CConstaterende datOegstgeest
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 bij RM d.d. 11 januari 2022 Vrijgeven voor terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan Hofbrouckerpark Z-21-151831 Oegstgeest

Oordeelsvorming Ruimte 8 februari 2022, gemeente OegstgeestBij agendapunt: Vrijgeven voor terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan Hofbrouckerpark24.294 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

24

voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:

•

vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd.

•

schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod.

Waterwet Centraal in de Waterwet staat een integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering’. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Door middel van één watervergunning regelt de wet het beheer van oppervlaktewater en grondwater en de juridische implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn Water. Via de Waterwet gelden verschillende algemene regels. Niet alles is onder algemene regels te vangen en daarom is er de integrale watervergunning. Nationaal Waterplan Bij de ontwikkeling van locaties in het stedelijk gebied wordt ernaar gestreefd dat de hoeveelheid groen en water per saldo toeneemt. Dit moet stedelijk gebied aantrekkelijk en leefbaar maken en houden. In dit kader moedigt het rijk het waterwonen aan. Waterwonen kan een bijdrage leveren aan een klimaatbestendige inrichting van Nederland, omdat deze woonvorm gecombineerd kan worden met ruimte voor water. Bij de aanpak van de stedelijke wateropgave wordt rekening gehouden met verdergaande verstedelijking en klimaatverandering en zoveel mogelijk aangesloten bij de dynamiek van de stad.

De uitvoering van maatregelen wordt gecombineerd met herstructurering van bestaand bebouwd gebied en de realisatie van groen in en om de stad. De combinatie van water en groen biedt volop kansen om het stedelijk watersysteem robuuster en klimaatbestendiger te maken. Goede verbindingen tussen het stedelijk watersysteem en het ommeland dragen bij aan een goede kwaliteit van water en landschap. Water biedt kansen voor verbetering van de leefomgeving in bestaand (groot)stedelijke gebied. Beleid hoogheemraadschap van Rijnland Waterbeheerplan Het algemeen bestuur van Rijnland heeft op 9 maart 2016 het nieuwe Waterbeheerplan (WBP5) vastgesteld. Voor de planperiode 2016 - 2021 is dit Waterbeheerplan van het hoogheemraadschap van toepassing. In dit plan geeft het waterschap aan wat haar ambities voor deze planperiode zijn en welke maatregelen in het watersysteem worden getroffen. Het WBP legt meer dan voorheen accent op uitvoering. De drie hoofddoelen zijn:

• • •

veiligheid tegen overstromingen; voldoende water; gezond water.

Wat betreft veiligheid is cruciaal dat de waterkeringen voldoende hoog en stevig zijn én blijven en dat rekening wordt gehouden met mogelijk toekomstige dijkverbeteringen. Wat betreft voldoende water gaat het erom het complete watersysteem goed in te richten, goed te beheren en goed te onderhouden. Daarbij wil het hoogheemraadschap dat het watersysteem op orde en toekomstvast wordt gemaakt, rekening houdend met klimaatverandering. Immers, de verandering van het klimaat leidt naar verwachting tot meer lokale en heviger buien, perioden van langdurige droogte en zeespiegelrijzing. De taken en bevoegdheden op het gebied van gezond water betreffen het zuiveren van afvalwater en het reguleren van lozingen op oppervlaktewater. Europese regelgeving (de Kaderrichtlijn Water) is hierbij kaderstellend. Het voorkómen van verontreiniging en een goede inrichting van oppervlaktewateren dragen in belangrijke mate bij aan

25

gezond water. Met het oog op het zuiveren van afvalwater beheert het hoogheemraadschap rioolgemalen, persleidingen en zuiveringsinstallaties. Het waterbeheerplan sorteert voor op deze ontwikkelingen. Keur 2020 en Uitvoeringsregels Op grond van de Waterwet is het hoogheemraadschap bevoegd via een eigen verordening, de Keur, regels te stellen aan handelingen die het watersysteem beïnvloeden. Denk hierbij aan handelingen in of nabij:

• • • •

waterkeringen (onder andere duinen, dijken en kaden); watergangen (onder andere kanalen, rivieren, sloten, beken); andere waterstaatswerken (o.a. bruggen, duikers, stuwen, sluizen en gemalen); de bodem van kwelgevoelige gebieden.

Maar ook aan:

• •

het onttrekken en lozen van grondwater; het aanbrengen van verhard oppervlak.

De Keur vermeldt expliciet welke handelingen vergunningsplichtig zijn en welke aan algemene regels of aan de zorgplicht moeten voldoen. In de Uitvoeringsregels die bij de Keur horen is dit nader uitgewerkt. Hemelwater Indien een toename van het verhard oppervlak plaatsvindt, dient de initiatiefnemer een verhard oppervlak ter grootte van minimaal 15% van het nieuw aan te leggen verhard oppervlak te reserveren voor extra open water (bij een toename aan verhard oppervlak vanaf 500 m² tot 5.000 m²). Het nieuwe open water moet aangesloten worden op het bestaande watersysteem. Uitgangspunt is dat de aanleg van verhard oppervlak geen negatieve gevolgen mag hebben op het watersysteem. In overleg met het hoogheemraadschap is het mogelijk om de compensatie-eis voor verhard oppervlak te verminderen door alternatieve maatregelen toe te passen. Riolering en afkoppelen Voor zover het bestemmingsplan nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt, is het van belang dat er met het hoogheemraadschap afstemming plaatsvindt over het omgaan met afvalwater en hemelwater. Overeenkomstig het rijksbeleid gaat het hoogheemraadschap uit van een voorkeursvolgorde voor de omgang met deze waterstromen.

Deze houdt in dat allereerst geprobeerd moet worden het ontstaan van (verontreinigd) afvalwater te voorkomen, bijvoorbeeld door het toepassen van niet uitlogende bouwmaterialen en het vermijden van vervuilende activiteiten op straat zoals auto’s wassen en chemische onkruidbestrijding. Vervolgens is het streven vuil water te scheiden van schoon water, bijvoorbeeld door het afkoppelen van hemelwaterafvoeren van gemengde rioolstelsels. De laatste stap in de voorkeursvolgorde is het zuiveren van het afvalwater. De doelmatigheid daarvan wordt vergroot door het scheiden van de schone en de vuile stromen. De gemeente kan gebruik maken van deze voorkeursvolgorde bij de totstandkoming van het gemeentelijk rioleringsplan (GRP), waarin de uiteindelijke afweging wordt gemaakt en waarbij doelmatigheid van de oplossing centraal staat. Zorgplicht en preventieve maatregelen voor hemelwater Voor de verwerking van hemelwater wijst het hoogheemraadschap op de zorgplicht en op het nemen van preventieve maatregelen. Het verdient aanbeveling daar waar mogelijk aandacht te besteden aan maatregelen bij de bron. Preventie heeft de voorkeur boven ‘end-of-pipe’ maatregelen.

Uitgangspunt is dat het te lozen hemelwater geen significante verslechtering van de kwaliteit van het ontvangende oppervlaktewater mag veroorzaken en emissie van vervuilende stoffen op het oppervlaktewater waar mogelijk wordt voorkomen door bijvoorbeeld:

•

duurzaam bouwen;

26

• •

het toepassen berm- of bodempassage;

•

het regenwaterriool uit te voeren met (straat)kolken voorzien van extra zand- slibvang of zakputten (putten met verdiepte bodem) op tactische plekken in het stelsel;

•

adequaat beheer van straatoppervlak, straatkolken en zakputten (straatvegen en kolken/putten zuigen); het toepassen van duurzaam onkruidbeheer;

• • •

toezicht en controle tijdens de aanlegfase en handhaving tijdens de beheerfase ter voorkoming van verkeerde aansluitingen;

de bewoners, gebruikers en beheerders voor te lichten over de werking van de riolering en een juist gebruik hiervan; het vermijden van vervuilende activiteiten op straat zoals auto’s wassen en repareren en chemische onkruidbestrijding.

Daar waar ondanks de zorgplicht en de preventieve maatregelen het te lozen hemelwater naar verwachting een aanmerkelijk negatief effect heeft op de oppervlaktewaterkwaliteit, kan in overleg tussen gemeente en waterschap gekozen worden voor aanvullende voorzieningen, een verbeterd gescheiden stelsel of - als laatste keus - aansluiten op het gemengde stelsel. Ook kan de gemeente in overleg met het hoogheemraadschap kiezen voor een generieke ‘end-of-pipe’ aanpak. Deze keuze moet dan expliciet gemaakt worden in het GRP. Watertoets De ‘watertoets’ is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is geen technische toets maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder met elkaar in gesprek brengt in een zo vroeg mogelijk stadium. In de waterparagraaf worden de watertoets en de uitkomsten van een eventueel overleg opgenomen. Het hoogheemraadschap is in het kader van het vooroverleg betrokken bij de totstandkoming van dit plan. Planspecifiek In zijn algemeenheid geldt dat voor aanpassingen aan het bestaande waterhuishouding systeem bij het hoogheemraadschap van Rijnland een vergunning dient te worden aangevraagd op grond van de Keur. Het voorliggende bestemmingsplan heeft een conserverend karakter.

Alle watergangen en waterpartijen uit de legger van het hoogheemraadschap zijn positief bestemd. De beschermingszones van waterkeringen zijn overgenomen op basis van de legger. Er worden geen ontwikkelingen mogelijk gemaakt die van invloed kunnen zijn op de waterhuishouding of strijdig zijn met het beleid van de waterbeheerder.

4.3 Ecologie Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Wat betreft soortenbescherming is per 1 januari 2017 de Flora- en faunawet samen met de Boswet en Natuurbeschermingswet vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Onder de Wet natuurbescherming vervallen de tabellen 1, 2 en 3 waarin de beschermde soorten zijn opgenomen. Tevens zijn er circa 200 soorten niet langer beschermd en worden enkele bedreigde soorten toegevoegd. De soortenbescherming binnen de Wet natuurbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en andere soorten. Voor alle beschermde soorten geldt een ontheffingsplicht. Het bevoegd gezag (de provincie) kunnen voor de soorten die zijn opgenomen in het ‘beschermingsregime andere soorten’ vrijstellingsbesluit nemen en hierin onderscheid maken tussen meer en minder strikt beschermde soorten. Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menig soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is.

27

Planspecifiek De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied betreffende Natura 2000, het Natuurnetwerk Nederland, een belangrijk weidevogelgebied of strategische reservering natuur. Eventueel aanwezige karakteristieke landschapselementen blijven behouden. Voorts worden met het voorliggende bestemmingsplan geen ontwikkelingen mogelijk gemaakt die een wezenlijk effect zullen hebben op beschermde gebieden en soorten. Een ecologisch onderzoek kan derhalve achterwege blijven. Wel geldt altijd voor iedereen in Nederland dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menig soort geldt dat, indien deze zorgplicht nagekomen wordt, een bepaald project uitvoerbaar is.

4.4 Cultureel erfgoed 4.4.1 Archeologie In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden totdat de Omgevingswet in werking treedt. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Onder andere de Monumentenwet is hierin opgegaan. Op basis van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Artikel 5.10 lid 1 van de Erfgoedwet stelt namelijk: 'Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze Minister'. Archeologische waardenkaart Oegstgeest (2008) De gemeente Oegstgeest heeft een rijk bodemarchief. In de afgelopen decennia is bij tientallen opgravingen vastgesteld dat het onderzoek van de archeologische resten die in de bodem verborgen liggen een van de belangrijkste bronnen van kennis over de bewoningsgeschiedenis vormt.

De doelstelling van het gemeentelijk archeologiebeleid is om de archeologische bronnen zo verantwoord mogelijk te beschermen. De erosie van het bodemarchief is ondanks alle inspanningen tot behoud van archeologische resten immers nog steeds erg groot. Dit betekent dat bij bouwwerkzaamheden verstoring van de diepere ondergrond uit archeologisch oogpunt zoveel mogelijk dient te worden vermeden. Waar dit niet mogelijk is, zal in de gebieden waar waardevolle, informatieve archeologische resten verloren dreigen te gaan, voorafgaand aan de geplande bodemingreep verantwoord onderzoek dienen plaats te vinden. Oegstgeest heeft drie verschillende 'waarderingsgebieden', waar verschillende regimes gelden naar aanleiding van de archeologische waarde of de archeologische verwachtingswaarde. Voor deze waarderingsgebieden wordt in opzet dezelfde planregel gebruikt, waarin een omgevingsvergunningstelsel is opgenomen. De verschillen tussen de waarderingsgebieden zitten in de oppervlakten en diepte van bodemverstoring vanaf wanneer een vergunning dient te worden aangevraagd. De gemeentelijke waardenkaart onderscheidt de volgende verwachtingszones met bijbehorende oppervlakte- en dieptecriteria: Verwachting

Oppervlakte

Diepte

Archeologische waarde

> 25 m²

50 cm

Hoge archeologische verwachting

> 100 m²

50 cm

Gematigde archeologische verwachting

> 250 m²

50 cm

Lage archeologische verwachting

Geen voorschriften

Geen voorschriften

Geen archeologische verwachting

Geen voorschriften

Geen voorschriften

28

Planspecifiek Volgens de archeologische waardenkaart van de gemeente Oegstgeest (zie navolgende afbeelding) is voor het merendeel van het plangebied sprake is van een gematigde archeologische verwachting. Voor de strook ten oosten van de Laan van Oud-Poelgeest geldt een hoge archeologisch verwachting. De gronden ten westen en noorden van het Hofbrouckerpark hebben geen archeologische verwachting. Aan bodemingrepen die groter zijn dan de in de tabel genoemde oppervlaktes en dieper gaan dan 50 cm worden in ruimtelijke plannen voorwaarden verbonden worden die gericht zijn op het behoud (in of ex situ) van de aanwezige archeologische resten. Voor ontwikkelingen heeft dit tot gevolg dat er eerst archeologisch onderzoek verricht moet worden alvorens te kunnen ontwikkelen. Hiertoe zijn in het voorliggende bestemmingsplan voor de gebieden met een hoge en gematigde archeologische verwachting respectievelijk de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 2' en 'Waarde - Archeologie 3' opgenomen, overeenkomstig het gemeentelijk beleid.

Uitsnede archeologische waardenkaart

29

4.4.2 Cultuurhistorie Goede ruimtelijke ordening betekent dat er een integrale afweging plaatsvindt van alle belangen die effect hebben op de kwaliteit van de ruimte. Een van die belangen is de cultuurhistorie. Het bestemmingsplan is een belangrijk instrument om cultuurhistorische waarden in een gebied te beschermen. Per 1 januari 2012 is in het kader van de modernisering van de monumentenzorg (MOMO) in het Besluit ruimtelijke ordening van het rijk opgenomen dat gemeenten bij het maken van bestemmingsplannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden. Planspecifiek Oudenhofmolen Buiten het plangebied van dit bestemmingsplan bevindt zich de Oudenhofmolen. Deze molen staat in het Irispark, aan de Lelielaan, en dateert uit 1783. Oorspronkelijk is de molen gebouwd ten behoeve van de bemaling van de polder Oudenhof, die door ontpoldering in 1963 ophield te bestaan. De Oudenhofmolen is aangewezen als rijksmonument en geniet als zodanig bescherming onder de Erfgoedwet. Naast de cultuurhistorische waarde van de molen in algemene zin is ook het functioneren van de molen van belang. Samen vormen deze aspecten de belevingswaarde van de molen. Ten behoeve van het functioneren van de molen dient in beginsel rondom elke molen een geschikte biotoop aanwezig te zijn teneinde de vrije windvang voor de molens te kunnen garanderen.

Vanwege de aanwezige grootschalige bebouwing en bomen met opgaand groen is de windvang reeds beperkt. Ondanks de reeds verstoorde omstandigheden, zullen de eisen voor een molenbiotoop in het bestaand stedelijk gebied die de provincie Zuid-Holland hanteert onverkort voor dit bestemmingsplan van toepassing zijn. Derhalve is op de verbeelding een aanduiding opgenomen voor de gronden die zich binnen 400 m afstand van het middelpunt van de molen bevinden. Het voorliggende bestemmingsplan maakt in het gebied van de molenbiotoop geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk. Overig Het voorliggende bestemmingsplan is conserverend van aard en zal geen stedenbouwkundige veranderingen met zich meebrengen en/of afbreuk doen aan de cultuurhistorische of landschappelijke waarden van een monument of ander cultuurhistorisch waardevol element. Uitgangspunt is het handhaven en waar mogelijk vergroten van de kwaliteiten. Nader cultuurhistorisch onderzoek is niet noodzakelijk.

4.5 Milieueffectrapportage De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De m.e.r. is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer. Naast de Wet milieubeheer is het Besluit m.e.r. belangrijk om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan of een besluit de m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. Bij toetsing aan het Besluit m.e.r. zijn er vier mogelijkheden: a. b.

het plan of besluit is direct m.e.r.- plichtig; het plan of besluit bevat activiteiten uit kolom 1 van onderdeel D, en ligt boven de (indicatieve) drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D. Het besluit moet eerst worden beoordeeld om na te gaan of er sprake is van m.e.r.-plicht: het besluit is dan m.e.r.beoordelingsplichtig. Voor een plan in kolom 3 ‘plannen’ geldt geen m.e.r.-beoordelingsplicht, maar direct een (plan-)m.e.r.-plicht;

30

c.

d.

het plan of besluit bevat wel de activiteiten uit kolom 1, maar ligt beneden de drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D: er dient in overleg met de aanvrager van het bijbehorende plan of besluit beoordeeld te worden of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling (als sprake is van een besluit) of het direct uitvoeren van een m.e.r. (als sprake is van een plan). Deze keuze wordt uiteindelijk in het bijbehorende plan of besluit gemotiveerd; de activiteit(en) of het betreffende plan en/of besluit worden niet genoemd in het Besluit m.e.r.: er geldt geen m.e.r.-(beoordelings)plicht.

Sinds 16 mei 2017 geldt er een directe werking van het Europees recht. Daarom is per 7 juli 2017 het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. In de gewijzigde Besluit m.e.r. staat de nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. De artikelen 7.16 tot en met 7.20a Wet milieubeheer zijn voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing. Op grond van artikel 7.19 Wet milieubeheer dient het bevoegd gezag, ondanks dat er geen noodzaak kan bestaan voor het opstellen van een m.e.r.-beoordeling of een MER, een besluit te nemen. Planspecifiek Het voorliggende bestemmingsplan is conserverend van aard en maakt geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk. Er worden geen nieuwe activiteiten mogelijk gemaakt die zijn benoemd in de bijlage behorende bij het Besluit m.e.r. Dit houdt in dat verdere toetsing aan het Besluit m.e.r. niet van toepassing is. Een (vormvrije) m.e.r.-beoordeling is niet aan de orde.

31

hoofdstuk 5 Juridische planbeschrijving 5.1 Algemeen Voor het bestemmingsplan is gebruik gemaakt van de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP 2012). Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Ook is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. Tot slot maakt een eventuele bijlage onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan.

5.2 Verbeelding Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven, met daarbij andere bepalingen als gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken, etc. Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaart en/of kadastrale kaart).

5.3 Planregels De planregels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels voor het hele plangebied. Hoofdstuk 2 geeft de bestemmingsregels. Hoofdstuk 3 geeft vervolgens de algemene regels waaronder (mogelijke) flexibiliteitsbepalingen in de vorm van wijzigings- en afwijkingsbevoegdheden. In dit derde hoofdstuk kunnen belangrijke algemene bepalingen zijn opgenomen die van invloed zijn op het bepaalde in hoofdstuk 2. Ten slotte regelt hoofdstuk 4 de overgangs- en slotbepalingen. Voor de planregels is de gestandaardiseerde opbouw uit de SVBP 2012 gebruikt. In de planregels is een standaard hoofdstukindeling aangehouden die begint met 'Inleidende regels' (begrippen en wijze van meten), vervolgens met de 'Bestemmingsregels', de 'Algemene regels' (de regels die voor alle bestemmingen gelden) en de 'Overgangs- en slotregels'. In het tweede hoofdstuk, de Bestemmingsregels, staan de verschillende bestemming op alfabetische volgorde. Ook dit hoofdstuk kent een standaardopbouw:

• • • • • • •

bestemmingsomschrijving (in elk bestemmingsplan); bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk); nadere eisen (bestemmingsplanafhankelijk); afwijken van de bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk); specifieke gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk); afwijken van de gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk); omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden (bestemmingsplanafhankelijk).

32

5.4 Wijze van bestemmen Navolgend worden per artikel de belangrijkste aspecten beschreven. Hoofdstuk 1: Inleidende regels Artikel 1 Begrippen In deze bepaling zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. Artikel 2 Wijze van meten Om op een eenduidige manier afstanden en oppervlakten te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Hiervoor is aangesloten bij de SVBP 2012. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden. Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels Artikel 3 Gemengd De bestemming 'Gemengd' is toegekend aan de gebouwen ten zuiden van de Piet Heinlaan en ten oosten van de Hazenboslaan. Binnen deze bestemming zijn zorgwonen, maatschappelijke voorzieningen en bij deze bestemming behorende bouwwerken en voorzieningen toegestaan. Ter plaatse van de aanduiding 'wonen', die is toegekend aan de (zorg)woningen/aanleunwoningen aan de Piet Heinlaan en de Hazenboslaan, is (regulier) wonen, al dan niet in combinatie met de uitoefening van aan-huis-verbonden beroepen, mogelijk.

Hoofdgebouwen mogen binnen het bouwvlak gebouwd worden. Met aanduidingen op de verbeelding zijn de maximale goot- en bouwhoogten van hoofdgebouwen aangegeven. Aan- en uitbouwen en bijgebouwen mogen uitsluitend 3 m achter de naar de weg gekeerde gevel c.q. het verlengde daarvan worden gebouwd. Verder zijn bouwregels voor kelders en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, opgenomen. Artikel 4 Groen De bestemming 'Groen' is toegekend aan de openbare groenvoorzieningen. Hierbij gaat het om de groenvoorzieningen in het Hofbrouckerpark en de gronden rondom watergangen. Binnen deze bestemming zijn (openbaar) groen, water, voet- en fietspaden, parken, inritten, (ondergrondse) voorzieningen ten behoeve afvalinzameling, sloten, vijvers en moerassen ten behoeve van waterberging, waterafvoer en/of beheersing van de grondwaterstand en bij de bestemming behorende bouwwerken en voorzieningen toegelaten. In de bouwregels is opgenomen dat er uitsluitend gebouwen ten behoeve van nutsvoorzieningen gebouwd mogen worden. Verder is de maximale bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, vastgelegd. Artikel 5 Sport De sportvelden aan de oostzijde van het plangebied hebben de bestemming 'Sport'.

Binnen deze bestemming zijn sportactiviteiten en sportvoorzieningen, aan de toegestane voorzieningen ondergeschikte en daarmee samenhangende activiteiten zoals ondergeschikte horeca en detailhandel en bij deze bestemming behorende bouwwerken en voorzieningen mogelijk. Gebouwen mogen binnen het bouwvlak gebouwd worden. Met aanduidingen op de verbeelding zijn de maximale goot- en bouwhoogten van hoofdgebouwen aangegeven. Verder zijn bouwregels voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde, opgenomen. Artikel 6 Tuin De bestemming 'Tuin' is toegekend aan de voor- en zijtuinen bij de woningen aan de Piet Heinlaan en de Lange Voort en de woning aan de Hofbrouckerlaan 56. Binnen deze bestemming zijn voor- en zijtuinen bij de op de aangrenzende gronden gelegen hoofdgebouwen (woningen) en bij deze bestemming behorende bouwwerken en voorzieningen mogelijk.

33

Binnen de bestemming mogen geen gebouwen gebouwd worden. Van dit verbod kan voor erkers onder voorwaarden afgeweken worden. Verder zijn bouwregels voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde, opgenomen. Artikel 7 Verkeer De bestemming 'Verkeer' is toegekend aan het profiel van de Laan van Oud-Poelgeest. Deze gronden zijn bestemd voor wegen met doorgaande rijstroken met hoofdzakelijk een functie als gebieds- en wijkontsluiting en bij deze bestemming behorende bouwwerken en voorzieningen. In de bouwregels is opgenomen dat er uitsluitend gebouwen ten behoeve van nutsvoorzieningen gebouwd mogen worden. Verder is de maximale bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, vastgelegd. Artikel 8 Verkeer - Verblijfsgebied De wegprofielen en parkeervoorzieningen in het plangebied, met uitzondering van de Laan van OudPoelgeest, hebben de bestemming 'Verkeer - Verblijfsgebied'. Binnen deze bestemming zijn verblijfsgebied met (ontsluitings)wegen, fiets- en voetpaden, in- en uitritten, fiets- en voetgangerstunnels, fietsenstallingen met hoofdzakelijk een functie voor verblijf, verplaatsing en gebruik ten dienste van aangrenzende bestemmingen en bij deze bestemming behorende bouwwerken en voorzieningen mogelijk. In de bouwregels is opgenomen dat er uitsluitend gebouwen ten behoeve van nutsvoorzieningen gebouwd mogen worden.

Verder is de maximale bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, vastgelegd. Artikel 9 Water Aan de watergangen- en partijen is de bestemming 'Water' toegekend. De voor 'Water' aangewezen gronden zijn bestemd voor waterhuishoudkundige doeleinden, waterberging, waterlopen met bijbehorende taluds, bermen en bij de bestemming behorende bouwwerken en voorzieningen. Op de gronden met de bestemming 'Water' mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van deze bestemming worden gebouwd. Artikel 10 Wonen De bestemming 'Wonen' is toegekend aan de gronden bij de woningen aan de Piet Heinlaan en de Lange Voort en de woning aan de Hofbrouckerlaan 56. Binnen deze bestemming zijn wonen, al dan niet in combinatie met de uitoefening van aan-huis-verbonden beroepen en bij deze bestemming behorende bouwwerken en voorzieningen toegestaan. Aan de woning aan de Hofbrouckerlaan 56 is de aanduiding 'karakteristiek' toegekend, waarmee de gronden mede bestemd zijn voor de instandhouding en bescherming van bouwwerken met monumentale en/of cultuurhistorische waarden. Hoofdgebouwen mogen binnen het bouwvlak gebouwd worden. Met aanduidingen op de verbeelding zijn het toegestane woningtype, de minimale en/of maximale goot- en/of bouwhoogten van hoofdgebouwen aangegeven. Aan- en uitbouwen en bijgebouwen mogen uitsluitend 3 m achter de naar de weg gekeerde gevel c.q.

het verlengde daarvan worden gebouwd. Verder zijn bouwregels voor kelders en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, opgenomen. Artikel 11 Waarde - Archeologie 2 en artikel 12 Waarde - Archeologie 3 Ter bescherming van de op basis van de archeologische waardenkaart Oegstgeest (2008) verwachte archeologische waarden zijn delen van het plangebied voorzien van de dubbelbestemmingen 'Waarde Archeologie 2' en 'Waarde - Archeologie 3'. Artikel 13 Waterstaat - Waterkering De gronden die behoren tot de beschermingszone van de waterkering ter hoogte van de Kwaaklaan zijn voorzien van de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering'. Hoofdstuk 3: Algemene regels Artikel 14 Antidubbeltelregel Deze regel is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het

34

opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. Artikel 15 Algemene bouwregels In dit artikel zijn algemene bepalingen over bouwen opgenomen. Deze bepalingen hebben betrekking op bestaande afwijkende maatvoeringen, ondergronds bouwen en overschrijden van bouwgrenzen. Artikel 16 Algemene gebruiksregels In dit artikel zijn algemene regels opgenomen ten aanzien van strijdig gebruik opgenomen. Artikel 17 Algemene aanduidingsregels In dit artikel zijn algemene regels opgenomen ten aanzien van de bescherming van de molenbiotoop opgenomen. Artikel 18 Algemene afwijkingsregels In dit artikel zijn algemene regels opgenomen om af te wijken van hetgeen is bepaald in het bestemmingsplan. Artikel 19 Algemene wijzigingsregels In dit artikel is een mogelijkheid opgenomen om de ligging van grenzen van bestemmingsvlakken te wijzigen. Artikel 20 Overige regels In dit artikel is bepaald dat in voldoende parkeergelegenheid voorzien moet worden, waarbij wordt verwezen naar het gemeentelijk parkeerbeleid (Parkeernota Oegstgeest 2021 of de opvolger daarvan). Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels Artikel 21 Overgangsrecht In deze regels wordt vorm en inhoud gegeven aan het overgangsrecht voor bebouwing en gebruik. Artikel 22 Slotregel Als laatste wordt de slotregeling opgenomen.

Deze regeling bevat de titel van het plan.

35

hoofdstuk 6 Economische uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Bro, onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van ‘afdeling 6.4 grondexploitatie', artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien:

•

het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is;

•

het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is;

•

het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is.

Planspecifiek Het voorliggende bestemmingsplan maakt geen nieuwe bouwplannen als bedoeld in artikel 6.2.1 van het Bro mogelijk. Voor de gemeente zijn er geen kosten die verhaald moeten worden. Hiermee kan afgezien worden van het vaststellen van een exploitatieplan of het anderszins verzekeren van de gemeentelijke kosten.

36

hoofdstuk 7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 7.1 Algemeen Bij de voorbereiding van een (voor)ontwerp bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1 Wro sub c overleg te worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Op basis van het eerste lid van dit artikel wordt overleg gevoerd met waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Voor wat kleinere plannen kan, in overleg, afgezien worden van dit overleg. Een ontwerp bestemmingsplan dient conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd worden. Hierbij is er de mogelijkheid voor een ieder om zienswijzen in te dienen op het plan. Na vaststelling door de Raad wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het bestemmingsplan ligt na bekendmaking 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het bestemmingsplan treedt vervolgens de dag na afloop van de tervisielegging in werking als er geen beroep is ingesteld. Is er wel beroep ingesteld dan treedt het bestemmingsplan ook in werking, tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige voorziening is gevraagd.

De schorsing van de inwerkingtreding eindigt indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen. De procedure eindigt met het besluit van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

7.2 Verslag overleg artikel 3.1.1 Bro In deze paragraaf of in een separate bijlage worden te zijner tijd de reacties in het kader van het overleg ex artikel 3.1.1 van het Bro samengevat en van een gemeentelijke reactie voorzien.

7.3 Verslag zienswijzen In deze paragraaf of in een separate bijlage worden te zijner tijd de eventuele zienswijzen op het ontwerp bestemmingsplan samengevat en van een gemeentelijke reactie voorzien.

37

bestemmingsplan

Hofbrouckerpark Gemeente Oegstgeest

Planstatus:

voorontwerp

Plan identificatie:

NL.IMRO.0579.BPHofbrouckerpark-VO01

Datum:

2021-12-14

Contactpersoon Buro SRO:

dhr. R. van der Made

Kenmerk Buro SRO:

SR210530

Opdrachtgever:

gemeente Oegstgeest

Buro SRO 't Goylaan 11 3525 AA Utrecht 030-2679198 www.buro-sro.nl

BTW nummer: KvK nummer: Rabobank rekeningnummer:

NL8187.16.071.B01 30232281 NL44.RABO.0142.1540.24 t.n.v. Buro SRO B.V. te Utrecht

2

Inhoudsopgave hoofdstuk 1 Inleidende regels ................................................................................................................... 5 Artikel 1 Begrippen ................................................................................................................................................... 5 Artikel 2 Wijze van meten ....................................................................................................................................... 12

hoofdstuk 2 Bestemmingsregels ............................................................................................................. 14 Artikel 3 Gemengd .................................................................................................................................................. 14 Artikel 4 Groen ........................................................................................................................................................ 17 Artikel 5 Sport ......................................................................................................................................................... 18 Artikel 6 Tuin ........................................................................................................................................................... 19 Artikel 7 Verkeer ..................................................................................................................................................... 20 Artikel 8 Verkeer - Verblijfsgebied .......................................................................................................................... 22 Artikel 9 Water ........................................................................................................................................................

24 Artikel 10 Wonen .................................................................................................................................................... 25 Artikel 11 Waarde - Archeologie 2 .......................................................................................................................... 30 Artikel 12 Waarde - Archeologie 3 .......................................................................................................................... 32 Artikel 13 Waterstaat - Waterkering ....................................................................................................................... 34

hoofdstuk 3 Algemene regels .................................................................................................................. 36 Artikel 14 Anti-dubbeltelregel ................................................................................................................................. 36 Artikel 15 Algemene bouwregels ............................................................................................................................ 36 Artikel 16 Algemene gebruiksregels ........................................................................................................................ 36 Artikel 17 Algemene aanduidingsregels .................................................................................................................. 37 Artikel 18 Algemene afwijkingsregels ..................................................................................................................... 38 Artikel 19 Algemene wijzigingsregels ...................................................................................................................... 38 Artikel 20 Overige regels ......................................................................................................................................... 39

hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels ..................................................................................................... 40 Artikel 21 Overgangsrecht....................................................................................................................................... 40 Artikel 22 Slotregel .................................................................................................................................................. 40

3

4

hoofdstuk 1 Inleidende regels Artikel 1 Begrippen In deze regels wordt verstaan onder:

1.1 plan het bestemmingsplan Hofbrouckerpark met identificatienummer NL.IMRO.0579.BPHofbrouckerpark-VO01 van de Gemeente Oegstgeest.

1.2 bestemmingsplan de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels (en eventuele bijlagen).

1.3 aan- en uitbouw een aan een hoofdgebouw gebouwd gebouw of deel van een hoofdgebouw dat door zijn verschijningsvorm een ondergeschikte bouwmassa vormt dan wel in bouwkundig opzicht te onderscheiden is van het hoofdgebouw.

1.4 aan-huis-verbonden (bedrijfs)activiteiten het al dan niet bedrijfsmatig verlenen van diensten, met uitzondering van een groepspraktijk c.q. het uitoefenen van ambachtelijke − geheel of overwegend door middel van handwerk uit te oefenen − bedrijvigheid, waarvan de omvang en uitstraling zodanig zijn dat de activiteit in een woning en/of de daarbij behorende bijgebouwen, met behoud van de woonfunctie, kan worden uitgeoefend. Tevens zijn hieronder begrepen: a. b. c.

bed and breakfast; cateringbedrijf voorzover voedsel niet ter plaatse wordt verkocht en/of afgehaald; webwinkel voorzover deze geen uitstalling ten verkoop heeft en/of goederen niet ter plaatse kunnen worden afgehaald.

1.5 aan-huis-verbonden beroep een beroep waarvan de uitoefening niet publieksgericht is en dat op kleine schaal in een woning en/of de bijgebouwen wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en de desbetreffende beroepsuitoefening een ruimtelijke uitstraling heeft die in overeenstemming is met de woonfunctie ter plaatse.

1.6 aanduiding een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels, regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden.

1.7 aanduidingsgrens de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft.

5

1.8 achtererf erf aan de achterkant en de niet naar openbaar toegankelijk gebied gekeerde zijkant, op meer dan 3 m van de voorkant van het hoofdgebouw.

1.9 afhankelijke woonruimte een aan-, uit- of bijgebouw dat qua ligging een ruimtelijke eenheid vormt met de woning en waarin een gedeelte van de huishouding uit een oogpunt van mantelzorg gehuisvest is.

1.10 archeologisch deskundige een deskundige met betrekking tot archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag te stellen kwalificaties.

1.11 archeologisch onderzoek onderzoek verricht door of namens een volgens de erfgoedwet gecertificeerde dienst of instelling.

1.12 archeologische verwachting de aan een gebied toegekende waarde in verband met de in dat gebied (verwachte) voorkomende overblijfselen uit oude tijden.

1.13 archeologische waarde de waarde die een gebied bezit op grond van de aldaar aanwezige archeologische resten.

1.14 bebouwing één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde.

1.15 bebouwingspercentage het percentage dat de grootte van het bouwvlak aangeeft, dat maximaal mag worden bebouwd, tenzij in de regels anders is bepaald.

1.16 bed and breakfast het bedrijfsmatig en op kleine schaal tegen betaling aanbieden van logies/overnachting in een daarvoor geschikt deel van een woning gericht op het bieden van de mogelijkheid tot een toeristisch en kortdurend verblijf met ontbijtmogelijkheden, waarbij geldt dat dit ondergeschikt aan de woonfunctie plaatsvindt. Het gaat om niet-permanente bewoning en niet om huisvesting van tijdelijke of seizoenarbeiders.

1.17 bedrijf een onderneming waarbij het accent ligt op het vervaardigen, bewerken, installeren, inzamelen en verhandelen van goederen, waarbij eventueel detailhandel uitsluitend plaatsvindt als ondergeschikt onderdeel van de onderneming in de vorm van verkoop c.q. levering van ter plaatse vervaardigde, bewerkte of herstelde goederen, dan wel goederen die in rechtstreeks verband staan met de uitgeoefende handelingen.

6

1.18 bestaand gebruik het op het tijdstip van het in werking treden van het plan aanwezige gebruik van gronden en bouwwerken.

1.19 bestaande afstands-, hoogte-, inhouds- en oppervlaktematen afstands-, hoogte-, inhouds- en oppervlaktematen, die op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan tot stand zijn gekomen of tot stand kunnen komen met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Woningwet dan wel Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

1.20 bestaande bouwwerken bouwwerken zoals aanwezig op het tijdstip van de inwerkingtreding van dit plan, dan wel die mogen worden gebouwd krachtens een voor dat tijdstip aangevraagde vergunning.

1.21 bestemmingsgrens de grens van een bestemmingsvlak.

1.22 bestemmingsvlak een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming.

1.23 bijgebouw een vrijstaand gebouw dat in functioneel en bouwkundig opzicht ondergeschikt is aan een op hetzelfde perceel gelegen hoofdgebouw.

1.24 bouwen het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats.

1.25 bouwgrens de grens van een bouwvlak.

1.26 bouwlaag een doorlopend gedeelte van een gebouw dat is begrensd door op (nagenoeg) gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen en dat zodanige afmetingen en vormen heeft dat dit gedeelte zonder ingrijpende voorzieningen voor de toegestane functie(s) geschikt of geschikt te maken is.

1.27 bouwperceel een aaneengesloten stuk grond, waarop krachtens de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.

1.28 bouwperceelgrens de grens van het bouwperceel.

7

1.29 bouwvlak een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten.

1.30 bouwwerk elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct hetzij indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond.

1.31 dakkapel een in een schuin dakvlak aangebrachte constructie voorzien van een raampartij ter vergroting van een gebouw, die zich tussen de dakgoot en de nok van een dakvlak bevindt, waarbij deze constructie onder de noklijn is gelegen en de onderzijde van de constructie in het dakvlak is geplaatst.

1.32 dakopbouw een toevoeging aan het hoofdgebouw door het verhogen van de nok of bovenste dakrand van het dak die het silhouet van het oorspronkelijke gebouw verandert.

1.33 deskundige een door het bevoegd gezag aan te wijzen onafhankelijk persoon met specifieke kennis of commissie van personen inzake een bepaalde vakdiscipline.

1.34 detailhandel het bedrijfsmatig te koop aanbieden (waaronder de uitstalling ten verkoop), verkopen, verhuren en leveren van goederen aan personen die goederen kopen, leasen of huren voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit.

1.35 dienstverlening het bedrijfsmatig verlenen van commerciële diensten, waarbij het publiek rechtstreeks te woord wordt gestaan en geholpen, zoals reis- en uitzendbureaus, kapsalons, pedicures, wasserettes, makelaarskantoren, en bankfilialen.

1.36 eerste bouwlaag de onderste bouwlaag, waarvan de vloer boven maaiveld is gelegen.

1.37 erfafscheiding een bouwwerk geplaatst om de grens met de naburige percelen aan te geven en niet zijnde een natuurlijk gewas zoals een haag.

1.38 erker een ondergeschikte uitbouw aan de voor- en/ of zijkant van een gebouw, niet zijnde een entree, grenzend aan een verblijfsruimte van het betreffende gebouw, waarvan de naar openbaar gebied gekeerde zijde en nog minimaal één andere zijde (grotendeels) transparant is.

8

1.39 escortbedrijf een natuurlijk persoon, groep van personen of rechtspersonen, die bedrijfsmatig of in de omvang alsof zij bedrijfsmatig was, aanbiedt om prostitutie te verrichten, die op een andere plaats dan in de bedrijfsruimte worden uitgeoefend, onder andere escortservice en bemiddelingsbureaus.

1.40 gebouw elk bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.

1.41 gestapelde woning een woning die geheel of gedeeltelijk boven dan wel onder een andere woning is gesitueerd.

1.42 hoofdgebouw een gebouw dat op een bouwperceel door zijn ligging, constructie of afmetingen, als het belangrijkste bouwwerk valt aan te merken.

1.43 hoofdfunctie een functie waarvoor het gebouw hoofdzakelijk mag worden gebruikt.

1.44 horeca een bedrijf gericht op één of meer van de navolgende activiteiten: a. b. c.

het verstrekken van ter plaatse te nuttigen voedsel en dranken; het exploiteren van zaalaccommodatie; het verstrekken van nachtverblijf.

1.45 kelder een gedeelte van een gebouw dat wordt afgedekt door een vloer- of dakconstructie waarvan de bovenkant, voor zover de kelder tenminste niet onder het hoofdgebouw gesitueerd is, minimaal 10 cm onder het direct aansluitende, al dan niet verharde, terrein ligt.

1.46 kunstobject een bouwwerk, geen gebouwen zijnde, met artistieke waarde.

1.47 maatschappelijke voorzieningen educatieve, (para)medische, justitiële opvanginrichting, niet-justitiële jeugdzorg, sociaal-culturele, levensbeschouwelijke, religieuze, onderwijsvoorzieningen, zorgvoorzieningen en voorzieningen ten behoeve van openbare dienstverlening, alsmede ondergeschikte detailhandel en horeca in combinatie met en ten dienste van deze voorzieningen.

9

1.48 mantelzorg langdurige, intensieve niet georganiseerde zorg die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt gegeven aan een ieder die hulpbehoevend is op het fysieke, psychische en/of sociale vlak door één of meer leden uit diens directe dan wel sociale omgeving, waarbij de zorgverlening rechtstreeks voortvloeit uit de sociale relatie.

1.49 nutsvoorzieningen voorzieningen ten behoeve van het openbare nut, zoals transformatorhuisjes, gasreduceerstations, schakelhuisjes, duikers, bemalingsinstallaties, gemaalgebouwtjes, telefooncellen, voorzieningen ten behoeve van (ondergrondse) afvalinzameling, elektrische laadpalen en apparatuur voor telecommunicatie.

1.50 ondergeschikte horeca het qua aard en omvang beperkt verstrekken van dranken en etenswaren voor gebruik ter plaatse als ondergeschikte functie in verband met andere ter plaatse toegestane hoofdfuncties (niet zijnde horeca).

1.51 overkapping een bouwwerk, geen gebouwen zijnde, voorzien van een gesloten dak en met aan ten hoogste één zijde een gesloten wand.

1.52 peil a. b. c. d.

bij ligging aan een weg: de kruin van de weg; bij ligging aan een anderszins verhard terrein: de bovenkant van dat terrein; bij ligging anders dan aan een weg of verhard terrein: het maaiveld; indien in of op het water wordt gebouwd: het Normaal Amsterdams Peil (of een ander plaatselijk aan te houden waterpeil).

1.53 seksinrichting een voor het publiek toegankelijk gebouw of bouwwerk, dan wel onderkomens, waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotischpornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting worden in elk geval verstaan een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub of een prostitutiebedrijf, waaronder tevens begrepen een erotisch massagesalon, al of niet in combinatie met elkaar.

1.54 standplaats het vanaf een vaste plaats op een openbare en in de openlucht gelegen plaats te koop aan bieden, verkopen of afleveren van goederen, dan wel het aanbieden van diensten: a. b.

gebruikmakend van fysieke middelen, zoals een kraam, wagen of tafel; door anderszins goederen uit te stallen of uitgestald te hebben om deze te koop aan te bieden, te verkopen of af te leveren.

1.55 stedenbouwkundige kwaliteit de aan een gebied toe te kennen waarde in verband met stedenbouwkundige elementen, zoals de aanwezige en/of geprojecteerde infrastructuur, waaronder groenelementen, ligging, maatvoering, functie en karakter van bouwwerken in dat gebied.

10

1.56 verbeelding analoge verbeelding: de verbeelding van het bestemmingsplan Hofbrouckerpark, bestaande uit een kaart met identificatienummer NL.IMRO.0579.BPHofbrouckerpark-VO01; digitale verbeelding: de verbeelding van het bestemmingsplan Hofbrouckerpark, de geometrisch bepaalde planobjecten als vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0579.BPHofbrouckerpark-VO01.

1.57 voorgevellijn een aangegeven lijn, waarin of waarachter de voorgevel van het hoofdgebouw dient te worden gebouwd, dan wel fictieve lijn gelegen in de voorgevel en het verlengde daarvan.

1.58 vrijstaand bebouwing waarbij de hoofdgebouwen niet in de perceelsgrens zijn gebouwd.

1.59 waterhuishoudkundige voorzieningen voorzieningen die nodig zijn ten behoeve van een goede wateraanvoer, waterafvoer, waterberging en waterkwaliteit, waaronder duikers, stuwen, gemalen, inlaten en voorzieningen ten behoeve van berging en infiltratie van hemelwater.

1.60 woning een (gedeelte van een) gebouw dat dient voor de huisvesting van één huishouden.

1.61 zorgwonen wonen in een zorgwoning, waarbij het zorgaspect aanwezig en verzekerd is doordat cumulatief aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: a. b. c. d.

er is sprake van 24-uurs zorg; er is een verplichting tot het afnemen van zorg; de bewoners hebben een geïndiceerde zorgbehoefte krachtens de Wet langdurige zorg (Wlz); de zorg wordt verleend in de zorgwoning of in het complex waartoe de zorgwoning behoort en er is sprake van (nagenoeg) permanent toezicht of begeleiding.

1.62 zorgwoning een woning, waarbij het zorgaspect aanwezig en verzekerd is en die voldoet aan de voorwaarden van zorgwonen.

11

Artikel 2 Wijze van meten Bij toepassing van de regels wordt als volgt gemeten:

2.1 afstand afstanden tussen bouwwerken onderling alsmede afstanden van bouwwerken tot perceelsgrenzen worden daar gemeten waar deze afstanden het kleinst zijn.

2.2 bouwhoogte van een bouwwerk vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouwen zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.

2.3 breedte, diepte c.q. lengte van een bouwwerk tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of de harten van de gemeenschappelijke scheidingsmuren.

2.4 dakhelling langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak.

2.5 goothoogte van een bouwwerk vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeiboord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.

2.6 inhoud van een bouwwerk tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.

2.7 de (bruto vloer)oppervlakte van een bouwwerk tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.

2.8 vloeroppervlak van een gebouw de gebruiksoppervlakte volgens NEN2580.

12

2.9 ondergeschikte bouwdelen Bij toepassing van het in dit artikel bepaalde worden ondergeschikte bouwdelen, zijnde: a.

b.

plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, luchtkokers, liftschachten, gevel- en kroonlijsten, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, met dien verstande dat de overschrijding niet meer mag bedragen dan 1,5 m; dakkapellen met betrekking tot de goothoogte buiten beschouwing gelaten, mits de breedte van de dakkapel in het voordakvlak niet meer bedraagt dan 50% van de breedte van het voordakvlak en de onderzijde van de dakkapel op minimaal 0,50 m van de dakvoet wordt gebouwd.

13

hoofdstuk 2 Bestemmingsregels Artikel 3 Gemengd 3.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Gemengd' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. b. c. d.

ter plaatse van de aanduiding 'wonen', wonen, al dan niet in combinatie met de uitoefening van aan-huis-verbonden beroepen; zorgwonen; maatschappelijke voorzieningen; bij deze bestemming behorende bouwwerken en voorzieningen zoals groen, water, nuts- en parkeervoorzieningen.

3.2 Bouwregels 3.2.1 Hoofdgebouwen Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels: a. b. c.

hoofdgebouwen worden binnen het bouwvlak gebouwd; ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte (m)' is ten hoogste de aangegeven goothoogte toegestaan; ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte (m)' is ten hoogste de aangegeven bouwhoogte toegestaan.

3.2.2 Kelders Voor het bouwen van kelders gelden de volgende regels: a. b. c.

d. e.

f.

g.

kelders zijn niet toegestaan bij gestapelde woningen; kelders mogen binnen en buiten het bouwvlak gerealiseerd worden; de oppervlakte van kelders die buiten het bouwvlak wordt gerealiseerd mag niet meer bedragen dan 30% van de gronden gelegen buiten het bouwvlak en gelegen áchter de naar de weg gekeerde gevel c.q. het verlengde daarvan, met een maximum van 50 m²; voor kelders die naast het bouwvlak worden gerealiseerd geldt tevens dat deze 3 m achter de voorgevelrooilijn moeten worden gesitueerd; de bovenkant van een kelder ligt ten hoogste 0,1 m beneden het direct aansluitende, al dan niet verharde, terrein, met dien verstande dat in voorkomende gevallen een goede aansluiting op de openbare weg en belendende percelen wordt gerealiseerd; de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens en de openbare weg bedraagt ten minste 1 m; indien belendende percelen tegelijkertijd een kelder bouwen, mag in de gezamenlijke zijperceelsgrens worden gebouwd; de kelder mag niet ten koste gaan van de op het perceel aanwezige parkeerplaatsen.

3.2.3 Aan- en uitbouwen en bijgebouwen Voor aan- en uitbouwen en bijgebouwen gelden de volgende regels: a. b.

aan- en uitbouwen en bijgebouwen mogen uitsluitend 3 m achter de naar de weg gekeerde gevel c.q. het verlengde daarvan worden gebouwd; de gezamenlijke oppervlakte van aan- en uitbouwen en bijgebouwen bedraagt ten hoogste: 1. 50% van het achtererf, wanneer de oppervlakte van het bouwperceel niet groter is dan 500 m², met een maximum van 60 m²;

14

2.

c. d. e. f.

40% van het achtererf, wanneer de oppervlakte van het bouwperceel groter is dan 500 m², met een maximum van 80 m²; de afstand van aan- en uitbouwen en bijgebouwen tot de zijdelingse en achterste perceelsgrens bedraagt ten minste 1 m, tenzij in de desbetreffende perceelgrens worden gebouwd; de bouwhoogte van aan- of uitbouwen bedraagt ten hoogste 0,25 m boven de hoogte van de eerste verdiepingsvloer van het hoofdgebouw, tot een maximum van 4 m; de goot- en bouwhoogte van bijgebouwen bedraagt ten hoogste 3 m; de diepte van aan- en uitbouwen bedraagt, gemeten vanaf de oorspronkelijke achtergevel, ten hoogste 3,5 m.

3.2.4 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: a.

b.

de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met uitzondering van erf- en terreinafscheidingen, mag ten hoogste 3 m bedragen; de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer dan 2 m bedragen, met dien verstande dat de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen voor de naar de weg gekeerde gevel c.q. het verlengde daarvan niet meer dan 1 m mag bedragen.

3.3 Specifieke gebruiksregels Gebruik van ruimten binnen de woning ten behoeve van de uitoefening van aan-huis-gebonden beroepen wordt als gebruik overeenkomstig de bestemming aangemerkt voor zover dit gebruik ondergeschikt blijft aan de woonfunctie en mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden: a. b. c. d. e.

ten hoogste 40% van het vloeroppervlak van de woning tot ten hoogste 30 m² wordt gebruikt voor het aan-huis-verbonden beroep; degene die het aan-huis-verbonden beroep in de woning uitoefent, dient tevens de bewoner van de woning te zijn; door degene die het aan-huis-verbonden beroep uitoefent, kan worden aangetoond dat de uitoefening van het beroep geen extra parkeerruimte vereist binnen het openbaar gebied; voorzien is in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein; er mag geen detailhandel, groothandel of horeca plaatsvinden.

3.4 Afwijken van de gebruiksregels Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 3 lid 1 voor het gebruik van ruimten binnen een woning voor aan-huis-verbonden (bedrijfs)activiteiten, voor zover dit gebruik ondergeschikt blijft aan de woonfunctie en mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden: a. b. c. d.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11044165/1