St. t.k.n. nr. 3. BijlageHerstelprogramma Heiden en stuifzanden GS mei 2023
Tekst van het document
Duurzaamheid steenmeel Steenmeel is mogelijk een belangrijk onderdeel van duurzaam bodemherstel op de hoge zandgronden. Steenmeel is vaak een bijproduct bij de winning van andere natuursteen, maar kan ook het hoofdproduct zijn. Dit brengt ethische vraagstukken met zich mee, bijvoorbeeld hoeveel negatieve milieueffecten elders vinden wij acceptabel om onze kwetsbare en unieke natuur op de Veluwe te herstellen. Momenteel is hiervoor geen bruikbaar afwegingskader beschikbaar. Deze vraag moet niet op de schaal van de gehele Veluwe gesteld worden, maar minstens op de schaal van het gehele Nederlandse arme zandlandschap. In het herstelprogramma Bossen is een maatregel opgenomen om deze vragen uit te werken.
5.3.2
Verlies aan ruimtelijke samenhang en versnippering
Functioneel herstel van schraalgraslanden in het droge heidelandschap Heidelandschappen met een redelijk aandeel schrale, basenarme grazige vegetaties (zoals de droge struisgraslanden) worden nu vaak als gedegradeerd of slecht ontwikkeld gezien. Mogelijk zijn deze landschappen meer divers en meer compleet dan landschappen zonder die vegetaties. Er zijn aanwijzingen dat de diversiteit en het voedselaanbod in deze heidelandschappen zijn verhoogd, mogelijk ook door de rol die mieren spelen. Deze schraalgraslanden bieden een uitwijkmogelijkheid voor karakteristieke fauna en soms flora van habitattypen en maken de systemen robuuster. Een aantal zaken is echter onvoldoende bekend: • Waar en hoe leveren deze schraalgraslanden op de droge hogere zandgronden een belangrijke bijdrage aan het functioneren van een compleet droog heidelandschap? • Welke oplossingsrichtingen bieden deze schraalgraslanden voor het herstel van het heidelandschap en daarmee van habitattypen? • Welke kenmerken (indicatoren) kunnen hiervoor worden gebruikt en hoe zijn deze kenmerken ontstaan? Dit onderzoek is in voorbereiding door OBN en wordt mogelijk opgestart in 2022.
63
Herstelprogramma Heiden en stuifzanden | Natura 2000 Veluwe | Mei 2023
Materiaalgebruik en passeerbaar maken verharde fietspaden (MHS144) Vanwege de beperkte onderhoudslast worden fietspaden veelal uitgevoerd in beton. Voor veel diersoorten is beton echter zeer nadelig. Om beter inzicht te krijgen in de geschikte materiaalkeuze moeten de volgende vragen beantwoord worden: • Welke mogelijke verhardingen zijn er voor fietspaden beschikbaar en hoe scoren deze op rijkwaliteiten? • Welke van de beschikbare verhardingen heeft het kleinste negatieve effect op typische en karakteristieke soorten van de Veluwe? • Welke van de beschikbare verhardingen hebben positieve effecten op typische en karakteristieke soorten van de Veluwe? • Is uit bovenstaande vragen één materiaal aan te wijzen dat de voorkeur heeft of moet er gewerkt worden met combinaties van materialen? • Op welke manier kunnen wegen en paden in welke situatie het beste passeerbaar worden gemaakt, rekening houdend met soorten, aardkundige waarden, archeologische waarden, functioneren van het systeem, rijeigenschappen en dergelijke.
5.3.3
Vervuiling met gebiedsvreemde stoffen (MHS145) Zoals beschreven in § 5.1.3, zijn veel effecten van bestrijdingsmiddelen op het gehele ecosysteem van het heidelandschap onbekend. De onderzoeksresultaten die er zijn geven een verontrustend beeld. De cumulatieve effecten van cocktails van werkzame stoffen en de afbraakproducten op het hele ecosysteem en het behalen van doelbereik voor habitattypen en -soorten, zijn onvoldoende duidelijk. Dat geldt ook voor andere gebiedsvreemde stoffen, waaronder microplastics en PFAS. Deelvragen zijn onder meer: 1 Om welke gebiedsvreemde stoffen gaat het met name, waar worden ze aangetroffen en in welke concentraties en wat zijn de voornaamste verspreidingsroutes? 2 Bij welke concentraties zijn de (individuele en cumulatieve, en de metabolieten) stoffen die naar voren komen uit stap 1 schadelijk voor typische en karakteristieke soorten van de Veluwe? 3 Welke maatregelen zijn effectief in het voorkomen van de verspreiding ervan en het verhelpen van de effecten van deze stoffen? Inzicht in de mogelijke maatregelen kunnen mogelijk onderdeel uitmaken van het instrumentarium natuurinclusieve landbouw in de toekomstige overgangsgebieden.
5.3.4
Beheer
Herstelmaatregelen zandverstuivingen (MHS146 en MHS147) Duurzaam herstel van de stuifzanden is niet mogelijk totdat de hoge stikstofdepositie is gedaald. Wel kunnen er maatregelen genomen worden om de voor stuifzand kenmerkende soorten zo goed mogelijk te behouden. Voor een aantal mogelijke maatregelen is het nog nodig om extra kennis op te doen of recent opgedane kennis beter te ontsluiten en te delen: • Welke methoden om (opslag van) grijs kronkelsteeltje te monitoren zijn het meest effectief, denk aan de toepassing van satellietbeelden of drones? • Welke methoden om grijs kronkelsteeltje te verwijden (incl. opbrengen steenmeel) zijn het beste voor het stuifzandlandschap in welke (morfologische) situatie?
64
Herstelprogramma Heiden en stuifzanden | Natura 2000 Veluwe | Mei 2023
Historische dynamiek binnen en tussen markegronden door schaapskudden, veetransporten, effecten (handels)wegen en dispersie soorten i.r.t. systeemherstel Veluwe (MHS 148) Eeuwenlang is het heidelandschap gebruikt en benut door de mens. Tegenwoordig benutten we het landschap anders dan vroeger en daarmee is ook het beheer en de invloed daarvan op het ecosysteem veranderd. • Welke gradiënten in beheer- en gebruiksintensiteit kwamen voor in de marke en welke invloed had dit op het voorkomen van karakteristieke soorten van het heidelandschap? • Welke soorten werden vroeger (gecombineerd) geweid op de heide van de Veluwe, op welke wijze werd dit gedaan en wat kunnen we hiervan leren voor het huidige beheer? • Welke dispersiepatronen zijn te herleiden vanuit welk historisch gebruik van het landschap? • Welke inzichten geven deze historische patronen voor systeemherstel, herstel (of het toestaan) van dynamiek en dispersiemogelijkheden voor soorten op de Veluwe voor de huidige situatie? • Welke dynamiek (bijv. het winnen van kleinschalig leem en grind) is niet zinvol zolang de depositie nog te hoog is?
Historisch gebruik van de heide (fotografie: Gelders Archief_1514-01-1405)
65
Effecten natuurlijke- en seminatuurlijke begrazing (MHS158) Zoals gesteld is begrazing een logische beheerkeuze. Ten aanzien van de effecten en inzet van natuurlijke- en seminatuurlijke grazers op de Veluwe zijn nog wel de nodige kennisleemten te benoemen: • Welke gebruiksvormen of natuurlijke processen en dynamiek hebben de diverse habitattypen doen ontstaan, bij welke gebruiksvormen en dynamiek gedijen ze het best? • Welke gebruiksvormen of natuurlijke processen en dynamiek ontbreken bij de huidige beheervormen? • Aan welke gebruiksvormen en dynamiek, structuren en functies kunnen de diverse beheervormen een bijdrage leveren? • Vormt de Veluwe in de huidige vorm voldoende divers leefgebied voor een duurzame instandhouding van een (semi)natuurlijke kudde of zijn aanpassingen en verbindingen met andere gebieden nodig? • Welke bijdragen kan mineralentransport via dieren leveren aan systeemherstel op de Veluwe, welke termijnen en aantallen en verbindingen gaan daarmee gemoeid? Is er een verschil tussen bijvoorbeeld gescheperde schaapskudden die ook op rijkere akkers grazen en (semi)natuurlijke kudden?
Herstelprogramma Heiden en stuifzanden | Natura 2000 Veluwe | Mei 2023
• Welke bijdragen kunnen dode dieren leveren aan systeemherstel op de Veluwe, wat is het verschil tussen wilde en gehouden dieren, mogen bijv. schapen ook op de Veluwe gelegd worden, wat zijn (beleidsmatige) knelpunten? • Als de Veluwe met bijvoorbeeld het rivierengebieden en de Oostvaardersplassen verbonden wordt, en migreerbaar wordt voor wilde dieren en seminatuurlijke kudden, gaat er dan ook daadwerkelijk migratie of uitwisseling plaatsvinden, of blijven dieren op de betere gronden? • Welke mate van verruiging is acceptabel wanneer kudden nutriënten verplaatsen naar bijv. kwetsbare terreindelen die van belang zijn voor behoud van zeldzame soorten of behalen van de Natura 2000-doelen, hoe moet daarmee omgegaan worden? • Kunnen (semi)natuurlijke grazers en wilde dieren (grazers en predatoren) in algemeen voldoende bijdragen aan systeemherstel of is voorafgaand /of gelijktijdig aan het instellen van (semi)natuurlijke begrazing grootschalig systeemherstel of bodemherstel nodig? • In hoeverre zorgen (semi)natuurlijke kudden daadwerkelijk voor meer struwelen, strubben, bosvorming en open plekken in bossen? In rijkere systemen is daar voldoende bewijs voor (met uitzondering van OVP), ook in armere systemen treedt dat op (maar wel langzamer en soms moet je actief stimuleren).
Zijn daar ook andere processen voor nodig (zoals windval)? Kunnen kudden op de Veluwe bosvorming tegenhouden of alleen langjarig vertragen? • In hoeverre kunnen alle karakteristieke soorten meeliften op (semi)natuurlijke begrazing, of zijn soorten genetisch te verarmd om nog te kunnen reageren op positieve veranderingen? Voor welke soorten zijn dan aanvullende maatregelen nodig? • In hoeverre reageren soorten als grauwe klauwier positief op struweelvorming door (semi)natuurlijke begrazing in vergelijking met struweelvorming die ontstaat door successie en natuurlijke begrazing (vergelijk bijvoorbeeld Reijerskamp met Achterste Steenberg)? Welke positieve effecten zijn op de Veluwe daadwerkelijk toe te wijzen aan (semi)natuurlijke begrazing?
5.3.5
Klimaatverandering en verdroging
Verspreiding van vochtige en natte gebieden op de droge Veluwe (MHS149) De Veluwe was in het verleden veel natter. Door de veranderingen in en aan het landschap zijn veel van de natte locaties verdwenen. Op de droge Veluwe hebben deze locaties echter een hoge waarde, zeker nu droogte een grotere rol gaat spelen. Om extra in te kunnen zetten op versterking van de natte en vochtige gebieden is het wenselijk om: • de historisch verspreiding van vochtige en natte gebieden in beeld te brengen; • uit te werken wat de mogelijkheden voor herstel zijn. Daarna kan bepaald worden of herstel op nieuwe locaties de Veluwe robuuster kunnen maken.
Zandverstuiving en klimaatverandering (MHS150) Of, hoe lang en met welke intensiteit erosie van stuifzanden optreedt, hangt sterk af van de weersomstandigheden (Bron: Nijssen et al., 2011). Het is daarom wenselijk om meer inzicht te krijgen in het effect van klimaatverandering op erosie: • of onder andere zachtere winters met meer westenwind mogelijk leiden tot verminderde erosie; • of klimaatverandering leidt tot dominantie van andere vormen van erosie (zoals watererosie versus winderosie); • of klimaatverandering, zeker in combinatie met de effecten van stikstofdepositie, gevolgen heeft voor zaken als versnelde vastlegging door algenmatten en grijs kronkelsteeltje; • welke maatregelen mogelijk zijn.
66
Herstelprogramma Heiden en stuifzanden | Natura 2000 Veluwe | Mei 2023
5.3.6
Exoten (MHS151) Vragen met betrekking tot exoten worden deels al behandeld in andere kennisleemten, zoals in het geval van het grijs kronkelsteeltje. Met betrekking tot exoten is er vooral een kennisvraag over het effect van het Aziatisch lieveheersbeestje, namelijk: in hoeverre heeft een soort als het Aziatisch lieveheersbeestje invloed op het voorkomen van bladluizen in het heidelandschap en daarmee op mierenpopulaties?
5.3.7
Achteruitgang karakteristieke soorten
Nestsucces, voedselaanbod en voedselecologie van insecteneters van het ‘tapuitenecosysteem’ (MHS152) Het is onduidelijk: • of een laag nestsucces door nestpredatie een rol gespeeld heeft bij het uiteindelijk uitsterven van de Veluwse tapuit; • in hoeverre een laag voedselaanbod een knelpunt is op de Veluwe voor tapuiten en andere insecteneters van heide-stuifzandecosystemen; • waarom andere insecteneters, anders dan de uitgestorven duinpieper, tapuit en klapekster, het nog wel bolwerken op de Veluwe.
Soorten waarvoor de Veluwe van belang is en vitaliteit populaties (MHS153) De kwaliteit van habitattypen hangt niet alleen af van de aanwezigheid van een bepaalde vegetatie. Een goede kwaliteit wordt ook bepaald door het voorkomen van kenmerkende en karakteristieke soorten: voor deze soorten hebben we dus een verantwoordelijkheid. Voor enkele soorten, zoals de heidezegge, de kleine schorseneer, de zadelsprinkhaan, het gentiaanblauwtje en de kleine heivlinder, zijn onderzoeken, maatregelen en herstelplannen geformuleerd en deels uitgevoerd. Deze worden onder meer gestimuleerd door de beleidsnota Actieve soortenbescherming Gelderland.
Op dit moment is echter nog onvoldoende in beeld: • voor welke typische en karakteristieke soorten de Veluwe nu hoofdzakelijk een leefgebied vormt en in hoeverre de soorten bedreigd worden in hun voortbestaan; • in hoeverre deze soorten worden gemonitord en of in beeld is of ze nog vitale, levensvatbare populaties hebben; • in hoeverre ze kwetsbaar zijn voor toekomstige effecten van bijvoorbeeld klimaatverandering; • welke effecten wegen en paden hebben op de duurzaamheid van populaties (omvang, reproductie, aantal verkeersslachtoffers); • voor welke soorten aanvullende maatregelen, zoals kweek, bijplaatsen en uitzaaien, nodig zijn naast habitatherstel (inclusief herstel plantkwaliteit) om de soorten duurzaam voor het Veluwse heidelandschap te behouden.
67
Achteruitgang mierenpopulaties (MHS154) Populaties mieren zijn hard achteruitgegaan. Mieren zijn belangrijke systeemsoorten in het heidelandschap en vormen een sleutelfactor voor het voorkomen van de draaihals en het verspreiden van diverse heischrale plantensoorten. In het Natura 2000-beheerplan Veluwe wordt benoemd dat de achteruitgang meerdere oorzaken heeft en dat niet alle oorzaken bekend zijn. Vragen zijn onder meer (Bron: Slikboer et al., 2021): • Hoe kan het beheer van heideterreinen afgestemd worden op het behoud van mieren, zoals niet te extensieve begrazing van heideterreinen (om warmteminnende soorten te behouden) en het behouden van boomopslag voor bladluizen? • Welke effecten hebben gangbare beheermaatregelen op de mierenfauna (begrazen, maaien en chopperen, plaggen van vochtige heide)?
Herstelprogramma Heiden en stuifzanden | Natura 2000 Veluwe | Mei 2023
• Hoe kunnen bermen bijdragen als ecologische corridors voor mieren? • Welke landschapselementen van het heidelandschap dragen bij voor welke soorten?
Herstel (korst)mossenflora (MHS155) In gezonde heidegemeenschappen evenaart de diversiteit aan korstmossen de diversiteit aan planten. Daarom is de instandhouding van deze korstmossen van groot belang. Na ingrijpend beheer kan herkolonisatie van korstmossen lang duren (Bron: Aptroot & Van Herk, 2005). Het is onbekend waardoor herstel niet optreedt (klimaatverandering, (effecten van) stikstofdepositie, andere oorzaken).
Concurrentie wilde bestuivers door honingbij (MHS178) Er zijn voldoende onderzoeken die aanwijzen dat honingbijen negatieve effecten hebben op de wilde bijen en andere bestuivers, zie § 5.1.9. Onderzoek van EIS in opdracht van het Rijksvastgoedbedrijf op onder meer de Arnhemse Heide en Doornspijkse Heide laten in ieder geval zien dat de dichtheid aan wilde bestuivers samenhangt met de aanwezigheid van honingbijkasten en de afstand daartoe (Bron: Smit et al, 2021). Een zoneringsplan lijkt nodig om de wilde bestuivers en het houden van honingbijen in goede banen te leiden. Vragen die daarbij openstaan zijn: • Hoeveel kasten van honingbijen van welke omvang (en omvang volken) is in welke periode waar (clustering) toelaatbaar? • Moet er een zonering komen van honingbijkasten? • Hoe anticipeer je op effecten van processen als de aanleg van extensieve graanakkers met boekweit, wellicht grasklaverstroken en Gelderse Maatregelen Stikstof en overgangsgebieden en aanpassingen in de landbouw (strokenteelt e.d.)? • Hoe kan je anticiperen op droogte en verminderde bloei?
Effect wild zwijn op populaties reptielen en grondbroeders (MHS156) Het wild zwijn heeft positieve effecten op habitats, maar kan bij te hoge standen een groot effect hebben op de kwaliteit van het heidelandschap, door het wroeten en woelen en mogelijk door predatie van soorten. Vragen zijn: • In welke mate voedt het wild zwijn zich in het voorjaar ook met reptielen en grondbroeders? • Welke effecten heeft een hoge zwijnenstand op de duurzame instandhouding van populaties van bijvoorbeeld reptielen en grondbroeders op de Veluwe? • In hoeverre zorgen wilde zwijnen ervoor dat doelbereik niet gehaald kan worden?
5.3.8
Monitoring Het consortium dat de rapportages met maatregelen heeft opgesteld om te komen tot doelbereik, concludeerde dat veel benodigde data niet beschikbaar zijn of minder bruikbaar. Het gaat om data waarmee beoordelingsfactoren uit het ecologische beoordelingskader ingevuld kunnen worden. Trends en het voorkomen van karakteristieke soorten van habitattypen zijn niet goed in beeld. Veel beoordelingsfactoren uit het ecologische beoordelingskader worden niet gestandaardiseerd in beeld gebracht.
68
Herstelprogramma Heiden en stuifzanden | Natura 2000 Veluwe | Mei 2023
6 Maatregelen 6.1
Randvoorwaarden herstelprogramma Deze paragraaf beschrijft de randvoorwaarden die nodig zijn om het geheel aan herstelmaatregelen die in dit herstelprogramma worden voorgesteld effectief te laten zijn voor het halen van de Natura 2000-instandhoudingsdoelen voor de heiden en stuifzanden op de Veluwe. Deze randvoorwaarden zijn veelal geen acties die uitgevoerd moeten worden, maar juist achterwege gelaten moeten worden of enkel onder specifieke voorwaarden uitgevoerd mogen worden. Omdat deze randvoorwaarden essentieel zijn voor het behalen van de Natura 2000-doelen, moeten deze worden opgevat als instandhoudingsmaatregelen. Er worden drie hoofdcategorieën onderscheiden: • behouden wat er nog is; − vooronderzoek; − leefgebied langs (fiets)paden; − aanpassen bodemeigenschappen (lithologie). • verkleinen invloed van gebiedsvreemde stoffen; • duurzaam beheer. − plaggen en chopperen en verwijderen strooisel; − herintroductie en bijplaatsen soorten, zaaigoed en plantmateriaal; − verwijderen opslag; − begrazing; − rasters.
Behouden wat er nog is Veel soorten staan onder (grote) druk. Zoals in § 5.1.9 staat beschreven is herstel vaak niet mogelijk nadat deze soorten eenmaal zijn verdwenen. Om de doelstellingen te halen is het daarom heel belangrijk dat in ieder geval behouden blijft wat er nog is. Daarom is goed vooronderzoek van belang, het behouden van kruidenrijk leefgebied langs fiets- en wandelpaden en het behoud van de natuurlijke bodemopbouw.
Verkleinen invloed van gebiedsvreemde stoffen Gezien de vaak grote gevolgen van gebiedsvreemde stoffen zoals pesticiden, biociden, zwerfafval en microplastics op ecosystemen, zie § 5.1.3, is het voorkomen en verkleinen van de invloed ervan heel belangrijk. Zoals aangegeven in § 1.4.2 vormen bronmaatregelen geen onderdeel van dit herstelprogramma. Enkele maatregelen die onbedoelde inbreng van pesticiden kunnen voorkomen zijn opgenomen.
Duurzaam beheer Het niet plaggen en chopperen van droge heide, zorgvuldig omgaan met herintroductie en bijplaatsen, waarbij het soms nodig is dat ook algemenere soorten ten behoeve van zeldzame soorten worden geherintroduceerd, het planmatig verwijderen van opslag, waarbij ook een deel als leefgebied voor soorten als draaihals gespaard worden, het opstellen van een integraal begrazingsplan waarbij beheerder, ecoloog en herder samenwerken en het (tijdelijk) plaatsen van rasters zijn onderdelen van het duurzame beheer.
69
Herstelprogramma Heiden en stuifzanden | Natura 2000 Veluwe | Mei 2023
6.1.1
Vooronderzoek Om negatieve effecten op bestaande waarden zoveel mogelijk te beperken, is het voor uitvoering van maatregelen belangrijk dat er goed vooronderzoek wordt uitgevoerd naar: 1 het voorkomen van en gebruik door bedreigde typische en karakteristieke soorten binnen het (maatregel)gebied; 2 de bodemchemie, bij plaggen, chopperen en verwijderen van strooisel; 3 de geomorfologie en bodemopbouw, om bijvoorbeeld te bepalen of er nog voldoende verstuifbaar zand aanwezig is, dan wel te behouden landschapsvormen; 4 archeologische en cultuurhistorische waarden, zoals raatakkers, wallen, houtskoolmeilers, restanten van ijzerproductie.
6.1.2
Leefgebied langs (fiets)paden Veel kruiden en leefgebieden van soorten van open zandige en/of meer gebufferde plekken bevinden zich direct langs veel fietspaden. Dat komt onder meer door de betere buffering door vroeger gebruikte verhardingssoorten. De waarde van deze bermen moet behouden blijven voor het gebied als plaats waar typische en karakteristieke soorten van habitattypen kunnen overleven (zie § 5.1). Dit is een afweging bij het wel of niet verbreden van fietspaden. Veelal is vooraf onderzoek nodig naar de effecten op de lokale populaties kleine fauna. Bij het omzetten van (fiets)paden naar (half )verharding met beton of asfalt is het ontstaan van barrièrewerking, het risico op verkeerslachtoffers, en ongewenste afname van leefgebied voor karakteristieke soorten van open zand een reden voor vergelijkbaar onderzoek naar de effecten op de lokale populaties karakteristieke soorten. Randvoorwaarde bij het verbreden van fietspaden: • mitigatie van de kruidenrijkdom enkele jaren voordat de verbreding plaatsvindt, zodat de kruiden beschikbaar blijven voor de lokale kleine fauna van het gebied. Voor het behoud van soorten van het heidelandschap is het behouden en herstellen van de kruidenrijkdom op de heide belangrijk.
Randvoorwaarden bij het beheer van fietspaden: • kruidenvriendelijk beheer langs wegen en paden om karakteristieke kruiden van het heidelandschap behouden; • het verwijderen of verleggen van (delen van) verharde fietspaden op hotspots van aanrijdingen met kleine fauna.
6.1.3
Aanpassen bodemeigenschappen Zoals in § 4.1 is aangegeven, is behoud van de natuurlijke kenmerken een doel van Natura 2000. Daarom beschouwen we het aanpassen van de bodemeigenschappen (zoals de opbouw (gelaagdheid), grondsoorten, textuur, korrelgrootteverdeling) door bijvoorbeeld het aanbrengen van klei- of leemlagen als ongewenst. Aanpassingen hiervan kunnen leiden tot verdere nivellering van de gradiënten op landschapsschaal. Het inbrengen van gebiedsvreemde materialen voor het verbeteren van het vochtvasthoudend vermogen, de buffering of het vergroten van het bodemadsorptiecomplex is daarmee ongewenst. Uitzondering vormen: • antropogene standplaatsen als leemmorsplekken, leemkuilen, start- en rolbanen en de direct eraan grenzende gebieden, waar het opbrengen van leem of het revitaliseren van leemkuilen en dergelijke mogelijk kan bijdragen aan de instandhouding van lokale populaties van leemgebonden soorten; • maatregelen waarbij de bodem van goed ontwikkelde vegetaties geënt wordt om bodemleven te transplanteren; • het opbrengen van gesteentemeel en kalkstoffen om de versnelde verwering en verzuringseffecten door antropogene invloed tegen te gaan.
70
Herstelprogramma Heiden en stuifzanden | Natura 2000 Veluwe | Mei 2023
6.1.4
Onbedoelde inbreng van pesticiden en biociden Onbedoelde inbreng kan op meerdere manieren optreden, zoals: • door bemesting van akkers met mest waarin resten van diergeneesmiddelen of pesticiden aanwezig zijn; • door de inzet van met diergeneesmiddelen behandelde grazers; • door aanvoer van voer met resten van pesticiden. Wenselijk is om deze onbedoelde inbreng te voorkomen. Dit kan door: • dieren op stal te behandelen en op stal te houden tot na excretie van het middel; • bij eventueel bijvoeren voer te gebruiken dat geen behandeling heeft gehad met pesticiden; • geen mest aan te wenden dat resten van diergeneesmiddelen of pesticiden bevat.
6.1.5
Plaggen en chopperen en verwijderen strooisel In hoofdstuk 5 is ingegaan op de negatieve effecten van plaggen en chopperen in droge heide. Voor het soortenbehoud is het belangrijk om deze ongewenste effecten te voorkomen (zie § 5.1) door: • ongeplagde, ongechopperde en ongemaaide kwalificerende heide niet te chopperen of te plaggen; • oude heide (>30 jaar) met een goed ontwikkeld humusprofiel (o.a. een Hh-laag) niet te chopperen of te plaggen; • alleen te chopperen of te plaggen als kan worden onderbouwd dat het noodzakelijk is voor het behoud van karakteristieke soorten; • dit type beheer alleen kleinschalig uit te voeren (<100 m2, bij voorkeur handmatig, tot maximaal 4% van het oppervlak van het vergraste terrein (Bron: Zie bijvoorbeeld Stuijfzand et al., 2004)) en gefaseerd in de tijd (Bron: Beter is nog kleinschaliger, bijvoorbeeld 1-10 m2.); • bij het plaggen en het verwijderen van bosstrooisel niet tot de minerale laag te plaggen: er moet een dunne organische laag gespaard worden, tenzij er kaal zand gecreëerd wordt t.b.v. fauna; • maatregelen te nemen die de negatieve effecten van plaggen, chopperen of strooisel verwijderen zoveel mogelijk mitigeren, gebaseerd op vooronderzoek, zoals opbrengen bufferstoffen, kalium, fosfaat; • vervolgbeheer, dat bijvoorbeeld gericht is op een ruimtelijk gevarieerde en structuurrijke heidevegetatie, zoals door begrazing.
6.1.6
Herintroductie en bijplaatsen soorten, zaaigoed en plantmateriaal Steeds vaker is naast habitatherstel ook herstel van de vitaliteit van populaties nodig, bijvoorbeeld door genetisch onderzoek, kweken en bijplaatsen van soorten. Regelmatig zijn dit ook onderdelen van herstelprogramma’s van soorten van de actieve soortenbescherming Gelderland. Het herstellen van bijvoorbeeld de kruidenrijkdom in de heide kan dan een onderdeel zijn van het herstellen van het leefgebied van een soort. Bij het herintroduceren en bijplaatsen van soorten is het gewenst zoveel mogelijk te werken in overeenstemming met de randvoorwaarden zoals deze zijn opgenomen in bijlage 1. In het geval van akkers is het gewenst om zoveel mogelijk streekeigen inheems zaaigoed te gebruiken. Bij het aanleggen en herstellen van landschapselementen is het gewenst om autochtoon inheems plantmateriaal van bekende lokale herkomst te gebruiken.
71
Herstelprogramma Heiden en stuifzanden | Natura 2000 Veluwe | Mei 2023
6.1.7
Behouden opslag Voor het duurzame behoud van leefgebied van soorten als draaihals en grauwe klauwier is het wenselijk om: • zomer- en wintereik, berk, vuilboom, bremsoorten en braam te laten staan, tenzij het open habitattype waarin deze soorten staan dreigt te verdwijnen of in functionaliteit achteruit te gaan; • de strategie ten aanzien van de opslag in een gebied (zoals dus berkenverjonging of strubbenontwikkeling) te verankeren en vast te leggen in de beheervisie en beheerprogramma’s (zoals BOOM, CSMi), voor zover deze gebruikt worden.
6.1.8
Begrazing Begrazing is een van de belangrijkste beheervormen op de heide. De inzet van begrazing heeft veel aandachtspunten en daarom is het gewenst om: • een integraal begrazingsplan op te stellen bij het inzetten van begrazing. Hierin wordt onder andere beschreven: − wat het doel is van de begrazing; − welke vorm van begrazing wordt gehanteerd; − welke natuurlijke begrazing al aanwezig is en welk effect deze heeft; − waar de belangrijke aandachtpunten in het terrein liggen, zoals vochtige heide, populaties van kwetsbare soortgroepen (in relatie tot begrazing). • bij de inzet van een herder of externe kuddebeheerder in gezamenlijkheid het begrazingsplan op te stellen, om kennis en kunde van beide zijden te betrekken en een gezamenlijk eigenaarschap te creëren.
6.1.9
Rasters Na jaren van beleid gericht op het ontrasteren van de Veluwe (grenzeloze Veluwe) ontstaat er hernieuwde belangstelling voor wildkerende rasters. Rasters zijn ook voor de heiden en stuifzanden relevant: • Wildkerende rasters verminderen het teveel aan dynamiek van zwartwild, wanneer dat niet op korte termijn door afschot gerealiseerd kan worden. Door een teveel aan dynamiek kiemen zaden wel maar komen de planten niet meer tot zaadzetting, waardoor de zaadbank uiteindelijk uitgeput raakt en populaties uitsterven. Dit speelt onder meer in leemkuilen en op heischrale graslanden; • Rasters kunnen overbegrazing door roodwild verminderen. Door overbegrazing blijft zaadzetting uit of kunnen soorten hun levensfasen niet meer doorlopen (bijv. gentiaanblauwtje); • Rasters zijn bruikbaar bij experimenten met schelpenhopen voor lokaal herstel van de basenrijkdom. Ze voorkomen dat alle schelpenhopen meteen ondergewerkt worden door zwartwild; • De toepassing van steenmeel en kalk leidt lokaal tot meer begrazing/woelen door wild, waardoor de vegetaties nog verder onder druk komen te staan.
Rasters bieden dan uitkomst; • Rasters kunnen bruikbaar zijn bij de aanleg van tijdelijke en permanente heide-akkers en voorkomen dat de akkers steeds omgewoeld worden, niet meer te beheren zijn en niet meer kunnen bijdragen aan de doelstelling; • De wolf is in opkomst, terwijl er ook meer aandacht is voor het belang van begrazing, rondgang met kudden, nachtkralen en dergelijke. Rasters kunnen het vee beschermen. Uitgangspunt blijft dat wildgroei van rasters ongewenst is, maar wanneer het voor het behoud van de doelsoorten en habitat inclusief karakteristieke soorten noodzakelijk is, wordt het toegestaan. Zorg bij plaatsing van rasters voor (dassen) doorgangen zodat kleinere fauna de rasters kan passeren.
72
Herstelprogramma Heiden en stuifzanden | Natura 2000 Veluwe | Mei 2023
6.2 PAS-maatregelen In het Natura 2000-beheerplan Veluwe is een onderscheid gemaakt tussen drie typen maatregelen: PAS-herstelmaatregelen, natuurbeheer en overige maatregelen. De PAS-herstelmaatregelen, zoals beschreven in paragraaf 6.2 van het beheerplan, zijn specifiek bedoeld om de achteruitgang van natuurwaarden door stikstofdepositie tegen te gaan. In de volgende tabel staan de PAS-maatregelen die betrekking hebben op heide en stuifzand.
M2b
Lokale drukbegrazing met schapen op vochtige heide
M3b
Opslag verwijderen en afvoeren op stuifzanden, vochtige heides, droge heides
M3d
Bodem geschikt maken voor kieming jeneverbes
M4c
Exoten verwijderen
M4d
Bos kappen t.b.v. corridors
M4g
Bos kappen t.b.v. windwerking
M7
Bekalken of belemen vochtige heide, heischrale graslanden
M7a
Bekalken inzijggebied bij zure vennen en heischrale graslanden
M7b
Bekalken na plaggen heide
M8
Belemen
M9
Herstel hydrologie
M13
Terugdringing uitspoeling meststoffen uit inzijggebieden
M14
Uitplanten stekken en/of zaaien jeneverbes
Deze PAS-herstelmaatregelen waren ook opgenomen in het Programma Aanpak Stikstof (PAS). Op 29 mei 2019 heeft de Raad van State uitgesproken dat het PAS niet voldoet aan de natuurwetgeving en niet langer gebruikt mag worden. Met het vervallen van het PAS blijft de noodzaak deze herstelmaatregelen uit te voeren echter bestaan, omdat zij onlosmakelijk verbonden zijn met het beheerplan en het bereiken van de doelstellingen. Het Natura 2000-beheerplan Veluwe is een plan op hoofdlijnen. In het plan staat dat de herstelmaatregelen om de instandhoudingsdoelen voor de Veluwe te behalen verder worden uitgewerkt in herstelprogramma’s (locatiespecifiek). De herstelprogramma’s moeten in de eerste beheerplanperiode (2018-2024) worden opgesteld, het uitvoeren ervan vindt plaats in zowel de eerste beheerplanperiode als de daaropvolgende (2024-2030). Gezien de noodzaak van het behoud en herstel van stikstofgevoelige natuur, is al begonnen met uitvoering van de PAS-herstelmaatregelen voor het gereedkomen van de herstelprogramma’s. Sinds 2015 hebben terreineigenaren een groot deel van deze PAS-herstelmaatregelen voor de eerste PAS-periode (2015 t/m 2021) uitgevoerd, enkele zijn nog in uitvoering. Ook na uitvoering blijven de meeste, met name cyclische maatregelen noodzakelijk zolang de stikstofdepositie te hoog blijft.
Deze maatregelen zijn niet (altijd) meer opnieuw benoemd in dit herstelprogramma.
73
Herstelprogramma Heiden en stuifzanden | Natura 2000 Veluwe | Mei 2023
In dit herstelprogramma zijn maatregelen voor behoud en verbetering van natuurwaarden uitgewerkt. Deze maatregelen zijn, net als de PAS-herstelmaatregelen, vaak ook gericht op stikstofgevoelige natuur. De maatregelen in het herstelprogramma kunnen vergelijkbaar zijn met de voormalige PAS-herstelmaatregelen, zoals exoten verwijderen en de aanleg van corridors. Anders dan in het PAS worden ze nu waar mogelijk locatiespecifiek en in hun totaliteit benoemd. Het gaat om maatregelen die eenmalig worden uitgevoerd om de natuur te herstellen. De voormalige PAS-herstelmaatregelen, zoals genoemd in het paragraaf 6.2 van het Natura 2000-beheerplan Veluwe, blijven wel bestaan. Ze vormen een aanvulling op de maatregelen in dit herstelprogramma omdat ook doorlopende maatregelen noodzakelijk blijven, zoals extra beheer als gevolg van een te hoge stikstofdepositie.
Heide corridor Planken Wambuis (fotografie: Jelmer Reyntjes)
6.3
SPUK-maatregelen en Rijksregeling versneld natuurherstel
6.3.1
SPUK-maatregelen Via het Programma Natuur stelt het Rijk tot 2030 middelen beschikbaar voor robuust natuurherstel met het oog op een duurzame instandhouding van de overbelaste stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden en leefgebieden van soorten. Maatregelen die in de herstelprogramma’s staan zullen hieruit worden gefinancierd. In het Programma Natuur worden twee perioden onderscheiden om maatregelen uit te voeren en te financieren. In de eerste fase (2021-2023) heeft het Rijk middelen aan provincie Gelderland beschikbaar gesteld met een specifieke uitkering (SPUK). Om de stikstofgevoelige natuur op de Veluwe versneld te kunnen herstellen, heeft de provincie vooruitlopend op de herstelprogramma’s eind 2021 al een SPUK-subsidieregeling opengesteld. De maatregelen waarvoor inmiddels subsidie is aangevraagd lopen dus vooruit op de herstelprogramma’s. Sommige aanvragen waarvoor subsidie wordt verleend zijn al verwerkt in het herstelprogramma. Er kan ook subsidie worden aangevraagd voor herstelmaatregelen die op dit moment nog niet in het herstelprogramma zijn verwerkt, maar waarvan wel ecologisch is beoordeeld dat ze bijdragen aan de duurzame instand-houding van het Natura 2000-gebied Veluwe.
74
Herstelprogramma Heiden en stuifzanden | Natura 2000 Veluwe | Mei 2023
6.3.2
Rijksregeling versneld natuurherstel Naast het Programma Natuur van het Rijk en de bijbehorende specifieke natuuruitkering, heeft het ministerie van LNV zelf ook nog een subsidieregeling ‘Versneld natuurherstel’. Hiervoor maakt het ministerie zelf direct afspraken met terreineigenaren van natuurgronden.
6.4
Herstelmaatregelen Om de instandhoudingsdoelen op de Veluwe te kunnen realiseren is een pakket van maatregelen nodig, naast het terugdringen van atmosferische depositie, recreatiezonering en de regulatie van wilddruk. De maatregelen in dit herstelplan dragen bij aan de realisatie van de instandhoudingsdoelen.
6.4.1
De verschillende typen maatregelen De meeste maatregelen in dit herstelprogramma zijn fysieke maatregelen die door middel van inrichting en beheer in de natuurterreinen worden genomen. Daarnaast zijn niet-fysieke maatregelen opgenomen die moeten leiden tot kennisverbetering dan wel planvorming om te komen tot fysieke maatregelen. In het volgende overzicht staan de verschillende typen maatregelen beschreven. Beheer Maatregelen betreffende regulier dan wel aanvullend beheer en de randvoorwaardelijke onderdelen daarvan. Denk hierbij aan extra chopperen of inzet van gescheperde begrazing en realisatie van nachtkralen of schaapskooien. Beleid- en planvorming Op een aantal onderwerpen is aanvullend beleid nodig. Denk hierbij onder andere aan afstemming van beleid op het vlak van fietspaden, maar ook aan eventueel aanvullende subsidiekaders ten behoeve van schaapskuddes of beheer van leemputten. Communicatie en bebording Voor een deel kunnen we knelpunten technisch oplossen in de gebieden. Voor een aantal problemen is echter gedragsverandering bij bezoekers/gebruikers nodig. Het gaat hier veelal om bewustwording. Onder deze categorie valt ook kennisdeling tussen beheerders: niet zozeer gedragsbeïnvloeding maar leren van elkaar.
Extensivering landbouw Het extensiveren van landbouwgronden is gericht op uitbreiding van leef- en foerageergebied dan wel op het veiligstellen van inzijggebied van bijvoorbeeld een vochtige heide. Extensivering betekent niet noodzakelijk dat de percelen worden omgezet naar natuur. Dit kan ook door middel van een andere bedrijfsvoering. Ook kan het gaan om extensieve percelen waar een ander gebruik vanuit natuurbelang wenselijk is, bijvoorbeeld graanteelt in plaats van vee. Inrichting en omvorming natuur Maatregelen gericht op een andere terreininrichting: het realiseren van (heide)corridors, het omvormen van bos naar open (heide)vegetatie, koppelen van verschillende milieucondities binnen natuur (o.a. droog-nat), et cetera.
75
Herstelprogramma Heiden en stuifzanden | Natura 2000 Veluwe | Mei 2023
Onderzoek De categorie onderzoek kan betrekking hebben op: • Onderzoek met een bredere scope dan één specifieke locatie. Het gaat hier veelal om onderzoeken gericht op algemene kennislacunes. • Onderzoeken gerelateerd aan inrichting- of beheervraagstukken. Het kan gaan om onderzoeken over een specifiek onderwerp, zoals een biogeochemisch onderzoek, of om bredere onderzoeken, zoals een landschapsecologische systeemanalyse. Het gaat bij al deze onderzoeken dus om kennis die nodig is ter voorbereiding van de goede uitvoering van maatregelen. Soortgerichte maatregelen Voor sommige soorten is algemeen systeemherstel onvoldoende en zijn specifieke maatregelen nodig. Denk hierbij aan de zadelsprinkhaan, het gentiaanblauwtje en de bosparelmoervlinder. Ook het eventueel herintroduceren van soorten valt onder deze categorie maatregelen, net als het bestrijden van exoten.
6.4.2
Welke maatregel wordt waar genomen? In bijlage 2 is een kaart opgenomen met een code voor elke maatregel. Deze code begint met MHS. Dat staat voor Maatregel Heide en Stuifzand. Welke maatregel op een bepaalde locatie wordt voorgesteld is terug te vinden in de tabel in bijlage 3. De codes staan chronologisch in deze tabel. In deze tabel is ook de maatregelcode van de het consortium opgenomen. De maatregelcode van het consortium is gebruikt in de Synthesedocumenten zie § 3.3. DG01BH1 verwijst bijvoorbeeld naar het syntheserapport van deelgebied 01 (DG01), maatregel BH1.
6.4.3
76
Duurzame heide Maatregelcode
MHS5, MHS6, MHS9, MHS10, MHS19, MHS28, MHS29, MHS33, MHS43, MHS44, MHS50, MHS51, MHS77, MHS82, MHS84, MHS85, MHS88, MHS94, MHS95, MHS107, MHS114, MHS116, MHS118, MHS183
Maatregelcode synthese– document
DG01HH2, DG01HH3, DG01HH6, DG01HH7, DG02HH5, DG03HH2, DG03HH4, DG04HH1, DG05HH1, DG05HH2, DG06HH1, DG06HH2, DG08HH3, DG09HH4, DG09HH6, DG09HH7, DG09HH10, DG10HH1, DG10HH2, DG11HH4, DG12HH1, DG12HH5BH5, DG12HH7
Habitattypen
Binnenlandse kraaiheibegroeiingen (H2320), Vochtige heiden (H4010A), Droge heiden (H4030), Jeneverbesstruwelen (H5130), Heischrale graslanden (H6230), Pioniervegetaties met snavelbiezen (H7150).
VHR-soorten
Draaihals
Overig
Adder, gladde slang, levendbarende hagedis, bosparelmoervlinder, zadelsprinkhaan.
Type maatregel
Onderzoek, beheer, inrichting en omvorming natuur, soortgerichte maatregelen.
Sleutelfactoren
Versterken van refugia en hotspots van karakteristieke soorten, optimalisatie beheer, verbeteren bodemchemie.
Gebieden
Kamperklippen, Renderklippen, De Hooge Heide, De Dellen, Wezepse Heide, Hendrik Mouwenveld, Elspeetse Heide / Noorderheide, Stakenbergse heide-Schotkamp-Leuvenhof, Tongerense HeideSmitsveen-Welna, Greveld-Gortelse Heide, Houtdorperveld, Ermelose Heide, Hoog Buurlose Heide en Steenberg / Maalberg, LoenermarkZilvense Heide, Rozendaalse Veld, Terletse Heide en Rheder- en Worthrhederheide, Oud Reemsterveld/ Aalderinksveld, Arnhemse heide en heide Zweefvliegcentrum Terlet, Ginkelse en Edese heide, Doorwerthse heide en Wolfhezerheide, Lindenhof (Johannahoeve), heitjes Warnsborn
Herstelprogramma Heiden en stuifzanden | Natura 2000 Veluwe | Mei 2023
Een maatregelpakket dat voor de meeste heideterreinen is opgenomen is het pakket ‘duurzame heide’. Het doel van dit pakket is de heide robuuster maken tegen invloeden van buiten en tevens het behouden en ontwikkelen van structuur en natuurlijke processen, zoals het ouder worden van de heide en heidebodem en het ontstaan van periodiek natte laagtes. Bij de uitvoering moet rekening gehouden worden met wat vermeld is in § 6.1. Het maatregelpakket bestaat uit de onderdelen onderzoek en beheer.
Onderzoek ten behoeve van beheer Het onderzoek in dit maatregelpakket bestaat uit: • het in kaart brengen van het historische plag- en chopperbeheer; • de inventarisatie van kenmerkende soorten van oude droge heide en periodiek stagnerende laagtes, kartering van oude droge heide, bosbesheide, kraaiheiheide, heischrale vegetaties en periodiek natte laagtes als leefgebied voor karakteristieke flora en kleine fauna (ook in door pijpenstrootje gedomineerde delen), conform Bijlsma 2022; • biogeochemisch onderzoek en referentieonderzoek om het biogeochemisch onderzoek te interpreteren (historisch en huidig voorkomen soorten en verspreiding).
Beheer- en inrichtingsmaatregelen Op basis van het onderzoek worden oude droge heide, bosbesheide/kraaiheiheide en periodiek stagnerende delen veiliggesteld voor spontane doorontwikkeling. Dit betekent dat deze terreindelen wel worden meegenomen in bijvoorbeeld het reguliere begrazingsbeheer en dat eventueel periodiek opslag wordt verwijderd, maar verder niets. Eventueel aanwezige heischrale vegetaties en ontwikkelingen in deze richting worden ook veiliggesteld en waar mogelijk gestimuleerd (bijvoorbeeld door extra begrazing). Wanneer op basis van het onderzoek blijkt dat er een tekort is aan bufferstoffen of mineralen, kan ervoor gekozen worden om het terrein of terreindelen te behandelen met bufferstoffen, zoals steenmeel. Dit op basis van de op dat moment geldende kennis over dit onderwerp. Heideterreinen die gedomineerd worden door pijpenstrootje moeten/kunnen kleinschalig gebrand worden, gevolgd door (enkele jaren) drukbegrazing en monitoring al dan niet met gescheperde kudde. Deze maatregel dient mogelijk te worden bijgesteld na inzichten vanuit OBN-onderzoek naar vergrassing door pijpenstrootje.
77
Herstelprogramma Heiden en stuifzanden | Natura 2000 Veluwe | Mei 2023
6.4.4
Extensiveren en aankoppelen landbouwgrond Maatregelcode
MHS1, MHS2, MHS13*, MHS14*, MHS22*, MHS23, MHS24*, MHS25, MHS30, MHS36*, MHS39, MHS40, MHS41, MHS42*, MHS46*, MHS49*, MHS56, MHS62, MHS65, MHS66, MHS67*, MHS69, MHS70, MHS71*, MHS72, MHS76, MHS83, MHS87*, MHS89*, MHS90, MHS91*, MHS92*, MHS93, MHS96*, MHS99, MHS101, MHS102, MHS103, MHS105*, MHS113, MHS115*, MHS117*, MHS119*, MHS121*, MHS134, MHS167, MHS168, MHS176
Maatregelcode synthese– document
DG01BH1, DG01BH2, DG02BH1*, DG02BH2*, DG03BH1*, DG03BH2, DG03BH3*, DG03BH4, DG03HH5BH6, DG04HH4*, DG05BH4, DG05BH5, DG05BH6, DG05BH7*, DG05HH4BH2*, DG06BH5*, DG06HH9BH3, DG07HH4BH5, DG07HH7BH2, DG07HH8HB3BH4, DG07HH9BH3*, DG08BH1, DG08BH3, DG08BH4*, DG08BH5, DG08HH2BH2, DG09HH9BH2*, DG10BH1HH5*, DG10BH2HH6, DG10BH3HH7*, DG10BH4HH8*, DG10BH7HH10, DG10HH3BH6*, DG11BH1, DG11BH4, DG11BH5, DG11BH6, DG11HH2*, DG12BH2, DG12HH2BH3*, DG12HH6BH6*, DG12HH8BH7*, DG12HH10*
Habitattypen
Droge heiden (H4030), Heischrale graslanden (H6230)
VHR-soorten
Boomleeuwerik, grauwe klauwier, draaihals, (blauwe kiekendief )
Overig
Geelgors, blauwe kiekendief, grote parelmoervlinder, wrattenbijter, duiven, karakteristieke kleine fauna van droge heide en heischraal grasland
Type maatregel
Onderzoek, extensivering landbouw, inrichting en omvorming natuur.
Sleutelfactoren
Kwaliteitsverbetering door oppervlaktevergroting en extensivering, versterken van refugia en hotspots van karakteristieke soorten, optimalisatie beheer, verbeteren bodemchemie.
Gebieden
Horsthoekersprengen, enk Norel, Mullegen, ’t Harde, Elspeetse enk, Elspeetse Heide, Vierhouterbos-Elspeetse Heide, Soerel, Mosterdveen, Leuvenum, Assel, De Heegde (Uddel), Gortel, Tongeren, Lage Veld, Kleine Kolonie, Nieuw Milligen Convooi - ’t Sol, Assel, KrachtighuizenKoudhoorn, Boeschoten, Hennipstede, Kootwijk-Kerkendel, Kootwijkse Veld, Harskamp, Hoog Buurlo, Hoog Bureltje, Ramenberg, Heuven, Hoog Baarlo, Deelen, Hoenderloo, Kemperheide, Oud Reemst, Wekeromse Zand, Mossel, Wekeromse enk, Goudsberg, Warnsborn, Doorwerthse Heide-Reijerskamp, Lindenhof (Johannahoeve), Nieuwe Renkumse Heide-Reijerskamp, Reijerskamp-Lindenhof, Zandsteeg, Roggekamp
* de uitvoering van de maatregelen op gronden die gelegen zijn buiten de Natura 2000-begrenzing Veluwe zijn geen onderdeel van dit herstelprogramma, maar onderdeel van het integrale gebiedsproces voor het Gelderse gebiedsprogramma voor het Nationaal Programma Landelijk Gebied (NPLG), zie ook paragraaf 2.1.
Er zijn veel maatregelgebieden aangewezen voor het extensiveren en aankoppelen van landbouwgronden. Daarmee kan de historische gradiënt hersteld worden, zie ook § 5.1.2, dat gunstig is voor veel karakteristieke soorten van de habitattypen van het heidelandschap. Op diverse locaties wordt daarom voorgesteld om percelen in regulier landbouwkundig gebruik te extensiveren en deels ook om te vormen tot kruidenrijke (schrale) graslanden en akkers (maatregel M12 uit het Beheerplan Veluwe). Deze percelen liggen op historische akkerlocaties dan wel op locaties direct grenzend aan heide. Bij de uitvoering moet rekening gehouden worden met wat vermeld is in § 6.1. Het extensiveren en aankoppelen heeft verschillende doelen: • het verbeteren van het voedselaanbod (andere bloemen, ander moment van bloei, zaadvorming) voor allerlei karakteristieke fauna van de habitattypen van het heidelandschap. Dit kan door de realisatie van extensieve, permanente akkers; • het vergroten van het leefgebied voor karakteristieke soorten en uitbreiding van heischraal grasland of schraalgrasland, door graslanden te extensiveren of te verschralen tot heischraal grasland of schraalgrasland met karakteristieke soorten van dit habitattype;
78
Herstelprogramma Heiden en stuifzanden | Natura 2000 Veluwe | Mei 2023
• het verminderen van de negatieve invloed van bemesting of gebruik van pesticiden op de Natura 2000-doelen. Naast deze bijdrage aan Natura 2000-doelen draagt de omvorming ook bij aan: • het verminderen van voedseltekort voor overwinterende broedvogels en wintergasten (zoals blauwe kiekendief, vinken en gorzen), onder meer door extensieve akkers waarop in de winter nog rijp gewas staat; • het vormen van leefgebied voor soorten waarvoor Gelderland een grote verantwoordelijkheid heeft en/of voor soorten die genoemd worden in het Gelderse soortenbeleid (Actieve soortenbescherming Gelderland), zoals de wrattenbijter en korensla. Daarnaast kan dit maatregelpakket een positieve bijdrage leveren aan het: • faciliteren van doortrekkende schaapskuddes t.b.v. heidebeheer; • behouden van zeldzame akkerkruiden en oude teeltgewassen; • behouden van het cultuurlandschap, het vergroten van de leesbaarheid van de ontginningsgeschiedenis. Het maatregelpakket bestaat uit de onderdelen ‘onderzoek en opstellen plan van aanpak’ en ‘inrichting en beheer’.
Onderzoek en opstellen plan van aanpak Voor permanente akkers en aangrenzende grazige terreindelen is een plan van aanpak gewenst, met aandacht voor de landschaps- en terreinheterogeniteit. Benader de akkers waar mogelijk als akkerlandschap of -complex, met overgangen naar heide, bos-, mantel- en zoomvegetatie, overgangen naar grazige terreindelen, struwelen, solitaire bomen en struiken, zandpaden, wintergastenakkers, randen met boekweit, wellicht kleine blokken met klaver voor hommels of stroken met luzerne, schrale, zeer dun ingezaaide delen voor wrattenbijters en dergelijke (Bron: Verbeek et al., 2021). Door de akkers als complex te benaderen kunnen meerdere doelstellingen en soortgerichte maatregelen worden ingepast. Het onderzoek in dit maatregelpakket bestaat uit: • een beknopte landschapsecologische systeemanalyse (o.a. bodemkundig onderzoek, historisch landgebruik); • biogeochemisch onderzoek; • een inventarisatie van aanwezige schaarse karakteristieke soorten en doelsoorten in de nabijheid; • het onderzoeken van de mogelijkheid om natuurinclusieve landbouw in te passen op die terreindelen waar het met de beheerdoelstelling te combineren valt.
Het plan van aanpak beschrijft onder meer: • de doelen die gerealiseerd moeten/kunnen worden op welke plek (in overleg met de provincie); • de inrichtingsmaatregelen (rasters, struweelaanplant, zaaigoed, etc.); • het beheer van het totale complex, inclusief overgangen (naar de heide, zandpaden, bomen en struiken, mantel- en zoomvegetaties, heischrale graslanden, e.d.); • een teeltplan: de gewassen en kruiden die ingezaaid of gestimuleerd gaan worden (denk ook aan kruiden t.b.v. soorten die gebruik van het complex maken, zoals hondsviooltjes voor parelmoervlinders); • de meststoffen, bufferstoffen en organische stof die gebruikt gaan worden; • de 0-meting en effectbepaling door monitoring, het beheer en mogelijke aanpassing daarvan tijdens de uitvoering; • de rapportage en communicatie (kennis delen, lerend netwerk).
79
Inrichting en beheer Het inrichten en het uitvoeren van (overgangs-)beheer conform het plan van aanpak.
Herstelprogramma Heiden en stuifzanden | Natura 2000 Veluwe | Mei 2023
6.4.5
Heidecorridors en ecoduct Maatregelcode
MHS4, MHS8, MHS11, MHS17, MHS27, MHS31, MHS54, MHS55*, MHS56, MHS58, MHS61, MHS62, MHS65, MHS66, MHS81, MHS105*, MHS108, MHS118, MHS119*, MHS120, MHS132, MHS133, MHS135, MHS136, MHS138, MHS171
Maatregelcode synthese– document
DG01HH1, DG01HH5, DG01HH8, DG02HH3, DG03HH1, DG03HH6, DG06HH7BH4, DG06HH8*, DG06HH9BH3, DG06HH11, DG07HH3, DG07HH4BH5, DG07HH7BH2, DG07HH8HB3BH4, DG09HH3, DG11HH2*, DG11HH5, DG12HH7, DG12HH8BH7*, DG12HH9
Habitattypen
Stuifzandheiden (H2310), Zandverstuivingen (H2330), Binnenlandse kraaiheibegroeiingen (H2320), Vochtige heiden (H4010A), Droge heiden (H4030), Jeneverbesstruwelen (H5130), Heischrale graslanden (H6230), Pioniervegetaties met snavelbiezen (H7150) en wellicht Blauwgraslanden (H6410)
VHR-soorten
Draaihals, grauwe klauwier, roodborsttapuit, boomleeuwerik
Overig
Karakteristieke klein fauna (dagvlinders, reptielen), kleine fauna van open, minerale bodem
Type maatregel
Inrichting en omvorming natuur, onderzoek, soortgerichte maatregelen, extensivering landbouw.
Sleutelfactoren
Kwaliteitsverbetering door oppervlaktevergroting en extensivering, versterken van refugia en hotspots van karakteristieke soorten, optimalisatie beheer, verbeteren bodemchemie.
Gebieden
Kamperklippen-Ecoduct Tolhuis, De Hooge Heide-Renderklippen, De Dellen, Hendrik Mouwenveld-Welna-Greveld-Vierhoutense Heide, Mosterdveen-Waskolkheide, Flevoweg, Ecoduct Flevoweg, Nieuw Milligen Convooi - ‘t Sol, Caitwickerzand-Stroese Zand, Don Bosco (Assel)-heiderelict Vroome Bergen, KrachtighuizenKoudhoorn, Boeschoten, Loenermark-Zilvense Heide, Groeve GoudsbergSteenenberg, Wekeromse Zand, Warnsborn, Nieuwe Renkumse Heide-Reijerskamp, Westerheide-Rijk de Heide, Welna-Doornspijksche Heide, Hulsthorsterzand-Heide Willemsbosch, Grote kolonie-Kleine kolonie, Oud-Reemsterveld-Planken Wambuis, Kemperheide, Noord-Ginkel, Leuvenum
* de uitvoering van de maatregelen op gronden die gelegen zijn buiten de Natura 2000-begrenzing Veluwe zijn geen onderdeel van dit herstelprogramma, maar onderdeel van het integrale gebiedsproces voor het Gelderse gebiedsprogramma voor het Nationaal Programma Landelijk Gebied (NPLG), zie ook paragraaf 2.1.
Om heideterreinen te versterken en te verbinden worden op diverse locaties heide- corridors voorgesteld. Daarnaast wordt een ecoduct voorzien als verbinding tussen de Leemputten van Staverden /Het Verbrande Bos (en aangrenzend Landgoed Staverden) en het Houtdorperveld, over de Flevoweg (provinciale weg N302). De weergegeven locaties zijn indicatief en moeten nader worden uitgewerkt. Bij de uitvoering moet rekening gehouden worden met wat vermeld is in § 6.1.
80
Onderzoek ten behoeve van inrichting heidecorridors Dit onderzoek bestaat uit de volgende elementen: • inventarisatie van de te behouden opslag, elementen en karakteristieke soorten (ook die van bossen) en beste potenties voor leefgebied in de corridor; • populatieomvang te verbinden soorten, bij een te kleine populatie kan verdunning tot uitsterven leiden;
Herstelprogramma Heiden en stuifzanden | Natura 2000 Veluwe | Mei 2023
• • • •
bodemchemisch onderzoek; dikte van de strooisellaag; mogelijke maatregelen ten behoeve van brandpreventie; een inrichtingsplan, waarbij de exacte ligging en eventueel benodigde inrichtingsmaatregelen worden bepaald.
Inrichting en omvorming natuur De corridor wordt op basis van het opgestelde inrichtingsplan aangelegd.
Beheer Het beheer wordt uitgevoerd zoals passend bij de corridor. Bij dit beheer wordt in ieder geval het ontwikkelen van een geleidelijke overgang tussen lage en hoge begroeiing nagestreefd, vaak is het ook nodig om leefgebied voor karakteristieke soorten te ontwikkelen in de corridor.
6.4.6
81
Leefgebied draaihals Maatregelcode
MHS3, MHS26, MHS32, MHS37, MHS38, MHS47, MHS48, MHS73, MHS74, MHS100, MHS112, MHS137
Maatregelcode synthese– document
DG01BH3, DG03BH5, DG04BH1, DG05BH1, DG05BH3, DG06BH1, DG06BH2, DG08BH6, DG08BH7, DG11BH2, DG12BH1
Habitattypen
-
VHR-soorten
Draaihals
Overig
-
Type maatregel
Aanvullende beheermaatregel.
Sleutelfactoren
Versterken van refugia en hotspots van karakteristieke soorten, optimalisatie beheer.
Gebieden
Renderklippen, Elspeetse Heide, Westeindse-Stakenbergse heide, Uddelse Buurtveld, Gortelse Heide, Ermelose Heide, Houtdorperveld, Hoog Buurlose Heide, Ginkelse en Edese Heide, Warnsborn, Doorwerthsche heide
Herstelprogramma Heiden en stuifzanden | Natura 2000 Veluwe | Mei 2023
Naast de in § 6.1.7 genoemde generieke maatregel voor duurzame ontwikkeling van structuurelementen, zijn er ook specifieke maatregelgebieden aangewezen voor de draaihals. Om ook in de toekomst voor voldoende nestbomen voor de draaihals te zorgen, wordt voorgesteld om op diverse locaties verspreide berken en berkengroepjes veilig te stellen als toekomstig broedbiotoop, door deze te behouden bij het verwijderen van bosopslag en ook planmatige bescherming te bieden. Het is wenselijk dat de gespaarde berken worden vastgelegd in bijvoorbeeld het beheerplan van het betreffende natuurterrein, zodat goed is vastgelegd waarom deze bomen of boomgroepen gespaard zijn. Voor de Doorwerthsche heide worden nestkasten voorgesteld.
Draaihals (fotografie: Marius Bolk)
82
Herstelprogramma Heiden en stuifzanden | Natura 2000 Veluwe | Mei 2023
6.4.7
Versterken heidelandschap Maatregelcode
MHS7, MHS12, MHS15, MHS16, MHS19, MHS20, MHS28, MHS30, MHS45, MHS54, MHS55, MHS57, MHS64, MHS65, MHS66, MHS80, MHS86, MHS97, MHS104, MHS105, MHS106, MHS111, MHS116, MHS120, MHS140
Maatregelcode synthese– document
DG01HH4, DG02HH1, DG02HH2, DG02HH5, DG03HH2, DG03HH5BH6, DG06HH7BH4, DG06HH8, DG06HH10, DG07HH6BH1, DG07HH7BH2, DG07HH8HB3BH4, DG09HH1, DG09HH8, DG10HH4, DG11HH1, DG11HH2, DG11HH3BH6, DG11HH8BH7, DG12HH5BH5, DG12HH9
Habitattypen
Stuifzandheiden (H2310), Zure vennen (H3160), Vochtige heiden (4010A), Droge heiden (H4030), Heischrale graslanden (H6230), Pioniervegetaties met snavelbiezen (H7150) en wellicht Blauwgraslanden (H6410)
VHR-soorten
Draaihals, roodborsttapuit, boomleeuwerik, nachtzwaluw, grauwe klauwier
Overig
Adder, gladde slang, levendbarende hagedis, zandhagedis, bosparelmoer, bruine vuurvlinder, zadelsprinkhaan, geelgors, blauwe kiekendief, gaspeldoorn
Type maatregel
Onderzoek, inrichting en omvorming natuur, beheer, soortgerichte maatregelen, extensivering landbouw.
Sleutelfactoren
Versterken van refugia en hotspots van karakteristieke soorten, optimalisatie beheer, verbeteren bodemchemie.
Gebieden
Pluizenmeer met Renderklippen-De Dellen, De Haere-Huis op de Bergen, Kraaienberg, Wezepse Heide, Hendrik Mouwenveld, Mosterdveen, Leuvenum, Grote Kolonie, Groevenbeekse heide, KrachthuizenKoudhoorn, Boeschoten, Reeënberg, Beekhuizerheide, Hoog Deelen, Wekeromse Zand, Goudsberg (Lunteren), Valouwe, Valouwe-Wekeromse Zand
Om heideterreinen te versterken en te verbinden wordt op diverse locaties voorgesteld om het heidelandschap te vergroten en door gradiëntrijke terreinen of terreinen met aanvullende gradiënten voor het heidelandschap aan te koppelen. In de meeste gevallen moet een plan van aanpak worden geschreven of een ontwerp worden gemaakt. Hiervoor moet in ieder geval de onderzoeken zoals beschreven in § 6.1. Daarnaast moeten voor enkele maatregelen specifieke onderzoeken plaatsvinden zoals ecohydrologisch onderzoek. Maatregelen bestaan vaak uit het bestrijden van exoten, bosomvorming, het verwijderen van het bosstrooisel en het (mogelijk) opbrengen van bufferstoffen.
83
Herstelprogramma Heiden en stuifzanden | Natura 2000 Veluwe | Mei 2023
6.4.8
Maatregelen stuifzandlandschap Maatregelcode
MHS15, MHS16, MHS17, MHS34, MHS60, MHS61, MHS68, MHS78, MHS79, MHS108, MHS109, MHS133
Maatregelcode synthese– document
DG02HH1, DG02HH2, DG02HH3, DG04HH2, DG07HH1, DG07HH3, DG07HH10, DG08HH4, DG08HH5, DG11HH5, DG11HH6BH3
Habitattypen
Stuifzandheiden (2310), Binnenlandse kraaiheibegroeiingen (H2320), Zandverstuiving (H2330), Droge heiden (H4030), Jeneverbesstruwelen (H5130), Heischrale graslanden (H6230)
VHR-soorten
Draaihals, Stuifzandvogels
Overig Type maatregel
Onderzoek, inrichting en omvorming, soortgerichte maatregelen, beheer, zonering.
Sleutelfactoren
Versterken van refugia en hotspots van karakteristieke soorten, optimalisatie beheer, verbeteren bodemchemie.
Gebieden
De Haere, Huis op de Bergen, Hulsthorsterzand, Willemsbosch, Caitwickerzand, Stroese Zand, Kootwijkerzand, Radio Kootwijk, Kootwijkerduinen, Harskampse Zand, Wekeromse Zand, Mosselse Zand, Mosselse Bergen, Kruiponder, Otterlose zand
Door de hoge achtergronddepositie is het nemen van grootschalige ingrepen ten behoeve van het stuifzandlandschap nu niet zinvol. Wel worden er op meerdere locaties kleinschalige ingrepen voorzien om de openheid van het stuifzandlandschap te behouden. Het betreft onder andere het terugzetten van de bosrand en het verwijderen van opslag en het verbinden/vergroten van kleine gebieden. In het laatste geval gaat het veelal om stabiele stuifzandlocaties die vooral bestaand uit stuifzandheide. Daarnaast wordt voor aan aantal stuifzandlocaties voorgesteld om een plan op te stellen ten behoeve van het behoud van de karakteristieke korstmosvegetaties en het experimenteel verwijderen van grijs kronkelsteeltje in de nabijheid van korstmosvegetaties en met nabehandeling met steenmeel. Bij de uitvoering moet rekening gehouden worden met wat vermeld is in § 6.1.
84
Herstelprogramma Heiden en stuifzanden | Natura 2000 Veluwe | Mei 2023
6.4.9
Maatregelen jeneverbesstruweel Maatregelcode
MHS17, MHS18, MHS21, MHS59, MHS68, MHS77, MHS139, MHS175
Maatregelcode synthese– document
DG02HH3, DG02HH4, DG02HH7BH3, DG07HH10, DG08HH3,
Habitattypen
Stuifzandheiden (H2310), Binnenlandse kraaiheibegroeiingen (H2320), Zandverstuivingen (H2330), Droge heiden (H4030), Jeneverbesstruwelen (H5130), Heischrale graslanden (H6230)
VHR-soorten
Draaihals
Overig
Adder, heidevogels
Type maatregel
Onderzoek, beheer, soortgerichte maatregelen, zonering, inrichting en omvorming natuur.
Sleutelfactoren
Versterken van refugia en hotspots van karakteristieke soorten, optimalisatie beheer, verbeteren bodemchemie.
Gebieden
De Haere, Doornspijkse Heide, Stroese zand, Hoog Buurlose Heide, Achterste en Voorste Steenberg, Maalberg, Kootwijkerzand, Radio Kootwijk, Kootwijkerduinen
Voor het habitattype Jeneverbesstruweel zijn diverse maatregelen opgenomen. Veelal bestaat de ingreep uit het vrijstellen van al aanwezige jeneverbessen en het realiseren van kiemplekken. Daarnaast willen we meer inzicht in hoeverre op de bestaande locaties verjonging van jeneverbessen plaatsvindt. Bij de uitvoering moet rekening gehouden worden met wat vermeld is in § 6.1.
6.4.10
85
Herstel vochtige en natte heidelandschap Maatregelcode
MHS6, MHS7, MHS8, MHS9, MHS10, MHS11, MHS29, MHS33, MHS35, MHS43, MHS53, MHS55, MHS63, MHS75
Maatregelcode synthese– document
DG01HH3, DG01HH4, DG01HH5, DG01HH6, DG01HH7, DG01HH8, DG03HH4, DG04HH1, DG04HH3, DG05HH1, DG06HH6, DG06HH8, DG07HH5, DG08HH1
Habitattypen
Binnenlandse kraaiheibegroeiingen (H2320), Zure vennen (H3160), Vochtige heiden (H4010A), Droge heiden (H4030), Heischrale graslanden (H6230) Pioniervegetaies met snavelbiezen (H7150) en wellicht Blauwgraslanden (H6410), Heideveentjes (H7110B)
VHR-soorten
-