Bijlage 2 bij RM d.d. 11 januari 2022 Vrijgeven voor terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan Hofbrouckerpark Z-21-151831 Oegstgeest
Tekst van het document
e. f.
de maximum vloeroppervlakte voor een aan-huis-verbonden (bedrijfs)activiteit bedraagt 40% van het vloeroppervlak van de woning; de aan-huis-verbonden (bedrijfs)activiteit mag alleen in gebouwen (binnen en buiten het bouwvlak) worden uitgeoefend; degene die de aan-huis-verbonden (bedrijfs)activiteit zal uitvoeren, dient tevens de bewoner van de woning te zijn; door degene die de aan-huis-verbonden (bedrijfs)activiteit uitoefent, kan worden aangetoond dat de uitoefening van de activiteit niet leidt tot onevenredige parkeerdruk binnen het openbaar gebied; de aan-huis-verbonden (bedrijfs)activiteit dient qua aard, milieubelasting en uitstraling te passen in een woonomgeving; er mag geen detailhandel, groothandel of horeca plaatsvinden, uitgezonderd een beperkte verkoop als ondergeschikte activiteit in verband met de aan-huis-verbonden (bedrijfs)activiteit;
15
g.
ten behoeve van een bed and breakfast mogen niet meer dan 3 kamers per woning beschikbaar worden gesteld.
16
Artikel 4 Groen 4.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. b. c.
(openbaar) groen, water, voet- en fietspaden, parken, inritten, (ondergrondse) voorzieningen ten behoeve afvalinzameling; sloten, vijvers en moerassen ten behoeve van waterberging, waterafvoer en/of beheersing van de grondwaterstand; bij de bestemming behorende bouwwerken en voorzieningen zoals waterhuishoudkundige, speel-, nuts-, parkeervoorzieningen en bruggen.
4.2 Bouwregels 4.2.1 Gebouwen Op deze gronden mogen uitsluitend gebouwen ten behoeve van nutsvoorzieningen worden gebouwd, met inachtneming van de volgende regels: a. b.
de bouwhoogte bedraagt niet meer dan 3 m; de oppervlakte bedraagt niet meer dan 25 m².
4.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: a. b. c. d.
de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer dan 1 m bedragen; de bouwhoogte van kunstobjecten en lichtmasten mag niet meer dan 6 m bedragen; de bouwhoogte van voetbalkooien mag niet meer dan 10 m bedragen; de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer dan 3 m bedragen.
17
Artikel 5 Sport 5.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Sport' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. b. c.
sportactiviteiten en sportvoorzieningen; aan de toegestane voorzieningen ondergeschikte en daarmee samenhangende activiteiten zoals ondergeschikte horeca en detailhandel; bij deze bestemming behorende bouwwerken en voorzieningen zoals groen, water, parkeer-, speel, nutsvoorzieningen, voet en fietspaden en toegangswegen.
5.2 Bouwregels 5.2.1 Gebouwen Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels: a. b. c.
gebouwen worden binnen het bouwvlak gebouwd; ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte (m)' is ten hoogste de aangegeven goothoogte toegestaan; ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte (m)' is ten hoogste de aangegeven bouwhoogte toegestaan.
5.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: a. b. c.
de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer dan 2 m bedragen; de bouwhoogte van een overkapping mag niet meer dan 3 m bedragen, met dien verstande dat de maximale oppervlakte 25 m² bedraagt; de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer dan 3 m bedragen, met uitzondering van de volgende bouwwerken, geen gebouwen zijnde: 1. de bouwhoogte van vlaggenmasten bedraagt ten hoogste 6 m; 2. de bouwhoogte van sportvoorzieningen zoals ballenvangers bedraagt ten hoogste 7 m; 3. de bouwhoogte van lichtmasten bedraagt ten hoogste 12 m; 4. de bouwhoogte van speelvoorzieningen bedraagt ten hoogste 5 m.
5.3 Afwijken van de bouwregels Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde artikel 5 lid 2.1 om gebouwen ten behoeve van opslag toe te staan onder voorwaarde dat: a. b.
de oppervlakte niet meer bedraagt dan 25 m² per gebouw; de bouwhoogte niet meer bedraagt dan 3 m.
5.4 Afwijken van de gebruiksregels Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 5 lid 1 voor het gebruik van de gronden en bouwwerken voor activiteiten die geen sportief karakter hebben, maar die naar aard en de invloed op de omgeving gelijk gesteld zijn met sportactiviteiten en sportvoorzieningen.
18
Artikel 6 Tuin 6.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Tuin' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. b.
de voor- en zijtuinen bij de op de aangrenzende gronden gelegen hoofdgebouwen (woningen); bij deze bestemming behorende bouwwerken en voorzieningen zoals groen, toegangspaden, terrassen en waterpartijen.
6.2 Bouwregels 6.2.1 Gebouwen Binnen deze bestemming mogen geen gebouwen worden gebouwd. 6.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: a. b.
op deze gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd; de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt ten hoogste 1 m.
6.3 Afwijken van de bouwregels Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 6 lid 2.1 teneinde een erker te bouwen, met dien verstande dat: a. b. c. d. e.
de breedte van een erker ten hoogste 50% van de breedte van de gevel van het oorspronkelijke hoofdgebouw bedraagt; de diepte, gemeten vanuit de oorspronkelijke voorgevel of de naar het openbaar gebied gekeerde zijgevel, niet meer mag bedragen dan 1,5 m; het oppervlak niet meer mag bedragen dan 7 m²; de afstand van de voorzijde van de erker tot de voor- en zijdelingse perceelsgrens ten minste 1,5 m bedraagt; de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 0,25 m boven de hoogte van de eerste verdiepingsvloer van het hoofdgebouw tot een maximum van 4 m.
19
Artikel 7 Verkeer 7.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Verkeer' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. b.
wegen met doorgaande rijstroken met hoofdzakelijk een functie als gebieds- en wijkontsluiting; bij deze bestemming behorende bouwwerken en voorzieningen zoals groen, water, bruggen, duikers, keerwanden, beschoeiingen, nutsvoorzieningen, voet- en fietspaden, ontsluitingswegen en -paden, parkeervoorzieningen, laad- en losvoorzieningen, (ondergrondse) afvalinzamelpunten, reclame-uitingen, geluidwerende voorzieningen, elektrische laadpalen, verlichting, verkeersregeling en abri’s.
7.2 Bouwregels 7.2.1 Gebouwen Op deze gronden mogen uitsluitend gebouwen ten behoeve van nutsvoorzieningen worden gebouwd, met inachtneming van de volgende regels: a. b.
de bouwhoogte bedraagt niet meer dan 3 m; de oppervlakte bedraagt niet meer dan 25 m².
7.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: a. b. c.
de bouwhoogte van geluidwerende voorzieningen bedraagt ten hoogste 5 m. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde - anders dan ten behoeve van de verkeersregeling, verkeersaanduiding, wegaanduiding of verlichting - bedraagt ten hoogste 3 m. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van de verkeersregeling, verkeersaanduiding, wegaanduiding of verlichting mag ten hoogste 16 m bedragen.
7.3 Nadere eisen 7.3.1 Bevoegdheid Het bevoegd gezag kan na afweging van de in het geding zijnde belangen nadere eisen stellen met betrekking tot: a. b. c. d. e.
de situering, afmeting en hoogte van bouwwerken; de situering van en het aantal parkeerplaatsen; de situering van in- en uitritten en andere wegen en paden; de situering van leidingen en andere daarmee samenhangende constructies; de (overige) inrichting van het perceel.
7.3.2 Toepassing De bevoegdheid tot het stellen van nadere eisen wordt toegepast: a. b. c. d.
e.
ter voorkoming van onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden en het woon- en leefklimaat van aangrenzende gronden en bouwwerken; ter voorkoming van onevenredige aantasting van de parkeermogelijkheden in de naaste omgeving; ter waarborging van de stedenbouwkundige kwaliteit en beeldkwaliteit van de naaste omgeving; ter waarborging en ter voorkoming van een ruimtelijke situatie die uit een oogpunt van verkeersveiligheid, in het bijzonder het benodigde uitzicht op hoeken van wegen, bochten en in- en uitritten, niet gewenst is; ter waarborging en ter voorkoming van een ruimtelijke situatie die uit een oogpunt van brandveiligheid c.q. brand en rampenbestrijding niet gewenst is, waarbij rekening dient te worden
20
f. g. h. i.
gehouden met het waarborgen, in stand houden c.q. tot stand brengen van een brandveilige situatie en goede bereikbaarheid; ter bescherming en voorkoming van onevenredige aantasting van de (bestaande) boombeplanting en ten behoeve van een goede landschappelijke inpassing; ter waarborging en ter voorkoming van een ruimtelijke situatie die uit een oogpunt van milieu niet gewenst is; ter waarborging en bescherming van beeldbepalende bouwwerken; ter waarborging van de sociale veiligheid.
21
Artikel 8 Verkeer - Verblijfsgebied 8.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Verkeer - Verblijfsgebied' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a.
b.
verblijfsgebied met (ontsluitings)wegen, fiets- en voetpaden, in- en uitritten, fiets- en voetgangerstunnels, fietsenstallingen met hoofdzakelijk een functie voor verblijf, verplaatsing en gebruik ten dienste van aangrenzende bestemmingen; bij deze bestemming behorende bouwwerken en voorzieningen zoals groen, water, parkeer-, speelen nutsvoorzieningen, reclame-uitingen, elektrische laadpalen, bruggen, ontsluitingswegen, inritten, geluidwerende voorzieningen, (ondergrondse) afvalinzamelpunten en abri’s.
8.2 Bouwregels 8.2.1 Gebouwen Op deze gronden mogen uitsluitend gebouwen ten behoeve van nutsvoorzieningen worden gebouwd, met inachtneming van de volgende regels: a. b.
de bouwhoogte bedraagt niet meer dan 3 m; de oppervlakte bedraagt niet meer dan 25 m².
8.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Binnen deze bestemming mogen bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van deze bestemming worden gebouwd, met inachtneming van de volgende regels: a. b.
de bouwhoogte van kunstobjecten mag ten hoogste 6 m bedragen; de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag ten hoogste 4 m bedragen.
8.3 Nadere eisen 8.3.1 Bevoegdheid Het bevoegd gezag kan na afweging van de in het geding zijnde belangen nadere eisen stellen met betrekking tot: a. b. c. d. e.
de situering, afmeting en hoogte van bouwwerken; de situering van en het aantal parkeerplaatsen; de situering van in- en uitritten en andere wegen en paden; de situering van leidingen en andere daarmee samenhangende constructies; de (overige) inrichting van het perceel.
8.3.2 Toepassing De bevoegdheid tot het stellen van nadere eisen wordt toegepast: a. b. c. d.
e.
ter voorkoming van onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden en het woon- en leefklimaat van aangrenzende gronden en bouwwerken; ter voorkoming van onevenredige aantasting van de parkeermogelijkheden in de naaste omgeving; ter waarborging van de stedenbouwkundige kwaliteit en beeldkwaliteit van de naaste omgeving; ter waarborging en ter voorkoming van een ruimtelijke situatie die uit een oogpunt van verkeersveiligheid, in het bijzonder het benodigde uitzicht op hoeken van wegen, bochten en in- en uitritten, niet gewenst is; ter waarborging en ter voorkoming van een ruimtelijke situatie die uit een oogpunt van brandveiligheid c.q. brand en rampenbestrijding niet gewenst is, waarbij rekening dient te worden gehouden met het waarborgen, in stand houden c.q. tot stand brengen van een brandveilige situatie en goede bereikbaarheid;
22
f. g. h.
ter bescherming en voorkoming van onevenredige aantasting van de (bestaande) boombeplanting en ten behoeve van een goede landschappelijke inpassing; ter waarborging en ter voorkoming van een ruimtelijke situatie die uit een oogpunt van milieu niet gewenst is; ter waarborging van de sociale veiligheid.
23
Artikel 9 Water 9.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Water' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. b. c. d. e.
waterhuishoudkundige doeleinden; waterberging; waterlopen met bijbehorende taluds; bermen; bij de bestemming behorende bouwwerken en voorzieningen zoals groenvoorzieningen, oeverbeschoeiingen en bruggen.
9.2 Bouwregels 9.2.1 Gebouwen Binnen deze bestemming mogen geen gebouwen worden gebouwd. 9.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Binnen deze bestemming mogen bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van deze bestemming worden gebouwd, met inachtneming van de volgende regels: a. b.
de bouwhoogte van bruggen mag niet groter zijn dan 2 m, gemeten van het gemiddelde waterpeil. de bouwhoogte van de overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet groter zijn dan 1 m, gemeten vanaf het gemiddelde waterpeil.
24
Artikel 10 Wonen 10.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. b. c.
het wonen, daaronder begrepen aan-huis-gebonden beroepen; de instandhouding en bescherming van bouwwerken met monumentale en/of cultuurhistorische waarden, voor zover de gronden zijn aangeduid met de aanduiding 'karakteristiek'; bij deze bestemming behorende bouwwerken en voorzieningen zoals groen, tuinen, water, groenvoorzieningen, nutsvoorzieningen en parkeervoorzieningen.
10.2 Bouwregels 10.2.1 Hoofdgebouwen Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels: a. b.
c. d. e.
hoofdgebouwen worden binnen het bouwvlak gebouwd; de volgende bebouwingstypologie is van toepassing: 1. ter plaatse van de aanduiding 'vrijstaand' worden uitsluitend vrijstaande woningen gebouwd; ter plaatse van de aanduiding 'minimum goothoogte (m)' is ten minste de aangegeven goothoogte toegestaan; ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte (m)' is ten hoogste de aangegeven goothoogte toegestaan; ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte (m)' is ten hoogste de aangegeven bouwhoogte toegestaan.
10.2.2 Aan- en uitbouwen en bijgebouwen Voor aan- en uitbouwen en bijgebouwen gelden de volgende regels: a. b.
c. d. e. f. g.
ten behoeve van gestapelde woningen mogen geen aan- en uitbouwen en bijgebouwen gebouwd worden; de gezamenlijke oppervlakte van aan- en uitbouwen en bijgebouwen bedraagt ten hoogste: 1. 50% van het achtererf, wanneer de oppervlakte van het bouwperceel niet groter is dan 500 m², met een maximum van 60 m²; 2. 40% van het achtererf, wanneer de oppervlakte van het bouwperceel groter is dan 500 m², met een maximum van 80 m²; de afstand van aan- en uitbouwen en bijgebouwen tot de zijdelingse en achterste perceelsgrens bedraagt ten minste 1 m, tenzij in de desbetreffende perceelgrens wordt gebouwd; aan- en uitbouwen en bijgebouwen mogen uitsluitend 3 m achter de naar de weg gekeerde gevel c.q. het verlengde daarvan worden gebouwd; de bouwhoogte van aan- of uitbouwen bedraagt ten hoogste 0,25 m boven de hoogte van de eerste verdiepingsvloer van het hoofdgebouw, tot een maximum van 4 m; de goot- en bouwhoogte van bijgebouwen bedraagt ten hoogste 3 m; de diepte van aan- en uitbouwen bedraagt, gemeten vanaf de oorspronkelijke achtergevel, ten hoogste 3,5 m.
10.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: a.
de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen achter de voorgevelrooilijn bedraagt ten hoogste 2 m, met dien verstande dat de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen voor de naar de weg gekeerde gevel c.q. het verlengde daarvan ten hoogste 1 m mag bedragen;
25
b.
c. d.
de bouwhoogte van een overkapping bedraagt ten hoogste 3 m, met dien verstande dat de maximale oppervlakte 25 m² bedraagt en de overkapping minimaal 3 m achter de voorgevel wordt gebouwd; de bouwhoogte van speeltoestellen nabij gestapelde woningen bedraagt ten hoogste 4 m; de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt ten hoogste 3 m.
10.2.4 Kelders Voor het bouwen van kelders gelden de volgende regels: a. b.
c.
d.
binnen het gehele bouwvlak mogen kelders worden gebouwd; buiten het bouwvlak mogen kelders worden gebouwd mits: 1. de oppervlakte van de kelder is niet groter dan 30% van de gronden die zijn gelegen zowel buiten het bouwvlak als achter de naar de weg gekeerde gevel c.q. het verlengde daarvan, met een maximum van 50 m²; 2. de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens en de openbare weg ten minste 1 m bedraagt, tenzij belendende percelen gelijktijdig een kelder bouwen, in welk geval in de gezamenlijke zijdelingse perceelgrens mag worden gebouwd; 3. de kelder wordt ten minste 3 m achter de voorgevellijn gesitueerd; de bovenkant van een kelder ligt ten hoogste 0,1 m beneden het direct aansluitende, al dan niet verharde, terrein, met dien verstande dat in voorkomende gevallen een goede aansluiting op de openbare weg en belendende percelen wordt gerealiseerd; een kelder mag niet ten koste gaan van op het perceel aanwezige parkeerplaatsen.
10.3 Nadere eisen 10.3.1 Bevoegdheid Het bevoegd gezag kan na afweging van de in het geding zijnde belangen nadere eisen stellen met betrekking tot: a. b. c. d. e.
de situering, afmeting en hoogte van bouwwerken; de situering van en het aantal parkeerplaatsen; de situering van in- en uitritten en andere wegen en paden; de situering van leidingen en andere daarmee samenhangende constructies; de (overige) inrichting van het perceel.
10.3.2 Toepassing De bevoegdheid tot het stellen van nadere eisen wordt toegepast: a. b. c. d.
e.
f. g. h.
ter voorkoming van onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden en het woon- en leefklimaat van aangrenzende gronden en bouwwerken; ter voorkoming van onevenredige aantasting van de parkeermogelijkheden in de naaste omgeving; ter waarborging van de stedenbouwkundige kwaliteit en beeldkwaliteit van de naaste omgeving; ter waarborging en ter voorkoming van een ruimtelijke situatie die uit een oogpunt van verkeersveiligheid, in het bijzonder het benodigde uitzicht op hoeken van wegen, bochten en in- en uitritten, niet gewenst is; ter waarborging en ter voorkoming van een ruimtelijke situatie die uit een oogpunt van brandveiligheid c.q. brand en rampenbestrijding niet gewenst is, waarbij rekening dient te worden gehouden met het waarborgen, in stand houden c.q. tot stand brengen van een brandveilige situatie en goede bereikbaarheid; ter bescherming en voorkoming van onevenredige aantasting van de (bestaande) boombeplanting en ten behoeve van een goede landschappelijke inpassing; ter waarborging en ter voorkoming van een ruimtelijke situatie die uit een oogpunt van milieu niet gewenst is; ter waarborging van de sociale veiligheid.
26
10.3.3 Karakteristiek a.
b.
Het bevoegd gezag kan ter plaatse van de aanduiding 'karakteristiek' nadere eisen te stellen ten aanzien van de situering en de afmetingen van bouwwerken met monumentale en/of cultuurhistorische waarden voor wat betreft: 1. de verhouding tussen lengte, breedte, goothoogte en/of bouwhoogte; 2. de dakhelling, nokrichting en/of kapvorm; 3. de onderlinge situering. Nadere eisen zoals genoemd onder a kunnen alleen gesteld worden mits: 1. dit noodzakelijk is uit oogpunt van behoud en/of herstel van de bouwwerken met monumentale en/of cultuurhistorische waarden; 2. vooraf advies is ingewonnen van de gemeentelijke monumentencommissie.
10.4 Afwijken van de bouwregels 10.4.1 Algemeen Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van: a.
b. c.
het bepaalde in artikel 10 lid 2.1 sub d en artikel 10 lid 2.1 sub e ten behoeve van het realiseren van een dakopbouw of een nokverhoging, met dien verstande dat de goot- en bouwhoogte met ten hoogste 1,5 m verruimd mag worden; het bepaalde in artikel 10 lid 2.2 sub e teneinde het dakvlak van het hoofdgebouw door te trekken bij aanbouwen of uitbouwen; het bepaalde in artikel 10 lid 2.2 sub f teneinde een kap op een bijgebouw toe te staan tot een maximale bouwhoogte van 5 m.
10.4.2 Mantelzorg 10.4.2.1 Afwijken Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van: a. b.
artikel 10 lid 1 voor het gebruik van een aan-, uitbouw en/ of bijgebouw bij een woning als afhankelijke woonruimte in combinatie met de noodzakelijke verbouw daarvan, of; artikel 10 lid 2 voor het creëren van extra bouwmogelijkheden in de vorm van een aan-, uitbouw en/of bijgebouw bij een woning ten behoeve van mantelzorg, met inachtneming van de volgende voorwaarden: 1. door een deskundige is aangetoond dat de afwijking noodzakelijk is in verband met medische, psychische en/of sociale omstandigheden; 2. door de vestiging van extra woonruimte mag er geen onevenredige aantasting plaatsvinden van de in het geding zijnde belangen waaronder die van omwonenden en bedrijven; 3. de noodzakelijke parkeervoorzieningen dienen op eigen terrein te worden gesitueerd, dan wel conform de huidige situatie. 4. er mag geen extra ontsluitingsmogelijkheid op de openbare weg worden gemaakt; 5. het gebruik van aan-, uitbouw en/of bijgebouw mag niet plaats vinden bij recreatiewoningen; 6. er een getekende overeenkomst met de gemeente is, waarin is geregeld; - melding van beëindiging van de mantelzorgsituatie - bankgarantie van 10% van de (ver)bouwkosten met een minimum van 2.500 euro - bouwkundig rapport met omschrijving van het terugbrengen in oude staat na beëindiging van de mantelzorg.
27
10.4.2.2 Voorwaarden Een omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 10 lid 4.2.1 sub a kan uitsluitend worden verleend indien: a. b.
c.
er op het erf sprake is van aanwezige aan-, uitbouw, en/of bijgebouwen die geschikt kunnen worden gemaakt voor het bieden van mantelzorg; de aanvrager ter toetsing met de indiening van de aanvraag om afwijking een bouwkundig rapport overlegt, waarin een overzicht gegeven wordt van: 1. de bestaande bouwkundige en gebruikssituatie; 2. de te treffen voorzieningen; 3. de nieuwe (inrichtings)situatie; er een getekende overeenkomst met de gemeente is, waarin is geregeld; - melding van beëindiging van de mantelzorgsituatie - bankgarantie van 10% van de (ver)bouwkosten met een minimum van 2.500 euro - bouwkundig rapport met omschrijving van het terugbrengen in oude staat na beëindiging van de mantelzorg.
10.4.2.3 Bebouwingsvoorwaarden Een omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 10 lid 4.2.1 sub b kan uitsluitend worden verleend indien: a.
b. c. d. e. f.
g.
het bruto vloeroppervlak aan aan-, uitbouwen, en/of bijgebouwen ten hoogste 100 m² bedraagt, met dien verstande dat het gezamenlijk bebouwd oppervlak ten hoogste 75% van het achtererf bedraagt; er op het erf geen sprake is van reeds aanwezige aan-, uitbouwen en/of bijgebouwen die geschikt kunnen worden gemaakt voor het bieden van mantelzorg; de goothoogte van een aan- of uitgebouwde uitbreiding van de woonruimte niet meer bedraagt dan de hoogte van de eerste bouwlaag van het hoofdgebouw, met een maximum van 3 m; de goothoogte van een bijgebouw c.q. mantelzorgwoning niet meer bedraagt dan 3 m; de bouwhoogte niet meer bedraagt dan 3/4 gedeelte van de bouwhoogte van het hoofdgebouw bedraagt; de aanvrager ter toetsing van dit plan met de indiening van de aanvraag om afwijking een bouwkundig rapport overlegt, waarin een overzicht gegeven wordt van: 1. de bestaande bouwkundige en gebruikssituatie; 2. de te treffen voorzieningen; 3. de nieuwe (inrichtings)situatie; er een getekende overeenkomst met de gemeente is, waarin is geregeld; - melding van beëindiging van de mantelzorgsituatie - bankgarantie van 10% van de (ver)bouwkosten met een minimum van 2.500 euro - bouwkundig rapport met omschrijving van het terugbrengen in oude staat na beëindiging van de mantelzorg.
10.4.2.4 Intrekken omgevingsvergunning Het bevoegd gezag trekt de omgevingsvergunning, verleend op grond van artikel 10 lid 4.2.1 in, indien de bij het verlenen van de omgevingsvergunning bestaande noodzaak vanuit een oogpunt van mantelzorg niet meer aanwezig is. 10.5 Specifieke gebruiksregels Gebruik van ruimten binnen de woning ten behoeve van de uitoefening van aan-huis-gebonden beroepen wordt als gebruik overeenkomstig de bestemming aangemerkt voor zover dit gebruik ondergeschikt blijft aan de woonfunctie en mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden: a. b.
ten hoogste 40% van het vloeroppervlak van de woning tot ten hoogste 30 m² wordt gebruikt voor het aan-huis-verbonden beroep; degene die het aan-huis-verbonden beroep in de woning uitoefent, dient tevens de bewoner van de woning te zijn;
28
c. d. e.
door degene die het aan-huis-verbonden beroep uitoefent, kan worden aangetoond dat de uitoefening van het beroep geen extra parkeerruimte vereist binnen het openbaar gebied; voorzien is in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein; er mag geen detailhandel, groothandel of horeca plaatsvinden.
10.6 Afwijken van de gebruiksregels 10.6.1 Aan-huis-verbonden (bedrijfs)activiteiten Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 10 lid 1 voor het gebruik van ruimten binnen een woning voor aan-huis-verbonden (bedrijfs)activiteiten, voor zover dit gebruik ondergeschikt blijft aan de woonfunctie en mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden: a. b. c. d. e.
ten hoogste 40% van het vloeroppervlak van – bij elkaar geteld – de woning en de bijgebouwen, tot ten hoogste 50 m², mag worden gebruikt voor aan-huis-verbonden (bedrijfs)activiteiten; degene die de aan-huis-verbonden (bedrijfs)activiteiten zal uitvoeren, dient tevens de bewoner van de woning te zijn; de noodzakelijke parkeervoorzieningen dienen op eigen terrein te worden gesitueerd; de aan-huis-verbonden (bedrijfs)activiteit dient qua aard, milieubelasting en uitstraling te passen in een woonomgeving; er mag geen detailhandel, groothandel of horeca plaatsvinden, uitgezonderd een beperkte verkoop als ondergeschikte activiteit in verband met de aan-huis-verbonden (bedrijfs)activiteit.
10.6.2 Bed and breakfast Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 10 lid 1 voor het gebruik van woningen ten behoeve van bed and breakfast, mits: a. b. c. d.
er niet meer dan 3 kamers voor bed and breakfast beschikbaar worden gesteld; de bed and breakfast ondergeschikt is aan de woonfunctie; de exploitant van de bed and breakfast de hoofdbewoner van de woning is; er op eigen terrein in de nodige parkeerbehoefte kan worden voorzien.
29
Artikel 11 Waarde - Archeologie 2 11.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Waarde - Archeologie 2' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en de bescherming van archeologische waarden. 11.2 Bouwregels Voor het bouwen gelden de volgende regels: a.
b.
op deze gronden mogen ten behoeve van de in artikel 11 lid 1 bedoelde bestemming uitsluitend gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd die voor aanvullend of definitief archeologisch onderzoek (opgraven) noodzakelijk zijn, mits de bepalingen van artikel 11 lid 3 vooraf in acht zijn genomen; tevens mogen op deze gronden gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden opgericht voor de aan de andere daar voorkomende bestemming(en), mits de bepalingen van artikel 11 lid 3 vooraf in acht zijn genomen.
11.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 11.3.1 Verbod a.
b.
c.
Het is verboden op of in de gronden met de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren, dieper dan 50 cm en over een (totale) oppervlakte groter dan 100 m². 1. grondwerkzaamheden, waartoe wordt gerekend het ophogen, afgraven, verwijderen van oude funderingen, woelen en mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden alsmede het vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren en het aanleggen van drainage; 2. het planten of rooien van bomen en diepwortelende struiken waarbij stobben worden verwijderd; 3. het aanleggen van ondergrondse transport-, energie-, of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur; 4. het verlagen van het waterpeil; 5. het werken met opsporingsapparatuur (waaronder vallen metaaldetectoren, grondradar en ander detectieapparatuur), gevolgd door het opgraven van archeologische vondsten en relicten; 6. het heien van palen en slaan van damwanden.
De aanvrager van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden dient bij het indienen van de aanvraag een archeologisch rapport over te leggen waarin de archeologische waarde van het terrein, dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van het bevoegd gezag, in voldoende mate is vastgesteld. De werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden als bedoeld onder lid a 1 t/m 6 zijn slechts toelaatbaar, indien en voor zover deze geen afbreuk doen aan het behoud en de bescherming van de archeologische waarden in de desbetreffende gronden.
11.3.2 Uitzonderingen Het verbod zoals bedoeld in artikel 11 lid 3.1 is niet van toepassing indien: a. b.
het gaat om onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplanting en werkzaamheden binnen bestaande tracés van kabels en leidingen; de werken of werkzaamheden die: 1. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan; 2. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning of ontgrondingenvergunning;
30
11.3.3 Voorwaarden Aan de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 11 lid 3.1 kunnen de volgende voorwaarden worden verbonden: a. b.
c. d. e.
de verplichting tot het doen van archeologisch bureauonderzoek; de verplichting tot het doen van inventariserend en/of waarderend archeologisch onderzoek zoals boringen, proefsleuven en non-destructief onderzoek (zoals bijvoorbeeld grondradar- en weerstandsonderzoek); de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische waarden kunnen worden behouden (behoud in situ); de verplichting tot definitief archeologisch onderzoek (opgraven) en het conserveren van de archeologische resten en het opstellen van een eindrapportage; de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg, die voldoet aan door bevoegd gezag te stellen kwalificaties (archeologische begeleiding).
11.4 Wijzigingsbevoegdheid Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het plan te wijzigen door: a.
b.
de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2' geheel of gedeeltelijk te doen vervallen, indien op basis van inventariserend en/of definitief archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn; aan gronden alsnog de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 1' of de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3' toe te kennen indien uit inventariserend en/of definitief archeologisch onderzoek blijkt dat de begrenzing van de gronden met deze medebestemming, gelet op ter plaatse aanwezige archeologische waarden, aanpassing behoeft.
31
Artikel 12 Waarde - Archeologie 3 12.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Waarde - Archeologie 3' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en de bescherming van archeologische waarden. 12.2 Bouwregels Voor het bouwen gelden de volgende regels: a.
b.
op deze gronden mogen ten behoeve van de in artikel 12 lid 1 bedoelde bestemming uitsluitend gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd die voor aanvullend of definitief archeologisch onderzoek (opgraven) noodzakelijk zijn, mits de bepalingen van artikel 12 lid 3 vooraf in acht zijn genomen; tevens mogen op deze gronden gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden opgericht voor de aan de andere daar voorkomende bestemming(en), mits de bepalingen van artikel 12 lid 3 vooraf in acht zijn genomen.
12.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 12.3.1 Verbod a.
b.
c.
Het is verboden op of in de gronden met de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren, dieper dan 50 cm en over een (totale) oppervlakte groter dan 250 m². 1. grondwerkzaamheden, waartoe wordt gerekend het ophogen, afgraven, verwijderen van oude funderingen, woelen en mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden alsmede het vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren en het aanleggen van drainage; 2. het planten of rooien van bomen en diepwortelende struiken waarbij stobben worden verwijderd; 3. het aanleggen van ondergrondse transport-, energie-, of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur; 4. het verlagen van het waterpeil; 5. het werken met opsporingsapparatuur (waaronder vallen metaaldetectoren, grondradar en ander detectieapparatuur), gevolgd door het opgraven van archeologische vondsten en relicten; 6. het heien van palen en slaan van damwanden.
De aanvrager van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden dient bij het indienen van de aanvraag een archeologisch rapport over te leggen waarin de archeologische waarde van het terrein, dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van het bevoegd gezag, in voldoende mate is vastgesteld. De werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden als bedoeld onder lid a 1 t/m 6 zijn slechts toelaatbaar, indien en voor zover deze geen afbreuk doen aan het behoud en de bescherming van de archeologische waarden in de desbetreffende gronden.
12.3.2 Uitzonderingen Het verbod zoals bedoeld in artikel 12 lid 3.1 is niet van toepassing indien: a. b.
het gaat om onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplanting en werkzaamheden binnen bestaande tracés van kabels en leidingen; de werken of werkzaamheden die: 1. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan; 2. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning of ontgrondingenvergunning;
32
12.3.3 Voorwaarden Aan de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 12 lid 3.1 kunnen de volgende voorwaarden worden verbonden: a. b.
c. d. e.
de verplichting tot het doen van archeologisch bureauonderzoek; de verplichting tot het doen van inventariserend en/of waarderend archeologisch onderzoek zoals boringen, proefsleuven en non-destructief onderzoek (zoals bijvoorbeeld grondradar- en weerstandsonderzoek); de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische waarden kunnen worden behouden (behoud in situ); de verplichting tot definitief archeologisch onderzoek (opgraven) en het conserveren van de archeologische resten en het opstellen van een eindrapportage; de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg, die voldoet aan door bevoegd gezag te stellen kwalificaties (archeologische begeleiding).
12.4 Wijzigingsbevoegdheid Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het plan te wijzigen door: a.
b.
de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3' geheel of gedeeltelijk te doen vervallen, indien op basis van inventariserend en/of definitief archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn; aan gronden alsnog de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 1' of de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2' toe te kennen indien uit inventariserend en/of definitief archeologisch onderzoek blijkt dat de begrenzing van de gronden met deze medebestemming, gelet op ter plaatse aanwezige archeologische waarden, aanpassing behoeft.
33
Artikel 13 Waterstaat - Waterkering 13.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Waterstaat - Waterkering' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor: a. b.
de instandhouding van waterkeringen met de daarbij behorende waterstaatswerken zoals taluds, dijken en onderhoudswegen; bij deze bestemming behorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en voorzieningen van waterbouwkundige aard zoals duikers, keerwanden en beschoeiingen.
13.2 Bouwregels Voor het bouwen gelden de volgende regels: a. b. c.
in afwijking van het bepaalde bij de andere daar voorkomende bestemming(en) mag alleen ten dienste van de bestemming als bedoeld in artikel 13 lid 1 worden gebouwd; gebouwen mogen niet worden gebouwd; de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt ten hoogste 3 m.
13.3 Afwijken van de bouwregels 13.3.1 Afwijken Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 13 lid 2 sub a voor de bouw van bouwwerken ten behoeve van de andere daar voorkomende bestemming(en). 13.3.2 Uitzonderingen Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 13 lid 3.1 is niet vereist indien het bouwplan betrekking heeft op vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en gebruikt wordt gemaakt van de bestaande fundering. 13.3.3 Voorwaarden Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 13 lid 3.1 wordt verleend indien de bij de betrokken bestemming behorende (bouw)regels in acht worden genomen en het belang van de waterkering(en) niet onevenredig worden geschaad. Alvorens omtrent het verlenen van de omgevingsvergunning te beslissen, wint het bevoegd gezag advies in bij de waterbeheerder. 13.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 13.4.1 Verbod Het is verboden op of in de als 'Waterstaat - Waterkering' bestemde gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: a.
b. c. d. e.
het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe wordt gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage (verlagen van grondwaterpeil); het aanleggen, verbreden of verharden van wegen, paden, banen of parkeergelegenheid en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen; het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren; het aanleggen of aanbrengen van dijken of andere taluds, kaden of aanlegplaatsen; het aanbrengen of verwijderen van diepwortelende beplantingen, het bebossen en aanplanten van gronden en het verwijderen, kappen of rooien van bomen of andere opgaande beplanting alsmede het verwijderen van oevervegetaties;
34
f.
het aanbrengen van boven- of ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.
13.4.2 Uitzonderingen Het verbod van artikel 13 lid 4.1 is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die: a. b. c. d.
noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarvoor een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 13 lid 3 is verleend; normaal onderhoud, beheer en gebruik ten dienste van de bestemming betreffen; reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van dit plan; reeds mogen worden uitgevoerd krachtens een verleende vergunning.
13.4.3 Voorwaarden Omgevingsvergunning wordt verleend indien het belang van de waterkering(en) door de werken en werkzaamheden zoals in artikel 13 lid 4.1 bedoeld niet onevenredig worden geschaad en ter zake vooraf advies van de beheerder(s) van de waterkering(en) is ingewonnen.
35
hoofdstuk 3 Algemene regels Artikel 14 Anti-dubbeltelregel Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
Artikel 15 Algemene bouwregels Voor het bouwen gelden de volgende regels: a.
b. c.
d.
voor zover legaal gebouwde (delen van) bouwwerken op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan niet voldoen aan de in het plan genoemde afstands-, hoogte-, inhouds-, en oppervlaktematen alsmede bebouwingspercentages gelden de dan aanwezige maten en percentages, uitsluitend ter plaatse van de afwijking, als vervangende regel; in geval van herbouw is het bepaalde onder a uitsluitend van toepassing indien de herbouw op dezelfde plaats plaatsvindt; ondergrondse bebouwing is ter plaatse van bovengrondse bebouwing toegestaan, tenzij in de bouwregels van de betreffende bestemming anderszins is bepaald, met inachtneming van de volgende regels: 1. ondergrondse ruimten vormen een functionele eenheid met en zijn dienstbaar aan de ter plaatse toegestane functies zoals berg- en parkeerruimten en fietsenstallingen; 2. op het bouwen van ondergrondse ruimten zijn de aanduidingen op de verbeelding en de (bouw)regels van het plan op overeenkomstige wijze van toepassing, met dien verstande dat de verticale diepte van ondergrondse bouwwerken niet meer bedraagt dan 3,5 m beneden peil; 3. in afwijking van het bepaalde in de onderdelen 1 en 2 is ondergronds bouwen ten behoeve van kelders bij (dienst)woningen toegestaan overeenkomstig de (bouw)regels van de betreffende bestemming; bouwgrenzen, niet zijnde bestemmingsgrenzen, mogen worden overschreden door: 1.
tot gebouwen behorende stoepen, stoeptreden, trappen(huizen), galerijen, hellingbanen, funderingen, balkons, entreeportalen, veranda's en afdaken, mits de overschrijding niet meer dan 2,5 m bedraagt: 2. andere ondergeschikte onderdelen van gebouwen, niet zijnde erkers, mits de overschrijding niet meer dan 1,5 m bedraagt.
Artikel 16 Algemene gebruiksregels Het is verboden de gronden, bouwwerken en onderkomens te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met de aan die gronden gegeven bestemming, waaronder in ieder geval wordt gerekend: a. b. c. d.
het gebruik van een bijgebouw voor zelfstandige bewoning; het gebruik van de gronden, bouwwerken en onderkomens ten behoeve van een seksinrichting, escortbedrijf, raamprostitutie en straatprostitutie; de permanente bewoning van recreatiewoningen, kampeermiddelen, andere onderkomens of gebouwen die niet voor permanente bewoning bestemd zijn; het gebruik van niet-bebouwde grond als permanente staan- of ligplaats van demonteerbare of verplaatsbare inrichtingen voor de verkoop van etenswaren en/of dranken;
36
e. f.
g.
h.
het gebruik van niet-bebouwde grond als staan- of ligplaats voor kampeermiddelen buiten de daarvoor aangewezen gronden; het gebruik van niet-bebouwde grond als staan- of ligplaats voor, voor menselijk of dierlijk verblijf geschikte, al dan niet aan hun bestemming onttrokken, vaar- of voertuigen, arken of andere objecten, voor zover die niet als bouwwerk zijn aan te merken; het gebruik van niet-bebouwde grond voor het opslaan, storten of bergen van al dan niet afgedankte stoffen, voorwerpen en producten, tenzij dit gebruik noodzakelijk is voor of verband houdt met het op de bestemming gerichte gebruik van de gronden, dan wel indien in hoofdstuk 2 van deze regels anderszins is bepaald; het gebruik van zorgwoningen als (reguliere) woningen.
Artikel 17 Algemene aanduidingsregels 17.1 Vrijwaringszone - molenbiotoop 17.1.1 Bouwregels a.
b.
De bouwhoogte van bouwwerken op gronden binnen een afstand van 100 m tot het middelpunt van de molen en ter plaatse van de aanduiding 'vrijwaringszone - molenbiotoop' mag niet hoger zijn dan de onderste punt van de wiek in verticale stand. De bouwhoogte van bouwwerken op gronden binnen een afstand van 100 tot 400 m tot het middelpunt van de molen en ter plaatse van de aanduiding 'vrijwaringszone - molenbiotoop' mag niet hoger zijn dan 1/30 van de afstand tussen de bebouwing en het middelpunt van de molen vermeerderd met de hoogte van de onderste punt van de wiek in verticale stand.
17.1.2 Afwijken van de bouwregels Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 17 lid 1.1 teneinde hogere bebouwing toe te laten, mits daardoor de windvang, het functioneren en de zichtbaarheid van de molen niet in onevenredige mate worden geschaad. Het bevoegd gezag geeft niet eerder de omgevingsvergunning af dan dat instemming is verkregen van de provincie Zuid-Holland. 17.1.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden a.
b.
c.
Het is verboden op de gronden ter plaatse van de aanduiding 'vrijwaringszone - molenbiotoop' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren: 1. het aanbrengen van bovengrondse constructies, installaties of apparatuur; 2. het ophogen van gronden; 3. het beplanten met bomen, heesters en andere opgaande begroeiing. Het onder a vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die: 1. het normale onderhoud betreffen overeenkomstig de bestemming(en) van deze gronden, dan wel van ondergeschikte betekenis zijn en/of voortvloeien uit het normale gebruik overeenkomstig de bestemming; 2. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan. De in onder a genoemde omgevingsvergunning kan slechts worden verleend, indien: 1. er sprake is van een situatie waarin vrije windvang en het zicht op de molen al beperkt zijn door bebouwing, zolang de vrije windvang en het zicht op de molen niet verder worden beperkt, of; 2. zeker is gesteld dat de belemmering van de windvang en het zicht op de molen door maatregelen elders in de molenbeschermingszone worden gecompenseerd.
17.1.4 Advies Alvorens te beslissen over de aanvraag van een omgevingsvergunning wint het bevoegd gezag advies in bij de provincie Zuid-Holland.
37
Artikel 18 Algemene afwijkingsregels 18.1 Maten en bouwgrenzen Het bevoegd kan – tenzij op grond van hoofdstuk 2 reeds afgeweken kan worden van de regels – met een omgevingsvergunning afwijken van de regels in het plan, indien daardoor geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de ingevolge de bestemming gegeven gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken, voor: a. b.
c.
d.
e.
f.
afwijkingen van maten (waaronder percentages) met ten hoogste 10%; overschrijding van bouwgrenzen, aanduidingsgrenzen en overige aanduidingen indien dit uit het oogpunt van een doelmatig gebruik van de gronden en/of bebouwing gewenst is, met inachtneming van de volgende regels: 1. de overschrijdingen bedragen niet meer dan 3 m; 2. het bouwvlak mag met niet meer dan 10% worden vergroot; het in geringe mate afwijken van bestemmingsgrenzen, bouwgrenzen, aanduidingsgrenzen en overige aanduidingen indien dit noodzakelijk is in verband met de werkelijke toestand van het terrein; vergroting van de bouwhoogten van: 1. bouwwerken, geen gebouwen zijnde, tot maximaal 5 m; 2. kunstobjecten tot maximaal 7 m; voor het bouwen van nutsvoorzieningen, indien in dit plan is bepaald dat de gronden tevens mogen worden gebruikt voor nutsvoorzieningen en in hoofdstuk 2 van deze regels niet anderszins is bepaald, met inachtneming van de volgende regels: 1. indien het gebouwen betreft bedraagt de inhoud ten hoogste 120 m³ en de bouwhoogte ten hoogste 3 m; 2.
indien het bouwwerken, geen gebouwen zijnde, betreft bedraagt de oppervlakte ten hoogste 25 m² en de bouwhoogte ten hoogste 3 m; voor geringe veranderingen in de tracés van wegen en de aanpassing daaraan van de ligging en de vorm van de bestemmingsgrenzen, indien bij definitieve uitmeting blijkt dat een weg als gevolg van de werkelijke toestand van het terrein slechts kan worden uitgevoerd als op ondergeschikte punten van het plan wordt afgeweken.
18.2 Snippergroen Het bevoegd kan – tenzij op grond van hoofdstuk 2 reeds afgeweken kan worden van de regels – met een omgevingsvergunning afwijken van de regels in het plan, indien daardoor geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de ingevolge de bestemming(en) gegeven gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken, voor het gebruik van een perceel snippergroen ten behoeve van de naastgelegen woonbestemming onder voorwaarde dat: a. b.
eenmalig maximaal 100 m² snippergroen per perceel kan worden toegevoegd; het perceel gelegen is aan de perceelsgrens behorende bij de woning.
Artikel 19 Algemene wijzigingsregels Burgemeester en wethouders kunnen de in het plan opgenomen bestemmingen wijzigen ten behoeve van overschrijding van bestemmingsgrenzen, voor zover zulks van belang is voor een technisch betere realisering van bestemmingen of bouwwerken dan wel voor zover zulks noodzakelijk is in verband met de werkelijke toestand van het terrein, met inachtneming van de volgende regels: a. b. c.
de overschrijdingen bedragen niet meer dan 3 m en het bestemmingsvlak wordt met niet meer dan 10% vergroot; de belangen van de eigenaren en/of gebruikers van betrokken en nabijgelegen gronden worden niet onevenredig geschaad; het straat- en bebouwingsbeeld en de verkeersveiligheid worden niet onevenredig geschaad.
38
Artikel 20 Overige regels 20.1 Parkeren 20.1.1 Voldoende parkeergelegenheid Een bouwwerk, waarvan een behoefte aan parkeergelegenheid wordt verwacht, kan niet worden gebouwd of van functie worden gewijzigd, wanneer op eigen terrein niet in voldoende parkeergelegenheid is voorzien en in stand wordt gehouden, zoals bedoeld in de Parkeernota Oegstgeest 2021 of de opvolger daarvan. 20.1.2 Afwijken Het bevoegd gezag met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 20 lid 1.1 en toestaan dat: a. b.
voorzien wordt in voldoende parkeergelegenheid in de omgeving, al dan niet in samenhang met parkeergelegenheid op eigen terrein; in minder dan voldoende parkeergelegenheid wordt voorzien, indien het specifieke gebruik en/of de structuur van de omgeving daartoe aanleiding geven en geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de bereikbaarheid.
20.2 Werking wettelijke regelingen De wettelijke regelingen waarnaar in de regels van dit plan wordt verwezen, gelden zoals deze luiden op het moment van vaststelling van het plan.
39
hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels Artikel 21 Overgangsrecht 21.1 Overgangsrecht bouwwerken a.
b.
c.
Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel kan worden gebouwd krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot, 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; 2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan. Bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het bepaalde onder a een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld onder a met maximaal 10%. Het bepaalde onder a is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
21.2 Overgangsrecht gebruik a. b.
c.
d.
Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet. Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het bepaalde onder a, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind. Indien het gebruik, bedoeld in het bepaalde onder a, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten. Het bepaalde onder a is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.
Artikel 22 Slotregel Deze regels worden aangehaald als: Regels van het bestemmingsplan Hofbrouckerpark.
40