zodat deze op het volledig bouwvlak ligt. Op locatie wordt een glastuinbouwbedrijf geëxploiteerd. In de kas is een gedeelte ingericht voor het kweken van algen (conform omgevingsvergunning als door uw gemeente verleend d.d. 24 januari 2017, kenmerk UV26709). In uw regels is het gebruik van locaties voor ‘gebouwgebonden teeltbedrijf en -kwekerij’ nu als strijdig gebruik aangemerkt, waarbij een omgevingsvergunning dient te worden verkregen om dergelijke bedrijfsactiviteiten te kunnen toestaan. In het vast te stellen bestemmingsplan dient in ieder geval verzekerd te zijn dat deze bestaande activiteit algenkwekerij blijvend wordt toegestaan. Ons inziens valt dit onder glastuinbouwbedrijf (het telen van gewassen in een kas). U kunt hierbij bijvoorbeeld dus bepalen dat onder gebouwgebonden teeltbedrijf en -kwekerij in ieder geval niet wordt verstaan het telen van gewassen in kassen (glastuinbouw). Het klopt dat met gebouwgebonden teeltbedrijf en -kwekerij geen glastuinbouwbedrijf wordt bedoeld.
Dit wordt daarom verduidelijkt in de begripsbepaling. Wijziging: De definitie van het begrip 'gebouwgebonden teelbedrijf en -kwekerij' wordt als volgt gewijzigd: "teelt en kweek van gewassen en dieren die alleen in een gebouw plaatsvindt, zoals champignonteeltbedrijven, witlofkwekerijen, viskwekerijen, wormenkwekerijen en insectenkwekerijen, niet zijnde een intensieve veehouderij of glastuinbouwbedrijf;".
Zienswijze 32. Het vigerende bestemmingsplan voor Oisterwijksedreef 4a te Haaren bestaat uit een combinatie van de bestemmingsplannen ‘Buitengebied Haaren’ (vastgesteld d.d. 9 juli 2009), ‘Buitengebied Haaren, correctieve herziening’ en ‘Buitengebied, herziening 2014’ (beiden vastgesteld d.d. 11 september 2014). In het bestemmingsplan ‘Buitengebied Haaren’ is aan de locatie een bouwvlak binnen de enkelbestemming ‘Agrarisch’ toegekend. Het zuidelijk / zuidwestelijk deel van het bouwvlak heeft daarbij aanvullend nog de dubbelbestemming ‘Leiding’ toegekend gekregen. Dit wegens een tweetal leidingen van de N.V. Rotterdam-Rijn Pijpleiding Maatschappij. Met het bestemmingsplan ‘Buitengebied, herziening 2014’ is de verbeelding aangepast voor deze leidingzone. Hier is de gebiedsaanduiding ‘veiligheidszone – leiding’ toegekend. Verder is op 5 m aan weerszijden van de leidingen de dubbelbestemming Nota van zienswijzen en wijzigingen “Buitengebied Haaren, Herziening 2020” pag. 53
‘Leiding – Brandstof’ opgenomen. Deze wijziging is, blijkens de toelichting van dit bestemmingsplan, doorgevoerd aangezien er sprake was van een wijziging in de wetgeving met betrekking tot de Rotterdam-Rijn Pijpleiding. Er is sprake van een belemmerende strook van 5 m aan weerszijden van de leiding. Daarnaast is er sprake van een veiligheidszone van 48,2 meter voor de 36”-leiding en 40,6 meter vanaf de 24”-leiding. Met deze planaanpassing was enkel een wijziging in het juridisch-planologische regime voor de bescherming van de leidingen beoogd. Onbedoeld is echter, door het ontbreken van het onderliggende bouwvlak van Oisterwijksedreef 4a, het bestaande bouwvlak gedeeltelijk wegbestemd. Deze omissie dient hersteld te worden. In het ontwerpbestemmingsplan ‘Buitengebied, herziening 2020’ is het bouwvlak weer in haar geheel op de verbeelding ingetekend. Echter, conform de gekozen juridische plansystematiek (in artikel 45.1 van toepassing verklaring) blijven de vigerende verbeeldingen gelden, behoudens indien één van de situaties als bedoeld in lid a t/m e van toepassing is. Lid b t/m e betreft daarbij toevoegingen of verwijderingen. Om in onderhavige situatie het bouwvlak weer rechtskracht te laten verkrijgen dient gebruik te worden gemaakt van de situatie als opgenomen in lid a.
Aan de locatie dient hiervoor de aanduiding ‘overige zone – ambtshalve wijziging’ toegekend te worden. Namens cliënt wil ik u verzoeken om de juridisch-planologische regeling zodanig vast te stellen dat het bouwvlak hier weer hersteld wordt. Dit klopt, t.o.v. de herziening 2014 is het bouwvlak (weer) toegevoegd. Op de verbeelding wordt de overige zone - ambtshalve wijziging opgenomen op het bouwvlak Wijziging: De verbeelding wordt gewijzigd, de aanduiding 'overige zone - ambtshalve wijziging' wordt toegevoegd voor de locatie Oisterwijksedreef 4a Haaren.
Zienswijze 33. Nabij de Ruijsbossche Waterloop is een ecologische verbindingszone voorzien en derhalve als zodanig aangeduid. Mijn cliënten beschikken over een geldend bouwvlak die aan de noordzijde de begrenzing vormt van de aangeduide ecologische verbindingszone. Zoals bij uw gemeente bekend hebben zij ontwikkelplannen voor het oprichten van een foliekas. Hiertoe is op 21 januari 2020 een positief principebesluit genomen onder zaaknummer Z51820. Op dit moment is het opstellen van de aanvraagdocumenten voor de ruimtelijke procedure in voorbereiding (uitvoeren benodigde onderzoeken e.d.). In de aangeduide ecologische verbindingszone zit nu echter nog een vreemd hoekje opgenomen, dat langs het bouwvlak naar beneden gaat. Op navolgend afbeelding is dit hoekje groen omkaderd weergegeven. Met het voorgenomen ruimtelijke plan is, zoals bij uw gemeente bekend, doelstelling om het bouwvlak te vergroten ten behoeve van de voorgenomen foliekas. U wordt daarom verzocht om dit hoekje met de aanduiding ecologische verbindingszone uit de verbeelding te verwijderen. Door deze aanduiding parallel vanaf het bouwvlak door te trekken is dit minimale hoekje zekerheidshalve geen belemmering meer voor het voorgenomen bouwplan. De voorgenomen kas kan dan tot aan de rand van het huidige bouwvlak worden gerealiseerd, waarbij deze in noordoostelijke richting recht wordt doorgetrokken.
Dit is tevens inzichtelijk gemaakt op navolgend bijgevoegde afbeelding. Bovenstaande (de gewenste aanpassing) geldt voor de volgende aanduidingen: • Overige zone – behoud en herstel watersystemen; • Overige zone – Natuur Netwerk Brabant ecologische verbindingszone. De aangegeven wens kan worden afgewogen en eventueel met instemming van de provincie en het waterschap worden verwerkt in de daar al voor lopende partiële bestemmingsplanherziening. Wijziging: Geen. Spuitzones gewasbeschermingsmiddelen Zoals in de inleiding toegelicht en zoals bij uw gemeente bekend exploiteren cliënten een tuinplantenkwekerij. In dat kader telen cliënten tuinplanten (o.a. laurieren) op diverse landbouwgronden binnen uw gemeente. In het ontwerpbestemmingsplan is door uw gemeente nu een regeling opgenomen aangaande spuitzones gewasbeschermingsmiddelen. De cliënten verzoeken u om de agrarische gevestigde belangen in acht te nemen en in dat kader de regeling te herzien, dan wel te verduidelijken. Ten aanzien van spuitzones
Nota van zienswijzen en wijzigingen “Buitengebied Haaren, Herziening 2020” pag. 54
gewasbeschermingsmiddelen is door uw gemeente navolgende gebruiksbepaling opgenomen (en vergelijkbaar in diverse andere artikelen): 3.4.1 Strijdig gebruik a. Als strijdig gebruik wordt in ieder geval aangemerkt: [….] 7. het gebruik van gronden voor fruitteelt en boomgaarden binnen een afstand van 50 m tot (bedrijfs)woningen inclusief tuinen en erven, sport- en recreatievoorzieningen en maatschappelijke voorzieningen, uitgezonderd en voor zover: • aangetoond is dat geen gebruik wordt gemaakt van gewasbeschermingsmiddelen, dan indien gewasbestrijdingsmiddelen worden toegepast wordt voorzien in een windcirkel en gebruik wordt gemaakt van driftarme spuitdoppen; • het woon- en leefklimaat en/of het verblijfsklimaat voor bestrijdingsmiddelen gevoelige functies niet onevenredig wordt aangetast. In de regels is nu dus generiek een bepaling opgenomen met een zone van 50 meter rondom gevoelige objecten. Het is daarbij bovendien onduidelijk tot hoe ver deze beperkingen reiken, aangezien de afstand geldt tot woningen, tuinen, erven, sport- en recreatievoorzieningen e.d. Het is dus niet gekoppeld aan specifieke enkelbestemmingen, maar tot allerlei voorzieningen. Onduidelijk is hoe ver de bijbehorende begrenzing hierbij reikt. Dit is rechtsonzeker.
(Letterlijk te lezen zou een dergelijke beperking bovendien zelfs kunnen gelden tot de eigen bedrijfswoning, wat uiteraard niet van toepassing mag zijn.) Daarnaast zorgt deze bepaling voor onevenredige beperkingen in de bedrijfsvoering van agrarische bedrijven. In de toelichting is bovendien niet opgenomen waarom deze regeling is toegevoegd. Tevens dient door u onderzocht en onderbouwd te worden of dit rechtmatig is wat betreft bestaande belangen. Het is niet zo maar mogelijk om rechtmatig gebruik van gronden voor fruitteelt en boomgaarden onder het overgangsrecht te brengen. In ieder geval dient een uitzondering opgenomen te worden voor bestaand gebruik. In het plan is nu onvoldoende onderbouwd waarom dergelijke volksgezondheidsrisico’s worden aangenomen en dat het daarmee rechtmatig is om bestaande telers in hun rechten te beperken. Vaste jurisprudentie toont aan dat onderbouwd moet worden waarom dit rechtmatig wordt geacht, waarbij alle belangen dienen te worden afgewogen. In geen enkele wettelijke regeling zijn afstanden vastgelegd die in acht moeten worden genomen voor spuitzones tussen gevoelige functies en percelen met open teelt waarop gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt. Hiervoor dient dus een ruimtelijke afweging te worden gemaakt, waarbij in beginsel in de praktijk wordt uitgegaan van 50 meter als vuistregel.
Deze 50 meter heeft echter geen verdere wetenschappelijke basis. Het Activiteitenbesluit milieubeheer, in combinatie met de Activiteitenregeling milieubeheer, bevat de regels voor de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen op open teelten (paragraaf 3.5.3 Abm). Hierbij wordt zoveel mogelijk driftarme apparatuur voorgeschreven. Sinds 1 januari 2018 geldt hierbij een minimale vereiste driftreductie van 75% (artikel 3.78a Abm) ten opzichte van de referentietechniek. Blijkens het rapport ‘Driftblootstelling van omstanders en omwonenden door boomgaard bespuitingen’, Wageningen UR, rapport 609, mei 2015, kan door de wettelijk voorgeschreven driftreductie van 75% (DRT 75), de aan te houden afstand (in een open veld toestand) reeds verkleind worden tot 30 meter (in plaats van 50 meter). Dit WUR-rapport gaat overigens uit van het meest toxische middel in de fruitteelt (‘Captan’) en is daarbij ‘worst case’ voor alle andere middelen. Aangezien de driftreductie van 75% wettelijk is vastgelegd, kan de genoemde 50 meter in artikel 3.4.1 dus reeds in ieder geval worden verkleind tot 30 meter. Verder dient te worden opgenomen dat dit enkel geldt voor open teelten en dus niet voor dergelijke teelten in gebouwen (bijvoorbeeld in kassen).
Tevens dient ons inziens een uitzondering te worden gemaakt dat een dergelijke zone in ieder geval niet geldt voor fruitteelt en boomgaarden binnen agrarische bouwvlakken of binnen de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – teeltondersteunende voorzieningen’. Hier zijn immers rechtmatig, of met procedures verkregen, bestaande teelten en teeltondersteunende voorzieningen toegestaan. Anders kan mogelijk onbedoeld de situatie ontstaan dat bijvoorbeeld rechtmatig aanwezige teeltstellingen of containervelden binnen 50 meter vanaf woningen niet meer gebruikt mogen worden. Dit is onwenselijk en raakt agrarische ondernemers in bestaande rechten. Tevens is onduidelijk wat bedoeld wordt met een windcirkel? Worden hier windhagen bedoeld? Tevens is onduidelijk wat bedoeld wordt met driftarme doppen (en hoe driftarm die dan moeten zijn?). Het Activiteitenbesluit schrijft namelijk reeds minimaal 75% driftreductie voor, dus alle teelten vinden plaats met driftarme doppen.
Nota van zienswijzen en wijzigingen “Buitengebied Haaren, Herziening 2020” pag. 55
En verder dient verduidelijkt te worden wat bedoeld wordt met ‘boomgaarden’. Dit is nu namelijk niet gedefinieerd. Blijkens de Dikke Van Dale betreft dit een stuk grond beplant met (hoge / opgaande) vruchtbomen (bijvoorbeeld fruit- of notenbomen). Dit is dus in ieder geval niet gericht op overige boomkwekerijpercelen met tuinplantenkwekerijen en lage boomteelt. Cliënten verzoeken u om ook te bevestigen dat dit in ieder geval inderdaad niet geldt voor tuinplantenkwekerijen en lage boomteelt. Gelet op de onderzoeken die er zijn omtrent driftblootstelling (zie o.a. het voornoemde WUR-rapport) dient dit enkel te gaan of om fruitboomgaarden, of om boomgaarden voor de opgaande teelt van laanbomen. Lage neerwaartse bespuitingen bij de reguliere boomteelt (tuinplanten, coniferen, buxussen, heesters e.d.) dienen in ieder geval uitgezonderd te worden van deze bepalingen. Door de spuittechniek (neerwaarts gericht) en de lage teelt is er geen sprake van risico’s voor omwonenden. Bovendien is er sprake van een groot aantal van dit type bestaande boomkwekerijteelten in uw gemeente, waarbij uw gemeente zich bovendien mede profileert als boomkwekerij-gemeente. Het kan en mag niet zo zijn dat u met deze bepalingen uw bestaande telers, die een zeer groot grondgebied binnen uw gemeente in gebruik hebben, raakt in de bedrijfsmatige rechten en mogelijkheden.
Dit heeft bovendien grote consequenties voor de waardes van gronden. De nu opgenomen regeling voor spuitzones is onduidelijk, rechtsonzeker, te verstrekkend en onevenredig gelet op de belangen van de (boom)telers in uw gemeente. Gevoelige functies zijn plaatsen waar regelmatig en voor een groot gedeelte van de dag mensen verblijven of samenkomen. Een woning met tuin/erf wordt als zodanig aangemerkt. Om te bepalen hoe de afstand moet worden gemeten wordt de specifieke gebruiksregel aangepast, door aan te geven dat er een afstand moet worden aangehouden tot gevoelige functies voor gewasbeschermingsmiddelen. In de begrippenlijst wordt het begrip ‘gevoelige functie voor gewasbeschermingsmiddelen’ toegevoegd. In paragraaf 2.7 van de toelichting wordt dit nu onderbouwd. In paragraaf 2.7 van de toelichting wordt daarom onderbouwd waarom deze regeling wordt toegepast. In de gemeente blijkt dat de gezondheid van omwonenden met de vigerende regeling niet kan worden gegarandeerd. De gewasbeschermingsmiddelen afkomstig van fruitteelt en boomgaarden leidt in situaties tot een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat.
In de specifieke gebruiksregel wordt een uitzondering opgenomen voor zover het bestaande en vervanging van bestaande fruitteelt en boomgaarden betreft.In de praktijk bestaat er een vuistregel dat er 50 meter afstand moet worden aangehouden tussen een gevoelige functie voor gewasbeschermingsmiddelen en een agrarisch perceel met open teelten. Het terugbrengen van een acceptabele afstand in het kader van een goede ruimtelijke ordening hangt onder meer af van de soort teelt en de plaatselijke omstandigheden (bv. windrichting, soort gewasbeschermingsmiddelen). Omdat elk geval anders is, dient dit per geval te worden onderzocht en afgewogen. Dat is maatwerk. Als wordt afgeweken van de richtafstand, moet er een goede onderbouwing voor zijn, blijkt uit deze uitspraak (toen was artikel 3.78a Abm nog niet in werking getreden): ECLI:NL:RVS:2016:855. Ten aanzien van gewasbeschermingsmiddelen bij open teelten is het Activiteitenbesluit milieubeheer sinds 1 januari 2018 inderdaad gewijzigd. De regels ten aanzien van driftreducerende maatregelen zijn verscherpt en op het gehele perceel van toepassing.
In Artikel 3.78a van het Activiteitenbesluit staat dat bij het toepassen van gewasbeschermingsmiddelen er een techniek moet worden gebruikt die een driftreductie bereikt van ten minste 75%.Uit het onderzoek van de universiteit Wageningen blijkt dat als gebruik gemaakt wordt van een spuit waarbij een driftreductietechniek van 75% wordt gebruikt er een afstand van 30 meter kan worden aangehouden. Bij deze berekening is uitgegaan van een standaardsituatie waarbij geen haag of oppervlaktewater aanwezig is, en het meest schadelijke gewasbeschermingsmiddel. Als er wel een haag of oppervlaktewater aanwezig zijn wordt de afstand kleiner. De richtafstand wordt daarom aangepast in 30 meter. Ook wordt aangegeven dat het om open teelten gaat en dus niet om teelt in gebouwen. Gezien de eis in het Activiteitenbesluit wordt de voorwaarden voor een windcirkel en driftarme spuitdoppen verwijderd. Wijziging: Artikel 3.4.1 en dit artikel in de overige agrarische bestemmingen wordt als volgt gewijzigd: a. Als strijdig gebruik wordt in ieder geval aangemerkt: … 7.
het gebruik van gronden voor open teelten van sierplanten en bomen en boomgaarden, binnen een afstand van 30 m tot gevoelige functies voor gewasbeschermingsmiddelen, uitgezonderd en voor zover: • het bestaande en vervanging van bestaande open teelten van sierplaten en bomen betreft; • aangetoond is dat geen gebruik wordt gemaakt van gewasbeschermingsmiddelen;
Nota van zienswijzen en wijzigingen “Buitengebied Haaren, Herziening 2020” pag. 56
• het woon- en leefklimaat en/of het verblijfsklimaat voor bestrijdingsmiddelen gevoelige functies niet onevenredig wordt aangetast. Toevoegen aan artikel 1: “gevoelige functie voor gewasbeschermingsmiddelen: gronden en percelen waar geregeld en gedurende langere periode mensen kunnen verblijven of samenkomen zoals (bedrijfs)woningen, tuinen, erven, zorgfuncties en kampeerterreinen;” In paragraaf 2.7 van de toelichting wordt onderbouwd waarom de regeling inzake gewasbeschermingsmiddelen wordt opgenomen.
Zienswijze 34. Cliënt exploiteert een geitenhouderij ter plaatse van de agrarische bedrijfslocatie, gelegen aan de Belversestraat 10a te Haaren (verder: bedrijfslocatie). Bij brief van 12 december 2019 is namens cliënt al een inspraakreactie ingediend op het voorontwerpbestemmingsplan 'Buitengebied, herziening 2020'. Gronden 1. Een punt van de inspraakreactie op het voorontwerpbestemmingsplan betrof de constatering dat met de hierin opgenomen regels, de regels van de op 25 oktober 2019 vastgestelde Interim omgevingsverordening Noord-Brabant (10V) niet op de juiste, volledige manier in het plan waren verwerkt. Voor de reactie op dit punt is in het 'Eindverslag inspraak en vooroverleg actualisatie bp Buitengebied' verwezen naar de reactie op de vooroverlegreactie van de provincie. Hierin is vermeld dat de regels van het bestemmingsplan Buitengebied, herziening 2020' in overeenstemming worden gebracht met de regels van de IOV. Cliënt is van mening dat met de (gewijzigde) regels van het ontwerpbestemmingsplan Buitengebied, herziening 2020' de regels van de geldende IOV nog altijd niet op de juiste, volledige manier in het plan zijn verwerkt: In de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant (IOV) is wat veehouderijen betreft geen onderscheid naar soort veehouderij gemaakt.
In de IOV zijn de regels ten aanzien van veehouderijen gesteld op basis van de ligging in Stedelijk gebied, Landelijk gebied buiten Beperkingen veehouderij, Beperkingen veehouderij en Stalderingsgebied. Alleen voor geitenhouderijen geldt een aparte algemene regel. Verder zijn de regels ten aanzien van veehouderijen in Beperkingen veehouderij niet van toepassing voor grondgebonden veehouderijen en gelden de regels ten aanzien van veehouderijen in Stalderingsgebied alleen voor hokdierhouderijen. Een vergelijk van de regels van het ontwerpbestemmingsplan ‘Buitengebied, herziening 2020’ met de regels ten aanzien van veehouderijen van de IOV geeft aanleiding voor de volgende opmerkingen: In het ontwerpbestemmingsplan is in tegenstelling tot in de IOV wat veehouderijen betreft wel onderscheid gemaakt in soort veehouderij. Uit de bestemmingsomschrijvingen van art. 3.1, 4.1, 5.1, 6.1 en 7.1 van de regels volgt dat grondgebonden veehouderijen en intensieve veehouderijen worden toegestaan. Zodoende worden de veehouderijen die volgens de begripsbepalingen van de regels van het ontwerpbestemmingsplan en de IOV geen grondgebonden veehouderij en geen intensieve veehouderij zijn niet toegestaan.
Zulke nietgrondgebonden veehouderijen zijn conform de regels van de IOV echter wel mogelijk en zijn zeker ook bestaand aanwezig in het buitengebied van de gemeente Haaren en daarmee het plangebied van de vast te stellen bestemmingsplanherziening. In de doeleindenomschrijving bij alle agrarische bestemming wordt ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - veehouderij': een 'grondgebonden veehouderij' het woord grondgebonden geschrapt. Dit om te zorgen dat ook veehouderijen die niet volledig grondgebonden zijn blijven toegestaan. Wijziging: In de doeleindenomschrijving bij alle agrarische bestemming wordt ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - veehouderij': een 'grondgebonden veehouderij' het woord grondgebonden geschrapt.
2. Voor locaties van bestaande intensieve veehouderijen is op de verbeelding van het ontwerpbestemmingsplan naast de aanduiding ‘intensieve veehouderij’ (vaak) ook de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch - veehouderij' opgenomen. Aan locaties van andere Nota van zienswijzen en wijzigingen “Buitengebied Haaren, Herziening 2020” pag. 57
veehouderijen is alleen de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch - veehouderij' toegekend. Door het vorige maakt het ontwerpbestemmingsplan echter alleen mogelijk dat bestaande intensieve veehouderijen om kunnen schakelen naar een grondgebonden veehouderij. De regels ten aanzien van veehouderijen van de IOV vereisen dit niet. De regels ten aanzien van veehouderijen van de IOV vereisen ook niet dat omschakeling naar een intensieve veehouderij alleen mogelijk is op basis van een wijzigingsbevoegdheid zoals opgenomen in art. 3.7.3, 6.7.3 en 7.7.3 van de regels van het ontwerpbestemmingsplan. In de doeleindenomschrijving bij alle agrarische bestemming wordt ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - veehouderij': een 'grondgebonden veehouderij' het woord grondgebonden geschrapt. Dit om te zorgen dat ook veehouderijen die niet volledig grondgebonden zijn blijven toegestaan. Wijziging: In de doeleindenomschrijving bij alle agrarische bestemming wordt ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - veehouderij': een 'grondgebonden veehouderij' het woord grondgebonden geschrapt.
3. Sub l. van art. 3.2.2, 4.2.2, 5.2.2, 6.2.2 en 7.2.2 van de regels van het ontwerpbestemmingsplan dient conform art. 3.51 van de regels van de IOV ook van toepassing te zijn ter plaatse van de aanduiding ‘overige zone - beperkingen veehouderij’. Hetzelfde geldt voor sub f. van art. 3.2.4, 4.2.4, 5.2.4, 6.2.4 en 7.2.4. Hierbij dient wel opgenomen te worden dat voor grondgebonden veehouderijen ter plaatse van de aanduiding ‘overige zone - beperkingen veehouderij’ enkel geldt dat geen toename van de oppervlakte van dierenverblijven is toegestaan. In artikel 3.5.8 (en vergelijkbaar in de overige agrarische bestemmingen) is conform de IOV opgenomen onder welke voorwaarden binnen de aanduiding ‘overige zone-beperking veehouderij toename van het oppervlakte van dierenverblijven is toegestaan. Om onduidelijkheden hierover bij de toetsing van bouwaanvragen te voorkomen worden de bepalingen uit artikel 3.4.1 en 3.5.8 ook toegevoegd aan de bouwregels. Deze aanpassing wordt tevens doorgevoerd in alle agrarische bestemmingen. Wijziging: De bepalingen uit artikel 3.4.1 en 3.5.8 worden ook toegevoegd aan de bouwregels. Deze aanpassing wordt tevens doorgevoerd in alle agrarische bestemmingen. 4. Het bepaalde onder 5. in sub a. van art. 3.4.1 en 6.4.1 en onder 6. in sub a. van art. 4.4.1, 5.4.1 en 7.4.1 van de regels van het ontwerpbestemmingsplan dient conform art.
3.50 van de regels van de IOV van toepassing te zijn voor veehouderijen en geitenhouderijen ter plaatse van de aanduidingen ‘overige zone - gemengd landelijk gebied’ en ‘overige zone - groenblauwe mantel’. Klopt. Dit is geborgd doordat voor andere zones en aanduidingen in andere bepalingen al is vastgelegd wat daarin wel/niet is toegestaan. Wijziging: Geen. 5. De in sub h. van art. 3.5.8, 4.5.9, 5.5.8, 6.5.9 en 7.5.9, in sub f. van art. 3.7.3 en 6.7.3 en in sub g. van art. 7.7.3 van de regels van het ontwerpbestemmingsplan opgenomen voorwaarde ten aanzien van stalderen komt niet geheel overeen met art. 3.52 van de regels van de IOV. Niet opgenomen is onder andere dat het bewijs aangevraagd moet worden bij en wordt uitgegeven door de provincie, In artikel 3.52 lid 5 is bepaald dat het bewijs dat aan de voorwaarden wordt voldaan, wordt uitgegeven door of namens GS. Dit hoeft niet te worden geregeld in het bestemmingsplan. Wijziging: Geen. Tot slot valt het volgende op te merken. De provincie Noord-Brabant heeft de wijzigingsverordening ‘Wijziging Interim omgevingsverordening - regelwijziging 2’ in ontwerp
Nota van zienswijzen en wijzigingen “Buitengebied Haaren, Herziening 2020” pag. 58