21-13 Bestemmingsplan ruimte voor ruimte Molenbaan- bijlage 2.2 toelichting
Tekst van het document
In opdracht van de gemeente is 2018 ook onderzoek gedaan naar de gewenste omvang van de sociale huursector. In het rapport is een indicatief woningbouwprogramma voorgesteld (zowel kwantitatief als kwalitatief). Dit is gedaan op basis van de beleidsdoelstellingen en aan de hand een aantal geformuleerde uitgangspunten. Conclusies: Voor zowel Moergestel (70%) als Oisterwijk (79%) geldt dat de bestaande harde en zachte plannen voorzien in een groot deel van de kwantitatieve behoefte voor de komende 10 jaar.
Bestemmingsplan Ruimte voor Ruimte Molenbaan Oisterwijk
|28
De motie om 35% sociaal te bouwen bestaat uit een deel sociale huur en een deel sociale koopwoningen. De opgave sociale huurwoningen wordt grotendeels gerealiseerd in al bekende plannen. De opgave sociale koopwoningen daarentegen is nog niet ingevuld. Het invullen van de opgave sociale koopwoningen vraagt in een krappe woningmarkt en economische voorspoed om creatieve oplossingen. Het merendeel van de inbreidingslocaties sluit voor wat betreft woonmilieu niet aan bij de uitkomsten van het onderzoek. De potentiële inbreidingslocaties bieden in kwantitatieve zin meer dan voldoende ruimte om te voorzien in de behoefte. In Moergestel is sprake van over-programmering in de segmenten middeldure koop grondgebonden en gestapelde woonvormen (middeldure huur en dure koop). In Oisterwijk is sprake van over-programmering in het segment middeldure koop grondgebonden. Het aandeel appartementen in Moergestel is groter dan op grond van het woningbouwprogramma wenselijk is, dit terwijl er nog wel een kwalitatieve restopgave is aan appartementen. Het aandeel appartementen in Oisterwijk is 48%. Op grond van het woningbouwprogramma (60%) is er nog ruimte voor appartementen. Zowel in Oisterwijk als Moergestel is er een tekort aan vrijstaande woningen in de huidige plannen. Daarmee wordt een vraag uit het woningbehoefteonderzoek niet ingevuld.
De opgave beschermd wonen wordt grotendeels gerealiseerd. Met name voor geclusterde woningen voor ouderen ligt er nog een opgave in de kern Oisterwijk. De opgave nultredenwoningen wordt ingevuld met de projecten die voorzien in appartementen. Echter er is ook vraag naar nultredenwoningen in het grondgebonden segment. Dit komt niet terug in de plannen.
Aanbevelingen: De omvang van de bevolking en de woningvoorraad groeien harder dan dat de prognose aangeeft. Onderzoek de oorzaken hiervan en ga hierover het gesprek aan met de provincie en de regio. Wellicht dat er – in tegenstelling tot de huidige prognose – wel rekening kan worden gehouden met een positieve binnenlandse migratie. Bewaak tijdige realisatie van projecten, voorkom langjarige onbenutte plancapaciteit. Overweeg om in anterieure overeenkomsten afspraken te maken over niet tijdig benutte plancapaciteit, zodat andere kansrijke plannen een kans hebben. Onbenutte plancapaciteit beperkt de gemeente in haar woningbouwambities. Maak afspraken over fasering van plannen, zodat plannen niet in elkaars vaarwater zitten Kijk kritisch en realistisch naar potentiële in- en uitbreidingslocaties en het daarbij behorende programma en de mogelijkheden om dit aan te laten sluiten bij de restopgave. Kies voor kwaliteit in plaats van kwantiteit. Maak afspraken over differentiatie en producten en leg dit vast in overeenkomsten en waar mogelijk ook in ruimtelijke plannen. De ontwikkeling van een uitbreidingslocatie biedt de mogelijkheid om te voorzien in de gevraagde woonmilieus en de realisatie van vrijstaande woningen. In een dergelijk plan kan ook ruimte worden bedongen voor sociale/betaalbare koopwoningen. Ga hierover het gesprek aan met regio en provincie.
Het ontwikkelen van een uitbreidingslocatie betekent herprogrammering van inbreidingslocaties. Maak hierin een keuze in zowel programma als tijd.
Bestemmingsplan Ruimte voor Ruimte Molenbaan Oisterwijk
|29
Stel een integraal afwegingskader op keuzes te kunnen maken voor (nieuwe) woningbouwlocaties; Toets nieuwe woningbouwplannen aan de woonagenda en het woningbouwprogramma als onderdeel van de afweging en besluitvorming; Stel voor grotere ontwikkellocaties aan de voorkant het beoogde woonmilieu vast (incl. uitgangspunten), zodat de plannen geënt zijn op het beoogde woonmilieu. Stimuleer nieuwe woonproducten in alle segmenten van de markt, zodat er meer differentiatie ontstaat. Ga een experiment niet uit de weg.
Toetsing plangebied Aan bovenstaande zaken kan dit bestemmingsplan voldoen. Het plan is een nieuw bestemmingsplan dat zorgt voor meer (vrijstaande) woningen voor onder andere gezinnen. Zowel in Oisterwijk als Moergestel is er een tekort aan vrijstaande woningen in de huidige plannen. Daarnaast wil de gemeente meer differentiatie in het woningaanbod. De ontwikkeling van de Ruimte voor Ruimte kavels draagt bij aan differentiatie in het woningaanbod van de gemeente Oisterwijk en is in lijn met het eerste centrale uitgangspunt van de woonvisie. De bouw van de woningen in het plangebied versterkt het woningaanbod. Bebouwingsconcentraties in bestemmingsplan Buitengebied Het bestemmingsplan Buitengebied heeft als één van de doelstellingen: versterken van de ruimtelijke kwaliteit van bebouwingsconcentraties; Het provinciale beleid biedt mogelijkheden om in bebouwingsconcentraties onder voorwaarden ruimere mogelijkheden te bieden voor (her)gebruik van (voormalige) agrarische bedrijfsgebouwen. Naast een verruiming van de gebruiksmogelijkheden kunnen er ook (op beperkte schaal) bouwmogelijkheden worden geboden. Uitgangspunt bij verruimde mogelijkheden is de verbetering van de ruimtelijke kwaliteit in brede zin. Als bebouwingsconcentraties worden in dat verband aangemerkt gebieden met een hogere bebouwingsdichtheid met wisselende functies.
Met het oog op deze beleidsverruiming is geïnventariseerd welke delen van het buitengebied van Oisterwijk in aanmerking komen om als bebouwingsconcentratie te worden aangemerkt. In eerste instantie zijn daarbij 9 gebieden benoemd waar sprake is van een hogere concentratie van bebouwing. 8. Pannenschuurlaan-Molenbaan De Pannenschuurlaan is een zeer drukke weg en vormt de belangrijkste entree van de kern Oisterwijk. Net buiten de kern sluit de Molenbaan aan op de Pannenschuurlaan. Deze kruising is onveilig. Met name langs de Molenbaan is sprake van de nodige bebouwing. Een deel van deze bebouwing is van relatief recente datum. Door de weg- en erfbeplanting langs de Molenbaan is sprake van een enigszins groen karakter. Ondanks de jonge beplanting langs de Pannenschuurlaan is daar het beeld van de brede weg bepalend voor de beleving. De panden worden hoofdzakelijk gebruikt voor woondoeleinden (met aan huis gebonden beroepen) en enkele agrarische en agrarisch verwante bedrijven (onder andere dierenarts en opslag). Enkele panden zijn als voormalig agrarisch bedrijf aan te merken. De Pannenschuurlaan is aangemerkt als ontsluitingsweg in het GVVP, de Molenbaan als erftoegangsweg 2. Langs de Pannenschuurlaan komen enkele verspreide agrarische bedrijven (waaronder een glastuinbouwbedrijf) en woningen voor. Het gebied ligt in de AHS en is aangemerkt als extensiverings-gebied.
In het gebied zijn geen bijzondere natuur- of landschapswaarden aanwezig. Het noordelijke gedeelte van de Pannenschuurlaan en Molenbaan is gelegen in het Leemkuilen-
Bestemmingsplan Ruimte voor Ruimte Molenbaan Oisterwijk
|30
Vennen gebied waar een verdere verstedelijking, overeenkomstig de uitgangspunten voor de Groene Mal, dient te worden voorkomen. Dit betekent echter niet dat deze gebieden allemaal kunnen worden aangemerkt als bebouwingsconcentratie, met ruimere ontwikkelingsmogelijkheden. Op basis van de volgende criteria zijn 5 concentraties geselecteerd die voor verruiming van gebruiks- en bouwmogelijkheden in aanmerking komen: grenzend aan de kern: voor de gemeente is van doorslaggevende betekenis of een concentratie ook direct aan een van de kernen grenst; de mate van concentratie van bebouwing en reeds aanwezige verscheidenheid aan functies; belang van omliggende agrarische bedrijven en na te streven agrarische ontwikkelingen (LOG); verkeer en verkeersveiligheid; aanduidingen op basis van provinciaal en gemeentelijk beleid. Op basis van de genoemde criteria en de analyse (bijlage 6) komen de volgende 5 bebouwingsconcentraties in aanmerking voor een verruiming van gebruiks- en bouwmogelijkheden: Heukelom; Vinkenberg-Heuvelstraat; Pannenschuurlaan-Molenbaan. 't Stokske-Zandstraat-Heiligenboom; Oirschotseweg-De Hild.
In deze bebouwingsconcentraties kunnen, afhankelijk van de kenmerken van de bebouwingsconcentraties, ten opzichte van de overige delen van het plangebied, ruimere bouw- en gebruiksmogelijkheden worden geboden in de vorm van nevenactiviteiten en vervolgfuncties op (voormalige) agrarische bedrijven. De mogelijkheden voor verdichting en verruiming zijn niet in alle bebouwingsconcentraties identiek. Het reeds aanwezige gebruik, de ligging ten opzichte van het LOG, de ruimtelijk kwaliteiten en de functie die aan een gebied is toegekend zijn hierin bepalend. Het gebied Pannenschuur-Molenbaan vormt de entree tot de kern Oisterwijk. Kwaliteitsverbetering kan met name bereikt worden door eisen te stellen aan de bebouwing en landschappelijke aankleding, de toegestane functies zijn minder relevant. Gelet op de grote verkeersdrukte op de Pannenschuurlaan en de slechte bereikbaarheid van de Molenbaan zijn functies met een publieksof verkeersaantrekkende werking niet gewenst.
Bestemmingsplan Ruimte voor Ruimte Molenbaan Oisterwijk
|31
5.
RANDVOORWAARDEN
Op grond van het bepaalde in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is het bij het opstellen van een bestemmingsplan verplicht om inzicht te bieden in de relevante planologische en milieu hygiënische aspecten. In dit hoofdstuk is een verantwoording voor deze aspecten opgenomen.
5.1
Bedrijven en milieuzonering
De Wet milieubeheer zorgt ervoor dat milieuoverlast in woongebieden zoveel mogelijk wordt beperkt. Alle voorzieningen en bedrijven die overlast veroorzaken moeten daarom een vergunning hebben in het kader van de Wet milieubeheer of voldoen aan het Activiteitenbesluit. In “Bedrijven en Milieuzonering” van de VNG (Vereniging van Nederlandse Gemeenten) is een indicatieve richtafstandenlijst voor milieubelastende activiteiten opgenomen. Alle bedrijven die in de buurt van de planlocaties liggen worden aan de hand van een milieucategorie verbonden met een maximale hinderafstand. De afstand is de richtafstand tot een “rustige woonwijk” of een vergelijkbaar omgevingstype zoals “rustig buitengebied”. Onderzoek In de directe nabijheid van plangebied liggen de volgende bedrijfslocaties en inrichtingen: Adres
Bedrijf
Milieucategorie
Richtafstand
Pannenschuurlaan 250 Molenbaan 7a Molenbaan 1 Kerkhovenbaan 6 Kreitenstraat 40 Spreeuwenburgerweg 41
Paprikakwekerij Dierenartsenpraktijk Intensieve veehouderij Intensieve veehouderij Veehouderij Intensieve veehouderij
2 1 4.1 4.1 3.2 4.1
30 m 10 m 200 m 200 m 100 m 200 m
Werkelijke afstand 65 m 165 m 500 m 600 m 380 m 335 m
Spreeuwenburgerweg 60
Intensieve veehouderij
4.1
200 m
410 m
Aan de richtafstanden wordt voldaan. Tussen alle bedrijven en de nieuwe woningen zijn daarnaast al meerdere bestaande woningen gelegen. De bedrijfsvoering van de bestaande bedrijven wordt door de nieuwe woningen niet nadelig beïnvloed. Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de planontwikkeling.
5.2
Bodemkwaliteit
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang om de bodemkwaliteit te onderzoeken. Bij functiewijzigingen moet gekeken worden of de bodemkwaliteit voldoende is ten dienst van de beoogde nieuwe functie. Nieuwe bestemmingen moeten bij voorkeur op schone grond worden gerealiseerd.
Bestemmingsplan Ruimte voor Ruimte Molenbaan Oisterwijk
|32
Onderzoek Verkennend bodemonderzoek noordelijk gedeelte/paardenweide In september / oktober 2018 een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd voor het noordelijke gedeelte van het plangebied (bijlage, Aeres Milieu, AM17056, 11 oktober 2018). Uit de analyseresultaten blijkt dat in de bovengrond en in de ondergrond geen gehalten zijn gemeten verhoogd ten opzichte van de achtergrondwaarden. Het freatisch grondwater is licht verhoogd met nikkel, barium en naftaleen. De resultaten van dit bodemonderzoek geven geen aanleiding tot het uitvoeren van een aanvullend of nader bodemonderzoek. De milieuhygiënische conditie van de bodem vormt geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling. Indien er werkzaamheden plaatsvinden, waarbij grond vrijkomt, kan de grond mogelijk niet zonder meer worden afgevoerd of elders worden toegepast. Ten aanzien van hergebruik van deze grond elders is het Besluit Bodemkwaliteit van toepassing. Het grondwater ter plaatse van de onderzoekslocatie is niet multifunctioneel toepasbaar. Het wordt daarom afgeraden het freatisch grondwater te gebruiken voor consumptie, besproeiing of proceswater. Actualiserend verkennend bodem- en asbestonderzoek zuidelijk gedeelte In januari 2019 is een actualiserend verkennend bodem- en asbestonderzoek (bijlage, Aeres Milieu, AM17056-2, 25 januari 2019) uitgevoerd op het zuidelijke gedeelte, perceel sectie H, nr.
948 gelegen aan de Molenbaan (ong.) te Oisterwijk. Uit de analyseresultaten blijkt dat de bovengrond (plaatselijk) licht verhoogd is met zink, Polycyclische Aromatische Koolwaterstoffen (PAK 10-VROM), Polychloorbifenylen (som PCB en minerale olie. Het freatisch grondwater is plaatselijk licht verhoogd met nikkel. Ter plaatse van deellocatie G (zie vooronderzoek) is geen verhoogd gehalte aan minerale olie vastgesteld. Het sterk verhoogde gehalte aan minerale olie in de bovengrond ter plaatse van deellocatie G dat tijdens het aanvullend bodemonderzoek uit december 2008 (Aeres Milieu rapport met kenmerk AM08250) is aangetroffen, is niet bevestigd. Bij de uitvoering van het verkennend onderzoek naar asbest zijn op het maaiveld en in de grove fractie van de uitgegraven grond visueel geen asbestverdachte materialen aangetroffen. Uit de resultaten van de geanalyseerde grond(meng)monsters (fijne fractie) blijkt dat geen verhoogde concentraties aan asbest zijn aangetoond. De resultaten van dit bodemonderzoek geven geen aanleiding tot het uitvoeren van een aanvullend of nader bodemonderzoek. De milieuhygiënische conditie van de bodem vormt geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling.
Bestemmingsplan Ruimte voor Ruimte Molenbaan Oisterwijk
|33
De aangetroffen licht verhoogde gehalten in de grond kunnen wel bij grondafvoer beperkingen opleveren ten aanzien van het (her)gebruik van de grond omdat dan veelal andere normen gelden. Ten aanzien van hergebruik van deze grond elders is het Besluit Bodemkwaliteit van toepassing. Aanvullend bodemonderzoek ondergrond In juli 2020 is een aanvullend bodemonderzoek ondergrond uitgevoerd (bijlage, Aeres Milieu, AM20360, 21 juli 2020) voor het op het zuidelijke gedeelte, perceel sectie H, nr. 948. Het doel van het aanvullend bodemonderzoek is om vast te stellen of er eventuele verontreinigingen in de ondergrond bevinden. Uit de analyse resultaten blijkt dat in de ondergrond geen gehalten gemeten zijn verhoogd ten opzichte van de achtergrondwaarde. De resultaten van dit bodemonderzoek geven geen aanleiding tot het uitvoeren van een aanvullend of nader bodemonderzoek. Conclusie De milieuhygiënische conditie van de bodem vormt geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling.
5.3
Cultuurhistorie en archeologie
5.3.1 Cultuurhistorie De provinciale Cultuurhistorisch Waardenkaart biedt inzicht in cultuurhistorische waarden en archeologische verwachtingswaarden binnen de gemeente. Kenmerkend voor het plangebied zijn: - Historische zichtrelaties (molenbiotoop) - Historische geografie buiten de cultuurhistorische landschappen Molenbiotoop Het plangebied ligt in de molenbiotoop van de Kerkhovense molen. Een molenbiotoop of molenbeschermingszone is een gebied waarbij vaak beperkingen gelden voor gebouwen en/of beplantingen in de omgeving van een molen. Dit om zo veel mogelijk onbelemmerende toetreding van de wind voor molens mogelijk te maken. Het plangebied ligt in de molenbiotoop van de Kerkhovense molen. De regels omtrent die molenbiotoop zijn vastgelegd in het bestemmingsplan ‘Woongebieden Oisterwijk’ en in het bestemmingsplan ‘Buitengebied’. Het gehele plangebied behoudt de dubbelbestemming ‘Waarde – Cultuurhistorie’. De voor Waarde - Cultuurhistorie aangewezen gronden zijn - behalve voor de andere aldaar voorkomende bestemming(en) - mede bestemd voor de bescherming van de molen als werktuig en als beeldbepalend cultuurhistorisch waardevol element. Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels: a. binnen een afstand van 100 meter tot het middelpunt van de molen wordt geen bebouwing opgericht met een bouwhoogte van meer dan 0 meter; b.
binnen een afstand van 100 meter tot 200 meter tot het middelpunt van de molen wordt geen bebouwing opgericht met een bouwhoogte van meer dan 7 meter;
Bestemmingsplan Ruimte voor Ruimte Molenbaan Oisterwijk
|34
c. d. e. f.
g.
h.
binnen een afstand van 200 meter tot 300 meter tot het middelpunt van de molen wordt geen bebouwing opgericht met een bouwhoogte van meer dan 8 meter; binnen een afstand van 300 meter tot 400 meter tot het middelpunt van de molen wordt geen bebouwing opgericht met een bouwhoogte van meer dan 10 meter; binnen een afstand van 400 meter tot 500 meter tot het middelpunt van de molen wordt geen bebouwing opgericht met een bouwhoogte van meer dan 11 meter; het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde onder a t/m e indien: 1. de vrije windvang of het zicht op de molen al zijn beperkt vanwege aanwezige bebouwing en de windvang en het zicht op de molen niet verder worden beperkt vanwege de nieuw op te richten bebouwing; 2.
toepassing van de in dit lid onder a t/m e bedoelde maten de belangen in verband met de nieuw op te richten bebouwing onevenredig zouden schaden; indien op grond van de regels voor de andere, op deze gronden voorkomende bestemmingen een lagere maximale bouwhoogte geldt dan de maximaal toelaatbare bouwhoogte ingevolge dit lid onder a t/m e, prevaleert de maximaal toelaatbare bouwhoogte van de andere bestemmingen; indien op grond van de regels voor de andere, op deze gronden voorkomende bestemmingen een hogere maximale bouwhoogte geldt dan de maximaal toelaatbare bouwhoogte ingevolge dit lid onder a t/m e, prevaleert de maximaal toelaatbare bouwhoogte van de bestaande bouwwerken.
Daarnaast is de volgende regeling voor, onder andere, hoogopgaande beplanting opgenomen: Aanlegverbod zonder omgevingsvergunning Het is binnen een afstand van 500 meter van de molen verboden op of in de gronden met de bestemming Waarde - Cultuurhistorie zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van het bevoegd gezag (omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden) de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: a. het beplanten met bomen, heesters en andere hoog opgaande beplanting; b. het ophogen van gronden. Uitzondering op het aanlegverbod Het verbod is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die: a. normaal beheer of onderhoud ten dienste van de bestemming betreffen; b. reeds op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan in uitvoering zijn; c. noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarvoor ingevolge deze regels een omgevingsvergunning voor afwijken is verleend; d. het beplanten met bomen, heesters en andere opgaande beplanting die als zij volgroeid zijn, niet hoger zijn dan de maximaal toelaatbare bouwhoogte van de gebouwen op het zelfde bouwperceel zoals in het plan is toegestaan. Op de afbeelding is te zien dat het grootste gedeelte van het plangebied meer dan 200 meter van de molen gelegen is.
In het bestemmingsplan ‘Woongebieden Oisterwijk’ staat dat binnen een afstand van 200 tot 300 meter tot het middelpunt van de molen geen bouwwerken worden opgericht met een bouwhoogte van meer dan 8 meter. Het plangebied valt voor het grootste gedeelte binnen deze regeling. Voor dit gebied is een bouwhoogte van 8 meter voor de nieuwe woningen opgenomen in dit bestemmingsplan.
Bestemmingsplan Ruimte voor Ruimte Molenbaan Oisterwijk
|35
Het zuidoostelijke gedeelte valt in de zone van 100 tot 200 meter vanaf de molen. Hier is op basis van de regeling voor de molenbiotoop een hoogte van 7 meter toegestaan. De huidige regeling voor de molenbiotoop wordt overgenomen in dit bestemmingsplan.
200 m lijn vanaf molen Hoogte volgens molenbiotoop 8 m
molen
Hoogte volgens molenbiotoop 7 m;
Bestaande woningen tussen Plangebied en molen
Invloedgebied (blauw omlijnd) Kerkhovense molen in straal van 200 meter mbt plangebied (rood omlijnd)
Cultuurhistorische waardenkaart Op de Cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Noord-Brabant maakt het plangebied onderdeel uit van de regio Meierij. Cultuurhistorisch belang De bewoningsgeschiedenis en de inrichting van het gebied zijn in hoge mate bepaald door de natuurlijke terreingesteldheid. De indeling in agrarische gebruikseenheden (akkers, graslanden en woeste gronden) is op veel plaatsen nog goed herkenbaar. In combinatie met de dorpen en buurtschappen en de plaatselijk aanwezige kleinschaligheid verleent dit het gebied een grote landschappelijke en cultuurhistorische waarde. Twee andere aspecten die het landschap van de Meierij kenmerken zijn de landgoederen en buitenplaatsen en de populierenteelt. Essentiële aspecten In de regio liggen de volgende cultuurhistorische landschappen van provinciaal belang: Groene Woud, Beerse en Baardwijkse Overlaat (gedeeltelijk), Loonse en Drunense Duinen, Landgoederenzone ten zuiden van Tilburg (gedeeltelijk). Dragende structuren in de regio zijn: De oude agrarische cultuurlandschappen met akkercomplexen, beemden, broekgebieden; De dorpen en buurtschappen met langgevelboerderijen; De woeste gronden met heidevelden, vennen en zandverstuivingen; De kastelen, kloosters, landgoederen en buitenplaatsen; De populieren; De Zuid-Willemsvaart
Bestemmingsplan Ruimte voor Ruimte Molenbaan Oisterwijk
|36
Ontwikkelingsstrategie 1. Behoud door ontwikkeling of versterking van de samenhang van de dragende structuren van de regio.; 2. De cultuurhistorische waarden van de Meierij in hun samenhang verder ontwikkelen, beschermen en toeristisch-recreatief ontsluiten. Dit geldt in het bijzonder voor de cultuurhistorische landschappen:“Groene Woud” (ook deels in gebiedspaspoort Kempen) en “De Loonse en Drunense Duinen”; 3. Het duurzaam en in samenhang behouden van het bodemarchief (o.a. door afstemming van het gemeentelijk archeologiebeleid) van de archeologische landschappen: “Loonse en Drunense Duinen”, “Dekzandrug Tilburg-Den Bosch” en “Dommeldal Nuenen-Gestel”. Historische geografie De Kerkhovenbaan is op de kaart historische geografie aangewezen als Lijn van redelijk hoge waarde. De zandweg Kerkhovensebaan heeft in het bestemmingsplan Buitengebied de bestemming Verkeer- cultuurhistorische waarden. De weg is bestemd voor: behoud van de cultuurhistorische waarde zoals deze tot uiting komt in het overwegend onverharde karakter van wegen; Hierop uitwegen vraagt mogelijk om een aanpassing van dat bestemmingsplan (Buitengebied) op dit gebied om het ook als extra calamiteitenroute te mogen gebruiken. Tussen de Kerkhovenbaan en de nieuwe woningen komt een bomenrij van 4 meter breed.
Monumenten Op de gemeentelijke monumentenlijst van de gemeente Oisterwijk en de rijksmonumentenlijst staan geen monumenten die in het plangebied gelegen zijn. Conclusie In dit bestemmingsplan is rekening gehouden met de molenbiotoop. Andere cultuurhistorische waarden worden door de planontwikkeling niet aangetast. 5.3.2 Archeologie Verdrag van Malta In 1998 heeft het parlement het Europese Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed goedgekeurd. Dit zogeheten Verdrag van Malta voorziet in een beperking van de risico’s op aantasting van cultureel erfgoed. Dit kan door het archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in oorspronkelijke vindplaats te bewaren en door de integratie van archeologie in de ruimtelijke ordening. Monumentenwet De implementatie van het Verdrag van Malta is gekomen met het in werking treden van de nieuwe Wet op de archeologische Monumentenzorg op 1 september 2007. Het belangrijkste uitgangspunt om rekening met te houden is dat archeologische waarden zoveel mogelijk in de grond te behouden zodat deze beter geconserveerd worden. De herziening van de monumentenwet bepaald dat gemeenten een eigen archeologiebeleid op stellen. Beleidsplan Archeologie (2018) De gemeenteraad heeft in 2018 het ‘Beleidsplan Archeologie – gemeente Oisterwijk’ vastgesteld.
Het beleidsplan gaat in op hoe de gemeente Oisterwijk kan voldoen aan de Wet op de archeologische monumentenzorg en geeft tevens aan hoe de gemeente in uiteenlopende omstandigheden om wil gaan met historische bodemschatten.
Bestemmingsplan Ruimte voor Ruimte Molenbaan Oisterwijk
|37
Voor de gehele gemeente is daarbij een verwachtingskaart opgesteld. De verwachtingskaart geeft inzicht in het archeologisch erfgoed binnen de gemeente. Op de verwachtingskaart is door de aanduidingen laag-, middelhoog- en hoog verwachtingsgebied aangegeven wat de archeologische verwachtingen zijn. De verwachtingskaart is vertaald in een beleidskaart waaraan matrixnormen zijn gekoppeld. Op de beleidskaart en in de matrixnormen is opgenomen hoe wordt omgegaan met archeologie in de betreffende verwachtingsgebieden. Vervolgens staat in het beleidsplan wanneer archeologisch onderzoek wel of niet verplicht is en aan welke eisen dat onderzoek moet voldoen. Onderzoek Uit zowel de archeologische verwachtingskaart van de gemeente Oisterwijk als het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ (2011) blijkt dat er een lage archeologische verwachtingswaarde op het grootste gedeelte van het plangebied ligt. Enkel op een strook aan de zuidzijde met een oppervlakte van ca. 2.500 m2 geldt de Waarde – Archeologie 5. Bij ingrepen met een oppervlakte groter dan 2.500 m2 en dieper dan 0,5 m-mv is een archeologische onderzoek vereist. Het grootste deel van deze zone bestaat uit de bestaande watergang met groenstrook en de tuinen van de nieuwe woningen. Het te verstoren oppervlakte zal daardoor onder de grens van 2.500 m2 blijven. Een nader archeologisch onderzoek is niet noodzakelijk.
In het bestemmingsplan is voor deze strook wel de dubbelbestemming Waarde – Archeologie 5 opgenomen.
Ligging plangebied op Archeologische Beleidskaart gemeente Oisterwijk
Conclusie Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de planontwikkeling.
5.4
Externe veiligheid
Bestemmingsplan Ruimte voor Ruimte Molenbaan Oisterwijk
|38
Bij Externe Veiligheid gaat het om de gevaren voor de directe omgeving in het geval dat er iets mis gaat tijdens de productie, het behandelen of het vervoer van gevaarlijke stoffen. De verbonden risico’s moeten binnen de perken blijven. Hiervoor worden normstellingen gehanteerd: Het plaatsgebonden risico is vooral gericht op de te realiseren basisveiligheid voor burgers; het groepsrisico stelt beperkingen aan de maatschappelijke ontwrichting als gevolg van calamiteiten met gevaarlijke stoffen. In het Besluit Externe Veiligheid Inrichtingen (BEVI) is vastgelegd dat voor iedere toename in het groepsrisico een verantwoordingsplicht geldt, ongeacht of er door de wijziging een norm wordt overschreden. Onderzoek Provincie Noord-Brabant heeft de externe veiligheid binnen het grondgebied van de provincie in kaart gebracht in de risicokaart. Het plangebied is grotendeels gelegen buiten de invloedsgebieden van risicovolle inrichting en/of routes. Hieronder is dat nog onderverdeeld in categorieën.
Ligging plangebied op risicokaart.nl
Risicovolle inrichtingen buiten het plangebied In of in de nabijheid van het plangebied zijn geen risicovolle inrichtingen aanwezig. Transport per buisleidingen In of in de nabijheid van het plangebied zijn geen leidingen gelegen die planologisch relevant zijn. Op ruim 1 kilometer ligt de 24" Products Pipeline Pernis – Venlo. Transport over de weg of spoor
Bestemmingsplan Ruimte voor Ruimte Molenbaan Oisterwijk
|39
In de nabijheid van het plangebied vindt transport van gevaarlijke stoffen plaats over (spoor)wegen. Het plangebied ligt op ca. 600 meter van de N65. De afstand tot de spoorlijn Tilburg – Eindhoven bedraagt ca. 900 meter. Het spoortraject Tilburg – Eindhoven heeft een invloedsgebied van > 4km in verband met het vervoer van toxische stoffen. Om die reden dient getoetst te worden aan artikel 7 van het Besluit externe veiligheid transportroutes. Voor de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid kan aansluiting worden gezocht bij de standaard verantwoording en het standaard advies van de Veiligheidsregio. Deze stukken zijn als bijlage bij het bestemmingsplan gevoegd. Transport over water In of in de nabijheid van het plangebied vindt geen transport plaats over het water van gevaarlijke stoffen. Beleidsregels Bereikbaarheid en bluswater Het plan dient te voldoen aan de beleidsregels “Bereikbaarheid en bluswater”: Bluswater: Het plan gebied dient te beschikken over een brandkraan binnen 200 meter van elke woning. Dit is op dit moment niet het geval.Dit houdt in dat bij de uitleg van de drinkwaterleiding rekening gehouden dient te worden met een debiet van 60 m3/h. Deze brandkraan dient centraal in het plangebied te worden aangelegd. Daarnaast dient binnen 2500 meter een openwater aanwezig te zijn waar een dompelpomp kan worden ingezet met een capaciteit van 120 m3/h.
Dit is te realiseren Op de Moergestelseweg ter hoogte van het Stroomdalpad of de Leemkuilen aan de overzijde van de N65. Bereikbaarheid Bij het ontwerp en civieltechnische uitwerking van de openbare ruimte in het plangebied is rekening gehouden met de eisen voor de bereikbaar voor de hulpdiensten conform de beleidsregels bereikbaarheid en bluswater. Het uiteindelijke civieltechnisch ontwerp zal aan de veiligheidsregio worden voorgelegd. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de planontwikkeling.
5.5
Natuurwetgeving
Wet natuurbescherming Vanaf 1 januari 2017 is de nieuwe Wet natuurbescherming (Wn) van kracht. Deze wet vervangt drie wetten; de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en Faunawet. Natura 2000-gebieden Natura 2000 is een Europees netwerk van natuurgebieden, waarin belangrijke flora en fauna voorkomen. Als het gaat om gebiedsbescherming, vervalt de bescherming van de Beschermde natuurmonumenten. Deze monumenten houden wel indirect bescherming, omdat ze vrijwel altijd vallen (op enkele kleine gebieden na) binnen Natura 2000 of het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen EHS (Ecologische Hoofdstructuur), zij het niet in dezelfde mate. Verder hebben provincies de bevoegdheid om bijzondere provinciale landschappen en natuurgebieden aan te wijzen. De Minister kan ze in een later stadium toevoegen aan Natura 2000-gebieden. Daarnaast verandert er voor Natura 2000-gebieden weinig, aangezien de bescherming van deze gebieden is gebaseerd op internationale verplichtingen en die zijn niet veranderd.
Bestemmingsplan Ruimte voor Ruimte Molenbaan Oisterwijk
|40
Er zijn per Natura 2000-gebied (instandhoudings)doelen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die kan weten of een vermoeden heeft dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingsdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen te beperken of achterwege te laten. Het bevoegd gezag kan activiteiten, die schadelijk zijn, beperken en eisen dat een vergunning op de Wet natuurbescherming wordt aangevraagd. In Natura 2000-beheerplannen zijn regulier beheer en bestaand gebruik vastgelegd. Er hoeft daarvoor na het vaststellen van de Natura 2000-beheerplannen geen vergunning worden aangevraagd. Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de nieuwe benaming voor de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Het NNN is het Nederlandse netwerk van bestaande en nieuwe aan te leggen natuurgebieden. Door dit netwerk moeten natuurgebieden beter verbonden worden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het NNN is gebaseerd op provinciale regelgeving. Deze regelgeving is met de invoering van het Wet natuurbescherming niet veranderd. Het Rijk was tot 2014 verantwoordelijk voor de begrenzing en ontwikkeling van dit natuurnetwerk. De provincies zijn vanaf 2014 hiervoor verantwoordelijk.
In het NNN liggen: bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de kustzone van de Noordzee en de Waddenzee; alle Natura 2000-gebieden. In het Natuurpact hebben de provincies met het rijk afgesproken om tot 2027 80.000 hectare natuur in te richten. Het NNN moet uiteindelijk samen met de natuurgebieden in andere Europese landen het aaneengesloten pan-Europees Ecologisch Netwerk (PEEN) vormen. Beschermde planten en dieren De lijsten met beschermde soorten zijn veranderd. Er zijn soorten die voorheen beschermd waren en onder de Wet natuurwetbescherming (Wn) niet meer en andersom. Zo zijn een aantal soorten orchideeën, de kleine modderkruiper en rode bosmieren sinds 1 januari 2017 niet meer beschermd. De Wn kent drie algemene beschermingsregimes waarin de voorschriften van de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en twee verdragen (Bern en Bonn) zijn geïmplementeerd en waarin aanvullende voorschriften zijn gesteld voor de dier- en plantensoorten die niet onder die specifieke voorschriften vallen, maar wel bescherming: Vogels alle vogels in de zin van de Vogelrichtlijn (paragraaf 3.1 van de Wn).
Verder nemen de meeste provincies de onder de Flora- en faunawet benoemde vogelsoorten waarvan het nest jaarrond werd beschermd over. Voor een aantal vogelsoorten geldt dat hun nesten jaarrond beschermd zijn, ook als de soort op het moment van de handeling geen gebruik maakt van het nest. Dit is het geval wanneer een vogelsoort jaarlijks terugkeert naar zijn nest en niet of nauwelijks in staat is om elders in zijn leefgebied een vervangend nest te vinden of te maken. Internationaal beschermde soorten alle dieren en planten, genoemd in de bijlagen bij de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (paragraaf 3.2 van de Wn). Overige beschermde soorten soorten genoemd in de bijlage bij de Wn, die niet onder de reikwijdte van paragraaf 3.2 vallen
Bestemmingsplan Ruimte voor Ruimte Molenbaan Oisterwijk
|41
(paragraaf 3.3 van de Wn). Hieronder vallen onder meer de ‘algemene’ soorten die onder de Flora- en faunawet bij ruimtelijke ingrepen waren vrijgesteld. Vrijwel al deze soorten zijn door alle provincies eveneens voor ruimtelijke ingrepen vrijgesteld (een uitzondering geldt bijvoorbeeld voor de mol, die onder de Wn niet meer is beschermd). De beschermde status van soorten kan echter per provincie verschillen. Provincies hebben de bevoegdheid om bij provinciale verordening vrijstelling te verlenen voor nationaal beschermde soorten. Er is dan geen ontheffing nodig voor werkzaamheden. Voor soorten die ook niet in de bijlagen van de Wn worden genoemd, fungeert de zorgplichtbepaling (artikel 1.11 Wn) als vangnet. Op grond van deze bepaling moeten schadelijke handelingen voor alle in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving in beginsel achterwege worden gelaten, dan wel moeten maatregelen worden genomen om schadelijke gevolgen (zoveel mogelijk) te voorkomen. Onderzoek Voor het plangebied is een quickscan natuurwetgeving uitgevoerd door middel van een veldbezoek en een literatuurstudie (Aeres Milieu, 9 april 2020, AM20136, externe bijlage).
Uit het onderzoek komen de volgende conclusies: Natura 2000 Omdat het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied op een afstand van 1,4 kilometer ligt en er tussen dit Natura 2000-gebied en het plangebied onder andere de drukke N65 ligt, is het niet te verwachten dat de plannen enig effect op de natuurwaarden in dit gebied zullen hebben. Overige beschermde Natura 2000-gebieden bevinden zich op nog grotere afstand. Hierdoor is er geen vergunning nodig op grond van de Wnb. Voor het aspect stikstof is een aparte berekening uitgevoerd, waarop elders in deze paragraaf wordt ingegaan. NatuurNetwerk Brabant Omdat er geen negatieve effecten op het NNB zijn te verwachten, zijn er op dit punt geen bezwaren vanuit het provinciale natuurbeleid. Planten en dieren Algemene zoogdieren en amfibieën In het plangebied komen mogelijk zoogdieren en amfibieën voor, die onder de Wnb zijn beschermd. Het gaat om algemeen voorkomende soorten (zogenaamde A-soorten), waarvoor in de provincie Noord-Brabant een algemene vrijstelling geldt in geval van ruimtelijke ontwikkeling en beheer en onderhoud. Dit houdt in dat deze soorten verstoord mogen worden, zonder dat daar vooraf een ontheffing voor is verkregen. Wel geldt altijd de Zorgplicht (artikel 1.11 Wnb): deze houdt in dat nadelige gevolgen voor dieren en planten altijd zoveel mogelijk moeten worden voorkomen.
Om aan de algemene zorgplicht te voldoen, moeten tijdens het werk worden aangetroffen dieren zo snel mogelijk naar een aangrenzende locatie buiten het plangebied worden verplaatst. Ook dient de poel bij voorkeur te worden gedempt in de periode 1 september t/m 31 januari. Dit voorkomt dat kleine watersalamanders en hun larven worden gedood of verwond. Algemene vogels In de te rooien vegetatie komen in het broedseizoen mogelijk beschermde vogelnesten voor. Het gaat om vogels waarvan het nest niet jaarrond wordt beschermd en waarvoor geen
Bestemmingsplan Ruimte voor Ruimte Molenbaan Oisterwijk
|42
omgevingscheck nodig is. Doden en vernielen van broedvogels/eieren/jongen kan worden voorkomen door het verwijderen van struiken en bomen buiten het broedseizoen uit te voeren (buiten de periode 15 maart – 15 juli). Door naleving van deze mitigerende maatregel worden ten aanzien van vogels geen overtredingen van de Wnb begaan. Eksters In het plangebied bevindt zich een eksternest. De ekster is een ‘categorie 5 soort’; dat wil zeggen dat het nest niet jaarrond is beschermd, maar dat er middels een omgevingscheck dient te worden nagegaan of er in en rond het plangebied voldoende alternatieven aanwezig zijn (Dienst Regelingen, 2000b en –c; Ministerie van Economische zaken, 2016). Omdat dat het geval is hoeft er voor de kap van de boom met het eksternest geen ontheffing op de Wnb te worden aangevraagd. Uiteraard dient dit wel buiten het broedseizoen van de ekster te gebeuren; dus buiten de periode 15 maart – 15 juli. Wezel De houtsingels (zie figuur 4.4) dienen mogelijk als voortplantings- en/of rustplaats voor wezels. De wezel is een algemeen beschermde soort (A-soort), waarvoor in Noord-Brabant geen vrijstelling is gegeven bij ruimtelijke ingrepen. Omdat de houtsingels blijven behouden is er ten aanzien van de wezel geen overtreding op de Wnb. Stikstof Met de uitspraak van de Raad van State is het Programma Aanpak Stikstof komen te vervallen.
Ieder plan en project zal daarom moeten aantonen dat er geen sprake is van negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen voor de kwalificerende soorten en habitattypen uit de dichtstbijzijnde stikstofgevoelige delen in de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden. Het Natura 2000-gebied ‘Loonse en Drunese Duinen & Leemkuilen’ is het dichtstbijzijnd gelegen op circa 1,4 km. Het natura 2000-gebied ‘Kampina & Oisterwijkse Vennen’ is gelegen op circa 2,5 km van het plangebied. Voor het plan is met Aerius Calculator 2019 een berekening (bijlage, Ordito, 2 maart 2020) uitgevoerd voor zowel de aanlegfase als de nieuwe gebruiksfase van het project. Met betrekking tot de realisatie van de 19 vrijstaande woningen aan de Molenbaan te Oisterwijk is in de aanlegfase wel een rekenresultaat hoger dan 0,00 mol/ha/j op de omliggende Nederlandse Natura 2000-gebieden berekend. Voor de gebruiksfase is geen rekenresultaat hoger dan 0,00 mol/ha/j op de omliggende Nederlandse Natura 2000-gebieden berekend. Voor dit planvoornemen is dus eventueel wel een natuurvergunning vereist.
Echter, er zijn twee alternatieven voor de aanlegfase mogelijk: Indien het planvoornemen een fasering kent van 11 woningen in het eerste jaar en 8 woningen in het tweede jaar, past het planvoornemen binnen de stikstofnormen en is geen natuurvergunning vereist; Indien elektrische mobiele werktuigen worden ingezet in de aanlegfase, past het planvoornemen binnen de stikstofnormen en is geen natuurvergunning vereist. De gebruiksfase past wel binnen de stikstofnormen. De alternatieven zijn hierop niet van toepassing.
Bestemmingsplan Ruimte voor Ruimte Molenbaan Oisterwijk
|43
De haalbaarheid is voor dit bestemmingsplan voldoende aangetoond. Een Wnb-vergunning is mogelijk noodzakelijk, maar het ligt in de lijn der verwachting dat die verleend kan worden (eventueel via het stikstofregistratiesysteem). Ten tijde van de aanvraag omgevingsvergunning bouwen zal een nieuwe Aerius-berekening worden uitgevoerd. Op dat moment kan beter ingeschat worden wat de fasering is van de bouw, welke mobiele werktuigen (stageklasses, ureninzet en vermogen) worden ingezet en tot welke emissie dit zal leiden. Indien op dat moment blijkt dat een aanvraag Wnb-vergunning noodzakelijk is, dan wordt deze aangevraagd. Conclusie Indien de voorwaarden uit de quick scan natuurwetgeving worden nageleefd, zijn er geen belemmeringen te verwachten. Wat betreft stikstof is de haalbaarheid is voor dit bestemmingsplan voldoende aangetoond. Een Wnb-vergunning is afhankelijk van de exacte fasering en bouwwijze mogelijk noodzakelijk, maar het ligt in de lijn der verwachting dat die verleend kan worden (eventueel via het stikstofregistratiesysteem).
5.6
Geluid
Beleid Het aspect geluid speelt een belangrijke rol in de omgevingskwaliteit. Er bestaan verschillende geluidsbronnen die van invloed kunnen zijn op deze omgevingskwaliteit. Overlast van geluid op geluidsgevoelige functies dient te worden voorkomen. In de Wet geluidhinder (Wgh) wordt onderscheid gemaakt tussen verkeerslawaai en industrielawaai. Ter bepaling van de geluidsbelasting dient op grond van de Wgh iedere weg in beschouwing te worden genomen tenzij de weg binnen een woonerf gelegen is of voor de weg een maximum rijsnelheid van 30 km/uur geldt. De te beschouwen wegen hebben een onderzoekszone waarbinnen een akoestisch onderzoek dient plaats te vinden. De grootte van de zone is afhankelijk van het aantal rijstroken en de definitie van het gebied (buitenstedelijk of binnenstedelijk). Op grond van de Wgh bedraagt de voorkeursgrenswaarde 48 dB op de gevels van geluidgevoelige bestemmingen. In artikel 1 van de Wet geluidhinder wordt een beperkt aantal type objecten aangemerkt als geluidsgevoelig object. Dit zijn: woningen, geluidsgevoelige terreinen en andere geluidsgevoelige gebouwen (onder andere onderwijsgebouwen, ziekenhuishuizen en verpleeghuizen). Objecten die niet onder deze categorieën zijn te scharen zijn op basis van de Wgh niet beschermd tegen geluidhinder.
Onderzoek Voor de realisatie van een aantal nieuwe woningen op percelen nabij de Kerkhovenbaan te Oisterwijk, door is een akoestisch onderzoek (K+ adviesgroep, Rm160638aaA0, 21 juli 2020) verricht naar de te verwachten optredende geluidbelastingen. Omdat de exacte ligging van de nieuwe woningen nog niet bekend was, is de ligging van de 48 en 63dB contour bepaald, respectievelijk de voorkeursgrenswaarde en de maximale ontheffingswaarde binnenstedelijk gebied. Molenbaan
Bestemmingsplan Ruimte voor Ruimte Molenbaan Oisterwijk
|44
Er is sprake van een 30 km/h zone, zodat niet hoeft te worden getoetst aan de Wet geluidhinder. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de weg wel meegenomen en zijn de optredende gevelbelastingen beschouwd volgens de systematiek van de Wet geluidhinder. De voorkeursgrenswaarde wordt niet overschreden. De geluidbelasting is ten hoogste 47 dB (incl. art. 110g Wgh). Er is sprake van een goed woon- en leefklimaat..
Pannenschuurlaan De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt op een deel van het plangebied overschreden. De maximale ontheffingswaarde voor stedelijk gebied van 63 dB wordt op het perceel nergens overschreden. Wordt in het gebied gebouwd waar de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden, dan kan bij de gemeente Oisterwijk een verzoek worden ingediend voor het verlenen van een hogere waarde. In de voorliggende situatie kan als ontheffingscriterium worden aangedragen dat het bouwplan een open plaats opvult tussen al aanwezige bebouwing. Het treffen van maatregelen (bron- en/of scherm) stuit op financiële bezwaren. De kosten voor dergelijke maatregelen zullen naar verwachting een bedrag van € 100.000,-- ruim overschrijden en zijn om die reden niet nader onderzocht. Indien een hogere toelaatbare waarde wordt vastgesteld, kan de gemeente aan deze ontheffing aanvullende voorwaarden stellen. Dit kan betekenen dat het bouwplan dient te beschikken over tenminste één geluidluwe gevel. Hieronder wordt veelal verstaan dat de gevelbelasting niet hoger mag zijn dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Bedrijfsweg Op het overgrote deel van het perceel wordt de voorkeursgrenswaarde niet overschreden ten gevolge van de geluidbelasting van deze weg. Op één waarneempunt aan de noordoostzijde van het perceel wordt de voorkeursgrenswaarde op 7,5 meter hoogte overschreden.
Ter plaatse van de bouwvlakken wordt de voorkeursgrenswaarde nergens overschreden. De maximale ontheffingswaarde wordt nergens overschreden. Wordt toch in het gebied gebouwd waar de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden, dan kan bij de gemeente Oisterwijk een verzoek worden ingediend voor het verlenen van een hogere waarde. In de voorliggende situatie kan als ontheffingscriterium worden aangedragen dat het bouwplan een open plaats opvult tussen al aanwezige bebouwing. Het treffen van maatregelen (bron- en/of scherm) stuit op financiële bezwaren. De kosten voor dergelijke maatregelen zullen naar verwachting een bedrag van € 100.000,-- ruim overschrijden en zijn om die reden niet nader onderzocht. Indien een hogere toelaatbare waarde wordt vastgesteld, kan de gemeente aan deze ontheffing aanvullende voorwaarden stellen. Dit kan betekenen dat het bouwplan dient te beschikken over tenminste één geluidluwe gevel. Hieronder wordt veelal verstaan dat de gevelbelasting niet hoger mag zijn dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Conclusie Als gevolg van de geluidbelasting van de Pannenschuurlaan dienen door de gemeente Oisterwijk hogere waarden verleend te worden voor de woningen.
5.7
Geurhinder Bestemmingsplan Ruimte voor Ruimte Molenbaan Oisterwijk
|45
De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt vanaf 1 januari 2007 het toetsingskader voor de milieuvergunning, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. Deze wet geeft normen voor de geurbelasting, die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object (zoals een woning). Dit geldt alleen voor dieren waarvoor geuremissiefactoren zijn opgenomen in de Wvg. Voor niet intensieve landbouwhuisdieren zijn geen geuremissiefactoren vastgelegd. Ten opzichte van deze bedrijven gelden minimaal aan te houden afstanden, zoals vastgelegd in artikel 4 en 5 van de Wvg. Hiervoor dienen de minimale afstanden van 50 meter tot een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom, en 100 meter tot een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom te worden aangehouden. Daarbij wordt een onderscheid gemaakt tussen ligging binnen en buiten de bebouwde kom. De Wgv bevat afstandsnormen die in acht moeten worden genomen. In artikel 3 van de Wet zijn de ten hoogste toegestane geurbelastingen bepaald. Onderzoek In de ruimere omgeving van het plangebied liggen enkele agrarische bedrijven met intensieve veehouderij. Tussen de bestaande (intensieve) veehouderijen en het plangebied liggen al veel bestaande woningen. De veehouderijen worden door de nieuwe woningen daarom niet in hun bedrijfsvoering beperkt.
In het kader van het bestemmingsplan Correctieve herziening Buitengebied is in 2015 een planMer opgesteld. Hierin is onder andere de geurbelasting in de gemeente Oisterwijk in de referentiesituatie berekend. Uit deze berekening blijkt dat de geurbelasting ter plaatse van het plangebied van de Ruimte voor Ruimte woningen tussen de 0 en 3 ouE/m3 bedraagt. Een dergelijke achtergrondbelasting in het buitengebied komt overeen met 6% geurgehinderden en hiermee met een ‘goed’ woon- en leefklimaat.
Bestemmingsplan Ruimte voor Ruimte Molenbaan Oisterwijk
|46
Ligging plangebied op kaart geurbelasting referentiesituatie planMer Buitengebied 2015
Conclusie Het aspect geurhinder vormt geen belemmering voor de planontwikkeling.
5.8
Luchtkwaliteit
Inleiding Nederland heeft de Europese regels ten aanzien van luchtkwaliteit geïmplementeerd in de Wet Milieubeheer (Wm). Op 15 november 2007 is het onderdeel luchtkwaliteit van de Wet milieubeheer in werking getreden. Kern van de wet is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Hierin wordt gereguleerd hoe moet worden omgegaan met overschrijdingen op het gebied van de luchtkwaliteit. In bijlage 2 van de Wet milieubeheer worden stoffen genoemd die mogelijk vrij kunnen komen bij activiteiten binnen een inrichting, zoals fijn stof (PM10 en PM2,5), stikstofdioxide (NO2), benzeen (C6H6), koolmonoxide (CO) en zwaveldioxide (SO2). Aangezien binnen Nederland met name de componenten PM10 en NO2 relevant zijn, worden in voorliggende memo enkel de emissies als gevolg van deze componenten beschouwd. Het programma houdt rekening met nieuwe ontwikkelingen zoals bouwprojecten of de aanleg van infrastructuur. Projecten die passen binnen de voorwaarden van het Programma, behoeven niet meer te worden getoetst aan de normstelling (grenswaarden) die gelden voor de luchtkwaliteit. Ook projecten die 'Niet in betekenende mate' (NIBM) van invloed zijn op de luchtkwaliteit behoeven niet te worden getoetst aan deze grenswaarden. De criteria om te kunnen beoordelen in hoeverre
Bestemmingsplan Ruimte voor Ruimte Molenbaan Oisterwijk
|47
sprake is van NIBM, zijn vastgelegd in de Regeling NIBM. Er is sprake van een “Niet in betekenende mate bijdragen” indien vanwege het bouwplan de concentraties in de buitenlucht aan zowel fijnstof (PM10) als stikstofdioxide (NO2) met niet meer dan 3% toeneemt. De “Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)” wijst categorieën van gevallen aan die als “niet in betekende mate” worden aangemerkt waarmee invulling wordt gegeven aan artikel 5.16, vierde lid, van de Wet milieubeheer. Hiermee wordt voorkomen dat voor projecten waarvan op voorhand gesteld kan worden dat deze niet in betekenende mate bijdragen, een uitgebreide toetsing voor het aspect luchtkwaliteit dient plaats te vinden. Zo zijn in de “Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)” woningbouwlocaties aangewezen die zullen worden voorzien van één ontsluitingsweg en die netto niet meer dan 1500 nieuwe woningen genereren. In het geval van twee ontsluitingswegen geldt hierbij netto niet meer dan 3000 nieuwe woningen. Hiervan is derhalve vastgesteld dat deze “niet in betekenende mate” bijdragen aan de luchtkwaliteit, ofwel de concentraties aan de genoemde componenten in de buitenlucht met niet meer dan 3% toenemen. Onderzoek NIBM Uit de regeling NIBM blijkt dat een project met minder dan 1.500 woningen niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging.
In dit geval is sprake van een woningbouwproject met 7 reeds planologisch vergunde woningen en 12 nieuwe woningen, waardoor de luchtkwaliteitsaspecten geen belemmering vormen voor dit project. NSL-monitoringstool In de NSL-monitoringstool is de huidige en toekomstige luchtkwaliteit weer gegeven. Op de kaarten van de NSL-monitoringstool zijn rekenpunten langs de Pannenschuurlaan aanwezig. Uit de resultaten blijkt dat zowel in 2018, 2020 en 2030 voor de stoffen stikstofdioxide en fijnstof geen sprake is van overschrijdingen van concentraties en aantal overschrijdingsdagen. Er kan geconcludeerd worden dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat ten aanzien van luchtkwaliteit. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de planontwikkeling.
5.9
Water
Kaderrichtlijn Water De Kaderrichtlijn water is een Europese richtlijn die moet leiden tot een verbetering van de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater. De Kaderrichtlijn moet in landelijke wet- en regelgeving worden omgezet. Met de komst van de Implementatiewet EG-kaderrichtlijn water is de KRW vertaald in de Nederlandse wetgeving. De Europese Kaderrichtlijn heeft gevolgen voor de gemeente op het gebied van riolering, afkoppelen, toepassing van bouwmaterialen en het ruimtelijke beleid. Er worden ecologische en fysisch-chemische doelen geformuleerd die afhankelijk zijn van de functie van een watergang. Nationaal Waterplan 2016-2021 Het nationaal waterbeleid voor de komende jaren is in 2015 vastgesteld in het Nationaal Waterplan 2016-2021 door het kabinet. Het Rijk streeft naar een duurzaam en klimaatbestendig waterbeheer en heeft de ambitie om de komende decennia te investeren in bescherming tegen overstromingen Bestemmingsplan Ruimte voor Ruimte Molenbaan Oisterwijk
|48
en in de zoetwatervoorziening. Voor een duurzaam en klimaatbestendig watersysteem is het van belang bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening te houden met waterhuishoudkundige eisen op de korte en de lange termijn. In de jaren voorafgaand aan het eerste Nationaal Waterplan uit 2009, gaven de Vierde Nota waterhuishouding, de Commissie Waterbeheer 21ste eeuw en het Nationaal Bestuursakkoord Water een belangrijke impuls aan het waterbeheer. Dit gaat met het Nationaal Waterplan 2016-2021, vastgesteld in 2015, een nieuwe fase in. Provinciaal water- en milieuplan Op 18 december 2015 is het Provinciaal Milieu- en Waterplan 2016 – 2021 (PMWP) vastgesteld. Het PMWP biedt gemeenten en waterschappen een kader voor hun eigen beleid. Het PMWP staat voor samenwerken aan Brabant waar iedereen prettig woont, werkt en leeft in een veilige en gezonde leefomgeving. De doelen van het PMWP zijn: voldoende water voor mens, plant en dier schone en gezonde leefomgeving (bodem, water en lucht) bescherming van Brabant tegen overstromingen en externe risico’s verduurzaming van onze grondstoffen-, energie- en voedselvoorziening. Waterschap De Dommel Onderhavig plangebied ligt binnen het beheergebied van het Waterschap De Dommel. Het beleid van het waterschap De Dommel is gericht op het voorkomen van rechtstreekse lozingen op het oppervlaktewater.
De voorkeursvolgorde voor het omgaan met hemelwater is ‘vasthouden, bergen, afvoeren’. Ten aanzien van de waterkwaliteit is de voorkeursvolgorde ‘schoonhouden, scheiden en zuiveren’. Voor nieuwbouwinitiatieven is het uitgangspunt dat deze ‘waterneutraal’ dienen te zijn. Dit betekent dat de ontwikkelingen niet mogen leiden tot verslechteringen aan het watersysteem. Voorkomen moet worden dat het water versneld afvoert ten gevolge van een toename van het verhard oppervlak. Het waterschapsbeleid is onder meer beschreven in: Waterbeheerplan 20162021. Het Waterbeheerplan beschrijft de doelstellingen van Waterschap De Dommel voor de periode van 2016-2021 en hoe deze doelstellingen worden gerealiseerd. Meer dan voorheen wordt ingespeeld op initiatieven van derden en kansen die zich voordoen in het gebied. Om daarvoor voldoende ruimte te laten, geeft het Waterbeheerplan alleen aan wat het waterschap wil bereiken, zonder exact aan te geven hoe dat moet worden gedaan. De volgende thema’s komen aan bod:
Droge voeten: voorkomen van wateroverlast in het beheergebied. Voldoende water: zowel voor de natuur als de landbouw. Natuurlijk water: zorgen voor flora en fauna in en rond beken en sloten. Schoon water: zuiveren van afvalwater en vervuiling van oppervlaktewater aanpakken. Mooi water: stimuleren dat mensen de waarde van water beleven.
Brabant Keur Voor de beheergebieden van de waterschappen Aa en Maas, Brabantse Delta en De Dommel geldt dezelfde keur: Brabant keur. De keur bevat regels ter bescherming van de waterwerken die nodig zijn voor een goed waterbeheer (kwantiteit) en voor de bescherming van het gebied tegen hoog water. Bij veel projecten is sprake van een toename van het verharde oppervlak. Hieromtrent is bij de Algemene regels bij de keur het volgende opgenomen: 1. Bij een toename van het verharde oppervlak van minder dan 2.000 m² stelt het waterschap geen andere eisen aan de verwerking van het hemelwater. Hiervoor geldt het gemeentelijk beleid. 2. Bij een toename van het verharde oppervlak van meer dan 2.000 m² maar minder dan 10.000 m² moeten compenserende maatregelen ten aanzien van de verwerking van het hemelwater Bestemmingsplan Ruimte voor Ruimte Molenbaan Oisterwijk
|49
worden getroffen conform de rekenregel: benodigde compensatie (in m²) X gevoeligheidsfactor X 0,06 (in m²). Bij een toename van het verhard oppervlak van meer dan 10.000 m² is een watervergunning nodig. Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen De notitie geeft uitgangspunten en randvoorwaarden bij het hydrologisch neutraal bouwen en maakt inzichtelijk welke hydrologische gevolgen ruimtelijke ontwikkelingen kunnen hebben op het watersysteem. De notitie bevat beleidsuitgangspunten, voorwaarden en normen om de negatieve hydrologische gevolgen te compenseren binnen de ontwikkeling. Gemeente Oisterwijk Binnen de gemeente Oisterwijk is het waterbeleid ingebed binnen het ruimtelijk beleid en de reguliere werkzaamheden. Oisterwijk is volledig voorzien van riolering in stedelijk en buitengebied. Over het algemeen is het beleid voor stedelijk afvalwater duidelijk. Hemelwater en afvalwater worden gescheiden. De afgelopen 20 jaar is ruim 20% van de verharding afgekoppeld van het gemengde rioolstelsel. Voor de opvang, buffering en infiltratie van hemelwater is een stelsel aangelegd van infiltratieriolering, open infiltratievoorzieningen en infiltratiekelders. Bij nieuwe ontwikkelingen zoals bijvoorbeeld Pannenschuur zijn direct voorzieningen aangelegd.
Binnen Oisterwijk is het beleid steeds meer gericht op het voorkomen van (de gevolgen van de klimaatverandering zoals) wateroverlast, tegengaan van verdroging en zorg voor een veilige leefomgeving. Als gevolg van ‘global warming’ krijgen we meer te maken met Hittestress. Hittestress is een fenomeen waarbij, door verstening van de omgeving, het ontbreken van water en groen bij hitte, de effecten van de opwarming toenemen en leiden tot slechtere leefomgeving. Door toepassing van maatregelen zoals bijvoorbeeld ‘groene daken’ of andere warmte onttrekkende maatregelen (groene voortuinen, Kop van de Lind) wordt de omgeving beter leefbaar. Vanuit water wordt steeds meer ‘klimaatadaptief’ gewerkt met hemelwater. Daarmee wordt bedoeld dat hemelwater opgevangen wordt, gebufferd, waar mogelijk hergebruikt, geïnfiltreerd en pas als laatste afgevoerd naar oppervlaktewater. De Waterwet schrijft voor dat iedereen op eigen terrein daarvoor zelf verantwoordelijk is. Het beleid voor de toekomst is er vooral op gericht om door afkoppeling en buffering/infiltratie water vast te houden en terug te brengen in de bodem. Het water moet dan bij voorkeur oppervlakkig (bijv. vijver/sloot) gebufferd worden. Totaal moet nog minimaal 20% van het verharde areaal afgekoppeld worden in kern Oisterwijk en kern Moergestel.
Binnen het stedelijk gebied is er door de inbreidingen en het groenareaal niet meer voldoende ruimte om die voorzieningen te realiseren. Aan de randen van de kernen zijn zoekgebieden aangegeven in de visie voor de buffering en infiltratie van water. De gemeente Oisterwijk zelf hanteert het uitgangspunt dat het gehele verharde oppervlak dient te worden afgekoppeld. Hemelwater van daken en verhardingen mag dus niet via het gemengde rioolstelsel worden afgevoerd. In buitengebieden is afvoer van hemelwater via de riolering veelal niet eens haalbaar gezien de capaciteit van de (druk)riolering aldaar.
Bestemmingsplan Ruimte voor Ruimte Molenbaan Oisterwijk
|50