21-13 Bestemmingsplan ruimte voor ruimte Molenbaan- bijlage 2.2 toelichting
Tekst van het document
Bij nieuwe bebouwing wordt hydrologisch neutraal gebouwd. Elke verslechtering in kwantitatieve zin moet gecompenseerd worden. In geval van de gemeente betekent dit veelal het aanleggen van retentie. Waar mogelijk wordt gekozen om afvloeiend hemelwater zichtbaar in te zamelen, te bergen en/of af te voeren op basis van de beleidsnotitie afkoppelen. In nieuwe bestemmingsplannen en/of wijzigingsplannen wordt in de waterparagraaf opgenomen hoe de berekening van de waterberging plaatsvind. Aan de hand van de werkelijke uitwerking wordt de definitieve berekening gemaakt. Daarbij wordt gebruik gemaakt van de hoeveelheid regen in mm1 zoals die in de Keur van het Waterschap is opgenomen. De rekenmethode is als volgt: Hoeveelheid toe te rekenen verharding in m2 (gewoonlijk 100% van het verharde opp.) Hoeveelheid regen in mm1 (op dit moment 60 mm1 = 0,06 m1) Berekening is opp. in m2 x regen in m1 = hoeveelheid m3 water. Voor het gedeelte water dat niet op eigen terrein verwerkt kan worden, wordt het aantal m3 vermenigvuldigd met de kosten/m3. Voor 2018 is dit bedrag vastgesteld op € 350/m3 excl. BTW. Dit bedrag wordt vanaf 2019 opgenomen in de legesverordening en dan jaarlijks geïndexeerd. Bij de behandeling dient de volgende voorkeursvolgorde (waterkwantiteit) zoveel mogelijk te worden gevolgd: hergebruik, vasthouden, bergen, infiltreren, afvoeren.
Grondwater Bij de aanleg van nieuwe bebouwing worden zo min mogelijk ontwateringsmiddelen toegepast. Waar mogelijk zal gekozen worden voor het ophogen van terreinen om de ontwateringsdiepte op acceptabel niveau te houden. Voor nieuwe bebouwing wordt uitgegaan van het volgende uitgangspunt: GHG 0,70 m1 - mv met een overschrijdingskans van maximaal 4 weken p/jr. 0,50 - mv Onderzoek Voor het plangebied is een infiltratieonderzoek uitgevoerd (bijlage, Aeres Milieu, AM17056, 10 april 2019). In dit onderzoek zijn de volgende aspecten onderzocht: Bodem Het plangebied ligt noordelijk van de bebouwde kom van Oisterwijk (gemeente Oisterwijk). In het verleden was zuid(oost)elijk bebouwing aanwezig. Deze is gesloopt waarna het terrein geëgaliseerd is. Van belang bij voorkoming van grondwateroverlast is de hoogteligging van het plangebied in relatie tot de optredende grondwaterstanden. Het plangebied is in westelijke richting aflopend vanaf de Molenbaan (ca. 10,8 meter +NAP) naar de Kerkhovensebaan (ca. 10,6 meter +NAP). Het noordwestelijke weiland is vanaf de kavelgrenzen aflopend naar de centraal westelijk gelegen poel (maaiveldhoogtes van 10,6 meter +NAP naar ca. 9,6 rondom de poel. De westelijke watergang heeft een slootbodem op ca. 9,1-9,2 meter +NAP. Het wei- en akkerland westelijk ligt op ca. 9,6 meter +NAP. De Kerkhovenbaan ligt op ca. 10,1-10,7 meter +NAP en de Molenbaan op ca.
11-11,1 meter +NAP. Onderstaande afbeelding geeft een overzicht van de genoemde hoogteverschillen visueel weer.
Bestemmingsplan Ruimte voor Ruimte Molenbaan Oisterwijk
|51
Grondwater De optredende grondwaterstanden zijn afhankelijk van de lokale bodemopbouw en ontwatering van het gebied. Hiervoor is gebruik gemaakt van gekende bodemdata (verkennende bodemonderzoeken Aeres Milieu tussen 2007-2009 en omstreeks 2018-2019, archeologisch veldonderzoek Synthegra (rapnr. P0502294) en de verzamelde informatie bij het uitgevoerde veldwerk binnen de onderzoekslocatie. Het plangebied ligt in het zuidelijk zandgebied binnen de Centrale Slenk. Volgens het Dinoloket en Bodemdata Nederland is ter plaatse een fijn, zwak tot sterk lemig dekzand (Laagpakket van Wierden) te verwachten met binnen 1,2 m-mv een zandige leemlaag (beiden Formatie van Boxtel). Hieronder is de goed doorlatende ondergrond behorende tot de Formatie van Sterksel aanwezig (grindhoudende, fijn tot grof zand, afgezet door de Maas). Door verstuivingen en insnijdingen in het landschap zijn in de toplaag dekzandruggen en beekdalen ontstaan. Het plangebied ligt in een relatief laaggelegen, vlak dekzandgebied waarbij een gooreerdgrond te verwachten is. Gooreerdgronden zijn onder andere ontwikkeld in vlak gelegen gebieden met sterk lemige dekzanden tot ca. 70 cm diep. Nabij dorpen is hierop een sterk humeuze toplaag aanwezig door bemesting met plaggen.
Bestemmingsplan Ruimte voor Ruimte Molenbaan Oisterwijk
|52
Het grondwater stroomt in oostelijke richting en is op ca. 7-9,2 meter +NAP te verwachten. Door de bodemopbouw is een sterk fluctuerende grondwaterstand te verwachten. Dit blijkt ook uit de gekende grondwatergegevens bij de provincie Noord-Brabant en waterschap De Dommel. De gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) is westelijk binnen het plangebied op ca. 20-60 cmmv te verwachten (ca. 9,2 m +NAP). Voor de rest van het perceel zal dat naar verwachting ca. 80 cm-mv zijn door de hogere ligging dan het westelijke weiland. De gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG) in de zomer is op ca. 2-2,5 m-mv te verwachten. Dit grote verschil heeft naar verwachting te maken met de aanwezigheid van zandige leemlagen in de ondiepe ondergrond en de hierdoor sterk vertraagde doorlatendheid naar de diepere ondergrond bij een langdurige natte periode. Nabij de zuidwestelijke hoek van het plangebied is een gemaal aanwezig (zie afbeeldingen 4 en 5). Het gemaal aan de Pannenschuur is omstreeks 1989-1991 aangelegd ten behoeve van de ontwatering van het agrarisch gebied. Het gemaal pompt water uit het lager gelegen agrarisch gebied naar de zuidelijk van het plangebied gelegen A-watergang (zie afbeelding 5).
Bestemmingsplan Ruimte voor Ruimte Molenbaan Oisterwijk
|53
In oktober 2018 en januari 2019 zijn door veldwerkers van Aeres Milieu verspreidt over de onderzoekslocatie boringen geplaatst. De boorlocaties zijn weergegeven in bijlage 3 en de boorprofielbeschrijvingen zijn opgenomen in bijlage 4. Het noordwestelijk deel van de onderzoekslocatie betreft een lager gelegen weiland met westelijk een akkerland. Het zuid(oost)elijk terrein is in het verleden licht opgehoogd en geëgaliseerd. Bij de uitgevoerde boringen is gemiddeld een humeuze toplaag van ca. 0,5 meter dik aanwezig. Centraal in het weiland (boring 2 en A) is de toplaag dunner (ca. 25 cm dik). Op de randen van het weiland en op het zuidoostelijk braakliggend perceel is plaatselijk een dikkere humeuze toplaag van ca. 0,8 meter dik aanwezig. Hieronder is een zeer tot matig fijn, zwak siltig zand aanwezig. Deze wordt siltiger naar de ondergrond toe. Zuidelijk binnen de onderzoekslocatie (boringen 3, 13, 02 en 24) is de leemlaag op ca. 1-1,5 m-mv aangetroffen. Noordwestelijk nabij boorpunt 6 is de leemlaag op 1,5 m-mv. aangetroffen. Centraal en noordoostelijk binnen de onderzoekslocatie is de leemlaag rond 2 m-mv. waargenomen. De aangetroffen leemlaag is ca. 60-120 cm dik. Hieronder is een matig fijn, zwak siltig zand aangetroffen. Het grondwater is ten tijde van het veldwerk in januari 2019 op ca. 2,4-3 m-mv. aangetroffen.
Bij de bodemonderzoeken in 2007-2009 is het grondwater op 1,1-2,4 m-mv. aangetroffen. Voorts is bij enkele uitgevoerde veldinspecties ter plaatse van het weiland water op het maaiveld waargenomen. Dit is mogelijk te wijten aan de slempvorming door de siltigheid van de bodem en de lagere ligging van het maaiveld nabij de poel. Bij de planontwikkeling dient rekening gehouden te worden met deze optredende grondwaterstanden. Voor de woningbouw dient een voldoende hoog bouwpeil aangehouden te worden om toekomstige grondwateroverlast te vermijden. Geadviseerd wordt om een drooglegging van 0,7 tot 1 meter aan te houden. Derhalve is afhankelijk van de eventuele aanleg van een kruipruimte een bouwpeil van minimaal 10 meter +NAP geadviseerd. Hiervoor is plaatselijk een ophoging benodigd. Vooral ter plaatse van het weiland is in de huidige situatie de toepassing van een kruipruimte afgeraden. Geadviseerd wordt om middels enkele infiltratiemetingen verspreidt binnen het plangebied vast te stellen of de aanwezige bodem voldoende doorlatend is om over te gaan tot de aanleg van een infiltratievoorziening. De onderzoekslocatie bevindt zich zover bekend niet binnen een attentie- of beschermingsgebied behorend tot een waterwingebied. Oppervlakte-, hemel- en afvalwater Westelijk binnen het plangebied is een poel aanwezig (zie afbeeldingen 2, 3 en 5).
De poel in de paardenwei is tussen 1996 en 2000 aangelegd. Nabij de poel is een brede droogvallende sloot aanwezig. Zuidwestelijk van het plangebied stroomt een B-watergang met nabij de inrit tot de akker een gemaal (zie afbeelding 5). Deze pompt water in de zuidelijk van het plangebied gelegen A-watergang ZL25_HO01 vanwaar het in noordoostelijke richting afstroomt naar de Raamse Loop. In de A-watergang zijn ten behoeve de toegang tot de onderzoekslocatie 2 duikers aanwezig. De Awatergang is ca. 3,5 meter breed (insteek tot insteek).
Bestemmingsplan Ruimte voor Ruimte Molenbaan Oisterwijk
|54
Ter plaatse vindt momenteel geen afvoer van afvalwater plaats. Voor de nieuwbouwwoningen zal een separaat DWA-stelsel aangelegd dienen te worden. Uitgangspunt is de aanleg van een gescheiden stelsel waarbij het hemelwater ter plaatse verwerkt dient te worden (infiltreren of bergen en vertraagd afvoeren). Om vast te stellen of binnen het plangebied hemelwater kan infiltreren, zijn diverse metingen uitgevoerd in de verzadigde en onverzadigde bodem.
Infiltratiemetingen Uit de uitgevoerde infiltratiemetingen in de onverzadigde zone westelijk tot centraal van het plangebied blijkt dat de fijne, siltige bodem goede infiltratie in de bodem belemmert. Zuid- en oostelijk op het terrein is een goede infiltratiesnelheid aangetoond. Dit is mogelijk te relateren aan de hogere ligging (egalisatie en menging van bodemlagen in het verleden). De onder de leemlaag gelegen zwak tot matig siltige zandlaag laat een goede infiltratie van water in de bodem toe. Concluderend uit de metingen blijkt dat binnen het plangebied infiltratie in de bodem stagneert in de siltige zandlagen van de Formatie van Boxtel. Ter plaatse is wel sprake van horizontale verspreiding. De gemeten waardes komen overeen met de literatuurwaardes voor zeer tot matig fijn, zwak tot sterk siltig zand. Door de diepere grondwaterstanden kan gedurende 3/4e van het jaar weliswaar vertraagde infiltratie in de bodem plaatsvinden. In langdurig natte periodes zijn hogere grondwaterstanden te verwachten waardoor een hemelwatervoorziening bij voorkeur boven de verwachte GHG van 40-80 cm-mv (ca. 9,3 meter +NAP) aangelegd wordt.
Gezien de aanwezige siltige bodemlagen en de sterk wisselende infiltratiewaardes in de onverzadigde bovengrond wordt de aanleg van een absolute infiltratievoorziening op de onderzoekslocatie niet geadviseerd tenzij ter plaatse grindpalen door de leemlaag, een plaatselijke grondverbetering of een ondergelegen grindkoffer gerealiseerd wordt om zo de lediging te bespoedigen (rechtstreeks onder de leemlaag infiltreren).
Bestemmingsplan Ruimte voor Ruimte Molenbaan Oisterwijk
|55
Gezien de ligging in het buitengebied gaat de voorkeur uit naar bovengrondse afvoer middels molgoten of infiltratiegreppels langs de weg (ca. 20 mm bergen) die overlopen naar een centrale retentie (ca. 40 mm bergen) en die voorzien wordt van een leegloop op het primair oppervlaktewater. Voor de aanleg van een infiltratievoorziening met grondverbetering kan een kwaarde van 0,6 meter per dag aangehouden worden. Waterberging In de nieuwe situatie neemt de verharding toe. Het uitgangspunt is dat de kavels voorzien in waterberging op eigen terrein en dat het hemelwater afkomstig van het openbaar gebied opgevangen wordt in een centrale waterberging. Voor de vrijstaande woningen op ruime percelen (500 tot 1.000 m2) wordt 40% van het uitgeefbaar terrein als verharding gerekend. Waterberging eigen terrein woningen Onderdeel Bruto oppervlak Percelen vrijstaande woningen 13.863 m2 Rekenregel benodigde waterberging Oppervlakte verharding in m2 x 0,06 m1 = hoeveelheid m3 water Gemiddeld per kavel Waterberging openbare ruimte Verharding openbare ruimte Rekenregel benodigde waterberging Oppervlakte verharding in m2 x 0,06 m1 = hoeveelheid m3 water
Netto oppervlak 5.545 m2
Telt voor 40% mee
5.567 m2 x 0,06 m1 = 333 m3 333m3 / 19 = ca. 17,5 m3
1.95 m2
1.950 m2
1.95 m2 x 0,06 m1 = 117 m3
In het plangebied dient in totaal 450 m3 water geborgen te worden. Hiervan wordt 333 m3 op eigen terrein van de vrijstaande woningen geborgen en 117 m3 afkomstig van het openbaar gebied in een centrale waterberging. Centrale waterberging In het plan is een centrale waterberging aan de zuidwestzijde gesitueerd. Hierin zal het hemelwater afkomstig van de openbare ruimte worden opgevangen. Voor het geval de infiltratietijd te traag zal zijn, wordt een noodoverloop gemaakt op de bestaande A-watergang langs de Kerkhovenbaan. Hiervoor is toestemming nodig van waterschap De Dommel. De leegloop- en overloopvoorziening zal voldoen aan de regels van het waterschap. De benodigde compensatie heeft als boven- en ondergrens respectievelijk de noodoverloopconstructie en de lokale grondwaterstand. De grondwaterstand is bepaald op de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG), zodat infiltratie in de bodem mogelijk is en de capaciteit niet wordt beperkt door grondwater. Deze centrale waterberging heeft een oppervlakte van ca. 750 m2. Er is nog voldoende ruimte om te kunnen voorzien in natuurvriendelijke oevers en taluds. Uitgaande van een GHG op de locatie van de waterberging van 0,20 – 0,40 m-mv kan een waterschijf van 20 tot 40 cm geborgen worden. Dit is afhankelijk van de overstorthoogte als bovengrens. Dit betekent dat ca. 150 tot 300 m3 geborgen kan worden in de centrale waterberging.
Dit is voldoende capaciteit voor de benodigde berging van ca. 117 m3.
Bestemmingsplan Ruimte voor Ruimte Molenbaan Oisterwijk
|56
In verband met de robuustheid van het systeem zijn twee opties voor de afvoer naar de centrale voorziening mogelijk. Dit kan bovengronds door middel van geulen, een wadi, of door middel van een transportleiding plaatsvinden. Voor de afvoer en infiltratie van regenwater gaat de voorkeur van de gemeente uit naar verwerking in wadi’s langs de weg. Deze kunnen tevens dienst doen als waterberging. Een andere optie is om in de nieuwe ontsluitingswegen transportleidingen aan te brengen. IT-riolering is in verband met de GHG niet geadviseerd omdat deze dan drainerend zal werken. Rekening dient gehouden worden met de verwachting dat dichte buizen onder de GHG continu vol blijven staan waardoor bezinking optreed. Waterberging op eigen terrein De vrijstaande woningen moeten elk beschikken over waterberging op eigen terrein. Dit is als voorwaardelijke verplichting in de planregels opgenomen. Gemiddeld genomen dient per woning 17,5 m3 aan waterberging gerealiseerd te worden. Hiervoor kan gekozen worden voor open water in bijvoorbeeld de vorm van vijvers of laagtes in de tuin. Daarnaast kan ook gekozen worden voor het plaatsen van infiltratiekratten onder de verharding (terras of oprit) of een vergelijkbaar systeem. Voor een plaatsing onder een licht belaste verharding dient een gronddekking van minimaal 0,5 meter aangehouden worden.
Waarschijnlijk is een combinatie van maatregelen noodzakelijk, bijvoorbeeld infiltratiekratten onder het terras in combinatie met laagtes in de tuin of toepassing van halfverharding of waterpasserende verharding. Lozing van hemelwater op openbaar gebied is niet toegestaan. Afvalwater Het afvalwater dat binnen het plangebied zal worden geproduceerd, zal worden afgevoerd via een nieuw aan te leggen DWA rioolstelsel binnen het plangebied. Dit stelsel wordt aangesloten op het bestaande (gemengde) rioolstelsel langs de Pannenschuurlaan. Hiervoor moet het bestaande drukrioleringssysteem en rioolgemaal in de Molenbaan aangepast worden. Watertoets De waterparagraaf is voorgelegd aan waterschap de Dommel.
5.10
Gezondheid
Veehouderijen Uit verschillende onderzoeken is bekend dat omwonenden van veehouderijen blootgesteld worden aan verhoogde concentraties van geur, fijn stof, endotoxinen en biologische agentia. Deze blootstelling kan tot hinder en gezondheidsklachten leiden. Gezondheidseffecten die waargenomen zijn, zijn luchtwegklachten, longontstekingen, een verminderde longfunctie en een verergering van klachten van mensen met COPD en astma (VGO I,II en III). In de ruimere omgeving van het plangebied liggen enkele agrarische bedrijven met (intensieve) veehouderij. De dichtstbijzijnde (intensieve) veehouderij ligt op een afstand van ca. 350 meter van de nieuwe woningen. Tussen het plangebied en dit bedrijf liggen meerdere bestaande woningen, de toegangsweg tot Oisterwijk, de Pannenschuurlaan, en een glastuinbouwbedrijf. Gezondheidsrisico’s zijn een optelsom van blootstelling, gevaar en impact. Bij blootstelling wordt er gekeken hoeveel ziekteverwerkers een persoon binnen moet krijgen om geïnfecteerd te raken of ziek te worden. Gevaren zijn er in diverse vormen, zoals biologisch (bijv. ziekteverwekkende
Bestemmingsplan Ruimte voor Ruimte Molenbaan Oisterwijk
|57
bacteriën), chemisch (bijv. diergeneesmiddelen of bestrijdingsmiddelen) of fysisch (zoals elektriciteit of ter plaatse gewond raken). Impact staat voor de grootte van het effect dat veroorzaakt wordt. Iedere veehouderij moet voldoen aan diverse wet- en regelgeving voor diverse milieuaspecten, zoals ammoniakuitstoot, geur, fijnstof, aanwezigheid en gebruik van gevaarlijke stoffen, aan- en afvoer van meststoffen, geluid, brandveiligheid, etc. Indien een veehouderij niet voldoet, zal een vergunning dus niet verleend worden. Er mag vanuit worden gegaan dat de grenswaarden die in de wet zijn opgenomen de volksgezondheid in voldoende mate beschermen. Bij naleving van de milieuwetgeving, het volledig benutten van de technische mogelijkheden en het management van de hygiënebarrière worden de volksgezondheidsrisico’s tot een minimum beperkt. Er zijn reeds diverse onderzoeken uitgevoerd naar de mogelijke relatie tussen (intensieve) veehouderij en volksgezondheid. Het laatste onderzoek dateert van juli 2016 en is ingegaan op de effecten van de intensieve veehouderij op de omgeving. Voor rundveehouderijen zijn de effecten op de volksgezondheid naar de omgeving zeer beperkt vanwege de beperkte emissies van met name fijnstof. Wanneer er meerdere diercategorieën op een bedrijf worden gehouden, is er ook sprake van een verhoogd risico voor de volksgezondheid.
Vooralsnog wordt er bij veehouderijen derhalve getoetst aan de wettelijke grenswaarden voor diverse stoffen, zoals geur en fijnstof. Daar deze grenswaarden nationaal zijn vastgesteld en de omliggende bedrijven hieraan in principe moeten voldoen, mag er vanuit worden gegaan dat deze waarden de volksgezondheid van de bewoners in het plangebied afdoende beschermen. Geitenhouderijen Uit het onderzoek ‘Veehouderij en Gezondheid Omwonenden II (VGO II)’ blijkt dat binnen een straal van 2 kilometer van geitenhouderijen en 1 kilometer van een pluimveehouderij een verhoogd aantal gevallen van longontsteking voorkomt. Dit onderzoeksresultaat wordt voor het verhoogd voorkomen van longontsteking rondom geitenhouderijen bevestigd in het aanvullende onderzoek VGO III (2018); in de gehele onderzoekspopulatie komt het overeen met ongeveer 7% vermijdbare gevallen van longontsteking. In het aanvullend onderzoek is daarnaast gekeken naar verschillende afstanden tussen woningen en geitenhouderijen (500, 100, 1500 en 2000 meter). Bij een kleinere afstand neemt het risico op longontsteking toe. Daarnaast neemt het risico op longontsteking toe als er meer geitenhouderijen in de omgeving van de woning zijn. Niet duidelijk is wat het verhoogd risico op het voorkomen van longontsteking veroorzaakt. Hiervoor vindt aanvullend onderzoek plaats.
De eerder gevonden associatie tussen het wonen nabij een pluimveebedrijf en het voorkomen van longontsteking werd in het laatste VGO onderzoek (VGO III) in de laatste onderzoeksjaren niet meer gevonden. Niet duidelijk is of er daadwerkelijk sprake is van een trendbreuk. De GGD adviseert deze ontwikkeling te blijven monitoren om hier meer inzicht in te krijgen. Voor zover bekend zijn er binnen een straal van 2 kilometer geen geitenhouderijen aanwezig en binnen een straal van 1 kilometer geen pluimveehouderij. Omdat de reden van het verhoogd voorkomen van longontsteking niet bekend is, is het niet mogelijk om preventief maatregelen te nemen. De GGD adviseert om het verhoogd voorkomen van longontsteking als één van de parameters mee te wegen in de besluitvorming van dit plangebied.
Bestemmingsplan Ruimte voor Ruimte Molenbaan Oisterwijk
|58
Volledigheidshalve wordt ook verwezen naar het geitenmoratorium. Naar aanleiding van het aanvullende VGO-rapport (VGO 3) heeft Provinciale Staten van Noord-Brabant op 7 juli 2017 besloten om het uitbreiden van geitenhouderijen en het omschakelen naar geitenhouderijen tegen te gaan, waarmee het moratorium geitenhouderij een feit was. Het moratorium is een voorzorgmaatregel en verwerkt in de Verordening ruimte Noord-Brabant. Het doel van het moratorium is te voorkomen dat rond geitenhouderijen de gezondheidslast toeneemt en (nieuwe) knelpunten ontstaan. Spuitzones Op de agrarische gronden aan de noord- en westzijde van het plangebied zijn geen boomgaarden of boomkwekerijen aanwezig die vanwege een spuitzone een beperking voor het plangebied kunnen betekenen. Tevens voorziet het nieuwe plan aan de westzijde in een groene bufferzone van ca. 30 meter tussen de woonpercelen en het agrarisch gebied.
5.11
M.e.r.-beoordeling
Op 1 april 2011 is het nieuwe Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Een belangrijke wijziging die daarin is aangebracht, is dat voor de vraag of een m.e.r.-beoordelingsprocedure moet worden doorlopen, toetsing aan de drempelwaarde in de D-lijst niet toereikend is. Indien een activiteit een omvang heeft die onder de grenswaarde ligt, dient op grond van de selectiecriteria in de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling worden vastgesteld of belangrijke nadelige gevolgen van de activiteiten voor het milieu kunnen worden uitgesloten. Pas als dat het geval is, is de activiteit niet m.e.r.-beoordelingsplichtig. In het kader van de wijziging van het Besluit m.e.r. is een handreiking opgesteld over de vraag hoe moet worden vastgesteld of activiteit met een omvang onder de drempelwaarde toch belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben. In de handreiking is opgenomen dat voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst en die een omvang hebben die beneden de drempelwaarden liggen, een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.beoordeling gebruikt. Uit deze toets kunnen twee conclusies komen: belangrijke nadelige milieueffecten zijn uitgesloten of belangrijke nadelige milieueffecten zijn niet uitgesloten.
In het eerste geval is de activiteit niet m.e.r.-beoordelingsplichtig in het andere geval dient een m.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd en de bijbehorende procedure worden gevolgd. De toetsing in het kader van de vormvrije m.e.r.-beoordeling dient te geschieden aan de hand van de selectiecriteria in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Beoordeling Drempelwaarde D-lijst In D.11.2 in bijlage II van het Besluit m.e.r. is de activiteit ‘stedelijke ontwikkeling’ opgenomen. Dit betreft ‘de aanleg, de wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.’ De drempelwaarde voor een m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteit van D.11.2 in Bijlage II van het Besluit bedragen: • Een oppervlakte van 100 hectare of meer; • Een aangesloten gebied en 2.000 of meer woningen. Het plan voorziet in maximaal 19 woningen. Het plangebied heeft een grootte van circa 7.000 m2. De voorgenomen activiteit blijft dus ruimschoots onder de drempel van 2.000 woningen en/of
Bestemmingsplan Ruimte voor Ruimte Molenbaan Oisterwijk
|59
100 hectare zoals opgenomen in het Besluit milieueffectrapportage. De activiteit is dus niet m.e.r.beoordelingsplichting. Omdat de activiteit voorkomt in kolom 1 van de D-lijst, dient wel een vormvrije m.e.r.-beoordeling te worden verricht. In dit kader is een aanmeldingsnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling opgesteld (bijlage, Ordito, 27 juli 2020). In het kader van deze notitie is in voldoende mate inzicht verkregen in de milieugevolgen van het project. Gelet op de kenmerken van het project, de locatie en de kenmerken van de effecten, kan worden geconcludeerd dat het project niet leidt tot milieueffecten van dusdanige omvang dat sprake kan zijn van ‘belangrijke nadelige milieugevolgen’. Er is daarom geen aanleiding of noodzaak voor het doorlopen van een formele m.e.r.-beoordelingsprocedure of m.e.r.-procedure. Conclusie Gelet op het inzicht in de milieugevolgen van het project op basis van de aanmeldingsnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling kan gesteld worden te beslissen af te zien van het opstellen van een milieueffectrapport. Dit is als een afzonderlijk beslispunt in het collegevoorstel opgenomen.
Bestemmingsplan Ruimte voor Ruimte Molenbaan Oisterwijk
|60
6.
JURIDISCHE ASPECTEN
Dit hoofdstuk gaat in op de wijze van juridische vertaling in planregels van de voor het plangebied gewenste ontwikkeling.
6.1
Planvorm
Het bestemmingsplan ‘Ruimte voor Ruimte Kerkhovenbaan, Oisterwijk’ kan worden gekarakteriseerd als een zogenaamde 'postzegel' bestemmingsplan. Het juridische gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding met de daarbij horende planregels. Bij ieder plan hoort een toelichting, maar dit onderdeel heeft als zodanig geen rechtskracht. De verbeelding bestaat uit één kaartblad. De planregels zijn opgebouwd uit vier hoofdstukken: inleidende regels, bestemmingsregels, algemene regels en overgangs- en slotregels. In de volgende paragraaf wordt de inhoud nader toegelicht. Bij het opstellen van de planregels en de verbeelding is uitgegaan van de richtlijnen “Standaard voor Vergelijkbare BestemmingsPlannen (SVBP 2012)”. De SVBP 2012 omvat verplichtingen en aanbevelingen ten aanzien van de vormgeving en indeling van de planregels en de verbeelding. De opbouw van de SVBP 2012 met betrekking tot de verbeelding in de onderstaande figuur gevisualiseerd.
6.2
Toelichting op de bestemmingen
Hoofdstuk 1 Inleidende regels Artikel 1 Begrippen In dit artikel wordt een aantal in het plan gebruikte begrippen nader omschreven. Door de omschrijving wordt de interpretatie van de begrippen beperkt en daarmee de duidelijkheid en rechtszekerheid van het plan vergroot. Artikel 2 Wijze van meten In dit artikel wordt aangegeven op welke wijze de in het plan voorgeschreven maatvoeringen dienen te worden bepaald.
Bestemmingsplan Ruimte voor Ruimte Molenbaan Oisterwijk
|61
Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels Artikel 3 Groen De voor ‘Groen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: groen, water, speelvoorzieningen, voeten fietspaden en bij deze bestemming behorende nutsvoorzieningen en waterhuishoudkundige voorzieningen. Artikel 4 Verkeer De nieuwe ontsluitingsweg heeft de bestemming ‘Verkeer’. De met ‘Verkeer’ bestemde gronden betreffen wegen met ten hoogste 2x1 doorgaan rijstrook, evenementen, ter plaatse van de aanduiding ‘spoorweg’ met bijbehorende emplacementen en voorzieningen en bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals geluidswerende voorzieningen, groen, parkeervoorzieningen, nutsvoorzieningen, reclame-uitingen en water en waterhuishoudkundige voorzieningen. Artikel 5 Water De A-watergang langs de Kerkhovenbaan is, voor zover gelegen binnen het plangebied, voorzien van de bestemming Water. Artikel 6 Wonen Ruimte voor Ruimte Het grootste deel van de gronden in het plangebied zijn bestemd voor woningen en hebben derhalve de bestemming ‘Wonen – Ruimte voor Ruimte’ gekregen. De voor 'Wonen - Ruimte voor Ruimte' aangewezen gronden zijn bestemd voor: wonen voor één huishouden in een woning, bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals erven, nutsvoorzieningen, parkeervoorzieningen, tuinen, toegangswegen, en water en waterhuishoudkundige voorzieningen. Voor de hoofdgebouwen is een bouwvlak opgenomen.
In dit artikel staan voor woningen en bijbehorende bouwwerken ook bouwregels over de maximale goot- en bouwhoogte. De maximale goot- en bouwhoogte is aangeduid op de verbeelding. Er is een voorwaardelijke verplichting opgenomen voor de aanleg van waterberging op eigen terrein alsmede voor de aanleg en instandhouding van de landschappelijke inpassing. Artikel 7 Waarde – Archeologie 5 De voor Waarde – Archeologie 5 aangewezen gronden zijn - behalve voor de andere aldaar voorkomende bestemming(en) - mede bestemd mede bestemd voor het behoud en de bescherming van archeologische waarden. Bij bouw- en/of grondwerkzaamheden met een oppervlakte groter dan 2.500 m2 en dieper dan 0,5 m onder peil is een archeologisch onderzoek vereist. Artikel 8 Waarde - Cultuurhistorie De voor Waarde - Cultuurhistorie aangewezen gronden zijn - behalve voor de andere aldaar voorkomende bestemming(en) - mede bestemd voor de bescherming van de molen als werktuig en als beeldbepalend cultuurhistorisch waardevol element. Op deze gronden mag gebouwd worden en binnen bepaalde afstanden van de molen tot aan het desbetreffende plangebied is er een maximale bouwhoogte aangegeven. Hoofdstuk 3 Algemene regels Artikel 9 Anti-dubbeltelregel In dit artikel is een regel opgenomen die voorkomt dat een al verleende bouwvergunning meegenomen word bij de beoordeling van latere bouwplannen.
Bestemmingsplan Ruimte voor Ruimte Molenbaan Oisterwijk
|62
Artikel 10 Algemene bouwregels In dit artikel zijn algemene bouwregels opgenomen, onder andere voor het ondergronds bouwen. Artikel 11 Algemene afwijkingsregels In dit artikel zijn algemene regels opgenomen ten aanzien van de mogelijkheden tot afwijking. Artikel 12 Algemene wijzigingsregels In dit artikel zijn algemene regels opgenomen ten aanzien van de mogelijkheden tot wijziging. Artikel 13 Overige regels In dit artikel worden de voorrangsregels van de bestemmingen vastgelegd. Ook zijn hier bepalingen over parkeren en laad- en losmogelijkheden opgenomen. Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels Artikel 14 Overgangsrecht Dit artikel betreft het overgangsrecht met betrekking tot gebruik van onbebouwde gronden en bouwwerken dat afwijkt van het bestemmingsplan op het moment dat dit rechtskracht verkrijgt. Dit gebruik mag worden voortgezet. Wijziging van het afwijkend gebruik is slechts toegestaan indien de afwijking hierdoor wordt verkleind. Ook is in dit artikel een hardheidsclausule opgenomen die afwijking mogelijk maakt indien het hanteren van de overgangsregels leidt tot onbillijkheid jegens personen. Artikel 15 Slotregel Het laatste artikel “Slotregel” geeft de officiële naam van het plan aan, wanneer naar het plan wordt verwezen.
Bestemmingsplan Ruimte voor Ruimte Molenbaan Oisterwijk
|63
7.
UITVOERBAARHEID
7.1
Economische uitvoerbaarheid
Op grond van artikel 3.1.6 lid 1 onder f Bro dient de uitvoerbaarheid van bestemmingsplannen te worden aangetoond. Er wordt een samenwerkingsovereenkomst opgesteld tussen de Ontwikkelingsmaatschappij Ruimte voor Ruimte CV en de gemeente Oisterwijk ten behoeve van de kosten en grondexploitatie. Hiermee is het verhaal van kosten van de grondexploitatie over in het plan begrepen gronden anderszins verzekerd en hoeft geen exploitatieplan conform Wro te worden opgesteld.
7.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Omgevingsdialoog In het kader van de omgevingsdialoog heeft de Ontwikkelingsmaatschappij Ruimte voor Ruimte op 10 februari 2020 een inloopavond in wijkcentrum De Pannenschuur gehouden. Het verslag van deze avond is als bijlage bij het bestemmingsplan gevoegd. Vooroverleg In het kader van het zgn. 3.1.1. Bro is het concept-ontwerpbestemmingsplan toegezonden naar bestuurlijke instanties, waarbij de gelegenheid is geboden om een reactie te geven op het plan. Ontwerp bestemmingsplan Het ontwerp bestemmingsplan heeft met ingang van vrijdag 8 januari 2021 tot en met 18 februari 2021 gedurende 6 weken ter inzage gelegen. Er zijn drie zienswijzen op het plan ingediend. In de nota van zienswijzen (bijlage) wordt achtereenvolgens inhoudelijk ingegaan op de zienswijzen en worden de aanpassingen aan de verbeelding en aanpassingen van de regels toegelicht.
Bestemmingsplan Ruimte voor Ruimte Molenbaan Oisterwijk