Bijlage 2 bij RV 5 oktober 2021 Verordening fysieke leefomgeving Oegstgeest Z-21-146019 Oegstgeest
Tekst van het document
Ter bescherming van de gezondheid van de gebruikers van een bodemgevoelig gebouw is het van belang om te waarborgen dat de voorgeschreven maatregelen daadwerkelijk zijn getroffen. Daartoe dient het voldoen aan deze informatieplicht als voorwaarde voor ingebruikname. De Wet bodembescherming en het Besluit uniforme saneringen kennen een vergelijkbare informatieplicht na beëindiging van de bodemsanering. De strekking is dat de initiatiefnemer na afloop van de sanering het college informeert dat en hoe de sanering is uitgevoerd. Dit geeft het college de gelegenheid om adequaat en tijdig toezicht te houden voordat het gebouw in gebruik wordt genomen om te beoordelen of de sanering is afgerond en inderdaad heeft opgeleverd dat het bodemgevoelige gebouw geschikt is voor gebruik.
AFDELING 3.3 MILIEUBELASTENDE ACTIVITEITEN
§ 3.3.1 Algemeen Artikel 3.24 (oogmerken) Dit artikel somt op met welke oogmerken de algemene regels voor de activiteiten in deze afdeling zijn gesteld. De Omgevingswet kent een aantal maatschappelijke doelen. De algemene regels over milieubelastende activiteiten in deze verordening zijn gesteld vanwege een concretisering van deze doelen. Artikel 3.24 somt deze oogmerken limitatief op. Artikel 3.24 werkt ook door in de bevoegdheden van het college tot het stellen van maatwerkvoorschriften. Meer uitleg hierover staat bij de toelichting op artikel 3.11. De oogmerken zijn ook van belang voor de toepassing van de beoordelingsregels. Bij de activiteiten in deze afdeling zullen niet steeds alle oogmerken een rol spelen. Als voor een bepaald oogmerk geen nader uitgewerkte regels in deze verordening zijn opgenomen, geldt wel de specifieke zorgplicht. § 3.3.2 Geluidhinder en lichthinder door festiviteiten Artikel 3.25 (aanwijzing activiteiten) In dit artikel is het vieren van festiviteiten aangewezen als activiteit die gevolgen kan hebben voor de fysieke leefomgeving. Artikelen 3.26 en 3.27 [artikelen 4:2 en 4:3 APV 2020] In de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer zijn de geluidwaarden opgenomen die door het verrichten van activiteiten niet mogen worden overschreden.
Op grond van artikel 2.21van dat besluit kunnen in een gemeentelijke verordening festiviteiten worden aangewezen waarvoor de geluidwaarden niet gelden omdat naleving daarvan redelijkerwijs niet kan worden gevergd. Van die mogelijkheid is met artikel 3.26 gebruik gemaakt voor de zogenoemde collectieve festiviteiten. Dat zijn festiviteiten die niet aan een inrichting of een klein aantal inrichtingen zijn verbonden en die door het college zijn aangewezen. Op grond van artikel 3.26 kan het college de dagen of dagdelen aanwijzen in verband met de viering van collectieve festiviteiten waarop de geluidwaarden niet van toepassing zijn. Een zelfde uitzondering kan het college maken voor de verplichting om de verlichting bij een gelegenheid voor sportbeoefening in de buitenlucht uit te schakelen (artikel 3.148 Activiteitenbesluit milieubeheer). Voor het maken van een uitzondering op de geluidwaarden van de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en op de verplichting om de verlichting uit te schakelen van artikel 3.148 van dat besluit voor incidentele festiviteiten biedt artikel 3.27 een regeling. Op grond van dit artikel kan per kalenderjaar tijdens ten hoogste zes incidentele festiviteiten worden afgeweken van die geluidwaarden en de verplichting om de verlichting uit te schakelen.
Onder een incidentele festiviteit wordt verstaan een festiviteit die aan een inrichting of een klein aantal inrichtingen is verbonden. Voordat een incidentele festiviteit plaatsvindt moet het college in kennis worden gesteld. Dat moet ten minste twee weken voor het begin ervan met een door het college vastgesteld formulier. Bovendien moeten de omwonenden binnen een straal van 50 m ten minste 48 uur voor het begin ervan in kennis worden gesteld. De uitzonderingen op de geluidwaarden voor incidentele festiviteiten gelden op grond van artikel 3.27, vijfde lid, niet op zondag tot en met donderdag na 23.59 uur en op vrijdag en zaterdag na 01.00 uur. De uitzondering op de verplichting om de verlichting uit te schakelen geldt niet na 23.59 uur. In het vierde lid van artikel 3.27 zijn de geluidwaarden opgenomen die door de incidentele festiviteit niet mogen worden overschreden. In de leden 6 en 8 zijn aanvullende eisen gesteld om de geluidhinder te beperken. Artikel 3.28 (wijze van geluidmeten) [artikel 4:4 APV 2020]
In dit artikel is geregeld dat de metingen en berekeningen ter controle van de geluidniveaus, bedoeld in de artikelen 3.26 en 3.27, moeten worden verricht volgens de Handleiding meten en rekenen industrielawaai, van het ministerie van VROM, uitgave 1999. In het tweede tot en met het vijfde lid is een aantal van de handleiding afwijkende en daarop aanvullende eisen opgenomen. § 3.3.3 Geluidhinder door toestellen of geluidsapparaten en laden en lossen Artikel 3.29 (aanwijzing activiteiten) In het eerste lid zijn het gebruiken van toestellen of geluidsapparaten waardoor geluidhinder wordt veroorzaakt en het laden en lossen aangewezen als activiteiten die gevolgen kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving. Het tweede lid zondert de activiteiten in een inrichting uit van de reikwijdte van de regels in deze paragraaf. Bij een inrichting gaat het volgens bijlage I om een inrichting als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer. Artikel 3.30 (geluidhinder door toestellen of geluidsapparaten) [artikel 4:6 APV 2020] Op grond van dit artikel is het verboden om toestellen of geluidsapparaten waardoor geluidhinder wordt veroorzaakt te gebruiken. Van dit verbod kan het college ontheffing verlenen op grond van artikel 3.4. Artikel 3.31 (geluidhinder door laden en lossen) [artikel 4:6 APV 2020] In dit artikel zijn regels gesteld over het laden en lossen.
Het is niet toegestaan om tussen 23:00 uur en 07:00 uur te laden of te lossen. Een uitzondering geldt voor het laden en lossen op een markt op een dag waarop markt wordt gehouden. § 3.3.4 Afvalbeheer Artikel 3.32 (aanwijzing activiteiten) In het eerste lid zijn het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen en bedrijfsafvalstoffen, het ter inzameling aanbieden, overdragen en achterlaten van huishoudelijke afvalstoffen en bedrijfsafvalstoffen, andere activiteiten met afvalstoffen en activiteiten waardoor zwerfafval kan ontstaan aangewezen als activiteiten die gevolgen kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving. De regels in deze paragraaf geven uitvoering aan de verplichting van artikel 10.23 van de Wet milieubeheer, waarin de gemeenteraad wordt opgedragen om in het belang van de bescherming van het milieu een afvalstoffenverordening vast te stellen. In het tweede lid is een uitzondering gemaakt op artikel 3.1, tweede lid, dat bepaalt dat de regels in hoofdstuk 3 niet van toepassing zijn op activiteiten die door of vanwege de gemeente Oegstgeest worden verricht voor de uitoefening van een publiekrechtelijke taak.
Het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen en bedrijfsafvalstoffen die naar aard en samenstelling vergelijkbaar zijn met huishoudelijke afvalstoffen, is namelijk een publiekrechtelijke taak die in artikel 10.21 van de Wet milieubeheer is opgedragen aan het gemeentebestuur. Het is van belang om voor die activiteit regels te stellen over het inzamelen. Om die reden is in het tweede lid een uitzondering opgenomen op artikel 3.1, tweede lid. Artikel 3.33 (specifieke zorgplicht) [artikelen 14 tot en met 20 Afvalstoffenverordening 2021] In dit artikel is de specifieke zorgplicht van artikel 3.3 geconcretiseerd voor de activiteiten die zijn geregeld in deze paragraaf.
Op grond van artikel 10.25, onder a en b, van de Wet milieubeheer kunnen gemeenten in hun afvalstoffenverordening de zwerfafvalproblematiek regelen. Er is sprake van facultatief medebewind. Gemeenten hebben hiertoe de bevoegdheid, maar geen wettelijke plicht. Zwerfafval ontstaat niet alleen door illegale dumping maar kan ook ontstaan uit huishoudelijk afval, bijvoorbeeld als dat verkeerd is aangeboden of als ter inzameling gereedstaand huishoudelijk afval is doorzocht of omgeschopt. Zwerfafval komt ook in de openbare ruimte terecht via het publiek rondom winkels, eet- en drinkgelegenheden, evenementen of reclame- en promotiecampagnes. Met de specifieke zorgplicht wordt zwerfafval voorkomen en bestreden. Op grond van artikel 6 van het Besluit beheer autowrakken (hierna: BBA) moeten gemeenten in hun afvalstoffenverordening bepalen dat een autowrak, zijnde een huishoudelijke afvalstof, slechts mag worden afgegeven aan autodemontagebedrijven, garages en autoschadeherstelbedrijven of aan een persoon die in een ander land dan Nederland is gevestigd (onder strikte voorwaarden). Op grond van artikel 7 van het BBA worden autowrakken afkomstig van huishoudens uitdrukkelijk uitgezonderd van de gemeentelijke zorgplicht voor de inzameling van huishoudelijk afval. De onderdelen f en g hebben als doel om de verspreiding van ongewenst drukwerk te voorkomen.
Daarmee wordt uitvoering gegeven aan een van de maatregelen in de door de gemeenteraad van Oegstgeest vastgestelde ‘notitie voorgenomen maatregelen VANG’ van 19 december 2019. Inwoners hebben met de komst van de nieuwe JA - sticker de volgende mogelijkheden om hun voorkeur ten aanzien van de ontvangst van commercieel reclamedrukwerk en/of de huis-aan-huis bladen kenbaar te maken: Overzicht stickers JA/JA sticker Geen sticker NEE/JA sticker NEE/NEE sticker
Ongeadresseerd reclamedrukwerk gewenst Ja Nee Nee Nee
Ongeadresseerde huis-aanhuisbladen Ja Ja Ja Nee
In bijlage I zijn de definities opgenomen van huis-aan-huisblad en ongeadresseerd reclamedrukwerk. Met ongeadresseerd reclamedrukwerk wordt in deze verordening bedoeld al het reclamedrukwerk dat zonder adres wordt aangeboden. Onder deze definitie vallen alle aanduidingen zonder toevoeging van een feitelijk adres, zoals ‘aan de bewoners van dit pand of gebouw’. Drukwerk van vrijwilligers- en niet commerciële organisaties, waaronder ook politieke partijen, valt niet onder de definitie van ‘ongeadresseerd drukwerk’. De gemeente kiest voor dit onderscheid omdat de huis- aan-huisbladen en pamfletten een belangrijke functie voor onder meer de nieuwsverspreiding op lokaal niveau en de sociale cohesie in de buurt hebben. Daarbij hebben deze bladen een lage frequentie. In de definitie van de ‘huis-aan-huisblad’ is een norm gehanteerd van 10% aan inhoudelijk buurtgericht nieuws. Hiermee sluit deze verordening aan op de norm die landelijk door de Stichting Reclamecode wordt gehanteerd. In onderdeel f is bepaald dat bezorging van ongeadresseerd reclamedrukwerk uitsluitend is toegestaan als de ontvanger onmiskenbaar met een JA/JA - sticker duidelijk heeft gemaakt het ongeadresseerde reclamedrukwerk te willen ontvangen. Daarbij gaat het niet alleen om de bezorging maar ook om het laten bezorgen. De adverteerders dienen zich ook aan de systematiek van de JA/JA-sticker te houden.
In onderdeel g is bepaald dat huis-aan-huisbladen mogen worden bezorgd, tenzij de ontvanger onmiskenbaar duidelijk heeft gemaakt deze bladen niet te willen ontvangen. Artikel 3.34 (inzamelen huishoudelijke afvalstoffen) [artikelen 3 en 4 Afvalstoffenverordening 2021]
In het eerste lid is een verbod opgenomen voor het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen. Op grond van het tweede lid, aanhef en onder a, geldt dit verbod niet voor de inzameldienst die door het college is aangewezen voor het inzamelen. De zorg voor het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen berust volgens de artikelen 10.21 en 10.22 van de Wet milieubeheer op de gemeenteraad en het college. De aangewezen inzameldienst zal aan die zorg praktische uitvoering geven. Op grond van het tweede lid, aanhef en onder b, geldt het verbod ook niet voor een andere inzamelaar dan de inzameldienst: die door het college is aangewezen voor het inzamelen; die op grond van nadere regels van het college is vrijgesteld van het verbod; of die op grond van artikel 9.5.2, derde lid, aanhef en onder b, of vierde lid, van de Wet milieubeheer verplicht is tot inname van de huishoudelijke afvalstoffen. Het gaat hier om inzamelaars die bepaalde bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen mogen inzamelen. Inzamelen is op de eerste plaats toegestaan voor inzamelaars die daartoe zijn aangewezen door het college. Het gaat dan om een beschikking waaraan op grond van artikel 3.6 voorschriften en beperkingen kunnen worden verbonden. Een aanwijzing wordt niet van rechtswege verleend als sprake zou zijn van niet tijdig beslissen. Dat is geregeld in artikel 3.4, vijfde lid.
Op de tweede plaats kan het college bepaalde personen of organisaties vrijstellen bij nadere regels. In het tweede lid, aanhef en onder b, is het mogelijk gemaakt dat er met generieke vrijstellingen kan worden gewerkt voor bijvoorbeeld scholen die papier inzamelen of voor andere organisaties of personen die bestanddelen huishoudelijke afvalstoffen inzamelen als inzamelaar. Op de derde plaats zijn er producenten van bijvoorbeeld witgoed voor wie op grond van de Wet milieubeheer verplichtingen bestaan tot inname van afgedankte producten. Het gaat dan om de producentenverantwoordelijkheid. Vanzelfsprekend kan daarvoor geen verbod gelden. De aanwijzing van inzamelaars verschilt qua karakter van de aanwijzing van de inzameldienst. Het gaat bij de inzamelaars om personen of organisaties die om verschillende redenen behulpzaam willen zijn bij de taak om huishoudelijk afval in te zamelen. Deze aanwijzing heeft – anders dan de aanwijzing van de inzameldienst – het karakter van een vergunning en gaat niet gepaard met een uitvoeringsplicht.
Artikel 3.35 (aanbieden, overdragen en achterlaten van huishoudelijke afvalstoffen) [artikel 6 Afvalstoffenverordening 2021] Dit artikel regelt dat het aanbieden, overdragen of achterlaten van huishoudelijke afvalstoffen niet anders mag geschieden dan door afgifte aan de aangewezen inzameldienst of aan een andere inzamelaar als bedoeld in artikel 3.34, tweede lid, of door achterlating op een door het college aangewezen inzamelplaats. De inzamelplaatsen worden aangewezen op grond van artikel 2.9. Dit tot de gebruikers van percelen waar huishoudelijke afvalstoffen geregeld kunnen ontstaan gerichte verbod is het spiegelbeeld van de in die artikelen tot de inzameldienst en andere inzamelaars gerichte verboden. Artikel 3.36 (gescheiden inzamelen en aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen)[artikelen 7 en 8 Afvalstoffenverordening 2021] Dit artikel regelt welke bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen afzonderlijk moeten worden ingezameld, met welke frequentie en op welke locatie. Deze locatie kan zijn bij elk perceel, nabij elk perceel of een van deze met uitzondering van bepaalde gebieden van de gemeente.
Artikel 10.21 van de Wet milieubeheer schrijft voor dat het gemeentebestuur, al dan niet samen met het gemeentebestuur van andere gemeenten, ervoor zorgt dat ten minste eenmaal per week de huishoudelijke afvalstoffen worden ingezameld elk binnen haar grondgebied gelegen perceel waar zodanige afvalstoffen geregeld kunnen ontstaan. Grove huishoudelijke afvalstoffen zijn daarvan uitgezonderd. GFT-afval moet volgens dit artikel verplicht afzonderlijk wordt ingezameld. De gemeenteraad kan volgens artikel 10.21, derde lid, van de Wet milieubeheer besluiten tot het afzonderlijk inzamelen van andere bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen. Deze vrijheid is ingeperkt door artikel 3 van de Regeling afgedankte elektrische en
elektronische apparatuur. Dat verplicht gemeenten ertoe om afgedankte elektrische en elektronische apparatuur van particuliere huishoudens gescheiden in te zamelen. Bij de uitoefening van de bevoegdheden met betrekking tot afvalstoffen dient het gemeentebestuur bovendien rekening te houden met het Landelijk afvalbeheersplan (hierna: LAP). In het LAP zijn bestanddelen huishoudelijke afvalstoffen benoemd, die door de consument gescheiden dienen te worden. In het Landelijke afvalbeheerplan 3 (hierna: LAP-3) is gesteld dat ‘het gewenste beleid betekent voor burgers dat zij in ieder geval glas, gft-afval, textiel, papier en karton en gevaarlijke afvalstoffen zouden moeten scheiden. In Oegstgeest stellen we dat de volgende afvalfracties gescheiden dienen te worden aangeleverd: groente-, fruit- en tuinafval; papier en karton; glas; textiel; elektrische of elektronische apparatuur; en klein chemisch afval. Daarnaast kan het college anderen bestanddelen aanwijzen die afzonderlijk moeten worden ingezameld op grond van het eerste lid, onder g. Het vierde lid biedt de mogelijkheid om meer maatwerk te kunnen geven.
Op grond van artikel 10.26 van de Wet milieubeheer kan de gemeenteraad in afwijking van artikel 10.21, in het belang van een doelmatig beheer van huishoudelijke afvalstoffen bepalen dat: huishoudelijke afvalstoffen worden ingezameld nabij elk perceel; huishoudelijke afvalstoffen worden ingezameld met een daarbij aangegeven regelmaat; in een gedeelte van het grondgebied van de gemeente geen huishoudelijke afvalstoffen worden ingezameld. Het regelen van de frequentie en de locatie van inzameling wordt in beginsel overgelaten aan het college. De raad bepaalt wel welke bestanddelen in ieder geval afzonderlijk ingezameld dienen te worden. Tenzij het college in het belang van een doelmatig afvalstoffenbeheer, zoals een operationele nascheiding, bepaalde bestanddelen achterwege wenst te laten. Dit is onder meer van belang omdat dit artikel aan burgers het verbod oplegt om die bestanddelen ongescheiden ter inzameling aan te bieden. Het derde lid regelt het spiegelbeeld van het eerste id. Wat gescheiden moet worden ingezameld, moet ook gescheiden worden aangeboden. Concrete omschrijvingen van de bestanddelen kunnen door het college in de nadere regels op grond van het vierde lid worden gegeven om discussies te slechten en om in het kader van de handhaving houvast te bieden.
Ook kan van de vrijstellingsmogelijkheid van het vijfde lid gebruik worden gemaakt om te regelen dat bepaalde hoeveelheden (fracties) van de bestanddelen mogen voorkomen bij de inzameling van andere bestanddelen. Artikel 3.37 (plaats, dag en tijd van aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen) [artikel 9 Afvalstoffenverordening 2021] De plaatsen, dagen en tijden voor de inzameling worden door het college bepaald. Het gaat hier om een besluit van algemene strekking. Op grond van het tweede lid kunnen de plaatsen, dagen en tijden voor de verschillende bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen verschillen. Artikel 3.38 (inzamelmiddelen en inzamelvoorzieningen) [artikel 10 Afvalstoffenverordening 2021] Er is een onderscheid tussen inzamelmiddelen en inzamelvoorzieningen. Inzamelmiddelen dienen het ter inzameling aanbieden door een huishouden, zoals een minicontainer, afvalemmer, plastic afvalzak. Inzamelvoorzieningen dienen het collectief ter inzameling aanbieden door meerdere
huishoudens, zoals een verzamelcontainer of een wijkcontainer, voor het inzamelen daarvan. Op grond van dit artikel kunnen inzamelmiddelen worden voorgeschreven. Ook kunnen hier regels worden gesteld over het gebruik van inzamelvoorzieningen. Artikel 3.39 (aanbieden, overdragen en achterlaten van bedrijfsafvalstoffen) [artikelen 11, 12 en 13 Afvalstoffenverordening 2021] De inzameldienst kan ook bedrijfsafvalstoffen of bepaalde bestanddelen van bedrijfsafvalstoffen inzamelen. Anders dan bij huishoudelijke afvalstoffen geldt voor bedrijfsafvalstoffen geen zorgplicht voor de gemeente. Inzameling van bedrijfsafvalstoffen door de inzameldienst is daarom een daarvan te onderscheiden activiteit waarbij de inzameldienst tegen vergoeding afval inzamelt bij bedrijven. In de praktijk gaat het daarbij veelal om afval uit de KWD-sector of bouwen sloopafval (voor zover dit niet wordt gerekend tot het huishoudelijk afval). Alleen de bedrijven die betalen voor de gemeentelijke inzamelvoorzieningen mogen hun bedrijfsafvalstoffen aanbieden aan de inzameldienst. Het college kan, net als bij huishoudelijke afvalstoffen, regels stellen over de wijze waarop de afvalstoffen ter inzameling moeten worden aangeboden. De basis voor het stellen van regels over de inzameling van bedrijfsafvalstoffen kan worden gevonden in artikel 10.23, derde lid, van de Wet milieubeheer.
De memorie van toelichting zegt hierover: ‘Ten aanzien van de inzameling van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen mogen ook in het belang van de bescherming van het milieu regels worden gesteld. Blijkens het derde lid mogen deze regels geen vergunningstelsel inhouden. Dit is krachtens artikel 10.48 Wet milieubeheer voorbehouden aan de minister. Vanzelfsprekend mogen de gemeenten hun bevoegdheid evenmin benutten ter bevoordeling van de eigen inzameldienst en ten nadele van andere aanbieders op de markt.’ Het is dus mogelijk om in het belang van het milieu bepaalde dagen te kunnen aanwijzen waarop bedrijfsafvalstoffen mogen worden ingezameld. Bijvoorbeeld ter beperking of voorkoming van geluidhinder of aanzuigende werking of om ritten zoveel mogelijk te combineren. Dit artikel kan met name van belang zijn voor de inzameling van bedrijfsafvalstoffen in een (historisch) centrum. Uiteraard gelden deze regels voor alle betrokken inzamelaars die bedrijfsafvalstoffen ophalen.
AFDELING 3.4 ACTIVITEITEN IN DE OPENBARE RUIMTE § 3.4.1 Algemeen Artikel 3.40 (oogmerken) Dit artikel somt op met welke oogmerken de algemene regels voor de activiteiten in deze afdeling zijn gesteld. De Omgevingswet kent een aantal maatschappelijke doelen. De algemene regels over activiteiten in de openbare ruimte in deze verordening zijn gesteld vanwege een concretisering van deze doelen. Artikel 3.40 somt deze oogmerken limitatief op. Artikel 3.40 werkt ook door in de bevoegdheden van het college tot het stellen van maatwerkvoorschriften. Meer uitleg hierover staat bij de toelichting op artikel 3.11. De oogmerken zijn ook van belang voor de toepassing van de beoordelingsregels. Bij de activiteiten in deze afdeling zullen niet steeds alle oogmerken een rol spelen. Als voor een bepaald oogmerk geen nader uitgewerkte regels in deze verordening zijn opgenomen, geldt wel de specifieke zorgplicht. § 3.4.2 Gebruiken van de weg Artikel 3.41 (aanwijzing activiteiten) [ artikel 2:10 APV 2020] In dit artikel is het gebruiken van de weg aangewezen als activiteit die gevolgen kan hebben voor de fysieke leefomgeving. Het tweede lid regelt de afbakening van de regels in deze paragraaf met
de regels over activiteiten die elders zijn geregeld en waarbij het ook kan gaan om het gebruiken van de weg. De evenementen zijn geregeld in de Algemene plaatselijke verordening 2020. Op grond van artikel 2:25 van die verordening is een vergunning van de burgemeester verplicht voor het organiseren van een evenement. De activiteiten die zijn genoemd in de onderdelen b tot en met d zijn geregeld in de paragrafen 3.4.5, 3.4.6 en 3.4.7. Artikel 3.42 (specifieke zorgplicht) [artikelen 2.10 en 2:14 APV 2020 en nadere regels artikel 2:10 APV Oegstgeest 2020] In dit artikel is de specifieke zorgplicht van artikel 3.3 geconcretiseerd voor de activiteiten die zijn geregeld in deze paragraaf. Artikel 3.43 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen) [artikelen 2.10 APV 2020 en nadere regels artikel 2:10 APV Oegstgeest 2020] Dit artikel wijst het gebruiken van de weg anders dan overeenkomstig de publieke functie aan als geval waarvoor een vergunning verplicht is. De woorden ‘anders dan overeenkomstig de publieke functie van de weg’ betekenen dat deze paragraaf niet van toepassing is op het gebruik van de weg met bijvoorbeeld een auto of een fiets. Voor dat gebruik gelden de regels van de wegenverkeerswetgeving. Het gaat hier om het gebruiken van de weg voor bijvoorbeeld het plaatsen van voorwerpen of objecten.
Bij ‘wegen’ gaat het om de voor het openbaar verkeer openstaande wegen of paden die in beheer zijn bij de gemeente Oegstgeest, met inbegrip van de daarin liggende bruggen en duikers en de tot die wegen behorende paden en bermen of zijkanten (zie de definitie in bijlage I bij deze verordening). Onder ‘het gebruiken van de weg’ valt dus ook het gebruiken van de naast de weg gelegen berm. Ook geldt de vergunningplicht voor de plaatsing van borden voor het wijzen van de weg naar bedrijven op bijvoorbeeld een bedrijventerrein. Behalve een vergunning van de gemeente voor de plaatsing van deze borden zullen hierover ook afspraken moeten worden gemaakt met de bedrijven. In het tweede en derde lid is een aantal uitzonderingen op de vergunningplicht opgenomen. Op grond van het tweede lid, aanhef en onder b, is de vergunningplicht niet van toepassing op voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard. Een vergunningsstelsel voor zulke uitingen zou in strijd zijn met artikel 7 van de Grondwet (vrijheid van meningsuiting). Het is op grond van artikel 3.42 wel verboden om uitingen te doen als daardoor het verkeer wordt gehinderd of in gevaar gebracht. De uitzonderingen van het derde lid gelden alleen als wordt voldaan aan de algemene regels die in de artikelen 3.45 tot en met 3.51 zijn gesteld voor het plaatsen van de daarin geregeld objecten en voorwerpen.
Artikel 3.44 (beoordelingsregels vergunning) [par. 4.2 reclamenota] Dit artikel bevat de specifieke regels voor het beoordelen van vergunningaanvragen voor de vergunningplichtige activiteiten die in deze paragraaf zijn geregeld. Deze specifieke regels gelden in aanvulling op de algemene beoordelingsregels van artikel 3.10. In het tweede lid zijn specifieke beoordelingsregels opgenomen voor objecten met reclame of reclameborden. Het kan daarbij onder andere gaan om de zogenoemde A0 borden die worden vastgezet aan lichtmasten en bijvoorbeeld zijn bedoeld voor evenementen en promotie van politieke partijen in verkiezingstijd. Hiervoor heeft de gemeente een overeenkomst gesloten met een bedrijf dat de borden plaatst. In die overeenkomst zijn allerlei zaken geregeld, bijvoorbeeld over het maximale aantal borden per politieke partij. Voor bijvoorbeeld organisatoren van evenementen en politieke partijen betekent dit dat zij met dat bedrijf afspraken maken over plaatsing. Het bedrijf dat de plaatsing regelt zorgt ook voor de vereiste vergunningen.
Artikel 3.45 (algemene regels: plaatsen uitstallingen) [2.10 APV, nadere regels artikel 2:10 APV Oegstgeest 2020 en par. 6.1 reclamenota] In dit artikel zijn algemene regels opgenomen over het plaatsen van uitstallingen op de weg. Het gaat daarbij om het plaatsen van reclameborden, uitstallingsmaterialen, uitstallingsstellages, voorwerpen en stoffen die behoren tot het reguliere assortiment van een winkel, speelattracties en andere uitstallingen voor een pand waarin een onderneming is gevestigd. Als aan deze regels wordt voldaan is geen vergunning vereist op grond van artikel 3.43, derde lid, onder a. Artikel 3.46 (algemene regels: plaatsen objecten voor bouwactiviteiten) [2.10 APV en nadere regels artikel 2:10 APV Oegstgeest 2020] In dit artikel zijn algemene regels opgenomen over het plaatsen van objecten voor bouwactiviteiten op de weg. Het gaat daarbij om het plaatsen van containers, bouwketen, mobiele toiletcabines, steigers, mobiele liften, pompen, hekwerken, reclameborden over werk in uitvoering en andere objecten voor het verrichten van bouwactiviteiten. Als aan deze regels wordt voldaan is geen vergunning vereist op grond van artikel 3.43, derde lid, onder b.
Artikel 3.47 (gegevens en bescheiden: plaatsen objecten voor bouwactiviteiten) [2.10 APV en nadere regels artikel 2:10 APV Oegstgeest 2020] Op grond van dit artikel geldt de verplichting om ten minste vijf werkdagen voor het plaatsen van objecten voor bouwactiviteiten aan het college gegevens te verstrekken over de verwachte datum en het verwachte tijdstip van het begin van de activiteit en de verwachte duur ervan. Op basis van de ontvangen informatie kan het college zo nodig maatregelen treffen ter bevordering van de verkeersveiligheid. Ook biedt het de mogelijkheid voor het college om aanvullende verplichtingen op te leggen met een maatwerkvoorschrift. Artikel 3.48 (algemene regels: plaatsen spandoeken) [2.10 APV, nadere regels artikel 2:10 APV Oegstgeest 2020 en par. 6.2 reclamenota] In dit artikel zijn algemene regels opgenomen over het plaatsen van spandoeken op, bij of boven de weg. Als aan deze regels wordt voldaan is geen vergunning vereist op grond van artikel 3.43, derde lid, onder c. Het plaatsen van spandoeken is alleen toegestaan op de locaties die in het tweede lid zijn opgesomd. Artikel 3.49 (algemene regels: plaatsen objecten met reclame bij een rotonde) [2:10 APV, nadere regels artikel 2:10 APV Oegstgeest 2020 en par. 5.3 reclamenota] In dit artikel zijn algemene regels opgenomen over het plaatsen van objecten met reclame bij een rotonde.
Als aan deze regels wordt voldaan is geen vergunning vereist op grond van artikel 3.43, derde lid, onder d. Ondernemers hebben de mogelijkheid een rotonde te ‘adopteren’. Deze ondernemers mogen deze rotonde dan voorzien van reclame. Als tegenprestatie verzorgt de ondernemer het onderhoud van de betreffende rotonde. Het gaat om de volgende rotondes : - Laan van Oud-Poelgeest/ Oegstgeesterweg/ Hofdijck; - Lange Voort/ Abtspoelweg; - Geversstraat/ Rijnzichtweg/ Rhijngeesterstraatweg. Artikel 3.50 (algemene regels: plaatsen trotters en tekstkarren) [2.10 APV en nadere regels artikel 2:10 APV Oegstgeest 2020]
In dit artikel zijn algemene regels opgenomen over het plaatsen van trotters en tekstkarren op de weg. Als aan deze regels wordt voldaan is geen vergunning vereist op grond van artikel 3.43, derde lid, onder e. Een trotter is een tijdelijke communicatiedrager die kan worden ingezet in de openbare ruimte. Het is een billboard zonder vaste locatie. Meestal worden trotters gebruikt voor het maken van reclame, het geven van voorlichting en informatie of het verkondigen van politieke standpunten. Een tekstkar is mobiele kar of aanhanger met een bord of scherm waarop boodschappen kunnen worden weergegeven. Vaak worden tekstkarren gebruikt bij wegwerkzaamheden om de weggebruikers te waarschuwen. Maar tekstkarren worden ook gebruikt voor het geven van informatie en voorlichting, het wijzen van de weg en het maken van reclame. Artikel 3.51 (algemene regels: plaatsen kerstbomen) [2.10 APV en nadere regels artikel 2:10 APV Oegstgeest 2020] In dit artikel zijn algemene regels opgenomen over het plaatsen van kerstbomen op de weg. Als aan deze regels wordt voldaan is geen vergunning vereist op grond van artikel 3.43, derde lid, onder f.
§ 3.4.3 Veranderen van de weg Artikel 3.52 (aanwijzing activiteiten) In dit artikel zijn het aanleggen, beschadigen en veranderen van de weg en het veranderen van de omgeving van de weg aangewezen als activiteiten die gevolgen kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving. Artikel 3.53 (specifieke zorgplicht) [artikel 2:15 APV 2020] In dit artikel is de specifieke zorgplicht van artikel 3.3 geconcretiseerd voor de activiteiten die zijn geregeld in deze paragraaf. Artikel 3.54 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen) [artikel 2:11 APV 2020] Dit artikel wijst een aantal activiteiten waarmee de weg wordt veranderd aan als gevallen waarvoor een vergunning verplicht is. Artikel 3.55 (beoordelingsregel vergunning) Dit artikel bevat een specifieke regel voor het beoordelen van vergunningaanvragen voor de vergunningplichtige activiteiten die in deze paragraaf zijn geregeld. Deze specifieke regel geldt in aanvulling op de algemene beoordelingsregels van artikel 3.10. § 3.4.4 Uitrit aanleggen of veranderen Artikel 3.56 (aanwijzing activiteiten) In dit artikel is het aanleggen en veranderen van een uitrit naar de weg aangewezen als activiteit die gevolgen kan hebben voor de fysieke leefomgeving.
Artikel 3.57 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen) [artikel 2:12 , eerste lid, APV 2020] Dit artikel wijst het aanleggen of veranderen van een uitrit naar de weg aan als geval waarvoor een vergunning verplicht is. Artikel 3.58 (beoordelingsregels vergunning) [artikel 2:12, tweede lid, APV 2020]
Dit artikel bevat de specifieke regels voor het beoordelen van vergunningaanvragen voor de vergunningplichtige activiteiten die in deze paragraaf zijn geregeld. Deze specifieke regels gelden in aanvulling op de algemene beoordelingsregels van artikel 3.10. § 3.4.5 Parkeerexcessen Artikel 3.59 (aanwijzing activiteiten) In dit artikel is het parkeren van voertuigen op de weg aangewezen als activiteit die gevolgen kan hebben voor de fysieke leefomgeving. Artikel 3.60 (bedrijfsmatig parkeren) [artikel 5:2 APV 2020] Dit artikel bevat het verbod om de weg te gebruiken als werkplaats voor voertuigen of voor het parkeren van meer dan twee voertuigen binnen een cirkel met een straal van 25 m. Deze verboden gelden alleen voor degenen die bedrijfsmatig rijlessen verzorgen, personen tegen betaling vervoeren of voertuigen stallen, verhuren, verhandelen, slopen, onderhouden of herstellen. Op grond van het derde lid geldt een aantal uitzonderingen. Artikel 3.61 (te koop aanbieden en voertuigen met reclame) [artikelen 5:3 en 5:7 APV 2020] In dit artikel zijn twee verboden geregeld. Op grond van het eerste lid is het verboden om een voertuig te parkeren met het doel het te koop aan te bieden of te verhandelen. Dit verbod geldt alleen op een door het college aangewezen weg. In het tweede lid is bepaald dat het plaatsen van een voertuig die is voorzien van reclame te plaatsen op de weg.
Artikel 3.62 (voertuigen met gebreken of verlopen APK en wrakken) [artikelen 5:4 tot en met 5:5 APV 2020] Op grond van dit artikel is het niet toegestaan om een voertuig waarmee niet kan of mag worden gereden door andere dan eenvoudig te verhelpen gebreken, langer dan drie achtereenvolgende dagen op de weg te parkeren. Parkeren is ook niet toegestaan als: de Algemene Periodieke Keuring daarvoor ten minste een maand is verlopen; of het rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en in verwaarloosde toestand verkeert. Artikel 3.63 (parkeren recreatieve en grote voertuigen en overig) [artikelen 5:6 en 5:8 APV 2020] Dit artikel bevat twee verboden. Volgens het eerste lid is het verboden om recreatievoertuigen, zoals campers en caravans, langer dan drie achtereenvolgende dagen te parkeren op een door het college aangewezen weg. Dit verbod geldt ook voor andere voertuigen die niet voor verkeersdoeleinden worden gebruikt, zoals grasmaaiers. Het tweede verbod staat in het tweede lid en gaat over grote voertuigen. Voertuigen die, met inbegrip van de lading, langer zijn dan 6 m of hoger dan 2,40 m mogen niet worden geparkeerd op een door het college aangewezen weg. Dit verbod voor grote voertuigen geldt niet voor recreatievoertuigen. Die vallen namelijk al onder het verbod van het eerste lid (maximum parkeerduur van drie achtereenvolgende dagen).
Het verbod geldt ook niet op werkdagen van 08:00 tot 18:00 uur. De wegen waar het is verboden om recreatievoertuigen en voertuigen die niet zijn bedoeld voor verkeersdoeleinden langer dan drie achtereenvolgende dagen te parkeren, zijn aangewezen met het Aanwijzingsbesluit parkeerverbod kampeermiddelen e.a. van 5 december 2017 (Gemeenteblad 2018, 55338). Het college heeft met dat besluit alle wegen binnen de bebouwde kom van de gemeente aangewezen, met uitzondering van: het parkeerterrein aan de Almondeweg; en
de Apollolaan: over een strook van 36 meter vanaf het Apolloplein aan de oostzijde van de weg. Met het Aanwijzingsbesluit parkeerverbod grote voertuigen van 5 december 2017 (Gemeenteblad 2018, 55340) zijn dezelfde wegen aangewezen voor voertuigen die langer zijn dan 6 m of hoger dan 2,40 m. Artikel 3.64 (hinderlijk parkeren) [artikel 5:9 APV 2020] Met dit artikel is het verboden om grote voertuigen (inclusief lading langer dan 6 m of hoger dan 2,40 m) zodanig te parkeren dat daarmee het uitzicht van bewoners of gebruikers van een gebouw onevenredig wordt belemmerd of voor hen op een andere manier hinder of overlast wordt veroorzaakt. Dat verbod geldt niet als het parkeren plaatsvindt voor werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van het voertuig nodig is. Artikel 3.65 (voertuigen parkeren buiten rijbaan) [artikel 5:10 APV 2020] Dit artikel verbiedt het parkeren van voertuigen op een door het college aangewezen weggedeelte dat niet tot de rijbaan behoort. Met het besluit van 2 maart 2021 (Gemeenteblad 2021, 76431) heeft het college alle weggedeelten in de gemeente Oegstgeest aangewezen als weggedeelten waar het is verboden voertuigen te parkeren. Artikel 3.66 (verkeer in groenvoorzieningen) [artikel 5:11 APV 2020] Op grond van het eerste lid is het verboden een voertuig aanwezig te hebben in een park, plantsoen of groenstrook.
Volgens het tweede lid geldt dit verbod niet voor een weg en voor een locatie waar een standplaats wordt. Op het innemen van standplaatsen is pararagraaf 3.4.6 van toepassing. Artikel 3.67 (hinderlijke plaatsing van fietsen) [artikel 5:12 APV 2020] Fietsen, bromfietsen en scooters mogen op grond van dit artikel niet onbeheerd worden achtergelaten op de weg. Bovendien moeten deze rijwielen worden geplaatst op een daarvoor bedoelde plaats of in een daarvoor bedoelde ruimte of rek. Ook is het niet toegestaan om die rijwielen op de weg te plaatsen als ze rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en in verwaarloosde toestand verkeren. § 3.4.6 Standplaatsen Artikel 3.68 (aanwijzing activiteiten) [artikel 5:17 APV 2020 en standplaatsenbeleid] In dit artikel is het innemen van een standplaats aangewezen als activiteit die gevolgen kan hebben voor de fysieke leefomgeving. In onze gemeente zijn standplaatsen een bekend fenomeen. Gedurende het jaar worden goederen als vis, kaas, groenten, snacks, bloemen, oliebollen en kerstbomen vanaf een vaste of een tijdelijke standplaats in de openbare ruimte te koop aangeboden. Deze standplaatsen zijn belangrijk voor onze lokale economie. Een van de speerpunten van ons lokale economisch beleid is het ondersteunen van een hoogwaardig en gevarieerd aanbod van winkels en voorzieningen. Standplaatsen maken hier onderdeel van uit.
Standplaatsen dragen bij aan een verlevendiging van het straatbeeld, voorzien in een behoefte en verschaffen werkgelegenheid. Andere speerpunten van het lokale economische beleid zijn versterking en ondersteuning van de lokale detailhandel. Omdat de meeste standplaatsen zich in en rond winkelcentra bevinden, dragen zij bij aan de lokale detailhandel. Standplaatsen zorgen voor diversiteit in het winkelgebied.
Regels over het innemen van standplaatsen zijn gewenst omdat een overdaad aan standplaatsen kan leiden tot overlast, zoals geluidsoverlast, stankoverlast, verkeershinder en overlast door zwerfafval en ongewenst gebruik van de openbare ruimte. Ook zijn regels wenselijk om een gevarieerd aanbod te waarborgen. De regels over standplaatsen in de Algemene plaatselijke verordeningen, de Beleidsregels standplaatsen 2019 en het Standplaatsenbeleid, zijn samengebracht in paragraaf 3.4.6. De regels over ‘good housekeeping’ en de regels die geen toegevoegde waarde hebben omdat ze sowieso al gelden, bijvoorbeeld over aansprakelijkheid of handelingsbekwaamheid, zijn toegevoegd aan de specifieke zorgplicht of zijn vervallen. Bij deze activiteit gaat het om het innemen van een standplaats. Dat is een vaste plaats in de openlucht waar goederen of diensten worden aangeboden of geleverd. Buiten de activiteit valt dus het venten waarbij geen vaste plaats maar steeds wisselende plaatsen worden ingenomen door de aanbieder. Buiten de aanwijzing vallen het innemen van een standplaats op een jaarmarkt of markt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g, van de Gemeentewet en het innemen van een vaste plaats tijdens een evenement op een evenemententerrein. Evenementen zijn gereguleerd in de Algemene plaatselijke verordening.
Sommige activiteiten die vallen onder deze paragraaf zijn ook geregeld in andere wetgeving. Dat geldt bijvoorbeeld voor de bakkramen en bakwagens waarvoor ook een aantal voorschriften gelden die zijn opgenomen in paragraaf 5.2 van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen. Artikel 3.69 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen) [artikel 5:18, eerste lid, en 5:19 APV 2020] Dit artikel wijst het innemen van een standplaats in de openlucht voor het te koop aanbieden of leveren van goederen of diensten aan als geval waarvoor een vergunning verplicht is. Artikel 3.70 (bijzondere aanvraagvereisten vergunning) [artikel 2 Beleidsregels standplaatsen] In dit artikel is bepaald welke gegevens en bescheiden bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het innemen van een standplaats moeten worden verstrekt. Deze gegevens en bescheiden heeft het college nodig om te kunnen beoordelen of de vergunning kan worden verstrekt.
Onderdeel g In artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht zijn onder andere de volgende documenten aangewezen waarmee de identiteit van personen kan worden vastgesteld: een geldig reisdocument (paspoort en reisdocument voor vluchtelingen of vreemdelingen); een Nederlandse identiteitskaart; de documenten waarover een vreemdeling ingevolge de Vreemdelingenwet 2000 moet beschikken ter vaststelling van zijn identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie; en een geldig rijbewijs. Artikel 3.71 (beoordelingsregels vergunning) [artikel 5:18, tweede en derde lid, en 5:20, tweede lid, APV 2020 en Standplaatsenbeleid] Dit artikel bevat de specifieke regels voor het beoordelen van vergunningaanvragen voor de vergunningplichtige activiteiten die in deze paragraaf zijn geregeld. Deze specifieke regels gelden in aanvulling op de algemene beoordelingsregels van artikel 3.10. Eerste lid, aanhef en onder a, en derde tot en met vijfde lid
Bij de beoordeling van de aanvraag om een vergunning voor het innemen van een standplaats, moet worden beoordeeld of het van toepassing zijnde bestemmingsplan dit toestaat. Standplaatsen mogen niet in strijd zijn met het bestemmingsplan. Als er sprake is van strijd met het bestemmingsplan, dan moet de vergunning in principe worden geweigerd. Als er sprake is van strijdigheid met het bestemmingsplan kan een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het afwijken van een bestemmingsplanworden ingediend (artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht). Op grond van artikel 3:20 Algemene wet bestuursrecht is de gemeente verplicht de aanvrager op de mogelijkheid van het aanvragen van de omgevingsvergunning te wijzen. In een dergelijk geval zal de gemeente bovendien vermelden dat de vergunning voor het innemen van de standplaats wordt aangehouden totdat een besluit is genomen over de aanvraag om de omgevingsvergunning. Dit heeft tot gevolg dat de vergunning voor het innemen van de standplaats niet wordt geweigerd zolang nog niet over de aanvraag om de omgevingsvergunning is beslist. Als binnen acht weken nadat het college de aanvrager op de mogelijkheid heeft gewezen van de omgevingsvergunning, er geen aanvraag is ingediend, dan zal de vergunning voor het innemen van de standplaats alsnog worden geweigerd.
Eerste lid, aanhef en onder b Een standplaatshouder mag ten hoogste één standplaats innemen. Dat betekent dat een aanvraag om een vergunning wordt geweigerd als de aanvrager al een vergunning voor het innemen van een standplaats heeft. Ook zal de vergunning worden geweigerd als al eerder een vergunning is aangevraagd en het college daarop nog geen besluit heeft genomen. Daarmee wordt voorkomen dat tegelijkertijd of kort na elkaar verschillende aanvragen worden ingediend. Bij de beoordeling zal het college vaststellen wie de aanvrager is. Als de aanvrager (natuurlijk persoon) een bedrijf heeft, zullen de natuurlijke personen die voor dat bedrijf werkzaam zijn of daar eigenaar van zijn, in totaal slechts één vergunning mogen hebben voor één standplaats. Een uitzondering op deze regel wordt gemaakt voor de situatie dat de aanvrager al een vergunning heeft en in het jaar voor het verstrijken van de geldigheidsduur van die vergunning een nieuwe vergunning aanvraagt. Het gaat dan om de situatie waarop artikel 3.72, vierde lid, ziet. Eerste lid, aanhef en onder c en d De vergunningaanvrager moet zijn vermeld in de basisregistratie personen. Dit is van belang omdat de gemeente een adres moet hebben van de aanvrager voor correspondentie over de aanvraag en andere zaken die van belang zijn. Daarnaast moet de aanvrager een handelingsbekwaam natuurlijk persoon zijn.
Handelingsbekwaam wil bijvoorbeeld zeggen dat de aanvrager meerderjarig moet zijn en niet onder curatele mag zijn gesteld. Tweede lid, onder a De vergunning kan worden geweigerd als niet wordt voldaan aan redelijke eisen van welstand. Dat kan aan de orde zijn als het gaat om het innemen van een standplaats op een locatie waardoor het straatbeeld ernstig wordt verstoord. Met deze weigeringsgrond kan niet alleen verkapte marktvorming worden tegengegaan, ook wordt daarmee het aanzien van monumentale gebouwen of stedenbouwkundige ensembles gewaarborgd. Het college bepaalt zelfstandig de inhoud van deze weigeringsgrond. Het is niet noodzakelijk, maar wel verstandig om bijvoorbeeld de Monumentencommissie om advies te vragen. Tweede lid, onder b Als blijkt dat binnen een verzorgingsgebied in een bepaalde branche nog slechts één winkel is gevestigd die door de concurrentie van een standplaatshouder ten onder dreigt te gaan, kan het verzorgingsniveau ter plaatse in gedrang komen. De winkelier kan dan bezwaar aantekenen tegen het verlenen van de vergunning maar zal wel aan de hand van een bedrijfseconomisch onderzoek moeten kunnen aantonen dat de levensvatbaarheid van zijn bedrijf door de
standplaats wordt bedreigd. De Europese dienstenrichtlijn staat deze weigeringsgrond voor standplaatsen die (mede) diensten verkopen niet toe, omdat dit wordt beschouwd als een economische, niet toegestane, belemmering voor het vrije verkeer van diensten. Het blijft echter wel mogelijk deze weigeringsgrond te hanteren voor het verkopen van goederen. Artikel 3.72 (wachtlijst voor vaste standplaatsen) [artikel 4, derde, zesde, zevende en achtste lid, Beleidsregels standplaatsen] Omdat de vraag naar standplaatsen het aanbod overtreft wordt gewerkt met een wachtlijst. Bij ontvangst van een aanvraag om een vergunning wordt de aanvrager op de wachtlijst geplaatst. Daarbij wordt de volgorde van ontvangst van de aanvraag toegepast. In die volgorde worden de ontvangen vergunningaanvragen ook afgehandeld. In het tweede lid zijn de gevallen opgesomd wanneer de plaatsing op de wachtlijst vervalt. Ieder jaar moet voor 1 januari een verzoek worden gedaan om verlenging van de plaatsing op de wachtlijst. Als dat verzoek niet tijdig is gedaan vervalt de plaatsing op de wachtlijst. Artikel 3.73 (voorschriften en beperkingen) [artikelen 4, eerste lid, en 6 Beleidsregels standplaatsen en standplaatsenbeleid] In afwijking van artikel 3.9 wordt een vergunning voor het innemen van een standplaats voor een periode van vijf jaar verleend.
Deze tijdelijkheid van nieuw te verlenen vergunningen is een voortzetting van het bestaande beleid en maakt geen inbreuk op bestaande rechten van vergunninghouders. Vergunningen die in het verleden voor onbepaalde tijd zijn verleend behouden dus hun geldigheid. Op grond van artikel 3.72, vierde lid, kan ten hoogste een jaar voor het verstrijken van die termijn voor de daarop volgende periode een vergunning worden aangevraagd. Een vergunning wordt ook verleend voor een vaste dag in de week. Op elke dag van het jaar mag een vaste standplaats worden ingenomen door een standplaatshouder. Hierop geldt een uitzondering voor de dinsdag als er weekmarkt wordt gehouden. Op die dag is het niet toegestaan een standplaats in te nemen bij de Lange Voort/Lijtweg/Irislaan. De vergunning wordt verleend aan een natuurlijk persoon. De vergunning wordt dus niet op naam gesteld van een bedrijf. Dit houdt onder andere verband met de verplichting van artikel 3.75, eerste lid, om de standplaats persoonlijk in te nemen. Er wordt geen vergunning verleend voor het innemen van meerdere standplaatsen of voor het innemen van een vaste standplaats op meerdere dagen in de week.
Hierop gelden de volgende uitzonderingen: het is bestaande standplaatshouders wel toegestaan om zowel op vrijdag als zaterdag dezelfde standplaats in te nemen (geldt niet voor opvolgers); de standplaatshouder op het Boerhaaveplein heeft toestemming gekregen om dezelfde standplaats in te nemen gedurende meerdere opeenvolgende dagen; de standplaats Klinkenbergplas is voor meerdere dagen beschikbaar voor het bevorderen of verlengen van recreatief verblijf; en voor een standplaats op de Irislaan is het toegestaan om deze zowel op donderdag als zaterdag in te nemen (geldt alleen voor de huidige vergunninghouder en zal niet worden toegestaan voor nieuwe vergunninghouders). Bij het verlenen van vergunningen voor vaste standplaatsen spelen concurrentieverhoudingen en het economisch ordenen van het aanbod geen rol. In het toedelen van standplaatsen streeft de gemeente wel naar een gevarieerd aanbod als er meerdere standplaatsen in een tijdsbestek van een week in de directe omgeving van elkaar worden ingenomen. Bij de vergunningverlening wordt er dan ook naar gestreefd om per locatie en per week een standplaats te laten innemen door een bepaalde branche. Om dit mogelijk te maken is het vijfde lid opgenomen. Een vergunning voor een tijdelijke standplaats wordt voor ten hoogste 30 aaneengesloten dagen verleend. Voor ieder jaar moet een nieuwe vergunning worden verleend.
Een vergunning kan
niet voor meerdere jaren worden verleend. Hierop maakt het college op grond van het vierde lid over het algemeen de volgende uitzonderingen: onderzoekwagens, zoals voor het borstkankeronderzoek, kunnen vanwege het maatschappelijke en medische belang, toestemming krijgen om een standplaats voor langere tijd in te nemen; de poffertjeskraam heeft toestemming om gedurende zes weken te staan van Pasen tot en met Koningsdag, vanwege de vele evenementen en feestdagen in die periode; en de verkoop van seizoensgebonden producten, zoals kerstbomen en oliebollen, is gedurende een langere periode toegestaan. Artikel 3.74 (wijziging vergunninghouder) [artikel 5 Beleidsregels standplaatsen] Volgens artikel 3.7 geldt een vergunning alleen voor degene aan wie zij is verleend. Van dat uitgangspunt kan worden afgeweken. Voor vergunningen voor het innemen van een standplaats is van die afwijkingsmogelijkheid gebruik gemaakt. In dit artikel is namelijk bepaald dat op aanvraag de vergunning op naam kan worden gesteld van een ander dan degene aan wie zij is verleend. Die aanvraag kan worden ingediend door de vergunninghouder, de erfgenaam van de vergunninghouder als de vergunninghouder is overleden of de curator van de vergunninghouder als de vergunninghouder onder curatele is gesteld.
Op grond van het derde lid kan de vergunning alleen op naam worden gesteld van de echtgenoot of geregistreerde partner van de vergunninghouder, een kind van de vergunninghouder, een werknemer van de vergunninghouder die ten minste drie jaren in loondienst is geweest bij de vergunninghouder en de onderneming van de vergunninghouder heeft overgenomen of degene die ten minste drie jaren mede-eigenaar is van het bedrijf van de vergunninghouder. Artikel 3.75 (persoonsgebonden en tijdelijke vervanging) [artikel 10 Beleidsregels standplaatsen] De standplaats mag alleen door de vergunninghouder persoonlijk worden ingenomen. Dat betekent dat de vergunninghouder de standplaats niet aan een ander in gebruik mag geven. De houder van de standplaats kan zich wel tijdelijk laten vervangen door een ander. Voor tijdelijke vervanging is toestemming vereist van het college. Het college verleent alleen toestemming als de vergunninghouder door ziekte of vakantie niet in staat is de standplaats in te nemen. De toestemming wordt altijd voor een bepaalde periode verleend. Bij ziekte van de vergunninghouder gaat het om een periode van ten hoogste zes maanden en bij vakantie om maximaal zes weken. Artikel 3.76 (intrekking of wijziging van vergunning) [artikel 11 Beleidsregels standplaatsen] In artikel 3.8 zijn de algemene gronden geregeld waarop een vergunning kan worden ingetrokken of gewijzigd.
In aanvulling op die bepaling is in dit artikel geregeld dat de vergunning ook kan worden ingetrokken of gewijzigd als de vergunning niet meer kan worden gebruikt door werkzaamheden aan de weg of in de openbare ruimte, als de vergunninghouder gedurende drie aaneengesloten maanden geen gebruik maakt van de vergunning en daarvoor geen toestemming is verleend door de gemeente of als de vergunninghouder de leges, precario of vergoeding voor stroomgebruik niet binnen de gestelde termijn heeft voldaan. § 3.4.7 Exploiteren van een terras Artikel 3.77 (aanwijzing activiteiten) In dit artikel is het exploiteren van een terras waar tegen vergoeding eten of drinken kan worden genuttigd aangewezen als activiteit die gevolgen kan hebben voor de fysieke leefomgeving. Terrassen kunnen een grote invloed hebben op de leefbaarheid en bepalen in grote mate de kwaliteit van het straatbeeld. Een terras kan een positieve bijdrage leveren aan de leefbaarheid
en de aantrekkelijkheid van het dorp. Het versterkt de attractiviteit van winkelgebieden en verlevendigt het straatbeeld. Uiteraard dient overlast van terrassen voor de omgeving zoveel mogelijk te worden beperkt. Het is dan ook van belang om regels te stellen over het exploiteren van terrassen. Een terras kan zowel zijn gelegen op de openbare weg als op een eigen terrein. Van belang is het criterium dat er tegen vergoeding eten of drinken kan worden genuttigd. Het gaat dus om het bedrijfsmatig exploiteren van een terras. Daarmee worden de terrassen bij particuliere huishoudens uitgesloten van het toepassingsbereik van de regels in deze paragraaf. Naast de regels in deze paragraaf zijn op het exploiteren van een terras ook de regels van de Algemene plaatselijke verordening 2021 (hoofdstuk 2, afdeling 4 over toezicht op openbare inrichtingen) en de Alcoholwet van toepassing. Bij de Algemene plaatselijke verordening gaat het dan om de aspecten openbare orde en veiligheid. In die verordening zijn ook de sluitingstijden van de terrassen geregeld. De Alcoholwet (voorheen: Drank- en Horecawet) is van belang als er alcoholhoudende dranken worden geschonken. Het is alleen toegestaan om alcoholhoudende dranken op een terras te verstrekken, als dit terras expliciet vermeld staat op de vergunning die is verleend op grond van de Alcoholwet.
Artikel 3.78 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen) [artikel 2:28a , eerste lid, APV 2020] Dit artikel wijst het exploiteren van een terras aan als geval waarvoor een vergunning verplicht is. Over het algemeen zal de houder van de openbare inrichting waar het terras onderdeel van uitmaakt ook de exploitant zijn van het terras. Artikel 3.78a (bijzondere aanvraagvereisten vergunning) [Terrassenbeleid Gemeente Oegstgeest van 19 maart 2007] In dit artikel is geregeld welke gegevens en bescheiden bij een aanvraag om een vergunning moeten worden verstrekt. Deze gegevens en bescheiden heeft het college nodig om te kunnen beoordelen of de vergunning kan worden verstrekt. Artikel 3.79 (beoordelingsregel vergunning) [artikel 2:28a, tweede lid, APV 2020 en Terrassenbeleid Gemeente Oegstgeest van 19 maart 2007] Dit artikel bevat de specifieke regels voor het beoordelen van vergunningaanvragen voor de vergunningplichtige activiteiten die in deze paragraaf zijn geregeld. Deze specifieke regels gelden in aanvulling op de algemene beoordelingsregels van artikel 3.10. Bij de beoordeling van de aanvraag om een vergunning voor het exploiteren van een terras, moet worden beoordeeld of het van toepassing zijnde bestemmingsplan dit toestaat. Terrassen mogen niet in strijd zijn met het bestemmingsplan.
Als er sprake is van strijd met het bestemmingsplan, dan moet de vergunning in principe worden geweigerd. Als er sprake is van strijdigheid met het bestemmingsplan kan een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan worden ingediend (artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht). Op grond van artikel 3:20 Algemene wet bestuursrecht is de gemeente verplicht de aanvrager op de mogelijkheid van het aanvragen van de omgevingsvergunning te wijzen. In een dergelijk geval zal de gemeente bovendien vermelden dat de vergunning voor het exploiteren van het terras wordt aangehouden totdat een besluit is genomen over de aanvraag om de omgevingsvergunning. Dit heeft tot gevolg dat de vergunning voor het exploiteren van het terras niet wordt geweigerd zolang nog niet over de aanvraag om de omgevingsvergunning is beslist. Als binnen acht weken nadat het college de aanvrager op de mogelijkheid heeft gewezen van de omgevingsvergunning, er geen aanvraag is ingediend, dan zal de vergunning voor het exploiteren van het terras alsnog worden geweigerd. De vergunning wordt ook geweigerd als het terras zich niet bevindt in de onmiddellijke nabijheid van een openbare inrichting als bedoeld in artikel 2:27 van de Algemene plaatselijke verordening
Oegstgeest 2020. Volgens dat artikel wordt onder een openbare inrichting verstaan een hotel, restaurant, pension, café, cafetaria, snackbar, discotheek, buurthuis of clubhuis of elke andere voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt of dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie ter plaatse worden bereid of verstrekt. Als er sprake is van het exploiteren van een terras voor een beperkte tijdsduur kan een vergunning ook worden verstrekt als het terras zich niet in de onmiddellijke nabijheid van een openbare inrichting bevindt. Artikel 3.80 (vergunningvoorschriften) [artikel 2.28a, derde lid] In dit artikel is bepaald dat aan een vergunning in ieder geval voorschriften kunnen worden verbonden over de afmetingen en situering van het terras en de voorzieningen en objecten die aanwezig mogen zijn op het terras. Bij voorschriften over de afmetingen en situering kan worden gedacht aan het voorkomen van hinder voor het verkeer en het waarborgen van de ongehinderde doorgang voor hulpdiensten. Ook zullen de voorschriften kunnen gaan over het waarborgen van vrije doorgang voor voetgangers en de onbelemmerde toegang van bijvoorbeeld brandkranen.
Voorschriften over de voorzieningen en objecten kunnen gaan over de overkappingen, afscheidingen, parasols, zonneschermen, windschermen en meubelen. Voor het exploiteren van een terras kunnen ook andere regels die elders in deze verordening zijn opgenomen relevant zijn. Gedacht kan worden aan de plicht van artikel 3.33 om het ontstaan van zwerfafval te voorkomen en het verbod van artikel 3.30 om geluidhinder te veroorzaken met toestellen of geluidsapparaten. Op grond van laatstgenoemde bepaling is het dus niet toegestaan om op het terras muziek ten gehore te brengen als daarmee geluidhinder wordt veroorzaakt voor bijvoorbeeld omwonenden. Tot slot is ook de specifieke zorgplicht van artikel 3.3 relevant, die bijvoorbeeld betekent dat het terras moet worden onderhouden en netjes moet worden gehouden om het aanzien van de openbare ruimte te beschermen. § 3.4.8 Reclame plaatsen Artikel 3.81 (aanwijzing activiteiten) [hoofdstuk 1 reclamenota] In dit artikel is het op of aan een onroerende zaak reclame maken of voeren door middel van een opschrift, aankondiging of afbeelding aangewezen als activiteit die gevolgen kan hebben voor de fysieke leefomgeving. Karakter en sfeer in de straten van Oegstgeest worden medebepaald door reclame-uitingen. Ondernemers doen hun best om bij de consument in beeld te komen.
Reclame aan gevels of vrijstaand in de openbare ruimte bepaalt het aanzien en de beleving van een gebied. Voor de ondernemer heeft reclame een belangrijke functie: het bereiken van groot publiek. Reclame kan mooi en toch functioneel zijn en kan bijdragen aan een gezellig en levendig dorp. Maar reclame is ook een belangrijk beeldbepalend element in de openbare ruimte. Reclame kan een positieve invloed hebben op de kwaliteit en de beleving van de openbare ruimte, mits op verantwoorde wijze en goed gedoseerd toegepast. Deze paragraaf is alleen van toepassing op het op of aan een onroerende zaak reclame maken of voeren door middel van een opschrift, aankondiging of afbeelding. Deze paragraaf gaat dus niet over het plaatsen van objecten met reclame op of aan de weg en bij standplaatsen. Die activiteiten zijn geregeld in de paragrafen 3.4.2 en 3.4.6. Ook is deze paragraaf niet van toepassing op het plaatsen van een voertuig met reclame op de weg. Dat valt namelijk onder paragraaf 3.4.5 (parkeerexcessen).