CConstaterende datOegstgeest
Koppel je AI →
Document · PDF

D2 Bijlage 1 bij RM d.d. 14 december 2021 Vrijgeven terinzagelegging ontwerpbestemmingsplan Nieuw Rijnvaert Z-21-141032 Oegstgeest

Besluitvormende raadsbijeenkomst 27 januari 2022, gemeente OegstgeestBij agendapunt: Lijst van ingekomen stukken27.818 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

4.1

100

270

onbekend Theo Mulder B.V. diverse groothandels (o.a. in meubels, groente, fruit en aardappelen), handelsbedrijf en transportbedrijf Flora Holland

Rijnsburgerweg 84b Klaverveldlaan onbebouwd Laan van Verhof 4

(1) Het bestemmingsplan 'Kamphuizerpolder - Buitenlust' staat ter plaatse bedrijven uit ten hoogste milieucategorie 3.1 van de bij de regels behorende Staat van Bedrijfsactiviteiten toe. Volgens de Staat van Bedrijfsactiviteiten behoren goederenwegvervoerbedrijven (zonder schoonmaken tanks) met een bedrijfsoppervlakte groter dan 1.000 m² tot milieucategorie 3.2. (2) Op de onbebouwde gronden ten zuiden van de Klaverveldlaan zijn geen bedrijven gevestigd. Het bestemmingsplan 'Kamphuizerpolder - Buitenlust' staat ter plaatse bedrijven uit ten hoogste milieucategorie 3.1 van de bij de regels behorende Staat van Bedrijfsactiviteiten toe. Derhalve wordt uitgegaan van ten hoogste milieucategorie 3.1.

37

Bedrijven ten oosten van de Rijnsburgerweg Uit de tabel blijkt dat wordt voldaan aan de richtafstanden van de bedrijven die ten oosten van de Rijnsburgerweg (Rijnsburgerweg even nummers, Laan van Verhof, Klaverveldlaan, etc.) gevestigd zijn. Voor deze bedrijven geldt dat de richtafstanden een indicatie geven van de zone waarbinnen hinder en gevaar van bedrijven aan de orde zou kunnen zijn. Voor het type bedrijven dat hier gevestigd is, is het aspect geluid maatgevend. Voor alle bedrijven geldt dat de afstand tot bestaande burgerwoningen kleiner is dan de afstand tot het voorgenomen plan. Daarnaast zal de geluidbelasting van de bedrijven aan de oostzijde van de Rijnsburgerweg op de beoogde woningen ondergeschikt zijn aan de geluidbelasting door wegverkeer op de Rijnsburgerweg, een weg met 2x2 rijstroken en een hoge verkeersintensiteit, en heeft de tussenliggende bebouwing een afschermende werking voor geluid. Om die redenen is de verwachting dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Gemotra B.V. Het voorliggende bestemmingsplan maakt woningen mogelijk op circa 11 m afstand van het bedrijfsperceel van Gemotra B.V. Aan de richtafstand van het goederenwegvervoerbedrijf wordt niet voldaan. Om die reden is een akoestisch onderzoek (Adviesburo van der Boom, nr. 18-220r2, d.d.

19 september 2019, zie bijlagen bij toelichting 9) uitgevoerd, met als doel om aan te tonen dat een goed woon- en leefklimaat wordt gewaarborgd en het bedrijf niet beperkt wordt ten opzichte van de huidige bedrijfsactiviteiten. Daartoe zijn de activiteiten van het bedrijf gemodelleerd en is de geluidbelasting op de omgeving berekend en getoetst aan de richtwaarde. De uitgangspunten van het onderzoek zijn gelijk aan het onderzoek dat is uitgevoerd in het kader van de omgevingsvergunning van het bedrijf uit 2015. Uit het akoestisch onderzoek volgt dat het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT ten gevolge van alle activiteiten bij het bedrijf in de immissiepunten op 10-20 m van de erfgrens van het bedrijf 32-37 dB(A) overdag, 39-43 dB(A) in de avond en 32-34 dB(A) in de nacht bedraagt. Daarmee worden de grenswaarden in geen enkel punt overschreden. De maximale geluidniveaus LAmax ten gevolge van de vrachtwagens (portieren/passages) bedragen in de immissiepunten op 10-20 m van de erfgrens hooguit 61-67 dB(A) overdag, 60-64 dB(A) in de avond en 6064 dB(A) in de nacht. Daarmee worden de grenswaarden in de punten tot 20 m van de erfgrens in de nacht overschreden. Het rijden van vrachtwagens is daarbij maatgevend.

De geluidbelasting op het plangebied ligt aan de noordzijde van de erfgrens niet hoger dan 50 dB(A) etmaalwaarde, waarmee er geen beperking is voor de bouw van woningen. De maximale geluidniveaus liggen in de nacht boven de 60 dB(A) tot 20 m vanaf de erfgrens. Op grotere afstand dan 20 m kan aan de eisen worden voldaan. Omdat er woningen op minder dan 20 m afstand van de erfgrens zijn beoogd, is een aanvullende maatregel benodigd. Deze maatregel zal bestaan uit het plaatsen van een geluidscherm. Het bedrijf zal daarmee niet beperkt worden in zijn bedrijfsvoering. Bij de woningen is dan sprake van een goed woon- en leefklimaat. Agrarische gronden Vanwege het ontbreken van wetgeving is een in de praktijk (als gevolg van jurisprudentie) gegroeide vuistregel ontstaan die aangeeft dat een afstand van 50 m tussen agrarische gronden met open teelten en een voor gewasbeschermingsmiddelen gevoelige functies, zoals wonen, in acht moet worden genomen. In het voorgenomen plan komen alle open teeltvormen binnen het plangebied te vervallen. Het bestemmingsplan ‘Kamphuizerpolder - Buitenlust’ staat ten zuiden van het plangebied agrarische bedrijfsactiviteiten in de vorm van de teelt van gewassen toe, waarbij gewasbeschermingsmiddelen gebruikt zouden kunnen worden.

Bij de uitspraak van 20 december 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:3524) gaat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in op de vraag of rekening gehouden moet worden met agrarische gronden, waar het geldende bestemmingsplan de teelt van gewassen waarbij bestrijdingsmiddelen mogen worden gebruikt niet uitsluit, in de nabijheid van gronden waar woningbouw mogelijk gemaakt wordt. De Afdeling nam daartoe in aanmerking dat er geen concreet voornemen kenbaar was gemaakt om het huidige agrarische gebruik te wijzigen naar een teeltvorm waar wel gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt. Mede daardoor kwam de Afdeling tot de conclusie dat verandering van het bestaande agrarische gebruik binnen de planperiode zodanig onwaarschijnlijk is dat de raad in redelijkheid geen rekening had hoeven te houden met een vorm van agrarisch gebruik waarbij spuitzones dienen te worden aangehouden. In het onderhavige geval zijn de gronden ten zuiden van het plangebied braakliggend of in gebruik als grasland. Hierbij worden geen of zeer beperkt gewasbeschermingsmiddelen gebruikt. Er is vooralsnog geen intentie geuit dat het huidige agrarische gebruik gewijzigd wordt. Daarnaast maakt de kleinschaligheid van

38

de percelen met een agrarische bestemming en de ligging van de weg aan de zuidzijde (Langenakker) dat volwaardige en intensieve teeltvormen als akker- en vollegrondstuinbouw, glastuinbouw en sier-, fruit- en bollenteelt vanuit bedrijfseconomisch oogpunt uitgesloten kunnen worden. Daarmee is het aannemelijk dat het bestaande agrarische gebruik gedurende de planperiode in een vergelijkbare wijze zal worden voortgezet. Gezien het voorgaande kan, in lijn met de uitspraak van de Afdeling, gesteld worden dat de agrarische gronden ten zuiden van het plangebied geen belemmering vormen voor een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de beoogde woningen. Bedrijven in het plangebied In de huidige situatie zijn in het plangebied een caravanstelling, niet voor glastuinbouw in gebruik zijnde kassen en sierteelt aanwezig. Voor deze activiteiten geldt dat deze de laatste agrarische activiteiten in het plangebied zijn of dat het tijdelijke (en al dan niet gedoogde) vervolgfuncties van voormalige agrarische bedrijven zijn. Met het voorgenomen plan komen deze bedrijfsactiviteiten volledig te vervallen en vormen deze geen belemmering voor een goed woon- en leefklimaat.

Conclusie Gezien het voorgaande is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de beoogde woningen in het plangebied en worden milieubelastende activiteiten in de omgeving niet belemmerd in hun mogelijkheden en bedrijfsvoering. 4.2.5 Externe veiligheid Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico’s:

• • •

risicovolle (Bevi-)inrichtingen; vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen; vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor.

Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico. Kwetsbaar en beperkt kwetsbaar Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, kinderopvang- en dagverblijven en grote kantoorgebouwen (>1.500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kleine kantoren, winkels, horeca en parkeerterreinen. De volledige lijst wat onder (beperkt) kwetsbaar wordt verstaan is in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) opgenomen. Plaatsgebonden risico en groepsrisico Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 als grenswaarde. Het realiseren van kwetsbare objecten binnen deze contour is niet toegestaan. Het realiseren van beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour is in principe ook niet toegestaan. Echter, voor beperkte kwetsbare objecten is deze 10-6 contour een richtwaarde. Mits goed gemotiveerd kan worden afgeweken van deze waarde tot de 10 -5 contour. Het groepsrisico is gedefinieerd als de cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een zogenaamde oriëntatiewaarde.

Daarnaast geldt voor het

39

groepsrisico een verantwoordingsplicht. Het bevoegd gezag moet aangeven welke mogelijkheden er zijn om het groepsrisico in de nabije toekomst te beperken, het moet aangeven op welke manier hulpverlening, zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid zijn ingevuld. Het bevoegd gezag moet tevens aangeven waarom de risico's verantwoord zijn, en de veiligheidsregio moet in de gelegenheid zijn gesteld een brandweeradvies te geven. Hierbij geldt hoe hoger het groepsrisico, hoe groter het belang van een goede groepsrisicoverantwoording. Risicovolle (Bevi-)inrichtingen Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van belang. Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor mensen buiten de inrichting. Het Bevi is opgesteld om de risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven, te beperken. Het besluit heeft tot doel zowel individuele als groepen burgers een minimaal (aanvaard) beschermingsniveau te bieden. Via een bijhorende ministeriële regeling (Revi) worden diverse veiligheidsafstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gegeven.

Aanvullend op het Bevi zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit (Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer) veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden. Vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen Met betrekking tot het beleid en de regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen zijn er de afgelopen jaren verschillende ontwikkelingen geweest. Zo is er een nieuw Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en een Structuurvisiebuisleidingen. Deze structuurvisie bevat een lange termijnvisie op het buisleidingentransport van gevaarlijke stoffen. Het Bevb en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) zijn op 1 januari 2011 in werking getreden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Op basis van het Bevb wordt het voor gemeenten verplicht om bij de vaststelling van een bestemmingsplan, op basis waarvan de aanleg van een buisleiding of een kwetsbaar object of een risicoverhogend object mogelijk is, de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico in acht te nemen en het groepsrisico te verantwoorden. Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan.

Zo moet een basisveiligheidsniveau rond transportassen (plaatsgebonden risico) en een transparante afweging van het groepsrisico worden gewaarborgd. Als onderdeel van het Bevt is op 1 april 2015 tevens het basisnet in werking getreden. Het basisnet verhoogt de veiligheid van mensen die wonen of werken in de buurt van rijksinfrastructuur (auto-, spoor- en vaarwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. In de regeling ligt vast wat de maximale risico’s voor omwonenden mogen zijn. Die begrenzing was er tot nu toe niet. Bovendien zorgt het basisnet ervoor dat gevaarlijke stoffen tussen de belangrijkste industriële locaties in Nederland en het buitenland vervoerd kunnen blijven worden. Indien een bestemmingsplan betrekking heeft op een gebied dat geheel of gedeeltelijk gelegen is binnen 200 m van een (basisnet)transportroute voor gevaarlijke stoffen, moet in de toelichting ingegaan worden op de dichtheid van personen in het invloedsgebied van de transportroute op het tijdstip waarop het plan wordt vastgesteld. Hierbij moet rekening worden gehouden met de personen die a) in dat gebied reeds aanwezig zijn, b) in dat gebied op grond van het geldende bestemmingsplan redelijkerwijs te verwachten zijn en c) de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen in het gebied waarop dat plan betrekking heeft.

Bestuurlijk kader externe veiligheid Holland Rijnland Het bestuurlijk kader externe veiligheid Holland Rijnland geeft invulling aan de keuzes die mogelijk zijn bij externe veiligheid. Uitgaande van de principes 'scheiden' en 'clusteren' bepaalt deze visie dat risicobedrijven moeten worden geclusterd op daarvoor aangewezen bedrijventerreinen, die goed ontsloten zijn. Daarmee blijft het verdere gebied gevrijwaard van (nieuwe) risico’s. De verantwoording van het groepsrisico is in deze visie geoperationaliseerd met het zogenaamde stoplichtmodel: een laag GR (groen) betekent in beginsel een 'ja', een relevant GR (geel) betekent een 'ja', mits er voldoende maatregelen kunnen worden getroffen om de veiligheid te bevorderen en een hoog GR (oranje) betekent een 'nee', tenzij aan een aantal strikte

40

voorwaarden wordt voldaan. De grens tussen het gele en het oranje gebied is de door de wetgever vastgestelde oriëntatiewaarde. Het bestuurlijk kader vereenvoudigt de verantwoording groepsrisico, omdat deze de meeste aspecten van de verantwoordingsplicht dekt. In de verantwoording kan dan naar dit bestuurlijk kader worden verwezen. Planspecifiek Woningen worden gezien als kwetsbare objecten. Dit houdt in dat bij de ontwikkeling rekening moet worden gehouden met risicovolle inrichtingen, transportroutes voor gevaarlijke stoffen en buisleidingen in de omgeving. Uit raadpleging van risicokaart (zie navolgende afbeelding) volgt dat ten oosten, zuiden en westen van het plangebied een aantal risicobronnen aanwezig zijn. Deze risicobronnen zijn weergegeven in de navolgende tabel.

Uitsnede risicokaart met globale aanduiding plangebied (zwarte elips)

Risicobron

Type

Risicocontour (PR 10-6) in m en plasbrandaandachtsgebied

A-560

buisleiding, aardgasleiding buisleiding, aardgasleiding transportroute weg transportroute weg, Basisnet weg

0

W-535-01 N206 A44

0 0 0 geen plasbrandaandachtsgebied

Maatgevend invloedsgebied in m deels binnen plangebied buiten plangebied 880

Afstand tot het plangebied in m 230

355

710

235 700

Buisleidingen A-560 en W-535-01 Er is een onderzoek uitgevoerd naar de externe veiligheidsrisico’s van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen (Kragten, nr. 20200901-SRO021-RAP-EXT-CAR 1.0, d.d. 1 september 2020, zie bijlagen bij toelichting 10). Het plangebied is niet gelegen binnen een plaatsgebonden risicocontour 10-6 van een buisleiding. De 1% letaliteitsafstand van buisleiding W-535-01 reikt niet tot in het plangebied. Het plangebied ligt wel gedeeltelijk binnen de 1% letaliteitsafstand voor externe veiligheid van de buisleiding A560, zodat de invloed van het plan op de hoogte van het groepsrisico voor deze buisleidingen is bepaald.

41

Voor buisleiding A-560 geldt dat de oriëntatiewaarde en 0,1 x de oriëntatiewaarde van de hoogte van het groepsrisico zowel vóór als ná planrealisatie ter hoogte van het plangebied niet wordt overschreden. Uit de berekening van de hoogte van het groepsrisico blijkt dat de planrealisatie geen rekenkundige invloed heeft op de hoogte van het groepsrisico van buisleiding A-560. Het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen vormt derhalve geen belemmering voor de planrealisatie. N206 Het groepsrisico ten gevolge van de provinciale weg N206 bedraagt niet meer dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde. Over deze weg worden brandbare gassen (GF3) en toxische vloeistoffen plaats (LT2) vervoerd. Als gevolg van een incident met een toxische stof in de klasse LT2 geldt een invloedsgebied van 880 m, waarbinnen het plangebied gedeeltelijk ligt. Vanwege de ruime afstand tussen het plangebied en de N206, heeft het plan geen invloed op de hoogte van het groepsrisico van het vervoer van gevaarlijke stoffen over de N206. Vanwege de gedeeltelijke ligging binnen het invloedsgebied dient wel een beknopte verantwoording van het groepsrisico te worden opgesteld waarbij wordt ingegaan op de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. A44 Het plangebied ligt buiten het maatgevende invloedsgebied van de A44 ter hoogte van het plangebied.

Het invloedsgebied wordt bepaald door het vervoer van brandbare vloeistoffen met een invloedsgebied van 45 m (LF1 en LF2) en brandbare gassen met een invloedsgebied van 355 m (GF3). Oude Rijn De Oude Rijn wordt incidenteel gebruikt voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het is geen doorgaande vaarroute voor het vervoer van gevaarlijke stoffen, waarmee deze vaarweg niet is opgenomen in het Basisnet water. Voor deze vaarwegen kan worden gesteld dat het groepsrisico kleiner dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde is. Nader onderzoek is niet noodzakelijk. Er zijn hierbij beperkingen voor ontwikkelingen met betrekking tot het plaatsgebonden risico en een verantwoording van het groepsrisico is niet benodigd. Verantwoording groepsrisico In het Besluit externe veiligheid buisleidingen en het Besluit externe veiligheid transportroutes is opgenomen wanneer het groepsrisico verantwoord moet worden. In onderhavige situatie is sprake van een beperkte verantwoordingsplicht. In dit kader heeft de Veiligheidsregio Hollands Midden het advies d.d. 22 maart 2021 uitgebracht. In dit advies richt de veiligheidsregio zich op het optimaliseren van de veiligheidssituatie. De door de veiligheidsregio voorgestelde maatregelen zijn uitvoerbaar en zullen bij de verdere uitwerking in overleg met de veiligheidsregio zoveel mogelijk geïmplementeerd worden.

Er is een beperkte verantwoording van het groepsrisico opgesteld (Kragten, nr. 202009010-SRO021-NOTEXT-VGR 1.0, d.d. 10 september 2020, zie bijlagen bij toelichting 11). Hierin is aandacht voor de risico's vanwege het transport van gevaarlijke stoffen door buisleiding A-560 en over de provinciale weg N206. Er dient geconcludeerd te worden dat het aspect externe veiligheid niet leidt tot belemmeringen voor het plan.

4.3 Waterhuishouding Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan. Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21e eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport ‘Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21e eeuw’ (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen,

42

voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:

•

vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd.

•

schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod.

Waterwet Centraal in de Waterwet staat een integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering’. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Door middel van één watervergunning regelt de wet het beheer van oppervlaktewater en grondwater en de juridische implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn Water. Via de Waterwet gelden verschillende algemene regels. Niet alles is onder algemene regels te vangen en daarom is er de integrale watervergunning. Nationaal Waterplan Bij de ontwikkeling van locaties in het stedelijk gebied wordt ernaar gestreefd dat de hoeveelheid groen en water per saldo toeneemt. Dit moet stedelijk gebied aantrekkelijk en leefbaar maken en houden. In dit kader moedigt het rijk het waterwonen aan. Waterwonen kan een bijdrage leveren aan een klimaatbestendige inrichting van Nederland, omdat deze woonvorm gecombineerd kan worden met ruimte voor water. Bij de aanpak van de stedelijke wateropgave wordt rekening gehouden met verdergaande verstedelijking en klimaatverandering en zoveel mogelijk aangesloten bij de dynamiek van de stad.

De uitvoering van maatregelen wordt gecombineerd met herstructurering van bestaand bebouwd gebied en de realisatie van groen in en om de stad. De combinatie van water en groen biedt volop kansen om het stedelijk watersysteem robuuster en klimaatbestendiger te maken. Goede verbindingen tussen het stedelijk watersysteem en het ommeland dragen bij aan een goede kwaliteit van water en landschap. Water biedt kansen voor verbetering van de leefomgeving in bestaand (groot)stedelijke gebied. Beleid hoogheemraadschap van Rijnland Waterbeheerplan Het algemeen bestuur van Rijnland heeft op 9 maart 2016 het nieuwe Waterbeheerplan (WBP5) vastgesteld. Voor de planperiode 2016 - 2021 is dit Waterbeheerplan van het hoogheemraadschap van toepassing. In dit plan geeft het waterschap aan wat haar ambities voor deze planperiode zijn en welke maatregelen in het watersysteem worden getroffen. Het WBP legt meer dan voorheen accent op uitvoering. De drie hoofddoelen zijn:

• • •

veiligheid tegen overstromingen; voldoende water; gezond water.

Wat betreft veiligheid is cruciaal dat de waterkeringen voldoende hoog en stevig zijn én blijven en dat rekening wordt gehouden met mogelijk toekomstige dijkverbeteringen. Wat betreft voldoende water gaat het erom het complete watersysteem goed in te richten, goed te beheren en goed te onderhouden. Daarbij wil het hoogheemraadschap dat het watersysteem op orde en toekomstvast wordt gemaakt, rekening houdend met klimaatverandering. Immers, de verandering van het klimaat leidt naar verwachting tot meer lokale en heviger buien, perioden van langdurige droogte en zeespiegelrijzing. De taken en bevoegdheden op het gebied van gezond water betreffen het zuiveren van afvalwater en het reguleren van lozingen op oppervlaktewater. Europese regelgeving (de Kaderrichtlijn Water) is hierbij kaderstellend. Het voorkómen van verontreiniging en een goede inrichting van oppervlaktewateren dragen in belangrijke mate bij aan

43

gezond water. Met het oog op het zuiveren van afvalwater beheert het hoogheemraadschap rioolgemalen, persleidingen en zuiveringsinstallaties. Het waterbeheerplan sorteert voor op deze ontwikkelingen. Keur 2020 en Uitvoeringsregels Op grond van de Waterwet is het hoogheemraadschap bevoegd via een eigen verordening, de Keur, regels te stellen aan handelingen die het watersysteem beïnvloeden. Denk hierbij aan handelingen in of nabij:

• • • •

waterkeringen (onder andere duinen, dijken en kaden); watergangen (onder andere kanalen, rivieren, sloten, beken); andere waterstaatswerken (o.a. bruggen, duikers, stuwen, sluizen en gemalen); de bodem van kwelgevoelige gebieden.

Maar ook aan:

• •

het onttrekken en lozen van grondwater; het aanbrengen van verhard oppervlak.

De Keur vermeldt expliciet welke handelingen vergunningsplichtig zijn en welke aan algemene regels of aan de zorgplicht moeten voldoen. In de Uitvoeringsregels die bij de Keur horen is dit nader uitgewerkt. Hemelwater Indien een toename van het verhard oppervlak plaatsvindt, dient de initiatiefnemer een verhard oppervlak ter grootte van minimaal 15% van het nieuw aan te leggen verhard oppervlak te reserveren voor extra open water (bij een toename aan verhard oppervlak vanaf 500 m² tot 5.000 m²). Het nieuwe open water moet aangesloten worden op het bestaande watersysteem. Uitgangspunt is dat de aanleg van verhard oppervlak geen negatieve gevolgen mag hebben op het watersysteem. In overleg met het hoogheemraadschap is het mogelijk om de compensatie-eis voor verhard oppervlak te verminderen door alternatieve maatregelen toe te passen. Riolering en afkoppelen Voor zover het bestemmingsplan nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt, is het van belang dat er met het hoogheemraadschap afstemming plaatsvindt over het omgaan met afvalwater en hemelwater. Overeenkomstig het rijksbeleid gaat het hoogheemraadschap uit van een voorkeursvolgorde voor de omgang met deze waterstromen.

Deze houdt in dat allereerst geprobeerd moet worden het ontstaan van (verontreinigd) afvalwater te voorkomen, bijvoorbeeld door het toepassen van niet uitlogende bouwmaterialen en het vermijden van vervuilende activiteiten op straat zoals auto’s wassen en chemische onkruidbestrijding. Vervolgens is het streven vuil water te scheiden van schoon water, bijvoorbeeld door het afkoppelen van hemelwaterafvoeren van gemengde rioolstelsels. De laatste stap in de voorkeursvolgorde is het zuiveren van het afvalwater. De doelmatigheid daarvan wordt vergroot door het scheiden van de schone en de vuile stromen. De gemeente kan gebruik maken van deze voorkeursvolgorde bij de totstandkoming van het gemeentelijk rioleringsplan (GRP), waarin de uiteindelijke afweging wordt gemaakt en waarbij doelmatigheid van de oplossing centraal staat. Zorgplicht en preventieve maatregelen voor hemelwater Voor de verwerking van hemelwater wijst het hoogheemraadschap op de zorgplicht en op het nemen van preventieve maatregelen. Het verdient aanbeveling daar waar mogelijk aandacht te besteden aan maatregelen bij de bron. Preventie heeft de voorkeur boven ‘end-of-pipe’ maatregelen.

Uitgangspunt is dat het te lozen hemelwater geen significante verslechtering van de kwaliteit van het ontvangende oppervlaktewater mag veroorzaken en emissie van vervuilende stoffen op het oppervlaktewater waar mogelijk wordt voorkomen door bijvoorbeeld:

•

duurzaam bouwen;

44

• •

het toepassen berm- of bodempassage;

•

het regenwaterriool uit te voeren met (straat)kolken voorzien van extra zand- slibvang of zakputten (putten met verdiepte bodem) op tactische plekken in het stelsel;

•

adequaat beheer van straatoppervlak, straatkolken en zakputten (straatvegen en kolken/putten zuigen); het toepassen van duurzaam onkruidbeheer;

• • •

toezicht en controle tijdens de aanlegfase en handhaving tijdens de beheerfase ter voorkoming van verkeerde aansluitingen;

de bewoners, gebruikers en beheerders voor te lichten over de werking van de riolering en een juist gebruik hiervan; het vermijden van vervuilende activiteiten op straat zoals auto’s wassen en repareren en chemische onkruidbestrijding.

Daar waar ondanks de zorgplicht en de preventieve maatregelen het te lozen hemelwater naar verwachting een aanmerkelijk negatief effect heeft op de oppervlaktewaterkwaliteit, kan in overleg tussen gemeente en waterschap gekozen worden voor aanvullende voorzieningen, een verbeterd gescheiden stelsel of - als laatste keus - aansluiten op het gemengde stelsel. Ook kan de gemeente in overleg met het hoogheemraadschap kiezen voor een generieke ‘end-of-pipe’ aanpak. Deze keuze moet dan expliciet gemaakt worden in het GRP. Watertoets De ‘watertoets’ is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is geen technische toets maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder met elkaar in gesprek brengt in een zo vroeg mogelijk stadium. In de waterparagraaf worden de watertoets en de uitkomsten van een eventueel overleg opgenomen. Planspecifiek Waterbalans In de oorspronkelijke situatie was plangebied gedeeltelijk verhard en bebouwd. Deze verharding bestond uit kassen, overige agrarische bedrijfsbebouwing en erfverharding. In de toekomstige situatie wordt met de realisatie van woningen, tuinen en de openbare ruimte verharding toegevoegd.

Hierbij wordt met de verbreding van de noordelijke watergang en de aanleg van de singel en overige watergangen oppervlaktewater toegevoegd. Onderstaande tabel geeft de waterbalans van de toekomstige situatie ten opzichte van de huidige situatie weer.

45

Huidige situatie bebouwing verharding kavels invulling onbekend groen/onverhard water subtotaal waarvan verharding

Oppervlak (m²) 16.073 3.506 2.464 69.485 1.358 92.886 19.579

Toekomstige situatie bebouwing (hoofdgebouwen) tuin verhard (50%) tuinen onverhard (50%) kavels invulling onbekend verharding openbaar groen water subtotaal waarvan verharding

14.932 10.980 10.980 2.464 27.880 15.301 10.349 92.886 53.792

Benodigde watercompensatie verhardingstoename watercompensatie verharding (15%) watercompensatie te dempen water (100%) totaal benodigde watercompensatie toename water overschot watercompensatie

53.792 - 19.579 = 34.213 15% van 34.213 = 5.132 103 5.132 + 103 = 5.235 10.349 - 1.358 = 8.991 8.991 - 5.235 = 3.756

Uit de tabel blijkt dat het verhard oppervlak toeneemt met 34.213 m², waarmee watercompensatie vereist is. De vereiste watercompensatie vanwege de verhardingstoename bedraagt 0,15 x 34.213 = 5.132 m². Daarnaast dient 103 m² aan te dempen watergangen 1:1 gecompenseerd te worden. De benodigde watercompensatie bedraagt daarmee 5.235 m². In het voorgenomen plan is 10.349 m² water voorzien, wat een toename van 10.349 - 1.358 = 8.991 m² is. Deze toename is ruimschoots voldoende om de verhardingstoename te compenseren. Het overschot aan watercompensatie is 8.991 - 5.235 = 3.756 m². De watercompensatie vindt nagenoeg geheel plaats op het grondgebied van de gemeente Katwijk. De gronden waar watercompensatie is voorzien zijn als 'Water' bestemd. De gemeenten Oegstgeest en Katwijk hebben onderling afspraken gemaakt over de toerekening van de watercompensatie. De waterbalans in de voorliggende paragraaf geeft een beeld van het stedenbouwkundig plan (zie toelichting paragraaf 2.2). Het definitieve plan kan hier binnen de kaders van het voorliggende bestemmingsplan van afwijken. De cijfers kunnen geconcretiseerd worden tijdens het vergunningentraject van de watervergunning. Afvoer Het afvalwater en het hemelwater worden gescheiden afgevoerd. Het hemelwater wordt geïnfiltreerd in de bodem en verder afgevoerd via het oppervlaktewater.

Het afvalwater wordt via het gemeentelijk rioolstelsel afgevoerd. Er wordt geen gebruik gemaakt van uitlogende bouwmaterialen. Waterkeringen Het plangebied is niet gelegen in of nabij een waterkering die is opgenomen in de legger van het hoogheemraadschap van Rijnland. Er hoeft dan ook geen rekening gehouden te worden met waterkeringen.

46

Watergangen In het plangebied liggen watergangen die zijn opgenomen in de legger. Dit betreft de watergang aan de noordzijde (Randsloot Frederiksoord), die een primair oppervlaktewater is, en een aftakking van deze watergang in zuidelijke richting. Deze laatste watergang wordt gedempt. De Randsloot Frederiksoord wordt verbreed. Per saldo neemt de hoeveelheid oppervlaktewater, mede door de aanleg van de centrale watergang, sterk toe (zie 'waterbalans'). Met het voorgenomen plan wordt een waterstructuur aangelegd die aansluit op Rijnvaert en die geen doodlopende watergangen ('kopsloten') bevat. Met bruggen over het westelijk deel van de centrale watergang kan met pleziervaartuigen van de steigers in Katwijkse deel van Nieuw Rijnvaert in de richting van Rijnvaert en de Oude Rijn gevaren worden. De brug ter hoogte van de Valkenburgerweg bevindt zich binnen het plangebied van het voorliggende bestemmingsplan. De overige kruisingen tussen watergangen en de wegen worden met duikers uitgevoerd (zie ook toelichting paragraaf 2.2). Conclusie Gezien het voorgaande zijn er geen belemmeringen zijn voor het aspect water. Er dient geconcludeerd te worden dat het plan uitvoerbaar is vanuit dit aspect.

4.4 Verkeer en parkeren 4.4.1 Verkeer Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer dat wordt gegenereerd bij ruimtelijke ontwikkelingen, zijn kencijfers verkeersgeneratie ontwikkeld. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (exclusief openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de beoogde ontwikkeling toe rijdt en hiervan wegrijdt. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren, van parkeerkencijfers naar parkeernormen' kencijfers voor verkeersgeneratie. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen wat de totale verkeersaantrekkende werking bedraagt. Planspecifiek Voor het bepalen van de verkeersgeneratie worden de gemiddelde kencijfers uit CROW-publicatie 381 voor 'rest bebouwde kom' en 'sterk stedelijk' gevolgd. In de navolgende tabel is de verkeersgeneratie van het totale plan weergegeven, waarbij uitgegaan is van de woningaantallen zoals die zijn weergegeven in toelichting paragraaf 2.2.

Functie CROWpublicatie 381 koop, huis, vrijstaand koop, huis, tweeonder-een-kap koop, huis, tussen/hoek (regulier) koop, huis, tussen/hoek (XSwoning) koop, appartement, midden/goedkoop huur, huis, sociale huur totaal

Gemiddeld kencijfer (aantal voertuigbewegingen per etmaal per woning) 8,2

Aantal woningen Nieuw Rijnvaert 17

Verkeersgeneratie (aantal voertuigbewegingen per etmaal) 139,4

7,8

46

358,8

7,1

104

738,4

7,1

18

127,8

5,6

48

268,8

4,9

71

347,9

304

1.981,1

47

Uit de tabel blijkt dat de verkeersgeneratie als gevolg van het plan met 1.981 voertuigbewegingen per etmaal toeneemt. Daarbij dient opgemerkt te worden dat de verkeersgeneratie afhankelijk is van het woningbouwprogramma dat daadwerkelijk gebouwd zal worden. Bij een groter woningaantal zullen relatief meer kleinere en/of goedkopere woningen gerealiseerd worden, waarbij de beschikbare ruimten voor het realiseren van woningen en parkeerplaatsen beperkende factoren zijn (zie ook toelichting paragraaf 4.4.2). Wanneer er meer kleinere en/of goedkopere woningen gerealiseerd worden, zal de gemiddelde verkeersgeneratie per woning lager zijn. Om die reden wordt de verwachte toename aan verkeersgeneratie gezien als een realistische inschatting voor de daadwerkelijke situatie. Voor de 71 woningen van Rijnvaert wordt uitgegaan van een verkeersgeneratie van 71 * 8 = 568 voertuigen per etmaal. De gezamenlijke verkeersgeneratie van Rijnvaert en Nieuw Rijnvaert bedraagt 568 + 1.981 = 2.549 voertuigenbewegingen per etmaal. De beoogde woningen van Nieuw Rijnvaert en de bestaande woningen van Rijnvaert worden voor autoverkeer uitsluitend ontsloten via de hoofdontsluiting in het plangebied, die aan de zuidoostzijde aansluit op de Rijnsburgerweg.

Fietsverkeer kan ook gebruik maken van de Valkenburgerweg en de fietsverbinding die Nieuw Rijnvaert verbindt met Frederiksoord, wat nadrukkelijk niet geldt voor autoverkeer. Een uitzondering hierop vormt de calamiteitenontsluiting nabij de Paedsenakker, die in noodsituaties gebruikt kan worden door hulpdiensten. De ontsluitingsweg is in het kader van het bestemmingsplan 'Rijnvaert' reeds verkeerskundig onderzocht door Goudappel Coffeng. Hierbij is de woningbouwontwikkeling Oegstgeest aan den Rijn meegenomen bij de beoordeling van de capaciteit van Rijnsburgerweg en is uitgegaan van een gezamenlijk woningaantal van 414 woningen voor Rijnvaert en Nieuw Rijnvaert, terwijl thans slechts 382 woningen mogelijk worden gemaakt. Goudappel Coffeng heeft in 2019 (en eerder) voor het kruispunt Rijnsburgerweg/Langenakker berekend of een verkeersregelinstallatie (VRI) de verkeersstromen kan verwerken. Met de huidige inrichting van de Rijnsburgerweg situatie zou een VRI voor doorstromingsproblemen kunnen gaan zorgen. Om die reden worden de Rijnsburgerweg en de Rijnzichtweg opnieuw ingericht. De kruising Rijnsburgerweg/Langenakker wordt voorzien van opstelvakken voor afslaand verkeer, een fiets- en voetgangersoversteekplaats en fietsen voetpaden aan beide zijden van de Rijnsburgerweg (zie navolgende afbeelding).

Als onderdeel van herinrichting wordt ook de kruising Rijnsburgerweg/Floresstraat opnieuw ingericht, zodat de doorstroming verbetert.

Toekomstige inrichting kruising Rijnsburgerweg/Langenakker (bron: Goudappel Coffeng)

48

Uit de berekeningen van Goudappel Coffeng uit 2019 die zijn uitgevoerd met het programmapakket COCON, gebaseerd op het verkeersaanbod uit het verkeersmodel Holland Rijnland 3.2 2030, volgt dat het beoogde kruispuntontwerp Rijnsburgerweg/Langenakker met een VRI het verkeersaanbod op een goede manier kan verwerken. De gemiddelde cyclustijd in de maatgevende avondspits bedraagt circa 80 seconden. Dit is minder dan de maximaal acceptabele cyclustijd van 90 seconde. De kwaliteit van de verkeersafwikkeling dient daarmee als redelijk bestempeld te worden. Ook het ontwerp voor het kruispunt Rijnsburgerweg/Floresstraat heeft voldoende capaciteit om het toekomstige verkeer goed te kunnen verwerken binnen de gestelde maximale cyclustijd. Gelet op de ongevalgegevens voor de Rijnsburgerweg kan in objectieve zin geconcludeerd worden dat de weg niet onveilig is. Ernstige ongevallen komen niet vaak voor. Er is geen duidelijk problematische locatie. Desondanks is de beleving van gebruikers van de weg vaak anders. In subjectieve zin is er dan ook wel sprake van een 'onveilige situatie'. Door het ontwerp van kruispunt te laten voldoen aan de uitgangspunten van Duurzaam Veilig zal het kruispunt zowel object als subjectief als veilig ervaren worden. Gezien het voorgaande is het plan uitvoerbaar vanuit het aspect verkeer.

4.4.2 Parkeren Het benodigde of gewenste aantal parkeerplaatsen bij ruimtelijke ontwikkelingen kan worden bepaald op basis van parkeerkencijfers of op basis van parkeernormen. Parkeerkencijfers zijn op de praktijk gebaseerde cijfers van de verwachte parkeerbehoefte. Parkeernormen staan voor het aantal vereiste parkeerplaatsen per type bestemming. Op basis van deze parkeernormen wordt parkeerbeleid veelal vormgegeven. Gemeentelijk beleid De gemeente Oegstgeest heeft haar parkeerbeleid vastgelegd in de Parkeernotitie Oegstgeest (vastgesteld op 22 april 2002, gewijzigd op 28 oktober 2004). Het beleid is om de parkeerkencijfers van het CROW voor woningbouw en andere specifieke functies te hanteren als uitgangspunt voor bestaande en nieuwe situaties. Als de normen van het CROW wijzigingen zullen deze wijzigingen worden gevolgd. De gemeente Oegstgeest heeft nieuw parkeerbeleid in voorbereiding, te weten de Parkeernota 2021 Gemeente Oegstgeest. In dit nog niet vastgestelde document wordt voor bepaalde functies afgeweken van de gemiddelde parkeerkencijfers van het CROW. In de nog niet vastgestelde Parkeernota 2021 Gemeente Oegstgeest zijn de volgende parkeernormen voor wonen opgenomen:

• • • • • • • • • • • •

koop, vrijstaand: 2,1 parkeerplaatsen per woning; koop, 2-onder-1-kap: 2,0 parkeerplaatsen per woning; koop, tussen/hoek: 1,8 parkeerplaatsen per woning; koop, appartement, duur: 1,9 parkeerplaatsen per woning; koop, appartement, midden: 1,4 parkeerplaatsen per woning; koop, appartement, goedkoop: 1,2 parkeerplaatsen per woning; huurhuis, vrije sector: 1,8 parkeerplaatsen per woning; huurhuis, sociale huur: 1,2 parkeerplaatsen per woning; huur, appartement, duur: 1,7 parkeerplaatsen per woning; huur, appartement, midden: 1,3 parkeerplaatsen per woning; huur, appartement, goedkoop: 1,0 parkeerplaatsen per woning; huur, appartement, sociaal: 1,0 parkeerplaatsen per woning.

Planspecifiek Bij het voorgenomen plan zijn intergemeentelijke afspraken gemaakt over te hanteren parkeernormen, die zijn weergegeven in de navolgende tabel. Hierbij is nog niet geanticipeerd op de in voorbereiding zijnde nieuwe parkeernormen.

49

Volgens dezelfde systematiek die in toelichting paragraaf 4.4.1 is gehanteerd is de parkeerbehoefte van het plan in de navolgende tabel uiteengezet. Omdat sprake is van een integraal plan waarbij de totale parkeerbehoefte binnen het plangebied van Nieuw Rijnvaert opgelost moet worden, is uitgegaan van het totale plan Nieuw Rijnvaert. Functie CROW-publicatie 381

Gehanteerde parkeernorm (aantal parkeerplaatsen per woning

Aantal woningen Nieuw Rijnvaert

Parkeerbehoefte (aantal parkeerplaatsen)

koop, huis, vrijstaand

2,2

17

37,4

koop, huis, twee-ondereen-kap

2,1

46

96,6

koop, huis, tussen/hoek

1,9

104

197,6

1,6

18

28,8

1,6

28

44,8

1,9

20

38,0

1,6

71

113,6

304

556,8

koop, huis, tussen/hoek (XS-woning) koop, appartement, goedkoop koop, appartement, midden huur, huis, sociale huur totaal

De totale berekende parkeerbehoefte van het indicatieve woningbouwprogramma bedraagt 556,8 parkeerplaatsen. Daarbij dient opgemerkt te worden dat parkeerbehoefte afhankelijk is van het woningbouwprogramma dat werkelijk gebouwd gaat worden, waarbij de ruimte die het plan biedt voor parkeerplaatsen een beperkende factor is voor het woningbouwprogramma dat gerealiseerd kan worden. Woningtypen waarmee een hogere woningdichtheid gerealiseerd kan worden (rij- en hoekwoningen en appartementen) vragen om meer parkeerplaatsen in de openbare ruimte. Het gevolg zal zijn dat er een balans ontstaat tussen het woningaantal dat daadwerkelijk gerealiseerd kan worden en de beschikbare ruimte voor (openbare) parkeerplaatsen. Bij vrijstaande woningen en twee-onder-een-kapwoningen worden twee parkeerplaatsen per woning op eigen terrein gerealiseerd, die als 1,7 parkeerplaatsen worden gerekend. Bij rij- en hoekwoningen wordt de parkeerbehoefte volledig in de openbare ruimte (binnen het plangebied) opgelost. De parkeerplaatsen bestaan uit langsparkeerplaatsen aan de wegen, die onderbroken worden door bomen, en groen omzoomde parkeerkoffers. Bij het appartementengebouw aan de westzijde van de entree worden ondergrondse parkeervoorzieningen gerealiseerd. Om aan te tonen dat het plan uitvoerbaar is voor het aspect parkeren is er een parkeerbalans opgesteld voor een situatie met 304 woningen.

De totale parkeerbehoefte hiervan is 556,8 parkeerplaatsen (zie tabel). In deze situatie is er ruimte voor 565,5 parkeerplaatsen binnen het plangebied, waarmee er een overschot van 8,7 parkeerplaatsen is. Gelijk aan het bestemmingsplan 'Parapluplan Parkeren' (vastgesteld op 21 juni 2018) en het ontwerp bestemmingsplan 'Parapluplan Parkeren Oegstgeest 2021' is in de planregels een bepaling over parkeren opgenomen, waarin wordt verwezen naar het gemeentelijke parkeerbeleid. De verplichting tot het realiseren en in stand houden van voldoende parkeerplaatsen is hiermee geborgd in de planregels. Gezien het voorgaande is het plan uitvoerbaar vanuit het aspect parkeren.

50

4.5 Ecologie Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Wat betreft soortenbescherming is per 1 januari 2017 de Flora- en faunawet samen met de Boswet en Natuurbeschermingswet vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Onder de Wet natuurbescherming vervallen de tabellen 1, 2 en 3 waarin de beschermde soorten zijn opgenomen. Tevens zijn er circa 200 soorten niet langer beschermd en worden enkele bedreigde soorten toegevoegd. De soortenbescherming binnen de Wet natuurbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en andere soorten. Voor alle beschermde soorten geldt een ontheffingsplicht. Het bevoegd gezag (de provincie) kunnen voor de soorten die zijn opgenomen in het ‘beschermingsregime andere soorten’ vrijstellingsbesluit nemen en hierin onderscheid maken tussen meer en minder strikt beschermde soorten. Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menig soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is.

Planspecifiek Soortenbescherming Er is een oriënterend onderzoek naar beschermde flora en fauna (Blom Ecologie, nr. BE/2019/177/r, d.d. 19 augustus 2020, zie bijlagen bij toelichting 12) uitgevoerd. Hieruit blijkt dat in het plangebied en de directe omgeving daarvan beschermde diersoorten van de Wet natuurbescherming voorkomen. Het plangebied en de daarin aanwezige kassen hebben geen essentiële betekenis voor beschermde soorten. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen, amfibieën, insecten en broedvogels. Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied en locatie betreffende Natura 2000 of het Natuurnetwerk Nederland. Op een afstand van 1,7 km ligt het Natura 2000-gebied Meijendel & Berkheide. De planlocatie ligt op een afstand van circa 720 m ten noordwesten van het Natuurnetwerk Nederland, op 2 km van een belangrijk weidevogelgebied en op 9,3 km van een strategische reservering natuur. Er zijn geen karakteristieke landschapselementen aanwezig. Voor effecten op Natura 2000-gebieden (trillingen, geluid, optische verstoring, etc.) geldt, met uitzondering van stikstofdepositie, dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden voldoende is om effecten uit te kunnen sluiten.

Stikstofdepositie Om aan te tonen wat de mogelijke effecten van het voorgenomen plan op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden zijn, is een onderzoek naar stikstofdepositie (Langelaar milieuadvies, nr. 20077.03/01, d.d. 16 maart 2021, zie bijlagen bij toelichting 13) uitgevoerd. De ontwikkeling Nieuw Rijnvaert in de gemeenten Katwijk en Oegstgeest is in het kader van het stikstofdepositieonderzoek ten behoeve van de Wet Natuurbescherming als één plan beschouwd. Uit het uitgevoerde onderzoek naar stikstofdepositie blijkt dat zowel de inzet van machines en transportbewegingen in de aanlegfase als verkeer in de gebruiksfase niet leidt tot een stikstofdepositietoename die groter is dan 0,00 mol/ha/j op reeds (bijna) overbelaste delen van stikstofgevoelige habitats en leefgebieden in Natura 2000-gebieden. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State mag bij bestemmingsplannen (voor wat betreft het aspect stikstof) de feitelijk bestaande en planologisch legale situatie voorafgaand aan de vaststelling van het plan gehanteerd worden als referentiesituatie. Vanwege de voorgenomen ontwikkeling van Nieuw Rijnvaert is het voormalige gebruik (kassen en agrarische gronden)

51

reeds deels beëindigd. De gronden zijn namelijk aangekocht ten behoeve van woningbouw. De gasstookinstallaties van de kassen leidden tot NOx-emissies. Daarnaast leidde het bemesten van de gronden tot een emissie van ammoniak (NH3). Het verdwijnen van het agrarische gebruik is het rechtstreekse, onlosmakelijke (positieve) gevolg van de woningbouwontwikkeling. Middels een verschilberekening tussen de saldo gevende (aanleg-/gebruiksfase) en saldo onttrekkende emissies (gasverbruik en bemesting) is aangetoond dat het plan per saldo in zowel de aanleg- als de gebruiksfase niet leidt tot een toename van stikstofdepositie op reeds (bijna) overbelaste delen van stikstofgevoelige habitats en leefgebieden in Natura 2000-gebieden. Op 1 juli 2021 is de Wet stikstofreductie en natuurverbetering in werking is getreden. De Wet stikstofreductie en natuurverbetering introduceert in artikel 2.9a Wet natuurbescherming een gedeeltelijke vrijstelling van de natuurvergunningplicht uit artikel 2.7 van die wet. Met betrekking tot stikstofdepositie in de aanlegfase heeft de wetgever daarmee al een beoordeling uitgevoerd. Hierdoor is er een vrijstelling voor bouw-, sloop- en eenmalige aanlegactiviteiten. Desondanks zijn de effecten van de aanlegfase inzichtelijk gemaakt met het onderzoek naar stikstofdepositie.

Significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden door stikstof kunnen op voorhand worden uitgesloten. Er is geen vergunningplicht op grond van de Wet Natuurbescherming ten gevolge van stikstofemissies dan wel een passende beoordeling nodig ten gevolge van stikstof. Houtopstanden Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een melding- of vergunningplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming. Conclusie De beoogde ontwikkeling leidt niet tot overtreding van soortenbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden in het kader van de Wnb. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van foeragerende vleermuizen, rugstreeppadden en algemene broedvogels. Voor deze soorten dienen maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen. De conclusie is dan ook dat de ontwikkeling uitvoerbaar is. Er dienen de volgende maatregelen getroffen te worden:

•

Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (zorgplicht).

•

Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige.

•

Alle aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken, etc.) gefaseerd verwijderen. Dit om bodembewonende dieren de kans te bieden in de nabijgelegen omgeving een ander leefgebied te benutten.

•

Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden.

•

De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur minimaal verlichten en hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel, etc.) en de werkzaamheden in de periode april-oktober tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes).

•

De werkzaamheden opstarten/uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (globaal medio maart t/m medio juli). Indien de werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd dient voor de aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn. E.e.a. op aanwijzing van een deskundige. Indien dit niet mogelijk is, dienen de potentiële nestlocaties buiten het broedseizoen ongeschikt gemaakt te worden.

52

4.6 Archeologie In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden totdat de Omgevingswet in werking treedt. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Onder andere de Monumentenwet is hierin opgegaan. Op basis van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Artikel 5.10 lid 1 van de Erfgoedwet stelt namelijk: 'Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze Minister'. Planspecifiek Gemeentelijk beleid Op de archeologische verwachtings(waarden)kaart en beleidskaart van de gemeenten Katwijk, Noordwijk, Noordwijkerhout, Lisse, Teylingen en Hillegom uit 2015 zijn de archeologische verwachtingswaarden van het deel van Nieuw Rijnvaert in de gemeente Katwijk weergegeven.

Voor het deel van de gemeente Oegstgeest kan uitgegaan worden van de archeologische waardenkaart Oegstgeest (vastgesteld op 23 oktober 2008). De gronden in het Katwijkse deel van het plangebied zijn aangeduid als 'categorie 2' (westelijk deel) en 'categorie 5'. Ter plaatse geldt een onderzoekplicht bij bodemingepen dieper dan 30 cm -Mv en groter dan respectievelijk 100 en 250 m². De gronden in het Oegstgeestse deel van het plangebied hebben deels een hoge archeologische verwachting en deels een gematigde archeologische verwachting. Ter plaatse geldt een onderzoekplicht bij bodemingepen dieper dan 50 cm -Mv en groter dan respectievelijk 100 en 250 m². Archeologisch onderzoek Aangezien de bodemingrepen die nodig zijn om het voorgenomen plan te kunnen realiseren ruimschoots dieper en groter dan de vrijstellingsgrenzen is een archeologisch onderzoek uitgevoerd. Het uitgevoerde archeologisch onderzoek betreft een inventariserend onderzoek in de vorm van proefsleuven (Vestigia, nr. V19-4089, d.d. 3 maart 2021, zie bijlagen bij toelichting 14). Uit het uitgevoerde onderzoek blijkt dat de aangelegde proefsleuven niet de vooraf gestelde (middel)hoge archeologische verwachting hebben kunnen onderbouwen. Praktisch alle aanwezige sporen kunnen enkel tot de landinrichting uit de laatste paar honderd jaar worden gerekend.

Alleen in werkput 6 is een rij paalkuilen geconstateerd met op basis van enkele aanwezige scherven een mogelijk eerdere datering in de late middeleeuwen tot de beginperiode van de Nieuwe tijd. Ook hier gaat het echter alleen om een landinrichting en niet om sporen die bij een daadwerkelijke woonplek kunnen hebben behoord. Alle sporen behoren hiermee tot extensief landgebruik uit hooguit de laatste 500 tot 600 jaar met een nadruk op de laatste paar honderd jaar. In overeenstemming met het beschikbare kaartmateriaal is het plangebied gedurende deze periode altijd in gebruik gebleven als bouwland en tuingronden. De bijzonderheid van de nabijgelegen late ijzertijdvindplaats, bestaande uit enkele greppels met grote fragmenten late ijzertijdvaatwerk, lijkt binnen dit landschap een opzichzelfstaand fenomeen te zijn en heeft in ieder geval voor dit ten noorden ervan gelegen plangebied geen archeologische relatie kunnen aangeven. Conclusie lijkt dan ook dat deze nabijgelegen late ijzertijdvindplaats nogal op zichzelf staat binnen een landschap dat verder voor deze periode binnen het plangebied niet geschikt leek voor bewoning. Conclusie De sporen en vondsten die met het proefsleuvenonderzoek zijn aangetroffen zijn dermate schaars te noemen, zodat de archeologisch (middelhoge tot hoge) verwachting voor het plangebied naar beneden kan worden bijgesteld.

Op basis van de resultaten van het proefsleuvenonderzoek wordt geadviseerd om het plangebied vrij te geven voor de beoogde ontwikkeling.

53

Het dient de aanbeveling om de initiatiefnemer erop te wijzen dat, op het moment dat tijdens graafwerkzaamheden een archeologische toevalsvondst wordt aangetroffen, er een wettelijke plicht geldt deze vondst te melden bij het bevoegd gezag (Erfgoedwet, artikel 5.10 lid 1).

4.7 Cultuurhistorie Goede ruimtelijke ordening betekent dat er een integrale afweging plaatsvindt van alle belangen die effect hebben op de kwaliteit van de ruimte. Een van die belangen is de cultuurhistorie. Ruimtelijke plannen zijn een belangrijk instrument om cultuurhistorische waarden in een gebied te beschermen. Per 1 januari 2012 is in het kader van de modernisering van de monumentenzorg (MOMO) in het Besluit ruimtelijke ordening van het rijk opgenomen dat gemeenten bij het maken van ruimtelijke plannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden. Planspecifiek In het plangebied zijn geen rijksmonumenten of gemeentelijke monumenten aanwezig. De rijksmonumenten en gemeentelijke monumenten in de omgeving worden niet negatief beïnvloed door het plan. Er zijn geen cultuurhistorisch waardevolle (landschaps)elementen aanwezig in of nabij het plangebied. Er dient geconcludeerd te worden dat er geen belemmeringen zijn voor het voorgenomen plan vanuit het aspect cultuurhistorie.

4.8 Duurzaamheid Nederland in 2050 vrij van aardgas Maar liefst 95% van de 7,7 miljoen huishoudens in Nederland gebruikt aardgas voor verwarming, warm water en om op te koken. Stoppen met het gebruik van aardgas zorgt dus voor een flinke afname van onze CO2-uitstoot. En hoe minder CO2 in de lucht, hoe beter dat is voor het klimaat en de biodiversiteit Door de toenemende onzekerheid over het aardgas, de effecten van aardgaswinning in Groningen, de toenemende afhankelijkheid van geïmporteerd aardgas en de klimaatdiscussie kiezen projectontwikkelaars, overheden en netbeheerders vaker voor wijken en andere ontwikkelingen zonder gasleidingen. Gasleidingen gaan ongeveer 45 jaar mee, daarna zijn ze verouderd en minder veilig. Elk jaar zijn er dan ook grote stukken van het gasnet die aan vervanging toe zijn. Er kan in dit geval ook gekozen worden om de leidingen te verwijderen. De keuze om ze te verwijderen of te vervangen hangt vooral af van de plannen om aardgas in het gebied te behouden of niet. Energiebesparing en duurzame energiebronnen Vanaf 2021 moeten gebouwen en woningen aan een EPC van 0 voldoen. Dit zijn zogenaamde 'energie nul'woningen en -gebouwen die aan de BENG-eisen (bijna energieneutraal gebouw) voldoen. Strategisch gezien is het raadzaam om energieneutraal te bouwen. Indien dit niet haalbaar is wordt aangeraden om aan de BENG-eisen te voldoen. Deze eisen zijn: 1. 2.

3.

de maximale energiebehoefte is 25 kWh/m² bvo; het maximale primaire energieverbruik is 25 kWh/m² bvo; het minimale aandeel van 50 % hernieuwbare energie.

Om aan deze eisen te voldoen kan gebruik gemaakt worden van een warmtepomp, zonnecollector en PVpanelen. Gemeentelijk beleid De gemeente Oegstgeest heeft haar beleid met betrekking tot duurzaam bouwen verwoord in het beleidsdocument 'De toekomst is nu; duurzaam Oegstgeest' (vastgesteld op 1 juni 2017) en de uitvoeringsagenda 'Impuls Duurzaam Oegstgeest' (vastgesteld op 18 december 2018). In het beleidsdocument is aandacht voor op ontwikkelingen waarmee de gemeente te maken heeft en krijgt. Dit

54

zijn ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving, zoals klimaatverandering, energietransitie en circulaire economie, en ontwikkelingen in de relatie tussen gemeenten in de omgeving. Voor haar toekomstbestendigheid heeft de gemeente de volgende ambities:

• •

Energietransitie: in 2050 is Oegstgeest als gemeenschap energieneutraal.

•

Circulaire economie: de gemeente streeft een economie na waarbij beschikbare grondstoffen zo lang mogelijk in de keten blijven en reststromen zo hoogwaardig mogelijk worden hergebruikt.

Klimaatadaptatie: vanaf 2020 werkt Oegstgeest klimaatbestendig. Vanaf 2050 is Oegstgeest een klimaatbestendig dorp en voldoende waterrobuust.

De ambities worden uitgewerkt en geconcretiseerd in de uitvoeringsagenda. Planspecifiek Het voorgenomen plan heeft verschillende raakvlakken met de duurzaamheidsambities van de gemeente Oegstgeest. Navolgend is per ambitie aandacht voor deze relatie:

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11048888/1