CConstaterende datOisterwijk
Koppel je AI →
Document · PDF

21-149 Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan buitengebied herziening 2020- toelichting- bijlage

RAAD 14 oktober 2021, gemeente OisterwijkBij agendapunt: 21-149 Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan buitengebied, herziening 202052.295 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 7

De regeling inzake de toename van de stikstofemissie wordt aangepast conform actuele jurisprudentie op dit onderwerp. Wijziging: Artikel 3.5.8 onder g wordt als volgt aangepast: "er is aangetoond dat het niet leidt tot een toename van de stikstofdepositie ten opzichte van de stikstofdepositie (mol/ha/jaar) van het ten tijde van de vaststelling van het plan feitelijke en planologisch legale situatie zoals die blijkt of kan worden afgeleid uit een vergunning als bedoeld in artikel 2.7 lid 2 van de Wet natuurbescherming, een omgevingsvergunning waarbij de toestemming op grond van artikel 2.7 van de Wet natuurbescherming is aangehaakt, welke zijn opgenomen in Bijlage 20 Overzicht vergunningen Wet natuurbescherming, dan wel een ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan geregistreerde melding als bedoeld in artikel 8 van de Regeling programmatische aanpak stikstof of, indien een vergunning/melding ontbreekt, de bestaande planologisch legale activiteit en de daarbij behorende ammoniakemissie die ten hoogste feitelijk door die bestaande planologische legale activiteit wordt veroorzaakt. Deze wijziging wordt ook doorgevoerd in overige agrarische bestemmingen. • Gebiedsaanduiding - overige zone — beperkingen veehouderij Volgens het ontwerp-bestemmingsplan ligt er over een deel van het bouwvlak de gebiedsaanduiding "overige zone — beperkingen veehouderij".

Hieronder ziet u een uitsnede van de verbeelding waaruitblijkt wel deel in de betreffende zone valt: Bij de inspraakreactie op het voorontwerp is ook al gewezen op het feit dat dit in strijd is met een goede ruimtelijke ordening omdat daarmee geen rekening is gehouden met de bestaande rechten van cliënt. U hebt daar als volgt op gereageerd: De gebiedsaanduiding 'overige zone - beperkingen veehouderij' is opgenomen overeenkomstig de provinciale verordening. Als een veehouderij binnen Beperkingen veehouderij ligt, gelden er afwijkende regels. Voor de begrenzing van deze gebieden is aangesloten bij de grenzen van het extensiveringsgebied die op grond van de Reconstructiewet waren vastgesteld. Artikel 3.51 van de Interim omgevingsverordening stelt regels waaraan een bestemmingsplan dient te voldoen. Uitsluitend gedeputeerde staten zijn bevoegd om de grenzen van het werkingsgebied aan te passen. De gemeente kan verzoeken om tot grenswijziging over te gaan als dat nodig is in het kader van een concreet ruimtelijk plan. In dit geval is daar geen sprake van. Als reactie op uw antwoord wenst cliënt het volgende naar voren te brengen. 1. Ten eerste is niet in de IOV bepaald dat er sprake moet zijn van een concreet ruimtelijk plan.

In artikel 5.3 van de IOV is bepaald: Artikel 5.3 Wijziging grenzen van werkingsgebieden Lid 1 Gedeputeerde Staten zijn bevoegd de in deze verordening opgenomen grenzen van een werkingsgebied te wijzigen als één of meer van de volgende gevallen zich voordoet: a. de wijziging is nodig voor een doelmatige uitvoering; b. de wijziging draagt bij aan het doel waarvoor het werkingsgebied is opgenomen;

Nota van zienswijzen en wijzigingen “Buitengebied Haaren, Herziening 2020” pag. 31

c. de wijziging past binnen de uitgangspunten en basisprincipes van deze verordening; d. er Is sprake van kennelijke onjuistheden in de begrenzing; e. de begrenzing van een gebied is niet langer In overeenstemming met een bestemmingsplan dat overeenkomstig artikel 3.8, derde lid, Wet ruimtelijke ordening is vastgesteld. 2. Ten tweede blijkt uit de hiervoor getoonde uitsnede dat er een stal voor de helft in en voor de andere helft buiten de zone ligt. Als er al sprake zou moeten zijn van een concreet ruimtelijke plan moet worden geconcludeerd dat het niet concreter kan worden dan bij een situatie waar er al een stal staat. 3. Ten derde blijkt uit de toelichting bij de IOV dat gemeenten in het kader van een bestemmingsplanprocedure op wijziging van de begrenzing van een werkingsgebied kunnen vragen. Hierover staat in de IOV vermeld: "Daarnaast kunnen gemeenten op basis van een concreet bestemmingsplan om wijziging van de grens van een werkingsgebied vragen. In zo'n geval wordt de procedure voor de grenswijziging gekoppeld aan de procedure van het bestemmingsplan. Het koppelen van beide procedures biedt aan iedereen meer duidelijkheid en vermindert procedures en bestuurslasten." In dit geval is er sprake van kennelijke onjuistheden in de begrenzing. Bij de begrenzing is blijkbaar getracht om de begrenzing van het bouwvlak aan te houden maar dat is niet goed gelukt.

Hiervoor verwijs ik u naar de verbeelding van het bestemmingsplan: U ziet dat dezelfde trapsgewijze vorm van de begrenzing is aangehouden als van het bouwvlak maar dat de begrenzing in Noordelijke richting is opgeschoven. Er is dus duidelijk sprake van een kennelijke onjuistheid van de begrenzing en ik verzoek u dan ook de begrenzing aan te passen aan de bouwvlakbegrenzing. De begrenzing van de gebiedsaanduiding 'Overige zone — beperkingen veehouderij' in het bestemmingsplan is gelijk aan die van de gebiedsaanduiding Reconstructiewetzone — extensiveringsgebied', zoals die is opgenomen in het bestemmingsplan Buitengebied van 2009. In 2018 is voor deze locatie een wijzigingsplan vastgesteld waarbij de gebiedsaanduiding Reconstructiewetzone — extensiveringsgebied', voor zover deze samenvalt met het bouwvlak, is gewijzigd in de gebiedsaanduiding Reconstructiewetzone — verwevingsgebied', welke reeds van kracht was voor het overgrote deel van het bouwvlak. Door het schrappen van de gebiedsaanduiding 'Overige zone — beperkingen veehouderij' wordt de wijziging uit 2018 gecontinueerd en vervalt binnen het bestaande bouwvlak het verbod tot uitbreiding van bebouwing ten dienste van de ter plaatse gevestigde intensieve veehouderij.

Wijziging: De gebiedsaanduiding 'Overige zone — beperkingen veehouderij' wordt verwijderd voor zover deze aanduiding samenvalt met het bouwvlak Winkelsestraat 31.

Zienswijze 21. Ingevolge artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) moeten bestemmingen in het bestemmingplan op basis van een goede ruimtelijke ordening worden aangewezen. De ruimtelijke ordening heeft als doel zo gunstig mogelijk voorwaarden te creëren voor het gebruik en de ontwikkeling van een gebied. Hierbij moet de vraag worden gesteld in hoeverre bestemmingen naast elkaar kunnen bestaan. Een goede belangenafweging van de verschillende met de bestemming gemoeide belangen is noodzakelijk. Het momenteel in voorbereiding zijnde plan, ontbeert een deugdelijke motivering en daarmee ook een goede ruimtelijke ordening. Dit is in strijd met artikelen 3:46 en 3:47 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Op grond van het in artikel 3:2 van de Awb opgenomen zorgvuldigheidsbeginsel dient het bestuursorgaan bij de voorbereiding van een besluit alle nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen, te vergaren. De voor de belanghebbende nadelige gevolgen mogen op grond van artikel 3:4 lid 2 van de Awb niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doel. U hebt in het ontwerpbestemmingplan onvoldoende blijk gegeven van een deugdelijke belangenafweging. U heeft de belangen van cliënten onvoldoende onderkend en meegewogen in de besluitvorming.

Het perceel heeft in het ontwerpplan de enkelbestemming "Agrarisch" en de functieaanduiding "intensieve veehouderij" en de functie-aanduiding "specifieke vorm van agrarische-veehouderij" gekregen: Mijn cliënt kan niet instemmen met de planregels omdat deze regels geen rekening houden met de toekomstmogelijkheden van de biologische geitenhouderij en derhalve onvoldoende flexibel zijn. Ook is ten onrechte de aan cliënt Nota van zienswijzen en wijzigingen “Buitengebied Haaren, Herziening 2020” pag. 32

verleende Natuurvergunning niet opgenomen in het overzicht van vergunningen Wet natuurbescherming. Naar de mening van cliënt is de voorliggende planregeling om die redenen in strijd met een goede ruimtelijke ordening. Namens cliënt licht ik dat hierna toe. • Bouwregels Voor de locatie van mijn cliënt geldt de gebiedsaanduiding "stalderingsgebied". In artikel 39.3, onder"algemene bouwregels" hebt u bepaalt dat het niet is toegestaan de bestaande oppervlaktedierenverblijf voor hokdieren ter plaatse van de aanduiding 'overige zone — stalderingsgebied' binnen een bouwperceel te vergroten. Onder de 3.5 "Afwijken van de gebruiksregels" geeft u onder 3.5.8 onder h. aan dat een toename van bestaande oppervlakte dierenverblijf is toegestaan als er een stalderingsbewijs is overgelegd. Van de ene kant wordt er dus een bouwverbod opgelegd onder 39.3 en wordt er een afwijkingsmogelijkheid geregeld via de gebruiksregels. Dat is niet correct omdat er geen afwijkingsmogelijkheid voor de activiteit "bouwen" is geregeld. Voorschrift 3.5.8. gaat immers over de toename van de bestaande oppervlakte en dat ziet niet op het gebruik. Zoals het nu is bepaald, bestaat er geen mogelijkheid om via staldering een uitbreiding van de oppervlakte gerealiseerd te krijgen.

Het klopt dat de verbodsbepalingen voor uitbreiding dierenverblijven in artikel 39.3 en 40 kunnen vervallen nu dit al in de agrarische bestemmingen zelf is geregeld. Dit wordt aangepast. Wijziging: De verbodsbepaling voor het uitbreiding dierenverblijven uit artikel 39.3 en 40 wordt geschrapt. • Stikstofemissie In 3.5.8. onder g. is via de gebruiksbepaling vergroting van het bouwoppervlak toegestaan mits er is aangetoond dat er geen sprake is van een toename van de stikstofdepositie ten opzichte van een verleende natuurtoestemming zoals opgenomen in bijlage 20 "Overzicht vergunningen Wet natuurbescherming". Het bedrijf van mijn cliënt komt niet voor in de betreffende bijlage terwijl voor de biologische geitenhouderij op het adres Biezenmortelsestraat 34 op 1 oktober 2014 een vergunning op grond van de Natuurbeschermingswet is verleend. De vergunning is bijgevoegd en ik verzoek u de bijlage hierop aan te passen. Klopt, het overzicht vergunningen Natuurbeschermingswet wordt aangevuld met genoemde vergunning. Wijziging: Het overzicht vergunningen Natuurbeschermingswet wordt aangevuld met de voor Biezenmortelsestraat 34 op 1 oktober 2014 verleende vergunning. Verder is onder 3.5.8. onder g.

de vergunningverlening gekoppeld aan de voorwaarde dat er geen toename mag zijn van de toename van stikstofemissie ten opzichte van de feitelijke en planologisch legale situatie zoals vergund op grond van de Wet natuurbescherming. Bij de beoordeling van de mogelijk significante gevolgen voor een Natura 2000-gebied gaat het echter om de stikstofdepositie. Daarbij komt dat door extern salderen de emissie op bedrijfsniveau zou kunnen toenemen terwijl de depositie afneemt. Het bepaalde in de planvoorschriften strookt dan ook niet met de provinciale regels die er zijn gesteld met betrekking tot in- en extern salderen en werken onnodig belemmerend. In dat kader zou aansluiting gezocht kunnen worden bij de planvoorschriften van het onlangs vastgestelde bestemmingsplan van Oss waarbij in de planvoorschriften wordt uitgegaan van stikstofdepositie en niet van stikstofemissie. Bij de beoordeling van de mogelijk significante gevolgen voor een Natura 2000-gebied gaat het inderdaad om de stikstofdepositie. De regeling inzake de toename van de stikstofemissie wordt aangepast conform actuele jurisprudentie op dit onderwerp.

Wijziging: Artikel 3.5.8 onder g wordt als volgt aangepast: "er is aangetoond dat het niet leidt tot een toename van de stikstofdepositie ten opzichte van de stikstofdepositie (mol/ha/jaar) van het ten tijde van de vaststelling van het plan feitelijke en planologisch legale situatie zoals die blijkt of kan worden afgeleid uit een vergunning als bedoeld in artikel 2.7 lid 2 van de Wet natuurbescherming, een omgevingsvergunning waarbij de toestemming op grond van artikel 2.7 van de Wet natuurbescherming is aangehaakt, welke zijn opgenomen in Bijlage 20 Overzicht vergunningen Wet natuurbescherming, dan wel een ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan geregistreerde melding als bedoeld in artikel 8 van de Regeling programmatische aanpak stikstof of, indien een

Nota van zienswijzen en wijzigingen “Buitengebied Haaren, Herziening 2020” pag. 33

vergunning/melding ontbreekt, de bestaande planologisch legale activiteit en de daarbij behorende ammoniakemissie die ten hoogste feitelijk door die bestaande planologische legale activiteit wordt veroorzaakt. Deze wijziging wordt ook doorgevoerd in overige agrarische bestemmingen. • Moratorium geitenhouderij In voorschrift 3.4.1. lid a onder 5 hebt u bepaald dat een toename van de bestaande oppervlakte dierenverblijf voor een veehouderij en geitenhouderij niet is toegestaan. In voorschrift 40.1 onder g. komt dezelfde bepaling nog een keer terug. Op grond van artikel 2.71 van de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant (I0V) geldt er een tijdelijk verbod op een toename van oppervlakte aan geitenhouderijen. Artikel 2.71 lid 4 van de 10V bepaalt dat een toename wel mogelijk is met toepassing van artikel 2.1, eerste lid, onder c van de Wabo. De IOV bepaalt dus dat het bevoegd gezag overeenkomst artikel 2.1, eerste lid, onder c van de Wabo een vergunning kan verlenen. Artikel 2.1., eerste lid onder c betreft echter een verbodsbepaling en geen bepaling die betrekking heeft op de vergunningplicht. Het kan zijn dat artikel 2.12, eerste lid, onder c van de Wabo is bedoeld maar in ieder geval is de IOV op dat onderdeel onduidelijk en strijdig met de wet.

Wat in ieder geval wel blijkt uit de IOV, is dat er een mogelijkheid bestaat tot uitbreiding van de oppervlakte als dat uit dierwelzijnsoogpunt nodig is. In het bestemmingsplan is geen flexibiliteitsbepaling opgenomen die recht doet aan hetgeen hierover in de 10V is opgenomen. Juist vanuit dierwelzijnsoogpunt moet deze flexibiliteit geboden worden. Nu is er sprake van een starre bepaling die geen rekening houdt met de belangen van de biologische geitenhouderij, de belangen van de dieren en de belangen van mijn cliënt. Daarbij komt dat uit de bepaling van de IOV blijkt dat er sprake is van een tijdelijk verbod. Op dit moment wordt er onderzoek gedaan naar de effecten van geitenhouderijen op de omgeving. Vooruitlopend op de uitkomsten van die onderzoeken, is een moratorium ingesteld zoals verwoordin IOV. Als uit de onderzoeksresultaten blijkt dat een toename van oppervlak of een toename aan dieren mogelijk is, bijvoorbeeld als er maatregelen worden getroffen om de effecten op de omgeving weg te nemen, zoals een overdekte mestopslag of het treffen van hygiënemaatregelen, dan moet het mogelijk zijn dat ook het aantal dieren toe kan nemen. Ook dit dient met flexibiliteitsbepalingen geregeld te worden.

Nu wordt er een slot gezet op de geitenhouderij terwijl er volop onderzoeken lopen naar de effecten van de geitenhouderij op de omgeving en naar maatregelen om deze effecten tot nihil terug te brengen. Zoals bijvoorbeeld ook blijkt uit de informatie op de website van Infomil, kunnen geitenhouderijen op dit moment geen maatregelen nemen omdat niet duidelijk is wat de precieze oorzaak is van een verhoogd risico op longonsteking in een straal van 2 kilometer rondom geitenhouderijen. Een bestemmingsplan moet toekomstbestendig zijn en juist als het gaat om een tijdelijke maatregel, zoals het tijdelijk verbod met betrekking tot de geitenhouderij, moet er rekening worden gehouden met de reden waarom er sprake is van een tijdelijk verbod. Zodra duidelijk is waardoor er sprake is van een verhoogd risico, kunnen maatregelen worden getroffen en kan het moratorium er af worden gehaald. Die ruimte moet in het plan worden opgenomen. Klopt. De bepaling over uitbreiding dierenverbijven binnen de agrarische bestemmingen worden daarom uitgebreid met geitenhouderijen. Voor geitenhouderijen wordt daarin aanvullend specifieke voorwaarden conform de IOV opgenomen. Wijziging: De bepaling over uitbreiding dierenverbijven binnen de agrarische bestemmingen worden uitgebreid met geitenhouderijen en als volgt aangevuld:  als bestaande oppervlaktedierenverblijf voor geiten geldt de oppervlakte die: a.

als dierenverblijf mag worden gebruikt krachtens een omgevingsvergunningmilieu, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid onder e, Wet algemene bepalingenomgevingsrecht, of de omgevingsvergunning beperkte milieutoets, bedoeld in artikel2,eerste lid, onder i, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of melding, bedoeld inartikel1.10 Activiteitenbesluit milieubeheer; en b. op 7 juli 2017 legaal aanwezig was; of c. mag worden gebouwd krachtens een vóór 7 juli 2017 verleende vergunning.  Uitbreiding is toegestaan als: a. de toename van de oppervlakte dierenverblijf voor de geitenhouderij is ingegeven vanuit een dierenwelzijnsconcept zonder toename van het aantal geiten diedegeitenhouderij krachtens een omgevingsvergunning milieu, bedoeld in artikel 2.1, eerstelid onder e, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, of de omgevingsvergunning beperktemilieutoets, bedoeld in Nota van zienswijzen en wijzigingen “Buitengebied Haaren, Herziening 2020” pag. 34

artikel 2, eerste lid, onder i, Wet algemene bepalingenomgevingsrecht of melding, bedoeld in artikel 1.10 Activiteitenbesluit milieubeheer,op 7juli 2017 mag houden; b. het dierenwelzijnsconcept per aanwezige melkgeit ten minste 1,30 m² dierenverblijfhanteert. c. Indien het volgens de Interim Omgevingsverordening geldende moratorium voor geitenhouderij is opgeheven.

Zienswijze 22. In onze inspraakreactie op het voorontwerp van het ter inzage liggende bestemmingsplan, hebben wij het college verzocht u om het maximum aantal wooneenheden te specificeren op de plankaart. Dit om te zorgen dat geen twijfel kan bestaan over het feit dat de woningen Margriet 3 en 3a de positief bestemde wooneenheden betreffen. Daarnaast verzochten wij de planregels zodanig te verduidelijken dat geen verwarring kan ontstaan over de positieve bestemming van onze woning. Dit verzoek hebben wij gedaan vanwege de formulering van artikel 44 van de planregels van het voorontwerp van 'herziening 2020'. Uit het eindverslag van onze inspraakreactie op het voorontwerp maken wij op dat voor het plangedeelte dat betrekking heeft op onze woning, de plankaart van het vorige bestemmingsplan niet meer van toepassing is. Uit de planregels van het ontwerp maken wij op dat in de plaats van het bepaalde in artikel 45.1 aanhef van het ontwerp de verbeelding van de voorgaande bestemmingsplannen wordt vervangen door — in ons geval — artikel 45.1 sub a. onder 24 'overige zone — ambtshalve wijziging'. Het is echter niet duidelijk wat op de plankaart wordt vervangen ten opzichte van het thans vigerende bestemmingsplan.

Met andere woorden; waar is in het ontwerp-bestemmingsplan beschreven om welke 'ambtshalve wijzigingen' het precies gaat?In onze ogen is de enkele aanpassing, zoals hiervoor genoemd, niet toereikend om voldoende rechtszekerheid te bieden in het vast te stellen bestemmingsplan. Om deze reden verzoeken wij uw raad dan ook om aan de planregels een lijst van ambtshalve wijzigingen toe te voegen, zodat deze aanduiding voor onze woning ook in de toekomst voldoende kenbaar is en duidelijk correspondeert met de plankaart. Op de verbeelding is de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden: 2' opgenomen. In de regels is vastgelegd dat hier maximaal 2 woningen mogen worden gebouwd. Daarnaast is op het perceel is de aanduiding 'overige zone - ambtshalve wijziging' opgenomen. In artikel 45 van de planregels is vastgelegd dat hier dit bestemmingsplan het voorheen geldende bestemmingsplan vervangt. Wijziging: Geen.

Zienswijze 23. In het Eindverslag inspraak en vooroverleg voorontwerp bestemmingsplan "Buitengebied, herziening 2020" d.d. Juni 2020 lees ik dat er een zienswijze tegen het voorontwerp is ingebracht m.b.t. de voorgestelde bebouwingsregels voor de RW2 recreatiewoningen welke zienswijze ook gehonoreerd is. Ik constateer dat daardoor de bebouwingsregels voor de RW1 en RW2 woningen opnieuw afwijken, dus niet meer harmoniëren. (Zie Reactie 52 in het Eindverslag) "Voor recreatiewoningen RW 2 geldt geen inhoudsbeperking. In het nieuwe bestemmingsplan wordt een inhoudsbeperking opgenomen van 260 m3. Ik ga met deze inhoudsbeperking niet akkoord. Het is verder niet de intentie geweest om de inhoud binnen de bestemming Recreatie-Recreatiewoning 2 te beperken. Deze aanpassing wordt ongedaan gemaakt en de maximale oppervlakte van 60m2 wordt weer opgenomen. Wijziging: In artikel 19.2.7 wordt de bepaling over de maximale inhoud van een recreatiewoning geschrapt. De doorhaling van de regel over de maximale oppervlakte van een recreatiewoning wordt verwijderd" Deze wijziging heeft tot gevolg dat de bebouwingsmogelijkheden voor een RW2 recreatiewoning ongewijzigd blijven. (60 m2 oppervlak, goothoogte max 3 ml en nokhoogte max 4,5 ml.) Ik ben van mening dat 260 m3 juist wel een verruiming is van de bebouwingsmogelijkheden voor de RW2.

Ik als eigenaar van de RW2 woning 't Hoog 5 te Helvoirt verzoek u om vast te houden aan het uitgangspunt van harmonisatie van de bebouwingsregels van de recreatiewoningen en het besluit genomen op één verzoek van slechts één eigenaar terug te draaien. Het zou u passen om alle eigenaren van de RW2 woningen hierna te bevragen alvorens een ad hoc besluit te nemen. Nota van zienswijzen en wijzigingen “Buitengebied Haaren, Herziening 2020” pag. 35

De recreatiewoningen die de laatste jaren in Nederland gebouwd worden woningen hebben voldoende ruime en comfortabele volumes, passend bij huidige bouwvoorschriften met hoge isolatiewaarden (lees; muurdikten van 400 mm en dakpakketten van 250 mm). Bij actualisatie moet mijns inziens ook rekening gehouden worden dat er gebouwd kan worden volgens thans geldende bouwvoorschriften / bouwbesluit. Daarom mijn verzoek om bij harmonisatie de inhoud van de woning vast te stellen op 375 m3 i.p.v. 260 m3. In de uitgangspunten is geen wijziging opgenomen voor recreatiewoningen met de bestemming Recreatiewoning-2. Hiervoor blijft dus het vigerende bestemmingsplan van toepassing. Wijziging: Geen.

Zienswijze 24. In het ontwerpbestemmingsplan 'Buitengebied, herziening 2020' is net als in het ter plaatse nog geldende bestemmingsplan 'Buitengebied Haaren' en het voorontwerpbestemmingsplan de bestemming 'Agrarisch met waarden - Landschapswaarden 1' opgenomen voor de bedrijfslocatie. Met het ontwerpbestemmingsplan is ook de begrenzing van de ter plaatse opgenomen aanduiding 'bouwvlak' niet gewijzigd. Het ontwerpbestemmingsplan bevat ten opzichte van zowel het geldend als het voorontwerpplan echter wel een gewijzigde regeling als het gaat om wat voor agrarisch bedrijf is toegestaan ter plaatse van de bedrijfslocatie: • Op grond van de bestemmingsomschrijving in de regels van het ook ter plaatse geldende plan 'Buitengebied Haaren, correctieve herziening' en het voorontwerpplan 'Buitengebied, herziening 2020' is op de locatie alleen een grondgebonden agrarisch bedrijf toegestaan. Volgens de begripsbepalingen in de regels van deze plannen wordt hier een agrarisch bedrijf onder verstaan met een bedrijfsvoering die geheel of in overwegende mate niet in gebouwen plaatsvindt; • In het ontwerpbestemmingsplan 'Buitengebied, herziening 2020' is ter plaatse de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - veehouderij' toegevoegd.

Op grond van de bestemmingsomschrijving in de regels van dit plan zijn op de locatie alleen een grondgebonden agrarisch bedrijf en een grondgebonden veehouderij toegestaan. Volgens de begripsbepalingen in de regels van dit plan wordt hier wat een veehouderij betreft een veehouderij onder verstaan, waarvan het voer en de mest voor het overgrote deel worden gewonnen respectievelijk aangewend op gronden die in gebruik zijn van de veehouderij en die in de directe omgeving liggen van de bedrijfslocatie. In de regels van het ontwerpbestemmingsplan voor de bestemming 'Agrarisch met waarden - Landschapswaarden 1' zijn ten opzichte van de regels van zowel het geldend als het voorontwerpplan voorts onder andere regels toegevoegd om te bepalen dat een toename van de bestaande oppervlakte dierenverblijf voor een veehouderij niet meer rechtstreeks is toegestaan. Op basis van de toegevoegde afwijkingsmogelijkheid (art. 4.5.9) kan er bij omgevingsvergunning worden afgeweken van het in de specifieke gebruiksregels (art. 4.4.1.a.6) toegevoegde verbod als wordt voldaan aan gestelde voorwaarden. Eén van deze voorwaarden (art.

4.5.9.h) betekent dat voor een toename van de bestaande oppervlakte dierenverblijf voor een veehouderij bewijs moet worden overgelegd dat elders binnen hetzelfde stalderingsgebied bestaand dierenverblijf van een hokdierhouderij is gesaneerd door sloop of herbestemming - het zogenaamde `stalderen'. Plantoets Voor cliënt geldt dat sprake is van een agrarisch bedrijf met een bedrijfsvoering die geheel of in overwegende mate niet in gebouwen plaatsvindt. Het gehouden rundvee wordt beweid op de gronden waar het melkveebedrijf over beschikt en op deze gronden wordt ook een gedeelte van het voor dit rundvee benodigde voer en de van dit rundvee afkomstige mest geteeld respectievelijk aangewend. Cliënt gebruikt een gedeelte van de bedrijfslocatie voor tijdelijke opslag van dit voer en deze mest. Cliënt beschikt in verhouding tot zijn veestapel echter over onvoldoende gronden om het hiervoor benodigde voer en de hiervan afkomstige mest voor het overgrote deel te kunnen telen respectievelijk aan te wenden op gronden die het melkveebedrijf in gebruik heeft. Het is niet reëel te noemen dat cliënt binnen een afzienbare periode in de directe omgeving van de bedrijfslocatie aan zoveel gronden kan komen dat dit wel het geval wordt.

Gelet op het vorige dient geconstateerd te worden dat het melkveebedrijf van cliënt volgens het geldende bestemmingsplan een agrarisch bedrijf is wat ter plaatse van Nota van zienswijzen en wijzigingen “Buitengebied Haaren, Herziening 2020” pag. 36

de bedrijfslocatie is toegestaan en dit volgens het ontwerpbestemmingsplan 'Buitengebied, herziening 2020' niet langer het geval is. Als het plan ongewijzigd wordt vastgesteld wat betreft de hierin opgenomen regeling over het ter plaatse van de bedrijfslocatie toegestane soort agrarisch bedrijf, zal het melkveebedrijf van cliënt dan ook in strijd komen met het bestemmingsplan. Gevolg is dat het bestaande agrarisch bedrijf ter plaatse van de bedrijfslocatie in tegenstelling tot nu niet langer positief bestemd zal zijn. Op te merken valt overigens dat wat het agrarisch bedrijf van cliënt betreft ook geen sprake is van een intensieve veehouderij of hokdierhouderij. Het betreft geen bedrijf met een bedrijfsvoering die geheel of in overwegende mate plaatsvindt in gebouwen en er is geen sprake van een rundveemesterij of vleeskalver-, varkens-, pluimvee-, geiten- of schapenhouderij, maar van een melkrundveehouderij. In de doeleindenomschrijving bij alle agrarische bestemming wordt ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - veehouderij': een 'grondgebonden veehouderij' het woord grondgebonden geschrapt. Dit om te zorgen dat ook veehouderijen die niet volledig grondgebonden zijn blijven toegestaan.

Wijziging: In de doeleindenomschrijving bij alle agrarische bestemming wordt ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - veehouderij': een 'grondgebonden veehouderij' het woord grondgebonden geschrapt. Wat betreft de in het ontwerpbestemmingsplan toegevoegde regels die bepalen dat een toename van de bestaande oppervlakte dierenverblijf voor een veehouderij niet meer rechtstreeks is toegestaan, valt voorts te constateren dat deze grotendeels overeenkomen met de regels die in dit geval op grond van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant (IOV) in het bestemmingsplan moeten worden opgenomen. Dit geldt namelijk niet voor de in de opgenomen afwijkingsmogelijkheid gestelde voorwaarde wat `stalderen' betreft (art. 4.5.9.h). Daarin is nu bepaald dat de eis van `stalderen' ook van toepassing is op een toename van de bestaande oppervlakte dierenverblijf voor een veehouderij die geen hokdierhouderij is. De IOV stelt deze eis echter enkel voor een toename van de oppervlakte dierenverblijf voor hokdieren. Klopt, in alle agrarische bestemmingen bij de regels over stalderen wordt veehouderij vervangen door hokdierhouderij conform de Interim Omgevingsverordening. Wijziging: In alle agrarische bestemmingen bij de regels over stalderen wordt veehouderij vervangen door hokdierhouderij conform de Interim Omgevingsverordening.

Zienswijze 25. Het plan dat ter inzage ligt bevat de mogelijkheid om een normale, reguliere agrarische bestemming te wijzigen naar IV (intensieve veehouderij). Gezien het huidige tijdsgewricht met grensoverschrijdende problemen rondom stikstof, stank en fijn stof is dit verre van wenselijk. Wij verzoeken u deze mogelijkheid te schrappen. De aangehaalde wijzigingsbevoegdheid maakt al onderdeel uit van het vigerende bestemmingsplan en is geen onderdeel van deze bestemmingsplanherziening. Verder bevat deze wijzigingsbevoegdheid specifieke voorwaarden om te borgen dat vestiging uitsluitend kan plaatsvinden indien dit inpasbaar is op het gebied van onder andere stikstof en stank. Wijziging: Geen.

Zienswijze 26. Met de zienswijze wordt namens cliënt verzocht om het bestemmingsplan ‘Buitengebied, herziening 2020’ gewijzigd vast te stellen. Dit ten eerste met betrekking tot de in het ontwerpbestemmingsplan opgenomen regeling over het toegestane agrarisch bedrijf ter plaatse van de locatie Heesakker 1 te Haaren. De regeling dient zodanig te worden aangepast dat dit bestemmingsplan hier net zoals het nu nog geldende plan ook een

Nota van zienswijzen en wijzigingen “Buitengebied Haaren, Herziening 2020” pag. 37

veehouderij toestaat die: Niet zodanig grondgebonden moet zijn dat het voer en de mest voor het overgrotedeel worden gewonnen respectievelijk aangewend op gronden die in gebruik zijn van de veehouderij en in de directe omgeving liggen van de bedrijfslocatie; Geen intensieve veehouderij of hokdierhouderij betreft. In de doeleindenomschrijving bij alle agrarische bestemming wordt ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - veehouderij': een 'grondgebonden veehouderij' het woord grondgebonden geschrapt. Dit om te zorgen dat ook veehouderijen die niet volledig grondgebonden zijn blijven toegestaan. Wijziging: In de doeleindenomschrijving bij alle agrarische bestemming wordt ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - veehouderij': een 'grondgebonden veehouderij' het woord grondgebonden geschrapt. Ten tweede dient de voorwaarde van de in de regels van het ontwerpbestemmingsplan opgenomen afwijkingsmogelijkheid voor het toestaan van een toename van de bestaande oppervlakte dierenverblijf voor een veehouderij wat ‘stalderen’ betreft te worden aangepast (art. 7.5.9.h). Dit zodanig dat deze in overeenkomt met de regels van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant en niet meer van toepassing is op een toename van de bestaande oppervlakte dierenverblijf voor een veehouderij die geen hokdierhouderij is.

Klopt, in alle agrarische bestemmingen bij de regels over stalderen wordt veehouderij vervangen door hokdierhouderij conform de Interim Omgevingsverordening. Wijziging: In alle agrarische bestemmingen bij de regels over stalderen wordt veehouderij vervangen door hokdierhouderij conform de Interim Omgevingsverordening. Ten derde dient de voorwaarde van de in de regels van het ontwerpbestemmingsplan opgenomen afwijkingsmogelijkheid voor het toestaan van een toename van de bestaande oppervlakte dierenverblijf voor een veehouderij wat ‘fijnstofconcentratie’ betreft uit het plan gehaald te worden omdat deze regel door de Raad van State onverbindend is verklaard gezien dit in strijd is met de Wet milieubeheer. Klopt, zoals de Afdeling ook stelt, vormen de luchtkwaliteitseisen in titel 5.2 van de Wet milieubeheer het toetsingskader voor het bestemmingsplan. Titel 5.2 van de Wet milieubeheer bevat een regeling voor luchtkwaliteit waaronder voor de jaargemiddelde fijnstofconcentratie (PM10) en dat is een uitputtende regeling. Dit betekent dat een regel over de jaargemiddelde fijnstofconcentratie (PM10) de sectorale milieuregelgeving voor luchtkwaliteit in de Wet milieubeheer doorkruist. Wijziging: Artikel 3.5.8 lid f wordt geschrapt. Deze wijziging wordt ook doorgevoerd in de overige agrarische bestemmingen.

Ten vierde dient in de algemene gebruiksregels onder strijdig gebruik (art.40.1.g) de toename van bestaande oppervlakte dierenverblijf voor een veehouderij verwijderd te worden. Dit zodat het mogelijk blijft om gebruik te maken van de afwijkingsbevoegdheid in art. 7.5.9. Het klopt het dat de verbodsbepaling met betrekking tot het toevoegen van dierenverblijven in artikel 40 overbodig is nu hiervoor een regeling is opgenomen binnen de agrarische bestemmingen. Deze verbodsbepaling wordt daarom geschrapt. Wijziging: De verbodsbepaling voor het uitbreiding dierenverblijven uit artikel 39.3 en 40 wordt geschrapt.

Zienswijze 27. zienswijze op reactie 51 van het ontwerpbestemmingsplan Buitengebied Op 29-10-2018 dienden wij onze reactie in op de actualisatie van het bestemmingsplan Buitengebied van de gemeente Haaren. Eerder kregen wij een reactie nl. de mededeling, dat dit een particuliere aangelegenheid was en niet viel onder de actualisatie van het Nota van zienswijzen en wijzigingen “Buitengebied Haaren, Herziening 2020” pag. 38

bestemmingsplan. Later werden wij gebeld dat er nooit iets ontvangen was. Gevraagd werd of wij hetgeen wij hadden ingediend wilden toezenden. Onze aanvraag betrof een publiekrechtelijke beperking en viel wel degelijk onder de actualisatie van het bestemmingsplan Buitengebied. Wij zijn het pertinent oneens, dat wij een gedeelte aan de noordzijde van het strookje bos niet mogen afrasteren. Het betreft juist het deel langs de weg Guldenberg waar recreanten vuil achter laten en voor ons een onveilige situatie is gecreëerd.Bovendien is de aanleiding van de beperking niet meer aanwezig.1. de heer heeft zijn woning Guldenberg 2 + het van de gemeente aangekochte stukje grond (1992) verkocht aan de heer. Dit gehele terrein is niet alleen afgerasterd , maar ook voorzien van stroomdraden. 3. Het overige perceel B 1443, dat de heer kocht van de gemeente in 1996 is eveneens door de heer verkocht en wel aan de heer. Staat bovendien thans te koop. De hoofdreden voor het slechts gedeeltelijk afrasteren van ons perceel bos in 1995 was, dat de heer dan niet meer over het smalle reepje bos naar het door hem in 1996 gekochte stuk bos/heide kon lopen is vervallen, doordat de 2 delen aan afzonderlijke eigenaren zijn verkocht. Bovendien is vervallen, dat de heer opgaf, dat reeën niet meer door konden lopen op zijn terrein door de stevige afrastering aangebracht door de heer.

Bovendien wordt totaal genegeerd de raad aan ons van de toenmalige burgemeestert: 1. om het perceel te kopen,omdat het anders verkocht zou worden aan de heer 2. wij zelfs een afspraak met hem gemaakt hadden om ter plaatse te kijken waar wij de afrastering konden zetten. Dit was achter het electriciteitskastje. Helaas overleed de heer plotseling voordat hij ter plaatse definitief kon aanwijzen waar de afrastering kon staan. Op grond van het bestemmingsplan Buitengebied heeft het betreffende perceel de bestemming Bos. Deze gronden zijn bestemd voor behoud, herstel en ontwikkeling van bos en bebossing; water en waterhuishoudkundige voorzieningen, waaronder voorzieningen voor waterberging, -aanvoer en afvoer, zoals watergangen, waterlopen en waterpartijen; behoud, herstel en/of ontwikkeling van de natuurwaarden; behoud van (onverharde) paden, wegen en parkeervoorzieningen en extensief recreatief medegebruik extensieve openluchtrecreatie. Ten behoeve van dit gebruik zijn op grond van dit bestemmingsplan bouwwerken geen gebouwzijnde tot 2 meter hoogte met een vergunning toegestaan. Wijziging: Geen. Middels deze zienswijze willen wij nogmaals benadrukken,dat wij het pertinent oneens zijn met de opwaardering van de recreatiewoningen 1 en geen enkele opwaardering voor onze recreatiewoning. Wij wijzen hier nogmaals op ons verzoek d.d.

15 mei 2001 onze recreatiewoning een definitieve woonbestemming te geven. Pertinent geen afwijzing. Alle gevraagde stukken hebben wij ingediend. Wij werden gewezen op de kosten door ons te voldoen, die bij een negatieve beslissing niet zouden worden geretourneerd.De procedure zou maanden duren en de kans op een positieve beslissing was gering, dus pertinent niet uitgesloten. Verder wijzen wij er nogmaals op, dat ons pertinent toegezegd was en bevestigd, een woonoppervlakte van 70 m2. De gemeente volgde de richtlijnen van de Wabo boven de regels vermeld in het bestemmingsplan. Hierbij verwijzen wij ook naar reactie 14 ingediend voor de recreatiewoningen 1. Daarin wordt duidelijk gesteld: volgens bijlage 2 Bor is er geen vergunning vereist voor het bouwen van een recreatieverblijf met een oppervlakte van 70 m2 Ook wordt daarin melding gemaakt , dat destijds onder enkele recreatiewoningen RW 1 ondergronds gebouwd was, terwijl n.b. In het bestemmingsplan stond, dat dit niet was toegestaan, slechts bij recreatiewoningen 2. Wij moesten dit recht, dat ons werd afgenomen, behouden middels gelukkig voor ons positieve beslissing van de gemeenteraad. Letterlijk staat in de tekst : van die woningen zijn diverse geheel of gedeeltelijk onderkelderd. Wij hebben dat destijds gemeld. Door de gemeente werd dit pertinent ontkend. Het provinciale beleid is ons bekend.

Echter de voorgeschiedenis van onze woning doet ook ter zake.Alleen al het feit van het bouwjaar met daarbij de toezeggingen. Daar komt nog bij, dat het probleem van de bewoning van recreatiewoningen voortdurend wordt aangepast. Door onze recreatiewoning 2 proberen gelijk te schakelen met recreatiewoningen 1 werd wel degelijk de inhoud van onze woning beperkt. Deze beperking wordt ongedaan gemaakt . Echter de maximale oppervlakte van 60 m2 wordt weer opgenomen. Dit houdt opnieuw een extra beperking in en is volkomen onterecht.

Nota van zienswijzen en wijzigingen “Buitengebied Haaren, Herziening 2020” pag. 39

Onze woninginhoud is veel minder dan 260 m3. Als wij niet gereageerd hadden en zoals uit de tekst blijkt, dat de maximale oppervlakte van 60 m2 was geschrapt hadden wij op peilniveau een serre kunnen bouwen. Wij willen pertinent weten of in eerste instantie de oppervlaktebeperking niet meer gold voor onze woning, omdat er duidelijk staat : de maximale oppervlakte van 60 m2 wordt weer opgenomen. Voor de recreatiewoningen 1 in het Spechtbos e.d. wordt thans een uitzondering gemaakt, nl. de gemeente Vught is aangemerkt als rechtsopvolger. Waarom werd en wordt onze woning gekoppeld aan de RW 1 bestemmingen en niet tevens doorverwezen naar gemeente Vught als rechtsopvolger ? Resumerend: Wij kunnen ons niet voorstellen, dat het onmogelijk is onze RW 2 woning een permanente woonbestemming te geven, middels een te voeren procedure. Waarom toch weer de beperking van 60 m2 wordt opgelegd en een onbeperkte inhoud. Bij het toestaan van een bebouwingsoppervlakte van 70 m2 is automatisch ook weer de inhoud beperkt. Wij hopen op begrip van de gemeenteraad, dat het heel veel uitmaakt of je een woonoppervlakte hebt van 70 m2 i.p.v. 60 m2. In de uitgangspunten is geen wijziging opgenomen voor recreatiewoningen met de bestemming Recreatiewoning-2. Hiervoor blijft dus het vigerende bestemmingsplan van toepassing. Wijziging: Geen.

Zienswijze op reactie 52 van het ontwerpbestemmingsplan Buitengebied. Op 29-10-2018 dienden wij onze reactie in op de actualisatie van het bestemmingsplan Buitengebied van de gemeente Haaren. Eerder kregen wij een reactie, nl de mededeling, dat dit een particuliere aangelegenheid was en niet viel onder de actualisatie van het bestemmingsplan. Wij werden gebeld door de gemeente dat nooit iets ontvangen was en of wij, hetgeen wij hadden ingediend wilden toezenden. Op grond van het bestemmingsplan Buitengebied heeft het betreffende perceel de bestemming Bos. Deze gronden zijn bestemd voor behoud, herstel en ontwikkeling van bos en bebossing; water en waterhuishoudkundige voorzieningen, waaronder voorzieningen voor waterberging, -aanvoer en afvoer, zoals watergangen, waterlopen en waterpartijen; behoud, herstel en/of ontwikkeling van de natuurwaarden; behoud van (onverharde) paden, wegen en parkeervoorzieningen en extensief recreatief medegebruik extensieve openluchtrecreatie. Ten behoeve van dit gebruik zijn bouwwerken geen gebouwzijnde tot 2 meter hoogte met een vergunning toegestaan. Wijziging: Geen. Middels deze zienswijze willen wij nogmaals benadrukken,dat wij het pertinent oneens zijn met de opwaardering van de recreatiewoningen 1 en geen enkele opwaardering voor onze recreatiewoning 2. Wij wijzen hier nogmaals op ons verzoek d.d.

15 mei 2001 onze recreatiewoning een definitieve woonbestemming te geven. Pertinent geen afwijzing. Alle gevraagde stukken hebben wij ingediend. Wij werden gewezen op de kosten door ons te voldoen, die bij een negatieve beslissing niet zouden worden geretourneerd. De procedure zou maanden duren en de kans op een positieve beslissing was gering, dus pertinent niet uitgesloten. Verder wijzen wij er nogmaals op, dat ons pertinent toegezegd was en bevestigd , een woonoppervlakte van 70 m2. De gemeente volgde de richtlijnen van de Wabo boven de regels vermeld in het bestemmingsplan. Hierbij verwijzen wij ook naar reactie 14 ingediend voor de recreatiewoningen 1. Daarin wordt duidelijk gesteld : volgens bijlage 2 Bor is er geen vergunning vereist voor het bouwen van een recreatieverblijf met een oppervlakte van 70 m2 Ook wordt daarin melding gemaakt , dat destijds onder enkele recreatiewoningen RW 1 ondergronds gebouwd was, terwijl n.b. In het bestemmingsplan stond, dat dit niet was toegestaan, slechts bij recreatiewoningen 2. Wij moesten dit recht, dat ons werd afgenomen, behouden middels gelukkig voor ons positieve beslissing van de gemeenteraad. Letterlijk staat in de tekst : van die woningen zijn diverse geheel of gedeeltelijk onderkelderd. Wij hebben dat destijds gemeld. Door de gemeente werd dit pertinent ontkend. Het provinciale beleid is ons bekend.

Echter de voorgeschiedenis van onze woning doet ook ter zake. Alleen al het feit van het bouwjaar met daarbij de toezeggingen. Daar komt nog bij, dat het probleem van de bewoning van recreatiewoningen voortdurend wordt aangepast. Door onze recreatiewoning 2 proberen

Nota van zienswijzen en wijzigingen “Buitengebied Haaren, Herziening 2020” pag. 40

gelijk te schakelen met recreatiewoningen 1 werd wel degelijk de inhoud van onze woning beperkt. Deze beperking wordt ongedaan gemaakt . Echter de maximale oppervlakte van 60 m2 wordt weer opgenomen. Dit houdt opnieuw een extra beperking in en is volkomen onterecht. Onze woninginhoud is veel minder dan 260 m3. Als wij niet gereageerd hadden en zoals uit de tekst blijkt, dat de maximale oppervlakte van 60 m2 was geschrapt hadden wij op peilniveau een serre kunnen bouwen. Wij willen pertinent weten of in eerste instantie de oppervlaktebeperking niet meer gold voor onze woning, omdat er duidelijk staat : de maximale oppervlakte van 60 m2 wordt weer opgenomen. Voor de recreatiewoningen 1 in het Spechtbos e.d. wordt thans een uitzondering gemaakt, nl. de gemeente Vught is aangemerkt als rechtsopvolger. Waarom werd en wordt onze woning gekoppeld aan de RW 1 bestemmingen en niet tevens doorverwezen naar gemeente Vught als rechtsopvolger ? Resumerend: Wij kunnen ons niet voorstellen, dat het onmogelijk is onze RW 2 woning een permanente woonbestemming te geven, middels een te voeren procedure. Waarom toch weer de beperking van 60 m2 wordt opgelegd en een onbeperkte inhoud. Bij het toestaan van een bebouwingsoppervlakte van 70 m2 is automatisch ook weer de inhoud beperkt. Wij hopen op begrip van de gemeenteraad, dat het heel veel uitmaakt of je een woonoppervlakte hebt van 70 m2 i.p.v.

60 m2. In de uitgangspunten is geen wijziging opgenomen voor recreatiewoningen met de bestemming Recreatiewoning-2. Hiervoor blijft dus het vigerende bestemmingsplan van toepassing. Wijziging: Geen.

Zienswijze 28. Bij deze zouden wij graag willen reageren op VOORONTWERPBESTEMMINGSPLAN: “Buitengebied, herziening 2020” het bestemmingsplan buiten gebied van de gemeente Haaren. Graag zouden wij bij ons perceel opgenomen willen hebben dat er een vergunning is af geven in het kader van de Wet natuurbescherming in opdracht van de provincie Noord-brabant. Het overzicht vergunningen Natuurbeschermingswet is aangepast, zodat uitsluitend nog de betrefffende vergunningen worden genoemd. Hier is ook de vergunning voor het adres Oude Bossche Baan 35 aan toegevoegd. Wijziging: Vergunning Oude Bosschebaan 35 is toegevoegd aan bijlage Vergunningen Natuurbeschermingswet.

Zienswijze 29. Namens de huidige eigenaar, zijn wij, al enige tijd bezig met de verkoop en herbestemming van Landgoed Mariënhof, teneinde dit prachtige, rijksmonumentale landgoed te kunnen behouden voor de toekomst. Het Rijks monumentale landgoed Mariënhof is in het verleden altijd als woonhuis gebruikt en heeft pas na het vertrek van de familie de huidige kantoorfunctie gekregen. Deze is in het vigerende bestemmingsplan Buitengebied overgenomen in de bestemming “Bedrijf”, nader gespecificeerd in de functie “kantoor”. Binnen deze bestemming is het toegestaan een bedrijfswoning te hebben van maximaal 750 m3, aldus artikel 8.2 van het bestemmingsplan. Uit ambtelijk overleg is gebleken dat deze 750 m3 bij rijksmonumenten niet rigide toegepast hoeft te worden en ruimere bewoning mogelijk is. Toepassing van dit criterium zou er namelijk toe leiden dat de begane grond bewoond mag worden, alsmede een deel van de verdieping en het restant van het landhuis kantoor zou mogen zijn, evenals het koetshuis. Dat leidt tot een merkwaardige situatie en kan niet de bedoeling zijn van de regelgeving. Uit ambtelijk overleg donderdag 9 juli j.l. is inmiddels ook gebleken dat zowel ambtelijk als bestuurlijk, positief staat tegenover volledige bewoning van het landhuis Mariënhof.

Zoals u wellicht bekend is, is de vraag naar kantoorruimte het laatste decennium en in versterkte maten vanwege de Corona-crisis sterk afgenomen, hetgeen ook zijn weerslag heeft gehad op onderhavig vastgoedobject. Verkoop van het object als kantoor is derhalve in de huidige markt zeer lastig, maar als woning is dit bijzondere pand nog zeer in trek.

Nota van zienswijzen en wijzigingen “Buitengebied Haaren, Herziening 2020” pag. 41

Inmiddels hebben wij een potentiële koper gevonden voor het pand, maar deze wil het pand alleen verwerven indien er een volledige woonbestemming op het landhuis rust. Koper hebben wij leren kennen als een liefhebber van monumenten die het pand duurzaam in stand zal houden. Gelet op de nog steeds krappe huizenmarkt en de stagnerende woningbouw, is dit dé kans om vraag en aanbod bij elkaar te brengen en daarmee ook het behoud van dit rijksmonument voor de toekomst veilig te stellen. Nu is het zo dat het college van burgemeester en wethouders van Haaren op 25 februari 2019 al een principebesluit heeft genomen, om medewerking te verlenen aan een bestemmingswijziging van de huidige bestemming “bedrijf” ten behoeve van de bestemming “wonen” voor het realiseren van 5 appartementen in het landhuis en koetshuis aan de Rijksweg 16 te Helvoirt en daarmee dus een voorschot heeft genomen op de woonbestemming. Het realiseren van meerdere appartementen is voor de potentiële koper niet aan de orde; het gaat hem enkel om het verkrijgen van de woonbestemming voor Landgoed Mariënhof.

Met het wijzigen van de bestemming ten behoeve van “wonen” geeft u tevens invulling aan de “Structuurvisie gemeente Haaren” waarin voor het thema wonen wordt ingezet op “het bieden van onderscheidende woonmilieus”, “het bieden van voldoende woningaanbod” en het creëren van woonruimte in cultuurhistorisch waardevolle gebouwen. Wij hebben uiteraard alle begrip voor de precaire situatie waarin uw gemeente zich bevindt, maar vragen u langs deze weg toch om deze zienswijze gegrond te verklaren en voor Landgoed Marienhof de woonbestemming op te nemen in het ontwerpbestemmingsplan “Buitengebied, herziening 2020”. Landgoed Mariënhof is een bijzondere locatie binnen de gemeente Haaren die het verdient om behouden te blijven voor en bewoond te worden door toekomstige generaties. Wij rekenen derhalve op uw medewerking in deze en zien uw positieve reactie graag spoedig tegemoet. Deze wens vraagt om een aparte herziening van het bestemmingsplan ter plaatse om de inpasbaarheid van de gevraagde aanpassing op de betreffende locatie zorgvuldig af te kunnen wegen. De geschetste situatie is immers niet als zodanig vergund. Wijziging: Geen.

Zienswijze 30. Namens mijn cliënt vraag ik de leden van de gemeenteraad van Haaren het ontwerpbestemmingsplan ‘Buitengebied herziening 2020’ gewijzigd vast te stellen voor zijn locatie aan de Beekweg 3 te Haaren door het bouwvlak 40 m parallel aan de Beekweg te vergroten zodat een bouwvlak ontstaat van circa 10.848 m2. Hiermee is dit bedrijf in staat om de benodigde uitbreiding van de werktuigenberging en de melkveestal te realiseren. Deze wens vraagt om een aparte herziening van het bestemmingsplan ter plaatse om de inpasbaarheid van de gevraagde aanpassing op de betreffende locatie zorgvuldig af te kunnen wegen. De geschetste situatie is immers niet als zodanig vergund. Wijziging: Geen.

Zienswijze 31. In het ontwerpbestemmingsplantentie zitten nog inconsistenties tussen de verbeelding en de regels. Bestemmingen en aanduidingen dienen qua schrijfwijze exact met elkaar overeen te komen. Het is uiteraard duidelijk wat er bedoeld wordt, maar het kan desondanks formele juridische consequenties hebben indien er sprake is van inconsistenties. Het verzoek aan u is deze zaken in overeenstemming met elkaar te brengen. Enkele voorbeelden: • Op de digitale verbeelding zijn de enkelbestemmingen uitgevoerd in ‘Agrarisch met waarden’ en in de regels ‘Agrarisch met Waarden’. Hierdoor komen de regels en verbeelding niet met elkaar overeen. • In artikel 41.7 worden meerdere schrijfwijzen gebruikt van de aanduiding voor de ecologische verbindings De naamgeving regels en verbeelding dienen gelijk te zijn. Deze worden gecontroleerd en waar nodig aangepast.

Nota van zienswijzen en wijzigingen “Buitengebied Haaren, Herziening 2020” pag. 42

Wijziging: 7.4.1 onder c: “ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch met waarden teeltondersteunde voorzieningen'.” Moet zijn “ondersteunende”. Artikel 4, 5, 6, 7 naamgeving bestemming '..Waarden' omzette naar 'waarden'. Artikel 41.7: naamgeving in tekst aanpassen naar overige zone - Natuur Netwerk Brabant ecologische verbindingszone. Artikel Natuur: faunapassage tpv de aanduiding specifieke vorm van verkeer-faunapassage en e.e.a. op de verbeelding. Ten aanzien van spuitzones gewasbeschermingsmiddelen is door uw gemeente navolgende gebruiksbepaling opgenomen (en vergelijkbaar in diverse andere artikelen): 3.4.1 Strijdig gebruik a. Als strijdig gebruik wordt in ieder geval aangemerkt: [….] 7. het gebruik van gronden voor fruitteelt en boomgaarden binnen een afstand van 50 m tot (bedrijfs)woningen inclusief tuinen en erven, sport- en recreatievoorzieningen en maatschappelijke voorzieningen, uitgezonderd en voor zover: • aangetoond is dat geen gebruik wordt gemaakt van gewasbeschermingsmiddelen, dan indien gewasbestrijdingsmiddelen worden toegepast wordt voorzien in een windcirkel en gebruik wordt gemaakt van driftarme spuitdoppen; • het woon- en leefklimaat en/of het verblijfsklimaat voor bestrijdingsmiddelen gevoelige functies niet onevenredig wordt aangetast.

In de regels is nu dus generiek een bepaling opgenomen met een zone van 50 meter rondom gevoelige objecten. Het is daarbij bovendien onduidelijk tot hoe ver deze beperkingen reiken, aangezien de afstand geldt tot woningen, tuinen, erven, sport- en recreatievoorzieningen e.d. Het is dus niet gekoppeld aan specifieke enkelbestemmingen, maar tot allerlei voorzieningen. Dit is rechtsonzeker. Daarnaast zorgt deze bepaling voor onevenredige beperkingen in de bedrijfsvoering van agrarische bedrijven. In de toelichting is bovendien niet opgenomen waarom deze regeling is toegevoegd. Tevens dient door u onderzocht en onderbouwd te worden of dit rechtmatig is wat betreft bestaande belangen. Het is niet zo maar mogelijk om rechtmatig gebruik van gronden voor fruitteelt en boomgaarden onder het overgangsrecht te brengen. In ieder geval dient een uitzondering opgenomen te worden voor bestaand gebruik. In het plan is nu onvoldoende onderbouwd waarom dergelijke volksgezondheidsrisico’s worden aangenomen en dat het daarmee rechtmatig is om bestaande telers in hun rechten te beperken. Vaste jurisprudentie toont aan dat onderbouwd moet worden waarom dit rechtmatig wordt geacht, waarbij alle belangen dienen te worden afgewogen.

In geen enkele wettelijke regeling zijn afstanden vastgelegd die in acht moeten worden genomen voor spuitzones tussen gevoelige functies en percelen met open teelt waarop gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt. Hiervoor dient dus een ruimtelijke afweging te worden gemaakt, waarbij in beginsel in de praktijk wordt uitgegaan van 50 meter als vuistregel. Het Activiteitenbesluit milieubeheer, in combinatie met de Activiteitenregeling milieubeheer, bevat de regels voor de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen op open teelten (paragraaf 3.5.3 Abm). Hierbij wordt zoveel mogelijk driftarme apparatuur voorgeschreven. Sinds 1 januari 2018 geldt hierbij een minimale vereiste driftreductie van 75% (artikel 3.78a Abm) ten opzichte van de referentietechniek. Blijkens het rapport ‘Driftblootstelling van omstanders en omwonenden door boomgaard bespuitingen’, Wageningen UR, rapport 609, mei 2015, kan door de wettelijk voorgeschreven driftreductie van 75% (DRT 75), de aan te houden afstand (in een open veld toestand) reeds verkleind worden tot circa 30 meter (in plaats van 50 meter). Aangezien de driftreductie van 75% wettelijk is vastgelegd, kan de genoemde 50 meter in artikel 3.4.1 dus reeds in ieder geval worden verkleind tot 30 meter.

Verder dient te worden opgenomen dat dit enkel geldt voor open teelten en dus niet voor dergelijke teelten in gebouwen (bijvoorbeeld fruitteelt in kassen). Tevens dient ons inziens een uitzondering te worden gemaakt dat een dergelijke zone in ieder geval niet geldt voor fruitteelt en boomgaarden binnen agrarische bouwvlakken of binnen de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – teeltondersteunende voorzieningen’. Hier zijn immers rechtmatig, of met procedures verkregen, bestaande teelten en teeltondersteunende voorzieningen toegestaan. Anders kan mogelijk onbedoeld de situatie ontstaan dat bijvoorbeeld rechtmatig aanwezige teeltstellingen voor fruit binnen 50 meter vanaf woningen niet meer gebruikt mogen worden. Dit is onwenselijk en raakt agrarische ondernemers in bestaande rechten. Tevens is onduidelijk wat bedoeld wordt met een

Nota van zienswijzen en wijzigingen “Buitengebied Haaren, Herziening 2020” pag. 43

windcirkel? Worden hier windhagen bedoeld? Tevens is onduidelijk wat bedoeld wordt met driftarme doppen (en hoe driftarm die dan moeten zijn). Het Activiteitenbesluit schrijft namelijk reeds minimaal 75% driftreductie voor, dus alle teelten vinden plaats met driftarme doppen. En verder dient verduidelijkt te worden wat bedoeld wordt met ‘boomgaarden’. Gelet op de onderzoeken die er zijn omtrent driftblootstelling (zie o.a. het voornoemde WUR-rapport) dient dit enkel te gaan of om fruitboomgaarden, of om boomgaarden voor de opgaande teelt van laanbomen. Lage neerwaartse bespuitingen bij de reguliere boomteelt (tuinplanten, coniferen, buxussen, heesters e.d.) dienen in ieder geval uitgezonderd te worden van deze bepalingen. Door de spuittechniek (neerwaarts gericht) en de lage teelt is er geen sprake van risico’s voor omwonenden. Bovendien is er sprake van een groot aantal van dit type bestaande boomkwekerijteelten in uw gemeente. De nu opgenomen regeling voor spuitzones is onduidelijk, rechtsonzeker en onevenredig gelet op de belangen van de boomtelers in uw gemeente. Gevoelige functies zijn plaatsen waar regelmatig en voor een groot gedeelte van de dag mensen verblijven of samenkomen. Een woning met tuin/erf wordt als zodanig aangemerkt.

Om te bepalen hoe de afstand moet worden gemeten wordt de specifieke gebruiksregel aangepast, door aan te geven dat er een afstand moet worden aangehouden tot gevoelige functies voor gewasbeschermingsmiddelen. In de begrippenlijst wordt het begrip ‘gevoelige functie voor gewasbeschermingsmiddelen’ toegevoegd. In paragraaf 2.7 van de toelichting wordt dit nu onderbouwd. In paragraaf 2.7 van de toelichting wordt daarom onderbouwd waarom deze regeling wordt toegepast. In de gemeente blijkt dat de gezondheid van omwonenden met de vigerende regeling niet kan worden gegarandeerd. De gewasbeschermingsmiddelen afkomstig van fruitteelt en boomgaarden leidt in situaties tot een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat. In de specifieke gebruiksregel wordt een uitzondering opgenomen voor zover het bestaande en vervanging van bestaande fruitteelt en boomgaarden betreft.In de praktijk bestaat er een vuistregel dat er 50 meter afstand moet worden aangehouden tussen een gevoelige functie voor gewasbeschermingsmiddelen en een agrarisch perceel met open teelten. Het terugbrengen van een acceptabele afstand in het kader van een goede ruimtelijke ordening hangt onder meer af van de soort teelt en de plaatselijke omstandigheden (bv. windrichting, soort gewasbeschermingsmiddelen). Omdat elk geval anders is, dient dit per geval te worden onderzocht en afgewogen. Dat is maatwerk.

Als wordt afgeweken van de richtafstand, moet er een goede onderbouwing voor zijn, blijkt uit deze uitspraak (toen was artikel 3.78a Abm nog niet in werking getreden): ECLI:NL:RVS:2016:855. Ten aanzien van gewasbeschermingsmiddelen bij open teelten is het Activiteitenbesluit milieubeheer sinds 1 januari 2018 inderdaad gewijzigd. De regels ten aanzien van driftreducerende maatregelen zijn verscherpt en op het gehele perceel van toepassing. In Artikel 3.78a van het Activiteitenbesluit staat dat bij het toepassen van gewasbeschermingsmiddelen er een techniek moet worden gebruikt die een driftreductie bereikt van ten minste 75%.Uit het onderzoek van de universiteit Wageningen blijkt dat als gebruik gemaakt wordt van een spuit waarbij een driftreductietechniek van 75% wordt gebruikt er een afstand van 30 meter kan worden aangehouden. Bij deze berekening is uitgegaan van een standaardsituatie waarbij geen haag of oppervlaktewater aanwezig is, en het meest schadelijke gewasbeschermingsmiddel. Als er wel een haag of oppervlaktewater aanwezig zijn wordt de afstand kleiner. De richtafstand wordt daarom aangepast in 30 meter. Ook wordt aangegeven dat het om open teelten gaat en dus niet om teelt in gebouwen. Gezien de eis in het Activiteitenbesluit wordt de voorwaarden voor een windcirkel en driftarme spuitdoppen verwijderd.

Wijziging: Artikel 3.4.1 en dit artikel in de overige agrarische bestemmingen wordt als volgt gewijzigd: a. Als strijdig gebruik wordt in ieder geval aangemerkt: … 7. het gebruik van gronden voor open teelten van sierplanten en bomen en boomgaarden, binnen een afstand van 30 m tot gevoelige functies voor gewasbeschermingsmiddelen, uitgezonderd en voor zover: • het bestaande en vervanging van bestaande open teelten van sierplaten en bomen betreft; • aangetoond is dat geen gebruik wordt gemaakt van gewasbeschermingsmiddelen; • het woon- en leefklimaat en/of het verblijfsklimaat voor bestrijdingsmiddelen gevoelige functies niet onevenredig wordt aangetast. Toevoegen aan artikel 1: “gevoelige functie voor gewasbeschermingsmiddelen: gronden en percelen waar geregeld en gedurende langere periode mensen kunnen verblijven of samenkomen zoals (bedrijfs)woningen, tuinen, erven, zorgfuncties en kampeerterreinen;”

Nota van zienswijzen en wijzigingen “Buitengebied Haaren, Herziening 2020” pag. 44

In paragraaf 2.7 van de toelichting wordt onderbouwd waarom de regeling inzake gewasbeschermingsmiddelen wordt opgenomen. In de beleidsuitgangspunten, als vastgesteld door de gemeenteraad per 20 september 2018, was de doelstelling om een verruiming in de mogelijkheden te bieden voor het hobbymatig houden van dieren. Dit mede vanuit het gegeven dat al jarenlang agrarische gronden gebruikt worden voor het hobbymatig houden van dieren. Met de nu opgenomen regeling in het ontwerpbestemmingsplan zijn deze mogelijkheden echter juist ingeperkt en strenger gemaakt, doordat deze gekoppeld zijn aan een afwijkingsbevoegdheid. Met de nu opgenomen regeling is bovendien onduidelijk wat er wel en niet wordt toegestaan. In artikel 3.5.5 (en vergelijkbare bepalingen in de overige bestemmingsartikelen) is een afwijkingsbevoegdheid opgenomen, waarmee met een omgevingsvergunning afgeweken kan worden van het bepaalde in lid 3.1 voor het hobbymatig houden van dieren. Dit hobbymatig houden van dieren wordt ten eerste gekoppeld aan bepalingen ten aanzien van stikstofemissie, daarnaast wordt gesteld dat de gezamenlijke oppervlakte aan stallen niet meer mag bedragen dan 200 m2.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10540019/1