D2 Bijlage 1 bij RM d.d. 14 december 2021 Vrijgeven terinzagelegging ontwerpbestemmingsplan Nieuw Rijnvaert Z-21-141032 Oegstgeest
Tekst van het document
In de Regionale Woon Agenda Holland Rijnland (zie toelichting paragraaf 3.3.2) wordt de woningbouwbehoefte nader uitgewerkt en gefaseerd. Hieruit blijkt dat het voorgenomen plan in zowel kwantitatieve als kwalitatieve zin tegemoet komt aan de woningbouwbehoefte. Bestaand stedelijk gebied De gronden waarop de woningen zijn voorzien zijn in het verleden grotendeels gebruikt voor agrarische doeleinden, waaronder glastuinbouw. In de thans geldende bestemmingsplannen hebben deze gronden een uit te werken woonbestemming of een agrarische bestemming. Volgens artikel 1.1,1, eerste lid, onder h van het Bro is bestaand stedelijk gebied 'het bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur.' Uitgaande van deze definitie kunnen de gronden in het plangebied niet aangemerkt worden als bestaand stedelijk gebied. De inbreidingscapaciteit in de gemeenten Oegstgeest en Katwijk is onvoldoende om te voorzien in de actuele gemeentelijke en regionale woningbehoefte. Voor een woningbouwontwikkeling met een omvang als het voorgenomen plan wordt daarom gekozen voor uitbreiding van de bestaande kernen.
Deze uitbreiding maakt onderdeel uit van de Knoop Leiden West, een integrale ontwikkeling van (woningbouw)projecten in de as Leiden-Katwijk (zie ook toelichting paragraaf 3.2.2).
18
Er dient geconcludeerd te worden dat het plan voldoet aan de ladder voor duurzame verstedelijking.
3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Omgevingsvisie Zuid-Holland De meeste recente versie van de Omgevingsvisie van de provincie Zuid-Holland is in werking getreden op 1 augustus 2020. De Omgevingsvisie bestaat uit vier onderdelen: 1.
Ruimtelijke hoofdstructuur
De ruimtelijke hoofdstructuur toont de essentie en de samenhang van verschillende ruimtelijke beleidskeuzes uit de Omgevingsvisie. Het integrale kaartbeeld van de ruimtelijke hoofdstructuur is opgebouwd uit de volgende kaartbeelden:
•
het dagelijks stedelijk systeem, dat bestaat uit de stedelijke agglomeratie en de daarmee via hov (hoogwaardig openbaar vervoer) verbonden regiokernen;
• •
de hoogstedelijke zone tussen Leiden en Dordrecht;
• • • •
de samenhang van grote landschappelijke eenheden met de stedelijke agglomeratie; de groene ruimte en de groenblauwe structuur;
2.
Ambities en sturing
het logistiek-industriële systeem van mainport, greenports langs vaarwegen en zware infrastructuur;
het bodem- en watersysteem; energie.
De provincie wil meer vertrouwen geven aan maatschappelijke initiatieven. De provincie werkt daarom vanuit een aantal sturingsprincipes: opgavegericht, provinciaal belang en maatwerk. De provincie heeft zes richtinggevende ambities in de fysieke leefomgeving. Deze ambities zijn geworteld in de historie, ligging en economische structuur van Zuid-Holland en zijn gekoppeld aan de strategische uitdagingen waar de regio voor staat. De provincie heeft de volgende ambities:
• • • • • •
naar een klimaatbestendige delta; naar een nieuwe economie: the next level;
3.
Omgevingskwaliteit
naar een levendig meerkernige metropool; energievernieuwing; best bereikbare provincie; gezonde en aantrekkelijke leefomgeving.
Onder 'omgevingskwaliteit' wordt verstaan: het geheel aan kwaliteiten die de waarde van de fysieke leefomgeving bepalen. De volgende onderdelen vormen de basis van de omgevingskwaliteit:
• •
een beschrijving van de unieke kwaliteiten van Zuid-Holland: de drie deltalandschappen, de ZuidHollandse steden en de strategische ligging in internationale netwerken; een beschrijving van de bestaande omgevingskwaliteit op basis van de leefomgevingstoets, met aandacht voor aspecten van milieukwaliteit. Hiertoe implementeert de provincie de beleidscyclus en monitor Omgevingskwaliteit;
19
•
een nadere uitwerking van het provinciale beleid voor het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit, op basis van de 'kwaliteitskaart' en de 'richtpunten ruimtelijke kwaliteit'.
4.
Beleidskeuzes
De provincie heeft in de Omgevingsvisie een overzicht gemaakt van samenhangende beleidskeuzes (zie Omgevingsvisie Zuid Holland). Planspecifiek 1.
Ruimtelijke hoofdstructuur
De ruimtelijke hoofdstructuur is voor het beoogde initiatief niet direct van belang gezien de aard en omvang van het initiatief. Wel sluit het voorgenomen plan aan op de hoogstedelijke zone tussen Leiden en Dordrecht. 2.
Ambities en sturing
De ambities van de provincie zijn niet specifiek van toepassing voor het beoogde initiatief, maar vormen tevens geen belemmering voor de herontwikkeling. 3.
Omgevingskwaliteit
Voor de beoogde ontwikkeling is de omgevingskwaliteit van belang. Ruimtelijke ontwikkelingen die maatschappelijk en economisch gewenst zijn, moeten bijdragen aan de balans tussen de instandhouding, benutting en versterking van de bestaande gebiedskwaliteiten. Deze vinden hun grondslag in de drie onderscheiden deltalandschappen. Het plangebied is gelegen in het Zuid-Hollandse kustlandschap. De kwaliteitskaart en de bijbehorende richtpunten geven richting aan de wijze waarop ontwikkelingen kunnen inspelen op ruimtelijke gebiedskwaliteiten. Navolgend wordt ingegaan op de relevante kaartlagen hiervan. Laag van de ondergrond Op de laag van de ondergrond is de planlocatie aangewezen als 'bijzonder relief - oude stroomgordels en geulafzettingen' en 'rivierdeltacomplex - jonge zeeklei'. In dit gebied kunnen natuurlijke hoogteverschillen voorkomen. Dit betreft strandwallen in de kustzone, oude stroomruggen, kreken en geulafzettingen, rivierduinen met donken en oude bovenlanden met restveen. Vanwege de hogere ligging waren deze plekken aantrekkelijk voor (pre)historische bewoning. Het zijn vaak plekken van grote archeologische en aardkundige waarde. Behoud van dit reliëf houdt de leesbaarheid van de ontstaansgeschiedenis van het gebied in stand. Richtpunten hierbij zijn:
•
Ontwikkelingen houden de onregelmatige patronen en het reliëf in het landschap herkenbaar en in stand.
•
Waar mogelijk worden de archeologische waarden van deze structuren meer herkenbaar gemaakt bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen.
In het plangebied zijn geen onregelmatige patronen aanwezig en is geen reliëf in het landschap herkenbaar. Uit toelichting paragraaf 4.6 volgt of er archeologische waarden aanwezig zijn. De gronden in het rivierdeltacomplex bestaan overwegend uit kleigronden. Ontwikkelingen in dit gebied moeten bijdragen aan het behoud van ruimte voor dynamische natuurlijke processen en zoetzoutovergangen in de deltawateren en natuurlijke buitendijkse gebieden. Met het beoogde plan wordt de waterstructuur zoals die aanwezig is ten (zuid)westen van de Valkenburgerweg doorgezet in het plangebied. Hiermee ontstaan er mogelijkheden voor natuurlijke processen.
20
Laag van de beleving De Valkenburgerweg is aangewezen als fiets- en wandelroute. De ontsluiting van de woningen van Rijnvaert en de beoogde woningen van Nieuw Rijnvaert is voorzien via de as Hartjespan-Langenakker-Rijnsburgerweg. De Valkenburgerweg wordt niet gebruikt voor de ontsluiting en is/wordt ingericht als fietsstraat, wat past bij de status van fiets- en wandelroute. Laag van de stedelijke occupatie Op de laag van de stedelijke occupatie is het plangebied aangeduid als 'steden en dorpen'. Ontwikkelingen dienen hier bij te dragen aan de karakteristieke kenmerken/identiteit van het dorp en versterking van de stedelijke groen- en waterstructuur. De groen- en waterstructuur die in de omgeving aanwezig is wordt met het plan doorgetrokken in het plangebied. De stedenbouwkundige hoofdstructuur en uitgangspunten zijn afgeleid van de omgeving (Frederiksoord, Rijnvaert en de 'Tuin van Oegstgeest'). Hiermee wordt voortgebouwd op het bestaande stads- en dorpsgebied en wordt de overgangskwaliteit met een nieuwe dorpsrand versterkt. De gronden ten zuiden van het plangebied zijn indicatief aangewezen als stedelijke groen- en waterstructuur. Deze groen- en waterstructuur is op hoofdlijnen vastgelegd in het bestemmingsplan 'Kamphuizerpolder - Buitenlust'. Op deze gronden ligt reeds een ontsluitingsweg. De ontsluiting van de beoogde woningen zal plaatsvinden via deze weg.
De gronden rondom deze weg zullen ingericht worden als groenvoorziening. De entree van het plangebied, rondom het appartementengebouw, zal een groen karakter krijgen, waarmee aansluiting wordt gezocht bij de (toekomstige) groen- en waterstructuur ten zuiden van het plangebied. Binnen het plangebied wordt deze structuur verder doorgezet in de vorm van de centrale singel met groen en water. 4.
Beleidskeuzes
De ontwikkeling sluit aan bij de beleidskeuze 'behoud en versterking ruimtelijke kwaliteit', 'stedelijke ontwikkelingen buiten bestaand stads- en dorpsgebied' en 'verstedelijking en wonen'. Het ruimtelijke kwaliteitsbeleid bestaat uit de voornoemde lagen van de kwaliteitskaart. Uit de toetsing van het voorgenomen plan aan de kwaliteitskaart volgt dat het plan grotendeels voldoet aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart. Met het voorgenomen plan wordt een deel van de vraag naar woningen opgevangen. De vraag naar woningen kan in kwantitatieve zin niet volledig binnen het bestaand stads- en dorpsgebied opgelost worden. Met het plan wordt een kwalitatief hoogwaardige woonomgeving gerealiseerd, waar ruimte is voor groen en water. Het woningbouwprogramma bestaat uit passende woningen voor verschillende doelgroepen. Conclusie De beoogde ontwikkeling is in overeenstemming met de Omgevingsvisie en past binnen de provinciale ambities ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit en wonen. Daarmee vormt de Omgevingsvisie geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. 3.2.2 Programma ruimte In het Programma ruimte is het strategische beleid uit de Visie ruimte en mobiliteit doorvertaald naar operationeel beleid en is aangegeven welke mix aan instrumenten de provincie voornemens is om in te zetten en aan wil bieden om deze doelen te realiseren.
De Actualisering 2018 is vastgesteld op 30 mei 2018. Op 15 februari 2019 is de meest recente geconsolideerde versie gepubliceerd. Beter benutten bestaand stads- en dorpsgebied In lijn met de maatschappelijke behoefte zet de provincie in op het beter benutten van het bestaand stadsen dorpsgebied. Indien een gemeente een ruimtelijke ontwikkeling wil realiseren, wordt de ladder voor duurzame verstedelijking doorlopen. De provincie wil bevorderen dat de ladder op (sub)regionaal niveau wordt toegepast en dat samenwerkende gemeenten een gezamenlijk beeld ontwikkelen van de ontwikkelmogelijkheden binnen en buiten bestaand stads- en dorpsgebied. De gemeenten stemmen de geplande opgave met behulp van actuele regionale visies voor in ieder geval wonen en kantoren af met
21
andere gemeenten in de regio. Het is aan gemeenten zelf om te bepalen of zij ook behoefte hebben aan regionale visies ter afstemming van het beleid met betrekking tot bedrijventerreinen en detailhandel, of aan regionale ruimtelijke visies. Gedeputeerde Staten kunnen echter voor een bepaalde regio aangeven dat het nodig is om een regionale visie voor bedrijventerreinen te maken. De provincie heeft de ladder voor duurzame verstedelijking ook opgenomen in de Omgevingsverordening Zuid-Holland. De ladder voor duurzame verstedelijking vormt een belangrijk handvat in de fase van regionale visievorming. Als het plan qua regionale behoefteraming past in een actuele regionale visie die de instemming heeft van Gedeputeerde Staten, kan daarnaar worden verwezen bij de beschrijving van de behoefte als bedoeld in de ladder voor duurzame verstedelijking. Gedeputeerde Staten kunnen bij de aanvaarding van een regionale visie aangeven in hoeverre de Ladder voor duurzame verstedelijking op regionaal niveau volgens de provincie geheel of gedeeltelijk is doorlopen (zie toelichting paragraaf 3.3.1). Stedelijke ontwikkelingen buiten BSD groter dan 3 ha Volgens de Verordening ruimte 2014 moeten nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen buiten BSD van meer dan 3 ha in het door Provinciale Staten (PS) vastgestelde Programma ruimte staan.
Daarmee ligt het eindoordeel over omvangrijke verstedelijking buiten BSD bij PS. Indien in regionale visies of bestemmingsplannen locaties worden opgenomen buiten bestaand stads- en dorpsgebied die groter zijn dan 3 ha, dienen die dus door PS in het Programma ruimte te worden opgenomen, voor zover zij daar al niet in opgenomen zijn. Bij een verschil tussen het Programma ruimte en de regionale visie, is het programma leidend. Planspecifiek Op kaarten bij het Programma ruimte is de planlocatie aangemerkt als 'bebouwde ruimte' en 'steden en dorpen'. De ambitie van de provincie is dat het bestaand stads- en dorpsgebied beter benut wordt. Het voorgenomen plan geeft invulling aan deze ambitie. De planlocatie wordt in het Programma ruimte genoemd als onderdeel van de Knoop Leiden West. De Knoop Leiden West is één van de vier locaties uit het Programma ruimte die is aangewezen voor het realiseren van een bovenregionale woningbouwopgave. In de Overeenkomst Knoop Leiden West is een stelsel van bestuurlijke afspraken gemaakt voor een integrale ontwikkeling van de 'Knoop' in samenhang met andere projecten in de as Leiden-Katwijk. De planlocatie is één van de woningbouwlocaties in de Knoop Leiden West. De ontwikkeling van de Knoop Leiden West is verwerkt en uitgewerkt in de Regionale Woon Agenda Holland Rijnland (zie toelichting paragraaf 3.3.2).
3.2.3 Omgevingsverordening Zuid-Holland Tegelijk met de Omgevingsvisie is de Omgevingsverordening op 1 augustus 2020 in werking getreden. In de verordening stelt de provincie regels aan ruimtelijke ontwikkelingen. De Omgevingsverordening draagt bij aan het realiseren van de provinciaal ruimtelijke beleid zoals dat benoemd is in de Omgevingsvisie. De verordening omvat in aanvulling op de Omgevingsvisie toetsbare criteria waaraan planvorming moet voldoen. Ruimtelijke kwaliteit In artikel 6.9 lid 1 van de Omgevingsverordening is opgenomen dat een bestemmingsplan, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit, kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling: a.
b.
de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart (inpassen); als de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar wijziging op structuurniveau voorziet (aanpassen), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door: 1. zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart, en 2. het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen zoals bedoeld in het derde lid;
22
c.
als de ruimtelijke ontwikkeling niet past bij de bestaande gebiedsidentiteit (transformeren), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door: i. een integraal ontwerp, waarin behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht is besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd, alsmede rekening is gehouden met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart, en ii. het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen zoals bedoeld in het derde lid.
Ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit is sprake van een vorm van transformatie (sub c). Het gebied verandert dusdanig van aard en omvang dat er een nieuw stedelijk gebied ontstaat met een nieuwe gebiedsidentiteit. Gelet op de wezenlijke verandering van het gebied kan grotendeels aan de richtpunten van de kwaliteitskaart worden voldaan, wat blijkt uit toelichting paragraaf 3.2.1. Met het nieuwe integrale ontwerp (zie toelichting paragraaf 2.2) ontstaat er een nieuwe ruimtelijke kwaliteit. Hierbij is aansluiting gezicht bij structuren en patronen in de omgeving, zoals het doorzetten van de groen- en waterstructuur. Als onderdeel van het voorgenomen plan zijn/worden kassen gesaneerd, wat een aanvullende ruimtelijke maatregel als bedoeld in lid 3 is. Ladder voor duurzame verstedelijking In artikel 6.10 lid 1 van de Omgevingsverordening is opgenomen dat 'een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende eisen: a.
b.
de toelichting van het bestemmingsplan gaat in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid van het Besluit ruimtelijke ordening; indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 hectare nodig is, wordt gebruik gemaakt van locaties die zijn opgenomen in het Programma ruimte.'
Bij het voorgenomen plan is in toelichting paragraaf 3.1.3 ingegaan op de ladder voor duurzame verstelijking (sub a). De ontwikkeling kan niet worden voorzien binnen het bestaand stads- en dorpsgebied en is groter dan 3 ha, namelijk circa 9 ha in totaal en circa 3 ha in het voorliggende bestemmingsplan. De locatie wordt in het Programma ruimte genoemd als onderdeel van de Knoop Leiden West. Op kaarten bij het Programma ruimte is de locatie aangemerkt als 'bebouwde ruimte' en 'steden en dorpen'. Daarmee wordt er voldaan aan artikel 6.10 lid 1 van de Omgevingsverordening. Archeologie en Romeinse Limes Artikel 6.27 van de Omgevingsverordening heeft betrekking op gronden met een hoge of zeer hoge bekende archeologische waarde. De gronden in het plangebied zijn op de kaart bij de Omgevingsverordening niet aangewezen als Romeinse Limes of gebied met (zeer) hoge archeologische waarde. Desondanks is onderzoek gedaan naar de aanwezigheid van archeologische waarden in de bodem. De resultaten hiervan zijn opgenomen in toelichting paragraaf 4.6. Conclusie Gezien het voorgaande dient er geconcludeerd te worden dat er geen belemmeringen zijn voor het voorgenomen plan vanuit de Omgevingsverordening Zuid-Holland.
23
3.3 Regionaal beleid 3.3.1 Regionale Structuurvisie 2020 Holland Rijnland Regio Holland Rijnland is gelegen in de Randstad en bestaat uit de gemeenten Hillegom, Kaag en Braasem, Katwijk, Leiden, Leiderdorp, Lisse, Noordwijk, Noordwijkerhout, Oegstgeest, Teylingen, Voorschoten en Zoeterwoude. Gezamenlijk geven zij hun ruimtelijke visie op de regio. In deze visie wordt gestreefd naar een regio waar het prettig wonen, werken en recreëren is en die kansen benut en bedreigingen tegengaat. De vijftien aangesloten gemeenten werken samen aan hun ambities en opgaven. Met als doel: een goede balans realiseren tussen gebiedsontwikkeling en behoud van het oorspronkelijke karakter. In de structuurvisie zijn zeven kernbeslissingen opgenomen waarin de gemeenten hun belangrijkste keuzes weergeven. De zeven kernbeslissingen zijn: 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7.
Holland Rijnland is een topwoonregio; Leiden vervult een centrumfunctie; concentratie stedelijke ontwikkeling; groene-blauwe kwaliteit staat centraal; het Groene Hart, de Bollenstreek en Duin, Horst en Weide blijven open, twee speerpunten voor economische ontwikkeling: kennis en Greenports; verbetering van de regionale bereikbaarheid.
Planspecifiek Het voorgenomen plan draagt bij aan kernbeslissing 1 van de Regionale Structuurvisie door het toevoegen van woningen aan de woningvoorraad. Het woonmilieu dat hierbij beoogd wordt is een gevarieerde wijk met een dorpse schaal. Daarmee worden woningen in een aantrekkelijke omgeving gerealiseerd, waar sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Met het voorgenomen plan is onderdeel van de ontwikkeling Knoop Leiden West, die is aangewezen als een locatie voor het realiseren van een bovenregionale woningbouwopgave (zie ook toelichting paragraaf 3.2.2). De afspraken uit de Overeenkomst Knoop Leiden West hebben tot gevolg dat stedelijke ontwikkeling geconcentreerd wordt (kernbeslissing 3). Door de ligging van de beoogde woningbouwontwikkeling nabij Leiden wordt de centrumfunctie van Leiden indirect versterkt (kernbeslissing 2). 3.3.2 Regionale Woon Agenda Holland Rijnland 2017 In de Regionale Woon Agenda 2017 'Kwaliteit voor kwantiteit' voor de regio Holland Rijnland (vastgesteld op 14 maart 2018) is de kwalitatieve koers voor woningmarkt op regionaal, subregionaal en lokaal niveau geschetst. De regionale woonagenda helpt gemeenten bij de afstemming van woningbouw op de ruimtelijke ontwikkeling van de regio en vormt een onderbouwing voor plannen in het kader van de ladder voor duurzame verstedelijking.
In de regio Holland Rijnland is snel vraag naar meer woningen die kwalitatief aansluiten bij de veranderende bevolkingssamenstelling. Om aan deze ambitie te kunnen voldoen en tegelijkertijd de woonaantrekkelijkheid van de regio te behouden, in te kunnen blijven spelen op de behoefte en verdringing van kwetsbare groepen op de woningmarkt te voorkomen heeft de regio Holland Rijnland de volgende keuzes gemaakt: 1. 2. 3. 4. 5.
tempoversnelling noodzakelijk, zeker voor de korte termijn; groei vraagt goede ruimtelijke ordening, balans tussen inbreiding en uitbreiding met prioriteit voor inbreiding; een kwalitatief programma dat borgt dat verdringing beperkt is; bevorderen doorstroming voor een betere werking van de woningmarkt; een programma dat recht doet aan de behoefte aan verschillende woonmilieus, centrumstedelijk, suburbaan en dorps/landelijk;
24
6. 7. 8. 9.
groeien met aandacht voor duurzaamheid en bodemdaling; langer zelfstandig wonen met zorg faciliteren; bereikbaar bouwen; solidariteit.
Planspecifiek Het voorgenomen plan heeft hoofdzakelijk een positieve invloed op de keuzes 1, 3 en 9. Het plan komt tegemoet aan de regionale en bovenregionale vraag naar woningen. Het woningbouwprogramma bestaat uit verschillende woningtypen, waarvan circa 25% sociale huurwoningen. In de gemeente Oegstgeest is in de periode 2017-2022 vraag naar 220 extra woningen. In de periode 2022-2030 bedraagt de behoefte 280 extra woningen. De totale behoefte van 500 extra woningen in de periode 2017-2030 is indicatief voorzien in een woonmilieu dat te typeren is als 'rustig stedelijk, woonwijk laagbouw'. De woningbehoefte in de gemeente Katwijk in de periode 2017-2022 bedraagt 1.290 extra woningen. In de periode 2022-2030 is de behoefte 1.500 extra woningen. De totale behoefte tot 2030 bedraagt daarmee 2.790 woningen. Van dit woningaantal zijn 1.760 woningen indicatief voorzien in het woonmilieu 'rustig stedelijk', woonwijk laagbouw'. De overige 1.030 woningen zouden in het woonmilieu 'luxe woonwijk, dorps, landelijk' gerealiseerd moeten worden. Er wordt een gevarieerde wijk met een dorpse schaal nagestreefd. De beoogde woningen bestaan uit verschillende typen grondgebonden woningen en gestapelde woningen (tot vijf bouwlagen). Het woonmilieu dat hiermee ontstaat is vergelijk met 'rustig stedelijk', woonwijk laagbouw' en 'luxe woonwijk, dorps, landelijk'.
3.4 Gemeentelijk beleid 3.4.1 Structuurvisie Oegstgeest 2005-2020 De Structuurvisie Oegstgeest 2005-2020 vormt tot 2020 de integrale leidraad voor de beoordeling van ruimtelijke ontwikkelingen binnen Oegstgeest en geeft richting aan nieuwe bestemmingsplannen. De structuurvisie is op 30 juni 2005 vastgesteld door de gemeenteraad. De structuurvisie biedt een kader voor de toekomstige ontwikkelingen van Oegstgeest. De visie is geen volledig uitgewerkt plan, het vormt een sturingskader op hoofdlijnen. Het moet dan ook gevolgd worden door uitwerkingsplannen (bestemmingsplannen, bouwplannen) en eventueel aangevuld worden met aangepast sectoraal beleid. De structuurvisie geeft de grenzen van de planvorming aan: waar en hoe kunnen zich ruimtelijke ontwikkelingen voordoen in de komende 15 tot 20 jaar. De structuurvisie geeft op hoofdlijnen richting aan de dynamiek binnen de gemeente, waarbij het evenwicht tussen natuur, wonen en economie behouden dient te blijven. Voor de toekomst wil Oegstgeest in de eerste plaats haar bestaande kwaliteiten als woongemeente behouden en versterken. Daarbinnen wil de gemeente bijdragen aan regionale vraagstukken als het leveren van een aantrekkelijk vestigingsklimaat en ruimte voor bedrijven, de ontwikkeling van natuur- en recreatiegebieden en het op peil houden van het voorzieningenaanbod.
Uitbreiding van het woningaanbod is alleen mogelijk als het past binnen het dorpse karakter. Binnen de uitbreiding van het woningaanbod heeft het huisvesten van de groeiende groep ouderen en starters (jongeren) prioriteit.
25
Planspecifiek Het plangebied betreft het noordelijk deel van het deelgebied Rijnfront, dat is aangewezen voor ‘Wonen’ en ‘Parkzone Rijnfront’. De ontwikkeling van het Rijnfront, waarin de locatie Nieuw Rijnvaert ligt, is opgenomen in de Structuurvisie Oegstgeest 2005-2020 en heeft hierin de status ‘recente en toekomstige uitbreidingswijken’. Voor de beoogde ontwikkeling in het Rijnfront is met name het thema ‘Wonen’ van toepassing. Ten aanzien van dit thema is in de structuurvisie opgenomen dat wordt gestreefd naar de ontwikkeling van een ‘gemengd woonmilieu, van laag tot hoog, grondgebonden en gestapeld’. Het uitgangspunt voor woningbouw in de gemeente Oegstgeest is behoud en waar mogelijk versterking van het leefklimaat, de cultuurhistorisch gegroeide karakteristieke structuur en de bereikbaarheid van (groen)voorzieningen. Het voorgenomen plan bevat grondgebonden en gestapelde woningen die geschikt zijn voor verschillende doelgroepen. De stedenbouwkundige hoofdstructuur is gebaseerd op de structuur van de omgeving (o.a. Rijnvaert en Frederiksoord) en maakt het mogelijk groenvoorzieningen gemakkelijk te bereiken. Ten aanzien van het thema groen en water is in het Rijnfront een ecologische zone langs de Oude Rijn (buiten het plangebied) beoogd. Met het groen en water in het plangebied, die voor een belangrijk deel de
26
stedenbouwkundige hoofdstructuur van Nieuw Rijnvaert vormen, wordt hierop aangesloten. Verder is ten zuiden het plangebied een parkzone (de 'Tuin van Oegstgeest') beoogd. Daarmee wordt invulling gegeven aan de wens om een deel van het Rijnfront in te richten als openbare parkzone, die een recreatieve en stadsparkfunctie heeft. 3.4.2 Visiedocument 2020: Oegstgeest in beweging De gemeente blijft ook in de toekomst streven naar een goed en evenwichtig leefklimaat. De goede mix van wonen, werken en leven wil de gemeente ook in 2020 koesteren. Er dient een goede balans te zijn tussen rust en reuring. Om dit te bereiken zoekt Oegstgeest naar samenwerking met inwoners, buurgemeenten en lokale en regionale partners. Dienstverlening en kwaliteit van beleid staan in de gemeente hoog in het vaandel. Oegstgeest zal zich steeds nadrukkelijker profileren als een proactieve partner, die zich inspant voor een sterke regio. Om dit toekomstbeeld waar te maken, benoemt het college vier hoofdthema’s, die als een rode draad door deze visie zijn verweven. 1.
2.
3.
4.
Benutten van potentieel: in 2020 worden de bronnen van het dorp optimaal benut. De gemeente onderscheidt enerzijds het fysieke potentieel, waaronder het groen, het water en de gebouwen en monumenten. Anderzijds beschikt de gemeente ook over het potentieel van de inwoners, gekenmerkt door een relatief hoog opleidingsniveau, actief ondernemerschap en een goed georganiseerd sociaal netwerk. Al die bronnen wil de gemeente in de toekomst aanspreken om de gemeentelijke ambities te realiseren. Gemeente als meewerkkracht: de gemeentelijke organisatie heeft de inwoners en partners hard nodig om het aantrekkelijke woon-, werk- en leefklimaat van Oegstgeest in stand te houden. De gemeente wil een rol vervullen als actieve meewerkkracht, die alle betrokken partijen motiveert, faciliteert en ondersteunt om het potentieel van ons dorp aan te wenden. Verbindingen leggen: als moderne overheid streeft de gemeente Oegstgeest een gelijkwaardige samenwerkingsrelatie met inwoners en partners na. De gemeente brengt mensen, initiatieven en belangen bij elkaar om zo de gewenste ontwikkelingen tot stand te brengen. Ook de fysieke verbinding wordt gelegd door wegen, groen en water op elkaar aan te sluiten. Duurzaamheid: de gemeente en de gemeenschap zetten zich bewust in om invulling te geven aan het begrip duurzaamheid.
In de fysieke zin spant de gemeente zich in om het milieu zo min mogelijk te belasten. In de sociale zin wordt geprobeerd het aantal kansarmen, zowel hier als elders op de wereld, te verminderen en maakt men zich hard voor maatschappelijke verantwoord ondernemen. De gemeente geeft op beide vlakken het goede voorbeeld door duurzaamheid te integreren in alles wat zij doet.
Planspecifiek In het visiedocument wordt expliciet aandacht besteed aan de groenstructuur. De groenstructuur en de prominente rol van het water zijn zeer bepalend voor de kwaliteit van wonen, werken en leven. De gemeente wil inwoners meer bij het beheer, het onderhoud en de inrichting van het groen betrekken. Oegstgeest dient uit te groeien tot een verbindende schakel in de regionale groen- en waterstructuur, waardoor er in de regio een doorgaande groene zone ontstaat. In het voorgenomen plan wordt hieraan invulling gegeven met de stedenbouwkundige hoofdstructuur, waarin de centrale as van het plangebied wordt gevormd door water en groen. 3.4.3 Structuurvisie Kamphuizerpolder Voor het deel van de Kamphuizerpolder ten westen van Rijnsburgerweg, die op de grens van Rijnsburg (gemeente Katwijk) en Oegstgeest ligt, is in januari 2015 de Structuurvisie Kamphuizerpolder vastgelegd. Deze structuurvisie dient als basis, uitgangspunt en toetsingskader voor de verdere uitwerking van de ontwikkelingen in de Kamphuizerpolder.
27
Op de navolgende afbeeldingen zijn de structuurschets en de structuurvisiekaart voor de Kamphuizerpolder weergegeven.
28
Planspecifiek De woningbouwontwikkeling in het plangebied is één van de concrete ontwikkelingen die worden genoemd in de structuurvisie. Hierbij is de volgende omschrijving opgenomen: (…) Het plangebied zal worden getransformeerd tot een woongebied. De exacte verkaveling hiervan is nog niet bekend. Belangrijk bij de ontwikkeling van dit plan is dat er een hoge interne woonkwaliteit ontstaat, mede door het creëren van extra oppervlaktewater. Daarnaast zal het plan de randen (achterkanten) aan de noord- en oostzijde zorgvuldig moeten afhechten, een logische en heldere ontsluiting moeten krijgen die - samen met de verkaveling - zoveel mogelijk is ingepast in de bestaande landschappelijke structuur. Het plangebied behoort tot deelgebied 3 (Frederiksoord-Zuid). Voor dit deelgebied is het de wens de geplande bebouwingsstructuur af stemmen op het zuidelijkere deel van de Kamphuizerpolder (deelgebied 5). Hierbij moet er een heldere grens tussen de bebouwing en het open gebied komen, zowel voor wat betreft de bebouwing en ontsluiting als het landschap. Omdat het plangebied zich voor een groot deel aan de achterzijde van de bestaande woningen bevindt, zal er een hoge interne woonkwaliteit moeten worden gecreëerd.
De verkaveling dient te zijn afgestemd op de bestaande ruimtelijke en landschappelijke structuur De overgangen naar de bestaande wijken (randen) zijn helder en zorgvuldig ontworpen, zowel ruimtelijk als qua verbindingen. Vanwege de toename aan verharding wordt er open water in het gebied gerealiseerd. Dit open water verbindt de beoogde wijk met de omgeving. 3.4.4 Woonvisie Oegstgeest 2020-2030 'Samen verder bouwen aan karakter en kwaliteit' Op 20 mei 2020 heeft de gemeenteraad van Oegstgeest de Woonvisie 2020-2030 'Samen verder bouwen aan karakter en kwaliteit' vastgesteld. In deze visie wordt richting gegeven aan de actuele woonopgaven in Oegstgeest en zijn prestatieafspraken gemaakt met de corporaties en huurdersorganisaties. De gemeente heeft de woonvisie in nauwe samenspraak met de inwoners en maatschappelijke partners opgesteld. De woonopgaven zijn vertaald naar drie ambities.
• • •
karaktervolle groei; betaalbaarheid en beschikbaarheid; zorgzame en inclusieve wijken.
In de woonvisie zijn de volgende uitgangspunten opgenomen: 1. 2. 3. 4. 5.
we willen het dorpse en groene karakter van Oegstgeest nadrukkelijk behouden; waar we bouwen, bouwen we voor de huidige en toekomstige (instromende) inwoners van Oegstgeest en dragen zo naar vermogen bij aan de regionale woonbehoefte; voor deze collegeperiode geldt voor nieuwbouwprojecten de verplichting om minimaal 25% sociale huur en 25% middeldure huur te realiseren; waar de realisatie van 25% middeldure huur en 25% sociale huur redelijkerwijs niet mogelijk is, wordt dit elders, middels verevening, gecompenseerd; binnen het percentage gericht op middeldure huur kan eveneens worden gekozen voor het realiseren van betaalbare koop;
29
6. 7. 8.
bij leefbaarheidsproblemen krijgen woningcorporaties meer ruimte om een evenwichtiger mix van huishoudens naar inkomen en draagkracht te bereiken; we zorgen, afgestemd met de regio, voor voldoende woonruimte voor kwetsbare groepen. we hebben het voornemen om splitsing en kamerverhuur te gaan reguleren.
Planspecifiek Het plangebied is aangewezen als grootste locatie voor het invullen van de zachte plancapaciteit uit de woonvisie van Oegstgeest. De zachte plancapaciteit in de gemeente Oegstgeest bedraagt 120-170 woningen. De gehele locatie Nieuw Rijnvaert (gemeenten Katwijk en Oegstgeest) zorgt voor een toename van 267-311 woningen, waarvan 25% uit sociale huurwoningen bestaat. In de gemeente Oegstgeest worden 121-142 woningen gerealiseerd. Het aandeel sociale huurwoningen in de gemeente Oegstgeest bedraagt minimaal 25%. Daarmee wordt voorzien in de behoefte naar woningen in het lagere segment. In het stedenbouwkundig plan zijn op dit moment ca. 24-28 betaalbare koop-/huurwoningen opgenomen. Dit is circa 20% van het aantal woningen in de gemeente Oegstgeest. De afspraken met de ontwikkelaars dateren van vóór de tijd van vaststelling van de nieuwe woonvisie 2020-2030. Na heronderhandeling door de gemeenten Katwijk en Oegstgeest met de ontwikkelaars zijn ook middeldure woningen in het programma opgenomen. In Nieuw Rijnvaert is een aantrekkelijk en hoogwaardig woonmilieu beoogd. Dit wordt bereikt met een ruime opzet en een groen woonmilieu, passend bij het dorpse karakter van de omgeving.
30
4 Omgevingsaspecten 4.1 Milieueffectrapportage De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De m.e.r. is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer. Naast de Wet milieubeheer is het Besluit m.e.r. belangrijk om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan of een besluit de m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. Bij toetsing aan het Besluit m.e.r. zijn er vier mogelijkheden: a. b.
c.
d.
het plan of besluit is direct m.e.r.- plichtig; het plan of besluit bevat activiteiten uit kolom 1 van onderdeel D, en ligt boven de (indicatieve) drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D. Het besluit moet eerst worden beoordeeld om na te gaan of er sprake is van m.e.r.-plicht: het besluit is dan m.e.r.beoordelingsplichtig. Voor een plan in kolom 3 ‘plannen’ geldt geen m.e.r.-beoordelingsplicht, maar direct een (plan-)m.e.r.-plicht; het plan of besluit bevat wel de activiteiten uit kolom 1, maar ligt beneden de drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D: er dient in overleg met de aanvrager van het bijbehorende plan of besluit beoordeeld te worden of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling (als sprake is van een besluit) of het direct uitvoeren van een m.e.r. (als sprake is van een plan). Deze keuze wordt uiteindelijk in het bijbehorende plan of besluit gemotiveerd; de activiteit(en) of het betreffende plan en/of besluit worden niet genoemd in het Besluit m.e.r.: er geldt geen m.e.r.-(beoordelings)plicht.
Sinds 16 mei 2017 geldt er een directe werking van het Europees recht. Daarom is per 7 juli 2017 het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. In de gewijzigde Besluit m.e.r. staat de nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. De artikelen 7.16 tot en met 7.20a Wet milieubeheer m zijn voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing. Op grond van artikel 7.19 Wet milieubeheer dient het bevoegd gezag, ondanks dat er geen noodzaak kan bestaan voor het opstellen van een m.e.r.-beoordeling of een MER, een besluit te nemen. Planspecifiek Uit toetsing aan het Besluit m.e.r. volgt dat het besluit tot vaststelling van voorliggend bestemmingsplan valt onder mogelijkheid c. Het besluit bevat namelijk wel een activiteit uit kolom 1 (de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen), maar er wordt niet voldaan aan de gegeven drempelwaarden van een oppervlakte van 100 ha of meer en 2.000 of meer woningen van een oppervlakte van 100 ha of meer. De voorgenomen ontwikkeling 'Nieuw Rijnvaert' omvat namelijk een oppervlakte van circa 9 ha en ten hoogste 311 woningen. Het voorliggende bestemmingsplan, dat betrekking heeft op Oegstgeest deel van Nieuw Rijnvaert, bevat circa 3 ha en ten hoogste 142 woningen.
Er kan daarmee worden afgezien van een m.e.r.(-beoordeling) en volstaan kan worden met een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden: a. b.
belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk; belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet toch een m.e.r.beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor een m.e.r.
31
In het kader van de voorgenomen ontwikkeling zullen de belangrijkste milieugevolgen, waaronder bodem, luchtkwaliteit, geluid, externe veiligheid en ecologie, aan de hand van de relevante selectiecriteria van bijlage III bij de Europese m.e.r.-richtlijn, in beeld gebracht in een aparte aanmeldnotitie (Buro SRO, nr. SR190009, d.d. 6 december 2021, zie bijlagen bij toelichting 3). Hoewel het voorliggende bestemmingsplan uitsluitend betrekking heeft op het deel van Nieuw Rijnvaert in de gemeente Oegstgeest, is in de aanmeldnotitie aandacht voor de milieugevolgen van de gehele ontwikkeling Nieuw Rijnvaert, waarmee cumulatie-effecten meegewogen zijn. Het bevoegd gezag kan op basis van de aanmeldnotitie besluiten of er al dan niet een m.e.r.(-beoordeling) nodig is en publiceert dit in een (vormvrij) m.e.r.-beoordelingsbesluit. Het bevoegd gezag zal het m.e.r.beoordelingsbesluit voorafgaand aan de terinzagelegging van het ontwerp bestemmingsplan nemen. Er is geen sprake van een bezwaar- en beroepsprocedure bij het besluit over de m.e.r.-plicht zelf. Bezwaar en beroep is mogelijk tegelijkertijd met de procedure voor het bestemmingsplan.
4.2 Milieu 4.2.1 Bodem Ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening moet worden aangetoond dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. Dit is geregeld in de Wet bodembescherming. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem waarop deze ontwikkelingen plaatsvinden geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Bij een bestemmingswijziging is een bodemonderzoek slechts noodzakelijk, indien de bestemmingswijziging tevens een wijziging naar een strenger bodemgebruik inhoudt. Bij een bestemmingswijziging die een gelijkblijvend of minder streng bodemgebruik oplevert, is de bodemkwaliteit in het kader van de bestemmingswijziging niet relevant en is bodemonderzoek niet noodzakelijk. Planspecifiek Om aan te tonen dat de kwaliteit van bodem en het grondwater geschikt is of geschikt te maken is voor het beoogde gebruik (wonen) zijn de volgende bodemonderzoeken uitgevoerd:
•
verkennend bodemonderzoek Rijnsburgerweg 63 te Oegstgeest, Soilution, nr. 1504105SOR, d.d. mei 2015, zie bijlagen bij toelichting 4;
•
verkennend bodemonderzoek Rijnsburgerweg 65A te Oegstgeest, IDDS, nr. 1707K596/DBI/rap1, d.d. 17 augustus 2017, zie bijlagen bij toelichting 5; verkennend bodemonderzoek Nieuw Rijnvaert te Oegstgeest, Adcim, nr. 20180619-D-VO-2, d.d. 27 maart 2020, zie bijlagen bij toelichting 6.
•
Uit het verkennend bodemonderzoek uit mei 2015, dat is uitgevoerd voor het zuidoostelijk deel van het plangebied (gemeente Oegstgeest), volgt dat de grondmengmonsters van de bovengrond ten hoogste licht verontreinigd zijn met drins en lood. In het grondwater is een licht verhoogd gehalte aan barium aangetoond. Voor de overige parameters zijn verhoogde waarden gemeten. In de puinmengmonsters, die bovendien zijn samengesteld uit puinbijmeningen buiten het ontwikkelingsgebiedis geen asbest aangetoond. De lichte verontreinigingen gaven geen aanleiding voor vervolgonderzoek. In het kader van de aanvraag omgevingsvergunning zal er voor het zuidoostelijk deel van het plangebied een actueel bodemonderzoek uitgevoerd moeten worden. Na 2015 hebben er op de gronden waarvoor in mei 2015 een verkennend bodemonderzoek is uitgevoerd geen bodemverontreinigende activiteiten plaatsgevonden, waarmee het verkennend bodemonderzoek uit mei 2015 in voldoende mate inzicht geeft in de uitvoerbaarheid van de bestemmingswijziging. Uit het verkennend bodemonderzoek uit augustus 2017, dat is uitgevoerd voor het noordoostelijk deel van het Oegstgeestse deel van het plangebied, blijkt dat de bovengrond ten hoogste licht is verontreinigd met lood, zink, minerale olie, drins, hexachloorbenzeen en minerale olie. De ondergrond is niet verontreinigd met de onderzochte parameters.
Het grondwater is licht verontreinigd met barium en xylenen en sterk verontreinigd met nikkel.
32
De in het grondwater aangetoonde concentraties nikkel geven formeel, ingevolge de Wet bodembescherming, aanleiding tot het verrichten van een nader bodemonderzoek naar de omvang en mate van deze verontreiniging in de bodem. Sterke verontreinigingen in het grondwater komen vaker voor in de regio zonder dat er sprake is van een aantoonbare bron van verontreiniging en zonder dat daarbij in de vaste fase van de bodem ter plaatse van het grondwater de achtergrondwaarde voor de bodem (AW2000) wordt overschreden. De verhoogde gehalten worden toegeschreven aan natuurlijke oorzaken en de fluctuaties in de gehalten aan de natuurlijke schommelingen van de grondwaterstand. Ten aanzien van de plaatselijk sterk verhoogde gehalten met nikkel in het grondwater wordt aanbevolen om bij bemalingen ten behoeve van bouwwerkzaamheden het vrijkomende grondwater, in overleg met de waterkwaliteitsbeheerder van het gebied, op milieuhygiënisch verantwoorde wijze te verwerken. Als alternatief kan ervoor gekozen worden om het grondwater opnieuw te bemonsteren en te onderzoeken op de aanwezigheid van nikkel, waarna bepaald kan worden of, en zo ja, welke vervolgstappen genomen moeten worden. Dit wordt beoordeeld in het kader van de aanvraag omgevingsvergunning.
Uit het verkennend bodemonderzoek uit maart 2020, dat is uitgevoerd voor het noordelijk en westelijk deel van het plangebied, volgt dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater geschikt is voor het beoogde gebruik, uitgezonderd de sterke verontreiniging met drins op het noordwestelijk deel en de matige verontreiniging met minerale olie ter plaatse van de ondergrondse tank op het noordoostelijke deel van de onderzoeklocatie. Beide verontreinigingen zijn aangetroffen op het grondgebied van de gemeente Katwijk, buiten het plangebied van het voorliggende bestemmingsplan. Van de kadastrale percelen gemeente Oegstgeest, sectie B, nummers 5165, 4543, 5233, 4548, 5227 en de openbare wegpercelen zijn geen kwaliteitsgegevens bekend. Voor perceel 5165 geldt dat dit het perceel bij een bestaande woning betreft, waar geen wijzigingen plaatsvinden. De overige percelen waarvan geen kwaliteitsgegevens bekend zijn, bevinden zich nabij de zuidelijke entree van het plangebied en/of behoren tot de weg Langenakker. Het toekomstige gebruik van deze percelen zal grotendeels groenvoorziening en openbare weg zijn. Hoewel personen hier niet langdurig zullen verblijven en in de omgeving hoofdzakelijk lichte verontreinigingen zijn aangetroffen, zal in het kader van de aanvraag omgevingsvergunning een bodemonderzoek uitgevoerd moeten worden voor de percelen waarvan geen kwaliteitsgegevens bekend zijn.
Gezien het voorgaande is de bodem vanuit milieuhygiënisch oogpunt geschikt (te maken) voor de toekomstige bestemming. 4.2.2 Luchtkwaliteit In de Wet Milieubeheer gaat paragraaf 5.2 over luchtkwaliteit en staat ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. De Wet luchtkwaliteit introduceert het onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in een de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3% bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) (1,2 µg/m³) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3% bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een woonwijk van minder dan 1.500 woningen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen'.
Vanaf 1 januari 2015 geldt er ook een grenswaarde voor een kleinere fractie van fijnstof PM2,5. De grenswaarde voor PM2,5 bedraagt 25 μg/m³. Gezien het grote verschil tussen de grenswaarde en de achtergrondconcentratie zullen overschrijdingen van deze grenswaarde niet vaak voorkomen. Een belangrijk onderdeel voor de verbetering van de luchtkwaliteit is het Nationale Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Binnen dit NSL, dat sinds 1 augustus 2009 in werking is, werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren.
33
Besluit gevoelige bestemmingen Op 16 januari 2009 is het Besluit gevoelige bestemmingen in werking getreden. Het Besluit gevoelige bestemmingen is gebaseerd op artikel 5.16a van de Wet milieubeheer. Met het Besluit wordt de vestiging van zogeheten 'gevoelige bestemmingen' in de nabijheid van provinciale- en rijkswegen beperkt. Dit heeft consequenties voor de ruimtelijke ordening. Het Besluit is gericht op bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2), in het bijzonder kinderen, ouderen en zieken. Indien een project betrekking heeft op een gevoelige bestemming en geheel of gedeeltelijk is gelegen op een afstand van 300 m aan weerszijden van rijkswegen en 50 m langs provinciale wegen (gemeten vanaf de rand van de weg) mag het totaal aantal mensen dat hoort bij een gevoelige bestemming niet toenemen als overschrijding van de grenswaarden voor PM10 of NO2 dreigt/plaatsvindt. De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn aangemerkt als gevoelige bestemming:
• • •
scholen; kinderdagverblijven; verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen.
Het gaat niet om bestemmingen in de meest enge zin van het woord, maar om alle vergelijkbare functies, ongeacht de exacte aanduiding ervan in bestemmingsplannen en andere besluiten. In het kader van het opstellen van een bestemmingsplan moeten er twee aspecten in beeld gebracht worden. Ten eerste of de luchtkwaliteit de nieuwe functie toelaat. Ten tweede moet bekeken worden of het plan de luchtkwaliteit ‘niet in betekenende mate’ verslechtert. Indien het plan wel ‘in betekenende mate’ bijdraagt aan verslechtering van de luchtkwaliteit, is het van belang om te toetsen of de grenswaarden niet overschreden worden. Indien geen overschrijding van de grenswaarden plaatsvindt, kan het plan alsnog gerealiseerd worden. Planspecifiek Met de voorgenomen ontwikkeling worden ten hoogste 311 woningen mogelijk gemaakt. De ontwikkeling kan derhalve, gezien de beperkte omvang (circa 20% van de drempelwaarde), aangemerkt worden als een NIBM-project. Toetsing van het aspect luchtkwaliteit is daardoor, op grond van artikel 4 van de Regeling NIBM, niet noodzakelijk. Het project heeft 'niet in betekenende mate' invloed op de luchtkwaliteit ter plaatse. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is met behulp van de NSL-monitoringstool (2019) gekeken naar de luchtkwaliteit nabij het plangebied.
Hieruit blijkt dat de jaargemiddelde concentraties fijnstof PM10, fijnstof PM2,5 en NO2 over 2018 in de rekenpunten 15846063, 15846068 en 15846100, die nabij de Rijnsburgerweg liggen, respectievelijk maximaal 20,4 μg/m³, 12,0 µg/m³ en 24,7 µg/m³ bedragen. De grenswaarden van 40 μg/m³ (fijnstof PM10 en NO2) en 25 µg/m³ (fijnstof PM2,5) worden hierbij ruimschoots gerespecteerd. Verder dient opgemerkt te worden dat de woningen niet direct nabij de eerdergenoemde rekenpunten gerealiseerd worden, maar op 30-620 m afstand van deze rekenpunten en de Rijnsburgerweg. Daarmee zullen de daadwerkelijke jaargemiddelde concentraties ter hoogte van een groot deel van de woningen lager zijn. Voorts voorziet de ontwikkeling niet in een gevoelige bestemming. Gezien het voorgaande vormt het aspect luchtkwaliteit geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.
34
4.2.3 Geluid De mate waarin het geluid, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd (artikel 1 Wgh):
• •
woningen; geluidsgevoelige terreinen (bij algemene maatregel van bestuur als zodanig aangewezen terrein dat vanwege de bestemming of het gebruik daarvan bijzondere bescherming tegen geluid behoeft);
•
andere geluidsgevoelige gebouwen (bij algemene maatregel van bestuur als zodanig aangewezen gebouw dat vanwege de bestemming of het gebruik daarvan bijzondere bescherming tegen geluid behoeft, niet zijnde een woning).
Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. De meest voorkomende vorm van geluidhinder is degene die wordt veroorzaakt door het wegverkeer. Zo stelt de wet dat in principe de geluidsbelasting op woningen de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet mag overschrijden. De voorkeursgrenswaarden is de waarde die zonder meer kan worden toegestaan. Indien nieuwe geluidsgevoelige functies worden toegestaan, stelt de Wet geluidhinder de verplichting akoestisch onderzoek te verrichten naar de geluidsbelasting ten gevolge van alle wegen, met uitzondering van 30 km/uur wegen, op een bepaalde afstand van de geluidsgevoelige functie(s). Indien na akoestisch onderzoek blijkt dat de grenswaarden van de gevelbelasting worden overschreden dient er een ontheffing te worden verkregen via een hogere voorkeursgrenswaarde procedure. De maximale ontheffingswaarde voor nieuw te bouwen woningen in stedelijk gebied is 63 dB. Voor een buitenstedelijke weg geldt een maximale ontheffingswaarde van 53 dB. Planspecifiek Vanwege de ligging binnen de onderzoekszone van de Rijnsburgerweg is er een onderzoek naar de geluidbelasting vanwege wegverkeer op de beoogde woningen (Adviesburo Van der Boom, nr. 19-072r3, d.d.
15 maart 2021, zie bijlagen bij toelichting 7) uitgevoerd. De overige wegen in de omgeving zijn 30 km/uurwegen zonder geluidzone. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is met het onderzoek tevens inzichtelijk gemaakt wat de geluidbelasting vanwege werkverkeer op de ontsluitingsweg in het plangebied op de beoogde woningen is. Uit het onderzoek blijkt dat de geluidbelasting door wegverkeer op de Rijnsburgerweg op de beoogde woningen in het noordoosten van het plangebied (gemeente Katwijk) ten hoogste 53 dB na aftrek van 5 dB ex art 110-g Wgh bedraagt. Daarbij is ervan uitgegaan dat er in de zone waar de geluidbelasting 48-53 dB bedraagt ten hoogste negen worden gerealiseerd; hetzij vijf vrijstaande en/of twee-onder-een-kapwoningen, hetzij negen rij- en hoekwoningen. Het verlagen van de geluidbelasting door het treffen van maatregelen aan de bron is niet mogelijk. Afscherming van alle woonlagen met een extra geluidscherm op het eigen terrein is stedenbouwkundig ongewenst. Bij de invulling in het geluidbelaste deel van het plangebied met zowel vijf vrijstaande en/of twee-onder-een-kapwoningen als negen rij- en hoekwoningen dient voor twee woningen een hogere waarde te worden aangevraagd van respectievelijk 53 dB en 49 dB door wegverkeer op de Rijnsburgerweg. Deze woningen zijn in het deel van Nieuw Rijnvaert in de gemeente Katwijk voorzien.
In het kader van het voorliggende bestemmingsplan zijn geen hogere worden benodigd. Voor de beoogde woningen wordt bij voorkeur een afstand tot de ontsluitingsweg binnen het plangebied aangehouden zoals aangegeven is in het onderzoek. Bij een kortere afstand tot de weg is de geluidbelasting mogelijk hoger dan 53 dB. Er zijn dan maatregelen nodig om te voldoen aan de eisen uit het Bouwbesluit. De hoogste geluidbelasting op de oostgevel van de hoogst geluidbelaste woning in het noordoosten van het plangebied bedraagt 58 dB zonder aftrek op de verdieping. De benodigde karakteristieke geluidwering GA;k bedraagt dan 25 dB. Voor gevels met een geluidbelasting van meer dan 53 dB zonder aftrek dient te
35
worden bepaald of aanvullende geluidwerende voorzieningen nodig zijn. Voor de geveldelen met een geluidbelasting van ten hoogste 53 dB zonder aftrek zijn geen voorzieningen noodzakelijk. De benodigde karakteristieke geluidwering GA;k bedraagt dan 20 dB. Dit is de minimale waarde conform het Bouwbesluit. In aanvulling op het onderzoek naar de geluidbelasting vanwege wegverkeer van 15 maart 2021 is een notitie (Adviesburo Van der Boom, nr. 19-072, d.d. 24 juni 2021, zie bijlagen bij toelichting 8) opgesteld waarin berekend en toegelicht is wat het effect is van recentere verkeersgegevens en reflecties/afschermingen op de geluidbelasting. Uit de nieuwe berekening volgt dat de geluidcontouren met de recentere verkeersgegevens op nagenoeg dezelfde afstand liggen van de Rijnsburgerweg als opgenomen in het rapport van 15 maart 2021. Er zijn in het kader van het voorliggende bestemmingsplan geen hogere waarden benodigd. De conclusies uit het rapport van 15 maart 2021 zijn nog actueel. Gezien de beperkte hoogte van de geluidbelasting op bebouwing in de eerste lijn (zijde Rijnsburgerweg) zullen de gevels van woningen in de tweede lijn altijd geluidluw zijn als gevolg van afscherming. Een eventuele verhoging van de geluidbelasting door reflecties van woningen aan de overzijde van de weg is zeer beperkt en bedraagt in het algemeen (veel) minder dan 1 dB.
In toelichting paragraaf 4.2.4 is aandacht voor het aspect geluid in relatie tot milieubelastende activiteiten in de omgeving (o.a. bedrijven). Gezien het voorgaande is het bestemmingsplan uitvoerbaar vanuit het aspect geluid. 4.2.4 Milieuzonering Het aspect milieuzonering gaat in op de invloed die bedrijven kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed is afhankelijk van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven. Bij een ruimtelijke ontwikkeling kan sprake zijn van reeds aanwezige bedrijvigheid en van nieuwe bedrijvigheid. Milieuzonering zorgt er voor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van de gevoelige functie krijgen en dat de (nieuwe) gevoelige functie op een verantwoorde afstand van bedrijven komt te staan. Doel hiervan is het waarborgen van de veiligheid en het garanderen van de continuïteit van de bedrijven als ook een goed klimaat voor de gevoelige functie. Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie zoals: geluid, geur, gevaar en stof.
De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend. De 'Vereniging van Nederlandse Gemeenten' (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen, met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Het scheiden van milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen dient twee doelen:
•
het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige bestemmingen;
•
het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen.
In de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' (editie 2009) wordt onderscheid gemaakt in nietbindende richtafstanden voor de omgevingstypen 'gemengd gebied' en 'rustige woonwijk/ rustig buitengebied'. De omgeving van het plangebied wordt gezien de ligging in de nabijheid van scholen en
36
andere maatschappelijke functies aangemerkt als een gemengd gebied. Dit betekent dat de richtafstanden met één afstandsstap kunnen worden verminderd, met uitzondering van het aspect gevaar. Planspecifiek In de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' (editie 2009) wordt onderscheid gemaakt in nietbindende richtafstanden voor de omgevingstypen 'gemengd gebied' en 'rustige woonwijk en rustig buitengebied'. Een gebied met een matige tot sterke functiemenging is een gemengd gebied. Direct naast woningen komen ook andere functies voor. Aan de westzijde zijn geen bedrijven gevestigd waar rekening mee gehouden hoeft te worden. Dat houdt in dat alleen de oostzijde van het plangebied beoordeeld wordt. De oostzijde, de zone aan de Rijnsburgerweg, bestaat uit een combinatie van bedrijven en woningen. Derhalve is hier sprake van het omgevingstype 'gemengd gebied'. Dit betekent dat de richtafstanden met één afstandsstap kunnen worden verminderd, met uitzondering van het aspect gevaar. Het voorgenomen plan betreft het toevoegen van gevoelige bestemmingen (woningen).
Er dient daarom onderzocht te worden welke milieubelastende activiteiten in de omgeving van het plangebied toegestaan/aanwezig zijn, of deze milieubelastende activiteiten een belemmering vormen voor een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de beoogde woningen en of deze milieubelastende activiteiten beperkt (kunnen) worden in hun mogelijkheden. Daarom is aan de hand van de geldende bestemmingsplannen in het gebied bepaald welke milieubelastende activiteiten in de omgeving toegestaan zijn. In de navolgende tabel zijn de milieubelastende activiteiten in de omgeving weergegeven.
Bedrijf/activiteit
Adres
SBI-2008
Milieucategorie
Richtafstand gemengd gebied in m
Afstand tot woonbestemming in het plangebied in m
Gemotra B.V.
Langenakker 4
494
3.1/3.2 (1)
30/50
0-12
Vemu Trading B.V. Volvo Truck Center Rijnsburg H.H. van Egmond B.V.
Rijnsburgerweg 88
451, 452, 454
2
10
60
Rijnsburgerweg 86c
451
3.2
50
75
016, 46735
3.2
50
110
onbekend
3.1 (2)
30
155
29201
4.1
100
180
Rijnsburgerweg 68
0163, 46217, 4631, 494, 52102, 52109, 4634, 4638, 4639, 464, 494, 46733
3.2
50
190
Laan van Verhof 3
82991