CConstaterende datNunspeet
Koppel je AI →
Document · PDF

St. t.k.n. nr. 3. BijlageHerstelprogramma Heiden en stuifzanden GS mei 2023

Commissie Ruimte en Wonen 9 oktober 2023, gemeente NunspeetBij agendapunt: Zienswijze op ontwerp-Veluwse herstelprogramma's 'Bossen', 'Heiden en Stuifzanden' en 'Vennen en venen'39.132 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 5

Akkerrand, akker en heide Oud-Reemst (fotografie: Jelmer Reyntjes)

44

Herstelprogramma Heiden en stuifzanden | Natura 2000 Veluwe | Mei 2023

5.1.3

Vervuiling met gebiedsvreemde stoffen Via mest en urine, krachtvoer, via behandeld vee en andere huisdieren in natuurgebieden, transport via de lucht of het water, weggooien door mensen (zwerfafval) en dergelijke komen gebiedsvreemde stoffen in de natuurgebieden. Vervuiling door gebiedsvreemde stoffen is een drukfactor voor soorten die al onder druk staan. Vaak zijn de cumulatieve gevolgen van de gebiedsvreemde stoffen gezamenlijk niet in beeld. Veel stoffen zijn in lage concentraties al bijzonder schadelijk, maar kunnen soms niet eens worden gedetecteerd, of er zijn nog geen normen voor vastgesteld (Bron: Lahr et al., 2019, Buijs en Mantingh, 2020). In de volgende tekst worden enkele groepen uitgelicht. Het is niet mogelijk om alle groepen en soorten middelen met een negatieve invloed op de duurzame instandhouding te benoemen, daarom wordt met onderzoeken en voorbeelden gewerkt. Brongerichte maatregelen vallen buiten dit herstelprogramma.

Gewasbeschermingsmiddelen en biociden De effecten van pesticiden en biociden en hun metabolieten op onze natuurlijke leefomgeving worden steeds duidelijker. In het Natura 2000-beheerplan Veluwe (2018) is dit ook ruim benoemd. Sinds vaststelling van dit beheerplan zijn nog diverse onderzoeken verschenen die deze effecten benoemen. Het beheerplan geeft ook aan dat het gebruik van bestrijdingsmiddelen en ontwormingsmiddelen mogelijk een rol spelen bij de afname van prooidieren voor bijvoorbeeld de nachtzwaluw. Recent Duits onderzoek (Bron: Brühl et al., 2021) in 21 natuurgebieden toont aan dat vliegende insecten veel meer en veel langer zware bestrijdingsmiddelen vasthouden dan tot op heden werd gedacht. Er werden op insecten gemiddeld zestien pesticiden per gebied aangetroffen. Deze zestien stoffen konden worden gerelateerd aan in de landbouw gebruikte stoffen in een straal van 2000 meter rond het natuurgebied (Bron: Brühl et al., 2021). Dit betekent mogelijk dat kruidenrijke stroken langs intensief gebruikte agrarische gronden waar pesticiden gebruikt worden, als een ecologische val kunnen functioneren. In de tapuit zijn verhoogde waarden van dioxine gevonden. Het betreffende onderzoek geeft indicaties voor een negatief effect van dioxines op het uitkomen van eieren, waardoor de populatiegroei geremd wordt.

De hoeveelheden dioxine in de bodem zijn laag, de concentraties in bovengrondse prooien als rupsen en sprinkhanen verwaarloosbaar, maar bodembewonende prooien accumuleren wel dioxines, met name langlevende larven van kniptorren (ritnaalden). Ritnaalden kunnen wel 35% van het voedsel vormen (Bron: Van Oosten et al., 2008), waardoor dioxines accumuleren in tapuiten. Het uitkomstpercentage van eieren in een Zweedse referentiepopulatie is veel hoger (94%), de dioxineconcentraties zijn daar zes keer lager (Bron: Van Oosten, 2015). In 2019 zijn op zestien locaties in veertien begraasde natuurterreinen in Gelderland, waarvan drie op de Veluwe, monsters genomen van mest, bodem, vegetatie en drinkwater. In de natuurgebieden werd de aanwezigheid van 34 bestrijdingsmiddelen vastgesteld, waaronder veel stoffen met een potentieel ernstig negatieve invloed op insectenpopulaties. Er zijn in de vegetatie op negen van de zestien locaties insecticiden gevonden die de waarden voor acute schade aan geleedpotigen overschrijden. Ook in de bodem zijn diverse zeer schadelijke stoffen voor geleedpotigen gevonden.

Een kwart van de onderzochte natuurgebieden vertoonde zeer lage aantallen adulte kevers en zeer weinig larven, een aanwijzing dat schadelijke stoffen de voortplanting verstoren en meer in het algemeen gevolgen hebben voor de gezondheid van het gehele ecosysteem (Bron: Buijs en Mantingh, 2020). Fipronil, in gebruik geweest als zaadcoating en als antiparasitair teken- en vlooienwerend middel in onder meer druppels, spray en vlooienbandjes, zorgt bij nauwelijks meetbare waarden al voor een sterk verminderde voortplanting van koolwitjes (Bron: Gols et al., 2020). Ook is aangetoond dat het middel wordt

45

Herstelprogramma Heiden en stuifzanden | Natura 2000 Veluwe | Mei 2023

afgebroken tot verbindingen die persistenter zijn in het milieu en nog giftiger zijn voor de meeste insecten dan fipronil zelf. Door de aankoppeling van voormalige landbouwgronden en wellicht via vlooienbandjes of het kammen van huisdieren (bijvoorbeeld in concentratiegebieden zoals bij bebouwing en hondenlosloopterreinen) kan dit middel in de kwalificerende habitats terechtkomen en ophopen. Een ander antiparasitair middel is permethrine, dat gebruikt wordt in tekenwerende kleding en als houtbeschermingsmiddel. Ook dit middel is toxisch voor bijvoorbeeld dagvlinders, bijen en vissen en waterleven en is ook recent in vleermuizen aangetroffen (Bron: Hoang et al., 2011, Van Wieren et al, 2016). In hoeverre deze middelen veelvuldig in het milieu terechtkomen en met welke gevolgen voor het ecosysteem van de Veluwe is onduidelijk, zie § kennisleemten. In de beoordeling van een individueel middel wordt de frequentie van toepassen en de dosering van een werkzame stof niet meegenomen: er wordt meestal getest op de afzonderlijke actieve bestanddelen. De beoordelingsmethodiek houdt slechts beperkt rekening met de mogelijke blootstelling van niet-doelwit organismen op meerdere stoffen of een mengel van stoffen die niet tegelijkertijd worden toegepast (Bron: Arts et al., 2017, CTGB, 2019).

Er is onderzoek nodig om na te gaan of het effect van stapeling van middelen een optelsom is van de effecten van de individuele middelen of dat er een groter effect is, waarbij ook toxische afbraakproducten worden meegenomen. Mogelijk leiden pesticiden ook tot meer vatbaarheid voor andere ziekten, zoals schimmel- of virusinfecties, door een verminderd afweersysteem (Bron: Blaustein et al., 2018). Een overkoepelend onderzoek naar de cumulatieve effecten op het ecosysteem en specifieke soorten, met mogelijke oplossingen (handelingsperspectief ) en expliciete acties, ontbreekt echter nog op Veluwe-niveau, zie §5.3 kennisleemten. PFAS Poly- en perfluoralkylstoffen (PFAS) zijn chemische stoffen die van nature niet in het milieu voorkomen. Deze stoffen komen via afvalwater uit de industrie in het oppervlaktewater terecht. Het is aangetoond dat die stoffen, opgenomen door waterdieren, via predatie ook het terrestrische milieu bereiken (Bron: Koch et al., 2020). De nadelige eigenschappen verschillen per specifieke PFAS, de ene stof verspreidt makkelijker, de andere is toxischer. Ze kunnen zich ophopen in planten en dieren en daarmee problemen opleveren voor het hele ecosysteem (Bron: Verbruggen et al., 2020). Het exacte effect van deze stoffen op soorten van de Veluwe is onbekend, zie § kennisleemten.

Additieven in bluswater Door klimaatverandering worden de zomers warmer en droger en neemt de kans op natuurbranden toe. Op kleine schaal is getest wat de ecologische effecten zijn van blusadditieven in bluswater (Bron: Vogels et al., 2015). Globaal genomen zijn er drie typen additieven: schuimvormende middelen, gelvormende middelen en geconcentreerde zoutmengsels, meestal bestaand uit verschillende ammoniumfosfaatverbindingen. Het onderzoek raadt het gebruiken van additieven met ammoniumfosfaat-verbindingen af in Natura 2000-gebieden, onder meer omdat de concentraties ammonium, nitraat en fosfaat in de bodem toenemen. Gelvormende middelen hebben door invloed op microbiële processen in de bodem mogelijk negatieve gevolgen voor het functioneren van ecosystemen op de langere termijn. De schuimvormende middelen veroorzaken meestal de minste milieuschade, maar zijn wel het meest toxisch voor aquatische organismen. Hierdoor moet instroom van grote hoeveelheden bluswater met additief in het oppervlaktewater voorkomen worden. Beter kan ingezet worden op innovatie op het gebied van grondteams en tactisch vuurgebruik.

46

Herstelprogramma Heiden en stuifzanden | Natura 2000 Veluwe | Mei 2023

Microplastics Microplastics zijn deeltjes kleiner dan 5 millimeter, die ofwel ontstaan door het uiteenvallen van grotere stukken plastic, ofwel zijn vervaardigd en toegevoegd aan producten. Bronnen zijn onder meer zwerfvuil, de afspoeling van straatvuil (waaronder de vorming van microplastics door bandenslijtage), vezels, kleding, stofemissies van bouwplaatsen, landbouwplastics, afvalwater, zuiveringsslib en compost (Bron: Verschoor et al., 2014). Ook sigarettenfilters zijn een bron van microplastics (Bron: Shen et al., 2021) en schadelijk voor het ecosysteem (Bron: Green et al., 2020, Green et al., 2022, Stichting Nederland Schoon, 2021), onder meer door het veroorzaken van berm- en natuurbranden. Uit onderzoek is gebleken dat insecten steeds meer microplastics in zich dragen en deze kunnen verplaatsen van bijvoorbeeld water naar land (Bron: Al-jaibachi et al., 2018, Fredric et al., 2019). Daardoor komen microplastics in de gehele voedselketen voor, van insecteneters tot predatoren. Welk effect dat veroorzaakt op populaties van bijvoorbeeld grauwe klauwier, tapuit, nachtzwaluw en andere karakteristieke soorten van het heidelandschap is nog niet duidelijk, zie § 5.3.3 kennisleemten.

5.1.4

Beheer

Dynamiek, schaalgrootte en intensiteit Het beheer van heide en stuifzanden is lange tijd (sinds ca. 1970) noodgedwongen gericht op het intensief en vrij grootschalig verwijderen van voedingsstoffen, het terugdringen van vergrassing en het tegengaan van boomopslag (Bron: Smits & Noordijk, 2014). Beheerders waren genoodzaakt om in te grijpen om vergrassing en verlies aan biodiversiteit tegen te gaan. Veel maatregelen hebben het karakter van overlevingsmaatregelen. Zeker ook grootschalig plaggen en chopperen, uitgevoerd om de heide en bijbehorende soorten te behouden, heeft op meerdere plekken geleid tot een homogene en verarmde heide, met minder (micro)gradiënten, minder organische stof en een slechtere bodemchemie, zie § 5.1.2. Zo leidt bijvoorbeeld niet structuurvolgend plaggen van goed ontwikkelde stuifzandheide, met het karakteristieke ‘eilandpatroon’ van dwergstruiken en andere stuifzandmozaïeken, tot uniforme struikheibegroeiingen (Bron: Bijlsma et al., 2022). Ook andere ingrepen, zoals grootschalige munitieruiming, zorgen voor een nivellering van het microreliëf. Dat is voor veel soorten van het heidelandschap ongunstig, omdat reliëf kan bijdragen aan het beperken van de invloed van droogte, hitte en extreme regenval.

De graspollen in vergraste terreindelen bieden wel variatie in microreliëf en een afwisselend microklimaat en vormen daarmee soms weer belangrijk leefgebied voor soorten als adder (Bron: Van Dorp & Van Leeningen, 2011) en diverse mossen en paddenstoelen (Bron: Wallis de Vries et al., 2018). Daardoor kunnen grootschalige maatregelen in deze vergraste terreindelen weer negatief uitpakken voor deze soorten. Veel wilde bijen van het heidelandschap zijn afhankelijk van kaal zand (Bron: Peeters et al., 2001), evenals sommige reptielen. Bij maatregelen om de structuurvariatie te verbeteren en kaal zand bloot te leggen, zoals het aanbrengen van microgradiënten in de vorm van steilranden en kuilen, worden vaak geen bufferstoffen gebruikt tegen de gevolgen van de afvoer van nutriënten en de effecten van stikstofdepositie (ammoniumpiek). Ook wordt het werk meestal machinaal en vlaksgewijs uitgevoerd, terwijl echt kleinschalige maatregelen beter met de hand uitgevoerd kunnen worden. Hierdoor is er wel kaal zand, maar treedt er plaatselijk extra verzuring en uitspoeling op. Dat is ook het geval daar waar het op meer natuurlijke wijze ontstaat, zoals bij gewroet van zwijnen of door stieren.

47

Herstelprogramma Heiden en stuifzanden | Natura 2000 Veluwe | Mei 2023

Maatwerkbeheer Ingrepen kunnen gevolgen hebben voor karakteristieke (kwaliteitsbepalende) soorten. Omdat aan vrijwel alle beheervormen voor instandhouding van het heidelandschap nadelen kleven voor soorten, is het van belang dat deze maatregelen kleinschalig uitgevoerd worden en dat het heidelandschap voldoende gradiënten heeft en voldoende omvang, zodat soorten vanuit refugia de tijdelijk ongeschikte gebieden weer kunnen koloniseren. Soms wordt in het beheer onvoldoende rekening gehouden met specifieke eisen van soorten of verdwijnen soorten door beheerfouten (Bron: Oostermeijer et al., 1998, Luijten & Oostermeijer, 2008). Beheerfouten kunnen nu eenmaal optreden, maar bij (zeer) kleine populaties kan het effect ervan enorm zijn, zoals onlangs bleek bij het donker pimpernelblauwtje (Bron: https://www.vlinderstichting.nl/reddingspoging-donker-pimpernelblauwtje). Dit vraagt onder meer om maatwerkbeheer en een goede inventarisatie van de refugia. Veel karakteristieke soorten worden nu niet gemonitord. Ook zijn niet alle elementen in het landschap goed onder te brengen in de subsidieregeling voor natuur. Leemkuilen bijvoorbeeld, die vaak groeiplekken vormen voor veel zeldzame heischrale planten en zoomplanten. Leemkuilen vragen om maatwerkbeheer, terwijl ze vaak onderdeel zijn van het omliggende natuurtype, zoals heide of (productie)bos.

Bezuinigingen, subsidievoorwaarden, aanbestedingsmethodes, verpachtingen en meer taken en minder mensen lijken kleinschalig maatwerkbeheer te bemoeilijken. Ook lijkt er door raamovereenkomsten minder sturing plaats te vinden op ideale beheermomenten, bijvoorbeeld qua weer of verschuivende bloeiperiodes (vóór de bloei afmaaien van grassen bijvoorbeeld). Hetzelfde geldt voor aanpassing van de begrazingsintensiteit, het toepassen van sinusbeheer, langzamer maaien of het maaibeheer aanpassen aan natte of droge jaren. De planning van bedrijven die door heel Nederland (en in het buitenland) werken is niet altijd flexibel, met de natuur als sluitstuk. Ook preventie van natuurbranden maakt maatwerkbeheer noodzakelijk, zoals het sturen op een minder brandbare vegetatie rondom kwetsbare locaties. Een ander belangrijk aandachtpunt is spreiding in tijd. Er wordt bij heidebeheer vaak gestuurd op het weghalen van opslag van bomen en struiken. Voor soorten zoals de draaihals en grauwe klauwier is het echter goed om gericht plekken met berk, vuilboom, braam en dergelijke te laten staan. Dit met de gedachte dat er nu, maar ook in de toekomst, geschikte nestlocaties in oude berken voor de draaihals (Bron: Bijlsma et al., 2022m) zijn. Of omdat opslag voorziet in bladluizen voor mieren. Faunabeheer Soorten als edelhert en wild zwijn horen bij de Veluwe.

Betreding, wroeten en begrazing kan een gunstig effect hebben op de instandhouding van soorten, zoals de aardbeivlinder (Bron: De Schaetzen et al., 2018) en zandhagedis. Ook vegetaties profiteren, bijvoorbeeld omdat er niet gemaaid hoeft te worden, er gunstige mozaïeken ontstaan, er door begrazing verschraling plaatsvindt en er kiemplekken blijven ontstaan. Plaatselijk te hoge wildstanden kunnen echter ook leiden tot negatieve effecten op andere soorten. Zo kan te veel repeterende dynamiek van wroeten de zaadbank uitputten, waardoor soorten kunnen verdwijnen, zoals bijna het geval was bij een soort als berghertshooi (Bron: Beringen & Bijmold, 2019).

48

Herstelprogramma Heiden en stuifzanden | Natura 2000 Veluwe | Mei 2023

De chronische bodemwoeling van heischrale graslanden en grazige terreindelen en -bermen vormt een knelpunt, omdat hier restpopulaties voorkomen van karakteristieke flora en kleine fauna (Bron: Bijlsma et al., 2022m) . Ook kan te veel graasdruk, betreding en vermesting in kwetsbare situaties leiden tot afname van (waard)planten, zoals de klokjesgentiaan, of van planten met eitjes van het gentiaanblauwtje, zoals het geval in de Leemputten van Staverden (Bron: Termaat et al., 2022). In hoeverre plaatselijk hoge standen van het wild zwijn leiden tot lagere aantallen reptielen en grondbroeders op de Veluwe is nog een kennisleemte, zie § 5.3. Wel is duidelijk dat hoge aantallen en concentratie van gewroet in adderbiotoop tot verdere afname van deze soort kan leiden (Bron: Lenders en Janssen, 2010, Graitson et al., 2018). Soorten als het wild zwijn kunnen ook naar mineraalrijke plekken trekken, zeker nu door voortdurende depositie steeds minder mineralen beschikbaar zijn. Het gebruik van kalkstoffen en steenmeel kan zorgen voor meer wroetdynamiek en dat kan negatief uitpakken op voorkomende soorten. Bestrijding van het konijn kan het leefgebied van tapuit en draaihals aantasten, omdat met het verdwijnen van het konijn ook geschikt foerageergebied en nestbiotoop verdwijnt, zeker in terreinen die (in potentie) geschikt zijn voor deze soorten.

Bestrijding van konijn is in 2022-2023 niet toegestaan. Begrazing Op de Veluwe wordt begrazing op vele manieren toegepast, van ingerasterde seminatuurlijke kuddes van runderen en/of paarden tot gescheperde schaapskuddes. Bezien vanuit het gebruik in het verleden is begrazing een logische beheervorm, omdat het heidelandschap lang een begrazingslandschap is (geweest). Over het gebruik van de heide is veel geschreven. De vertaling van historisch gebruik naar een optimaler beheer is echter nog niet gemaakt, zie § 5.3.4. Begrazing Er bestaan veel vormen van begrazing. In dit herstelplan hanteren we de onderstaande termen en definities: Natuurlijke begrazing: de van nature in het gebied aanwezige soorten die niet (recent) zijn geïntroduceerd door de mens. Seminatuurlijke begrazing: grazers die (recent) geïntroduceerd zijn door de mens, maar die vrij mogen leven binnen het begrazingsgebied als ware het wilde dieren. Gestuurde begrazing: begrazing zoals schaapskuddes met herder of binnen een raster als drukbegrazing waar duidelijk gestuurd wordt waar in welke intensiteit gegraasd wordt. Het inzetten van begrazing kan positieve effecten hebben op de kwaliteit van de heide, zoals structuurverbetering, het voorkomen van bosopslag, behoud van microreliëf en verspreiding van zaden en dieren.

Bij dit laatste kan het echter ook gaan om soorten van voedselrijkere storingsmilieus (Bron: Wallis de Vries et al., 2018). Begrazing kan veelal in combinatie met andere maatregelen goed ingezet worden als herstelmaatregel of beheermaatregel. Werken met gradiënten in graasdruk levert in zijn algemeenheid de meeste variatie in vegetatiestructuur op, waarvan veel planten en dieren profiteren (Bron: Wallis de Vries et al., 2022).

49

Herstelprogramma Heiden en stuifzanden | Natura 2000 Veluwe | Mei 2023

Wanneer begrazing echter op de verkeerde manier wordt toegepast heeft het veelal het tegenovergestelde effect. Wanneer bijvoorbeeld schapen in het gebied blijven staan en niet in een aparte nachtkraal, worden weinig nutriënten afgevoerd. Maar met name overbegrazing vormt een risico (Bron: Termaat et al., 2022, Smits et al., 2014, Smits et al., 2020a). Tijdelijk kan overbegrazing wenselijk zijn, denk aan drukbegrazing op droge heide om dominantie van pijpenstrootje te doorbreken. Bij te langdurige drukbegrazing kunnen, ook afhankelijk van de oppervlakte van het terrein, er echter negatieve effecten optreden, zoals verlies aan structuur (Bron: Verbeek et al., 2006), het achteruitgaan of verdwijnen van soorten of aantasting van vegetatie (Bron: Wallis de Vries et al., 2013). Door begrazing kunnen soorten als levendbarende hagedis (Bron: Wallis de Vries et al., 2013), adder en gladde slang verdwijnen, maar (intensieve) begrazing kan juist gunstig uitpakken voor soortgroepen of specifieke soorten, zoals de veldkrekel of de diefmier (Bron: Lenders, 2015, Stijbosch, 2001). Bij vochtige heide is een te hoge graasdruk risicovol voor vegetaties die gevoelig zijn voor vertrapping zoals veenmosvegetaties (Bron: Smits et al., 2020a).

Wanneer drukbegrazing op bochtige smele of pijpenstrootje op droge heide te kort wordt toegepast bestaat de kans dat de dominantie niet wordt doorbroken en het beoogde effect niet gehaald wordt (Bron: Verbeek et al., 2006, Wallis de Vries et al., 2013). Het is dus van belang de kwetsbare plekken en de hotspots van (karakteristieke) soorten in beeld te hebben en dergelijke zaken goed vast te leggen in een begrazingsplan. Elk soort grazer (paard, schaap, rund, etc.) heeft ook zijn eigen voor- en nadelen. De wijze van grazen, het gewicht van de soort, voorkeuren in vegetatie, maar ook het aantal graasdagen, het aantal grazers en het voedselaanbod zijn allemaal bepalend voor de effecten van begrazing. Zo is op stuifzandheide met struikhei (H2310) de inzet van paarden en koeien niet altijd gunstig geweest omdat deze dieren de vegetatie vertrappen en nutriënten verspreiden in het gebied (Bron: Beije et al., 2014a). Om grotere plekken met kaal zand te behouden of te laten ontstaan zijn grotere grazers effectiever dan schapen (Bron: Wallis de Vries et al., 2022). Betreding door pony’s kan in vochtige heide de zode juist openbreken, wat de vestigingsmogelijkheden voor doelsoorten kan vergroten (Bron: Wallis de Vries, 2018). Gebruik van diergeneesmiddelen en het bijvoeren met voer dat pesticiden bevat, kan een knelpunt vormen, zie § 5.1.3.

Grazende schapen in heide Planken Wambuis (fotografie: Bas Klaver)

50

Herstelprogramma Heiden en stuifzanden | Natura 2000 Veluwe | Mei 2023

De beheerders op de Veluwe gaan verschillend met begrazing om en de kennis ten aanzien van de effecten van begrazing loopt uiteen. Er wordt niet in alle gevallen een begrazingsplan opgesteld of het heeft een monodisciplinaire invalshoek, bijvoorbeeld doordat het alleen vanuit het oogpunt van een ecoloog of herder is opgesteld. Wanneer in een begrazingsplan niet alle componenten zijn meegenomen bestaat er een risico op miscommunicatie en het niet halen van de beoogde doelen van de begrazing. Regelmatige communicatie tussen de verschillende partijen is daarnaast natuurlijk onmisbaar (Bron: Verbeek et al., 2006). Een praktisch knelpunt voor meer schapenbegrazing is de beschikbaarheid van voldoende kuddes en herders met voldoende kennis en ervaring. Ook looptijden van subsidies kunnen een knelpunt vormen voor de duurzame inzetbaarheid van kuddes. Daarnaast is een groot deel van de historische infrastructuur voor het hoeden van dieren verdwenen. Schaapskooien en nachtkralen zijn vaak niet meer als zodanig aanwezig. Het inzetten van diverse vormen van begrazing vraagt mogelijk om nieuwe realisatie of herstel van voorzieningen. Dit loopt echter vaak vast op wet- en regelgeving, zoals de Wet natuurbescherming als het gaat om stikstof en de afname van habitattype en leefgebied. Het instrumentarium om begrazing te stimuleren is op dit moment beperkt.

Hierbij spelen ook (nieuwe) risico’s bij het houden van vee in de natuur een rol, zoals de vestiging van de wolf of het overbrengen van veeziektes. Bij het goed kunnen inzetten van seminatuurlijke vormen van begrazing speelt onder andere de omvang en heterogeniteit van het begrazingsgebied een rol. Veel van de huidige begrazingsgebieden met seminatuurlijke kuddes op de Veluwe zijn betrekkelijk homogeen en liggen geheel op droge arme zandgronden. Om dit op te lossen moeten verbindingen gevonden worden naar rijkere en/of vochtigere terreindelen die vaak buiten het Natura 2000-gebied liggen en/of een andere gebruiksfunctie kennen; zoals landbouw waar een seminatuurlijke kudde in veel gevallen niet gewenst is. Daarnaast zijn er nog de nodige kennishiaten waarvan een aantal onder §5.3.4 worden opgesomd.

Kennis delen Een knelpunt dat tijdens de gebiedssessies door terreinbeheerders is aangedragen, is de ontwikkeling en het behoud van kennis voor een gedegen uitvoering van beheermaatregelen in de breedste zin. Dat kan kennis zijn die nodig is in de voorbereiding van beheer- en inrichtingsmaatregelen, zoals benodigde kennis voor onderzoeken. Te denken valt aan het herkennen van lastige soortgroepen, zoals de wilde bestuivers en kevers, (korst)mossen, autochtone bomen en struiken of kennis van de uitvoering van landschapsecologische systeemanalyses. Maar ook kennis op het gebied van beheermaatregelen, zowel oude (handmatig plaggen, branden, begrazing met kuddes) als nieuwe kennis (toepassing drones voor monitoring en de beste methoden voor het verwijderen van grijs kronkelsteeltje).

5.1.5

Klimaatverandering Klimaatverandering uit zich in Nederland onder andere in een gemiddeld warmer wordend klimaat en meer neerslag in de zomer (Bron: Holzhauer en Onnes, 2012, Wallis de Vries, 2016). De regio Vallei en Veluwe is de afgelopen eeuw fors opgewarmd: sinds 1901 is de gemiddelde jaartemperatuur toegenomen met 1,9˚C. Ook zien we een afname van de extreem koude dagen en een toename van de extreem warme dagen, zachtere winters met vaker westenwinden, meer en vaker hevige regen (Bron: Lettink & Jaarsma, 2021). De gevolgen hiervan voor ecosystemen zijn veelzijdig. In deze paragraaf worden de knelpunten beschreven die door klimaatverandering ontstaan.

51

Herstelprogramma Heiden en stuifzanden | Natura 2000 Veluwe | Mei 2023

Effecten op standplaatscondities De klimaatverandering en de effecten ervan, zoals verdroging, vernatting, verandering preferente windrichting, hebben effecten op de standplaatscondities (Bron: Vonk et al., 2010). Historische klimaatveranderingen hebben (grote) invloed gehad op (de vorming van) zandverstuivingen, in de vorm van regionale verdroging, verlaging van het grondwaterpeil en een reeks superstormen. In de huidige situatie kunnen zachtere winters met meer westenwinden en meer neerslag zorgen voor andere (minder gunstige) omstandigheden voor zandtransport (bijvoorbeeld in verhouding tot vroeger meer watertransport dan windtransport, andere windrichting en daaraan gekoppelde morfologie) in zandverstuivingen (nu zorgen vaak dominante zuidwestenwinden met een snelheid van meer dan 5 m/sec en een sterke noordoostenwind in droge omstandigheden voor zandtransport (Bron: Fanta en Siepel, 2010)). Ook kan decompositie toenemen, waardoor meer voedingsstoffen beschikbaar komen en de plantenproductie mogelijk toeneemt. Een hogere temperatuur leidt namelijk tot zowel een verhoogde productie van organische stof als verhoogde aerobe afbraak van organische stof (bij lage grondwaterstanden), waarbij nutriënten vrijkomen.

Droogte en hogere temperaturen leiden tot meer ammonificatie en nitrificatie, waardoor de ammonium- en nitraatconcentraties in de bodem toenemen (Bron: Ursum et al., 2021). Droogte leidt ook tot het in grote hoeveelheden vrijkomen van de geaccumuleerde stikstof uit het humusprofiel (Bron: Bijlsma et al., 2020b). Een temperatuurstijging zorgt mogelijk ook voor een verhoogde beschikbaarheid van fosfaat en uiteindelijk tot een verhoogde fosfaatuitspoeling. Dit kan leiden tot verdere vergrassing in heidesystemen en mogelijk ook een verdere verslechtering van de plantkwaliteit. Door een groter vochttekort door toenemende verdamping in het groeiseizoen treedt er waarschijnlijk meer droogtestress op in zomers. Niet alleen een toenemend vochttekort zorgt voor verandering, ook een grotere variatie in vochtcondities. In perioden van grote droogte neemt de productie en dominantie van grassen af, hebben bepaalde kruiden meer kans, zal er meer open zand en dus minder verdamping optreden. In nattere perioden kunnen grassen dan weer meer domineren.

Effecten op soorten: fysiologie, fenologie en genetica Door de klimaatveranderingen neemt de groei toe, vooral van soorten met een hoge groeicapaciteit. Daardoor veranderen de concurrentieverhoudingen tussen soorten en dus ook de gemeenschappen (Bron: Vonk et al., 2010). Door veranderingen in de temperatuur verschuiven fenologische processen in de jaarcyclus van plantensoorten, zoals het groeiseizoen, bloei en vruchtzetting. Vaak vervroegen deze. Dat kan leiden tot veranderingen in de interacties tussen soorten, waardoor ecosystemen structureel anders kunnen gaan functioneren (Bron: Vonk et al., 2010). Het lijkt een contradictie, maar door klimaatopwarming in combinatie met de verhoogde stikstofdepositie worden veel plekken met een warm microklimaat kouder en vochtiger. Dit komt doordat deze combinatie leidt tot een vroegere groei van planten, waardoor de bodem in het voorjaar minder snel kan opwarmen omdat de vegetatie sneller sluit. Hierdoor zijn er minder plekken die snel opwarmen (kale bodem of plekken met vooral afgestorven bladeren) beschikbaar voor soorten die in het voorjaar warmte nodig hebben (Bron: Wallis de Vries, 2016). Hierdoor kan er een asynchronisatie ontstaan tussen bijvoorbeeld het uitkomen van de eieren van vlinders en het voldoende beschikbaar zijn van de waardplant voor de rups.

Dit probleem doet zich onder andere mogelijk voor bij de bosparelmoervlinder (Bron: De Jong, 2021). Ook andere insecten en reptielen ondervinden effecten door het afkoelende microklimaat.

52

Herstelprogramma Heiden en stuifzanden | Natura 2000 Veluwe | Mei 2023

Voor de zandhagedis geldt dat bij een toenemende vergrassing de verschillen in microklimaat minder groot worden en de hagedis zijn temperatuur niet goed meer kan reguleren (Bron: Hofstra, 2010). Het warmer worden van ons klimaat en de toename van neerslag in de zomer zorgen ervoor dat soorten onder andere hun levensloop gaan aanpassen. Een snellere lichaamsgroei, een vroeger begin van de voortplanting, meer broedsels per jaar kan leiden tot een sterk versnelde levenscyclus, maar ook tot een afname van de overleving van volwassenen. Hierdoor ontstaan mogelijke risico’s voor de instandhouding van duurzame populaties. Dit is onder andere aangetoond bij de levendbarende hagedis (Bron: Bestion et al., 2015).

Levendbarende hagedis (fotografie: Jelmer Reyntjes)

Geografische verspreiding en aantalsfluctuaties Door het warmer worden van het klimaat schuiven warmteminnende, zuidelijke soorten steeds noordelijker op en veel koudeminnende soorten met een meer noordelijke verspreiding sterven uit of trekken zich terug richting het noorden (Bron: Herk et al., 2002, Van der Staaij et al., 2008). Er zijn veel meer soorten die het niet of onvoldoende redden om met de temperatuurverschuiving mee te bewegen dan soorten die het wel redden. Voor de meeste soorten geldt dat er onvoldoende aaneengesloten leefgebied aanwezig is om te kunnen migreren (Bron: Wallis de Vries 2016). Doordat niet alle soorten kunnen meebewegen zullen deze ook deels gaan verdwijnen. Daarentegen komen hier ook weer (vaak algemene, meer generieke) zuidelijke soorten voor in de plaats, mits de condities van de leefgebieden om andere redenen niet verslechteren. Weersextremen, zoals extreme droogte, hevige neerslag en hittegolven, leiden onder meer tot grotere schommelingen in populatiegrootte, waardoor vooral kleine populaties de kans lopen uit te sterven. Ook hebben weersextremen effect op de soortensamenstelling van de vegetaties (Bron: Vonk et al., 2010).

53

Herstelprogramma Heiden en stuifzanden | Natura 2000 Veluwe | Mei 2023

Droogte De droge jaren 2018, 2019 en 2020 hebben laten zien dat niet alleen de vochtige en natte gebieden maar ook de grondwateronafhankelijke vegetaties effecten van de droogte ondervinden (Bron: Jansen et al, 2020). In deze jaren zijn onder andere grote oppervlaktes droge heide doodgegaan (Bron: Terugblik op de droogte van 2019, 2019, Terugblik op de droogte van 2020, 2020), is de kleine heivlinder vrijwel uitgestorven en de kommavlinder gedecimeerd en zijn het heideblauwtje en het gentiaanblauwtje sterk achteruitgegaan en lokaal uitgestorven. Bij droogte hebben veel soorten het zwaar, en dat werkt ook door in de rest van de voedselketen (Bron: Scherber et al., 2013). Zo kunnen kikkers leefgebied verliezen of gaan eiklompen of larven verloren door droogte. Daarvan heeft mogelijk ook de wespendief last, omdat kikkers een aanvulling vormen op zijn dieet (Bron: Bijlsma, 1993, Sierdsema et al., 2008). Hoe de steeds vaker optredende droge perioden voor alle typerende en kenmerkende soorten van het vochtige heidelandschap doorwerken, al dan niet in combinatie met andere drukfactoren, is onbekend. Voor een aantal vlindersoorten van droge heide en stuifzand is droogte een groot risico. Dit geldt onder ander voor de aardbeivlinder, kommavlinder, bruine vuurvlinder, heideblauwtje en heivlinder (Bron: Wallis de Vries en Oteman, 2019).

Het is onduidelijk voor welke soorten weersextremen als droogte een probleem worden. Ook is onduidelijk wat we eraan kunnen doen. Het lijkt vooral kansrijk om gebieden te vergroten tot gradiëntrijke gebieden, waarin droge en natte gebieden zijn verbonden. Dit laatste lijkt van belang voor verschillende soorten van de heide en stuifzandgebieden. Wanneer er voldoende variatie is binnen de leefgebieden van soorten van natte en droge componenten en gradiënten en microreliëf kunnen ze ten tijde van droogte of grote hoeveelheden regen uitwijken. Doordat veel heide en stuifzandgebieden klein zijn, is deze variatie niet overal te vinden. Het verbinden of vergroten van terreinen kan een oplossing vormen. Het steenmeelonderzoek op de Hoge Veluwe geeft aanwijzingen dat het toedienen van steenmeel en kalium buntgras mogelijk resistenter maakt tegen droogte (Bron: Vogels et al., 2020). Door toenemende droogte neemt het risico op natuurbranden ook toe (Bron: Brouwer et al., 2017). Natuurbranden kunnen voor (kleine) geïsoleerd levende populaties van soorten funest zijn. Op de Veluwe komen enkele populaties van soorten voor die nergens anders in Nederland (meer) voorkomen, zoals de kleine wrattenbijter, kleine heivlinder en bosdoorntje. Natuurbranden en (gevolgen van) bluswerkzaamheden kunnen ernstige gevolgen hebben.

Ook voor andere populaties van soorten die ernstig worden bedreigd en waarbij het van belang is om de genetische variatie te behouden, kunnen natuurbranden grote gevolgen hebben voor de instandhouding van die populaties. Ook abiotisch kwetsbare plekken, zoals venige laagten, kunnen beschadigen bij bluswerkzaamheden. Op de Veluwe is hebben de veiligheidsregio’s en terreineigenaren een plan opgesteld voor compartimentering van de Veluwe. Mogelijk is een sub-compartimentering nabij kwetsbare locaties en populaties gewenst. Bij het realiseren van verbindingen worden brandgangen en heidecorridors bij voorkeur gecombineerd.

54

Herstelprogramma Heiden en stuifzanden | Natura 2000 Veluwe | Mei 2023

5.1.6

Verdroging Onder verdroging wordt verstaan de door menselijk handelen veroorzaakte structurele daling van het grondwaterpeil en de structurele vermindering van kwelhoeveelheden (Bron: Van den Eertwegh et al., 2021). De Veluwe is in het verleden veel natter geweest dan tegenwoordig. De verdroging is met name het gevolg van het veranderende landgebruik (van heide en stuifzanden naar bos en landbouwgronden); dit leidde tot grondbewerking, grondwateronttrekkingen en verstoring van de ondergrond door bebouwing (Bron: Witte et al., 2019). De oorspronkelijke vochtige en natte gebieden op de Veluwe werden in de meeste gevallen gevormd door lokale grondwatersystemen met een schijngrondwaterspiegel op een ijzeroerlaag of een verkitte B-horizont en kwelgebieden op de flanken. De exacte verbreiding van deze gebieden op de Veluwe is echter onbekend en ook in hoeverre deze nog kunnen herstellen of hersteld kunnen worden (Bron: Bijlsma et al., 2022m). Op de resterende vochtige delen op de Veluwe zijn nu, naast de vennen en veentjes en beken, de vochtige heiden (H4010A) en pioniervegetaties met snavelbies (H7150) te vinden. Voor een deel van deze gebieden kent het inzijggebied nu geheel of gedeeltelijk een ongunstig gebruik (landbouw of bos), waardoor de watertoevoer in bijvoorbeeld droge periodes ontoereikend is (of een mindere kwaliteit kent).

Niet voor alle vochtige en natte gebieden op de Veluwe is duidelijk hoe het watersysteem exact functioneert. Om deze gebieden te kunnen herstellen of versterken is inzicht in de werking noodzakelijk.

5.1.7

Verstoring Verstoringen vanwege geluid, licht, optisch en mechanisch kunnen een groot effect hebben op de beschermde natuurwaarden van de Veluwe. Veel van deze effecten kunnen worden gerelateerd aan recreatie of defensieactiviteiten. Voor verstoring als gevolg van recreatie wordt verwezen naar het Recreatiezoneringsplan voor de Veluwe. Nader onderzoek naar inzicht in de feitelijke impact van militair gebruik op de verstoringsgevoelige aangewezen delen van de Veluwe is wel voorzien (Recreatiezoneringsplan). Voor overige activiteiten die kunnen leiden tot extra verstoring wordt verwezen naar het vergunningenkader in het Natura 2000-beheerplan.

5.1.8

Exoten Plaatselijk kunnen (invasieve) exoten inheemse soorten verdringen, ook in de kwalificerende habitattypen. Bekende probleemsoorten zijn Amerikaanse vogelkers, grijs kronkelsteeltje, Japanse, Sachalinse en Afghaanse duizendknoop en watercrassula. Daarnaast kunnen soorten als groot nagelkruid, bonte gele dovenetel, klein springzaad, dwergmispel en Canadese en late guldenroede domineren en de inheemse soorten verdrukken. Exoten of buitenlandse variaties van inheemse plantensoorten die (met goede bedoelingen) ingezaaid worden voor wilde bijen en andere insecten, kunnen ook een negatieve invloed hebben op die insecten. Dat komt omdat ze vooral algemene generalisten bedienen en bevoordelen (Bron: Kleijn et al., 2017) of moeilijk bereikbare nectar hebben. Dit negatieve effect wordt sterker als groeiplaatsen met inheemse planten hiervoor zijn opgeruimd, waardoor de oorspronkelijke voedselplanten veelal verdwenen zijn (Bron: Van der Meer et al.., 2020).

55

Herstelprogramma Heiden en stuifzanden | Natura 2000 Veluwe | Mei 2023

Niet alleen planten, ook dieren kunnen inheemse soorten verdringen en effect hebben op het ecosysteem. Zo zijn door het Aziatisch lieveheersbeestje mogelijk minder bladluizen beschikbaar voor de mierenfauna.

5.1.9

Achteruitgang flora en fauna De voorgaande knelpunten, dus alle drukfactoren samen, leiden tot de achteruitgang van de karakteristieke soorten (flora en fauna) van het heidelandschap. De opeenstapeling van drukfactoren zorgt ervoor dat soorten hun levenscyclus niet meer kunnen voltooien en vervolgens afnemen en verdwijnen. Vaak zijn de meest rijke terreindelen van het heidelandschap ontgonnen, bebost, bebouwd en omgevormd naar intensieve teelten en in het resterende, vaak armste deel van het heidelandschap zijn er steeds minder kruiden, (korst)mossen (Bron: Bouwman & Horsthuis, 2011) en dieren, onder meer door de gevolgen van zwavel- en stikstofdepositie (Bron: Kleijn et al., 2018, Van Swaay en Poot, 2021) in combinatie met de gevolgen van klimaatverandering en het mitigeren van de effecten daarvan door intensief beheer (Bron: Vogels et al., 2021). Door verdere versnippering van leefgebieden kan het moeilijk of onmogelijk zijn voor soorten om gebieden te herkoloniseren. Het gebruik van pesticiden en biociden, de uitspoeling van mineralen, minder kruiden en de verminderde plantkwaliteit, maar ook effecten van klimaatverandering leiden meestal tot minder ongewervelden, minder prooidieren en minder (secundaire) kalkbronnen. Daar heeft de hele voedselketen last van (Bron: Kurze et al., 2018, Nijssen et al., 2019, Van Diggelen et al., 2019, Van Oosten, 2021).

Het aantal insecten op de Veluwe is afgenomen (Bron: Van Strien et al., 2019, Hallman et al., 2018, Provincie Gelderland, 2021a), evenals het aantal insecteneters, waarbij wel opgemerkt moet worden dat het aanbod van insecten sterk varieert tussen jaren en tussen terreinen. In vergelijking met de duinen voert een soort als de roodborsttapuit op de Veluwe zelfs kleine en onprofijtelijke prooien aan de jongen, omdat er ook minder vlinders (incl. rupsen) en andere gevleugelde insecten op de Veluwe lijken te zijn (Bron: Van Strien et al., 2019, Van Oosten, 2021). Soorten kunnen bij voedselgebrek wegtrekken uit het voortplantingshabitat, waardoor er geen succesvolle voortplanting meer kan plaatsvinden, zoals bij de kleine heivlinder is gebleken (Bron: Veling, 2018). Ook de afname van het konijn als sleutelsoort (Bron: Dekker en Norren, 2021) kan invloed hebben op het voorkomen van lage, schrale meer gebufferde vegetaties met schuilmogelijkheden, die weer leefgebied vormen voor bijvoorbeeld mieren. Het kan ook leiden tot verschuivingen in prooikeuze van roofdieren. Konijnenziektes hebben geleid tot een sterke afname op de zandgronden van de Veluwe (Bron: Drees & Van Manen, 2004). Het konijn wordt plaatselijk nog bestreden, bijvoorbeeld om archeologische monumenten te beschermen of bij munitieopslagplaatsen.

Mieren kunnen een belangrijke rol spelen in de diverse ecosystemen, waaronder heischrale graslanden. Begraasde heischrale graslanden hebben vaak veel mierennesten, die daar microgradiënten vormen. Veel plantensoorten van het heischrale grasland hebben mierenbroodjes aan de zaden ten behoeve van verspreiding. Mierennesten hebben een eigen klimaat, zijn luchtiger, hebben een goede vochthuishouding, en zijn iets beter gebufferd. Dit laatste is het gevolg van ophoping van organisch materiaal, het omhoogwerken van mogelijk minder uitgeloogd moedermateriaal en wellicht van mierenspeeksel en -uitwerpselen (Bron: Cammeraat & Risch, 2008, Farji-Brener & Werenkraut, 2017, King, 2020). De nesten vormen daarmee een goed kiembed voor plantensoorten, waaronder de noodzakelijke kruiden in het heidelandschap (Bron: Oostermeijer, 1989).

56

Herstelprogramma Heiden en stuifzanden | Natura 2000 Veluwe | Mei 2023

Door voortschrijdende vergrassing ontstaat een koeler en ruiger leefgebied. Wanneer mieren daardoor verdwijnen, kan dat dus ook effecten hebben op andere soorten. Welke bijdragen mieren (nesten en activiteiten) leveren aan de habitats van het heidelandschap, aan de instandhouding en mogelijke vergroting van de heterogeniteit is een kennisleemte, zie § 5.3. Het Natura 2000-beheerplan Veluwe geeft aan dat bescherming van mierenpopulaties bijzonder belangrijk is en dat het schaden van mierenpopulaties moet worden beschouwd als schade aan het leefgebied van de draaihals. Dit gaat gezien bovenstaande ook op voor heischrale graslanden. Nectar- en stuifmeel verzamelende dieren hebben last van een verminderde bloei van voedselplanten door weersextremen, vraat- en woeldruk en effecten van chemische middelen, zoals pesticiden. Deze combinatie van drukfactoren kan ook leiden tot verdergaande concurrentie tussen bijvoorbeeld de honingbij en andere insecten, zoals wilde bijen (Bron: Henry en Rodet, 2018, Wignall et al., 2020),. Zeker in droge perioden met weinig bloeiende planten kan dit een groot knelpunt vormen.

Er zijn voldoende onderzoeken die aanwijzen dat honingbijen negatieve effecten hebben op de wilde bijen en andere bestuivers in de vorm van voedselconcurrentie, effecten op vegetatie, ziekteverwekkers of reproductie (Bron: Henry en Rodet, 2018, Mallinger et al, 2017, Wignall et al., 2020, Smit et al, 2021). Er is weinig onderzoek gedaan naar de effecten op de vitaliteit, aantallen en diversiteit (Bron: Mallinger et al, 2017), zeker niet in Nederland, laat staan op de Veluwe. Het verbieden van het houden van honingbijen in gebieden leidt soms tot plaatsing van kasten net aan de grens van het gebied. Minder kruiden en minder bestuivers kan ook leiden tot verminderde bestuiving van plantensoorten (Bron: Brys & Jacquemyn, 2011). Zo leidt minder hommelbezoek bij kleine populaties van klokjesgentianen tot verminderde vorming van kiemkrachtige zaden (Bron: Oostermeijer et al., 1998). De achteruitgang van soorten kan ook worden veroorzaakt door directe menselijke verstoring. Je kunt dan denken aan verstoring door natuurfotografen, dit is onderdeel van het plan voor recreatiezonering. Ook komt het helaas nog steeds voor dat mensen planten meenemen. Dat kan voor zeer zeldzame soorten een groot effect hebben op de populatie. Ook het inbrengen van soorten, zoals exoten of inheemse soorten die op bepaalde plekken van de Veluwe niet thuishoren, kan nadelige gevolgen hebben.

Nieuwe soorten kunnen de eigen identiteit en het karakter van de Veluwe verstoren en mogelijk andere inheemse planten verdringen. Van deze inheemse planten zijn veelal wilde bestuivers weer afhankelijk.

57

Herstelprogramma Heiden en stuifzanden | Natura 2000 Veluwe | Mei 2023

Behoud en de versterking van al aanwezige lokale populaties van karakteristieke soorten heeft prioriteit, omdat er geen wezenlijk functioneel herstel van habitattypen kan optreden als karakteristieke soorten verdwijnen. Het is onvoldoende duidelijk voor welke karakteristieke soorten de Veluwe nu hoofdzakelijk een leefgebied vormt in Nederland, waarmee extra verantwoordelijkheid komt voor instandhouding en in hoeverre die soorten nog vitale populaties hebben, zie § 5.3.7.

Zadelsprinkhaan Veluwezoom (fotografie: Bas Klaver)

5.1.10

Beleidsmatige knelpunten Uitbreiding habitattypen op andere habitattypen Uitbreiding van sommige habitattypen kan ten koste gaan van andere habitattypen. Zo geldt voor het areaal Oude eikenbossen (H9190) een uitbreidingsdoelstelling. Om te komen tot uitbreiding van door eik gedomineerde bossen zullen deze lichtminnende soorten zich onder meer moeten ontwikkelen in het open landschap. Hier liggen nu echter veelal andere kwalificerende habitattypen zoals Droge heide (H4030). Zo lang de instandhoudingsdoelen op de Veluwe voor de verschillende habitattypen echter nog niet zijn gehaald mag het bestaande areaal in principe nergens afnemen, ook niet ten gunste van andere habitattypen. Locaties die in aanmerking komen voor uitbreiding dienen daarom zorgvuldig te worden beoordeeld en in voorkomend geval zullen gepaste maatregelen genomen moeten worden om geen effecten voor andere habitattypen te veroorzaken.

Monitoring Niet alle aspecten van het ecologische beoordelingskader worden momenteel gestandaardiseerd gemonitord, zoals het voorkomen van karakteristieke soorten. Voor de kwaliteitsbeoordeling van habitattypen en leefgebieden van soorten zal provincie Gelderland een eigen aanpak ontwikkelen, zie ook hoofdstuk 7. De monitoring vanuit SNL is onvoldoende om voor dit doel toe te passen.

58

Herstelprogramma Heiden en stuifzanden | Natura 2000 Veluwe | Mei 2023

5.2 Sleutelfactoren Sleutelfactoren zijn de factoren die we met inrichtings- en beheermaatregelen en beleid kunnen beïnvloeden. Het zijn de spreekwoordelijke knoppen waar we aan kunnen draaien om de knelpunten uit § 5.1 op te lossen.

5.2.1

Verminderen stikstofdepositie en gebiedsvreemde stoffen Om verdere verslechtering van de natuurkwaliteit te stoppen is het essentieel de atmosferische depositie te verlagen tot beneden kritische depositiewaarden van habitattypen en VHR-soorten. Dit is uitgewerkt in de stikstofaanpak van rijk en provincies (zie ook § 2.2.5) en maakt geen onderdeel uit van dit herstelprogramma. Daarnaast is van groot belang dat invloed van gebiedsvreemde stoffen op habitattypen en VHR-soorten, zoals de inspoeling van meststoffen, het inwaaien of aanvoeren van pesticiden en biociden, microplastics en andere vervuilingen, sterk wordt verminderd, of beter nog, wordt gestopt. Hier kan duurzaam landgebruik, waaronder agro-ecologische (natuurinclusieve) landbouw en transport, een grote rol spelen.

5.2.2

Versterken van refugia en hotspots Behoud van lokale populaties van karakteristieke soorten is van groot belang, zeker van karakteristieke soorten die onder druk staan en soorten waarvoor de Veluwe in belangrijke mate bijdraagt aan landelijke instandhoudingsdoelen. Ook versterking van die populaties is van groot belang, omdat functioneel herstel van het habitattype onmogelijk is als karakteristieke soorten zijn verdwenen (Bron: Bijlsma et al., 2022m). Daarom wordt uitbreiding van habitattypen veel nabij bestaande leefgebieden van de betreffende karakteristieke soorten gepland. Er zijn grote vitale populaties nodig voor herkolonisatie van hersteld leefgebied en voor de instandhouding van metapopulaties. Maar ook maatregelen als het verbeteren van de bodemchemie zijn gekoppeld aan het versterken van refugia en plekken met een hoge biodiversiteit.

5.2.3

Kwaliteitsverbetering door oppervlaktevergroting en extensivering Het vergroten (of extensiever gebruiken) van de oppervlakte van habitattypen en habitatclusters verbetert de kwaliteit (Bron: Bijlsma et al., 2022m). • Uitbreiden/extensiveren zorgt voor grotere en meer verbonden leefgebieden van karakteristieke soorten die nu te klein zijn voor de instandhouding van vitale, duurzame populaties. • Door uitbreiden/extensiveren kan de abiotische variatie in gradiënten herstellen. Daardoor ontstaan er meer uitwijkmogelijkheden en meer leefgebied voor soorten, mochten omstandigheden tijdelijk of structureel verslechteren, zoals in het geval van extreme droogte, neerslag of bodemverzuring. Hierdoor ontstaat een meer ecologisch veerkrachtig landschap. • Uitbreiden/extensiveren kan ervoor zorgen dat de invloed van essentiële (landschapsecologische) processen wordt vergroot of dat die processen kwalitatief worden verbeterd. Het gaat dan om processen zoals de inzijging van neerslag en de uittreding van lokaal, schoon grondwater of het invangen van stuifzand.

• Uitbreiden/extensiveren kan meer ruimte bieden aan geleidelijke, meer natuurlijke overgangen tussen begroeiingstypen, zoals geleidelijke overgangen naar bossen via bos-, mantel- en zoomvegetaties, geleidelijke overgangen van extensieve akkers naar heischrale grazige terreindelen en heiden, overgangen van heiden naar verspreide berken en berkengroepen (broedbiotoop van de draaihals) of verjonging van eikenstruweel in de heide.

59

Herstelprogramma Heiden en stuifzanden | Natura 2000 Veluwe | Mei 2023

5.2.4

Optimalisatie beheer Optimalisatie van beheer kan in belangrijke mate bijdragen aan behoud van karakteristieke soorten van het heidelandschap. Hiervoor is gedegen vooronderzoek nodig naar aanwezigheid van karakteristieke soorten, hotspots en te behouden populaties. Het vraagt ook vooronderzoek naar de bodemchemie, naar de verspreiding en bescherming van oude heide met dikke humusprofielen, het gericht laten opgroeien van opslag, en naar verspreiding van soorten en mest via begrazing.

5.2.5

Verbeteren bodemchemie Het verbeteren of herstellen van de bodemchemie kan in belangrijke mate helpen bij het behouden van karakteristieke soorten van het heidelandschap. Het is bovendien nodig voor het vitaal houden van het gehele systeem. Het gaat in dit geval met name om het aanvullen van mineralen die door verzuring verweerd en uitgespoeld zijn. Hierbij moet aandacht zijn voor verschuivingen en mogelijke verdringing van sporenelementen en de effecten ervan op de fauna. Het verbeteren van de bodemchemie kan gericht toegepast worden nabij refugia en hotspots, om ze te behouden en in de nabijheid uit breiden. Dit vraagt bodemchemisch onderzoek, maatwerkbeheer en kleinschalige toepassing en goede monitoring.

5.2.6

(Lokaal) verlagen van graas- en wroetdruk Een tijdelijke en/of lokaal hoge graas- en wroetdruk is geen probleem voor Natura 2000-doelbereik omdat deze juist bijdraagt aan de ecologische variatie binnen de Veluwe. De Veluwe is door de aanwezigheid van soorten als edelhert en wilde zwijnen uniek binnen Nederland en draagt daarmee ook bij aan de landelijke ecologische variatie (Bron: Bijlsma et al. 2022m). Een generieke, landschapsbrede verlaging van de graas- en wroetdruk is daarom niet noodzakelijk voor het halen van de Natura 2000-doelen. Het verlagen van de graas- en wroetdruk op lokale schaal is echter wel noodzakelijk voor behoud van kwaliteit van de habitattypen en instandhouding van populaties van soorten kwetsbaar voor structurele bodemwoeling.

5.2.7

Gerichte voorlichting Gerichte voorlichting over de ontstaansgeschiedenis van een gebied, de erin voorkomende soorten en habitattypen en de kwetsbaarheid ervan, gekoppeld aan gedrag, kan de ongewenste effecten van gedrag op voorkomende soorten en habitattypen helpen verminderen. Vooral in gebieden waar veel effect is van bijvoorbeeld het storten van tuinafval op of nabij habitattypen, van zwerfafval, loslopende honden, struinen in kwetsbare terreinen door bijvoorbeeld natuurfotografen of mountainbikers kan gerichte voorlichting helpen. De voorlichting kan gericht zijn op lokale drukfactoren op soorten en habitats en gericht op lokale bewoners en gebruikers, op meer inzicht in de effecten van handelingen, trots op de lokale omgeving, meer sociale controle en daarmee meer verbinding te laten krijgen met de natuur. Genoemde knelpunten kunnen in vrijwel ieder gebied in Nederland voorkomen en daarom is landelijk beleid passender. Gerichte voorlichting in gebieden met habitattypen en soorten die onder druk staan van genoemde problemen kan echter wel helpen de druk te verminderen.

60

Herstelprogramma Heiden en stuifzanden | Natura 2000 Veluwe | Mei 2023

5.2.8

Aanpak verdrogingsproblematiek Het bestrijden van verdroging met een meer lokale of regionale oorzaak draagt bij aan het herstellen van de abiotische variatie in gradiënten en het herstellen van de vochtige en natte natuurtypen van het heidelandschap. Te denken valt aan het omvormen van naaldbossen, het verwijderen van rabatten en ontwaterings­ greppels, het dempen van doorsnijdingen van het reliëf en het herstellen van ontgonnen aangrenzende natte terreinen. Hierdoor ontstaat een meer ecologisch veerkrachtig landschap. Verdroging die veroorzaakt wordt door klimaat­ verandering (langere seizoenen, meer verdamping) reikt verder dan met dit herstelprogramma kan worden opgelost. Ten aanzien van verdroging veroorzaakt door grondwaterwinning en -onttrekkingen wordt verwezen naar het proces dat beschreven is in § 2.2.4 Watercondities.

5.3

Kennisleemten Deze paragraaf behandelt de kennisleemten die invulling vragen om de instandhoudingsdoelen te kunnen halen. Uiteraard is de indeling arbitrair: zo zijn herstelmaatregelen gericht op het herstel van de bodemchemie, via plantkwaliteit en de herbivore fauna, verbonden aan de hele voedselketen. Deze kennisleemten kunnen zodoende uiteraard ook anders ingedeeld worden. De indeling is als volgt: • vermesting, verzuring, uitloging, bodemchemie, bodemkenmerken en verandering plantkwaliteit; • verlies aan ruimtelijke samenhang en versnippering; • vervuiling met gebiedsvreemde stoffen; • beheer; • klimaatverandering, verdroging en droogte; • exoten; • achteruitgang karakteristieke soorten; • monitoring. Sommige onderzoeken naar kennisleemtes worden al uitgevoerd door de provincie of door het Kennisnetwerk Ontwikkeling en Beheer Natuurkwaliteit (OBN). Deze kennisleemten zijn opgenomen in dit programma zodat de betreffende kennisleemten geadresseerd zijn. Alle kennisleemtes die door de provincie worden opgepakt hebben ook een maatregelnummer gekregen deze staan in de onderstaande tabel en bij de kennisleemten in de hiernavolgende paragrafen. Kennisleemten die al door het OBN worden opgepakt hebben geen nummer gekregen. Maatregelcode

MHS140, MHS,142, MHS143, MHS144, MHS145, MHS146, MHS147, MHS148, MHS149, MHS150, MHS151, MHS152, MHS153, MHS154, MHS155, MHS156, MHS178, MHS179

5.3.1

Kennisleemten doorwerking stikstofdepositie

Heischraal grasland: veilige herstelmaatregelen en inzicht in huidige biogeochemie (MHS140) De kwaliteit van de droge schraalgraslanden op de Veluwe staan sterk onder druk door verzuring, vergrassing en de achteruitgang van kruiden, plantkwaliteit en fauna. Plaggen en bekalken hebben een positief effect gehad op het voorkomen van karakteristieke plantensoorten, maar bekalken leidt mogelijk ook tot een andere plantkwaliteit en er zijn meer elementen uitgeloogd dan calcium en magnesium. Om de kwaliteit van heischraal grasland in Gelderland te kunnen behouden is het nodig de restpopulaties van karakteristieke, zuurgevoelige heischrale soorten te behouden. Daarvoor zijn dringend maatregelen nodig met op korte termijn

61

Herstelprogramma Heiden en stuifzanden | Natura 2000 Veluwe | Mei 2023

een substantieel effect op de bodembuffering. Alleen steenmeel lijkt onvoldoende. De vraag is dus: wat is een optimale veilige herstelstrategie voor de karakteristieke flora en fauna om op zowel korte als lange termijn effect te sorteren? Daarnaast is haast geboden met het toepassen van bufferstoffen in bestaand droog heischraal grasland van matige kwaliteit (Bron: Van der Zee et al., 2017, Bobbink & Van der Zee, 2018): er is meer inzicht nodig in de huidige biogeochemie van de droge heischrale graslanden.

Referenties voor bodemchemie en plantkwaliteit (MHS179) Om de uitkomsten van bodemchemisch onderzoek te interpreteren worden vaak referenties gebruikt. Dit zijn normwaarden bepaald aan de hand van bodemmonsters uit referentievegetaties. Deze waarden zijn niet altijd geheel representatief: omdat de referentievegetaties ook onder invloed staan van veranderingen door bijvoorbeeld stikstofdepositie of omdat sommige soorten oud worden en een referentiepopulatie minder vitaal is. Het gebruik van deze waarden als streefwaarden kan dan ook tot verkeerde normstellingen leiden. Op basis van de referentiewaarden lijkt de buffering van de bodem bijvoorbeeld geen knelpunt te vormen, terwijl de bodem aanvankelijk (vóór de problemen met stikstofdepositie) wellicht nog veel beter gebufferd was. Iets vergelijkbaars speelt voor metingen aan de plantkwaliteit, die (lokaal) veranderd kan zijn onder invloed van uitloging door verzuring. De plantkwaliteit wordt nu vaak tegen elkaar afgewogen, bijvoorbeeld het verschil in plantchemie tussen planten die bezet met eieren van een bepaalde dagvlinder versus planten zonder eiafzet. De plantkwaliteit zou nog beter geïnterpreteerd kunnen worden met gebruik van bijvoorbeeld herbariummateriaal, dat verzameld is voor de invloed van de stikstofdepositie.

Het is daarom wenselijk om de referentiewaarden aan te vullen op basis van aanvullend onderzoek aan gefossiliseerde bodems, zoals die onder en in grafheuvels en wallen in het landschap, herbariummateriaal en andere technieken.

Vergrassing van droge heiden: kantelpunten in bodem- en humuskenmerken Onduidelijk is onder welke bodemkundige en biogeochemische omstandigheden dominante vergrassing met pijpenstrootje optreedt en onder welke omstandigheden het aandeel gewenste grazige heischrale soorten toeneemt in het droge heidelandschap. Ook is onduidelijk welke maatregelen gewenste ontwikkelingen kunnen stimuleren. OBN-onderzoek: OBN-2021-124-DZ. Herstel van droge heide in relatie tot kantelpunten in bodem- en humuskenmerken bij vergrassing, DT Droog Zandlandschap (2021).

Veranderingen in voedselkwaliteit door stikstof voor herbivore dieren Stikstof verandert de vegetatie. De mate waarin veranderingen mogelijk optreden wordt onder meer bepaald door verschillen in abiotische processen en biotische eigenschappen (vegetatiesamenstelling en biotische interacties). De invloed van de stikstofdepositie en maatregelen daartegen op de voedselkwaliteit voor herbivoren zal daarom niet in elk ecosysteem hetzelfde zijn. Er zijn grote onzekerheden waar, onder welke omstandigheden, in welke gevallen (plant-dierrelaties) en in welke mate problemen met voedselkwaliteit als gevolg van verhoogde stikstofdepositie zich voordoen. Dit onderzoek is in voorbereiding door OBN en wordt mogelijk opgestart in 2023.

62

Herstelmaatregelen na verwijderen bosstrooisel (MHS142) Bij het omvormen van houtige vegetaties naar lagere vegetaties, bijvoorbeeld om het inzijggebied van vennen te verbeteren of heidecorridors aan te leggen, wordt ook vaak het pakket bosstrooisel (de ectorganische humuslaag) verwijderd.

Herstelprogramma Heiden en stuifzanden | Natura 2000 Veluwe | Mei 2023

Daarmee wordt de organische stof afgevoerd en de daarin opgeslagen kationen en fosfor. Door recente inzichten over de negatieve effecten van het opbrengen van kalkstoffen, is het voor de beheerder niet duidelijk in welke situaties welke behandeling met bufferstoffen gewenst is. Het niet opbrengen van bufferstoffen na omvorming kan voor verdere verzuring en een grotere mineralendisbalans zorgen. Een richtlijn over welk onderzoek nodig is bij deze maatregel en welke vervolgmaatregel is wenselijk.

Herstelmaatregelen stuifzanden (MHS143) Met betrekking tot stuifzanden zijn er de volgende vragen: • Is het mogelijk om de vitaliteit en kwaliteit van de iets minder dynamische terreindelen van stuifzanden te verbeteren met steenmeel of andere stoffen? Wordt het systeem daarmee weerbaarder tegen droogte, de vorming van algenmatten of versneld dichtgroeien met grijs kronkelsteeltje? • Welk effect heeft het opbrengen van bufferstoffen en kalium op de vitaliteit en daarmee op het opvangen van gevolgen van weersextremen en op de verspreiding van korstmossen?

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13188905/1