CConstaterende datOegstgeest
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 bij RV 5 oktober 2021 Verordening fysieke leefomgeving Oegstgeest Z-21-146019 Oegstgeest

Besluitvormende raadsbijeenkomst 16 december 2021, gemeente OegstgeestBij agendapunt: Verordening fysieke leefomgeving Oegstgeest27.939 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Artikel 3.82 (verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame) [artikel 4:15 APV en par. 3.1 reclamenota] Artikel 7 van de Grondwet regelt de vrijheid van meningsuiting: ‘niemand heeft voorafgaand verlof nodig om door de drukpers gedachten of gevoelens te openbaren, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet’. Dit grondrecht is niet van toepassing op het maken van reclame. Jurisprudentie wijst uit dat ideële reclame niet mag worden verboden, maar dat er wel regels mogen worden gesteld ter bescherming van welstand, verkeersveiligheid en overlast voor derden. Ook kan inmenging gerechtvaardigd worden geacht in het belang van de openbare veiligheid. Het verbod dat is geregeld in artikel 3.82 is daarmee in overeenstemming. Veel buitensportverenigingen hebben reclame op of aan het clubhuis, de tribune(s) of om hun (hoofd)veld. Reclame rond sportvelden is aanvaardbaar, mits deze niet is gericht op de weg. Er mag geen reclame worden aangebracht die er vooral op gericht is gezien te worden vanaf de weg, door situering of afmetingen. De reclame moet dus gericht zijn op de bezoekers van de sportaccommodatie zelf.

§ 3.4.9 Gebruiken en veranderen van openbaar water en waterstaatswerken Artikel 3.83 (aanwijzing activiteiten) In dit artikel is het gebruiken of veranderen van openbaar water en waterstaatswerken aangewezen als activiteit die gevolgen kan hebben voor de fysieke leefomgeving. Artikel 3.84 (specifieke zorgplicht) [artikelen 5:24, eerste lid, en 5:28 APV 2020] In dit artikel is de specifieke zorgplicht van artikel 3.3 geconcretiseerd voor de activiteiten waarover in deze paragraaf regels zijn gesteld. Artikel 3.85 (melding plaatsen voorwerpen) [artikel 5:24, tweede en derde lid, APV 2020] Dit artikel bevat een meldingsplicht voor het op, in of boven openbaar water aanleggen of in stand houden van een steiger, meerpaal of ander voorwerp met een permanent karakter. De melding moet ten minste vier weken voor het begin ervan worden gedaan. Bij de melding moeten de gegevens worden verstrekt die in het tweede lid zijn opgesomd. Artikel 3.86 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen) [artikel 5:25, tweede en derde lid, APV 2020] Het eerste lid wijst het innemen van een ligplaats met een vaartuig of het beschikbaar stellen van een ligplaats aan als gevallen waarvoor een vergunning verplicht is. Deze vergunningplicht geldt alleen voor de gedeelten van het openbaar water die door het college zijn aangewezen.

Die aanwijzing is gedaan met het Aanwijzingsbesluit ligplaatsen vaartuigen van 2 maart 2021 (Gemeenteblad 2021, 76489). In het tweede lid is een aantal uitzonderingen op de vergunningplicht geregeld. Geen vergunning is vereist voor het innemen of beschikbaar stellen van een ligplaats (op de door het college aangewezen gedeelten van het openbaar water): a. buiten de periode vanaf Goede Vrijdag tot en met de herfstvakantie voor de regio Midden zoals geadviseerd door de rijksoverheid; b. als de eigenaar van het vaartuig de eigenaar of huurder is van het perceel waaraan de ligplaats grenst en het gaat om ten hoogste twee vaartuigen; of c de eigenaar van het vaartuig de eigenaar of huurder van de ligplaats is. Er zijn in deze paragraaf in aanvulling op de algemene beoordelingsregels van artikel 3.10 geen specifieke regels gesteld voor het beoordelen van vergunningaanvragen.

Artikel 3.87 (ligplaatsen vaartuigen) [artikel 5:25, eerste en vierde lid, APV 2020] In het eerste lid is bepaald dat met een vaartuig alleen ligplaats mag worden ingenomen of ter beschikking mag worden gesteld in een door het college aangewezen gedeelte van het openbaar water. Die aanwijzing is gedaan met het Aanwijzingsbesluit ligplaatsen vaartuigen van 2 maart 2021 (Gemeenteblad 2021, 76489). Volgens het tweede lid gelden voor die regel dezelfde uitzonderingen als voor de vergunningplicht van artikel 3.86. Op grond van het derde lid kan het college over het innemen, hebben of beschikbaar stellen van een ligplaats nadere regels en beperkingen stellen. Artikel 3.88 (nakoming aanwijzingen) [artikel 5.25, zesde en zevende lid, APV 2020] Op grond van dit artikel is de rechthebbende op een vaartuig verplicht om de aanwijzingen op te volgen die door of namens het college worden gegeven bij het innemen van een ligplaats of bij het uitvoeren van werkzaamheden door de gemeente aan of nabij de ligplaats. AFDELING 3.5 ACTIVITEITEN MET BETREKKING TOT CULTUREEL ERFGOED § 3.5.1 Algemeen Artikel 3.89 (oogmerken) Dit artikel somt op met welke oogmerken de algemene regels voor de activiteiten in deze afdeling zijn gesteld. De Omgevingswet kent een aantal maatschappelijke doelen.

De algemene regels over activiteiten met betrekking tot cultureel erfgoed in deze verordening zijn gesteld vanwege een concretisering van deze doelen. Artikel 3.89 somt deze oogmerken limitatief op. Artikel 3.89 werkt ook door in de bevoegdheden van het college tot het stellen van maatwerkvoorschriften. Meer uitleg hierover staat bij de toelichting op artikel 3.11. De oogmerken zijn ook van belang voor de toepassing van de beoordelingsregels van artikel 3.93. Bij de activiteiten in deze afdeling zullen niet steeds alle oogmerken een rol spelen. Als voor een bepaald oogmerk geen nader uitgewerkte regels in deze verordening zijn opgenomen, geldt wel de specifieke zorgplicht. In dit artikel zijn de oogmerken opgenomen van de regels in deze afdeling. § 3.5.2 Beschermde gemeentelijke monumenten en voorbeschermde monumenten Artikel 3.90 (aanwijzing activiteiten) In dit artikel zijn het slopen, verstoren, verplaatsen of wijzigen van een beschermd gemeentelijk monument of een voorbeschermd gemeentelijk monument en het herstellen of gebruiken van een beschermd gemeentelijk monument of een voorbeschermd gemeentelijk monument waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht, aangewezen als activiteiten die gevolgen kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving.

Artikel 3.91 (specifieke zorgplicht) [artikel 13 Erfgoedverordening] In dit artikel is de specifieke zorgplicht van artikel 3.3 geconcretiseerd voor de activiteiten waarover in deze paragraaf regels zijn gesteld. De formulering sluit aan bij artikel 11, eerste lid, van de Monumentenwet 1988, zoals dat is gewijzigd met de Erfgoedwet. Artikel 3.92 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen) [artikel 14 Erfgoedverordening] Dit artikel is gebaseerd op artikel 2.2 van de Wabo en inhoudelijk grotendeels gelijk aan de Erfgoedverordening en de voorganger van die verordening.

Er zijn in deze paragraaf in aanvulling op de algemene beoordelingsregels van artikel 3.10 geen specifieke regels gesteld voor het beoordelen van vergunningaanvragen. Op grond van de belangenafweging die moet worden gemaakt zal rekening moeten worden gehouden met het gebruik van het monument. Artikel 3.93 (overeenstemming over kerkelijke monumenten) [artikel 16 Erfgoedverordening] In dit artikel is voor wat betreft de vereiste overeenstemming met de eigenaar van een kerkelijk monument aangesloten bij artikel 3.2a van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. § 3.5.3 Beschermde gemeentelijke dorpsgezichten Artikel 3.94 (aanwijzing activiteiten) In dit artikel zijn het slopen van bouwwerken of delen van bouwwerken in een beschermd gemeentelijk dorpsgezicht aangewezen als activiteiten die gevolgen kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving. Artikel 3.95 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen) [artikel 20, eerste, tweede en vijfde lid, Erfgoedverordening] In dit artikel is het slopen van een bouwwerk in een beschermd gemeentelijk dorpsgezicht aangewezen als vergunningplichtige activiteit. De aanwijzing tot beschermd dorpsgezicht heeft als oogmerk om het straatbeeld te beschermen. Het sloopverbod is op de eerste plaats gericht op het voorkomen dat er open plekken ontstaan, waar eerst bebouwing stond, die bepalend was voor het straatbeeld.

Een vergunning voor een sloopactiviteit is niet vereist als het gaat om het slopen van een bouwwerk waarvoor ingevolge artikel 2.3 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht geen vergunning voor het bouwen daarvan is vereist. Daarbij gaat het om de categorieën van gevallen die zijn aangewezen in bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht. Gedacht kan worden aan het slopen van een op de grond staand bijbehorend bouwwerk in het achtererfgebied waarbij wordt voldaan aan de eisen die zijn gesteld in artikel 2, derde lid, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht. In de gevallen waarvoor een uitzondering geldt op de vergunningplicht verandert er niets aan het straatbeeld. Een andere uitzondering in die bijlage is gemaakt voor werkzaamheden ingevolge een besluit als bedoeld in artikel 13, 13a of 13b van de Woningwet. Artikel 3.96 (beoordelingsregels) [artikel 20, derde en vierde lid, Erfgoedverordening] Dit artikel bevat een specifieke regel voor het beoordelen van vergunningaanvragen voor de vergunningplichtige activiteiten die in deze paragraaf zijn geregeld. Deze specifieke regel geldt in aanvulling op de algemene beoordelingsregels van artikel 3.10.

§ 3.5.4 Vangnet archeologie Artikel 3.97 (vangnet archeologie) [artikel 23 Erfgoedverordening] Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening dient in het bestemmingsplan in de toelichting bij het bestemmingsplan een beschrijving opgenomen te worden van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Met de invoering van deze verplichting is de bescherming van archeologische waarden in beginsel ruimtelijk gewaarborgd. Voor nagenoeg het gehele grondgebied van Oegstgeest gelden nu bestemmingsplannen, waarin een dubbelbestemming “Waarde – Archeologie” rekenschap geeft aan aanwezige of mogelijk

aanwezige archeologische waarden. Er is nog een enkele locatie waar dit niet voor geldt. Om, mede gelet op de verplichtingen van het Verdrag van Malta, ook voor de gronden waar deze ‘oude’ bestemmingsplannen nog gelden de bescherming van archeologische waarden te verzekeren, is dit artikel opgenomen. De strekking van dit artikel is te waarborgen dat mogelijk in deze gronden aanwezige archeologische waarden niet worden verstoord, tenzij daaraan aandacht is besteed die gelijkwaardig is aan waartoe artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening verplicht, door middel van de verwachtingskaarten, een omgevingsvergunning of eigen onderzoek dat aan die eisen kan voldoen. Bij eventuele nadere regels van het college op grond van het derde lid over het verrichten van archeologisch onderzoek kan gedacht worden aan regels met betrekking tot een programma van eisen of een plan van aanpak. AFDELING 3.6 ACTIVITEITEN MET BETREKKING TOT FLORA EN FAUNA § 3.6.1 Algemeen Artikel 3.98 (oogmerken) [artikel 6, tweede lid, Bomenverordening] Dit artikel somt op met welke oogmerken de algemene regels voor de activiteiten in deze afdeling zijn gesteld. De Omgevingswet kent een aantal maatschappelijke doelen. De algemene regels over activiteiten met betrekking tot flora en fauna in deze verordening zijn gesteld vanwege een concretisering van deze doelen.

Artikel 3.98 somt deze oogmerken limitatief op. Artikel 3.98 werkt ook door in de bevoegdheden van het college tot het stellen van maatwerkvoorschriften. Meer uitleg hierover staat bij de toelichting op artikel 3.11. De oogmerken zijn ook van belang voor de toepassing van de beoordelingsregels. Bij de activiteiten in deze afdeling zullen niet steeds alle oogmerken een rol spelen. Als voor een bepaald oogmerk geen nader uitgewerkte regels in deze verordening zijn opgenomen, geldt wel de specifieke zorgplicht. In dit artikel zijn de oogmerken opgenomen van de regels in deze afdeling. § 3.6.2 Vellen van houtopstanden Artikel 3.99 (aanwijzing activiteiten) [artikelen 3, derde en vierde lid, en 5, vierde en vijfde lid, Bomenverordening] In dit artikel is het vellen van houtopstanden aangewezen als activiteit die gevolgen kan hebben voor de fysieke leefomgeving. De afbakening met de rijksregels over het vellen van houtopstanden is geregeld in artikel 1.4. Artikel 3.100 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen, monumentale of waardevolle houtopstand) [artikel 3, eerste en tweede lid, Bomenverordening] Dit artikel wijst het vellen van een monumentale of waardevolle houtopstand aan als gevallen waarvoor een vergunning verplicht is.

Het gaat daarbij om houtopstanden die als monumentaal of waardevol zijn opgenomen op de bomenlijst die op grond van artikel 2.12 is vastgesteld door het college (zie de begripsomschrijvingen van monumentale houtopstand en waardevolle houtopstand i bijlage I en artikel 2.12). Onder ‘vellen’ wordt volgens bijlage I verstaan rooien, kappen, verplanten, snoeien van meer dan 20 procent van de boomkroon of het wortelgestel, met inbegrip van de eerste maal kandelaberen of knotten, of het verrichten van handelingen die de dood, ernstige beschadiging of ernstige ontsiering van een houtopstand kunnen veroorzaken.

In het tweede lid zijn de uitzonderingen op de vergunningplicht geregeld. Geen vergunning is verplicht voor bijvoorbeeld het vellen van houtopstand dat is vereist op grond van de Plantenziektenwet of velling van dode of niet meer te herstellen houtopstand in eigendom van de gemeente, waarvan de toestand door een boomdeskundige is vastgesteld. Artikel 3.101 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen, overige houtopstand) [artikel 5 Bomenverordening] Het eerste lid wijst het vellen van een andere dan een monumentale of waardevolle houtopstand aan als geval waarvoor een vergunning verplicht is. Het moet dan wel gaan om: a. een boom met een stamdiameter van ten minste 15 cm in een boomgebied; b. hakhout dat deel uitmaakt van een boomgebied; c. houtopstand aangeplant op grond van de artikelen 3.105 en 3.106; of d. houtopstand aangelegd op grond van een anterieure overeenkomst die de gemeente heeft gesloten met een andere partij. Met een anterieure overeenkomst leggen de gemeente en een particuliere partij afspraken vast over het ontwikkelen (bebouwen) van een bepaald perceel. Het perceel is in eigendom bij de private partij en die wil voor eigen rekening en risico ontwikkelen.

Een anterieure overeenkomst is een privaatrechtelijke overeenkomst waarmee de private partij zich verplicht tot het betalen van een bijdrage in de kosten die de gemeente moet maken om de grondexploitatie mogelijk te maken, bijvoorbeeld voor de aanleg van wegen en openbare voorzieningen en aanpassing van het bestemmingsplan. Daarnaast wordt in een anterieure overeenkomst vaak vastgelegd dat de initiatiefnemer verantwoordelijk is voor het uit te betalen bedrag aan planschade. In een dergelijke overeenkomst worden soms ook afspraken gemaakt over het aanleggen van houtopstanden. De wijze waarop de stamdiameter moet worden gemeten is geregeld in artikel 3.112. In het tweede lid zijn de uitzonderingen op de vergunningplicht geregeld. De uitzonderingen die gelden op de vergunningplicht van artikel 4.100, eerste lid, zijn ook hier van toepassing. Daarnaast gelden bijvoorbeeld ook uitzonderingen voor velling op basis van een goedgekeurd vervangingsplan van houtopstanden die eigendom zijn van de gemeente en voor het vellen van houtopstanden die eigendom zijn van de Stichting ‘Het Zuid-Hollands Landschap’ of waarvan die stichting de zakelijk gerechtigde is, in opdracht van die stichting en op basis van een door het college goedgekeurd beheerplan.

De uitzonderingen in het tweede lid onder d, zijn hetzelfde als de uitzonderingen die zijn gemaakt in artikel 11.111 van het Besluit activiteiten leefomgeving en die zullen gelden na de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Artikel 3.102 (bijzondere aanvraagvereisten vergunning) [artikel 7 Bomenverordening (uitgebreid met gegevens en bescheiden van artikel 11.127 Bal] In dit artikel is geregeld welke gegevens en bescheiden bij een aanvraag om een vergunning moeten worden verstrekt. Deze gegevens en bescheiden heeft het college nodig om te kunnen beoordelen of de vergunning kan worden verstrekt. Artikel 3.103 (beoordelingsregels) [artikelen 4 en 6 Bomenverordening] Dit artikel bevat de specifieke regels voor het beoordelen van vergunningaanvragen voor de vergunningplichtige activiteiten die in deze paragraaf zijn geregeld. Deze specifieke regels gelden in aanvulling op de algemene beoordelingsregels van artikel 3.10. Eerste en tweede lid Bij vaststelling van de bomenlijst is voor de monumentale en waardevolle houtopstanden getoetst aan de waarden, bedoeld in artikel 3.98. In het eerste en tweede lid staan daarom geen

criteria voor vaststelling van nieuwe waarden waarop de omgevingsvergunning kan worden geweigerd. Is de reden van velling een vordering tot verwijdering van de houtopstand op grond van artikel 5:42 Burgerlijk Wetboek, dan kan dit een grondslag voor het bevoegd gezag zijn om de omgevingsvergunning te verlenen. Het gaat dan om de vordering tot verwijdering van een houtopstand die te dicht bij de erfgrens staat. De minimale afstand tot de erfgrens is in artikel 3.111 vastgesteld op 0,5 m voor bomen en op nihil voor heesters en heggen. Voor houtopstanden die voor 20 juni 2020 (inwerkingtreding van de Bomenverordening Oegstgeest 2019) zijn aangeplant en die tevens vermeld staan op de groene kaart of de bomenlijst of waarvoor het verbod geldt van artikel 3.101, is deze afstand ook nihil. In artikel 3.112, tweede lid, is bepaald dat de afstand tot de erfgrens wordt gemeten vanaf het hart van de stam. Derde lid Anders dan bij de monumentale en waardevolle houtopstanden is niet eerder getoetst aan de waarden, bedoeld in artikel 3.98. Dat zal dan ook moeten worden gedaan voordat een vergunning kan worden verleend. De waarden van de houtopstand worden afgewogen tegen de belangen die zijn gediend bij het vellen. Die belangen zijn niet specifiek omschreven in het derde lid. Het zou bijvoorbeeld kunnen gaan om noodkap, ernstige schade of slechte toekomstverwachtingen.

Artikel 3.104 (termijn vergunning) [artikel 9 Bomenverordening] Artikel 3.9 bepaalt dat een vergunning geldt voor onbepaalde tijd. In dit artikel is in afwijking daarvan geregeld dat een vergunning voor het vellen van een houtopstand voor een periode van drie jaar geldt. Als die termijn is verstreken is het niet meer toegestaan om de vergunde activiteit te verrichten of voort te zetten. Uiteraard kan inmiddels wel een nieuwe vergunning zijn verleend zodat met het vellen kan worden begonnen of kan worden voortgezet. Artikel 3.105 (vergunningvoorschriften) [artikel 10 Bomenverordening] In dit artikel is geregeld welke typen aan voorschriften aan de vergunning kunnen worden verbonden. Artikelen 3.106 tot en met 3.109 [artikelen 11, tweede tot en met zevende lid, 13, eerste en tweede lid, en 14 Bomenverordening] Met een maatwerkvoorschrift kan het college een aantal aanvullende verplichtingen opleggen. Het gaat om het opleggen van een herplant- of instandhoudingsplicht, de plicht om houtopstand te vellen of om de gevelde houtopstand te behandelen, op te slaan of te vervoeren en om de verplichting noodkap te verrichten. Noodkap is in bijlage I omschreven als met het oog op de veiligheid met spoed vellen van een houtopstand. Voor een toelichting op het instrument ‘maatwerkvoorschriften’ wordt verwezen naar de toelichting op artikel 3.11.

Artikel 3.110 (bescherming gemeentelijke houtopstanden) [artikel 15 Bomenverordening] Op grond van dit artikel is het verboden houtopstand die eigendom is van de gemeente te bekladden, te beplakken of te snoeien of aan die houtopstand voorwerpen aan te brengen, als daardoor schade kan ontstaan aan de houtopstand. Met het aanbrengen van voorwerpen wordt bijvoorbeeld bedoeld het aanbrengen van verlichting. De draden van de verlichting kunnen de houtopstand afknellen en snoeiwerk onmogelijk maken. Artikel 3.111 (afstand tot erfgrenslijn) [artikel 12 en definitie ‘boom’ Bomenverordening]

Volgens artikel 5:42 van het Burgerlijk Wetboek is het niet geoorloofd binnen 2 m van de grenslijn van een erf een boom te hebben, tenzij de eigenaar daartoe toestemming heeft gegeven of dat erf een openbare weg of een openbaar water is. Voor heesters en heggen te hebben geldt een afstand van 0,5 m. In een gemeentelijke verordening kunnen afwijkende afstanden worden toegelaten. Van die mogelijkheid is in dit artikel gebruik gemaakt. Voor bomen geldt een minimale afstand van 0,5 m. Voor heesters en heggen is de afstand nihil. Die mogen dus direct tot aan de erfgrens voorkomen. Voor houtopstanden die voor 20 juni 2020 zijn aangeplant (datum inwerkingtreding Bomenverordening Oegstgeest 2019) en die tevens vermeld staan op de groene kaart of de bomenlijst of waarvoor het verbod geldt van artikel 3.101, is deze afstand ook nihil. In artikel 3.112, tweede lid, is bepaald dat de afstand tot de erfgrens wordt gemeten vanaf het hart van de stam. Om misverstanden te voorkomen bepaalt het tweede lid dat onder de bomen, bedoeld in het eerste lid, onder a, ook vallen bomen met een stamdiameter van minder dan 15 cm. Artikel 3.112 (wijze van meten) [artikel 5, eerste lid, onder a, en definitie ‘boom’, Bomenverordening] In dit artikel is geregeld hoe de stamdiameter van een boom en de afstand van een boom tot de erfgrens moeten worden gemeten.

HOOFDSTUK 4 BEHEER EN ONDERHOUD AFDELING 4.1 ONDERHOUD- EN INSTANDHOUDINGSVERPLICHTINGEN § 4.1.1 Algemeen Artikel 4.1 (toepassingsbereik) In dit artikel is het toepassingsbereik geregeld van de regels in afdeling 4.1. Die regels zijn alleen van toepassing op het aanleggen, beheren, onderhouden, vervangen en in stand houden van onderdelen van de fysieke leefomgeving die zijn aangewezen in deze afdeling. Dat betekent bijvoorbeeld dat de inleidende bepalingen in paragraaf 4.1.1 alleen gelden voor de onderdelen van de fysieke leefomgeving die in afdeling 4.1 zijn aangewezen. De specifieke zorgplicht van artikel 4.4 geldt dus niet voor alle onderdelen in de fysieke leefomgeving maar alleen voor onderdelen die in die afdeling zijn aangewezen. Artikel 4.2. (oogmerken) Dit artikel somt op met welke oogmerken de algemene regels over onderdelen van de fysieke leefomgeving in deze afdeling zijn gesteld. De Omgevingswet kent een aantal maatschappelijke doelen. De algemene regels over het onderhouden en in stand houden van onderdelen van de fysieke leefomgeving in deze afdeling zijn gesteld vanwege een concretisering van die doelen. Artikel 4.3 somt deze oogmerken limitatief op. Bij de regels in deze afdeling zullen niet steeds alle oogmerken een rol spelen. Als voor een bepaald oogmerk geen nader uitgewerkte regels in deze verordening zijn opgenomen, geldt wel de specifieke zorgplicht.

Artikel 4.3 (normadressaat) Artikel 4.3 bepaalt tot wie de regels van afdeling 4.1 zijn gericht, namelijk de rechthebbende op een onderdeel van de fysieke leefomgeving. Dat zal meestal de eigenaar of andere zakelijk gerechtigde zijn. De rechthebbende op een onderdeel van de fysieke leefomgeving moet voldoen aan de regels van deze afdeling, en ervoor zorgen dat de mensen of bedrijven die voor haar of

hem werkzaamheden verrichten zich houden aan de regels over het beheren en in stand houden daarvan. Artikel 4.4 (specifieke zorgplicht) De rechthebbende op een onderdeel van de fysieke leefomgeving heeft een specifieke zorgplicht. Van diegene wordt een inspanning verwacht om zelf te beoordelen of dat onderdeel nadelige gevolgen heeft en ook hoe die gevolgen redelijkerwijs kunnen worden voorkomen of beperkt. De formulering van de specifieke zorgplicht sluit aan bij de formulering van de algemene zorgplicht van artikel 1.7 van de Omgevingswet. De specifieke zorgplicht is gekoppeld aan de oogmerken die zijn opgenomen in artikel 4.2. De specifieke zorgplicht heeft geen betrekking op belangen die geen onderdeel uitmaken van die oogmerken en is daardoor specifieker dan de algemene wettelijke zorgplicht. Zo ziet de zorgplicht bijvoorbeeld niet op de kwaliteit van het zwemwater. Dat oogmerk valt wel onder de algemene zorgplicht in de Omgevingswet. Tegen een overtreding van de specifieke zorgplicht kan handhavend worden opgetreden. Handhavend optreden ligt voor de hand bij evidente overtredingen van de specifieke zorgplicht. Daarvan is sprake in situaties waarin het handelen of nalaten van de rechthebbende, onmiskenbaar in strijd is met de specifieke zorgplicht. Er kunnen ook situaties aan de orde zijn waarin niet direct duidelijk is of van onmiskenbare strijd sprake is.

Het college zal dan de rechthebbende mondeling of schriftelijk kunnen informeren over wat er in een concreet geval onder de specifieke zorgplicht moet worden verstaan. Vanaf dat moment is het voor de rechthebbende duidelijk wat er verwacht wordt. Als daar geen gevolg aan wordt gegeven, is er sprake van onmiskenbare strijd met de specifieke zorgplicht. § 4.1.2 Sloten, andere wateren en niet-openbaar vuilwaterriool Artikel 4.5 (toepassingsbereik) In dit artikel is bepaald dat paragraaf 4.1.2 van toepassing is op het onderhouden en in stand houden van sloten, andere wateren, niet-openbare vuilwaterriolen en putten. Artikel 4.6 (specifieke zorgplicht voor toestand sloten en andere wateren) [artikel 4:9 APV 2020] In dit artikel is de specifieke zorgplicht van artikel 4.4 geconcretiseerd voor de rechthebbende op een perceel met een sloot of ander water. Artikel 4.7 (specifieke zorgplicht voor toestand van niet-openbaar vuilwaterriool en putten) [artikel 4:9 APV 2020] In dit artikel is de specifieke zorgplicht van artikel 4.4 geconcretiseerd voor de rechthebbende op een gebouw.

AFDELING 4.2 GEDOOGPLICHTEN

Artikel 4.14 (voorzieningen voor verkeer en verlichting) [artikel 2:21 APV 2020] In dit artikel is bepaald dat de rechthebbende op een bouwwerk moet gedogen dat op of aan dat bouwwerk voorwerpen, borden of voorzieningen voor het verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, worden onderhouden en gewijzigd of worden verwijderd. HOOFDSTUK 5 FINANCIËLE BEPALINGEN

(gereserveerd) HOOFDSTUK 6 PROCESREGELS AFDELING 6.1 ADVIES § 6.1.1 Advisering over cultureel erfgoed Artikel 6.1 (gemeentelijke monumenten) [artikelen 8 en 11, eerste lid, Erfgoedverordening] Dit artikel regelt de inschakeling van de Monumentencommissie als het college het voornemen heeft om een monument of een archeologisch monument aan te wijzen als beschermd gemeentelijk monument. Dit artikel zet de regeling omtrent het vragen van advies voort die was opgenomen in de artikelen 8 en 11 van de Erfgoedverordening. De commissie is ingesteld met de Verordening op de monumentencommissie. Artikel 6.2 (rijksmonumenten) [artikel 17 Erfgoedverordening] Op grond van artikel 15 van de Monumentenwet 1988 moet de gemeenteraad een commissie instellen die in ieder geval tot taak heeft te adviseren over de aanvragen om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder f, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Daarbij is bepaald dat binnen deze commissie enkele leden deskundig zijn op het gebied van de monumentenzorg. De instelling van de commissie is geregeld in de Verordening op de monumentencommissie.

Artikel 6.3 (gemeentelijke dorpsgezichten) [artikel 18, tweede lid, Erfgoedverordening] Dit artikel regelt de inschakeling van de Monumentencommissie als het college het voornemen heeft om een dorpsgezicht aan te wijzen als beschermd gemeentelijk dorpsgezicht. Dit artikel zet de regeling omtrent het vragen van advies voort die was opgenomen in artikel 18 van de Erfgoedverordening. De commissie is ingesteld met de Verordening op de monumentencommissie. § 6.1.2 Advisering over welstand Artikel 6.4 (taken welstandscommissie) [artikel 9.1 Bouwverordening] Onder het regime van de Woningwet is inschakeling van een welstandscommissie bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen verplicht als een welstandsnota is vastgesteld en aan de hand van criteria is aangegeven wat verstaan wordt onder redelijke eisen van welstand. De commissie adviseert, het college beslist. Volgens artikel 12b, eerste lid, van de Woningwet baseert de welstandscommissie haar advies slechts op de welstandscriteria die zijn vastgelegd in de welstandsnota, tenzij die criteria leiden tot strijd met het bestemmingsplan. Volgens hetzelfde artikellid zijn de adviezen van de welstandscommissie openbaar en wordt een advies van de welstandscommissie inhoudende dat een bouwplan in strijd is met redelijke eisen van welstand, schriftelijk uitgebracht en deugdelijk gemotiveerd.

Artikel 6.5 (samenstelling welstandscommissie) [artikelen 9.1 en 9.2 Bouwverordening] Eerste lid Met de Stichting Dorp, Stad en Land zijn afspraken gemaakt over het door die stichting verzorgen van de welstandscommissie. Die commissie adviseert het college bij aanvragen om omgevingsvergunningen voor bouwactiviteiten over redelijke eisen van welstand. Die redelijke eisen van welstand zijn opgenomen in de welstandsnota.

Tweede lid De welstandscommissie kiest zelf uit haar midden de voorzitter en de secretaris. Beiden moeten deskundig zijn op het gebied van architectuur, ruimtelijke kwaliteit of cultuurhistorie. In de welstandscommissie behoeven niet uitsluitend 'deskundigen' zitting te hebben. Deskundige leden zijn leden die zich door ervaring en opleiding kwalificeren om zitting te nemen in de welstandscommissie. Van deskundige commissieleden mag worden verwacht dat zij vanuit een eigen, actieve beroepspraktijk kunnen oordelen over plannen van collega's. Onder nietdeskundige leden worden vertegenwoordigers van de plaatselijke bevolking verstaan. Er is geen verplichting om niet-deskundige leden op te nemen in de welstandscommissie. Derde lid Voor ieder lid moet een plaatsvervanger worden aangewezen. Dit om de continuïteit van het advieswerk te verzekeren. Vierde lid Voor elk lid van de welstandscommissie geldt het onafhankelijkheidsvereiste. Daaraan wordt in elk geval voldaan indien de leden van de commissie niet ondergeschikt zijn aan het gemeentebestuur. Ook is het raadzaam bij de selectie van de leden van de welstandscommissie alert te zijn op mogelijk tegenstrijdige belangen. Deelneming van leden van het college is dan ook uitgesloten. Vijfde lid Er zijn ten minste twee leden vereist voor het nemen van besluiten over de adviezen die worden uitgebracht aan het college.

Artikel 6.6 (openbaarheid van vergaderen) [artikel 9.6 Bouwverordening] Openbaar vergaderen is een fundamenteel beginsel van het openbaar bestuur, dat voor de welstandscommissie expliciet is vastgelegd in artikel 12b, tweede lid, van de Woningwet. De wettelijke taken van de welstandscommissie worden uitgevoerd in openbaarheid. Daarvan kan slechts worden afgeweken als de belanghebbende een beroep doet op artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur, als er dusdanige aangelegenheden aan de orde zijn dat daarmee de aanvrager in zijn recht staat openbaarheid te weigeren. In aanvulling op artikel 12b, tweede lid, van de Woningwet wordt in artikel 6.6 geregeld dat de agenda voor elke vergadering tijdig wordt bekendgemaakt. De openbaarheid van welstandsvergaderingen zal bijdragen aan de vermaatschappelijking van het welstandstoezicht. Daarbij speelt mede een rol van betekenis de algemene wens voor het transparanter maken van de advisering op het terrein van de ruimtelijke kwaliteit. Bovendien zal de openbaarheid van welstandsvergaderingen bijdragen aan het begrip voor en kennis over het welstandstoezicht van de zijde van de burger en de bouwer.

Artikel 6.7 (mondelinge toelichting) [artikel 9.6 Bouwverordening] Indien er in het kader van de openbaarheid van vergadering spreekrecht wordt geboden aan anderen dan de aanvrager, is het zinvol de kring van spreekgerechtigden te beperken tot belanghebbenden, als bedoeld in artikel 1:2 Awb. Daarmee wordt voorkomen dat allerlei personen tijdens de vergadering van de welstandscommissie kunnen inspreken, terwijl die in een eventuele rechterlijke procedure tegen de omgevingsvergunning voor het bouwen geen 'recht van spreken' hebben omdat zij geen belanghebbenden zijn.

De keuze voor spreekrecht is voorts van invloed op het tijdstip waarop de vergadering van de welstandscommissie wordt aangekondigd. Dat tijdstip moet dan zodanig worden gekozen dat eventuele sprekers voldoende tijd hebben om zich op de vergadering voor te bereiden. Wordt geen spreekrecht toegekend, dan kan de termijn korter zijn, aangezien in dat geval van enige voorbereiding door eventuele sprekers geen sprake is. De verplichting tot openbaar vergaderen heeft betrekking op de vergaderingen waarin het welstandsadvies formeel wordt vastgesteld. Het is niet verplicht voor informeel vooroverleg over een principeaanvraag of een schetsplan, dat meestal door een of meer daartoe gemandateerde leden van de commissie wordt uitgevoerd. De potentiële bouwer kan in het stadium van vooroverleg gebaat zijn met beslotenheid. Openbaarheid zou dan remmend op het vooroverleg kunnen werken, terwijl uit oogpunt van de korte bouwplanprocedure vooroverleg stimulering verdient. Bij veelvoorkomende omgevingsvergunningen voor het bouwen van kleine bouwwerken zal er geringe belangstelling zijn om de behandeling van bouwplannen bij te wonen. Het verdient in dat geval aanbeveling om per bouwplan slechts vijf minuten te agenderen, zodat aan de openbaarheid kan worden voldaan en er geen ongebruikte (vergader)tijd verloren hoeft te gaan.

Artikel 6.8 (termijn van advisering en motivering) [artikel 9.5 Bouwverordening] De termijnen voor de behandeling van aanvragen om omgevingsvergunningen zijn geregeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). In artikel 6.8 is de advisering binnen de Wabo-termijn vastgelegd. Een verlenging van de adviestermijn is slechts mogelijk indien op grond van de Wabo de beslistermijn voor de vergunningverlening is verlengd. De mogelijkheid van beoordeling van een zogenoemd schetsplan in een informele voorprocedure blijft mogelijk, omdat de termijnen pas aanvangen bij de ontvangst van een (formele) aanvraag om een omgevingsvergunning. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning wordt ingediend, ten aanzien waarvan een discussie over alternatieven kan worden verwacht, is het raadzaam gebruik te maken van de mogelijkheid tot verlenging van de beslistermijn. Artikel 6.9 (afdoening onder verantwoordelijkheid van de welstandscommissie) [artikel 9.7 Bouwverordening] In de praktijk kan, gelet op de korte beslistermijnen, behoefte bestaan aan het onder verantwoordelijkheid van de welstandscommissie afdoen van het welstandadvies. De meest voorkomende vorm van het ‘onder verantwoordelijkheid afdoen’, komt neer op de afdoening van een welstandsadvies bij plannen waarvan de mening van de welstandscommissie als bekend mag worden verondersteld.

Artikel 6.9 biedt de mogelijkheid om de advisering onder verantwoordelijkheid van de commissie over te laten aan een of meerdere daartoe aangewezen leden van die commissie. Het aangewezen lid of de aangewezen leden kunnen alleen adviseren over bouwplannen waarvan het oordeel van de welstandscommissie bekend is. Hierbij is geen sprake van mandatering in de zin van de Awb. Artikel 10:1 Awb definieert mandaat als de bevoegdheid om in naam van een bestuursorgaan besluiten te nemen. De welstandscommissie neemt geen besluiten (in de zin van de Awb) maar adviseert het college. Artikel 6.10 (vorm van het advies) [artikel 9.8 Bouwverordening]

Volgens artikel 12b, eerste lid, van de Woningwet moet het advies van de welstandscommissie inhoudende dat een bouwplan in strijd is met redelijke eisen van welstand, schriftelijk worden uitgebracht en deugdelijk gemotiveerd. In artikel 6.10 is in aanvulling daarop geregeld dat het advies van de welstandscommissie moet zijn ondertekend door de voorzitter of de plaatsvervangend voorzitter. In daartoe voorkomende gevallen worden de adviezen zowel door de voorzitter als door de secretaris ondertekend. Op grond van het derde lid moet het college ervoor zorgen dat het advies bij de aanvraag om de omgevingsvergunning wordt gevoegd. Artikel 6.11 (jaarlijkse verantwoording) [artikel 9.4 Bouwverordening] Een jaarverslag is bij uitstek geschikt om te signaleren waar de welstandsnota als beleidskader onvoldoende houvast heeft kunnen bieden bij de welstandsbeoordeling en kan tevens dienen ter verantwoording waarom in specifieke gevallen is afgeweken van het vastgestelde beleid. De jaarlijkse verslagverplichting van de welstandscommissie vloeit voort uit artikel 12b, derde lid van de Woningwet. Het jaarverslag kan voor de gemeenteraad aanleiding zijn voor bijstelling van het gemeentelijk welstandsbeleid door aanpassing van de gemeentelijke welstandsnota. Om die reden is het zinvol te streven naar het uitbrengen van het jaarverslag tijdig vóór de beleids- en begrotingscyclus in de gemeente.

Ervan uitgaande dat de gemeentelijke begroting doorgaans in september/oktober wordt behandeld, zou het 'verslagjaar' van de welstandscommissie kunnen lopen van juni tot juni. Teneinde de politieke verantwoordelijkheid voor de uitoefening van het welstandstoezicht te verstevigen en de betrokkenheid van de raad bij de welstandszorg te vergroten, is ook aan het college ingevolge artikel 12c van de Woningwet de verplichting opgelegd jaarverslagen omtrent de toepassing van het welstandsbeleid voor te leggen aan de gemeenteraad. In dit jaarverslag moet ten minste aan de orde komen:  op welke wijze het college is omgegaan met de welstandsadviezen;  op welke wijze uitwerking is gegeven aan de openbaarheid van vergaderen;  in welke gevallen het college een besluit heeft genomen tot toepassing van bestuursdwang of oplegging van een last onder dwangsom op grond van ernstige strijdigheid met redelijke eisen van welstand als bedoeld in artikel 13a van de Woningwet en na dat besluit tot uitvoering daarvan zijn overgegaan. Dit verslag van het college kan deel uitmaken van een algemeen jaarverslag over ruimtelijke ordening en bouwregelgeving. Samen met het jaarverslag van de welstandscommissie wordt hiermee het gemeentelijk welstandstoezicht inzichtelijk gemaakt en het publieke debat bevorderd.

Artikel 6.12 (vergoeding) [artikel 9.10 Bouwverordening] In dit artikel is de vergoeding geregeld voor de leden van de welstandscommissie. Over de vergoeding zijn afspraken gemaakt met de stichting Dorp, Stad en Land.

AFDELING 6.2 MAATSCHAPPELIJK DRAAGVLAK

Artikel 6.4 (participatie bij vervangingsplan houtopstanden) [artikel 1 (definitie vervangingsplan) Bomenverordening] Op grond van artikel 3.101, tweede lid, aanhef en onder b, geldt de vergunningplicht voor het vellen van andere dan monumentale en waardevolle houtopstanden niet als de velling

plaatsvindt op basis van een goedgekeurd vervangingsplan houtopstanden. In bijlage I is een vervangingsplan houtopstanden omschreven als door het college of de raad voor een locatie voor een periode van drie jaar vastgesteld plan voor het vervangen van houtopstanden die eigendom zijn van de gemeente. Op grond van artikel 6.4 komt een vervangingsplan houtopstanden alleen tot stand met inzet van burgerparticipatie.

AFDELING 6.3 MELDINGEN EN MAATWERKVOORSCHRIFTEN Artikel 6.5 (kennisgeving melding en maatwerkvoorschrift) [artikel 5:24, vierde lid, APV 2020] Afdeling 3.6 van de Algemene wet bestuursrecht bevat bepalingen over bekendmaking en mededeling van besluiten. Zo is in artikel 3:41, eerste lid, van die wet bepaald dat de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, geschiedt door toezending of uitreiking aan hen, onder wie begrepen de aanvrager. Voor een deel van de activiteiten waarover regels zijn gesteld in hoofdstuk 3 geldt een meldingsplicht. Deze melding geeft het college de gelegenheid voor een initiële controle van de activiteit, zodat het zich ervan kan vergewissen dat de regels worden nageleefd. De melding hoeft niet geaccepteerd te worden en heeft dan ook geen rechtsgevolg. Omdat de reactie op een melding geen besluit is, is afdeling 3.6 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing. In dit artikel is daarom kennisgeving van een melding voorgeschreven in het belang van derden. De kennisgeving geschiedt in dag-, nieuws- of huis-aan-huisbladen of op een andere geschikte wijze. Dit kan bijvoorbeeld ook publicatie op het internet zijn. Die wijze van publicatie wordt niet voorgeschreven. Aanbevolen wordt om naast publicatie op het internet de kennisgeving ook op de klassieke wijze te laten geschieden.

Overigens wordt opgemerkt dat pas kennis moet worden gegeven bij een volledige melding. Omwonenden en andere belanghebbenden worden door de kennisgeving geïnformeerd over de voorgenomen activiteit. De kennisgeving kan aanleiding zijn een verzoek om handhaving te doen of een verzoek om maatwerkvoorschriften te stellen. Maatwerkvoorschriften zijn beschikkingen, die worden gegeven over een concrete activiteit. Ze kunnen ambtshalve worden gegeven, bijvoorbeeld naar aanleiding van een melding of van toezicht, of op verzoek, zowel van degene die de activiteit verricht als van een derde. Ze zijn gericht tot degene die de activiteit verricht, dus een bepaald persoon of een bepaald bedrijf. Omdat artikel 3:41, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht enkel toezending of uitreiking aan belanghebbenden voorschrijft is in dit artikel opgenomen dat, in het kader van de bekendmaking, kennisgeving van maatwerkvoorschriften geschiedt in dag-, nieuws- of huis-aanhuisbladen of op een andere geschikte wijze.

HOOFDSTUK 7 HANDHAVING

Artikel 7.1 (toezichthouders) [artikelen 6:2 APV 2020, 17, eerste lid, Bomenverordening, 22 Erfgoedverordening, artikel 22 Afvalstoffenverordening 2021] Op grond van dit artikel worden de toezichthouders aangewezen die erop toe zien dat de regels van deze verordening worden nageleefd. De aangewezen toezichthouders beschikken over de toezichthoudende bevoegdheden die zijn geregeld in hoofdstuk 5 van de Algemene wet bestuursrecht. Dat betekent bijvoorbeeld dat plaatsen mogen worden betreden en inzage mag worden gevorderd in administraties. De aanwijzing van toezichthouders geschiedt door middel van een besluit van het college. Artikel 7.2 (strafbepaling) [artikel 6:1 APV 2020, artikel 21 Erfgoedverordening en artikel 16 Bomenverordening]

In dit artikel is een aantal overtredingen van bepalingen van deze verordening strafbaar gesteld. De maximale straf is een geldboete van de tweede categorie of hechtenis van ten hoogste drie maanden. Artikel 7.3 (economisch delict) [artikel 21 Afvalstoffenverordening 2021] Volgens artikel 1a, onder 3°, van de Wet op de economische delicten worden overtredingen van voorschriften die zijn gesteld in een afvalstoffenverordening (op grond van artikel 10.23 Wet milieubeheer) alleen aangemerkt als economische delicten als ze zijn aangeduid als strafbare feiten. Die aanduiding heeft plaatsgevonden in artikel 7.3. Dat betekent dat het overtreden van een verplichting in paragraaf 3.3.4 wordt beschouwd als een economisch delict. HOOFDSTUK 8 OVERGANGSRECHT

Artikel 8.1 (overgangsrecht) [artikel 6:5 APV 2020, artikel 24 Afvalstoffenverordening 2021, artikel 19 Bomenverordening] Eerste lid Het eerste lid regelt het overgangsrecht voor besluiten die voor de inwerkingtreding van deze verordening zijn verleend op grond van een van de verordeningen die worden ingetrokken met artikel 9.1. Daarbij kan met name worden gedacht aan vergunningen, ontheffingen en aanwijzingen. Die besluiten blijven gelden en worden beschouwd als besluit op grond van deze verordening. Tweede lid Het tweede lid regelt overgangsrecht voor aanvragen om besluiten die voor de inwerkingtreding van deze verordening zijn ingediend maar nog niet zijn afgehandeld. Het nieuwe recht wordt daarop van toepassing verklaard. Omdat de inhoud van de betrokken bepalingen niet is gewijzigd, is eerbiedigend overgangsrecht niet nodig. Derde lid Net als bij andere besluitvormingsprocedures, zoals de vergunningverlening, wordt in dit artikel bepaald dat op het tijdstip waarop deze verordening in werking treedt (nog) lopende handhavingsprocedures worden behandeld volgens het nieuwe recht. Dit uitgangspunt geldt ongeacht of er sprake is van een ambtshalve genomen sanctiebesluit of een sanctiebesluit dat wordt genomen op verzoek van een belanghebbende. In dit artikel gaat het om het moment waarop het sanctiebesluit is opgelegd.

Is voor inwerkingtreding van deze verordening alleen een schriftelijk voornemen daartoe geuit, dan is dit artikel niet van toepassing. Uiteraard wordt het sanctiebesluit dan met toepassing van de nieuwe verordening opgelegd, als tenminste na inwerkingtreding van deze verordening nog steeds sprake is van een overtreding. Bij de formulering is gekozen voor de verzamelterm ‘bestuurlijke sanctie’. Deze term is ontleend aan de Awb en omvat naast de uit hoofdstuk 5 Awb bekende herstelsancties (lasten onder bestuursdwang en onder dwangsom) ook de (gehele of gedeeltelijke) intrekking van een begunstigende beschikking bij wijze van sanctie (artikel 3.8, aanhef en onder c). HOOFDSTUK 9 INTREKKING VAN VERORDENINGEN EN NIEUWE GRONDSLAG NADERE REGELS Artikel 9.1 (intrekking van verordeningen) Met dit artikel worden de verordeningen ingetrokken die volledig overgaan naar deze verordening. De Algemene plaatselijke verordening Oegstgeest 2020 en de Erfgoedverordening

Oegstgeest 2020 worden met aparte besluiten ingetrokken en vervangen door nieuwe verordeningen. Artikel 9.2 (nieuwe grondslag nadere regels en aanwijzingsbesluiten) Artikel 9.2 is een zogenoemde omhangbepaling. Door het vervallen van de oorspronkelijke grondslagen voor de in dit artikel genoemde nadere regels, aanwijzingsbesluiten en andere regelingen worden deze grondslagen ‘omgehangen’. Voor alle regels, besluiten en andere regelingen wordt aangegeven op welke artikelen van deze verordening deze berusten.

HOOFDSTUK 10 SLOTBEPALINGEN

Artikel 10.1 (citeertitel) Deze verordening wordt aangehaald als Verordening fysieke leefomgeving Oegstgeest. Artikel 10.2 (inwerkingtreding) Dit artikel regelt de inwerkingtreding van deze verordening. De verordening zal in werking treden op de dag na de dag van bekendmaking.

TRANSPONERINGSTABELEN

TRANSPONERINGSTABEL AFVALSTOFFENVERORDENING 2021 Onderwerp

Artikel Afvalstoffenverordening 2021

Artikel Verordening fysieke leefomgeving

Algemeen

Artikel 1

N.v.t. (definitie van ‘perceel’ kan niet worden toegevoegd want dat begrip wordt ook in andere artikelen van deze verordening gebruikt in een andere betekenis; betekenis van het begrip is bovendien duidelijk vanwege de samenhang met de artikelen in de Wet milieubeheer die de grondslag bevatten voor de regels)

Artikel 2

Artikel 3.24

Artikelen 3 en 4

Artikelen 3.4, vierde lid, 3.6 en 3.34

Artikel 5

Artikel 2.9

Artikel 6

Artikel 3.35

Artikelen 7 en 8

Artikel 3.36

Artikel 9

Artikel 3.37

Artikel 10

Artikel 3.38

Bedrijfsafvalstoffen

Artikelen 11 tot en met 13

Artikel 3.39

Zwerfafval en overige

Artikelen 14 tot en met 20

Artikel 3.33

Handhaving en toezicht

Artikel 21

Artikel 7.3

Artikel 22

Artikel 7.1

Artikel 24

Artikel 8.1

Huishoudelijke afvalstoffen

Overgangsrecht

TRANSPONERINGSTABEL ALGEMENE PLAATSELIJKE VERORDENING 2020 Onderwerp

Artikel APV 2020

Artikel Verordening fysieke leefomgeving

Blijft (ook) in APV?

Begripsbepalingen

Artikel 1:1

Artikel 1.1 en bijlage I

Ja

Beslistermijn

Artikelen 1:2, eerste Artikel 3.5 en tweede lid

Ja

Artikel 1:2, derde lid N.v.t. (o.g.v. artikel 16.64 gelden die regels voor omgevingsvergunningen en o.g.v. artikel 22.8 Ow en artikel 2.1a, aanhef en onder b, Ob worden vergunningen in een verordening beschouwd als omgevingsvergunningen in de zin van de Ow)

Nee

Voorschriften en beperkingen

Artikel 1:4, eerste lid Artikel 3.6

Ja

Persoonlijk karakter

Artikel 1:5

Ja

Artikel 3.7

Onderwerp

Artikel APV 2020

Artikel Verordening fysieke leefomgeving

Blijft (ook) in APV?

Intrekking of wijziging vergunning

Artikel 1:6

Artikel 3.8

Ja

Termijnen

Artikel 1:7

Artikel 3.9

Ja

Weigeringsgronden

Artikel 1:8

Artikel 3.10 (m.u.v. de Ja weigeringsgronden openbare orde en openbare veiligheid)

Voorkomen of bestrijden van ongeregeldheden

Artikelen 2:1 tot en met 2:9

N.v.t. (betreft openbare orde)

Ja

Voorwerpen op of aan de weg

Artikel 2:10, eerste, derde en vierde lid

Artikelen 3.41 en 3.43

Nee

vergunning

Artikel 2:10, tweede N.v.t. (zie hiervoor bij artikel 1:2, lid derde lid)

Nee

Artikel 2:10, vijfde lid en de nadere regels van 2 maart 2021.

Artikelen 3.42 en 3.45 tot en met 3.51

Nee

Artikel 2:10, zesde lid

Artikel 1.4

Nee

Artikel 2:10, zevende lid

Artikel 3.5

Nee

Artikel 2:10, achtste N.v.t. (o.g.v. artikel 22.8 Ow en Nee lid artikel 2.1a, aanhef en onder b, Ob worden vergunningen in een verordening beschouwd als omgevingsvergunningen in de zin van de Ow; in artikel 16.64, vierde lid, Ow wordt par. 4.1.3.3 van de Awb uitgesloten voor omgevingsvergunningen) Aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg

Artikel 2:11, eerste lid

Artikelen 3.52 en 3.54

Nee

Artikel 2:11, tweede N.v.t. (zie hiervoor bij artikel 1:2, lid derde lid)

Nee

Artikel 2:11, derde lid

Artikel 3.1, tweede lid

Nee

Artikel 2:11, vierde lid

Artikel 1.4

Nee

Artikel 2:11, vijfde lid

N.v.t. (zie bij 2:10, achtste lid)

Nee

Artikel 2:12, eerste en tweede lid

Artikelen 3.57 en 3.58

Nee

Artikel 2:12, derde lid

Artikel 1.4

Nee

Winkelwagentjes

Artikel 2:14

Artikelen 1.4 en 3.42, tweede lid

Nee

Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp

Artikel 2:15

Artikel 3.53

Nee

Uitrit aanleggen of veranderen

Onderwerp

Artikel APV 2020

Artikel Verordening fysieke leefomgeving

Openen straatkolken

Artikel 2:16

N.v.t. (betreft openbare veiligheid) Ja

Kelderingangen

Artikel 2:17

N.v.t. (betreft openbare veiligheid) Ja

Rookverbod in de natuur

Artikel 2:18

N.v.t. (betreft openbare orde)

Ja

Gedoogplicht voorzieningen voor verkeer en verlichting

Artikel 2:21

Artikel 4.14

Nee

Veiligheid op het ijs

Artikel 2:23

N.v.t. (betreft openbare orde en veiligheid)

Ja

Evenementen

Artikelen 2:24 tot en N.v.t. (betreft openbare orde) met 2:26

Ja

Definitie openbare inrichting

Artikel 2:27

Ja

Terrasvergunning

Artikel 2:28a, eerste Artikelen 3.78 tot en met 3.80 en tweede lid Artikel 2:28a, derde lid

N.v.t. (blijft in APV staan)

Blijft (ook) in APV?

Nee

Artikel 3.80 Nee/Ja (de bevoegdheid van de burgemeester om nadere regels te stellen over sluitingstijden is opgenomen in artikel 2:29, derde lid, onder b, APV 2021)

Artikel 2.28a, vierde N.v.t. (o.g.v. artikel 22.8 Ow en Nee lid artikel 2.1a, aanhef en onder b, Ob worden vergunningen in een verordening beschouwd als omgevingsvergunningen in de zin van de Ow; in artikel 16.64, vierde lid, Ow wordt par. 4.1.3.3 van de Awb uitgesloten voor omgevingsvergunningen) Sluitingstijd e.d.

Artikelen 2:29 tot en N.v.t. (betreft openbare orde) met 2:33

Ja

Regulering paracommerciële rechtspersonen

Artikelen 2:34a en 2:34b

N.v.t. (betreft Alcoholwet (voorheen Drank- en Horecawet)

Ja

N.v.t. (betreft openbare orde)

Ja

Inrichtingen voor nachtverblijf

Artikelen 2:35 tot en N.v.t. (betreft openbare orde) met 2:38

Ja

Speelgelegenheden

Artikelen 2:38a tot en met 2:40

Ja

Maatregelen ter voorkoming van overlast, gevaar of schade

Artikelen 2:41 tot en N.v.t. (betreft openbare orde of met 2:65 zijn regels die in de APV blijven vanwege de onderlinge samenhang)

Ja

Bestrijding van heling van goederen

Artikelen 2:66 tot en N.v.t. (betreft openbare orde) met 2:68

Ja

Voorkoming en Artikelen 2:34c tot bestrijding criminaliteit en met 2:34e

N.v.t. (betreft openbare orde)

Consumentenvuurwerk Artikelen 2:71 tot en N.v.t. (betreft openbare orde en Ja en carbidschieten met 2.73a veiligheid, APV moet wel technisch

Onderwerp

Artikel APV 2020

Artikel Verordening fysieke leefomgeving

Blijft (ook) in APV?

worden gewijzigd vanwege gebruik begrip consumentenvuurwerk) Drugsoverlast

Artikelen 2:74 en 2:74a

N.v.t. (betreft openbare orde)

Ja

Bijzondere bevoegdheden van de burgemeester

Artikelen 2:76 tot en N.v.t. (betreft openbare orde) met 2:79

Ja

Seksinrichtingen e.d.

Artikelen 3:1 tot en met 3:16

N.v.t. (betreft openbare orde)

Ja

Geluid- en lichthinder

Artikel 4:1

Artikel 1.1 en bijlage I (de meeste definities zijn verwerkt in de artikelen)

Nee

Artikel 4:2

Artikel 3.26

Nee

Artikel 4:3

Artikel 3.27

Nee

Artikel 4:4

Artikel 3.28

Nee

Artikel 4:5

N.v.t. (betreft openbare orde)

Ja

Artikel 4:6

Artikelen 1.4 en 3.30

Nee

Straatvegen

Artikel 4:7

N.v.t. (kan vervallen)

Nee

Wildplassen

Artikel 4:8

N.v.t. (is openbare orde)

Ja

Toestand van sloten en Artikel 4:9 riolen

Artikelen 4.6 en 4.7

Nee

Oplaten ballonnen

Artikel 4:9a

N.v.t. (blijft in APV)

Ja

Gebruik confetti en serpentine

Artikel 4:9b

N.v.t. (blijft in APV)

Ja

Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen enz.

Artikel 4:13

N.v.t. (blijft in APV)

Ja

Hinderlijke of gevaarlijke reclame

Artikel 4:15

Artikelen 1.4 en 3.82

Nee

Kamperen buiten kampeerterreinen

Artikelen 4:17 – 4:19

n.v.t. (blijft in APV)

Ja

Parkeerexcessen

Artikel 5:2

Artikel 3.60

Nee

Artikelen 5:3 en 5:7

Artikel 3.61

Nee

Artikelen 5:4 tot en met 5:5

Artikel 3.62

Nee

Artikelen 5:6 en 5:8

Artikel 3.63

Nee

Artikel 5:9

Artikel 3.64

Nee

Artikel 5:10

Artikel 3.65

Nee

Artikel 5:11

Artikel 3.66

Nee

Artikel 5:12

Artikel 3.67

Nee

Collecteren

Artikelen 5:13 – 5:16

N.v.t. (gaat niet over leefomgeving Ja of gaat over openbare orde)

Standplaatsen

Artikel 5:17

Artikel 3.68

Nee

Artikelen 5:18 en 5:19

Artikel 3.69

Nee

Artikel 5:20, eerste

Artikel 1.4

Nee

Onderwerp

Artikel APV 2020

Artikel Verordening fysieke leefomgeving

Blijft (ook) in APV?

lid

Openbaar water en waterstaatswerken

Artikel 5:20, tweede Artikel 3.71, derde lid lid

Nee

Artikel 2 Beleidsregels standplaatsen

Artikel 3.70

Nee

Artikelen 4 en 6 Beleidsregels standplaatsen

Artikelen 3.72 en 3.73

Nee

Artikel 5 Beleidsregels standplaatsen

Artikel 3.74

Nee

Artikel 10 Beleidsregels standplaatsen

Artikel 3.75

Nee

Artikel 11 Beleidsregels standplaatsen

3.76

Nee

Standplaatsenbeleid Artikel 3.71 en artikelsgewijze toelichting

Nee

Artikelen 5:24, eerste lid, en 5:28

Artikel 3.84

Nee

Artikel 5:24, tweede Artikel 3.85 en derde lid

Nee

Artikel 5:24, vierde lid

Artikel 6.5

Nee

Artikel 5:24, vijfde lid

Artikel 1.4

Nee

Artikel 5:25, eerste Artikelen 3.86 en 3.87 tot en met vierde lid

Nee

Artikel 5:25, vijfde lid

Artikel 1.4

Nee

Artikel 5:25, zesde en zevende lid

Artikel 3.88

Nee

Artikelen 5:29 – 5:31

N.v.t. (betreft openbare orde en veiligheid)

Ja

Crossterreinen

Artikel 5:32

N.v.t. (nadruk ligt op openbare veiligheid)

Ja

Rijden in natuur

Artikel 5.33

N.v.t. (nadruk ligt op openbare veiligheid)

Ja

Vuurverbod

Artikel 5.34

N.v.t. (nadruk ligt op openbare veiligheid)

Ja

Asverstrooiing

Artikelen 5:35 – 5:37

N.v.t. (past niet in verordening fysieke leefomgeving)

Ja

Artikelen 7.1 en 7.2

Ja

Sanctie-, overgangs- en Artikelen 6:1 en 6:2 slotbepalingen Artikel 6:3 Artikel 6:5

N.v.t. (gaat over openbare orde en Ja veiligheid) Artikel 8.1

Ja

TRANSPONERINGSTABEL BOMENVERORDENING OEGSTGEEST 2019 Onderwerp

Artikel Bomenverordening Oegstgeest 2019

Artikel Verordening fysieke leefomgeving

Begripsomschrijvingen

Artikel 1

Artikel 1.1 en bijlage I (procedurele regel over participatie in definitie ‘vervangingsplan’ is opgenomen in afdeling 6.4)

Groene kaart en bomenlijst

Artikel 2

Artikel 2.12

Vergunnningplicht vellen monumentale en waardevolle houtopstand

Artikel 3, eerste en tweede lid

Artikel 3.100

Criteria verlening omgevingsvergunning

Artikel 4

Artikel 3.103

Vergunningplicht vellen overige houtopstand

Artikel 5, eerste tot en met derde lid

Artikel 3.101

Artikel 3, derde en vierde lid Artikel 3.99, eerste lid

Artikel 5, vierde en vijfde lid Artikel 3.99, tweede lid) Criteria verlening omgevingsvergunning

Artikel 6

Artikel 3.103

Aanvraagvereisten

Artikel 7

Artikel 3.102

Intrekking of wijziging vergunning

Artikel 8

Artikel 3.8

Beperking geldigheidsduur

Artikel 9

Artikel 3.104

Vergunningvoorschriften

Artikel 10

Artikel 3.105

Herplant- en instandhoudingsplicht

Artikel 11, eerste lid

N.v.t. Bij schending vergunningplicht kan herplanten met een bestuurlijke sanctie worden afgedwongen

Artikel 11, tweede tot en met vijfde en zevende lid

Artikel 3.106

Artikel 11, zesde en zevende Artikel 3.107 lid Afstand tot erfgrenslijn

Artikel 12

Bestrijding van ziekten

Artikel 13, eerste en tweede Artikel 3.108 lid

Noodkap

Artikel 3.111

Artikel 13, derde lid

N.v.t. Is geregeld in de Awb

Artikel 14, eerste lid

Artikel 3.109

Artikel 14, tweede lid

N.v.t. Is geregeld in de Awb

Bescherming gemeentelijke Artikel 15 houtopstanden

Artikel 3.110

Strafbepaling

Artikel 16

Artikel 7.2

Toezicht en opsporing

Artikel 17, eerste lid

Artikel 7.1

Artikel 17, tweede lid

N.v.t. Het aanwijzen van opsporingsambtenaren mag niet bij

Onderwerp

Artikel Bomenverordening Oegstgeest 2019

Artikel Verordening fysieke leefomgeving verordening. Is uitputtend geregeld in artikel 141 e.v. Wetboek van Strafvordering

Artikel 17, derde lid

N.v.t. Is al geregeld in de Awb

Inwerkingtreding

Artikel 18

Artikel 10.2

Overgangsbepaling

Artikel 19

Artikel 8.1

TRANSPONERINGSTABEL BOUWVERORDENING Onderwerp

Artikel Bouwverordening

Artikel Verordening fysieke leefomgeving

Blijft (ook) in Bouwverordening?

Begripsomschrijvingen Artikel 1.1

Artikel 1.1 en bijlage I (aantal begripsomschrijvingen is vervallen omdat die niet meer relevant zijn)

Nee

Indeling van het gebied

Artikel 1.3

N.v.t. Nee Niet meer relevant vanwege het vervallen van de stedenbouwkundige bepalingen in hoofdstuk 2 van de Bouwverordening (zie hieronder bij de artikelen 2.5.2 tot en met 2.5.30)

Bodemonderzoek

Artikel 2.1.5, eerste lid

Artikel 3.15, vierde lid

Nee

Artikel 2.1.5, tweede lid

Artikel 3.14

Nee

Artikel 2.1.5, derde Artikel 3.15, derde lid en vierde lid

Nee

Artikel 2.1.5, vijfde Artikel 3.15, vijfde lid lid

Nee

Verbod bouwen op Artikel 2.4.1 verontreinigde bodem Artikel 2.4.2

Artikelen 3.14 en 3.16

Nee

Artikel 3.17

Nee

Voorschriften van stedenbouwkundige aard en bereikbaarheidseisen

Artikelen 2.5.2 tot en met 2.5.30

N.v.t. Nee Deze bepalingen zijn van rechtswege vervallen per 1 juli 2018 door een wijziging van de Woningwet (zie ledenbrief van de VNG van 17 april 2018)

Welstand

Artikel 9.1, eerste en tweede lid

Artikelen 6.4 en 6.5, eerste lid

Nee

Artikel 9.1, derde lid

N.v.t. (is geregeld in artikel 12b, eerste lid, Wowe

Nee

Artikel 9.2

Artikel 6.5

Nee

Artikel 9.4

Artikel 6.11 en artikel 12b,

Nee

Onderwerp

Artikel Bouwverordening

Artikel Verordening fysieke leefomgeving

Blijft (ook) in Bouwverordening?

derde lid, Wowe Artikel 9.5

Artikel 6.8

Nee

Artikel 9.6, eerste lid

Artikel 12b, tweede lid, Wowe Nee

Artikel 9.6, tweede Artikelen 6.6 en 6.7 en vierde lid

Administratieve bepalingen

Artikel 9.6, derde lid

N.v.t. (dat er een uitnodiging wordt verstuurd spreekt voor zicht)

Nee

Artikel 9.7

Artikel 6.9

Nee

Artikel 9.8

Artikel 6.10. De verplichting om Nee te motiveren staat in artikel 12b, eerste lid Wowe

Artikel 9.10

Artikel 6.12

Nee

Artikel 10.6

N.v.t. Niet meer relevant

Nee

TRANSPONERINGSTABEL ERFGOEDVERORDENING Onderwerp

Artikel Erfgoedverordening

Artikel Verordening fysieke leefomgeving

Blijft (ook) in Erfgoedverordening?

Begripsbepalingen

Artikel 1

Artikel 1.1 en bijlage I

Nee

Gemeentelijk erfgoedregister

Artikel 2

Artikel 2.1

Nee

Aanwijzing beschermde gemeentelijke cultuurgoederen en verzamelingen

Artikelen 3 en 4

n.v.t. Ja Blijven in de Erfgoedverordening. Cultuurgoederen en verzamelingen vallen buiten de definitie van cultureel erfgoed in de Omgevingswet en daarmee buiten het kader van de fysieke leefomgeving (artikel 1.2 Ow).

Aanwijzing gemeentelijke monumenten en voornemen tot aanwijzing

Artikelen 5 en 6

Artikel 2.2

Nee

Voorbescherming

Artikel 7

Bijlage I (definitie ‘voorbeschermd gemeentelijk monument’). De voorbeschermingsregels zijn opgenomen in par. 3.5.2.

Nee

Advies gemeentelijke Artikel 8 adviescommissie

Artikel 6.1

Nee

Beslistermijn en

Artikel 2.3

Nee

Artikel 9

Onderwerp

Artikel Erfgoedverordening

Artikel Verordening fysieke leefomgeving

Blijft (ook) in Erfgoedverordening?

bekendmaking

Artikel 10

Artikelen 2.1, vijfde lid, en 2.3

Nee

Aanwijzing voorlopig gemeentelijk monument

Artikel 11

Artikelen 2.2, vijfde lid en 6.1

Nee

Wijzigingen erfgoedregister

Artikel 12, eerste lid Artikel 2.1 (wijzigen aanbrengen Nee in het register zit besloten in de bevoegdheid om het register te beheren)

inhoud aanwijzingsbesluit

Artikel 12, tweede en derde lid

Artikel 2.4 (vervallen of wijzigen Nee van aanwijzing verwerken in erfgoedregister zit besloten in de bevoegdheid van artikel 2.1 om het register te beheren)

Verbod beschadigen monument

Artikel 13

Artikel 3.91

Nee

Vergunningplicht

Artikel 14

Artikel 3.92

Nee

Intrekking Artikel 15 omgevingsvergunning

Artikel 3.8

Nee

Weigeren Artikel 16 omgevingsvergunning

Artikel 3.93

Nee

Adviescommissie Artikel 17 rijksmonumentenacti viteiten

Artikel 6.2

Nee

Aanwijzen beschermd Artikel 18, eerste lid Artikel 2.5 dorpsgezicht

Nee

Advies gemeentelijke Artikel 18, tweede adviescommissie lid

Artikel 6.3

Nee

Procedurele regels

Artikel 18, derde lid Artikel 2.6

Nee

Opname in erfgoedregister

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10900810/1