CConstaterende datNunspeet
Koppel je AI →
Document · PDF

St. t.k.n. nr. 3. BijlageHerstelprogramma Heiden en stuifzanden GS mei 2023

Commissie Ruimte en Wonen 9 oktober 2023, gemeente NunspeetBij agendapunt: Zienswijze op ontwerp-Veluwse herstelprogramma's 'Bossen', 'Heiden en Stuifzanden' en 'Vennen en venen'39.132 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 5 van 5

Overig

Adder, levenbarende hagedis, beenbreek, klokjesgentiaan, veenbies, gentiaanblauwtje, heidevogels

Type maatregel

Onderzoek, beheer, inrichting en omvorming natuur, soortgerichte maatregelen.

Sleutelfactoren

Versterken van refugia en hotspots van karakteristieke soorten; optimalisatie beheer, verbeteren bodemchemie, (lokaal) verlagen van graas- en wroetdruk.

Gebieden

Renderklippen, Hoge heide, De Dellen, Elspeetse Heide, Noorderheide, Mosterdveen-Waskolk, Stakenbergse Heide, Schotkamp, Leuvenhof, Veld van Sandberg, Tongerense Heide-Smitsveen, Leemputten van Staverden, Verbrande Bos, Speulderveld, Leuvenumse veld, Caitwickerzand, Kootwijker Bovenbos, Heitje Koelberg

Herstelprogramma Heiden en stuifzanden | Natura 2000 Veluwe | Mei 2023

Om heideterreinen te versterken en te verbinden wordt op diverse locaties voorgesteld om het heidelandschap te vergroten en door gradiëntrijke terreinen of terreinen met aanvullende gradiënten aan te koppelen. In de meeste gevallen moet een plan van aanpak worden geschreven of een ontwerp worden gemaakt. Hiervoor moet in ieder geval de onderzoeken worden uitgevoerd zoals beschreven in § 6.1. Daarnaast moeten voor enkele maatregelen specifieke onderzoeken plaatsvinden zoals ecohydrologisch onderzoek.

6.4.11

86

Onderzoeken uit synthesedocumenten Maatregelcode

MHS7, MHS8, MHS29, MHS30, MHS31, MHS33, MHS43, MHS51, MHS52, MHS54, MHS75, MHS80, MHS98, MHS110, MHS118

Maatregelcode synthese– document

DG01HH4, DG01HH5, DG03HH4, DG03HH5BH6, DG03HH6, DG04HH1, DG05HH1, DG06HH2, DG06HH5, DG06HH7BH4, DG08HH1, DG09HH1, DG10HH9, DG11HH7, DG12HH7

Habitattypen

Binnenlandse kraaiheibegroeiingen (H2320), Zwakgebufferde vennen (H3130), Zure vennen (H3160), Beken en rivieren met waterplanten (H3260A), Vochtige heiden (H4010A), Droge heiden (H4030), Heischrale graslanden (H6230), Blauwgraslanden (6410), Heideveentjes (H7110B), Pioniervegetaties met snavelbiezen (H7150)

VHR-soorten

Draaihals, grauwe klauwier

Overig

Adder, zandhagedis, levendbarende hagedis, klokjesgentiaan, veenbies, gentiaanblauwtje, geelgors, blauwe kiekendief, heidevogels, kleine fauna

Type maatregel

Onderzoek, inrichting en omvorming natuur, beheer, extensivering landbouw, soortgerichte maatregelen.

Sleutelfactoren

Kwaliteitsverbetering door oppervlaktevergroting en extensivering, versterken van refugia en hotspots van karakteristieke soorten, optimalisatie beheer, verbeteren bodemchemie.

Gebieden

Renderklippen, De Hoge Heide, Mosterveen, Tongerense Heide-Smitsveen, intrekgebied Staverdense Beek, Speulderveld, Agrarische enclave ten oosten van Leuvenum, Kootwijker Bovenbos, Koelberg, Reeënberg, Hoge Veluwe, Landbouwenclave Ginkel, Heelsumse Beek, Renkumse beekdal, Elspeetse Heide, Noorderheide, Stakenbergse Heide, Schotkamp, Leuvenhof, Landgoed Warnsborn, Ermelose Heide

Herstelprogramma Heiden en stuifzanden | Natura 2000 Veluwe | Mei 2023

Voor veel maatregelen is vooronderzoek nodig en ook beschreven in de synthesedocumenten die zijn opgesteld door het consortium. Deze worden niet bedoeld in deze sub-paragraaf. Het gaat hierbij om onderzoeken zoals landschapsecologische systeemanalyses (lesa’s), onderzoek naar de rol van voormalige zandpaden, naar reptielenpopulaties en dergelijke.

6.4.12

Overkoepelend begrazingsplan (MHS158) Begrazing vormt een van de belangrijkste gebruiks- of beheervormen van het heidelandschap. Tijdens het opstellen van het herstelprogramma zijn kansen gesignaleerd, zoals het makkelijker uitwisselen van grazers tussen beheerders, maar ook nog knelpunten, zoals het ontbreken van voorzieningen als nachtkralen of stallen of in geval van seminatuurlijke begrazing bijvoorbeeld meer aaneengesloten en afwisselende gebieden. Daarom wil de provincie een overkoepelend begrazingsplan laten opstellen samen met de beheerders, met daarin: • de wensen, kansen en knelpunten; • mogelijke oplossingsrichtingen; • verbeterpunten voor beleid en subsidies. Daarnaast wil de provincie een kennisoverzicht over natuurlijke- en seminatuurlijke begrazing specifiek voor de Veluwse situatie. Deze kennis moet vergaard worden door middel van een literatuurstudie en het bij elkaar brengen van een multidisciplinaire groep van beheerders en onderzoekers (ervaringsdeskundigen). Op basis van de literatuurstudie en consultering van de ervaringsdeskundigen willen we de exacte kennislacunes vaststellen en bepalen welke strategie gevolgd kan/ moet worden om invulling te geven aan de lacunes. Een overzicht van mogelijke kennisleemten staat in §5.3.4.

6.4.13

Ontwikkeling tijdelijke heideakkers (MHS159) De ontwikkeling van tijdelijk heideakkers is, samen met de realisatie van permanente akkers (zie § 6.4.4), een nadere uitwerking van de maatregel M12, ‘Aanleg van schrale heideakkertjes’ uit het beheerplan. De maatregel M12 heeft tot doel om binnen de grote heidecomplexen rijkere plekken te realiseren onder andere als foerageerplek voor insecten en vogels, zie ook § 5.1.2. Voor de ontwikkeling van tijdelijke akkers zal in samenspraak met de beheerders gezocht worden naar geschikte locaties. Daarbij worden de volgende uitgangspunten gehanteerd: • Bij voorkeur worden tijdelijke akkers op historische akkerlocaties gerealiseerd. Op basis van ecologische noodzaak kunnen, met een goede onderbouwing, ook op andere locaties tijdelijke akkers gerealiseerd worden. Denk hierbij bijvoorbeeld aan rijkere plekken in de heide (zoals voormalige en actuele nachtkralen) of volledig door pijpenstrootje gedomineerde locaties. • Het is niet de bedoeling dat er diepe grondbewerking toegepast gaat worden, de bodems dienen slechts ondiep bewerkt te worden door ondiep te ploegen of te frezen en eggen (niet dieper dan 17 cm). Alleen met een goede onderbouwing in het plan van aanpak kan hiervan afgeweken worden.

• Uitgesloten zijn echter locaties met: − kwalificerend habitat, tenzij de akkerfase van belang is voor het duurzaam behoud hiervan; − hotspots van karakteristieke soorten; − locaties met een hoge recreatiedruk, zonering A en B van de recreatiezonering.

87

Herstelprogramma Heiden en stuifzanden | Natura 2000 Veluwe | Mei 2023

Voor de realisatie van tijdelijke akkers is een plan van aanpak gewenst. Dit beschrijft onder meer: • de locatie waar tijdelijk geakkerd zal worden; • de benodigde vooronderzoeken (bodemchemisch, voorkomende soorten); • het te realiseren doel; • de gewassen en kruiden die ingezaaid worden, voor zowel de akkerperiode als mogelijk het inbrengen van soorten voor de fase erna; • de te gebruiken meststoffen, bufferstoffen en organische stof; • de 0-meting en effectbepaling door monitoring, het beheer en mogelijke aanpassing daarvan tijdens de uitvoering.

6.4.14

Maatregelen fietspaden (MHS160) In het beheerplan voor de Veluwe is de maatregel M10 ‘Passeerbaar maken verharde wegen en fietspaden (onderzoek en uitvoering)’ opgenomen. Zoals beschreven in § 5.1.2 van dit herstelprogramma hebben fietspaden niet altijd een positief effect op de aanwezige natuurwaarden. Tijdens het opstellen van dit herstelprogramma is gebleken dat knelpunten ten aanzien van fietspaden vaak niet worden herkend en dat er te weinig gegevens verzameld zijn om uitspraken te kunnen doen over de gevolgen voor populaties van kleine fauna.

Wielrenner op de heide

Om vanuit de provincie een heldere visie te kunnen uitdragen zal gewerkt worden aan een eenduidige beleidslijn die moet doorwerken in al het beleid van de provincie dat betrekking heeft op de aanleg van fietspaden op de Veluwe. In deze beleidslijn zouden de volgende onderwerpen vanuit Natura 2000 aandacht moeten hebben: • de kaart met de (brede) hoofdroutes en secundaire fietspaden; • de locaties waar fietspaden een knelpunt vormen voor de instandhouding van duurzame populaties van karakteristieke soorten; • de mogelijkheid om bestaande betonpaden om te vormen naar andere, minder schadelijke verhardingen, zoals leemgrind en schelpen; • de uitwerking van de onderzoekverplichting ten aanzien van beschermde natuurwaarden.

88

Herstelprogramma Heiden en stuifzanden | Natura 2000 Veluwe | Mei 2023

6.4.15

Maatregelen voor leemkuilen (MHS161) De Veluwe kent veel droge en natte leemkuilen. In veel van deze leemkuilen groeien en leven veel karakteristieke (en bedreigde) soorten van het heischrale milieu en zoomplanten. Het beheer is vanwege de vele gradiënten vaak maatwerkbeheer en kostbaar. Dit past meestal niet in de bestaande beheervergoedingen (vaak is het onderdeel van het omliggende bos of heide). Onderzocht moet worden in hoeverre een leemkuilenproject invulling kan geven aan: • de inventarisatie van bestaande leemkuilen; • welke karakteristieke soorten voorkomen en de vitaliteit van populaties zeldzame soorten; • de bodemkundige gesteldheid van de leemkuilen en directe omgeving (dikte leemlaag, kan er nog leem gewonnen worden, de leemmorsplekken, etc.); • de biogeochemie; • het gewenste beheer i.r.t. monitoring en beheervergoeding (toekenning beheertype, zie ook § 6.4.16); • mogelijke herstelmaatregelen.

6.4.16

Lerend netwerk (MHS162) Samen met de beheerders wil de provincie onderzoeken voor welke onderwerpen er behoefte is om kennis en ervaringen met elkaar te delen en in welke vorm dit het beste kan. Daarbij is ook aandacht voor het oprichten van expertgroepen voor diverse onderwerpen, die beheerders kunnen ondersteunen bij het uitwerken van beheer- en inrichtingsmaatregelen, zoals tijdens de gebiedssessies ook door beheerders is aangegeven. Onderwerpen kunnen zijn het behouden van de mozaïeken van stuifzandvegetaties en korstmossen, het beheren van jeneverbesstruwelen, maatregelen voor de grauwe klauwier of hoe te branden of handmatig te plaggen.

6.4.17

Natuurbrandpreventie (MHS163) Het risico op natuurbranden wordt steeds groter. Voor de Veluwe is daarom een hoofdcompartimentering gemaakt, waarvoor op dit moment de benodigde inrichting- en beheermaatregelen worden uitgewerkt. Tegelijkertijd wordt onderzocht waar een sub-compartimentering nodig is, onder andere om de kwetsbare natuur (bijvoorbeeld kwetsbare populaties van zeldzame soorten of kwetsbare abiotische situaties, zoals venige laagten) te beschermen.

6.4.18

Draagvlak, waardering natuur en cultuurhistorie (MHS165) Om draagvlak te creëren voor de nodige overlevings- en herstelmaatregelen kan meer begrip en kennis over de natuur en de benodigde maatregelen helpen. Als maatregel wordt een verkenning voorgesteld voor het opzetten van een natuureducatie programma per marke. In 2 pilots, waar mogelijk met behulp van vrijwilligers en organisaties (KNNV, IVN, LBG, NMG, het buurschap Ede-Veldhuizen en de Geërfden van Velp) kunnen de volgende onderdelen worden uitgewerkt: • Kennisdocument opstellen over de marke met de volgende onderdelen: − Inventarisatie van de huidige natuurwaarden (gerelateerd aan karakteristieke soorten habitattypen, VHR-soorten en habitattypen) en mogelijk de voormalige natuurwaarden, de cultuurhistorische landschapselementen; − Verbanden leggen tussen de huidige natuurwaarden en het historisch gebruik;

89

Herstelprogramma Heiden en stuifzanden | Natura 2000 Veluwe | Mei 2023

− In beeld brengen van kwetsbaarheden en bedreigingen door huidig gebruik, zoals gebiedsvreemde stoffen, recreatiedruk, storten tuinafval etc; • Opstellen en uitvoeren van een communicatieplan op basis van een analyse; met welke inzet kan je de meeste winst halen, met als doel om de kennis over de lokale natuur te vergroten en draagvlak te creëren en negatieve effecten te verkleinen: TOV (Trots op de Veluwe); • Uitwerken effectmonitoring, bijvoorbeeld aantal overtredingen dan wel gedragsverandering.

6.4.19

Beelden delen grootschalige eenheid natuur (MHS166) De grootschalige eenheid natuur is formeel een oude beleidsterm, maar wordt nog steeds gebruikt om onder andere het gebied van Vereniging Natuurmonumenten aan te duiden dat in het Natuurbeheerplan staat aangeduid als Grootschalige, dynamische natuur van het zand- en kalklandschap (N01.04). Het betreft hier een groot deel van Nationaal park de Veluwezoom en het Deelerwoud. In het Natura 2000-beheerplan Veluwe uit 2018 staat een groter gebied aangegeven. In dit gebied is op dit moment nog geen sprake van een grootschalige eenheid, maar worden hiertoe wel kansen gezien. Om een gezamenlijk beeld te krijgen over grootschalige eenheden natuur (GEN) op de Veluwe en tot een eensgezinde beheervisie te komen, is het van belang dat beheerder en provincie beelden hierover gaan delen.

Het gaat om het bespreken van vragen als: • Wat wordt verstaan onder GEN? • Welke maatregelen worden wel of niet uitgevoerd in GEN? • Horen herstelmaatregelen tegen bodemverzuring en versnelde uitspoeling wel of niet thuis in een GEN? • Passen hier wel of geen gerichte soortmaatregelen? • Hoe om te gaan met bijvoeren, likstenen en de regelgeving omtrent – gedomesticeerde – runderen en paarden, en het laten liggen van dode dieren? Dit met als doel om te komen tot inzichten voor eventuele uitbreiding van de oppervlakte N01.04, dan wel aanscherping van de doelformulering in het volgende Natura 2000-beheerplan voor de Veluwe.

6.4.20

Zoneringsplan honingbij (MHS178) Provincie Gelderland wil samen met betrokkenen (onder meer imkers, gebruikers van honingbijen, zoals bestuivingsdiensten, terreinbeheerders, EIS en gemeenten) een plan laten opstellen om te komen tot een verantwoorde zonering van honingbijkasten. In dit plan aandacht voor flexibele aantallen en omvang van de kasten (omvang volken), anticiperend op bijvoorbeeld verminderde bloei of juist extra bloei. Het doel is de negatieve effecten op de inheemse wilde bestuivers te voorkomen en tegelijkertijd de imkerij en oogst van de Veluwse heidehoning te behouden.

6.4.21

Duurzame beheervergoeding In sommige gevallen, met name het beheer door schaapskudden en het beheer van kleinschalige landschapselementen, zoals smalle heidecorridors en leemkuilen, volstaat de standaard beheervergoeding uit het Subsidiestelsel Natuur en Landschap (SNL) niet. Zo hebben beheerders aangegeven wel mee te willen werken aan de realisatie van corridors om heiden te verbinden, als er een duurzame beheervergoeding tegenover staat. Een eenmalige projectfinanciering voor aanleg is niet voldoende en ook niet bedoeld voor langjarig onderhoud.

90

Herstelprogramma Heiden en stuifzanden | Natura 2000 Veluwe | Mei 2023

Heidecorridors worden vaak voor kleine fauna zoals reptielen gerealiseerd. Begrazing kan dan haaks staan op doelrealisatie. Door de vele bosranden ontstaat er veel bosopslag. Dit vraagt dus intensief maatwerkbeheer. Ook leemkuilen, met veel overgangen, bijvoorbeeld van droog naar nat en hoogteverschillen, vaak rijk aan zeldzame planten en dieren, vragen vaak kleinschalig maatwerkbeheer. De beheervergoeding van dit element valt onder de vergoeding die betrekking heeft op de omgeving, meestal bos of heide. Begrazing, zeker met gescheperde kudden, vraagt vaak een langjarige inspanning. Dit staat haaks op de cyclus van beheervergoedingen van het SNL. Uitgewerkt moet worden hoe in enkele bijzondere gevallen een duurzame en realistische vergoeding kan worden verstrekt.

6.4.22

Project heischraal grasland (MHS140) Omdat heischraal grasland een prioritair habitattype is en deze graslanden erg onder druk staan, is provincie Gelderland gestart met onderzoeken naar de bodemchemie van bestaande droge heischrale graslanden, naar een herstelstrategie door middel van het toevoegen van bufferstoffen , naar de huidige en historische verspreiding van soorten van het heischrale milieu op de Veluwe en hun standplaats. Deze onderzoeken zijn ook genoemd in § 5.3 Uit de resultaten van deze onderzoeken zullen acties voortkomen, gericht op behoud van de droge heischrale graslanden, zoals het opbrengen van bufferstoffen. Daarna zal ook vervolgonderzoek naar uitbreidingslocaties worden opgestart, naar mogelijke inrichting van kweekveldjes en kweek in laboratoria ten behoeve van de vermenigvuldiging van heischrale soorten en naar de heischrale soorten op de flanken van de Veluwe, de overgangen naar beekdalen en rivieren, waaronder ook de vochtige heischrale graslanden.

6.4.23

Soortgerichte maatregelen (MSH122-131, MSH152, MHS153, MHS157, MHS170, MHS177) Voor enkele soorten die zijn opgenomen in de Actieve soortenbescherming Gelderland (zie § 2.2.11) zijn al maatregelen voorgesteld. Omdat het vaak maatregelen betreft in habitattypen, zijn deze waar al mogelijk opgenomen in het herstelprogramma. Het gaat om maatregelen voor soorten als de zadelsprinkhaan (MHS157), het gentiaanblauwtje (MHS177), de bosparelmoervlinder (MHS122-131), grote parelmoervlinder (MHS170) en de tapuit (MHS152). De maatregelen voor de kleine heivlinder zijn ingehaald door de decimering van de populatie door de droogte van afgelopen jaren en nu vooral ingezet op het laatste leefgebied van de soort. Om een goed beeld te krijgen voor welke karakteristieke en typische soorten de Veluwe een belangrijk leefgebied vormt zal een lijst worden opgesteld. Per soort wordt in beeld gebracht wat de trend is, welke mogelijke bedreigingen er zijn en of er aanvullende maatregelen noodzakelijk zijn (MHS153).

91

Herstelprogramma Heiden en stuifzanden | Natura 2000 Veluwe | Mei 2023

6.4.24

Veluwe helpen met schelpen (MHS174) De provincie is in 2021 samen met Sovon, Bosgroep Midden Nederland (Bron: Sierdsema et al, 2021) en diverse terreineigenaren een pilot gestart waarbij schelpen- en mineralenhopen langs paden zijn gelegd. Deze hopen zijn bedoeld voor vogels en heischrale plantensoorten van meer gebufferde omstandigheden. Op 27 januari 2022 bracht de Gelderse gedeputeerde Peter Drenth de eerste kalkhoop aan in het Luntersche Buurtbosch. Het is een noodmaatregel om vogels en plantensoorten van heischrale omstandigheden te helpen overleven. Monitoring moet uitwijzen of vogels gebruik maken van deze schelpenhopen en welk effect het schelpgruis heeft op de begroeiing langs paden. Bij een positief effect volgt mogelijk een vervolg.

92

Herstelprogramma Heiden en stuifzanden | Natura 2000 Veluwe | Mei 2023

7 Monitoring 7.1

Uitgangspunten voor monitoring vanuit het Natura 2000-beheerplan Veluwe De provincie is verantwoordelijk voor de evaluatie van het beheerplan. Monitoring is hierin een belangrijk instrument. Het doel van de monitoring is het verzamelen van gegevens die nodig zijn om het beheerplan aan het eind van de planperiode te kunnen evalueren. Aan de hand van deze gegevens moet bepaald kunnen worden of de instandhoudingsdoelstellingen uit het aanwijzingsbesluit zijn gerealiseerd (effectmonitoring) en wat de voortgang is van de in het beheerplan beschreven maatregelen (prestatiemonitoring). Ook moet er informatie worden geleverd aan de minister van LNV ten behoeve van de landelijke en gebiedsgerichte rapportages aan de Europese Commissie. Als blijkt dat ontwikkelingen onvoldoende of ongewenst verlopen, zal bij de herziening of actualisatie van het Natura 2000-beheerplan Veluwe worden bezien of beleid, maatregelen en beheer voortgezet of bijgestuurd moeten worden. De bedoeling van de maatregelen uit voorliggend herstelprogramma is een positief effect op de ontwikkeling van de doelen. Door middel van monitoring houdt de provincie de ontwikkeling in de gaten.

Ze onderscheidt hierbij de volgende door monitoring (en onderzoek) te beantwoorden vragen: 1 Hoe gaat het met de Vogel- en Habitatrichtlijndoelen (VHR) waarvoor de Veluwe is aangewezen? 2 Treedt het gewenste systeemherstel op? 3 Hoe gaat het met de voortgang van de uitvoering van de herstelprogramma’s? 4 Wat is het effect van de herstelmaatregelen?

7.2

VHR-doelen Doel van de monitoring: • rapportage aan Rijk, Provinciale Staten en Standaard Data Formulier; • evaluatie beheerplan, bijsturing. De opzet van de monitoring wordt in een monitoringsplan uitgewerkt. Hierbij sluiten we zo veel mogelijk aan bij lopende monitoring en monitoringsafspraken.

7.3

Habitattypen

Ligging en omvang Overeenkomstig landelijke afspraken stelt provincie Gelderland een habitattypenkaart op en actualiseert deze. Op basis hiervan wordt de ontwikkeling van de habitattypen in omvang en ligging vastgesteld. De uitgangssituatie is vastgelegd in een T-0-habitattypenkaart, de habitattypenkaart die de situatie weergeeft in het jaar van definitieve aanwijzing van het Natura 2000-gebied (2013). De habitattypenkaart wordt voor elk terrein eens in de twaalf jaar geactualiseerd op basis van een vegetatiekartering. In de tussenliggende periode worden evidente veranderingen op basis van bijvoorbeeld luchtfoto’s of gerichte veldbezoeken aangepast. De meest recente habitattypenkaart is niet opgenomen in het beheerplan, maar beschikbaar via de website van provincie Gelderland.

93

Herstelprogramma Heiden en stuifzanden | Natura 2000 Veluwe | Mei 2023

Basis voor de actualisatie van de habitattypenkaart vormen de vegetatiekarteringen die in het kader van de Subsidieregeling Natuur- en Landschapsbeheer worden uitgevoerd. Deze vegetatiekarteringen vallen veelal onder verantwoordelijkheid van de terreinbeheerder. Van belang hierbij is dat terreinbeheerder(s) en provincie planning en opzet van de vegetatiekartering afstemmen. Soms zijn ook aanvullende karteringen of aanvullende veldbezoeken nodig ten behoeve van de habitattypenkaart. De provincie is verantwoordelijk voor het overleg hierover met de terreinbeheerder(s). Kwaliteit Er is (nog) geen eenduidige landelijke methodiek beschikbaar voor de beoordeling van de kwaliteit(-ontwikkeling) van habitattypen. Voor de kwaliteitsbeoordeling zal provincie Gelderland een eigen aanpak ontwikkelen. Hierbij wordt, indien mogelijk, afgestemd op landelijke ontwikkelingen. Wageningen Environmental Research heeft voor de herstelprogramma’s ecologische beoordelingskaders voor alle habitattypen opgesteld (WENR, 2021). Voor de ontwikkeling van een systematiek om de kwaliteit van habitattypen en relevante drukfactoren te beoordelen en monitoren, zal de provincie aansluiten bij de criteria uit de beoordelingsformats.

Monitoring binnen de Grote Eenheid Natuur (GEN) De Grote Eenheden Natuur (GEN) is formeel een oude beleidsterm, maar wordt nog steeds gebruikt om onder andere het gebied van Vereniging Natuurmonumenten aan te duiden dat in het Natuurbeheerplan staat aangeduid als Grootschalige, dynamische natuur van het zand- en kalklandschap (N01.04). Het betreft hier een groot deel van Nationaal park de Veluwezoom en het Deelerwoud. In het Natura 2000-beheerplan Veluwe uit 2018 staat een groter gebied aangegeven. In dit gebied is op dit moment nog geen sprake van een grootschalige eenheid, maar worden hiertoe wel kansen gezien. Momenteel is onvoldoende in beeld hoe de ontwikkeling van de habitats en daaraan gebonden soorten zich ontwikkelingen binnen de GEN. Omdat binnen het gehele Natura 2000-gebied nog niet voldoende habitat is en de VHR-soorten nog niet boven de gestelde doelen zitten, zal dus ook binnen de GEN moeten worden gevolgd wat er met de verschillende habitattypen en soorten gebeurt. Waar echter bij een aangewezen habitattype de begrenzing vast ligt en de criteria voor instandhouding binnen die grenzen kunnen worden beoordeeld, ligt dat voor habitattypen binnen een GEN anders. Voor GEN zouden de criteria als geheel moeten gelden en niet voor het afzonderlijk daarbinnen begrensde habitat. De trend van de VHR-soorten wordt ook op de schaal van de GEN beoordeeld.

Voor de gehele GEN dient daarom structurele en systematische monitoring plaats te vinden van de habitats en de aan de habitattypen gelieerde soorten. Wanneer (1.) kenmerkende soorten van een bepaald habitattype verdwijnen en/of (2.) de oppervlakte bos dat als habitat gekwalificeerd kan worden, afneemt, dient te worden ingegrepen, bijvoorbeeld door een aanpassing van het beheer.

94

Herstelprogramma Heiden en stuifzanden | Natura 2000 Veluwe | Mei 2023

7.4 VHR-soorten

Aantal en verspreiding Elke soort waarvoor de Veluwe een instandhoudingsdoelstelling heeft, wordt gemonitord. Zo kan de provincie volgen hoe het binnen Natura 2000-gebied Veluwe met de betreffende soort gaat. Het landelijke Netwerk Ecologische Monitoring (NEM) vormt de basis voor deze monitoring. Voor enkele Vogelrichtlijnsoorten (wespendief, en in mindere mate ijsvogel en draaihals) en alle Habitatrichtlijnsoorten heeft de provincie aanvullende monitoringprojecten opgezet. De NEM-monitoring is met name gericht op inzicht in omvang en ontwikkeling (trend) van de populatie van de soorten. Voor de meeste soorten levert deze lopende monitoring ook al een goed beeld van de (ontwikkeling van de) verspreiding; waar nodig zal hieraan nog extra aandacht worden besteed bij de monitoringprojecten van de provincie.

Kwaliteit leefgebied Voor de beoordeling van de kwaliteit(-ontwikkeling) van leefgebieden van VHR-soorten is er, net als bij de habitattypen, (nog) geen eenduidige landelijke methodiek beschikbaar. Ook hier zal de provincie, zo mogelijk in afstemming met landelijke ontwikkelingen, een eigen aanpak uitwerken. Deze aanpak zal aansluiten op de beschikbare ecologische beoordelingskaders van WENR voor VHR-soorten.

7.5

Gewenst systeemherstel Om de vraag in hoeverre het gewenste systeemherstel optreedt te beantwoorden zal de provincie een monitorings- en beoordelingssystematiek ontwerpen. De eerdergenoemde WENR-beoordelingskaders geven hieraan richting. De ontwikkeling van karakteristieke soorten wordt beschouwd als een belangrijke indicator voor systeemherstel. Voor de ontwikkeling van de systematiek wordt in eerste instantie uitgegaan van monitoring en beoordeling op niveau van de deelgebieden. Per beoordelingsgebied zal onderscheiden worden wat de belangrijkste indicatoren voor systeemherstel zijn en hoe die gemonitord en beoordeeld worden.

7.6

Voortgang van de uitvoering van de herstelprogramma’s Doel van monitoring: • voortgangsrapportage aan Rijk en Provinciale Staten; • sturing herstelprogramma’s Veluwe; • vastleggen uitgevoerde maatregelen t.b.v. effectstudies. De provincie ontwerpt een maatregelenregistratie om vast te leggen welke maatregelen uit de herstelprogramma’s zijn uitgevoerd. De uitvoerders van de maatregelen zullen informatie over de voortgang moeten aanleveren. De provincie zal bij de opdrachtverlening of het contracteren van maatregelen hierover afspraken maken met de uitvoerende partijen.

95

Herstelprogramma Heiden en stuifzanden | Natura 2000 Veluwe | Mei 2023

7.7

Effect van de herstelmaatregelen Van bewezen en ‘frequent toegepaste’ herstelmaatregelen worden de effecten niet in beeld gebracht. Van niet eerder uitgevoerde of experimentele maatregelen worden de effecten wel onderzocht. Over deze maatregelen bestaan nog kennisvragen of onzekerheden over het effect, waardoor mogelijk bijsturing noodzakelijk is. De provincie vraagt initiatiefnemers van herstelmaatregelen aan te geven wanneer en waarom effectmonitoring gewenst is en hiervoor een voorstel op te nemen in het projectvoorstel. De initiatiefnemer draagt zorg voor deze monitoring en de bijbehorende rapportage.

7.8 Monitoringsstrategie Vanuit bovengenoemde vraagstellingen en informatiebehoefte werkt de provincie een monitoringsstrategie uit. Deze omvat een visie en aanpak voor de monitoring van de Veluwse Natura 2000-soorten en -habitats. Daarbij worden ook deelproducten uitgewerkt zoals monitoringsplannen, een planning en de organisatie. Tot slot wordt ook in beeld gebracht hoe de gegevensproductie en -verwerking vorm krijgen en hoe de beoordeling en rapportage worden uitgevoerd. De provincie ontwikkelt een (provinciebrede) systematiek om gegevens in te winnen bij initiatiefnemers. De provincie betrekt gebiedspartners bij het opstellen van de monitoringsplannen. Daarbij zoekt de provincie zoveel mogelijk aansluiting bij bestaande monitoringssystemen en verantwoordelijkheden van terreinbeheerders en de waterschappen. Ten aanzien van terreinbeheerders betekent dit dat zo veel mogelijk gebruik wordt gemaakt van de monitoring in het kader van de SNL. Het waterschap kan een leidende rol spelen bij de monitoring en beoordeling van beken. De provincie zal hierover afspraken maken met deze partijen. De provincie stelt één of meerdere monitoringsplannen op voor de beoordeling van het doelbereik van VHR-doelen en het systeemherstel. Hierin wordt uitgewerkt: meetvragen, indicatoren, meetnetten, meetwijzen, meetfrequentie en beoordelingssystematieken.

Het monitoringsplan en de systematiek daarin worden zo eenduidig uitvoerbaar, waardoor de uitkomsten van elk rapport (eens in de zes jaar voor de Europese Commissie) vergelijkbaar zijn.

96

Herstelprogramma Heiden en stuifzanden | Natura 2000 Veluwe | Mei 2023

8 Uitvoering herstelprogramma 8.1 Realisatie maatregelen herstelprogramma De herstelprogramma’s zijn onderdeel van het Natura 2000-beheerplan Veluwe. Ze beschrijven maatregelen die genomen moeten worden om de Natura 2000instandhoudingsdoelen te bereiken, zodat de natuur van de Veluwe weer gezond en veerkrachtig wordt. De maatregelen moeten worden uitgevoerd in de huidige beheerplanperiode (2018-2024) of de volgende beheerplanperioden (2024-2030 en 2030-2036).

8.2

Rollen en verantwoordelijkheden De instandhoudingsdoelen staan beschreven in het aanwijzingsbesluit van de minister van LNV, maar het natuurbeheer in het kader van Natura 2000 is een provinciale taak. Het initiatief voor het opstellen van de herstelprogramma’s ligt daarom bij provincie Gelderland, in goed overleg met de beheerders en eigenaren van de grond. De uitvoering van de maatregelen ligt vaak bij de grondeigenaar of een terreinbeherende organisatie. Soms is de provincie zelf opdrachtgever voor de uitvoering. Op basis van de maatregelen in het herstelprogramma kunnen de partners projectvoorstellen maken en subsidieaanvragen indienen. De provincie geeft vervolgens opdracht voor de uitvoering ervan. De verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de maatregelen uit het Natura 2000-beheerplan en de herstelprogramma’s ligt bij de daartoe bevoegde bestuursorganen. De verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de maatregelen kan ook bij een ander bestuursorgaan gelegd worden, zoals het dagelijks bestuur van een waterschap, indien dit heeft ingestemd met de maatregelen. Gedeputeerde Staten kunnen partners/eigenaren ook verplichten een herstelmaatregel te treffen of hiervoor een gedoogplicht opleggen. Dit is in de Wet natuurbescherming geregeld.

Primair staat de terreineigenaar aan de lat voor de uitvoering van de voorgenomen maatregelen zoals beschreven in het beheerplan of de herstelprogramma’s. De terreineigenaar maakt een keuze over de voorbereiding, organisatie en de wijze van uitvoering passend binnen de beschrijving van de voorgenomen maatregelen. Bij de meeste maatregelen kan dit in een plan van aanpak worden uitgewerkt. Soms zijn een gebiedsproces en een inrichtingsplan noodzakelijk. Bij deze uitwerking is ook participatie vanuit de omgeving aan de orde. Voor de uitvoering kunnen vergunningen of ontheffingen nodig zijn op grond van geldende wet- en regelgeving. Een vergunning of ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming is niet nodig: voor de uitvoering van maatregelen die nodig zijn voor het beheer van een Natura 2000-gebied geldt geen vergunningplicht (artikel 2.7 Wnb). Provincie Gelderland verleent ondersteuning door inbreng van kennis, het delen van informatie of door het ontwikkelen van een (gezamenlijke) communicatielijn.

97

Herstelprogramma Heiden en stuifzanden | Natura 2000 Veluwe | Mei 2023

8.3

Uitvoering We vragen de eigenaren van natuurterreinen en onze samenwerkingspartners, zoals terreinbeherende organisaties, waterschappen en gemeenten, de voorbereiding en uitvoering van de maatregelen zoals beschreven in het beheerplan of de herstelprogramma’s ter hand te nemen. Wanneer de uitvoering gebiedoverstijgend is, de grondeigenaar niet direct betrokken is bij het herstel in het natuurgebied of er een samenloop is van meerdere complexe belangen, zal de provincie doorgaans de regie nemen. Hierover worden vooraf met de terreineigenaren en samenwerkingspartners afspraken gemaakt. De terreineigenaar maakt een keuze over de voorbereiding, organisatie en de wijze van uitvoering passend binnen de beschrijving van de voorgenomen maatregelen. Bij de meeste maatregelen kan dit in een plan van aanpak worden uitgewerkt. Soms zijn een gebiedsproces en een inrichtingsplan noodzakelijk. Bij deze uitwerking is ook participatie met de omgeving aan de orde. Voor de uitvoering kunnen vergunningen of ontheffingen nodig zijn op grond van geldende wet- en regelgeving zoals bijvoorbeeld omgevingsvergunningen of peilbesluiten. Een vergunning of ontheffing op grond van de Wet natuur­bescherming is niet nodig: voor de uitvoering van maatregelen die nodig zijn voor het beheer van een Natura 2000-gebied geldt geen vergunningplicht (artikel 2.7 Wnb).

Verder moet vanzelfsprekend rekening gehouden worden met ter plaatse geldend beleid en regelgeving, bijvoorbeeld met betrekking tot de archeologie. Dit moet in het plan van aanpak voor de uitvoering worden meegenomen. Als de uitvoering van maatregelen nadelige effecten heeft, vergoeden wij dit volgens de regels die hiervoor gelden. Bij de start van uitvoering van het gebiedsproces zal samen met grondeigenaren en andere belanghebbenden worden gekeken naar de gevolgen van de maatregel, het perspectief van de bedrijfsvoering van belanghebbenden en de beste wijze van uitvoering. Hierbij kunnen we verschillende instrumenten inzetten. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan vergoeding van de waardedaling, de inrichting voor omvorming naar natuur of nemen van mitigerende maatregelen. Ook kan (nat-) schade gecompenseerd worden door middel van een vrijwillige overeenkomst vooraf of een vergoeding van schade bij onvrijwillig uitvoeren van maatregelen.

8.4

Vooronderzoek Bij uitvoering van fysieke maatregelen kunnen negatieve effecten ontstaan op bestaande waarden. Om dit zoveel mogelijk te beperken, is het belangrijk goed vooronderzoek te doen naar de aanwezigheid van (bedreigde) karakteristieke soorten en hun gebruik van het maatregelgebied en pas te starten als de resultaten van het vooronderzoek zijn geïntegreerd in de plannen, zie ook § 6.1.1. Bij ingrepen waar de bodem geroerd wordt is vooronderzoek nodig naar: • bodemchemie, om eventuele giften van bufferstoffen dan wel natuurpotentie te bepalen, • geomorfologie, om bijvoorbeeld te bepalen of er nog voldoende verstuifbaar zand aanwezig is dan wel om landschapsvormen te behouden, • archeologische en cultuurhistorische waarden, zoals raatakkers, houtskoolmeilers, et cetera.

98

Herstelprogramma Heiden en stuifzanden | Natura 2000 Veluwe | Mei 2023

8.5 Subsidie De realisatie en uitvoering van de maatregelen uit de herstelprogramma's wordt gefinancierd met bijdragen van het Rijk. Vanuit deze financiering voor de uitvoering van de herstelmaatregelen stelt provincie Gelderland subsidie beschikbaar. Provincie Gelderland beoordeelt aanvragen, verleent de subsidies en gaat het gesprek aan over de voortgang van de uitvoering. In dat verband kunnen eventueel aanvullende besluiten worden genomen. Als bevoegd gezag zal de provincie de voorgenomen uitvoering toetsen aan de vigerende wet- en regelgeving. Het toekennen van middelen gebeurt via de Regels Subsidieverlening Gelderland 2023., paragraaf 2.15 Uitvoering specifieke uitkering Programma Natuur.

8.6

Communicatie Voor begrip en draagvlak voor herstelmaatregelen is een goede communicatie belangrijk. Zeker als het gaat om maatregelen die gevoelig kunnen liggen bij het publiek, zoals het kappen van bomen om een ven of stuifzand te herstellen of sommige recreatiezoneringsmaatregelen. Communicatie over het natuurherstel op de Veluwe wordt gericht op drie niveaus. Allereerst is het belangrijk om communicatie in te zetten om mensen bewust te maken van de slechte staat van de natuur en de noodzaak van natuurherstel (het waarom). De provincie wil inwoners bewust maken van de schoonheid en kwetsbaarheid van de Veluwe, het grootste natuurgebied waar de provincie trots en zuinig op is. Ten tweede worden mensen geïnformeerd over het herstel en de bescherming van de natuur en waarom er een Natura 2000-beheerplan Veluwe is waar de vijf herstelprogramma’s onderdeel van uitmaken (het hoe). Tot slot moet rond de uitvoering van een herstelmaatregel in een gebied, de mensen lokaal goed geïnformeerd worden over wat de concrete maatregelen inhouden (het wat). De communicatie over de uitvoering van de herstelmaatregelen is vooral aan de terreineigenaren, waar nodig ondersteund door provincie Gelderland. De provincie verleent ondersteuning door inbreng van kennis, het delen van informatie of door het ontwikkelen van een (gezamenlijke) communicatielijn.

Daarbij zijn gezamenlijke uitgangspunten en boodschappen van de provincie en de terrein beherende organisaties handig en verstandig. De communicatieadviseurs van de betrokken organisaties stemmen deze met elkaar af.

99

Herstelprogramma Heiden en stuifzanden | Natura 2000 Veluwe | Mei 2023

8.7

Na afloop Na uitvoering van de maatregelen is de terreineigenaar verantwoordelijk voor de subsidieverplichtingen (rapportage en monitoring) en voor het reguliere beheer en onderhoud. Het reguliere beheer valt onder de financiering van het bestaande Subsidiestelstel Natuur en Landschap (SNL). Op grond van bijvoorbeeld kennisuitwisseling, voortschrijdend inzicht en nieuwe wet- of regelgeving kan de uitvoering in de toekomst worden aangepast.

Vochtige heide Mosterd-veen (fotografie: Bas Klaver)

100

Herstelprogramma Heiden en stuifzanden | Natura 2000 Veluwe | Mei 2023

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13188905/1