Bijlage 2 bij RV 5 oktober 2021 Verordening fysieke leefomgeving Oegstgeest Z-21-146019 Oegstgeest
Tekst van het document
BIJLAGE 2 bij Raadsvoorstel TOELICHTING VERORDENING FYSIEKE LEEFOMGEVING
ALGEMEEN In 2022 treedt naar verwachting de Omgevingswet in werking. De Omgevingswet bundelt de wetgeving voor de fysieke leefomgeving. De fysieke leefomgeving omvat volgens de Omgevingswet in ieder geval bouwwerken, infrastructuur, water, watersystemen, bodem, lucht, landschappen, natuur, cultureel erfgoed en werelderfgoed. De Omgevingswet heeft als doel het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en het gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften. Gemeentelijke regels over de fysieke leefomgeving worden na invoering van de Omgevingswet samengebracht in één omgevingsplan. Het omgevingsplan bundelt bestemmingsplannen, beheersverordeningen en regels uit (andere) lokale verordeningen die gaan over activiteiten die de fysieke leefomgeving wijzigen of direct beïnvloeden. Daarmee wordt de regelgeving voor inwoners, ondernemers en maatschappelijke organisaties overzichtelijker en zijn de regels makkelijker te vinden. Deze verordening brengt de regels over de fysieke leefomgeving uit de verschillende verordeningen, nadere regels, aanwijzingsbesluiten en beleidsregels samen. Het is een logische tussenstap naar opname van die regels in het omgevingsplan. Het gaat om regels die eerder al zijn vastgesteld door de raad.
Bij het omzetten zijn de regels geüniformeerd, verduidelijkt en in een structuur geplaatst, die aansluit bij de Omgevingswet. Het gaat vooral om redactionele en technische wijzigingen. Regels uit de volgende verordeningen zijn omgezet in deze verordening: - Afvalstoffenverordening - Algemene Plaatselijke Verordening Oegstgeest 2020; - Bomenverordening Oegstgeest 2019; - Bouwverordening; en - Erfgoedverordening Oegstgeest 2017. De Afvalstoffenverordening, Bomenverordening, Bouwverordening en Bouwverordening 20101 worden ingetrokken. De Algemene Plaatselijke Verordening en de Erfgoedverordening blijven wel bestaan maar in afgeslankte vorm. Het intrekken en wijzigen van die verordeningen is geregeld in hoofdstuk 9 van de Verordening fysieke leefomgeving. In dat hoofdstuk zijn ook artikelen opgenomen die nadere regels, aanwijzingsbesluiten en beleidsregels van het college intrekken of daaraan een nieuwe grondslag geven. De regels in de Rioolverordening en de Leidingverordening gemeente Oegstgeest 2017 zijn niet opgenomen in deze verordening. Die verordeningen bevatten ook regels over activiteiten die de fysieke leefomgeving wijzigen en zullen dan ook moeten worden opgenomen in het omgevingsplan.
Die verordeningen zijn echter in regionale afstemming tot stand gebracht en de inhoud van die verordeningen sluit nauw aan bij de riool- en leidingverordeningen van de andere gemeenten in de regio. Na de inwerkingtreding van de Omgevingswet zullen die regels na regionale afstemming worden toegevoegd aan het omgevingsplan van Oegstgeest. De volgende regelingen krijgen een grondslag in deze verordening en blijven dan ook bestaan: - Aanwijzingsbesluit ligplaatsen vaartuigen; - Aanwijzingsbesluit parkeerverbod grote voertuigen; - Aanwijzingsbesluit parkeerverbod kampeermiddelen e.a.; - Aanwijzingsbesluit te koop aanbieden van voertuigen; en - Aanwijzingsbesluit verbod parkeren anders dan op de rijbaan.
Deze verordening is per abuis niet ingetrokken met de inwerkingtreding van de (nieuwe) Bouwverordening in 2012. 1
De inhoud van de volgende regelingen die worden ingetrokken met een apart besluit van het college van burgemeester en wethouders, is in zijn geheel beleidsneutraal opgenomen in deze verordening: Nadere regels artikel 2:10 APV Oegstgeest 2020 van 2 maart 2021 (Gemeenteblad 2021, Z6393); Standplaatsenbeleid gemeente Oegstgeests (versie juni 2021); Terrassenbeleid Gemeente Oegstgeest van 19 maart 2007; en Reclamenota (versie juni 2021) Aan het slot van deze toelichting zijn transponeringstabellen opgenomen voor de verordeningen waarvan de inhoud is opgenomen in deze Verordening fysieke leefomgeving. De structuur van deze verordening biedt enerzijds een goede wettelijke basis, zodat de (professionele) gebruikers er bij inwerkingtreding goed mee kunnen werken en sluit anderzijds aan op het stelsel van de Omgevingswet en het toekomstige omgevingsplan. De bouwstenen zijn zichtbaar gehouden, zodat later de regels per onderdeel verwerkt kunnen worden in het omgevingsplan. Met deze verordening wordt een belangrijke stap gezet richting de Omgevingswet. Om dit te onderstrepen zijn bepalingen over de specifieke zorgplicht van de Omgevingswet opgenomen in deze verordening.
ARTIKELSGEWIJS HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN
Artikel 1.1 (begripsbepalingen) Artikel 1.1 gaat over de begrippen die in deze verordening worden gebruikt. Deze bepaling vormt de grondslag voor een bijlage die bij deze verordening wordt opgenomen. Die bijlage bevat definities van belangrijke begrippen die op meerdere plaatsen in deze verordening worden gebruikt. De definities gelden ook voor zover die begrippen in op deze verordening gebaseerde regelgeving worden gebruikt. Om redenen van toegankelijkheid en leesbaarheid is ervoor gekozen om de begripsbepalingen gebundeld op te nemen in een bijlage in plaats van deze in hoofdstuk 1 zelf te verwerken zoals veelal gebruikelijk is. Omdat deze verordening niet is gebaseerd op de Omgevingswet zijn de begripsbepalingen van die wet, de daarop gebaseerde algemene maatregelen van bestuur en de Omgevingsregeling niet van toepassing op deze verordening. Omdat een aantal van die begripsbepalingen in deze verordening wordt gebruikt zijn die omschreven in bijlage I bij deze verordening. Daarnaast zijn in bijlage I de begripsbepalingen opgenomen van de verordeningen die deze verordening vervangt, met uitzondering van de begripsbepalingen die niet meer relevant zijn. Artikel 1.2 (toepassingsbereik) Het toepassingsbereik van deze verordening wordt bepaald door artikel 1.2 en is geïnspireerd door artikel 1.2 van de Omgevingswet.
In de memorie van toelichting bij die wet is aangegeven dat dit artikel spoort met de benaderingswijze die wordt gehanteerd in het verdrag van Aarhus. Dit verdrag maakt systematisch gezien onderscheid tussen, voor zover hier van belang: a. de toestand van elementen van het milieu, zoals lucht, water, bodem, landschappen en natuurgebieden; b. activiteiten die de elementen van het milieu aantasten of kunnen aantasten; en
c. de toestand van de menselijke gezondheid en veiligheid en de menselijke levensomstandigheden, voor zover deze worden of kunnen worden aangetast door de toestand van de elementen van het milieu of, via die elementen, door activiteiten als bedoeld onder b. Deze driedeling uit het verdrag is ook terug te vinden in de opzet van artikel 1.2. Eerste lid In het eerste lid is vastgelegd dat deze verordening betrekking heeft op enerzijds de fysieke leefomgeving (onderdeel a) en anderzijds activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving (onderdeel b). Het begrip ‘fysieke leefomgeving’ zelf wordt niet gedefinieerd in de Omgevingswet en ook niet in deze verordening. Dit begrip geeft de buitenste randen van het toepassingsgebied van de verordening aan. In latere artikelen van deze verordening wordt dit begrip verder ingekleurd en afgebakend. Ook van het begrip ‘activiteit’ (onderdeel b) is geen definitie opgenomen. Wat hieronder wordt verstaan blijkt uit de context van de artikelen in deze verordening waarin het begrip activiteit wordt gebruikt. Doorgaans zal het gaan om een feitelijke handeling. Tweede lid Het tweede lid bevat in beginsel alle fysieke onderdelen van de fysieke leefomgeving.
Ter voorkoming van mogelijke rechtsvragen is er voor gekozen in het tweede lid een niet-uitputtende opsomming van de onderdelen van de fysieke leefomgeving op te nemen. Een limitatieve opsomming zou de vraag kunnen oproepen of een regel in wel verbindend is omdat het fysieke voorwerp dat de regels beogen te beschermen naar het oordeel van een belanghebbende niet tot één van de benoemde onderdelen van de fysieke leefomgeving zou behoren. Zo zou bijvoorbeeld een belanghebbende kunnen stellen dat een dode boom geen natuur is en derhalve voor het kappen geen vergunning nodig is. Met de gekozen open formulering hoeft in een dergelijk geval alleen de vraag beantwoord te worden of het gemeentebestuur redelijkerwijs tot het standpunt heeft kunnen komen dat dit voorwerp een onderdeel is van de fysieke leefomgeving. Derde lid Het derde lid van artikel 1.2 kleurt het toepassingsgebied van deze verordening nader in. Deze bepaling is opgenomen om te verhelderen welke aspecten, verband houdend met activiteiten in de fysieke leefomgeving, in ieder geval door de verordening kunnen worden gereguleerd. Het wijzigen van onderdelen van de fysieke leefomgeving (onderdeel a) is de grootste, meest directe invloed die de mens kan uitoefenen op de fysieke leefomgeving.
Te denken valt aan de gevolgen van activiteiten als de aanleg van een weg, het bouwen van woningen, ontgrondingen en het kappen van bomen. Gebruik van natuurlijke hulpbronnen (onderdeel b) wordt genoemd omdat hulpbronnen vaak beperkt voorhanden zijn, door bijvoorbeeld schaarste. Gebruik van een natuurlijke hulpbron, zoals een delfstof, plant of dier uit de natuur, water of wind, sluit vaak ander gebruik van die hulpbron uit en heeft daarmee gevolgen voor andere gebruikers van de fysieke leefomgeving. Onderdeel b heeft geen betrekking op gevolgen ter plaatse van de winning, oogst, vangst of benutting van een natuurlijke hulpbron, zoals het wijzigen van onderdelen van de leefomgeving, emissies, hinder of risico’s. Die gevolgen worden gedekt door de onderdelen a en c van dit lid. Gevolgen voor de fysieke leefomgeving kunnen eveneens voortvloeien uit activiteiten waardoor emissies, hinder of risico’s worden veroorzaakt, zoals de uitstoot van verontreinigende stoffen, het veroorzaken van geluid of stank en het werken met gevaarlijke stoffen waardoor risico’s voor mens en milieu ontstaan (onderdeel c). Gevolgen voor de fysieke leefomgeving kunnen voortvloeien uit een ‘doen’ maar ook uit een ‘niet doen’, zoals het achterwege laten van (voldoende) beschermende maatregelen bij het verrichten van een activiteit of door het nalaten van een activiteit (onderdeel d).
Bij het nalaten van een activiteit kan bijvoorbeeld worden
gedacht aan het niet onderhouden van bouwwerken of installaties waardoor emissies, hinder of risico’s worden veroorzaakt. Vierde lid Gevolgen voor de fysieke leefomgeving kunnen ook betrekking hebben op gevolgen voor de mens. Beschermende regels van deze verordening hebben betrekking op de fysieke leefomgeving, maar zijn uiteindelijk grotendeels gericht op het beschermen van de veiligheid en gezondheid van de mens en de omgevingskwaliteit voor de mens. Slechts een beperkt deel de regels is exclusief gericht op bescherming van de fysieke leefomgeving door de intrinsieke waarde die de mensheid daaraan toekent. De mens wordt hier eenmalig genoemd naast de gevolgen voor de fysieke leefomgeving. Deze opzet betekent dat overal waar deze verordening regels stelt over activiteiten die gevolgen hebben of kunnen voor de fysieke leefomgeving of onderdelen daarvan, dit ook de bevoegdheid impliceert om ook gevolgen voor de mens erbij te betrekken, voor zover de mens wordt of kan worden beïnvloed door of via de fysieke leefomgeving. Artikel 1.3 (doelen van de verordening) De doelen van artikel 1.3 zijn overgenomen uit de Omgevingswet. Het doel ‘het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit’ (onderdeel a) benadrukt de opdracht tot het waarborgen van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving.
Het doel in onderdeel b – ‘het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften’ – ziet op het benutten van de fysieke leefomgeving door de mens. De aanhef van het artikel bevat algemene eisen die fungeren als verbindende schakels tussen beide doelen. De eerste algemene eis is dat de toepassing van deze verordening moet plaatsvinden met het oog op duurzame ontwikkeling. Duurzame ontwikkeling is een ontwikkeling die voorziet in de behoeften van de huidige generatie zonder de mogelijkheden voor toekomstige generaties om in hun eigen behoeften te voorzien in gevaar te brengen. De tweede algemene eis houdt in dat de twee doelen van deze verordening in onderlinge samenhang moeten worden nagestreefd. Dit betekent dat bij de toepassing van de verordening acht moet worden geslagen op de onderlinge verhoudingen tussen onderdelen van de fysieke leefomgeving of de gevolgen van activiteiten op de leefomgeving. Het artikel sluit aan op het motto van de Omgevingswet: ‘ruimte voor ontwikkeling, waarborgen voor kwaliteit’. De ‘ruimte voor ontwikkeling’ komt tot uitdrukking in het uitgangspunt van duurzaamheid en ligt daarnaast besloten in ‘ter vervulling van maatschappelijke behoeften in onderdeel b; de ‘waarborgen voor kwaliteit’ zijn vooral terug te vinden in onderdeel a.
De in deze bepaling neergelegde maatschappelijke doelen geven richting aan de uitvoering en toepassing van deze verordening. Dit geldt zowel voor bedrijven en burgers (denk aan de specifieke zorgplichten) als voor het college. Een belangrijke beperking, voor wat betreft het college, is dat als elders in deze verordening specifieke kaders voor de uitoefening van taken en bevoegdheden zijn gegeven, die kaders voorgaan. Deze meer specifieke kaders zijn dan leidend bij de uitvoering van dat onderdeel van deze verordening. Die kaders worden geacht een invulling te zijn van de algemene doelbepaling van artikel 1.3. Opmerking verdient dat noch uit artikel 1.3 noch uit meer specifieke kaders voor het uitoefenen van bevoegdheden conclusies kunnen worden getrokken over het onderlinge gewicht van de betrokken belangen. Doel a staat niet in de weg aan activiteiten die vooral doel b dienen, zoals de ontwikkeling van een weg ter vervulling van de maatschappelijke functie ‘mobiliteit’. Doel b staat niet in de weg aan overheidsmaatregelen die vooral doel a dienen, zoals het vaststellen van algemene regels over activiteiten die het milieu belasten. Toepassing van de verordening vereist het zoeken naar oplossingen die zoveel mogelijk tegemoet komen aan beide doelen en de belangen daarachter. En waar dat niet kan, het maken van een belangenafweging. De uitkomst
van de door het college te verrichten belangenafweging zal per geval verschillen. Het college moet op grond van artikel 3:4, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) de rechtstreeks bij een besluit betrokken belangen afwegen, voor zover niet uit een wettelijk voorschrift of uit de aard van de uit te oefenen bevoegdheid een beperking voortvloeit. De uitkomst van die belangenafweging moet worden gemotiveerd (zie afdeling 3.7 Awb). Dit is primair een bestuurlijke afweging en daarbij past een terughoudende toets door de rechter. Artikel 3:4 Awb is in beginsel ook van toepassing op het vaststellen van algemeen verbindende voorschriften (de schakelbepaling van artikel 3:1, eerste lid, Awb), zoals nadere regels die het college kan vaststellen op basis van en ter uitwerking van deze verordening.
HOOFDSTUK 2 AANWIJZINGEN IN DE FYSIEKE LEEFOMGEVING AFDELING 2.1 CULTUREEL ERFGOED § 2.1.1 Gemeentelijk erfgoedregister Artikel 2.1 (gemeentelijk erfgoedregister) [artikelen 2, 10, tweede lid, 12, eerste en derde lid, 18, vierde lid, Erfgoedverordening] Het gemeentelijk erfgoedregister bevat de door het college aangewezen monumenten en dorpsgezichten. Daarnaast is ook informatie over rijksmonumenten die in de gemeente zijn gelegen in het gemeentelijk erfgoedregister opgenomen. Op grond van de Erfgoedwet ontvangt het college deze informatie in afschrift van de Minister van OCW bij de inschrijving in het rijksmonumentenregister. De kans op dubbeling, fouten of regelmatige aanpassing is niet erg groot, aangezien op grond van artikel 3 van de ‘Beleidsregel aanwijzing rijksmonumenten en wijziging rijksmonumentenregister Erfgoedwet’ een terughoudend aanwijzingsbeleid wordt gevoerd. De laatste aanwijzing dateert van 30 september 2002. Artikel 2.1 geeft uitvoering aan artikel 3.16, derde lid, van de Erfgoedwet en is daarmee van toepassing op al het cultureel erfgoed, ongeacht of het om onroerende of roerende zaken gaat, dat is aangewezen op grond van deze verordening of de Erfgoedverordening. In deze verordening is alleen het cultureel erfgoed geregeld dat volgens de Omgevingswet onderdeel uitmaakt van de fysieke leefomgeving.
Het beschermen van het overige culturele erfgoed (cultuurgoederen en verzamelingen) blijven geregeld in de Erfgoedverordening. Het woord “onherroepelijk” in artikel 2.1, vijfde lid, betekent dat tegen de aanwijzing geen beroep (of bezwaar) is ingesteld of dat het is afgewezen. De registratie van de aanwijzing in het gemeentelijk erfgoedregister is een louter administratieve verrichting en niet een besluit. Overigens zal van de aanwijzing ook inschrijving in het gemeentelijke beperkingenregister en in het kadaster plaatsvinden op grond van artikel 1, onder c en e, van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken. § 2.1.2 Beschermde gemeentelijke monumenten Artikel 2.2. (aanwijzing beschermde gemeentelijke monumenten) [artikelen 5, 6 en 11, eerste en tweede lid, Erfgoedverordening] Eerste en tweede lid Dit artikel regelt de toekenning van de status van gemeentelijk monument aan een monument of archeologisch monument. Een tuin en een park vallen binnen het begrip ‘monument’, natuurlandschap niet. De aanwijzing vergt een belangenafweging tussen het met de aanwijzing te dienen belang en de overige bij de aanwijzing betrokken belangen, waaronder planologische of economische belangen of het gebruik van het monument of archeologisch monument. De
formulering van het artikel is ontleend aan de artikelen 3.1, eerste lid, en 3.16, tweede lid, van de Erfgoedwet. Het college heeft beleidsvrijheid bij de aanwijzing. Er geldt bovendien niet zoiets als de voorheen gehanteerde vijftigjarengrens voor monumenten. Bij de afweging van belangen die daarbij een rol spelen moeten ook de belangen van het gebruik ten opzichte van de te beschermen monumentale waarde uitdrukkelijk en gemotiveerd naar voren komen. Bij de voorbereiding van een aanwijzing moeten deze belangen derhalve in concreto worden onderzocht. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State gaat het bij een besluit over de aanwijzing als beschermd monument om de afweging van het algemeen belang dat is gemoeid met de bescherming van het cultureel erfgoed tegen de belangen die de eigenaar heeft bij al dan niet aanwijzing. Het gebruik van het monument wordt beschouwd als een aspect van de belangen van de eigenaar en behoeft daarom niet afzonderlijk te worden benoemd. Derde en vierde lid Ieder monument is gezien de definitie een onroerende zaak (het gebouw).
Ieder archeologisch monument omvat ten minste één onroerende zaak (het terrein, dat vanwege en samen met de daar aanwezige overblijfselen, voorwerpen of andere sporen van menselijke aanwezigheid in het verleden, met inbegrip van die overblijfselen, voorwerpen en sporen, gegeven de begripsbepaling van artikel 1.1 van de Erfgoedwet wordt aangemerkt als archeologisch monument). Voor alle zakelijk gerechtigden op de betreffende onroerende zaken is ontvangst van het voornemen van een aanwijzing door het college van belang, niet alleen voor de eigenaar. Zie ook artikel 1, onder a, onderdeel 1, jo. artikel 1, onder b, onderdeel 5, van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken. Onder zakelijk gerechtigden vallen ook hypothecaire schuldeisers ten aanzien van de onroerende zaak. Vanaf het moment dat het college de zakelijk gerechtigden in kennis heeft gesteld van het voornemen om het monument of archeologisch monument aan te wijzen, is er sprake van een voorbeschermd gemeentelijk monument (zie de definitie daarvan in bijlage I). Vanaf dat moment geldt de bescherming van paragraaf 3.5.2. In de artikelen in die paragraaf zijn de voorbeschermde gemeentelijke monumenten namelijk gelijk gesteld met de beschermde gemeentelijke monumenten.
Vijfde lid Dit lid biedt het college de mogelijkheid om in spoedeisende gevallen een monument of archeologisch monument als gemeentelijk monument aan te wijzen zonder eerst de zakelijk gerechtigden in kennis te stellen van het voornemen. In dat geval wordt de adviescommissie pas ingeschakeld voor het (definitieve) besluit tot aanwijzing (zie artikel 6.1). De bescherming van paragraaf 3.5.2 geldt vanaf het moment van aanwijzing. Een bezwaarschrift heeft geen opschortende werking en daarmee kan deze spoedeisende aanwijzing niet eenvoudig worden omzeild. Als de aanwijzing definitief wordt door de opname in het erfgoedregister loopt deze bescherming door. Als er uiteindelijk geen opname in het erfgoedregister plaatsvindt vervalt de bescherming na 26 weken. Zevende lid De aanwijzing van kerkelijke monumenten vereist voorafgaand overleg met de eigenaar. Het gaat dan per definitie om een monument dat eigendom is van een kerkgenootschap, een zelfstandig onderdeel daarvan, een lichaam waarin kerkgenootschappen zijn verenigd, of van een ander genootschap op geestelijke grondslag en dat uitsluitend of voor een overwegend deel wordt gebruikt voor het gezamenlijk belijden van de godsdienst of levensovertuiging (artikel 1.1 van de Erfgoedwet).
Dit lid stemt overeen met de vergelijkbare eis in artikel 3.1 van de Erfgoedwet en artikel 16.58 van de Omgevingswet en doet recht aan de bijzondere positie van het kerkelijk monument als plaats voor het gezamenlijk belijden van godsdienst of levensovertuiging. Dit geldt
naast de algemene regel van artikel 4:8 van de Awb op grond waarvan belanghebbenden zoals eigenaren moeten worden gehoord. Artikel 2.3 (beslistermijn, inhoud en bekendmaking) [artikelen 9 en 10 Erfgoedverordening] Voor de termijn waarbinnen het college een besluit neemt over de aanwijzing van een monument en een archeologisch monument als beschermd gemeentelijk monument is aangesloten bij de termijn in de Erfgoedwet (artikel 3.2, derde lid). Dit artikel geldt naast de algemene verplichting tot bekendmaking van besluiten op basis van de Awb. De ontvangst van de aanwijzing is voor alle zakelijk gerechtigden van belang, niet alleen voor de eigenaar. Zie ook artikel 1, onder a, onderdeel 1, jo. artikel 1, onder b, onderdeel 5, van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken. Op een aanwijzingsbesluit is deze wet ook van toepassing. Onder zakelijk gerechtigden vallen ook hypothecaire schuldeisers. Artikel 2.4 (wijzigen en vervallen van een aanwijzing) [artikel 12, tweede en derde lid, Erfgoedverordening] Dit artikel bepaalt dat op het vervallen of wijzigen van een aanwijzing dezelfde procedure geldt als voor de aanwijzing zelf. Voorts is in dit artikel bepaald dat de aanwijzing als beschermd gemeentelijk monument vervalt zodra een monument is opgenomen in het rijksmonumentenregister of in een provinciaal erfgoedregister.
§ 2.1.3 Beschermde gemeentelijke dorpsgezichten Artikelen 2.5 tot en met 2.7 [artikel 18 Erfgoedverordening] Deze artikelen regelen de aanwijzing van dorpsgezichten door de gemeenteraad. Die aangewezen dorpsgezichten moeten vervolgens met het van toepassing zijnde bestemmingsplan worden beschermd. Dit is vergelijkbaar met de thans nog geldende artikelen 35 en 36 van de Monumentenwet 1988; echter zonder de plicht de minister te horen. Artikel 36 van de Monumentenwet 1988 zal vervallen met de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Daarna is het aanwijzen van gemeentelijke dorpsgezichten mogelijk via het omgevingsplan. Artikel 2.8 (wijzigen en vervallen van een aanwijzing) [artikel 19 Erfgoedverordening] Dit artikel bepaalt dat op het vervallen of wijzigen van de status als beschermd gemeentelijk dorpsgezicht dezelfde procedure geldt als voor de aanwijzing daarvan. Voorts is hier bepaald dat een aanwijzing vervalt zodra het dorpsgezicht waarop de aanwijzing betrekking heeft, door de minister of de provincie wordt aangewezen als beschermd dorpsgezicht.
AFDELING 2.2 AFVALBEHEER Artikel 2.9 (aanwijzing inzamelplaats huishoudelijke afvalstoffen) [artikel 5 Afvalstoffenverordening 2021] In dit artikel wordt geregeld dat op ten minste een plaats, ook buiten kantooruren of in het weekend, gelegenheid wordt geboden om huishoudelijke afvalstoffen achter te laten. Hiertoe is het gemeentebestuur op grond van artikel 10.27 Wet milieubeheer verplicht in verband met de in artikel 3.36 geboden mogelijkheid om niet telkens per week en bij elk perceel in te zamelen. Op de inzamelplaats kunnen alle bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen worden achtergelaten.
AFDELING 2.3 INFRASTRUCTUUR EN OPENBARE RUIMTE Artikel 2.10 (vaste standplaatsen) [hoofdstuk 3 Standplaatsenbeleid 2019] In Oegstgeest zijn zeven locaties voor vaste standplaatsen beschikbaar. In de tabel hieronder zijn deze locaties weergegeven met de bezetting in januari 2019, de dagen waarop de standplaatsen worden ingenomen, de oppervlakte van de standplaatsen en de aanwezige voorzieningen. Locatie
Product
Dagen
Oppervlakte
Voorzieningen
De Kempenaerstraat, hoek Koninginnelaan (K1)
Groente en fruit
Vrijdag
25 m2
Elektra
Kaas
Zaterdag
24 m2
Elektra
2
Elektra
Marktterrein Lijtweg bij winkelcentrum Lange Voort 1
Marktterrein Lijtweg bij winkelcentrum Lange Voort 2
Irislaan (winkelcentrum Lange Voort 3)
Noten, tapenade en olijven
Donderdag
25 m
Bloemen Vis
Dinsdag Vrijdag en zaterdag
25 m2 37 m2
Elektra Elektra
Brood en gebak
Donderdag
32 m2
Elektra
Groente en fruit Kaas
Woensdag Donderdag
2
12 m 24 m2
Electra Elektra
Loempia’s
Vrijdag en zaterdag
10 m2
Elektra
Kip en Rib Bloemen
Woensdag Donderdag,
18 m2 Donderdag 10 m2 Zaterdag 32 m2 10 m2
Elektra Geen
2
10 m 25 m2
Geen Elektra
(ntb)
Geen
20 m2
Geen
Zaterdag Landproducten
Boerhaaveplein
Klinkenbergerplas
Nieuw-Rhijngeest
Groente en fruit Snacks
Woensdag
Vrijdag Woensdag tot en met zondag Snacks Elke dag voor de periode van 1 april tot 1 oktober. Buiten die periode: tijdelijke standplaats voor ten hoogste 30 dagen Niet concurrerend met Maandag t/m aanbod van het zondag winkelcentrum
Geen
Gezien de kleinschaligheid van het winkelcentrum Nieuw-Rhijngeest en het belang van het behoud van een gevarieerd voorzieningenaanbod, is het wenselijk dat de branchering van de standplaats complementair is aan het aanbod van het winkelcentrum. Artikel 2.11 (tijdelijke standplaatsen) [hoofdstuk 3 Standplaatsenbeleid 2019] In Oegstgeest zijn drie locaties voor tijdelijke standplaatsen beschikbaar. In de tabel hieronder zijn deze locaties weergegeven met de bezetting in januari 2019, de periode waarin deze standplaatsen kunnen worden ingenomen, de oppervlakte van de standplaatsen en de aanwezige voorzieningen. Locatie Parkeerplaats naast Lijtweg 4 (apotheek)
Product Poffertjeskraam
Periode Ten hoogste zes weken
Oppervlakte 160 m2
Kerstbomenverkoop
Ten hoogste zes weken
60 m2
Parkeerplaats Lijtweg (het markt en evenemententerrein)
Onderzoekswagen
Klinkenbergerplas
Producten uit alle branches zijn toegestaan
Twee 90 m2 maanden aaneengeslote n, een keer in de anderhalf jaar Tussen (ntb) oktober en april voor een periode van ten hoogste 30 dagen
Voorzieningen
Elektra
Op de dagen dat een vaste standplaats niet wordt ingenomen door een standplaatshouder is het een tijdelijke standplaatshouder toegestaan deze in te nemen. Voor een tijdelijke standplaats geldt dat deze niet door een vaste standplaatshouder mag worden ingenomen. Naast de genoemde locaties zijn er andere locaties die gedurende het jaar een als tijdelijke standplaats worden ingenomen, bijvoorbeeld voor pannenkoekenverkoop door de scouting, de fietsersbond Oegstgeest, kentekengraveerders, kerstbomenverkoop, oliebollenverkoop en demonstraties van (elektrische) fietsen. De tijdelijke standplaats voor de verkoop van oliebollen mag worden ingenomen tussen 15 november en 15 januari. Toelaatbaarheid standplaatsen volgens bestemmingsplan Er is een aantal locaties waar de bestemmingsplannen het mogelijk maken om na toestemming van het college een standplaats in te nemen. Met omgevingsvergunningen is bijvoorbeeld toestemming verleend om een standplaats in te nemen voor een koffiekar, een ijscokar en kleinschalige verkoop van bloemen. Voor de De Kempenaerstraat gaat het om twee locaties: de kruising De Kempenaerstraat met de Terweeweg; en
de kruising De Kempenaerstraat met de Spaargarenstraat.
Een omgevingsvergunning voor deze twee locaties wordt alleen verleend als: jaarlijks ten hoogste 13 dagen een standplaats wordt ingenomen; en de standplaats niet groter is dan 9 m2. Meerdere standplaatsen in de Kempenaerstraat zijn wenselijk omdat standplaatsen een bijdrage leveren aan een gevarieerd aanbod van detailhandelsgoederen. Echter vanwege de relatief beperkte ruimte in vergelijking met andere locaties voor standplaatsen binnen de gemeente, zijn deze twee verscherpte voorwaarden opgenomen. Voor 13 dagen is gekozen vanwege de gevoeligheden die spelen rondom deze standplaats. 13 dagen per jaar zorgt voor verlevendiging van de Kempenaerstraat en vormt geen onevenredig zware belasting voor de omgeving van de standplaatsen. Bovendien heeft de afgelopen jaren al een bloemenstalletje in de Kempenaerstraat gestaan. Vanwege de beperkte ruimte op beide standplaatsen is een maximum afmeting van 9 m2 opgenomen als voorwaarde.
Daarnaast gelden de volgende voorwaarden van het bestemmingsplan Oranje Nassau: de standplaatsen belemmeren het wegverkeer niet; ongehinderde toegang op het trottoir is aanwezig; als een standplaats leidt tot opheffing van een parkeerplaats, mag dat geen onevenredige afbreuk doen aan het voorzieningenniveau van de openbare parkeerplaatsen; het assortiment van een standplaats leidt niet tot geuroverlast voor de omliggende detailhandel; het gebruik past qua aard, milieubelasting en uitstraling in de woonomgeving; en de standplaats voldoet aan de bouwvoorschriften, bedoeld in artikel 12.2.2 van het bestemmingsplan Oranje Nassau. Voor de standplaats op de kruising De Kempenaerstraat en de Terweeweg geldt dat een deel van de grond in particulier eigendom is. Voordat deze standplaats mag worden ingenomen dient de eigenaar van deze grond daar toestemming voor hebben gegeven. Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat voor de genoemde locaties niet alleen een omgevingsvergunning is vereist voor het afwijken van het bestemmingsplan (conform de voorwaarden van het bestemmingsplan) maar ook een vergunning op grond van artikel 3.69 van deze verordening.
AFDELING 2.4 HOUTOPSTANDEN Artikel 2.12 (groene kaart en bomenlijst) [artikel 2 Bomenverordening] Het vaststellen van de groene kaart en de bomenlijst is van belang voor de toepassing van de regels over het vellen van houtopstanden. Verwezen wordt naar de toelichting op de regels in paragraaf 3.6.2. HOOFDSTUK 3 ACTIVITEITEN IN DE FYSIEKE LEEFOMGEVING AFDELING 3.1 INLEIDENDE BEPALINGEN Artikel 3.1 (toepassingsbereik) [tweede lid: alle bepalingen in verordeningen met een uitzondering voor activiteiten in opdracht van bestuursorganen] In dit artikel is het toepassingsbereik geregeld van de regels in hoofdstuk 3. Die regels zijn alleen van toepassing op activiteiten die zijn aangewezen in de afdelingen 3.2 tot en met 3.6. Dat betekent bijvoorbeeld dat de inleidende bepalingen in afdeling 3.1 alleen gelden voor activiteiten die in die afdelingen zijn aangewezen. De specifieke zorgplicht van artikel 3.3 geldt dus niet voor
alle activiteiten in de fysieke leefomgeving maar alleen voor activiteiten die in die afdelingen zijn aangewezen. In het tweede lid zijn uitgezonderd de activiteiten die worden verricht door of vanwege de gemeente Oegstgeest voor de uitoefening van een publiekrechtelijke taak. In deze verordening kunnen daarop uitzonderingen worden gemaakt. Dat wordt tot uitdrukking gebracht met de zinsnede ‘tenzij in deze verordening anders is bepaald’. Op dit moment is alleen in artikel 3.32, tweede lid, een uitzondering gemaakt voor het inzamelen van afvalstoffen. Die activiteit wordt namelijk verricht voor de uitoefening van de publiekrechtelijke taak die is geregeld in de Wet milieubeheer om afvalstoffen bij huishoudens in te zamelen. Artikel 3.2 (normadressaat) [alle bepalingen in verordeningen die regelen wie aan de regels moet voldoen] Artikel 3.2 bepaalt tot wie de regels van hoofdstuk 3 zijn gericht. In de Omgevingswet wordt degene die de activiteit verricht primair verantwoordelijk geacht voor de naleving van de regels die gelden voor het verrichten van activiteiten. In artikel 3.2 wordt daarbij aangesloten. Het gaat daarbij om degene die verantwoordelijk is voor het verrichten van de activiteiten, zoals de eigenaar of de opdrachtgever.
Degene die de activiteiten verricht, moet voldoen aan de regels van deze verordening, en ervoor zorgen dat de mensen of bedrijven die voor haar of hem werkzaamheden verrichten zich aan de regels over de activiteit houden. Artikel 3.3 (specifieke zorgplicht) Degene die een activiteit verricht heeft een specifieke zorgplicht. Van degene die een activiteit verricht die is aangewezen in de afdelingen 3.2 tot en met 3.6, wordt een inspanning verwacht om zelf te beoordelen of het handelen nadelige gevolgen heeft en ook hoe die gevolgen redelijkerwijs kunnen worden voorkomen of beperkt. Onder handelen wordt uiteraard ook het nalaten om te handelen verstaan. De formulering van de specifieke zorgplicht sluit aan bij de formulering van de algemene zorgplicht van artikel 1.7 van de Omgevingswet. De specifieke zorgplicht is gekoppeld aan de bepalingen in hoofdstuk 3 waarin de oogmerken zijn opgenomen waarop de regels in hoofdstuk 3 zien. Die oogmerken zijn geregeld in de algemene paragrafen van de afdelingen 3.2 tot en met 3.6. De specifieke zorgplicht heeft geen betrekking op belangen die geen onderdeel uitmaken van die oogmerken en is daardoor specifieker dan de algemene wettelijke zorgplicht. Zo ziet de zorgplicht bijvoorbeeld niet op de kwaliteit van het zwemwater. Dat oogmerk valt wel onder de algemene zorgplicht in de Omgevingswet.
Tegen een overtreding van de specifieke zorgplicht kan handhavend worden opgetreden. Handhavend optreden ligt voor de hand bij evidente overtredingen van de specifieke zorgplicht. Daarvan is sprake in situaties waarin het handelen of nalaten van degene die de activiteit verricht, onmiskenbaar in strijd is met de specifieke zorgplicht. Er kunnen ook situaties aan de orde zijn waarin niet direct duidelijk is of van onmiskenbare strijd sprake is. Het college zal dan een keuze moeten maken tussen een handhavingstraject of het eerst verduidelijken wat de specifieke zorgplicht inhoudt. Die verduidelijking kan in de vorm van het stellen van een maatwerkvoorschrift (zie toelichting op artikel 3.11) maar dat hoeft niet. Ook wanneer het college degene die de activiteit verricht mondeling of schriftelijk informeert over wat er in een concreet geval onder de specifieke zorgplicht moet worden verstaan, is het voor diegene na ontvangst van die informatie duidelijk wat er verwacht wordt. Als daar geen gevolg aan wordt gegeven, is er sprake van onmiskenbare strijd met de specifieke zorgplicht. Een uitgebreidere uiteenzetting van de mogelijkheden om handhavend op te treden tegen overtredingen van de specifieke zorgplicht is opgenomen in de nota van toelichting bij het Besluit activiteiten leefomgeving2.
Artikel 3.4 (ontheffing en aanwijzing) [diverse artikelen in de APV 2020 en de artikelen 3, tweede lid, en 4, tweede lid, Afvalstoffenverordening 2021] 2
Stb. 2018, 293, p. 526-527.
Als in hoofdstuk 3 een (absoluut) verbod is opgenomen voor het verrichten van een bepaalde activiteit of handeling, is het mogelijk om daarvoor een ontheffing te krijgen van het college. Het gaat daarbij niet om verboden in dit hoofdstuk om zonder vergunning of aanwijzing een activiteit te verrichten. In die gevallen is namelijk al geregeld dat een vergunning of aanwijzing mogelijk is en zijn veelal ook de voorwaarden geregeld waaraan moet worden voldaan om een vergunning of aanwijzing te verkrijgen (beoordelingsregels). Bij de aanwijzing gaat het om het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen. In artikel 3.34 is bepaald dat het verbod om huishoudelijke afvalstoffen in te zamelen niet geldt voor de inzameldienst of andere inzamelaar die door het college is aangewezen. Volgens het derde lid, is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdige beslissing) niet van toepassing op de aanwijzing. Dat betekent dat bij overschrijding van de termijn voor het geven van de beschikking (acht weken volgens artikel 3.5) de aanwijzing niet van rechtswege is verkregen. Het expliciet regelen van deze uitzondering is nodig omdat volgens artikel 28 van de Dienstenwet paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is op een aanvraag om een vergunning, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald.
Volgens de Dienstenwet, die geldt voor dienstverrichters, moet een aanwijzing worden beschouwd als een vergunning in de zin van die wet en de dienstenrichtlijn. Inzamelaars van afvalstoffen kunnen worden beschouwd als dienstverrichters. Zonder deze uitzondering zou paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht dus gelden voor de aanwijzing van inzamelaars en dat is ongewenst vanwege de publieke belangen die hiermee zijn gemoeid. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is op grond van het derde lid ook niet van toepassing op ontheffingen en vergunningen. Volgens het vierde lid is die paragaaf wel van toepassing op de ontheffingen die worden verleend van de verboden in de artikelen 3.61, tweede lid, en 3.63, eerste en tweede lid. Het gaat daarbij om het verbod om op de weg een voertuig te plaatsen die is voorzien van reclame en om het verbod om recreatieve of grote voertuigen te parkeren. Dat is een voortzetting van de regels in de Algemene plaatselijke verordening 2020. Volgens het vierde lid is paragraaf 4.1.3.3 ook van toepassing op vergunningen die worden verleend op grond van de artikelen 3.43 (gebruiken van de weg) en 3.54 (veranderen van de weg). Artikel 3.5 (bevoegd gezag en beslistermijn) [artikel 1:2 APV 2020] Het college van burgemeester en wethouders is in het eerste lid aangewezen als bevoegd gezag.
Als in hoofdstuk 3 een melding verplicht is gesteld dan moet die melding worden gedaan aan het college. Daarnaast neemt het college de besluiten over het stellen van een maatwerkvoorschrift, de toestemming om een gelijkwaardige maatregel te treffen, de aanvraag om een vergunning of ontheffing en het wijzigen van de tenaamstelling van een vergunning of ontheffing. Op grond van het tweede lid moet het college binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag een besluit nemen, tenzij in deze verordening anders is bepaald. Die termijn kan op grond van het derde lid met ten hoogste acht weken worden verlengd. De beslissingstermijn van acht weken is een termijn van orde. Uit het overschrijden van die termijn vloeien derhalve geen rechtsgevolgen voort. Dat is alleen anders als het gaat om een aanvraag om een ontheffing van de verboden in de artikelen 3.61, tweede lid, en 3.63, eerste en tweede lid. Daarop is namelijk volgens artikel 3.4, vierde lid, paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Artikel 3.6 (voorschriften en beperkingen) [artikel 1:4 APV 2020 en de artikelen 3, tweede lid, en 4, tweede lid, Afvalstoffenverordening 2021] Volgens dit artikel kunnen aan een vergunning, ontheffing en aanwijzing voorschriften en beperkingen worden verbonden.
Volgens het tweede lid kunnen die voorschriften en beperkingen alleen strekken tot bescherming van de belangen met het oog waarop de
vergunning, ontheffing of aanwijzing verplicht is gesteld. Deze belangen kunnen worden afgeleid van de artikelen in de afdelingen 3.2 tot en met 3.6 waarin de oogmerken zijn opgesomd met het oog waarop de regels in die afdelingen zijn gesteld. Dat betekent bijvoorbeeld dat aan een vergunning voor het aanleggen van een weg (artikel 3.54, aanhef en onder a) alleen voorschriften en beperkingen kunnen worden verbonden die strekken ter bescherming van de belangen die in artikel 3.40 zijn opgesomd (bijvoorbeeld het behouden en bevorderen van de verkeersveiligheid). En het zal dan ook niet zijn toegestaan om voorschriften aan die vergunning te verbinden met het oog op de landschappelijke waarde. Dat is namelijk niet een in artikel 3.40 genoemd oogmerk. In het derde lid is bepaald dat het is verboden te handelen in strijd met een voorschrift of beperking van een vergunning, ontheffing of aanwijzing. Als blijkt dat een voorschrift of beperking niet wordt nageleefd kan het college daartegen handhavend optreden. Artikel 3.7 (persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing) [artikel 1:5 APV 2020] Volgens dit artikel geldt een vergunning of ontheffing alleen voor degene aan wie zij is verleend. In deze verordening kan van die regel wel worden afgeweken. Afwijkingen zijn bijvoorbeeld opgenomen in de regels over het innemen van standplaatsen (paragraaf 3.4.6).
Volgens artikel 3.74 kan de vergunning voor het innemen van een standplaats op naam worden gesteld van een ander dan degene aan wie zij is verleend. In het tweede en derde lid van dat artikel zijn de voorwaarden geregeld waaraan moet worden voldaan. Artikel 3.8 (intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing) [artikel 1:6 APV 2020, artikel 11 Beleidsregels standplaatsen, artikelen 15 en 20, vierde lid, Erfgoedverordening, artikel 8 Bomenverordening] Onder bepaalde omstandigheden kan een vergunning of ontheffing worden ingetrokken of gewijzigd. De omstandigheden waarbij dat mogelijk is, zijn opgesomd in de onderdelen a tot en met f. Het betreft hier een alternatieve opsomming dat tot uitdrukking wordt gebracht met het woordje ‘of’ aan het sloten van onderdeel e. Dat betekent dat slechts aan een voorwaarde hoeft te worden voldaan om de vergunning of ontheffing te kunnen intrekken of wijzigen. Artikel 3.9 (termijn vergunning en ontheffing) [artikel 1:7 APV 2020] In de regel geldt een vergunning of ontheffing voor onbepaalde tijd. Dat is alleen anders als in deze verordening is geregeld dat een vergunning of ontheffing slechts geldt voor een bepaalde termijn. Een vergunning voor het innemen van een standplaats wordt bijvoorbeeld verleend voor een periode van vijf jaar en een vergunning voor het vellen van een houtopostand voor drie jaar.
Daarnaast kan het zijn dat de aard van de vergunning of ontheffing zich verzet tegen een vergunning voor onbepaalde tijd. Daarvan is volgens het tweede lid in ieder geval sprake als het aantal vergunningen of ontheffingen dat wordt verleend is beperkt en het aantal mogelijke aanvragers het aantal beschikbare vergunningen of ontheffingen overtreft. Artikel 3.10 (algemene beoordelingsregels) [ artikel 1:8 APV 2020] In de afdelingen 3.2 tot en met 3.6 is voor verschillende activiteiten een vergunning of ontheffing verplicht gesteld. Voor die activiteiten is vaak ook geregeld aan welke criteria moet worden voldaan om een vergunning te kunnen verkrijgen. Die criteria worden in de Omgevingswet beoordelingsregels genoemd. Dat zijn de regels die worden toegepast bij het beoordelen van vergunningaanvragen. In de afdelingen 3.2 tot en met 3.6 staan veelal bijzondere beoordelingsregels die zijn toegespitst op de desbetreffende activiteit. Daarnaast zijn er algemene beoordelingsregels die bij het beoordelen van alle vergunningaanvragen worden toegepast. Die algemene beoordelingsregel is opgenomen in artikel 3.10. Eerste lid
Met ‘de belangen’ worden bedoeld de belangen die zijn opgesomd in de artikelen met het opschrift ‘oogmerken’. Bij de beoordeling van een aanvraag om een vergunning voor het aanleggen van een uitrit naar de weg (artikel 3.57) zal het college dus bijvoorbeeld de belangen betrekken die zijn opgesomd in artikel 3.40. Die vergunning kan het college onder andere weigeren vanwege het belang van het behouden van de verkeersveiligheid (artikel 3.40, eerste lid, onder b) of de bescherming van het openbaar groen (artikel 3.40, tweede lid). Een ander voorbeeld is het vellen van een monumentale houtopstand. Die activiteit is vergunningplichtig op grond van artikel 3.100. Op grond van artikel 3.10 in samenhang met artikel 3.98, eerste lid, kan de vergunning voor het vellen worden geweigerd met het oog op de natuurbescherming. Tweede lid Het tweede lid is bedoeld om te voorkomen dat het college in een zeer korte tijd een aanvraag moet beoordelen omdat het voornemen bestaat om binnen drie weken na het doen van de aanvraag te beginnen met de activiteit. Als de aanvraag minder dan drie weken voor de beoogde datum van het begin van de activiteit is ingediend, kan het college de vergunning of ontheffing dan ook weigeren als daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is.
Artikel 3.11 (maatwerkvoorschriften) Eerste en tweede lid Het eerste lid geeft het college de bevoegdheid om maatwerkvoorschriften te stellen over de regels in hoofdstuk 3. De mogelijkheid tot het stellen van maatwerkvoorschriften wordt breed opengesteld voor alle artikelen in dit hoofdstuk. Maatwerkvoorschriften kunnen de algemene regels in hoofdstuk 3 niet alleen aanvullen, maar er ook van afwijken. De bevoegdheid om af te wijken van de algemene regels is gegeven in het tweede lid. Met een maatwerkvoorschrift mag niet worden afgeweken van de specifieke zorgplichten in hoofdstuk 3 (artikelen 3.3, 3.33, 3.42, 3.53, 3.84 en 3.91). Daarmee zou namelijk buiten de oogmerken van dit hoofdstuk worden getreden. Wel mag er met maatwerkvoorschriften invulling worden gegeven aan de specifieke zorgplichten van dit hoofdstuk. Derde lid Maatwerk houdt altijd rekening met de oogmerken in de afdelingen 3.2 tot en met 3.6 en mag daar niet mee in strijd zijn. Vierde lid Als op een activiteit zowel algemene regels van toepassing zijn als een vergunningplicht, wordt maatwerk op de algemene regels in de vergunning opgenomen in de vorm van een vergunningvoorschrift. Dit zorgt ervoor dat het maatwerk optimaal wordt afgestemd op de andere vergunningvoorschriften, zodat de activiteit als geheel integraal beoordeeld en geregeld wordt.
Voor zover de vergunning ook ziet op algemeen geregelde activiteiten voorkomt dit een stapeling van de vergunning met losse maatwerkvoorschriften. De voorkeur voor integratie van maatwerk in de vergunning is geregeld in het vierde lid van dit artikel. Daarin is bepaald dat een maatwerkvoorschrift niet kan worden gesteld als het mogelijk is om over het onderwerp een voorschrift aan de vergunning te verbinden. Die mogelijkheid is er steeds voor zover er voor een activiteit een vergunningplicht geldt. Voorschriften kunnen immers niet alleen bij het verlenen van de vergunning worden gesteld, maar ook door wijziging van de vergunning. Een aanvraag om een maatwerkvoorschrift over een (gedeelte van) een activiteit waarvoor al een vergunning is verleend, moet dus worden beschouwd als een aanvraag om de voorschriften van die vergunning te wijzigen. En het ambtshalve toepassen van de bevoegdheid van dit artikel leidt bij die activiteit tot het ambtshalve wijzigen van de verleende vergunning.
Artikel 3.12 (ongewoon voorval) Eerste lid Zodra vastgesteld is dat er sprake is van een ongewoon voorval moet het college direct worden geïnformeerd; vertraging is gezien de gevolgen voor de gezondheid en het milieu niet wenselijk. Ongewoon voorval wordt in bijlage I bij deze verordening omschreven als een gebeurtenis, ongeacht de oorzaak daarvan, die afwijkt van het normale verloop van een activiteit, zoals een storing, ongeluk, calamiteit, waardoor significante nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving ontstaan of dreigen te ontstaan. Het gaat dus om voorvallen met een duidelijk negatief gevolg voor de fysieke leefomgeving. De definitie beperkt ongewone voorvallen tot afwijkende gebeurtenissen die significante nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving kunnen hebben. Dat betekent dat de regels er niet toe verplichten om het bevoegd gezag te informeren over gebeurtenissen die afwijken van het normale verloop van een activiteit maar die geen significante nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving hebben. Zie voor verdere uitleg over ongewone voorvallen afdeling 3.6 van het algemeen deel van de nota van toelichting bij het Besluit activiteiten leefomgeving.3 Tweede lid In het tweede lid is bepaald welke gegevens en bescheiden over het ongewoon voorval aan het college moeten worden verstrekt, zodra deze informatie beschikbaar is.
Dat hoeft dus niet met dezelfde spoed als het informeren over het ongewone voorval zelf. Derde lid Het derde lid bepaalt dat de informatieplicht niet geldt voor ongewone voorvallen waarop de Wet milieubeheer van toepassing is. Die wet bevat namelijk zelf al een informatieplicht voor ongewone voorvallen.
AFDELING 3.2 BOUWACTIVITEITEN § 3.2.1 Algemeen Artikel 3.13 (oogmerken) Dit artikel somt op met welke oogmerken de algemene regels voor de activiteiten in deze afdeling zijn gesteld. De Omgevingswet kent een aantal maatschappelijke doelen. De algemene regels over bouw-, aanleg-, en sloopactiviteiten in deze verordening zijn gesteld vanwege een concretisering van deze doelen. Artikel 3.13 somt deze oogmerken limitatief op. Artikel 3.13 werkt ook door in de bevoegdheden van het college tot het stellen van maatwerkvoorschriften. Meer uitleg hierover staat bij de toelichting op artikel 3.11. De oogmerken zijn ook van belang voor de toepassing van de beoordelingsregels. Bij de activiteiten in deze afdeling zullen niet steeds alle oogmerken een rol spelen. Als voor een bepaald oogmerk geen nader uitgewerkte regels in deze verordening zijn opgenomen, geldt wel de specifieke zorgplicht. § 3.2.2 Bouwen op verontreinigde bodem Artikel 3.14 (aanwijzing activiteiten) [artikelen 2.1.5, tweede lid, en 2.4.1 Bouwverordening]
3
Stb. 2018, 293.
Artikel 8, tweede lid, onder c, van de Woningwet geeft de gemeenteraad de opdracht om in de bouwverordening voorschriften op te nemen over het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem. In artikel 8, derde lid, van de Woningwet is uitgewerkt op welke bouwwerken deze voorschriften betrekking dienen te hebben. Het woord 'uitsluitend' in de redactie van dit derde lid duidt erop dat aanvulling in de bouwverordening niet is toegestaan. Met paragraaf 3.2.2 wordt uitvoering gegeven aan deze opdracht van de Woningwet. Bij de uitwerking is zoveel mogelijk geanticipeerd op de bepalingen die met het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet zijn toegevoegd aan de regels van de bruidsschat (omgevingsplan van rijkswege). Voor de inwerkingtreding van deze verordening was deze materie geregeld in de Bouwverordening. Eerste lid In het eerste lid is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie waarvoor een omgevingsvergunning verplicht is, aangewezen als activiteit die gevolgen kan hebben voor de fysieke leefomgeving. De definities van bodemgevoelig gebouw en bodemgevoelige locatie zijn gegeven in het tweede en derde lid (zie de toelichtingen hieronder). Het gaat hier alleen om de vergunningplichtige bouwwerken. Dat betekent bijvoorbeeld dat deze paragraaf niet van toepassing is op het bouwen van bijbehorende bouwwerken van ten hoogste 50 m2.
De waarde van 50 m2 sluit aan bij de onderste afbakening die in het Besluit omgevingsrecht is opgenomen voor bijbehorende bouwwerken: iedereen met een tuin tot 100 m2 mag 50% hiervan vergunningvrij bebouwen en hoeft hiervoor geen bodemonderzoek te verrichten. Deze grens van 50m2 gaat niet over het bouwen van een hoofdgebouw, alleen om bijbehorende bouwwerken als onderdeel van of bij reeds bestaande hoofdgebouwen. Dat sluit niet uit dat het verstandig kan zijn om een bodemonderzoek te doen, zeker als er informatie is die aanleiding geeft tot een vermoeden dat er (historische) verontreiniging aanwezig kan zijn. Het moment waarop een nieuw hoofdgebouw wordt gebouwd, is het passende moment om bodemonderzoek te verrichten en maatregelen te treffen. Voor de realisatie van een bodemgevoelig gebouw is het nodig met een verkennend bodemonderzoek vast te stellen of de locatie geschikt is voor de nieuwbouw. Met het bodemonderzoek moet de hele bodemgevoelige locatie worden onderzocht Tot slot zijn uitgezonderd de activiteiten die naar aard en omvang gelijk zijn aan de activiteiten, bedoeld in artikel 2 of 3 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht. Deze uitzondering is in overeenstemming met artikel 8, derde lid, onder b, van de Woningwet.
Tweede lid Een bodemgevoelig gebouw is een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zijn. Voor de definitie van ‘gebouw’ wordt in bijlage I verwezen naar de Woningwet. Die wet omschrijft ‘gebouw’ als bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke overdekte geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. Een bouwwerk is een constructie van enige omvang of een gedeelte daarvan, van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren (zie bijlage I). Voorbeelden van gebouwen die buiten de reikwijdte van het begrip bodemgevoelig gebouw vallen, zijn een transformatorhuisje, een gemaal, een schuur bij een woning of een loods waar alleen kort wordt geladen of gelost en waar de rest van de tijd geen personen of werknemers verblijven. Een ander element in de definitie van ‘bodemgevoelig gebouw’ is dat het gaat om een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de grond raakt. De ratio hiervan is dat daar blootstelling kan plaatsvinden en risico’s voor de gezondheid kunnen optreden.
Het gaat bijvoorbeeld niet om een uitbouw op de eerste verdieping of een dakkapel, omdat bij dergelijke bouwactiviteiten de gezondheidsrisico’s door de bodemkwaliteit niet toenemen. Blootstelling kan bij een woonschip of woonwagen plaatsvinden, voornamelijk door het direct aangrenzende terrein of de tuin, net als bij andere woningen met een tuin. Hoewel een woonschip strikt genomen niet de grond raakt,
kunnen er wel vergelijkbare gezondheidsrisico’s optreden als bij grondgebonden woningen met een tuin en daarom zijn ze expliciet toegevoegd aan het begrip bodemgevoelig gebouw. Derde lid Het derde lid bepaalt wat in ieder geval onder een bodemgevoelige locatie moet worden verstaan. Een bodemgevoelige locatie is een locatie waarop een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een bestemmingsplan, een beheersverordening of een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Bovendien valt een onmiddellijk aan een woonschip of woonwagen grenzende tuin of grenzend terrein onder de definitie van een bodemgevoelige locatie. De term ‘toelaten’ geeft aan dat hieronder ook een gebouw of deel van een gebouw wordt verstaan dat nog niet aanwezig is. Voor het gemak wordt hierna uitgegaan van het voorbeeld van een woning. Dit betekent dat al wordt aangesloten bij het moment dat een woning is geprojecteerd, dat wil zeggen dat de functie wonen is toegedeeld aan de locatie. Dat kan een andere functie zijn dan de huidige functie, bijvoorbeeld als gevolg van functiewijziging al dan niet na sloop van bestaande bebouwing. Ook als een woning nog niet feitelijk aanwezig is, kan er dus sprake zijn van een bodemgevoelige locatie.
Een bodemgevoelige locatie is ook een aaneengesloten terrein direct grenzend aan een bodemgevoelig gebouw. Omdat het aaneengesloten terrein van één eigenaar kan bestaan uit meerdere kadastrale percelen, is ervoor gekozen om niet uit te gaan van het kadastrale perceel. Dit sluit aan bij de regels over het tegengaan van bouwen op verontreinigde grond in de Woningwet. De tuin is bij uitstek gevoelig voor contact door mensen met bodemverontreiniging, bijvoorbeeld door het naar binnen lopen (huisstof), spelende kinderen, tuinieren en verbouwen van voedselgewassen. Het bouwen van een gebouw op een bodemgevoelige locatie wordt ook kortweg aangeduid als: bouwen van een bodemgevoelig gebouw. Artikel 3.15 (aanvraagvereisten) [Artikel 2.1.5, eerste, derde, vierde en vijfde lid, Bouwverordening] De aanvraagvereisten voor een omgevingsvergunning voor het bouwen zijn geregeld in de Regeling omgevingsrecht. Volgens artikel 2.4 van die regeling moet bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen een onderzoeksrapport betreffende de bodemgesteldheid worden verstrekt. Dit bodemonderzoek is noodzakelijk om te bepalen of er op de locatie waar de bouwactiviteiten zullen worden verricht sprake is van een geval van ernstige verontreiniging.
Als er sprake is van een geval van ernstige verontreiniging moeten voor het in gebruik nemen van het gebouw sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen waarmee de gezondheidsrisico’s voor de gebruikers van het bouwwerk worden beperkt. Van een sanerende of andere beschermende maatregel is in ieder geval sprake bij een sanering overeenkomstig: a. het Besluit uniforme saneringen; of b. een saneringsplan als bedoeld in artikel 39 van de Wet bodembescherming waarmee het bevoegd gezag heeft ingestemd. Op grond van artikel 4.4, tweede lid, van het Besluit omgevingsrecht hoeven de gegevens en bescheiden waarover het bevoegd gezag reeds beschikt niet bij de aanvraag te worden verstrekt. Met het derde lid, onder a, is die regel verbijzonderd door aan te geven dat de uitzondering alleen geldt als de resultaten van een verricht bodemonderzoek voldoende actueel en bruikbaar zijn. Bij een ‘te oud’ onderzoek met resultaten die naar verwachting geen representatief beeld meer geven van de verontreinigingssituatie, is deze uitzondering dus niet van toepassing en zal een nieuw bodemonderzoek moeten worden verricht. Uit de systematiek van NEN 5740 volgt dat voorafgaand aan het bodemonderzoek eerst een vooronderzoek volgens NEN 5725 wordt verricht - ook wel historisch onderzoek genoemd - voor
het formuleren van de onderzoekshypothese en een eventuele onderverdeling van het terrein. Indien het vooronderzoek naar de historie en de bodemgesteldheid uitwijst dat de locatie onverdacht is, kan op grond van het derde lid, onder b, worden afgeweken van de verplichting tot het uitvoeren van een verkennend onderzoek. Het vierde lid, onder b, richt zich specifiek op het onderzoek naar asbest in de grond. Het bodemonderzoek volgens NEN 5740 is niet toereikend om asbest in grond te onderzoeken. Daartoe is de NEN 5707 ontwikkeld. De strekking van het vijfde lid is het tegengaan dat een bodemonderzoek plaatsvindt voordat de bestaande bebouwing is gesloopt en eventueel door deze werkzaamheden een bodemverontreiniging optreedt die dan niet wordt gesignaleerd. Het gevolg van het vijfde lid is dat het resultaat van een bodemonderzoek niet altijd kan worden verstrekt bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen. Daarom behoort dit onderzoek tot de bescheiden die ook later kunnen worden ingediend. Artikel 3.16 (specifieke beoordelingsregel) [artikel 2.4.1 Bouwverordening] Wanneer er sprake is van een geval van ernstige verontreiniging op de locatie waar de bouwactiviteit wordt verricht, kan de omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit alleen worden verleend als aannemelijk is dat een sanerende of andere beschermende maatregel wordt getroffen.
Van een sanerende of andere beschermende maatregel is in ieder geval sprake bij een sanering overeenkomstig: a. het Besluit uniforme saneringen; of b. een saneringsplan als bedoeld in artikel 39 van de Wet bodembescherming waarmee het bevoegd gezag heeft ingestemd. Artikel 3.17 (vergunningvoorschriften) [artikel 2.4.2 Bouwverordening] In dit artikel is geregeld welke voorschriften in ieder geval aan de omgevingsvergunning moeten worden verbonden als er sprake is van het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie waar sprake is van een geval van ernstige verontreiniging. Op grond van onderdeel a wordt in een vergunningvoorschrift geregeld dat het gebouw of een gedeelte daarvan alleen in gebruik mag worden genomen als sanerende of andere beschermende maatregelen zijn getroffen. Het gaat daarbij om maatregelen ter bescherming van de gebruikers van het gebouw. Als verontreiniging in de bodem achterblijft kan worden gedacht aan een isolerende verhardingslaag waardoor contact met de aanwezige verontreiniging kan worden voorkomen. Tevens moet aan de vergunning het voorschrift worden verbonden dat voor ingebruikname van het gebouw of een gedeelte daarvan, aan het college informatie wordt verstrekt waaruit blijkt hoe de sanerende of andere beschermende maatregelen zijn getroffen.