CConstaterende datNunspeet
Koppel je AI →
Document · PDF

St. t.k.n. nr. 3. TAM-omgevingsplan Schotkampweg 159, Hoofdstuk 22m

Commissie Ruimte en Wonen 13 oktober 2025, gemeente NunspeetBij agendapunt: Ontwerp TAM-omgevingsplan Schotkampweg 15922.756 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

De bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer dan 4 meter bedragen, en de bouwhoogte van erfafscheidingen mag niet meer dan 2,5 meter bedragen. Wonen (Artikel 9) De functie 'Wonen' is toegekend aan de voormalige bedrijfswoning. De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor het wonen in een woning of een woonhuis al dan niet in combinatie met een aan-huis-verbonden beroep en/of een kleinschalige bedrijfsmatige activiteit. Verder zijn bijbehorende gebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde, andere werken, tuinen en erven toegestaan.

- 27 -

Binnen de functie ‘Wonen’ is een aantal omgevingsplanactiviteiten opgenomen. Deze omgevingsplanactiviteiten zijn in de huidige situatie ook al mogelijk op gronden die bestemd zijn als ‘Wonen’. Om deze reden worden deze omgevingsplanactiviteiten hier niet nader toegelicht. Waarde – Archeologie 2 (artikel 10) De locaties die binnen het gebied Waarde – Archeologie 2 vallen, zijn, behalve voor de andere daar voorkomende functies, mede aangewezen voor het behoud, de bescherming en/of het herstel van de voorkomende archeologische waarden. Binnen deze functie ‘Waarde - Archeologie 2’ is een aantal omgevingsplanactiviteiten opgenomen, Deze omgevingsplanactiviteiten zijn in de huidige situatie ook al mogelijk op gronden die bestemd zijn als ‘Waarde – Archeologie 2’. Om deze reden worden deze omgevingsplanactiviteiten hier niet nader toegelicht. 9.2.3 Algemene regels over functies Hoofdstuk 3 bevat de algemene bepalingen. Deze bepalingen gelden voor het gehele plangebied en zijn van algemene aard. Het betreft: − anti-dubbeltelregel (artikel 12); − algemene beoordelingsregels bouwactiviteiten (artikel 13); − algemene beoordelingsregels gebruiksactiviteiten (artikel 14); − algemene beoordelingsregels overige activiteiten (artikel 15) − overige regels (artikel 16). Omdat dit regels van algemene aard betreft, worden deze daarom niet nader toegelicht in deze paragraaf.

9.2.5 Overgangsrecht In Hoofdstuk 4 staan de overgangsregels. In Artikel 17 is het overgangsrecht bouwwerken en het overgangsrecht gebruik beschreven. Hierin wordt aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met het omgevingsplan.

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Schotkampweg 159, Hoofdstuk 22m (concept)

Regels Preambule Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het omzetten van een gedeelte van het perceel Schotkampweg 159 in Elspeet waarop de (voormalige) bedrijfswoning staat, in een functie Wonen. Juridisch is het plan een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk 22m) van het omgevingsplan van de gemeente Nunspeet. Dit hoofdstuk is op grond van artikel 11.1, lid 2, van het Besluit elektronische publicaties, bekendgemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen. De in dit op www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22m van het omgevingsplan van de gemeente Nunspeet. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '22m' gelezen worden. De bijlage bij de in deze voorziening weergegeven hoofdstukken moet gelezen worden als onderdeel van Bijlage 22m bij het omgevingsplan van de gemeente Nunspeet.

31

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Schotkampweg 159, Hoofdstuk 22m (concept)

Hoofdstuk 1 Artikel 1 a. b. c.

Inleidende regels

Toepassingsbereik

De besluiten als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet zijn niet van toepassing op de locatie, bedoeld in lid c van dit artikel. De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3 en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met de regels in dit hoofdstuk 22m. De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie TAM-omgevingsplan Schotkampweg 159, Hoofdstuk 22m, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0302.TAM0022m-ow01 zoals vastgelegd op http://www.ruimtelijkeplannen.nl.

32

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Schotkampweg 159, Hoofdstuk 22m (concept)

Artikel 2 2.1

Begripsbepalingen

Van toepassing verklaring

Begripsbepalingen die zijn opgenomen in bijlage I van het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, Bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling zijn van toepassing op dit hoofdstuk.

33

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Schotkampweg 159, Hoofdstuk 22m (concept)

Artikel 3

Aanvullende begripsbepalingen

In aanvulling op het bepaalde in artikel 2 worden voor de toepassing van de regels in dit plan de volgende begrippen gehanteerd: 3.1

plan

het omgevingsplan TAM-omgevingsplan Schotkampweg 159, NL.IMRO.0302.TAM0022m-ow01 van de gemeente Nunspeet. 3.2

Hoofdstuk

22m

met

identificatienummer

omgevingsplan

de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen; 3.3

aanduiding

een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden; 3.4

aanduidingsgrens

de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft; 3.5

aan huis verbonden beroep

een beroep of het beroepsmatig verlenen van diensten op administratief, juridisch, medisch, therapeutisch, kunstzinnig, ontwerptechnisch, of hiermee gelijk te stellen gebied, uitgezonderd prostitutie, dat in of bij een woonhuis wordt uitgeoefend door de gebruiker, waarbij het woonhuis in overwegende mate de woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is; 3.6

achtererfgebied

erf achter de lijn die het hoofdgebouw doorkruist op 1 m achter de voorkant en van daaruit evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar gebied, zonder het hoofdgebouw opnieuw te doorkruisen of in het erf achter het hoofdgebouw te komen; 3.7

agrarisch bedrijf

een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of door middel van het houden van dieren, niet zijnde: een glastuinbouwbedrijf, een hout- en/of fruitteeltbedrijf, een boomen/of sierkwekerij, een gebruiksgerichte paardenhouderij of een bollenteeltbedrijf; 3.8

arbeidsmigrant

personen die hun vaste woon-, of verblijfplaats in een ander land dan Nederland hebben en op grond van een EU-paspoort of werkvergunning legaal in Nederland werkzaam zijn; 3.9

archeologische waarde

de waarde die van belang is voor de archeologie en voor de kennis van de beschavingsgeschiedenis; 3.10

bebouwing

één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde; 3.11

bebouwingsgebied:

achtererfgebied alsmede de grond onder het hoofdgebouw, uitgezonderd de grond onder het oorspronkelijk hoofdgebouw; 3.12

bed & breakfast

een bedrijfsmatige voorziening gericht op het bieden van de mogelijkheid tot overnachting en het serveren van ontbijt als toeristisch-recreatieve activiteit, welke bedrijfsmatige voorziening ondergeschikt is aan de hoofdfunctie; 3.13

bedrijf

een bedrijfseconomische eenheid; onder eenheid worden ook verstaan rechtspersonen die ruimtelijk als één bedrijf optreden. Onder bedrijf - buitengebied gerelateerd wordt begrepen een bedrijf dat vanwege de aard van de bedrijfsvoering past in het buitengebied; 3.14

bedrijfsgebouw

een gebouw dat dient voor de uitoefening van een bedrijf;

34

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Schotkampweg 159, Hoofdstuk 22m (concept)

3.15

bedrijfsmatig

in de uitoefening van een beroep of bedrijf of tegen vergoeding; 3.16

bedrijfswoning

een woning in of bij een gebouw of op een terrein, kennelijk slechts bedoeld voor (het huishouden van) een persoon, wiens huisvesting daar gelet op de bestemming van het gebouw of het terrein noodzakelijk is voor beheer of toezicht; 3.17

bestaande

bestaand en legaal aanwezig op het tijdstip van terinzagelegging van het ontwerp van dit plan; 3.18

bijbehorend bouwwerk

functioneel met een zich op hetzelfde bouwperceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegenaan gebouwd op de grond staand gebouw of ander bouwwerk met een dak en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw; 3.19

bouwen

het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats; 3.20

bouwgrens

de grens van een bouwvlak; 3.21

bouwperceel

een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten; indien en voorzover twee bouwpercelen middels de figuur relatie met elkaar zijn verbonden worden deze aangemerkt als één bouwperceel; 3.22

bouwperceelgrens

een grens van een bouwperceel; 3.23

bouwvlak

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten; 3.24

bouwwerk

elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond; 3.25

cultuurhistorische waarde

de aan een bouwwerk of gebied (waaronder begrepen landschapselementen) toegekende waarde, gekenmerkt door het beeld dat is ontstaan door het gebruik dat de mens in de loop van de geschiedenis van dat bouwwerk of dat gebied heeft gemaakt; 3.26

dak

iedere bovenbeëindiging van een gebouw; 3.27

detailhandel

het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen, geen motorbrandstoffen zijnde, aan personen die die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit; 3.28

erf

een al dan niet bebouwd perceel of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een woning en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van de woning; 3.29

erfbeplanting:

afschermende en/of het landschapsbeeld versterkende en overwegend opgaande (rand)beplanting binnen of direct aansluitend op het bouwvlak van een agrarisch bedrijf of binnen of direct aansluitend aan een ander bedrijf of een woning;

35

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Schotkampweg 159, Hoofdstuk 22m (concept)

3.30

extensief recreatief medegebruik

een extensief dagrecreatief gebruik van gronden dat ondergeschikt is aan de functie van de bestemming waarbinnen dit recreatieve gebruik is toegestaan, waaronder in elk geval niet wordt verstaan: boerengolf, paintball, gemotoriseerde sport; 3.31

functievlak/locatievlak

een geometrisch bepaald vlak dat is aangewezen voor een functie en/of een gebruiksdoel; 3.32

gebouw

elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt; 3.33

geomorfologische waarde

de waarde van de gronden vanwege de ontstaansgeschiedenis van de vormen van het aardoppervlak, welke waarde wordt bepaald door de herkenbaarheid van de vormen; 3.34

hoofdgebouw

een gebouw dat gelet op de functie als het belangrijkste bouwwerk op een bouwperceel kan worden aangemerkt; 3.35

huishouden

een verzameling van één of meerdere personen die samen één zelfstandig huishouden vormen dat zich kenmerkt door continuïteit in samenstelling en onderlinge verbondenheid; 3.36

inwoning

twee huishoudens in een woning waarbij er sprake is van een hoofdtoegang, die toegang verschaft tot een gemeenschappelijke hal van waaruit rechtstreekse toegang tot de beide woonruimtes wordt verschaft en waarbij er sprake blijft van één aansluiting op de nutsvoorzieningen; 3.37

kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten

het bedrijfsmatig verlenen van diensten c.q. het uitoefenen van bedrijfsmatige activiteiten, geheel of overwegend door middel van handwerk, geen detailhandel zijnde en prostitutie, dat in of bij een woonhuis of de bedrijfswoning wordt uitgeoefend door de gebruiker, en waarvan de omvang zodanig is, dat het woonhuis of de bedrijfswoning in overwegende mate de woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitwerking heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is; 3.38

landschappelijke inpassing

inpassing in het omringende landschap door bij de situering in te spelen op de landschappelijke kenmerken en/of door het gebruik van beplanting die past bij het landschapstype ter plaatse, om de bebouwing minder nadrukkelijk in het landschap te plaatsen; 3.39

landschappelijke waarde

de aan een gebied toegekende waarde, in verband met de waarneembare verschijningsvorm van dat gebied; 3.40

mantelzorg

intensieve zorg of ondersteuning, die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende, ten behoeve van zelfredzaamheid of participatie, rechtstreeks voortvloeiend uit een tussen personen bestaande sociale relatie, die de gebruikelijke hulp van huisgenoten voor elkaar overstijgt, en waarvan de behoefte met een verklaring van een huisarts, wijkverpleegkundige of andere door de gemeente aangewezen sociaal-medisch adviseur kan worden aangetoond; 3.41

mantelzorgunit

een tijdelijk bijbehorend bouwwerk ten behoeve van mantelzorg; 3.42

natuurlijke waarde

de aan een gebied toegekende waarde, in verband met de geologische, geomorfologische, bodemkundige en/of biologische elementen, voorkomend in dat gebied; 3.43

normale onderhouds- of exploitatiewerkzaamheden

werkzaamheden die regelmatig noodzakelijk zijn voor een goed beheer van de gronden, waaronder begrepen de handhaving dan wel de realisering van de functie;

36

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Schotkampweg 159, Hoofdstuk 22m (concept)

3.44

paardenbak

een door middel van een afscheiding afgezonderd stuk terrein, kennelijk ingericht voor het africhten en/of trainen en berijden van paarden en pony's en/of het anderszins beoefenen van de paardensport, met of zonder de daarbij behorende voorzieningen; 3.45 peil a. voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang; b. voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de hoogte van het terrein ter hoogte van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw; c. indien in of op het water wordt gebouwd: het plaatselijke niveau ten opzichte van Nieuw Amsterdams Peil; d. indien de onder a tot en met c genoemde peilen in het veld aanleiding geven tot onduidelijkheden, een door of namens burgemeester en wethouders aan te wijzen peil; 3.46

prostitutie

het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander persoon tegen vergoeding; 3.47

recreatief verblijf

de overnachting die plaatsvindt in het kader van de weekend- en/of verblijfsrecreatie (dus niet als hoofdverblijf); 3.48

seksinrichting

de voor het publiek toegankelijke besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in de omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch/pornografische aard plaatsvinden. Onder seksinrichting wordt in ieder geval verstaan: een prostitutiebedrijf, alsmede een erotische massagesalon, een seksbioscoop, een seksautomatenhal, een sekstheater of een parenclub, al dan niet in combinatie met elkaar; 3.49

stacaravan

een gebouw, bestaande uit een lichte constructie, dat naar de aard en de inrichting is bedoeld voor recreatief verblijf en dat binnen 24 uur demontabel is. De stacaravan mag niet zijn/worden opgebouwd uit steenachtige materialen; 3.50

veldschuur

een vrij in het open veld staande schuur, die wordt of werd gebruikt voor het stallen of het melken van vee, en/of de opslag van agrarische producten of agrarische werktuigen; 3.51 verbeelding/plankaart a. de digitale verbeelding van het omgevingsplan TAM-omgevingsplan Schotkampweg 159, Hoofdstuk 22m b. de analoge (papieren) kaart van het omgevingsplan TAM-omgevingsplan Schotkampweg 159, Hoofdstuk 22m met legenda en tekeningnummer NL.IMRO.0302.TAM0022m-ow01; 3.52

voorgevel

de naar de weg gekeerde gevel van een woning of, bij onduidelijkheid daarover, de als zodanig door of namens burgemeester en wethouders aan te wijzen gevel; 3.53

woning

een complex van ruimten dat dient voor de zelfstandige huisvesting van één afzonderlijk huishouden; 3.54

woonhuis

een gebouw, hetzij vrijstaand, hetzij aaneengebouwd, dat slechts één woning omvat;

37

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Schotkampweg 159, Hoofdstuk 22m (concept)

Artikel 4

Meet- en rekenbepalingen

De meet- en rekenbepalingen uit artikel 22.24 van het omgevingsplan zijn van overeenkomstige toepassing op het meten van de waarden die in dit hoofdstuk in meter (m), m2 of m3 zijn uitgedrukt, voor zover hiervan niet is afgeweken in het bepaalde in dit artikel. Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: 4.1

afstand tot de (zijdelingse) bouwperceelgrens

tussn de zijdelingse grens van het perceel en een bepaald punt van het bouwwerk, waar die afstand het kortst is; 4.2

de bouwhoogte van een bouwwerk

vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen. 4.3

de goothoogte van een bouwwerk

vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel. Wolfseinden worden hieronder niet begrepen. 4.4

de inhoud van een bouwwerk

tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen. 4.5

de oppervlakte van een bouwwerk

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk. Bouwonderdelen zoals goten, dakoverstekken en in dakoverstekken geïntegreerde goten en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen met een oversteek van meer dan 75 cm worden in de oppervlakte meeberekend. 4.6

dakhelling

langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak. 4.7

maatvoering

Alle maten zijn, tenzij anders aangegeven: a. b. c. d. e.

voor lengten in meters (m); voor oppervlakten in vierkante meters (m2); voor inhoudsmaten in kubieke meters (m3); voor verhoudingen in procenten (%); voor hoeken/hellingen in graden (º).

4.8

de hoogte van een windturbine

De hoogte van een windturbine wordt gemeten vanaf het peil tot aan: a. b.

bij een horizontale as-turbine: de (wieken)as van de windturbine; bij een verticale as-turbine: de bovenzijde van de rotor.

38

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Schotkampweg 159, Hoofdstuk 22m (concept)

Artikel 5

Algemeen gebruiksverbod

Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is het verboden gronden of bouwwerken te gebruiken anders dan overeenkomstig de aan die locatie toegedeelde functies en activiteiten.

39

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Schotkampweg 159, Hoofdstuk 22m (concept)

Artikel 6

Aanvraagvereisten

De aanvraagvereisten, bedoeld in paragraaf 22.5.2, zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van dit hoofdstuk.

40

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Schotkampweg 159, Hoofdstuk 22m (concept)

Hoofdstuk 2 Artikel 7 7.1

Functies

Agrarisch

Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen voor Agrarisch. 7.2

Functieomschrijving

Een locatie die op de verbeelding is aangewezen als Agrarisch heeft de volgende functies: a. b. c. d. e.

f. g.

de uitoefening van het agrarisch bedrijf; het weiden van vee, anders dan in het kader van het uitoefenen van het agrarisch bedrijf; bos- en/of natuurelementen met een oppervlakte van minder dan 2 hectare; bestaande wegen, wandel-, fiets- en ruiterpaden, toegangswegen; voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding, waaronder begrepen voorzieningen ten behoeve van het vasthouden, bergen, aan- en afvoeren van water, niet zijnde voorzieningen ten behoeve van ijsbanen of siervijvers; teeltondersteunende voorzieningen; het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de natuurlijke waarde en de landschappelijke waarde van de gronden;

met daarbijbehorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en andere werken. 7.3

Bouwactiviteit - algemeen

Bouwwerken zijn alleen toegestaan indien deze ten dienste staan van de functies genoemd in 7.2. 7.4

Beoordelingsregels bouwactiviteiten

7.4.1

Toepassingsbereik

In aanvulling op het gestelde in artikel 22.29 gelden de in dit artikel opgenomen beoordelingsregels. 7.4.2

Verbod bouwen gebouwen

Op of in de gronden met de functie Agrarisch mogen geen gebouwen worden gebouwd. 7.4.3

Beoordelingsregels bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: a. b.

de bouwhoogte van teeltondersteunende voorzieningen mag niet meer dan 0,3 m bedragen; de bouwhoogte van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, mag niet meer dan 1,5 m bedragen.

7.5

Specifieke beoordelingsregels bouwactiviteiten

7.5.1

Specifieke beoordelingsregels nieuwe schuilgelegenheden

In afwijking van het bepaalde in 7.4.2 kan een omgevingsvergunning voor de bouw en het gebruik van nieuwe schuilgelegenheden voor dieren worden verleend, met dien verstande dat: a. b.

c.

d. e. f. g. h. i.

de schuilgelegenheid alleen wordt gebouwd en gebruikt ten behoeve van het hobbymatig houden van dieren; behoudens de gevallen zoals bedoeld in 7.5.1, onder c; de omgevingsvergunning voor het afwijken van het bepaalde in 7.4.2 alleen voor een tijdelijke periode wordt verleend voor maximaal 5 jaar; na de periode van 5 jaar kan na een nieuwe beoordeling eventueel een verlenging plaatsvinden; in afwijking van 7.5.1 onder a, kan een omgevingsvergunning voor een tijdelijke schuilgelegenheid worden verleend wanneer het gaat om het bedrijfsmatig houden van dieren, waarbij deze vergunning dan alleen seizoensgebonden wordt verleend voor de periode tussen 1 maart en 1 november; de schuilgelegenheid aantoonbaar noodzakelijk en doelmatig is in het kader van dierenwelzijn; aanvrager niet in de nabijheid woont van het weiland waar het vee loopt/graast waardoor er niet aangehaakt kan worden bij bestaande bebouwing en er een behoefte bestaat aan een solitaire schuilgelegenheid; de oppervlakte van de schuilgelegenheid niet meer dan 30 m2 bedraagt; de bouwhoogte van de schuilgelegenheid niet meer dan 3 m bedraagt; de goothoogte van de schuilgelegenheid niet meer dan 2 m bedraagt; de schuilgelegenheid enkel uit houten wanden bestaat of eventueel uit wanden met een houtachtige uitstraling;

41

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Schotkampweg 159, Hoofdstuk 22m (concept) j. k. l. m. n. o. p. q.

de schuilgelegenheid ten minste één zijde heeft die voor tweederde open moet zijn; de schuilgelegenheid niet zodanig mag worden uitgerust waardoor permanent verblijf van dieren mogelijk is; er geen buitenopslag mag plaatsvinden; de aanvrager van een schuilgelegenheid minimaal 2.000 m2 aaneengesloten agrarische percelen in eigendom dan wel in gebruikt heeft; per aanvrager maximaal 1 schuilgelegenheid is toegestaan; voorafgaand aan de aanvraag een onderzoek dient plaats te vinden of geen gebruikgemaakt kan worden van bestaande bebouwing; de schuilgelegenheid landschappelijk ingepast dient te worden, waarbij aansluiting wordt gezocht bij het bestaande landschap en/of bestaande landschapselementen en/of aangrenzende bebouwing; alle aanvragen om een schuilgelegenheid dienen getoetst te worden aan de Omgevingsverordening van de provincie Gelderland.

7.5.2

Specifieke beoordelingsregels teeltondersteunende voorzieningen

In afwijking van het bepaalde in 7.4.3, onder a, kan de omgevingsvergunning voor de bouw van teeltondersteunende voorzieningen tot een bouwhoogte van 1,5 m worden verleend, met dien verstande dat: a. b. c. d.

de gronden niet binnen 'Waarde - Randmeerkust' en/of binnen 'overige zone - GNN' liggen; de noodzaak aannemelijk is gemaakt; de tijdelijkheid van twee maanden is verzekerd; geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de natuurlijke, landschappelijke en cultuurhistorische waarden.

7.5.3

Specifieke beoordelingsregels afrasteringen

In afwijking van het bepaalde in 7.4.3, onder b, kan de omgevingsvergunning voor de bouw van afrasteringen met een bouwhoogte van niet meer dan 2 m ter voorkoming van wildschade worden verleend, met dien verstande dat: a.

geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de natuurlijke, landschappelijke en cultuurhistorische waarden.

7.5.4

Specifieke beoordelingsregels opwekking zonne-energie

In afwijking van het bepaalde in 7.4.3, onder b, kan de omgevingsvergunning voor de bouw van zonnepanelen en de bijbehorende constructies en installaties met een bouwhoogte van niet meer dan 4 m op of boven het maaiveld worden verleend, met dien verstande dat: a. b. c.

d.

e.

de bouwwerken landschappelijk worden ingepast; geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de natuurlijke en cultuurhistorische waarden; bij aanvragen in de directe nabijheid van de Natura 2000-gebieden Veluwe en Veluwerandmeren, kan alleen een omgevingsvergunning worden verleend als aangetoond is dat er geen significant negatieve effecten op de wettelijke instandhoudingsdoelstellingen van deze gebieden zullen optreden; de oppervlakte van zon op land (zonnevelden) mag maximaal 200 m2 bedragen, en dienen op of aansluitend aan een erf te worden aangelegd, waarbij aanvragen worden getoetst aan het Beleidskader Zonne-energie gemeente Nunspeet; aanvragen getoetst dienen te worden aan de Omgevingsverordening van de provincie Gelderland.

7.6

Beoordelingsregels gebruiksactiviteiten

7.6.1

Verboden gebruiksactiviteiten

Tot een gebruik dat strijdig is met de functie Agrarisch wordt in ieder geval gerekend: a. b. c. d. e. f.

het gebruiken of laten gebruiken van de gronden en bouwwerken ten behoeve van verblijfsrecreatieve doeleinden; het gebruiken of laten gebruiken van de gronden en bouwwerken voor opslag; het gebruiken of laten gebruiken van gronden voor verharding, anders dan bedoeld in 7.2, onder d, met uitzondering van koepaden met een oppervlakte van niet meer dan 200 m²; het aanleggen en/of bouwen van kuilvoerplaten, sleufsilo's en voorzieningen ten behoeve van de opslag van mest en/of voer; het gebruiken of laten gebruiken van gronden ten behoeve van de aanleg van een paardenbak; het gebruiken of laten gebruiken van gronden ten behoeve van de opwekking van zonne-energie.

7.7

Specifieke beoordelingsregels gebruiksactiviteiten

7.7.1

Specifieke beoordelingsregels wandel-, fiets- en ruiterpaden

In afwijking van het bepaalde in 7.6.1, onder c, kan de omgevingsvergunning voor de aanleg van nieuwe wandel-, fiets- en/of ruiterpaden dan wel het wijzigen van de tracees van bestaande wandel-, fiets- en/of ruiterpaden worden verleend, met dien verstande dat: a. b.

dit uitsluitend wordt toegepast voor de aanleg van nieuwe paden en/of het verleggen van bestaande paden ten behoeve van de verbetering van natuurwaarden vanuit beheerinrichting; geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de natuurlijke, landschappelijke en cultuurhistorische waarden.

42

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Schotkampweg 159, Hoofdstuk 22m (concept)

7.7.2

Specifieke beoordelingsregels koepaden

In afwijking van het bepaalde in 7.6.1 onder c, kan de omgevingsvergunning voor het vergroten van koepaden tot een oppervlakte groten dan 200 m² worden verleend, met dien verstande dat: a. b.

de oppervlakte noodzakelijk is voor een goed agrarisch gebruik; geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de natuurlijke, landschappelijke en cultuurhistorische waarden.

7.7.3

Specifieke beoordelingsregels paardenbak

In afwijking van het bepaalde in 7.6.1, onder e, kan de omgevingsvergunning voor het gebruik en de bouw van 1 paardenbak voor eigen hobbymatig gebruik worden verleend, met dien verstande dat: a.

b. c.

de paardenbak moet zijn gesitueerd bij een woonhuis of bedrijfswoning gelegen binnen een functievlak, waarbij geldt dat de paardenbak voor niet minder dan 20% moet zijn gelegen in het functievlak waarin het woonhuis of de bedrijfswoning is gelegen en niet meer dan 80% is gelegen binnen de functie Agrarisch; deze afwijking uitsluitend wordt toegepast in combinatie en qua criteria passend met de specifieke beoordelingsregels voor de aanleg van een paardenbak binnen de van toepassing zijnde functie; geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de natuurlijke, landschappelijke en cultuurhistorische waarden, de woonsituatie en de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden.

7.7.4

Specifieke beoordelingsregels zonne-energie

In afwijking van het bepaalde in 7.6.1, onder f, kan de omgevingsvergunning voor het gebruik van gronden voor de opwekking van zonne-energie worden verleend, met dien verstande dat: a.

dit uitsluitend in combinatie met de specifieke beoordelingsregels genoemd in 7.5.4 wordt toegepast.

43

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Schotkampweg 159, Hoofdstuk 22m (concept)

Artikel 8 8.1

Groen

Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen voor Groen. 8.2

Functieomschrijving

Een locatie die op de verbeelding is aangewezen als Groen heeft de volgende functies: a. b. c. d. e.

groenvoorzieningen, waaronder bermen en beplantingen; speelvoorzieningen; kunstobjecten en speeltoestellen; paden; opritten ten behoeve van woningen.

8.3

Bouwactiviteit - algemeen

Bouwwerken zijn alleen toegestaan indien deze ten dienste staan van de functies genoemd in 8.2. 8.4

Beoordelingsregels bouwactiviteiten

8.4.1

Toepassingsbereik

In aanvulling op het gestelde in artikel 22.29 gelden de in dit artikel opgenomen beoordelingsregels. 8.4.2

Verbod bouwen gebouwen

Op of in de gronden met de functie Groen mogen geen gebouwen worden gebouwd. 8.4.3

Beoordelingsregels bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: a.

de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer dan 1,5 m bedragen;

8.5

Beoordelingsregels gebruiksactiviteiten

8.5.1

Gebruiksactiviteit - voorwaardelijke verplichting - landschappelijke inpassing

Het is verboden gronden met de functie Groen te gebruiken of te laten gebruiken indien de landschappelijke inpassing overeenkomstig de Landschappelijke inpassing Schotkampweg 159 bij de Regels van het TAM-omgevingsplan Schotkampweg 159, Hoofdstuk 22m, niet is gerealiseerd en duurzaam in stand wordt gehouden. 8.5.2

Gebruiksactiviteit - voorwaardelijke verplichting - sloop opstallen

Het gebruik van of het in gebruik laten nemen van gronden en bouwwerken overeenkomstig het bepaalde in 8.2 is uitsluitend toegestaan onder de voorwaarde dat de sloop van de opstallen, zoals opgenomen in Overzicht en tabel te behouden en te slopen bebouwing is uitgevoerd.

44

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Schotkampweg 159, Hoofdstuk 22m (concept)

Artikel 9 9.1

Wonen

Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen voor Wonen. 9.2

Functieomschrijving

Een locatie die op de verbeelding is aangewezen als Wonen heeft de volgende functies: 1. 2.

het wonen in een woning of een woonhuis al dan niet in combinatie met een aan-huis-verbonden beroep en/of een kleinschalige bedrijfsmatige activiteit; landschappelijke inpassing en/of erfbeplanting;

met de bij de functie behorende: gebouwen; bijbehorende bouwwerken; bouwwerken geen gebouwen zijnde, andere werken; tuinen en erven. 9.3

Bouwactiviteit - algemeen

Bouwwerken zijn alleen toegestaan indien zij ten dienste staan van de functies genoemd in 9.2. 9.4

Beoordelingsregels bouwactiviteiten

9.4.1

Toepassingsbereik

In aanvulling op het gestelde in artikel 22.29 gelden de in dit artikel opgenomen beoordelingsregels. 9.4.2

Beoordelingsregels hoofdgebouwen

Voor het bouwen van een hoofdgebouw gelden de volgende regels: a. b. c. d. e. f. g. h. i.

als hoofdgebouw mogen uitsluitend woonhuizen worden gebouwd; per functievlak mag niet meer dan één woonhuis worden gebouwd de afstand van een woonhuis ten opzichte van de weg zal ten minste 3 m of de bestaande afstand bedragen; de oppervlakte van een woonhuis mag niet meer dan 120 m2 bedragen; de goothoogte mag niet meer dan 4 m bedragen, tenzij de bestaande goothoogte hoger is, in welk geval de goothoogte ten hoogste de bestaande goothoogte mag bedragen; de bouwhoogte mag niet meer dan 9 m bedragen, tenzij de bestaande bouwhoogte hoger is, in welk geval de bouwhoogte ten hoogste de bestaande bouwhoogte mag bedragen; de dakhelling mag niet minder dan 15o bedragen; kelders mogen uitsluitend worden gerealiseerd loodrecht onder het woonhuis, inclusief de aangebouwde bijbehorende bouwwerken, tot een diepte van niet meer dan 3,50 m; de afstand tot de bouwperceelgrens moet ten minste 3 m bedragen.

9.4.3

Beoordelingsregels bijbehorende bouwwerken

In aanvulling op artikel 22.27 en 22.36 gelden de volgende regels voor bijbehorende bouwwerken bij een woning: a.

b. c.

d.

een bijbehorend bouwwerk moet worden gesitueerd op een afstand van ten minste 1 m achter de voorgevel van het woonhuis, tenzij de bestaande afstand minder bedraagt, in welk geval de afstand ten minste de bestaande afstand mag bedragen; een vrijstaand bijbehorend bouwwerk moet worden gesitueerd op een afstand van ten hoogste 25 m van het dichtstbijzijnde punt van het woonhuis; de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken mag per woning niet meer bedragen dan 110 m2. Indien het bebouwingsgebied groter is dan 500 m2, mag de gezamenlijke oppervlakte worden vermeerderd met 10% van de oppervlakte van het bebouwingsgebied vanaf 500 m2 tot een maximum van 150 m2, waarbij geldt dat: 1. de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken per woning niet meer mag bedragen dan 200 m2, indien sprake is van het houden van dieren, waarbij minimaal 50 m2 wordt gebruikt voor het stallen van vee, en waarbij aansluitend aan het functievlak minimaal 5000 m2 agrarische grond als zodanig in gebruik is bij de bewoner van de woning, welk gebruik aantoonbaar van langere duur moet zijn en waarbij tevens sprake moet zijn van een beperkte veebezetting. de goothoogte van een bijbehorend bouwwerk mag niet meer dan 3,50 m bedragen, tenzij de bestaande

45

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Schotkampweg 159, Hoofdstuk 22m (concept)

e. f. g.

goothoogte hoger is, in welk geval de goothoogte ten hoogste de bestaande goothoogte mag bedragen; de bouwhoogte van een bijbehorend bouwwerk mag niet meer dan 6 m bedragen, tenzij de bestaande bouwhoogte hoger is, in welk geval de bouwhoogte ten hoogste de bestaande bouwhoogte mag bedragen; de afstand tot de bouwperceelgrens moet ten minste 3 m bedragen; vrijstaande bijbehorende bouwwerken mogen niet worden voorzien van een kelder.

9.4.4

Beoordelingsregels bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: a. b.

indien zij vóór de voorgevel of een naar de weg gekeerde zijgevel van het hoofdgebouw of het verlengde daarvan worden opgericht, mag de bouwhoogte niet meer dan 1,5 m bedragen; in overige gevallen mag de bouwhoogte niet meer dan 2,5 m bedragen.

9.5

Specifieke beoordelingsregels bouwactiviteiten

9.5.1

Specifieke beoordelingsregels afstand woonhuis tot de weg

Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van artikel 9.4.2, onder c, in die zin dat een woonhuis dichter naar de weg wordt gebouwd, met dien verstande dat: a. b. c.

dit stedenbouwkundig aanvaardbaar is; voor zover het geluidgevoelige functies betreft, wordt gebouwd met inachtneming van het bepaalde in 12.2; geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden.

9.5.2

Specifieke beoordelingsregels oppervlakte woonhuis bij nieuwbouw of verbouw

Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van 9.4.2, onder d, in die zin dat de oppervlakte van een woonhuis niet meer dan 140 m2 mag bedragen, met dien verstande dat: a. b. c.

het boerderijvormen betreft met cultuurhistorische en/of architectonische waarde en een lage goot- en bouwhoogte; de vergroting van de oppervlakte bijdraagt aan de cultuurhistorische waarde; geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het bebouwingsbeeld en de natuurlijke, landschappelijke en cultuurhistorische waarden.

9.5.3

Specifieke beoordelingsregels oppervlakte woonhuis ten behoeve van inwoning

Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van 9.4.2, onder d, in die zin dat de oppervlakte van een woonhuis niet meer dan 140 m2 mag bedragen, met dien verstande dat: a.

de uitbreiding plaatsvindt ten behoeve van inwoning waarvoor afwijking is of wordt verleend zoals bedoeld in 9.7.5.

9.5.4

Specifieke beoordelingsregels bouw erkers en serres

Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van 9.4.2, onder d, in die zin dat de oppervlakte van een woonhuis wordt vergroot ten behoeve van de bouw van erkers of serres, met dien verstande dat: a.

de oppervlakte van een erker of een serre niet meer bedraagt dan 12 m2.

9.5.5

Specifieke beoordelingsregels goothoogte bij waardevol pand

Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van 9.4.2 onder e, en 9.4.3, onder d, ten behoeve van een afwijkende goothoogte indiene deze bijdraagt aan de historische, cultuurhistorische en/of architectonische waarde, met dien verstande dat de goothoogte niet meer zal bedragen dan 6 m en de afwijking in ondergeschikte mate voor delen van het gebouw wordt toegepast. 9.5.6

Specifieke beoordelingsregels bouwhoogte woonhuis

Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in 9.4.2, onder f, in die zin dat de bouwhoogte van een woonhuis wordt vergroot tot niet meer dan 10 m, met dien verstande dat: a.

geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

9.5.7

Specifieke beoordelingsregels dakvorm

Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in 9.4.2, onder g, ten behoeve van een afwijkende dakvorm, met dien verstande dat het bebouwingsbeeld daardoor niet onevenredig wordt aangetast. 9.5.8

Specifieke beoordelingsregels afstand bijbehorend bouwwerk tot voorgevel woonhuis

Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in 9.4.3, onder a, in die zin dat een bijbehorend bouwwerk op minder dan 1 m achter de voorgevel van het hoofdgebouw dan wel vóór de voorgevel van het hoofdgebouw wordt gebouwd, met dien verstande dat: a. b.

dit stedenbouwkundig aanvaardbaar is; geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie en de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden.

46

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Schotkampweg 159, Hoofdstuk 22m (concept)

9.5.9

Specifieke beoordelingsregels afstand vrijstaand bijbehorend bouwwerk tot woonhuis

Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in 9.4.3, onder b, in die zin dat een vrijstaand bijbehorend bouwwerk wordt gebouwd op een afstand van meer dan 25 m vanaf het dichtstbijzijnde punt van het woonhuis, met dien verstande dat: a. b.

er binnen de afstand van 25 m redelijkerwijs geen ruimte aanwezig is voor de bouw van het vrijstaande bijbehorende bouwwerk; geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de natuurlijke en landschappelijke waarden, de woonsituatie, het bebouwingsbeeld en de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden.

9.5.10

Specifieke beoordelingsregels afstand tot bouwperceelgrens

Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in 9.4.2, onder i, en 9.4.3, onder f, in die zin dat de afstand van een gebouw tot de bouwperceelgrens minder bedraagt dan 3 m, met dien verstande dat geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie en de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden. 9.5.11

Specifieke beoordelingsregels aangebouwd bijbehorend bouwwerk aan een woonhuis

Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in 9.4.3, onder c, ten behoeve van het vergroten van een woonhuis dat kleiner is dan 120 m2 door middel vaneen aangebouwd bijbehorend bouwwerk, mits: a. b. c. d. e. f. g.

het aan te bouwen bijbehorende bouwwerk wordt gebruikt voor de uitbreiding van een primaire woonfunctie (uitbreiding woonkamer, keuken, badkamer of slaapkamer); het aan te bouwen bijbehorende bouwwerk ten hoogste 25 m2 bedraagt; de gezamenlijke oppervlakte van het woonhuis en het aan te bouwen bijbehorende bouwwerk niet meer bedraagt dan de in 9.4.2, onder d, genoemde maximale oppervlakte; de toegestane oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken als bedoeld in 9.4.3, onder c, al volledig is benut; de goothoogte van het aan te bouwen bijbehorende bouwwerk ten hoogste 3,5 m zal bedragen; de bouwhoogte van het aan te bouwen bijbehorende bouwwerk ten hoogste 7,5 m zal bedragen; geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de woonsituatie, de landschappelijke waarden en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

9.6

Beoordelingsregels gebruiksactiviteiten

9.6.1

Verboden gebruiksactiviteiten

Het is verboden binnen deze functie de volgende gebruiksactiviteiten te verrichten: a. b. c.

d. e. f. g. h.

het gebruiken of laten gebruiken van de gronden ten behoeve van een grondwal; het gebruiken of laten gebruiken van een woonhuis en de daarbijbehorende bouwwerken voor een aan huis verbonden beroep en/of kleinschalige bedrijfsmatige activiteit; het gebruiken of laten gebruiken van een woonhuis voor meer dan één woning, tenzij ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - gesplitst', in welk geval een woonhuis mag worden gebruikt voor ten hoogste twee woningen; het gebruiken of laten gebruiken van gronden ten behoeve van de aanleg van een paardenbak; het gebruiken of laten gebruiken van vrijstaande bijbehorende bouwwerken ten behoeve van bewoning; het gebruiken of laten gebruiken van gronden en bouwwerken ten behoeve van verblijfsrecreatieve doeleinden, behalve ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie – logies'; het gebruiken of laten gebruiken van een woonhuis ten behoeve van een extra huishouden; het gebruiken of laten gebruiken ten behoeve van bewoning van bijbehorende bouwwerken - die al dan niet omgevingsvergunningvrij zijn gerealiseerd - waarin de bewoning in verband met mantelzorg niet binnen drie maanden is beëindigd.

9.6.2

Gebruiksactiviteit - voorwaardelijke verplichting - landschappelijke inpassing

Het gebruik van of het in gebruik laten nemen van gronden en bouwwerken overeenkomstig het bepaalde in 9.2 is uitsluitend toegestaan onder de voorwaarde dat de landschappelijke inpassing, zoals opgenomen in Landschappelijke inpassing Schotkampweg 159 is uitgevoerd en duurzaam in stand wordt gehouden. 9.6.3

Gebruiksactiviteit - voorwaardelijke verplichting - sloop opstallen

Het gebruik van of het in gebruik laten nemen van gronden en bouwwerken overeenkomstig het bepaalde in 9.2 is uitsluitend toegestaan onder de voorwaarde dat de sloop van de opstallen, zoals opgenomen in Overzicht en tabel te behouden en te slopen bebouwing is uitgevoerd.

47

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Schotkampweg 159, Hoofdstuk 22m (concept)

9.7

Specifieke beoordelingsregels

9.7.1

Specifieke beoordelingsregels aan huis verbonden beroep en/of kleinschalige bedrijfsmatige activiteit

Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 9, lid 9.6.1, onder b, in die zin dat het is toegestaan een woonhuis en de daarbijbehorende bouwwerken te gebruiken of te laten gebruiken voor een aan huis verbonden beroep en/of kleinschalige bedrijfsmatige activiteit, met dien verstande dat: a.

b. c. d. e. f.

ten hoogste 40% van de gezamenlijke oppervlakte van het woonhuis met de daarbijbehorende bijbehorende bouwwerken wordt gebruikt ten behoeve van het aan huis verbonden beroep en/of de kleinschalige bedrijfsmatige activiteit, mits deze gezamenlijke oppervlakte niet meer bedraagt dan 50 m²; de uitstraling als woning intact blijft; het gebruik geen nadelige gevolgen heeft voor het woon- en leefmilieu; het gebruik geen nadelige gevolgen heeft op de normale ontwikkeling van het verkeer en geen nadelige toename van de parkeerbehoefte veroorzaakt; geen detailhandel wordt uitgeoefend; geen sprake is van reclame-uitingen en buitenopslag;

9.7.2

Specifieke beoordelingsregels woningsplitsing

Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 9, lid 9.2, onder 1, en artikel 9, lid 9.4.2, onder b, en artikel 9, lid 9.6.1, onder c, in die zin dat twee woningen in 1 woonhuis worden gevestigd (woningsplitsing), met dien verstande dat: a. b. c. d. e. f.

het de oorspronkelijke woning betreft; de inhoud van de twee woningen tezamen niet minder dan 700 m3 bedraagt; de woningsplitsing uit milieu-oogpunt toelaatbaar is, waaronder begrepen geluid en externe veiligheid; door de woningsplitsing de belangen van gebruikers en/of eigenaren van de aanliggende gronden niet onevenredig worden geschaad; deze afwijking passend is in het geldende woningbouwbeleid; geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de woonsituatie en de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden.

9.7.3

Specifieke beoordelingsregels paardenbak

Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 9, lid 9.6.1, onder d, ten behoeve van het gebruik en de bouw van 1 paardenbak voor eigen hobbymatig gebruik, met dien verstande dat: a.

b. c. d. e.

f. g.

de paardenbak moet zijn gesitueerd bij een woning, waarbij geldt dat de paardenbak voor niet minder dan 20% moet zijn gelegen in het locatievlak waarin de woning is gelegen. In geval een deel van de paardenbak buiten het locatievlak waarin de woning is gelegen wordt aangelegd, moet daarnaast worden voldaan aan de volgende voorwaarden: 1. de paardenbak moet zijn gesitueerd bij een woonhuis of bedrijfswoning gelegen binnen een locatievlak, waarbij geldt dat de paardenbak voor niet minder dan 20% moet zijn gelegen in het locatievlak waarin het woonhuis of de bedrijfswoning is gelegen en niet meer dan 80% is gelegen binnen de functie Agrarisch; 2. deze afwijking uitsluitend wordt toegepast in combinatie en qua criteria passend met de afwijking voor de aanleg van een paardenbak binnen de van toepassing zijnde functie; 3. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de natuurlijke, landschappelijke en cultuurhistorische waarden, de woonsituatie en de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden. de paardenbak moet zijn gesitueerd achter de voorgevel van de woning; de oppervlakte van de paardenbak niet meer mag bedragen dan 800 m2; daarbij tevens de bouw van lichtmasten kan worden toegestaan tot een bouwhoogte van niet meer dan 6 m; de afstand tot een andere woning: 1. niet minder dan 50 m mag bedragen, indien palen en masten ten behoeve van de paardenbak aanwezig zijn; 2.

niet minder dan 30 m mag bedragen, indien geen palen en masten ten behoeve van de paardenbak aanwezig zijn; palen en masten ten behoeve van de paardenbak niet zijn toegestaan buiten het functievlak; geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de natuurlijke, landschappelijke en cultuurhistorische waarden, de woonsituatie en de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden.

9.7.4

Specifieke beoordelingsregels mantelzorg

Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 9, lid 9.6.1, onder e, ten behoeve van mantelzorg in een aangebouwd of vrijstaand bijbehorend bouwwerk of een aparte unit bij een woning, met dien verstande dat: a. b. c.

de zorgbehoefte objectief aannemelijk is gemaakt; verzekerd is dat na beëindiging van de mantelzorg het bijbehorend bouwwerk ongeschikt wordt gemaakt voor bewoning ten behoeve waarvan een overeenkomst wordt gesloten; geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de verkeerssituatie en de gebruiksmogelijkheden van

48

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Schotkampweg 159, Hoofdstuk 22m (concept) aangrenzende gronden. 9.7.5

Specifieke beoordelingsregels inwoning

Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 9, lid 9.6.1 onder g, in die zin dat een woonhuis wordt gebruikt voor meer dan één huishouden ten behoeve van inwoning, met dien verstande dat: a. b. c.

deze afwijking uitsluitend wordt toegepast ten behoeve van de huisvesting van één extra huishouden van één of twee personen; de vloeroppervlakte van het inwoondeel niet meer dan 60 m2 mag bedragen; de inwoning wordt gerealiseerd op de begane grond waarbij minimaal 30 m2 in het architectonische hoofdgebouw wordt gerealiseerd.

9.8

Beoordelingsregels overige activiteiten

9.8.1

Verbod uitvoeren werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden

Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren: het vellen of rooien van houtopstanden, houtwallen, singels, bomenrijen, boomgroepen en bos, voor zover dat in de Bomenverordening 2021 of een eventuele rechtsopvolger op grond van de Omgevingswet is bepaald. 9.8.2

Uitzonderingen

Het verbod bedoeld in 9.8.1 is niet van toepassing op werken en/of werkzaamheden die: a. b.

normale onderhouds- of exploitatiewerkzaamheden betreffen; worden uitgevoerd krachens een vastgesteld beheerplan.

9.8.3

Beoordelingsregels

De omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk en werkzaamheden als bedoeld in artikel 9, lid 9.8.1, kan slechts worden verleend, met dien verstande dat geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de landschappelijke inpassing en/of erfbeplanting.

49

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Schotkampweg 159, Hoofdstuk 22m (concept)

Artikel 10 10.1

Waarde - Archeologie 2

Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die op de verbeelding zijn aangewezen als Waarde Archeologie 2. 10.2

Gebiedsomschrijving

De locaties binnen het gebied Waarde - Archeologie 2 zijn, behalve voor de andere daar voorkomende functies, mede aangewezen voor het behoud, de bescherming en/of het herstel van de voorkomende archeologische waarden. 10.3

Beoordelingsregels bouwactiviteiten

10.3.1

Vergunningplicht

Het is verboden om op of in de locaties bedoeld in artikel 10.2, zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag bouwactiviteiten uit te voeren met een oppervlakte groter dan 120 m2, waarbij voor de gehele oppervlakte bodemingrepen dieper dan 0,50 m onder het maaiveld plaatsvinden. 10.3.2

Aanvraagvereisten

De aanvrager van een omgevingsvergunning legt een rapport over waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, is vastgesteld. 10.3.3

Beoordelingsregels

Het bevoegd gezag verleent de in 10.3.1 bedoelde omgevingsvergunning indien naar hun oordeel uit het rapport zoals bedoeld in 10.3.2 genoegzaam blijkt dat: a. b. c.

op basis van archeologisch onderzoek door een daartoe bevoegde instantie is aangetoond dat geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn; op basis van archeologisch onderzoek door een daartoe bevoegde instantie is aangetoond dat de archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet onevenredig worden geschaad; de archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet kunnen worden verstoord.

10.3.4

Specifieke beoordelingsregels

In afwijking van het bepaalde in artikel 10.3.2 behoeft geen rapport te worden overgelegd als wordt voldaan aan de volgende regels: d. e.

de archeologische waarde van de gronden is afdoende vastgesteld in andere beschikbare informatie; het bedoelde in 10.3.4, onder a, is getoetst door de archeologisch deskundige.

10.3.5

Maatwerkvoorschriften

In de situatie zoals bedoeld in 10.3.3, onder b, kan het bevoegd gezag de volgende voorschriften aan de omgevingsvergunning verbinden: a. b. c.

de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, en/of; de verplichting tot het doen van opgravingen, of; de verplichting de uitvoering van de bodemverstorende activiteit te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de omgevingsvergunning te stellen kwalificatie.

10.4

Beoordelingsregels overige activiteiten

10.4.1

Vergunningplicht

Het is verboden om op of in de locaties bedoeld in 10.2, zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren: a.

b. c. d.

grondwerkzaamheden, waartoe worden gerekend het ophogen, afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, alsmede het vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren en het aanleggen van drainage; het verlagen van het waterpeil; het rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd; het aanleggen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.

50

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Schotkampweg 159, Hoofdstuk 22m (concept)

10.4.2

Toegestane activiteiten

Het in lid 10.4.1 genoemde verbod is niet van toepassing, indien: a. b.

c. d.

de werken of werkzaamheden worden verricht op of in gronden onder bestaande gebouwen dan wel op of in gronden die 5 m rondom bestaande gebouwen zijn gelegen; op basis van archeologisch onderzoek naar het oordeel van het bevoegd gezag is aangetoond dat: 1. geen archeologische waarden aanwezig zijn; dan wel 2. de archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet onevenredig worden geschaad; dan wel 3. de archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet kunnen worden verstoord; het werken betreft op een geringere diepte dan 0,50 m onder maaiveld; het werken betreft op een grotere diepte dan 0,50 m onder maaiveld maar met een kleinere oppervlakte dan 2500 m2.

10.4.3

Aanvraagvereisten

Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning zoals bedoeld onder 10.4.1 wordt een rapport overgelegd waarin de archeologische waarde van het desbetreffende terrein is vastgesteld. 10.4.4

Beoordelingsregels

Het bevoegd gezag verleent de in 10.4.1 bedoelde omgevingsvergunning indien naar hun oordeel uit het rapport als bedoeld in lid 10.4.3 genoegzaam blijkt dat: a.

op basis van archeologisch onderzoek door het bevoegd gezag is bepaald dat bescherming van archeologisch materiaal afdoende kan plaatsvinden door aan de omgevingsvergunning een van de volgende voorwaarden te verbinden: 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; of 2. de verplichting tot het doen van opgravingen; of 3. de verplichting de uitvoering van de bodemverstorende activiteit te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de omgevingsvergunning te stellen kwalificatie.

51

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Schotkampweg 159, Hoofdstuk 22m (concept)

Hoofdstuk 3 Artikel 11

Algemene regels voor activiteiten

Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

52

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Schotkampweg 159, Hoofdstuk 22m (concept)

Artikel 12 12.1

Algemene beoordelingsregels bouwactiviteiten

Overschrijding van de bouw en/of functiegrenzen

BBij het meten worden ondergeschikte bouwdelen, zoals plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten, luifels, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouwperceelgrenzen niet meer dan 1 m bedraagt. ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten, luifels, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouwperceelgrenzen niet meer dan 1 m bedraagt. 12.2

Wegverkeerslawaai

12.2.1

Toepassingsbereik

De regels in dit lid gaan over het toestaan van een geluidgevoelig gebouw in de nabijheid van een gemeenteweg. 12.2.2

Beoordelingsregels wegverkeerslawaai

De realisering van een geluidgevoelig gebouw op een plek of (bouw)hoogte waar nog geen geluidgevoelig gebouw aanwezig is, is uitsluitend toegestaan indien voor dat gebouw, respectievelijk de geluidgevoelige ruimte in dat gebouw: a.

b.

c.

voldaan zal worden aan de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting zoals vastgelegd in: 1. artikel 12.13m van het Besluit kwaliteit leefomgeving jo. artikel 3.27, lid 2 Besluit kwaliteit leefomgeving vanwege gemeentewegen en waterschapswegen; 2. artikel 12.13ia, lid 2, Besluit kwaliteit leefomgeving vanwege provinciale wegen; 3. artikel 5,78t Besluit kwaliteit leefomgeving vanwege rijkswegen; dan wel, indien niet voldaan wordt aan het bepaalde in lid a, voldaan zal worden aan een door het bevoegd gezag vastgestelde en bij dit plan behorend Besluit hogere waarde overeenkomstig artikel artikel 5.78u van het Besluit activiteiten leefomgeving; dan wel, indien niet voldaan wordt aan het bepaalde in lid a of b, sprake zal zijn van geluidbelasting op een niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen in de zin van artikel 5.78y van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

53

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Schotkampweg 159, Hoofdstuk 22m (concept)

Artikel 13 13.1 1.

a.

b. c. d. e.

f. g. h.

2.

Algemene beoordelingsregels gebruiksactiviteiten

Verboden gebruiksactiviteiten

Het is verboden de gronden en bouwwerken te gebruiken, te laten gebruiken of in gebruik te geven op een wijze of tot een doel, strijdig met de in het plan aan de grond gegeven functies, tenzij voor dit afwijkende gebruik een omgevingsvergunning voor het handelen in strijd met ruimtelijke regelgeving is verleend. Tot een strijdig gebruik met de functies wordt, tenzij anders bepaald in de betreffende functie, in ieder geval gerekend: het gebruiken of laten gebruiken van de gronden als stort- of opslagplaats van al dan niet aan het gebruik onttrokken voorwerpen, stoffen en materialen, behoudens opslag die geschiedt in het kader van de normale, ter plaatse toegestane bedrijfsvoering; het gebruiken of laten gebruiken van gronden als renbaan of menterrein, anders dan waarvoor in het verleden planologische medewerking is verleend; het gebruiken of laten gebruiken van gebouwen ten behoeve van een seksinrichting, anders dan waarvoor in het verleden planologische medewerking is verleend; het gebruiken of laten gebruiken van gronden ten behoeve van gemotoriseerde of gemechaniseerde sporten, anders dan waarvoor in het verleden planologische medewerking is verleend; het gebruiken of laten gebruiken van recreatiewoningen, groepsaccommodaties, chalets, stacaravans, trekkershutten, toercaravans, vouwwagens, campers, tenten, huifkarren en andere recreatieobjecten voor niet recreatieve

overnachtingen; het gebruiken of laten gebruiken van vrijstaande bijbehorende bouwwerken voor bewoning; het gebruiken of laten gebruiken van gronden en bouwwerken ten behoeve van zwembaden met een oppervlakte van meer dan 40 m²; het gebruiken of laten gebruiken ten behoeve van bewoning van bijbehorende bouwwerken - die al dan niet omgevingsvergunningvrij zijn gerealiseerd - waarin de bewoning in verband met mantelzorg niet binnen drie maanden is beëindigd. Overtreding van dit verbod is een strafbaar feit als bedoeld in artikel 1a, onder 2º van de Wet op de economische delicten.

13.2

Specifiek verbod bed & breakfast

13.2.1 Verbodsbepaling voor nieuwbouw ten behoeve van bed & breakfast 1. Nieuwbouw ten behoeve van een bed en breakfast is niet toegestaan binnen het omgevingsplangebied. 2. Artikel 13.2.1, lid 1, is niet van toepassing indien er nieuwbouw in de vorm van herbouw plaatsvindt. 13.2.2 Verbodsbepaling voor het gebruiken van een gebouw voor een bed & breakfast en voor het verbouwen van een gebouw tot een bed & breakfast 1. Het is verboden een gebouw te gebruiken voor een bed en breakfast, en het is verboden een gebouw te verbouwen tot een bed en breakfast, binnen het omgevingsplangebied. 2. Als voldaan wordt aan de specifieke beoordelingsregels, zoals omschreven in 13.6.2 kan het college van burgemeester en wethouders afwijken van de verbodsbepaling volgens 13.2.2, lid 1. 13.3

Specifiek verbod m.b.t. activiteit onzelfstandige bewoning

13.3.1 Verbodsbepalingen onzelfstandige bewoning a. Het is verboden om voor de functies "Wonen" en/of "Woongebied" aangewezen gronden woningen, en/of woonhuizen, en/of wooneenheden, en/of bedrijfswoningen te gebruiken of in gebruik te geven voor onzelfstandige bewoning. b. Het is tevens verboden in andere functies dan "Wonen" of "Woongebied" waar volgens de functieregeling de functie wonen is toegestaan in woningen, en/of woonhuizen, en/of wooneenheden, en/of bedrijfswoningen te gebruiken of in gebruik te geven voor onzelfstandige bewoning. c. De verboden zoals beschreven in dit artikel onder lid a, en onder lid b, gelden ook voor (ver)bouwwerkzaamheden ten behoeve van onzelfstandige bewoning. d. Het bepaalde in dit artikel onder a, onder b, en onder c, is niet van toepassing op bestaande onzelfstandige bewoning in woningen en/of woonhuizen, en/of wooneenheden en/of bedrijfswoningen die voor onzelfstandige bewoning gebruikt mogen worden op grond van het (tijdelijke) omgevingsplan op grond van de Omgevingswet en/of waarvoor een omgevingsvergunning is verleend. 13.4

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15976131/1