CConstaterende datOegstgeest
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 bij RM d.d. 11 januari 2022 Vrijgeven voor terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan Hofbrouckerpark Z-21-151831 Oegstgeest

Oordeelsvorming Ruimte 8 februari 2022, gemeente OegstgeestBij agendapunt: Vrijgeven voor terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan Hofbrouckerpark24.294 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

bestemmingsplan

Hofbrouckerpark Gemeente Oegstgeest

Planstatus:

voorontwerp

Plan identificatie:

NL.IMRO.0579.BPHofbrouckerpark-VO01

Datum:

2021-12-14

Contactpersoon Buro SRO:

dhr. R. van der Made

Kenmerk Buro SRO:

SR210530

Opdrachtgever:

gemeente Oegstgeest

Buro SRO 't Goylaan 11 3525 AA Utrecht 030-2679198 www.buro-sro.nl

BTW nummer: KvK nummer: Rabobank rekeningnummer:

NL8187.16.071.B01 30232281 NL44.RABO.0142.1540.24 t.n.v. Buro SRO B.V. te Utrecht

2

Inhoudsopgave hoofdstuk 1 Inleiding .................................................................................................................................. 5 1.1 Aanleiding ........................................................................................................................................................... 5 1.2 Ligging plangebied............................................................................................................................................... 5 1.3 Geldend bestemmingsplan ................................................................................................................................. 6 1.4 Leeswijzer ............................................................................................................................................................ 7

hoofdstuk 2 Gebiedsbeschrijving .............................................................................................................. 8 2.1 Inleiding ............................................................................................................................................................... 8 2.2 Ontstaansgeschiedenis ........................................................................................................................................ 8 2.3 Ruimtelijke hoofdstructuur ................................................................................................................................. 9 2.4 Functionele structuur .......................................................................................................................................... 9 2.5 Uitgangspunten ................................................................................................................................................. 10

hoofdstuk 3 Beleidskader ........................................................................................................................ 11 3.1 Nationaal beleid ................................................................................................................................................ 11 3.2 Provinciaal beleid .............................................................................................................................................. 12 3.3 Gemeentelijk beleid .......................................................................................................................................... 14

hoofdstuk 4 Milieu- en omgevingsaspecten ........................................................................................... 20 4.1 Milieu ................................................................................................................................................................ 20 4.2 Waterhuishouding............................................................................................................................................. 24 4.3 Ecologie ............................................................................................................................................................. 27 4.4 Cultureel erfgoed .............................................................................................................................................. 28 4.5 Milieueffectrapportage ..................................................................................................................................... 30

hoofdstuk 5 Juridische planbeschrijving ................................................................................................. 32 5.1 Algemeen .......................................................................................................................................................... 32 5.2 Verbeelding ....................................................................................................................................................... 32 5.3 Planregels .......................................................................................................................................................... 32 5.4 Wijze van bestemmen ....................................................................................................................................... 33

hoofdstuk 6 Economische uitvoerbaarheid ............................................................................................ 36 hoofdstuk 7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ..................................................................................... 37 7.1 Algemeen .......................................................................................................................................................... 37 7.2 Verslag overleg artikel 3.1.1 Bro ....................................................................................................................... 37 7.3 Verslag zienswijzen ........................................................................................................................................... 37

3

4

hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding De aanleiding voor het opstellen van het voorliggende bestemmingsplan komt voort uit de wens van de gemeente Oegstgeest om te komen tot een actualisering van het geldende bestemmingsplan 'Oud Poelgeest', gebaseerd op huidige beleidsinzichten en de bestaande situatie. Het geldende bestemmingsplan is zowel in beleidsmatig als in juridisch-planologisch opzicht verouderd. Daarnaast heeft de raad van de gemeente Oegstgeest op 28 oktober 2021 een amendement aangenomen voor het conserverend bestemmen van de bestaande feitelijke situatie op de locatie Hofbrouckerpark. Het voorliggende bestemmingsplan biedt een actueel juridisch-planologisch kader en is gericht op het behouden en beheren van de bestaande feitelijke situatie, conform het door de raad aangenomen amendement.

1.2 Ligging plangebied Het plangebied van het voorliggende bestemmingsplan ligt globaal gezien centraal in de gemeente Oegstgeest. De begrenzing van het bestemmingsplan sluit aan bij de plangrenzen van de aangrenzende bestemmingsplannen. Aan de noordzijde wordt het plangebied begrensd door gronden ten noorden van de Lange Voort. De Laan van Oud-Poelgeest vormt de oostelijke begrenzing van het plangebied. Aan de zuidkant ligt de plangrens tegen of aan de zuidzijde van de Laan van Alkemade. De Hazenboslaan bakent het plangebied aan de westzijde af. De begrenzing van het plangebied van het voorliggende bestemmingsplan is op de navolgende afbeelding weergegeven.

Globale begrenzing plangebied

5

1.3 Geldend bestemmingsplan Het geldende bestemmingsplan dat door het voorliggende bestemmingsplan vervangen zal worden is het bestemmingsplan 'Oud Poelgeest' (vastgesteld op 18 februari 2010). De navolgende afbeelding toont een uitsnede van de verbeelding van het bestemmingplan 'Oud Poelgeest'.

Uitsnede verbeelding bestemmingplan 'Oud Poelgeest'

Daarnaast geldt het bestemmingsplan 'Parapluplan Parkeren' (vastgesteld op 21 juni 2018). Met dit plan is geregeld dat een bouwwerk, waarvan een behoefte aan parkeergelegenheid wordt verwacht, niet kan worden gebouwd wanneer op eigen terrein niet in voldoende parkeergelegenheid is voorzien en in stand wordt gehouden. Hierbij moet voldaan worden aan de Parkeernotitie Oegstgeest of de rechtsopvolger daarvan.

6

1.4 Leeswijzer De voorliggende toelichting bestaat uit zeven hoofdstukken. Na dit inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 een beschrijving van het gebied gegeven. In hoofdstuk 3 is een beschrijving van het relevante Rijks-, provinciale en gemeentelijke beleid opgenomen. In hoofdstuk 4 komen alle voor het bestemmingsplan relevante milieu- en omgevingsaspecten aan de orde, waarna het geheel wordt vertaald in een juridische bestemmingsregeling die in hoofdstuk 5 wordt toegelicht. Tot slot bevat hoofdstuk 6 de economische uitvoerbaarheid en hoofdstuk 7 de maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan, waarbij de uitkomsten van de inspraak- en overlegmomenten zijn opgenomen.

7

hoofdstuk 2 Gebiedsbeschrijving 2.1 Inleiding In dit hoofdstuk wordt de ruimtelijke en functionele opbouw van het plangebied beschreven. De ruimtelijke elementen structureren het gebied en verdelen deze in een aantal deelgebieden waarbinnen functies hun eigen positie hebben. Gezien het feit dat voorliggend bestemmingsplan een conserverend plan betreft blijft de huidige ruimtelijke hoofdopzet, zoals deze is geschetst in dit hoofdstuk, gehandhaafd. Tevens wordt ook functioneel gezien aangesloten bij het huidige gebruik in het plangebied.

2.2 Ontstaansgeschiedenis Oegstgeest is ontstaan in de vroege Middeleeuwen op een noord-zuidgerichte strandwal in het mondingsgebied van de Oude Rijn. Door die hogere ligging was er al vrij snel bewoning mogelijk. Het is bekend dat Oegstgeest en omgeving al in de Romeinse tijd tot de dichtbevolkte delen van West-Nederland heeft behoord. Archeologische vondsten bewijzen het en het is ook begrijpelijk, aangezien het ligt op de oude strandwallen waarop landbouw en bewoning zonder ingewikkelde ontginningen mogelijk waren. Er is geen reden om aan te nemen dat Oegstgeest na ineenstorting van het Romeinse rijk in de 5 e eeuw verlaten is. Op grond van vondsten in de omgeving van het Groene kerkje is aangetoond dat daar tussen de 6e en de 9e eeuw bewoning moet zijn geweest. Volgens historische gegevens is de allereerste kerk hier in de eerste helft van de 8e eeuw gesticht door prediker Willibrord. In de 9e of 10e eeuw is een burcht met een concentrisch grachtenstelsel gesticht. Dit terrein heeft eeuwenlang bekend gestaan als de Oude Hof. Door latere bewerkingen van de bovengrond liggen de resterende grondsporen van de burcht ten minste een aantal decimeters onder maaiveld. De bodem in het gebied is sterk bepaald door de aanwezigheid van de Rijnmonding en bestaat uit zandwallen en uit kleiveengronden. Het grootste deel van de gemeente Oegstgeest ligt ongeveer 0,5 m beneden NAP.

In 1656 werd de Haarlemmertrekvaart aangelegd met het doel een betere verbinding tussen Leiden en Haarlem te bewerkstelligen. Dit had tevens een betere ontsluiting van het platteland tot gevolg. In de 17e en 18e eeuw ontstonden warmoezerijen en diverse verspreide buitenplaatsen in het gebied. Omstreeks 1840 is het Oegstgeesterkanaal gegraven tijdens de drooglegging van de Haarlemmermeer. Uit concurrentieoverwegingen heeft Leiden lang weerstand geboden tegen de groei van Oegstgeest. Nijverheid werd grotendeels verboden en Leiden kocht de heerlijke rechten van Oegstgeest. Hierdoor bleef Oegstgeest tot het begin van de vorige eeuw vooral een agrarische gemeenschap. Vanaf het begin van de 19e eeuw is de bevolking van 900 inwoners vervijfvoudigd naar bijna 4.500 inwoners in 1910. De aanleg van de tramverbinding van Leiden naar Katwijk in 1881 maakte Oegstgeest tot een forensendorp. In de 20e eeuw is het dorp gestaag gegroeid, met een stevige groei tussen 1950 en 1970 en een lichte daling tussen 1970 en 1980. Aangezien de strandwal de ontstaansbasis is voor Oegstgeest, zijn de belangrijkste wegen noordzuidgericht, waaronder de Laan van Oud-Poelgeest als onderdeel van het plangebied.

8

2.3 Ruimtelijke hoofdstructuur Het onderzoek naar de hoofdstructuur legt de basis voor een ruimtelijk beleid waarin de kwaliteit van ruimtelijke elementen en de differentiatie van functies worden gewaardeerd. Dit beleid resulteert in de nieuwe regeling waarin het gebruik van de gebouwen en de bebouwingsmogelijkheden van de gronden worden vastgelegd. De planologische afwegingen die zijn gemaakt bij het opstellen van de bestemmingsregels worden in hoofdstuk 5 behandeld. Ligging van het gebied in groter verband Oegstgeest ligt in het noordelijk deel van de provincie Zuid-Holland. De A44 en de spoorlijn Leiden-HaarlemAmsterdam zijn op de schaal van het gehele dorp van structurele betekenis als barrières en grenzen. Van een lagere orde zijn de Oude Rijn in het uiterste westen, het Oegstgeesterkanaal en de Haarlemmertrekvaart van belang. De N444 is een belangrijke ontsluitingsweg die vanaf de A44 parallel loopt aan de Haarlemmertrekvaart, afbuigt naar het zuiden en vervolgens door loopt tot het centrum van Leiden. Van structurele betekenis voor de oost-westrelatie in de omgeving is de Plesmanlaan in Leiden ten zuiden van het grondgebied van de gemeente Oegstgeest. In Oegstgeest zelf zijn de Rijnsburgerweg, de Geversstraat en de Rijnzichtweg belangrijk voor die oost-westrelatie. Deze wegen verbinden Oegstgeest met Leiden in het oosten en met Rijnsburg in het westen.

Verder vormen de Warmonderweg en de Rhijngeesterstraatweg een belangrijke noord-zuidverbinding in het dorp. Plangebied Het plangebied ligt centraal in de gemeente Oegstgeest. De ruimtelijke hoofdstructuur binnen het plangebied kenmerkt zich door de volgende deelgebieden:

• •

de woonwijk met vrijstaande woningen aan de Piet Heinlaan en Lange Voort (noordwestzijde); het woonzorgcentrum en de (zorg)woningen/aanleunwoningen aan de noord- en westrand van het Hofbrouckerpark;

• •

het Hofbrouckerpark met groenvoorzieningen, water en een skatepark; de sportvelden aan de oostzijde.

De ruimtelijke hoofdstructuur en de deelgebieden worden in belangrijke mate bepaald door de wegen binnen het plangebied, te weten de Piet Heinlaan en de Hofbrouckerlaan.

2.4 Functionele structuur In het plangebied komt een aantal functies voor. In deze paragraaf worden de geïnventariseerde functies kort benoemd. Wonen Aan de Piet Heinlaan en de Lange Voort zijn vrijstaande woningen gesitueerd. Daarnaast is er in 2013 een omgevingsvergunning verleend voor het gebruik van de oorspronkelijke zorgwoningen/aanleunwoningen aan de zuidzijde van de Piet Heinlaan en de oostzijde van de Hazenboslaan als reguliere woningen. Maatschappelijk Op de hoek van de Piet Heinlaan en de Hazenboslaan zijn maatschappelijke voorziening aanwezig. De maatschappelijke voorzieningen bestaan uit een woonzorgcentrum (verzorgingshuis), hospice, fysiotherapeut en huisarts. Daarnaast zijn aan de zuidzijde van de Piet Heinlaan en de oostzijde van de Hazenboslaan (zorg)woningen/aanleunwoningen gesitueerd. Sport Aan de oostzijde van het plangebied zijn voorzieningen aanwezig ten behoeve van sport, bestaande uit sportvelden en een aantal clubgebouwen. Hier zijn een hockey- en een tennisvereniging gevestigd.

9

Water en groen Deze functies komen in diverse vormen voor:

• • •

tuinen bij woningen; het Hofbrouckerpark; overige watergangen en groenvoorzieningen binnen en ter afbakening van de deelgebieden.

Infrastructuur In het plangebied liggen diverse wegen en fiets- en wandelpaden. Deze infrastructuur is voorzien van bijbehorende voorzieningen, zoals parkeerplaatsen en trottoirs.

2.5 Uitgangspunten Het uitgangspunt is om een conserverend bestemmingsplan vast te stellen. De bestaande functies en bestemmingen in het gebied worden dan ook conserverend in het voorliggende bestemmingsplan opgenomen. De gronden aan de zuidzijde van de Piet Heinlaan en de oostzijde van de Hazenboslaan zijn in het geldende bestemmingsplan 'Oud Poelgeest' gedeeltelijk voorzien van de bestemming 'Gemengd', waarbinnen onder andere wonen met een zorgcomponent en maatschappelijke voorzieningen mogelijk zijn. Er zijn vijf bouwvlakken opgenomen, die tot een op de verbeelding aangegeven maximum bebouwingspercentage en maximum goot- en bouwhoogte bebouwd mogen worden. Deze bouwmogelijkheden komen niet overeen met de bestaande feitelijke situatie. In het geldende bestemmingsplan 'Oud Poelgeest' uit 2010 is geanticipeerd op een destijds haalbaar geachte ontwikkeling. Door de sterk gewijzigde financiering in de zorg, de visie op zorg en de economische omstandigheden zijn de bouwmogelijkheden uit het geldende bestemmingsplan de afgelopen jaren onhaalbaar gebleken. Het bovenstaande is voor het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oegstgeest aanleiding geweest om op 17 juli 2013 een omgevingsvergunning te verlenen voor het gebruik van de zorgwoningen/aanleunwoningen aan de Hazenboslaan 2 t/m 36 (even nummers) en Piet Heinlaan 44 t/m 98 (even nummers) voor (regulier) wonen.

Door de verruiming van de gebruiksmogelijkheden heeft het college het mogelijk gemaakt dat een marktpartij de zorgwoningen/aanleunwoningen van de zorgverlener over heeft kunnen nemen, waardoor er financiële ruimte kon ontstaan voor het renoveren van het woonzorgcentrum op de hoek van de Piet Heinlaan en de Hazenboslaan. De voormalige zorgwoningen/aanleunwoningen mogen sinds het verlenen van de omgevingsvergunning, behalve voor wonen met een zorgcomponent en maatschappelijke voorzieningen, gebruikt worden als reguliere (huur)woningen. De raad van de gemeente Oegstgeest heeft op 28 oktober 2021 een amendement aangenomen voor het conserverend bestemmen van de bestaande feitelijke situatie op de gronden aan de zuidzijde van de Piet Heinlaan en de oostzijde van de Hazenboslaan. De raad heeft hiermee besloten om geen medewerking te verlenen aan een ontwikkeling. In het voorliggende bestemmingsplan zijn de bouwmogelijkheden op de betreffende gronden gelijk aan de bestaande feitelijke situatie bestemd. Hiermee wordt deze situatie conserverend bestemd en het blijft het bestaande groen in het Hofbrouckerpark behouden. De gebruiksmogelijkheden ter plaatse van het woonzorgcentrum bestaan uit zorgwonen en maatschappelijke voorzieningen, gelijk aan de bestaande feitelijke situatie.

De (voormalige) zorgwoningen/aanleunwoningen aan de Hazenboslaan en Piet Heinlaan mogen tevens als (reguliere) woningen worden gebruikt, conform de vergunde situatie.

10

hoofdstuk 3 Beleidskader 3.1 Nationaal beleid 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) in werking getreden. Deze visie bevat de hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Dit is een combinatie van beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, en nieuw strategisch beleid. De grote en complexe opgaven zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland gaan veranderen. De NOVI bevat een toekomstperspectief met de ambities van het Rijk. In de NOVI zijn 21 nationale belangen met bijbehorende opgaven geformuleerd. Deze nationale belangen komen samen in vier prioriteiten: 1. 2. 3. 4.

ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; duurzaam economisch groeipotentieel; sterke en gezonde steden en regio's; toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat zowel voor de lange als de korte termijn maatregelen nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de boven- als de ondergrond. Planspecifiek De NOVI is niet specifiek van toepassing op het plangebied. 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening De wetgever heeft in de Wro, ter waarborging van de nationale of provinciale belangen, de besluitmogelijkheden van lagere overheden begrensd. Indien provinciale of nationale belangen op het gebied van een goede ruimtelijke ordening in het geding komen, kunnen krachtens de provinciale verordening of de algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld omtrent de inhoud van bestemmingsplannen. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn 14 nationale belangen opgenomen die in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) zijn herbevestigd. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Planspecifiek Het plan is niet in strijd met de uitgangspunten van het Barro.

3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de verplichting opgenomen om bij de vaststelling van een nieuw bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Per 1 juli 2017 is de nieuwe Ladder voor duurzame verstedelijking in werking getreden. De 'stappen van de ladder' worden in artikel 3.1.6, leden 2 - 4 Bro als volgt omschreven: 2.

De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.

11

3.

4.

Indien in een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid toepassing is gegeven aan artikel 3.6, eerste lid, onder a of b, van de wet kan bij dat bestemmingsplan worden bepaald dat de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling en een motivering als bedoeld in het tweede lid eerst wordt opgenomen in de toelichting bij het wijzigings- of het uitwerkingsplan als bedoeld in dat artikel. Een onderzoek naar de behoefte als bedoeld in het tweede lid, heeft, in het geval dat een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid, ziet op de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en dit onderzoek betrekking heeft op de economische behoefte, de marktvraag of de beoordeling van de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, slechts tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.

Planspecifiek Het voorliggende bestemmingsplan betreft een actualisatie van het geldende bestemmingsplan en legt de bestaande situatie vast. Het bestemmingsplan is conserverend van aard. Het plangebied betreft het bestaand stedelijk gebied, waarin geen nieuwe stedelijke ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt. Derhalve hoeft niet getoetst te worden aan de ladder voor duurzame verstedelijking.

3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Omgevingsvisie Zuid-Holland De meeste recente versie van de Omgevingsvisie van de provincie Zuid-Holland is in werking getreden op 1 augustus 2020. De Omgevingsvisie bestaat uit vier onderdelen: 1.

Ruimtelijke hoofdstructuur

De ruimtelijke hoofdstructuur toont de essentie en de samenhang van verschillende ruimtelijke beleidskeuzes uit de Omgevingsvisie. Het integrale kaartbeeld van de ruimtelijke hoofdstructuur is opgebouwd uit de volgende kaartbeelden:

•

het dagelijks stedelijk systeem, dat bestaat uit de stedelijke agglomeratie en de daarmee via hov (hoogwaardig openbaar vervoer) verbonden regiokernen;

• •

de hoogstedelijke zone tussen Leiden en Dordrecht; het logistiek-industriële systeem van mainport, greenports langs vaarwegen en zware infrastructuur;

• • • •

de samenhang van grote landschappelijke eenheden met de stedelijke agglomeratie;

2.

Ambities en sturing

de groene ruimte en de groenblauwe structuur; het bodem- en watersysteem; energie.

De provincie wil meer vertrouwen geven aan maatschappelijke initiatieven. De provincie werkt daarom vanuit een aantal sturingsprincipes: opgavegericht, provinciaal belang en maatwerk. De provincie heeft zes richtinggevende ambities in de fysieke leefomgeving. Deze ambities zijn geworteld in de historie, ligging en economische structuur van Zuid-Holland en zijn gekoppeld aan de strategische uitdagingen waar de regio voor staat. De provincie heeft de volgende ambities:

• • •

naar een klimaatbestendige delta; naar een nieuwe economie: the next level; naar een levendig meerkernige metropool;

12

• • •

energievernieuwing;

3.

Omgevingskwaliteit

best bereikbare provincie; gezonde en aantrekkelijke leefomgeving.

Onder 'omgevingskwaliteit' wordt verstaan: het geheel aan kwaliteiten die de waarde van de fysieke leefomgeving bepalen. De volgende onderdelen vormen de basis van de omgevingskwaliteit:

•

een beschrijving van de unieke kwaliteiten van Zuid-Holland: de drie deltalandschappen, de ZuidHollandse steden en de strategische ligging in internationale netwerken;

•

een beschrijving van de bestaande omgevingskwaliteit op basis van de leefomgevingstoets, met aandacht voor aspecten van milieukwaliteit. Hiertoe implementeert de provincie de beleidscyclus en monitor Omgevingskwaliteit;

•

een nadere uitwerking van het provinciale beleid voor het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit, op basis van de 'kwaliteitskaart' en de 'richtpunten ruimtelijke kwaliteit'.

4.

Beleidskeuzes

De provincie heeft in de Omgevingsvisie een overzicht gemaakt van samenhangende beleidskeuzes (zie Omgevingsvisie Zuid Holland). Planspecifiek 1.

Ruimtelijke hoofdstructuur

De ruimtelijke hoofdstructuur is voor het voorliggende bestemmingsplan niet van belang gezien de conserverende aard. 2.

Ambities en sturing

De ambities van de provincie zijn niet specifiek van toepassing op voor het voorliggende bestemmingsplan, maar vormen tevens geen belemmering. 3.

Omgevingskwaliteit

Voor de beoogde ontwikkeling is de omgevingskwaliteit van belang. Ruimtelijke ontwikkelingen die maatschappelijk en economisch gewenst zijn, moeten bijdragen aan de balans tussen de instandhouding, benutting en versterking van de bestaande gebiedskwaliteiten. Deze vinden hun grondslag in de drie onderscheiden deltalandschappen. Het plangebied is gelegen in het Zuid-Hollandse kustlandschap. De kwaliteitskaart en de bijbehorende richtpunten geven richting aan de wijze waarop ontwikkelingen kunnen inspelen op ruimtelijke gebiedskwaliteiten. Het voorliggende bestemmingsplan betreft het bestaand stedelijk gebied en heeft een conserverend karakter. Omdat geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt, is toetsing aan de kwaliteitskaart niet benodigd. 4.

Beleidskeuzes

Het voorliggende bestemmingsplan heeft gezien het conserverende karakter geen relatie met de beleidskeuzes uit de provinciale omgevingsvisie.

13

3.2.2 Omgevingsverordening Zuid-Holland Tegelijk met de Omgevingsvisie is de Omgevingsverordening op 1 augustus 2020 in werking getreden. In de verordening stelt de provincie regels aan ruimtelijke ontwikkelingen. De Omgevingsverordening draagt bij aan het realiseren van de provinciaal ruimtelijke beleid zoals dat benoemd is in de Omgevingsvisie. De verordening omvat in aanvulling op de Omgevingsvisie toetsbare criteria waaraan planvorming moet voldoen. Planspecifiek De Omgevingsverordening Zuid-Holland bevat regels met betrekking tot de realisatie van nieuwe ontwikkelingen. Het voorliggende bestemmingsplan heeft een conserverend karakter. Het plangebied betreft bestaand stedelijk gebied, waarin geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt. Toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking is, gezien het conserverende karakter van het plan, niet noodzakelijk.

3.3 Gemeentelijk beleid 3.3.1 Structuurvisie Oegstgeest 2005-2020 De structuurvisie Oegstgeest 2005-2020 vormt tot 2020 de integrale leidraad voor de beoordeling van ruimtelijke ontwikkelingen binnen Oegstgeest en geeft richting aan nieuwe bestemmingsplannen. De structuurvisie is op 30 juni 2005 vastgesteld door de gemeenteraad. De structuurvisie biedt een kader voor de toekomstige ontwikkelingen van Oegstgeest. De visie is geen volledig uitgewerkt plan, het vormt een sturingskader op hoofdlijnen. Het moet dan ook gevolgd worden door uitwerkingsplannen (bestemmingsplannen, bouwplannen) en eventueel aangevuld worden met aangepast sectoraal beleid. De structuurvisie geeft de grenzen van de planvorming aan: waar en hoe kunnen zich ruimtelijke ontwikkelingen voordoen in de komende 15 tot 20 jaar. De structuurvisie geeft op hoofdlijnen richting aan de dynamiek binnen de gemeente, waarbij het evenwicht tussen natuur, wonen en economie behouden dient te blijven. Voor de toekomst wil Oegstgeest in de eerste plaats haar bestaande kwaliteiten als woongemeente behouden en versterken. Daarbinnen wil de gemeente bijdragen aan regionale vraagstukken als het leveren van een aantrekkelijk vestigingsklimaat en ruimte voor bedrijven, de ontwikkeling van natuur- en recreatiegebieden en het op peil houden van het voorzieningenaanbod.

Uitbreiding van het woningaanbod is alleen mogelijk als het past binnen het dorpse karakter. Er mag binnen de bebouwde kom alleen gebouwd worden op herstructureringslocaties. Binnen de uitbreiding van het woningaanbod heeft het huisvesten van de groeiende groep ouderen en starters (jongeren) prioriteit.

14

Op de visiekaart van de structuurvisie heeft de planlocatie de aanduidingen ‘Groen’, 'Deelgebied Park' en 'Deelgebied Lange Voort'. Voor 'Groen' geldt dat niet zozeer nieuw groen wordt voorgesteld, maar vooral maatregelen om enerzijds het aanwezige groen met elkaar te verbinden (ecologische en recreatieve verbindingen) en om anderzijds bestaand groen beter te benutten. Gebieden als de parken zijn waardevolle elementen die niet mogen worden aangetast. Het voorliggende bestemmingsplan borgt dat het Hofbrouckerpark als waardevol element behouden blijft. Het plan maakt in de deelgebieden geen ontwikkelingen mogelijk. 3.3.2 Visiedocument 2020: Oegstgeest in beweging (2011) De gemeente blijft ook in de toekomst streven naar een goed en evenwichtig leefklimaat. De goede mix van wonen, werken en leven wil de gemeente ook in 2020 koesteren. Er dient een goede balans te zijn tussen rust en reuring. Om dit te bereiken zoekt Oegstgeest naar samenwerking met inwoners, buurgemeenten en lokale en regionale partners. Dienstverlening en kwaliteit van beleid staan in de gemeente hoog in het vaandel. Oegstgeest zal zich steeds nadrukkelijker profileren als een proactieve partner, die zich inspant

15

voor een sterke regio. Om dit toekomstbeeld waar te maken, benoemt het college vier hoofdthema’s, die als een rode draad door deze visie zijn verweven. 1.

2.

3.

4.

Benutten van potentieel: in 2020 worden de bronnen van het dorp optimaal benut. De gemeente onderscheidt enerzijds het fysieke potentieel, waaronder het groen, het water en de gebouwen en monumenten. Anderzijds beschikt de gemeente ook over het potentieel van de inwoners, gekenmerkt door een relatief hoog opleidingsniveau, actief ondernemerschap en een goed georganiseerd sociaal netwerk. Al die bronnen wil de gemeente in de toekomst aanspreken om de gemeentelijke ambities te realiseren. Gemeente als meewerkkracht: de gemeentelijke organisatie heeft de inwoners en partners hard nodig om het aantrekkelijke woon-, werk- en leefklimaat van Oegstgeest in stand te houden. De gemeente wil een rol vervullen als actieve meewerkkracht, die alle betrokken partijen motiveert, faciliteert en ondersteunt om het potentieel van ons dorp aan te wenden. Verbindingen leggen: als moderne overheid streeft de gemeente Oegstgeest een gelijkwaardige samenwerkingsrelatie met inwoners en partners na. De gemeente brengt mensen, initiatieven en belangen bij elkaar om zo de gewenste ontwikkelingen tot stand te brengen. Ook de fysieke verbinding wordt gelegd door wegen, groen en water op elkaar aan te sluiten. Duurzaamheid: de gemeente en de gemeenschap zetten zich bewust in om invulling te geven aan het begrip duurzaamheid.

In de fysieke zin spant de gemeente zich in om het milieu zo min mogelijk te belasten. In de sociale zin wordt geprobeerd het aantal kansarmen, zowel hier als elders op de wereld, te verminderen en maakt men zich hard voor maatschappelijke verantwoord ondernemen. De gemeente geeft op beide vlakken het goede voorbeeld door duurzaamheid te integreren in alles wat zij doet.

In het visiedocument wordt expliciet aandacht besteed aan de groenstructuur. De groenstructuur en de prominente rol van het water zijn zeer bepalend voor de kwaliteit van wonen, werken en leven. De gemeente wil inwoners meer bij het beheer, het onderhoud en de inrichting van het groen betrekken. Oegstgeest dient uit te groeien tot een verbindende schakel in de regionale groen- en waterstructuur, waardoor er in de regio een doorgaande groene zone ontstaat. De gemeente stimuleert een gevarieerd en levendig gebruik van de omliggende natuur, door langs (water)routes en plassen kansen te bieden aan ondernemers, bijvoorbeeld voor kleinschalige horeca, schooltuinen, een dorpsboomgaard of een kinderboerderij. 3.3.3 Groenbeleid 2011-2015 'Kansen voor het groen in Oegstgeest' Het Groenbeleid 2011-2015 vormt het kader voor hoe in Oegstgeest het gewenste groen en blauw er uit zal zien. Het geeft richting aan toekomstige (her)inrichtingen, omvormingen en eventuele uitbreidingen van het openbaar groen. Uitgangspunten zijn:

• • • •

het in stand houden en ontwikkelen van de groenstructuur in Oegstgeest en aansluiting op regionale groenstructuren; het bewaken en verhogen van de kwaliteit en duurzaamheid; het optimaliseren van de gebruikswaarde van het groen; voorlichting.

In het Groenbeleid 2011-2015 heeft de gemeente Oegstgeest het streven naar behoud en versterking van de hoofdgroenstructuur verwoord. Dit streven staat ook centraal in de 'Structuurvisie Oegstgeest 20052020'. De hoofdgroenstructuur is voor een groot deel historisch bepaald. De waterlopen (blauwe structuur) en de bos- en landgoederen zijn de belangrijkste onderdelen van de hoofdgroenstructuur. Deze structuur sluit aan op de bovenlokale groen-blauwe structuur. Langs de randen van de gemeente Oegstgeest zijn drie omvangrijke groene zones te onderscheiden die van regionaal belang zijn. Binnen Oegstgeest zijn een aantal groene elementen van formaat te onderscheiden die op een lager schaalniveau de groene dooradering van de gemeente vormen. Op een lager niveau zijn er de wegen die de groenvoorzieningen van hogere orden verbinden. Zowel de recreatieve en educatieve, als de ecologische functie van de hoofdgroenstructuur wordt van belang geacht. Om dit streven nader uit te werken zijn in het Groenbeleid 2011-2015 projecten geformuleerd.

16

Zones in de hoofdgroenstructuur

Voor het plangebied is een deel van het gebied 'Hofdijckzone' van belang. Dit is de verbindingszone tussen Voscuyl en Oud Poelgeest. De boomrijke verbinding van west naar oost wordt gevormd over de Hofdijck (36) en de Laan van Alkemade (37), met als versterkende elementen het Hofbrouckerpark (38) en de houtsingels rond sportcomplex de Krogt (39) tussen de Hofbrouckerlaan en de Laan van Oud-Poelgeest. Deze zone verdient ecologisch versterking. 3.3.4 Uitvoeringsplan Ecologische verbindingen in de gemeente Oegstgeest (2013) Het uitvoeringsplan is een uitwerking van de ambitie van Oegstgeest om de ecologische verbindingen in de gemeente in kaart te brengen en deze waar mogelijk te versterken en/of uit te breiden. De ecologische structuur in de gemeente Oegstgeest bestaat uit kerngebieden en verbindingszones. De verbindingszones zijn voornamelijk lijnvormige elementen als watergangen, kanalen, bomenlanen, lijnvormige beplantingen en wegbermen. Tevens kunnen verbindingen bestaan uit kleinere groengebieden (stapstenen) die op een bepaalde afstand van elkaar liggen. De verbindingszones hebben drie functies vanuit de ecologie, te weten: een verbindingsfunctie, belevingsfunctie en leefgebiedfunctie. De inzet van de gemeente moet zich richten op verbetering van ecologische verbindingen, door omvorming en een natuurlijker beheer van de groene zones en watergangen.

3.3.5 Nota Snippergroenbeleid 2013 Oegstgeest heeft in de meeste buurten behoorlijke openbare groenvoorzieningen. Het openbaar groen heeft een belangrijke functie als zichtgroen, recreatief groen, educatief groen, esthetisch groen, maar ook de

17

ecologische waarde van het groen rondom bebouwing is van belang. De gemeente kan besluiten openbaar groen te verkopen of te verhuren. In de nota zijn de mogelijkheden uitgewerkt om percelen openbaar groen van beperkte omvang te verkopen. 3.3.6 Welstandsnota (herziening 2015) De gemeente Oegstgeest heeft sinds 2004 een welstandsnota zoals aangegeven in de Woningwet en deze is eerder herzien in 2009. Met de herziening van 2015 wil de gemeente het welstandsbeleid actualiseren naar aanleiding van nieuwe ontwikkelingen, veranderingen in de wetgeving en ervaring met de uitvoering van het welstandstoezicht. Doel van de welstandstoets is het behartigen van het publieke belang door de lokale overheid, waarbij de individuele vrijheid van de burger of ondernemer wordt afgewogen tegen het aanzien van hun omgeving als algemene waarde. Volgens de Woningwet moet een plan voldoen aan redelijke eisen van welstand. Deze eisen betreffen het bouwwerk op zichzelf en in zijn omgeving. De gemeente heeft in het welstandsbeleid met name het algemeen belang op het oog. Het beleid is opgesteld vanuit de gedachte, dat welstand een bijdrage levert aan de totstandkoming en het beheer van een aantrekkelijke bebouwde omgeving.

Het welstandsbeleid geeft de gemeente de mogelijkheid om cultuurhistorische, stedenbouwkundige en architectonische waarden te benoemen en een rol te geven bij de ontwikkeling en beoordeling van bouwplannen. Met de gebiedsgerichte benadering wil de gemeente in principe de waardevolle eigenschappen van de kernen behouden. Binnen het plangebied zijn vier verschillende gebieden gedefinieerd; Dorpslinten Oegstgeest, Rechte wijken, Meanderwijken en Sport & recreatie. Doel van het welstandsbeleid is het welstandstoezicht helder onder woorden te brengen en op een effectieve en controleerbare wijze in te richten. 3.3.7 Parkeernota Oegstgeest 2021 Het parkeerbeleid van de gemeente Oegstgeest is in 2021 geactualiseerd en opgenomen in de Parkeernota Oegstgeest 2021. In de parkeernota zijn de parkeernormen opgenomen voor nieuwe situaties, om te kunnen bepalen of hierbij sprake is van voldoende parkeergelegenheid. In dit op 30 september 2021 vastgestelde document is voor bepaalde functies afgeweken van de gemiddelde parkeerkencijfers van het CROW. In de regels van het voorliggende bestemmingsplan wordt verwezen naar de Parkeernota Oegstgeest 2021 of de opvolger daarvan. Nieuwe situaties zijn mogelijk, wanneer op eigen terrein in voldoende parkeergelegenheid is voorzien en in stand wordt gehouden.

3.3.8 'De toekomst is nu; duurzaam Oegstgeest' (2017) en Uitvoeringsagenda 'Impuls Duurzaam Oegstgeest (2018) De gemeente Oegstgeest heeft haar beleid met betrekking tot duurzaam bouwen verwoord in het beleidsdocument 'De toekomst is nu; duurzaam Oegstgeest' (vastgesteld op 1 juni 2017) en de uitvoeringsagenda 'Impuls Duurzaam Oegstgeest' (vastgesteld op 18 december 2018). In het beleidsdocument is aandacht voor op ontwikkelingen waarmee de gemeente te maken heeft en krijgt. Dit zijn ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving, zoals klimaatverandering, energietransitie en circulaire economie, en ontwikkelingen in de relatie tussen gemeenten in de omgeving. Voor haar toekomstbestendigheid heeft de gemeente de volgende ambities:

• •

Energietransitie: in 2050 is Oegstgeest als gemeenschap energieneutraal. Klimaatadaptatie: vanaf 2020 werkt Oegstgeest klimaatbestendig. Vanaf 2050 is Oegstgeest een klimaatbestendig dorp en voldoende waterrobuust.

•

Circulaire economie: de gemeente streeft een economie na waarbij beschikbare grondstoffen zo lang mogelijk in de keten blijven en reststromen zo hoogwaardig mogelijk worden hergebruikt.

De ambities worden uitgewerkt en geconcretiseerd in de uitvoeringsagenda.

18

3.3.9 Kadernota Mobiliteitsplan (2016) In 2016 is de Kadernota Mobiliteitsplan Oegstgeest vastgesteld. Aanleiding is de ambitie om het dorp aantrekkelijk te houden voor wonen, werken en recreëren, omdat een goede verkeersveiligheid, bereikbaarheid en leefbaarheid van belang is. De Kadernota Mobiliteitsplan Oegstgeest beschrijft de ambitie en de (gewenste) ontwikkelingen van Oegstgeest op het gebied van mobiliteit. De doelstelling van Oegstgeest is veilig, bereikbaar en leefbaar te zijn. De mobiliteit en de mobiliteitsmaatregelen moeten bijdragen aan deze doelstellingen. Enkele kaders en uitgangspunten zijn in de kadernota opgenomen: 1. 2.

3.

De bestaande hoofdstructuur behouden en kruispunten op de hoofdstructuur zo inrichten dat de verkeersveiligheid verbetert. Vormgeving van wegen aanpassen aan hun functie conform het principe 'Duurzaam veilig' en het fietsnetwerk optimaliseren. Openbaar vervoer afstemmen op twee hoofddoelgroepen: verbindend OV via de snelle routes op hoofdwegen laten rijden en een systeem faciliteren voor mensen met een mobiliteitsbeperking. In bestaande woonbuurten met een parkeerdruk tot 95% een afstand van 100 m van de parkeerplek tot de woning accepteren. Bij een parkeerdruk gelijk aan of hoger dan 95% een afstand van 150 m accepteren. Een stelsel van parkeernormen opstellen voor nieuwe ontwikkelingen en geen parkeermaatregelen nemen met uitzondering van blauwe zones bij winkelcentra.

In het plangebied zijn sportvelden aanwezig. In het kader 'school- en sportomgevingen' krijgen de volgende elementen een plaats: mobiliteitsgedrag in kaart brengen, beïnvloedingsmogelijkheden inventariseren, essentiële inrichtingseisen opstellen, herkenbaarheid vergroten, snelheid remmen en de ingangen aansluiten op het fietsroutenetwerk. Met name aan de Lange Voort spelen problemen op het vlak van de verkeersveiligheid. Derhalve worden diverse acties en maatregelen in het mobiliteitsplan benoemd die betrekking hebben op onder andere het verbeteren van het fietsroutenetwerk en de herinrichting van de Lange Voort op de functie verblijfsgebied, maar ook op het analyseren van gevaarlijke punten en oplossingen hiervoor aandragen.

19

hoofdstuk 4 Milieu- en omgevingsaspecten 4.1 Milieu 4.1.1 Bedrijven en milieuzonering Het aspect milieuzonering gaat in op de invloed die bedrijven kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed is afhankelijk van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven. Bij een ruimtelijke ontwikkeling kan sprake zijn van reeds aanwezige bedrijvigheid en van nieuwe bedrijvigheid. Milieuzonering zorgt er voor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van de gevoelige functie krijgen en dat de (nieuwe) gevoelige functie op een verantwoorde afstand van bedrijven komt te staan. Doel hiervan is het waarborgen van de veiligheid en het garanderen van de continuïteit van de bedrijven als ook een goed klimaat voor de gevoelige functie. Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie zoals: geluid, geur, gevaar en stof. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend.

De 'Vereniging van Nederlandse Gemeenten' (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen, met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Het scheiden van milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen dient twee doelen:

• •

het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige bestemmingen; het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen.

Planspecifiek Het voorliggende bestemmingsplan betreft een conserverend plan. De bestaande situatie wordt vastgelegd, van een juridisch-planologische regeling voorzien en daarmee integraal beheerd. Hierdoor kan het voorkomen dat milieubelastende activiteiten en woningen die vlak bij elkaar liggen zijn bestemd conform deze situatie, ondanks het feit dat zij op grond van de ruimtelijke en milieuregelgeving (bij voorkeur) verder van elkaar zouden moeten zijn gesitueerd. De situatie kan voor wat betreft de milieuzonering niet meer worden vastgelegd conform de gewenste richtafstanden aangezien het gaat om een bestaande situatie. Op basis van de Wet milieubeheer kunnen eventueel maatregelen worden getroffen/geëist, zodat hinder op gevoelige functies kan worden gereduceerd dan wel voorkomen. Voor zover bekend levert de bestaande bedrijvigheid geen hinder op voor de bestaande woonomgeving.

20

4.1.2 Geluid De mate waarin het geluid, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd (artikel 1 Wgh):

• • •

woningen; geluidsgevoelige terreinen (woonwagenstandplaatsen, ligplaatsen voor woonschepen); andere geluidsgevoelige gebouwen (onderwijsgebouwen, ziekenhuizen, verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, kinderdagverblijven).

verpleeghuizen,

Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Planspecifiek Akoestisch onderzoek in het kader van de Wet geluidhinder moet worden uitgevoerd wanneer er een nieuw geluidgevoelig object mogelijk wordt gemaakt. Voor onderhavig bestemmingsplan is geen nader akoestisch onderzoek noodzakelijk. Er worden namelijk geen nieuwe geluidgevoelige objecten mogelijk gemaakt ten opzichte van het geldende bestemmingsplan. Ook zijn er geen wijzigingen in de wegenstructuur. 4.1.3 Bodem In het kader van een bestemmingsplan dient aangetoond te worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming is met het beoogde gebruik. Dit is geregeld in de Wet bodembescherming. De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie van het plangebied. Een nieuwe bestemming mag pas worden opgenomen als is aangetoond dat de bodem geschikt is of geschikt te maken is voor de nieuwe bestemming. Middels een bodemonderzoek kan in beeld worden gebracht of de bodemkwaliteit en de beoogde bestemming van het plangebied bij elkaar passen. Planspecifiek In de bestaande situatie zijn er vanuit het aspect bodem geen knelpunten bekend.

Daarnaast worden binnen het plangebied geen nieuwe bestemmingen mogelijk gemaakt. Een onderzoek naar de bodemgesteldheid is derhalve niet noodzakelijk. 4.1.4 Externe veiligheid Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico’s:

• • •

risicovolle (Bevi-)inrichtingen (Bevi); vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen (Bevb); vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor (Btev).

Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico.

21

Kwetsbaar en beperkt kwetsbaar Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, kinderopvang- en dagverblijven en grote kantoorgebouwen (>1.500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kleine kantoren, winkels, horeca en parkeerterreinen. De volledige lijst wat onder (beperkt) kwetsbaar wordt verstaan is in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) opgenomen. Plaatsgebonden risico en groepsrisico Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 als grenswaarde. Het realiseren van kwetsbare objecten binnen deze contour is niet toegestaan. Het realiseren van beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour is in principe ook niet toegestaan. Echter, voor beperkte kwetsbare objecten is deze 10-6 contour een richtwaarde. Mits goed gemotiveerd kan worden afgeweken van deze waarde tot de 10-5 contour. Het groepsrisico is gedefinieerd als de cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Het groepsrisico wordt niet in contouren vertaald, maar wordt weergegeven in een grafiek.

In de grafiek wordt de groepsgrootte van aantallen slachtoffers (x-as) uitgezet tegen de cumulatieve kans dat een dergelijke groep slachtoffer wordt van een ongeval (y-as). Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een zogenaamde oriëntatiewaarde. Daarnaast geldt voor het groepsrisico een verantwoordingsplicht. Het bevoegd gezag moet aangeven welke mogelijkheden er zijn om het groepsrisico in de nabije toekomst te beperken, het moet aangeven op welke manier hulpverlening, zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid zijn ingevuld. Het bevoegd gezag moet tevens aangeven waarom de risico's verantwoord zijn, en de veiligheidsregio moet in de gelegenheid zijn gesteld een brandweeradvies te geven. Hierbij geldt hoe hoger het groepsrisico, hoe groter het belang van een goede groepsrisicoverantwoording. Risicovolle (Bevi-)inrichtingen Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van belang. Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor mensen buiten de inrichting. Het Bevi is opgesteld om de risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven, te beperken. Het besluit heeft tot doel zowel individuele als groepen burgers een minimaal (aanvaard) beschermingsniveau te bieden.

Via een bijbehorende ministeriële regeling (Revi) worden diverse veiligheidsafstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gegeven. Aanvullend op het Bevi zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit milieubeheer veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden. Vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen De Structuurvisie buisleidingen bevat een lange termijnvisie op het buisleidingentransport van gevaarlijke stoffen. Het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) zijn op 1 januari 2011 in werking getreden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Op basis van het Bevb wordt het voor gemeenten verplicht om bij de vaststelling van een bestemmingsplan, op basis waarvan de aanleg van een buisleiding of een kwetsbaar object of een risicoverhogend object mogelijk is, de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico in acht te nemen en het groepsrisico te verantwoorden. Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan.

Zo moet een basisveiligheidsniveau rond transportassen (plaatsgebonden risico) en een transparante afweging van het groepsrisico worden gewaarborgd. Als onderdeel van het Bevt is op 1 april 2015 tevens het basisnet in werking getreden. Het basisnet verhoogt de veiligheid van mensen die wonen of werken in de buurt van rijksinfrastructuur (auto-, spoor- en vaarwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. In de regeling ligt vast wat de maximale risico’s voor omwonenden mogen zijn. Die begrenzing was er tot nu toe niet. Bovendien zorgt het basisnet ervoor dat gevaarlijke stoffen tussen de belangrijkste industriële locaties in Nederland en het buitenland vervoerd kunnen blijven worden. Indien een bestemmingsplan betrekking heeft op een gebied dat geheel of gedeeltelijk gelegen is binnen 200 m van een (basisnet)transportroute voor gevaarlijke stoffen, moet in de toelichting ingegaan worden op

22

de dichtheid van personen in het invloedsgebied van de transportroute op het tijdstip waarop het plan wordt vastgesteld. Hierbij moet rekening worden gehouden met de personen die a) in dat gebied reeds aanwezig zijn, b) in dat gebied op grond van het geldende bestemmingsplan redelijkerwijs te verwachten zijn en c) de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen in het gebied waarop dat plan betrekking heeft. Bestuurlijk kader externe veiligheid Holland Rijnland Het bestuurlijk kader externe veiligheid Holland Rijnland geeft invulling aan de keuzes die mogelijk zijn bij externe veiligheid. Uitgaande van de principes 'scheiden' en 'clusteren' bepaalt deze visie dat risicobedrijven moeten worden geclusterd op daarvoor aangewezen bedrijventerreinen, die goed ontsloten zijn. Daarmee blijft het verdere gebied gevrijwaard van (nieuwe) risico’s. De verantwoording van het groepsrisico is in deze visie geoperationaliseerd met het zogenaamde stoplichtmodel: een laag GR (groen) betekent in beginsel een 'ja', een relevant GR (geel) betekent een 'ja', mits er voldoende maatregelen kunnen worden getroffen om de veiligheid te bevorderen en een hoog GR (oranje) betekent een 'nee', tenzij aan een aantal strikte voorwaarden wordt voldaan. De grens tussen het gele en het oranje gebied is de door de wetgever vastgestelde oriëntatiewaarde.

Het bestuurlijk kader vereenvoudigt de verantwoording groepsrisico, omdat deze de meeste aspecten van de verantwoordingsplicht dekt. In de verantwoording kan dan naar dit bestuurlijk kader worden verwezen. Planspecifiek Risicovolle inrichtingen In het plangebied zijn geen risicovolle inrichtingen gevestigd. Ten oosten van het plangebied bevindt zich het zwembad Poelmeer (Lange Voort 273). Hoewel in deze inrichting gevaarlijke stoffen aanwezig zijn, wordt het zwembad niet beschouwd als een Bevi-inrichting, maar valt het onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Dit vanwege de aard en hoeveelheid van de aanwezige gevaarlijke stoffen. De inrichting beschikt niet over een plaatsgebonden risicocontour en/of invloedsgebied van het groepsrisico. Hiermee legt de inrichting geen beperkingen op de omgeving. Vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen In of nabij het plangebied zijn geen buisleidingen aanwezig. Vervoer gevaarlijke stoffen over weg Ten oosten van het plangebied ligt de spoorlijn Leiden - Haarlem/Schiphol. Volgens het Basisnet spoor vindt geen vervoer van gevaarlijke stoffen over deze spoorlijn plaats. Het plangebied bevindt zich in de invloedsfeer van de rijksweg A44, waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Over de A44 ter hoogte van het plangebied worden uitsluitend stoffen van categorie LF1, LF2 en GF3 stoffen getransporteerd.

Het invloedsgebied wordt bepaald door het vervoer van brandbare vloeistoffen met een invloedsgebied van 45 m (LF1 en LF2) en brandbare gassen met een invloedsgebied van 355 m (GF3). Het plangebied ligt buiten het invloedsgebied van deze weg. 4.1.5 Luchtkwaliteit In de Wet milieubeheer gaat paragraaf 5.2 over luchtkwaliteit en staat ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. De Wet luchtkwaliteit introduceert het onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in een de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3% bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijn stof (PM 10) en stikstofdioxide (NO2) (1,2 µg/m³) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3% bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een woonwijk van minder dan 1.500 woningen niet hoeven te toetsen aan de normen voor

23

luchtkwaliteit. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen'. Vanaf 1 januari 2015 geldt er ook een grenswaarde voor een kleinere fractie van fijnstof PM2,5. De grenswaarde voor PM2,5 bedraagt 25 μg/m³. Gezien het grote verschil tussen de grenswaarde en de achtergrondconcentratie zullen overschrijdingen van deze grenswaarde niet vaak voorkomen. Een belangrijk onderdeel voor de verbetering van de luchtkwaliteit is het Nationale Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Binnen dit NSL, dat sinds 1 augustus 2009 in werking is, werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. Besluit gevoelige bestemmingen Op 16 januari 2009 is het Besluit gevoelige bestemmingen in werking getreden. Het Besluit gevoelige bestemmingen is gebaseerd op artikel 5.16a van de Wet milieubeheer. Met het Besluit wordt de vestiging van zogeheten 'gevoelige bestemmingen' in de nabijheid van provinciale- en rijkswegen beperkt. Dit heeft consequenties voor de ruimtelijke ordening. Het Besluit is gericht op bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor fijn stof (PM 10) en stikstofdioxide (NO2), in het bijzonder kinderen, ouderen en zieken.

Indien een project betrekking heeft op een gevoelige bestemming en geheel of gedeeltelijk is gelegen op een afstand van 300 m aan weerszijden van rijkswegen en 50 m langs provinciale wegen (gemeten vanaf de rand van de weg) mag het totaal aantal mensen dat hoort bij een gevoelige bestemming niet toenemen als overschrijding van de grenswaarden voor PM10 of NO2 dreigt/plaatsvindt. De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn aangemerkt als gevoelige bestemming:

• • •

scholen; kinderdagverblijven; verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen.

Het gaat niet om bestemmingen in de meest enge zin van het woord, maar om alle vergelijkbare functies, ongeacht de exacte aanduiding ervan in bestemmingsplannen en andere besluiten. In het kader van het opstellen van een bestemmingsplan moeten er twee aspecten in beeld gebracht worden. Ten eerste of de luchtkwaliteit de nieuwe functie toelaat. Ten tweede moet bekeken worden of het plan de luchtkwaliteit ‘niet in betekenende mate’ verslechtert. Indien het plan wel ‘in betekenende mate’ bijdraagt aan verslechtering van de luchtkwaliteit, is het van belang om te toetsen of de grenswaarden niet overschreden worden. Indien geen overschrijding van de grenswaarden plaatsvindt, kan het plan alsnog gerealiseerd worden. Planspecifiek In het voorliggende bestemmingsplan worden geen nieuwe gevoelige bestemmingen of nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt. Nader onderzoek naar luchtkwaliteit is derhalve niet noodzakelijk.

4.2 Waterhuishouding Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan. Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21e eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport ‘Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21e eeuw’ (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen,

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11044165/1