CConstaterende datNunspeet
Koppel je AI →
Document · PDF

St. t.k.n. nr. 3. BijlageHerstelprogramma Heiden en stuifzanden GS mei 2023

Commissie Ruimte en Wonen 9 oktober 2023, gemeente NunspeetBij agendapunt: Zienswijze op ontwerp-Veluwse herstelprogramma's 'Bossen', 'Heiden en Stuifzanden' en 'Vennen en venen'39.132 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 5

De provincie is zeer terughoudend in het plaatsen van rasters en doet dit alleen als het populatie- beheer op orde is (omdat het onderliggende probleem van te veel dieren anders verschuift en niet wordt opgelost) of wanneer uitrasteren noodzakelijk is voor het realiseren van de instandhoudingsdoelen.

2.2.14

Actieve soortenbescherming Naast een gebiedsgericht spoor kent de Wet natuurbescherming ook een soortgericht spoor. Bepaalde soorten zijn wettelijk beschermd, ongeacht waar deze voorkomen. De provincie is in veel gevallen het bevoegd gezag als het gaat om ingrepen die schadelijk zijn voor deze soorten. In dat geval spreken we van passieve soortenbescherming. Provincies zijn ook verantwoordelijk voor het stimuleren van maatregelen die de staat van instandhouding van deze soorten verbeteren.

23

Herstelprogramma Heiden en stuifzanden | Natura 2000 Veluwe | Mei 2023

In dat geval spreken we van actieve soortenbescherming. Het Gelders beleid is opgenomen in de nota Actieve soortenbescherming Gelderland. Onze provincie kent tal van soorten, focus aanbrengen is daarom noodzakelijk. Provincie Gelderland heeft een groep van 75 prioritaire soorten onderscheiden waarvoor op korte termijn maatregelen nodig zijn, omdat zij anders dreigen te verdwijnen. Voor deze soorten is een subsidieregeling gemaakt om maatregelen dan wel onderzoek te bekostigen. Daar waar maatregelen voor deze prioritaire soorten in een herstelprogramma kunnen worden meegenomen, doen we dat ook.

2.2.15

Kweek en herintroductie Bij herintroductie gaat het om het loslaten of uitzetten van dieren of planten in gebieden waar de soort voorkwam, maar waar de populatie is uitgestorven. Herintroductie kan noodzakelijk zijn om een bijdrage te leveren aan de instandhouding van de soort in een bepaald gebied, of als een soort een sleutelrol vervult in het functioneren van het ecosysteem. Het kweken van soorten ten behoeve van herintroductie kan nodig zijn. Bij officiële herintroducties, zeker als het gaat om dieren, is een goede onderbouwing en een onderzoek voorafgaand nodig om te bezien hoe een introductie succesvol kan worden uitgevoerd. Uitgangspunten voor herintroductie en kweek binnen de provincie staan beschreven in de Uitvoeringsregels Wet natuurbescherming Gelderland (2018). Vanuit de herstelprogramma’s is hier in de bijlagen nog een nadere invulling aangegeven. Deze regels zijn gebaseerd op de regels van de International Union for Conservation of Nature (IUCN).

2.2.16

Invasieve exoten Door menselijke invloed komen steeds meer plant- en diersoorten naar ons land die hier van nature niet thuishoren. Wanneer zij zich snel vermenigvuldigen en verspreiden spreken we van invasieve exoten. Deze soorten kunnen inheemse soorten verdringen en vormen daarom een probleem voor onze inheemse biodiversiteit. In het Plan van aanpak invasieve exoten Gelderland (2018) staat hoe de provincie in Gelderland met deze soorten omgaat. De provincies zijn aan zet als het gaat om bestrijding van invasieve exoten. Uitgangspunt vormt de EU-verordening en daarbij behorende Unielijst. Aan deze lijst heeft de provincie vanuit Gelders perspectief nog een aantal soorten toegevoegd. Alle soorten zijn in drie categorieën ingedeeld: 1 ze kunnen zich binnenkort gaan vestigen; 2 ze komen in Gelderland voor maar in beperkte mate; 3 ze zijn al wijdverspreid. In de eerste twee gevallen heeft de provincie de ambitie om deze soorten nog volledig te elimineren. Bij een melding van een nieuwvestiging gaat de provincie in overleg met de terreineigenaar om tot bestrijding over te gaan. Bij soorten die een beperkte verspreiding hebben loopt de provincie de bekende vindplaatsen na en gaat wederom in overleg met de terreineigenaar om tot bestrijding over te gaan. Voor invasieve uitheemse vogels en zoogdieren heeft ook de Faunabeheereenheid de opdracht om te acteren.

Voor de derde categorie, de soorten in de categorie wijdverspreid, is de ambitie ‘beheersen waar mogelijk’. Echter voor een aantal wijdverspreide soorten bestaat geen handelingsperspectief meer. Voor deze soorten zoekt de provincie vooral naar een natuurlijke bestrijding via een aanpak in het systeem, bijvoorbeeld aangepast bosbeheer of het inbrengen van inheemse planten na verwijdering van de exoot. In de Natura 2000-gebied en neemt de provincie de verantwoordelijkheid voor het lokaal bestrijden van een aantal wijdverspreide soorten. Terreinbeheerders kunnen voor de bestrijding van een aantal soorten subsidie krijgen. Het gaat dan met name om soorten

24

Herstelprogramma Heiden en stuifzanden | Natura 2000 Veluwe | Mei 2023

als de Aziatische duizendknopen, de beide guldenroedes, de reuzenbereklauw, de reuzenbalsemien en de zonnebaars. Ook zijn er subsidiemogelijkheden voor soorten als watercrassula en dijkviltbraam. Belangrijk in dat verband is dat terreinbeheerders maatregelen treffen die gericht zijn op de bescherming van de kwalificerende habitats.

2.2.17

Klimaatverandering Het klimaat bepaalt voor een belangrijk deel welke dieren en planten kunnen overleven. Klimaatverandering heeft dan ook ingrijpende gevolgen voor de natuur. Het warmere klimaat zorgt ervoor dat bepaalde diersoorten af- en andere juist toenemen. Maar ook extremere weersomstandigheden, zoals droogte of juist hevige neerslag hebben nu al een zichtbaar effect op de natuur. Soorten die mobiel zijn en minder gespecialiseerd, kunnen zich relatief eenvoudig verplaatsen naar een geschikte klimaatzone. Voor minder mobiele soorten gaat klimaatverandering te snel, waardoor ze verdwijnen. Het tegengaan van verdere klimaatverandering is essentieel voor het voortbestaan van kwetsbare plant- en diersoorten. Er zijn internationaal, nationaal en provinciaal afspraken gemaakt om klimaatverandering tegen te gaan. In het provinciaal Beleidsprogramma Klimaat, het ‘Gelders Klimaatplan 2021-2030’ en het ‘Uitvoeringsprogramma bomen en bos’ werkt Provincie Gelderland de klimaatmaatregelen uit het Klimaatakkoord verder uit. In de huidige Natura 2000-doelensystematiek is klimaatverandering nog niet opgenomen. Dit geeft soms spanning, omdat het vanwege het veranderend klimaat moeilijker wordt sommige soorten en habitats in de benen te houden. Klimaatverandering en hoe daarmee om te gaan is een van de belangrijkste factoren bij herijking van de Natura 2000-doelensystematiek.

Klimaatverandering vraagt ons om nog meer nadruk te leggen op systeemherstel zodat de veerkracht van de natuur wordt vergoot. De overlevingskansen voor soorten zijn groter in natuurgebieden met voldoende oppervlakte en gradiënten, met voldoende verbindingen tussen deze gebieden en met een goede milieukwaliteit in natuurgebieden en verbindingszones. Deze drie factoren staan nu vaak onder druk. Vanuit het Programma Natuur werken de provincies en het Rijk al samen aan het robuuster maken van deze natuur. Vanuit het ‘Uitvoeringsprogramma bomen en bos’ worden daarnaast revitaliseringsmaatregelen ondersteund. Dit zijn maatregelen in bos die de veerkracht van de bossen in Gelderland moet versterken tegen klimaatverandering en andere drukfactoren. Meer vitale natuur betekent ook meer koolstofvastlegging (CO2). Soms zijn er conflicten tussen natuurbeleid en klimaatbeleid, bijvoorbeeld als het gaat om ruimtegebruik en het effect van windmolens en zonneparken. Ook is het soms nodig bos te kappen om de instandhoudingsdoelen voor heide en stuifzanden te bereiken, terwijl dat ten koste gaat van het vastleggen van CO2. Daarom wordt gekapt bos elders gecompenseerd.

2.2.18

Preventie van onbeheersbare natuurbranden De verandering van het klimaat en de hoge neerslag van stikstof zorgen voor een hogere productiviteit van kruiden en een vertraagde strooiselafbraak. Hierdoor neemt de brandbaarheid en dus ook het risico op oncontroleerbare natuurbranden steeds verder toe. Dat heeft grote consequenties voor de veiligheid en voor de biodiversiteit.

25

Herstelprogramma Heiden en stuifzanden | Natura 2000 Veluwe | Mei 2023

In het Natura 2000-beheerplan Veluwe staat dat niet kan worden uitgesloten dat op plekken met verhoogd risico aanvullende maatregelen moeten worden genomen. Daarnaast wordt aangegeven dat Natura 2000-doelen samen kunnen gaan met doelen voor brandpreventie, door bijvoorbeeld de aanleg van heidecorridors of omvorming van naald- naar loofhout op strategische plekken. In 2019 zijn de provincie en de veiligheidsregio’s met een gebiedsgerichte aanpak begonnen om het bewustzijn van deze risico’s te vergroten, om risicovolle locaties en maatregelen in beeld te brengen en hierover richting eigenaren te adviseren. Vanuit dit project wordt gewerkt aan een hoofdcompartimentering van de Veluwe. Deze hoofdcompartimentering is bedoeld om te voorkomen dat natuurbranden van het ene naar het andere deelgebied doorslaan. Veelal zal dat neerkomen op de aanleg van brandgangen en brandsingels in de vorm van loofhout en brandstroken in de heide. Oude heide en hogere grassen, zoals pijpenstrootje, branden beter dan jonge heide en lage ijle grassen, waardoor brandstroken met een lage vegetatie helpt om een gebied te compartimenteren. Ook zal gekeken worden of in bepaalde gevallen sub-compartimentering gewenst is ten behoeve van aanwezige natuurwaarden of kwetsbare objecten. Daarbij zal ook gekeken worden naar de nog te realiseren verbindingen tussen heideterreinen.

De resultaten van dit project zullen worden verwerkt in de actualisatie van het Natura 2000-beheerplan Veluwe.

2.2.19

Bestrijdingmiddelen Bestrijdingsmiddelen worden toegepast om gewassen te beschermen tegen ziekten en plagen. Voordat een middel wordt toegelaten is het beoordeeld op effectiviteit en schadelijkheid. Hoewel bij de beoordeling absolute veiligheidsnormen in acht worden genomen, betekent het niet dat neveneffecten op het leven in bodem, lucht en water (oppervlakte- en grondwater) in de nabijheid van de locatie waar het middel wordt gebruikt, zijn uitgesloten. Sterker nog, neveneffecten zijn er, maar verschillen tussen de verschillende middelen. De wijze waarop middelen worden gebruikt, bepaalt in belangrijke mate de verspreiding naar de omgeving (via water en lucht). De gebruikswijze in de landbouw is de afgelopen decennia verbeterd waardoor de verspreiding door de lucht en de afspoeling naar het (oppervlakte)water zijn afgenomen. Daarnaast worden alternatieven zoals natuurinclusieve landbouw gestimuleerd. Uit onderzoek blijkt ook dat er meerdere bronnen zijn van waaruit middelen zich verspreiden, bijvoorbeeld van sportvelden, golfterreinen of tuinen. Door drift en verdamping van middelen komen zij – in (zeer) lage concentraties – voor op grote afstanden van de locatie waar middelen worden gebruikt. De provincie heeft zelf geen provinciaal beleid op het gebied van bestrijdingsmiddelen. De richtlijnen over het gebruik van bestrijdingsmiddelen worden landelijk bepaald.

Op grond van de Wet natuurbescherming is het verboden zonder vergunning activiteiten uit te voeren die een negatief effect kunnen veroorzaken op Natura 2000-gebieden. Jurisprudentie laat zien dat de inzet van bestrijdingsmiddelen in de omgeving van Natura 2000-gebieden niet is toegestaan zonder vergunning (bijvoorbeeld rechtbank Noord-Nederland: ECLI:NL:RBNNE:2021:2483). Dat geldt in principe ook voor het gebruik van bestrijdingsmiddelen: bij twijfel moet worden aangetoond dat het geen negatief effect heeft voor Natura 2000-gebieden. Of iets een significant negatief effect heeft hangt af van de activiteit en welke factoren een rol spelen en de invloed die dit heeft op de aanwezige natuurwaarden. In het Natura 2000-beheerplan Veluwe staat dat in de eerste beheerplanperiode het effect van bestrijdingsmiddelen op de instandhoudingsdoelen nader dient te worden onderzocht en dat op grond van het voorzorgprincipe de komende planperiode een toename van de belasting door bestrijdingsmiddelen wordt tegengegaan. Het terugdringen van bestrijdingsmiddelen in het water is van groot belang, dat geldt met name voor beken te midden van intensief agrarisch gebied.

26

Herstelprogramma Heiden en stuifzanden | Natura 2000 Veluwe | Mei 2023

In het beheerplan Veluwe is al een herstelmaatregel opgenomen voor het monitoren van de beken op bestrijdingsmiddelen en meststoffen. Daarnaast is aangegeven dat bloembollenteelt op een perceel grenzend aan een beek vergunningplichtig is. Het beheerplan noemt ook de grote zorgen over de afname van de insectenpopulatie voor soorten als de nachtzwaluw en wespendief omdat die vooral grote insecten eten. Het vermoeden is dat het gebruik van bestrijdingsmiddelen en antiwormmiddelen bij de insectenafname een rol speelt. Het beheerplan noemt nog geen concrete maatregelen om deze kennisleemte op te lossen. Hoewel aanvullend onderzoek nodig is naar de precieze impact van deze middelen en het effect en de aanwezigheid van bestrijdingsmiddelen in Natura 2000-gebieden zijn er al onderzoeken die aantonen dat het gebruik leidt tot insectensterfte (verspreiding over grotere afstanden, tot in ieder geval 2 km). Het ligt voor de hand dat door het Rijk nader onderzoek naar het effect van landelijke toegestane middelen op de Natura 2000-doelen wordt gedaan.

2.3

Ecologische context We kennen de problemen van te veel stikstof, verzuurde bodems, verdroging, versnippering en een hoge recreatiedruk. Jarenlange (over)exploitatie heeft de Veluwe gevormd, maar kwetsbaar gemaakt. In de afgelopen jaren waren de inspanningen om het verlies aan biodiversiteit tegen te gaan met name gericht op het behoud van de verschillende natuurtype intern op orde brengen van natuurgebieden. Daarmee zijn goede resultaten geboekt. Zolang de natuurkwaliteit van het omringende landschap echter achteruit blijft gaan en de onderliggende natuurlijke processen op landschapsschaal onvoldoende hersteld zijn, blijft het herstel achter. De klimaatverandering gaat door en de economische activiteiten, zoals de vraag naar woningbouw en de landbouwtransitie, hebben ook invloed op de Veluwe. De herstelprogramma’s staan in de ecologische context van een Veluwe die nu nog niet veerkrachtig genoeg is om al deze veranderingen op te vangen. Dat wordt inmiddels breed onderkend en met het Natura 2000-beheerplan en de voorliggende herstelprogramma’s wordt de basis voor een robuust herstel van de natuur op de Veluwe verder uitgewerkt. In dialoog met een brede groep experts en gebiedskenners is een begrip van de werking van de fysische systemen besproken die de onderlegger vormen voor het realiseren van de natuurdoelen (o.a.

bodem en water) en de relaties tussen de verschillende processen die spelen tussen bodem, water, vegetatie en fauna. Hierdoor zijn in de herstelprogramma’s maatregelen opgenomen die op een goede manier ingrijpen op deze processen. Elk herstelprogramma gaat over een logisch deel van het grotere geheel van ecologische systemen waaruit de Veluwe bestaat. De uitvoering van de herstelprogramma’s zal in de komende decennia moeten leiden tot een flinke kwaliteitsimpuls voor de Veluwe. De maatregelen in de herstelprogramma’s leveren weliswaar een hele belangrijke bijdrage aan robuust systeemherstel van de Veluwe, maar structurele verlaging van de stikstofdepositie blijft cruciaal om het systeemherstel robuust te houden.

27

Visie op doelbereik De visie op doelbereik uit hoofdstuk 5 van het Natura 2000-beheerplan Veluwe ligt ten grondslag aan deze herstelprogramma’s. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de beheerstrategie op landschapsschaal en het doelbereik van habitattypen, Habitatrichtlijnsoorten en Vogelrichtlijnsoorten. Hierin staat ook de generieke kernopgave voor de Veluwe beschreven die gericht is op: • vergroting van de interne samenhang door herstel van evenwichtige verdeling van open en gesloten terreinen met meer geleidelijke overgangen van zandverstuivingen, heide, vennen, graslanden en bos;

Herstelprogramma Heiden en stuifzanden | Natura 2000 Veluwe | Mei 2023

• versterking van het ruimtelijke netwerk van bos, heide- of stuifzandgebieden, waarbij tussenliggende gebieden gebruikt kunnen worden als stapstenen, met name voor soorten reptielen en vlinders; • versterking van overgangen van droge naar natte gebieden, zoals beekdalen en herstel van vennen. Vanwege de verwevenheid van de herstelprogramma’s voor heide en stuifzanden en voor bossen is ervoor gekozen om de ecologische onderbouwing voor beide herstelprogramma’s in samenhang op te stellen. De bossen, heiden en stuifzanden beslaan grote delen van de Veluwe. Voor de ecologische onderbouwing is ook het relatieve belang van de habitats en soorten geanalyseerd. Voor vennen, venen en beken die zich in het heidelandschap kunnen bevinden, zijn andere herstelprogramma’s opgesteld. De vochtige en natte habitattypen, zoals vochtige heiden, vennen, venen en beekbegeleidende bossen, zijn schaars en vaak klein in omvang, maar vaak belangrijk wegens de ecologische variatie van groeiplaatsen. Versterking van natte natuur is daarom maximaal nagestreefd met maatregelen, waarbij binnen het herstelprogramma heide & stuifzand de nadruk ligt op vochtige heiden en pioniervegetaties met snavelbiezen (Bron:Bijlsma et al., 2022m).

In het Natura 2000-beheerplan staat dat naast de generieke opgave ook de specifieke instandhoudingsdoelen voor de habitattypen, Habitatrichtlijnsoorten en Vogelrichtlijnsoorten gerealiseerd en gegarandeerd moeten zijn. Die specifieke opgaven hebben prioriteit. Daarom heeft provincie Gelderland in het kader van de herstelprogramma’s veel onderzoeken laten doen naar de Habitatrichtlijnsoorten en Vogelrichtlijnsoorten van de Veluwe. Dit om te bekijken wat er specifiek voor deze soorten nodig is, aanvullend op wat al in het Natura 2000-beheerplan beschreven staat. Het op orde krijgen van de bestaande kwalificerende habitattypen heeft in dit eerste beheerplan de hoogste prioriteit. Bij de actualisatie van het beheerplan zullen we de visie op doelbereik van de Veluwe opnieuw beoordelen en beschrijven. In het beheerplan staat dat voor nagenoeg alle habitattypen op de Veluwe de hoge stikstofdepositie de overheersende negatieve factor is. Substantiële terugdringing van deze stikstofdepositie is een harde voorwaarde voor het behalen van de instandhoudingsdoelen voor habitattypen en soorten, maar dit valt buiten het Natura 2000-beheerplan en deze herstelprogramma’s. De maatregelen die daarvoor nodig zijn worden niet in het beheerplan beschreven, maar zijn onderdeel van landelijk en provinciaal stikstofbeleid.

Met monitoring worden de ontwikkelingen en effecten van de maatregelen gevolgd en wordt in beeld gebracht of de doelen worden behaald. Beoordeling van het doelbereik vindt plaats aan de hand van beoordelingskaders (Bron:Bijlsma et al., 2020a). Het Natura 2000-beheerplan Veluwe geeft voor de verschillende soorten en habitats aan of de doelstelling ‘instandhouding’ of ‘uitbreiding’ omvat. In het geval van ‘uitbreiding’ is dat niet altijd concreet gekwantificeerd. In dat geval wordt het principe gehanteerd dat de inspanning via de herstelprogramma’s in ieder geval tot enige aantoonbare uitbreiding moet leiden.

28

Herstelprogramma Heiden en stuifzanden | Natura 2000 Veluwe | Mei 2023

3 Totstandkoming van het herstelprogramma Het herstelprogramma Heiden en stuifzanden is opgesteld aan de hand van de volgende stappen: • Instellen beheerdersadviesgroep; • Uitwerken ecologisch beoordelingskader; • Opstellen synthesedocumenten met herstelmaatregelen in 12 deelgebieden; • Bespreking synthesedocumenten met beheerders in deelgebiedsessies; • Veluwebrede analyse; • Aanvullende analyse ten behoeve van ecologische onderbouwing; • Gesprekken met terreineigenaren over aanvullende optimalisatiekansen.

3.1

Instellen beheerdersadviesgroep De uitvoering van het Beheerplan Natura 2000 Veluwe is in grote mate afhankelijk van een aantal partijen. Medeoverheden en terreinbeheerders, waaronder particu­ lieren, zijn essentieel voor de uitvoering. Het opstellen van het herstelprogramma is daarom niet een ‘eenvoudig’ inhoudelijk traject maar is ook een proces waarin draagvlak en begrip voor de te maken keuzes en maatregelen wordt gecreëerd. De provincie heeft daarom voor het opstellen van de herstelprogramma’s Heiden en stuifzanden en Bossen de grote terreinbeheerders van de Veluwe, inclusief de Bosgroep Midden Nederland, verenigd in een beheerdersadviesgroep, zie bijlage 1. Deze adviesgroep was actief betrokken bij het opstellen van het beoordelingskader, de voorbereiding van de opdracht voor de uitwerking van herstelmaatregelen in de deelgebieden en bij de bespreking van de resultaten van deze opdracht. Voor de uitwerking van de herstelprogramma’s voor heiden en stuifzanden, en bossen, zijn 12 deelgebieden onderscheiden, waarmee recht wordt gedaan aan de grote geomorfologische variatie op de Veluwe (zie figuur 1.1).

3.2

Uitwerken ecologisch beoordelingskader Een goede invulling van de Natura 2000-doelen begint met de vraag hoe de huidige natuurkwaliteit en de effectiviteit van de maatregelen moet worden beoordeeld. Hiervoor is, als eerste stap naar een herstelprogramma, door Wageningen Environmental Research (WENR) een ecologisch beoordelingskader opgesteld voor de aangewezen habitattypen en soorten (Bron: Bijlsma et al., 2020a). Dit beoordelingskader is de inhoudelijke basis voor de ecologisch noodzakelijke herstelmaatregelen en randvoorwaarden. De ecologische beoordeling van habitattypen gebeurt op clusterniveau met criteria die voor verschillende natuurkwaliteiten aangeven wat goed, voldoende en onvoldoende is. Voor habitattypen gelden andere criteria dan voor soorten van de Vogel- en Habitatrichtlijn. De criteria sluiten nauw aan op Europese rapportagesystematiek en bevatten de op dat moment actuele wetenschappelijke inzichten. Aan de hand van deze beoordelingssystematiek is voor het herstelprogramma het actueel en het beoogd doelbereik voor de beschermde heiden en stuifzanden in beeld gebracht. Vervolgens zijn de maatregelen geformuleerd om van actueel naar beoogd doelbereik te komen. Bij het opstellen van de beoordelingskaders heeft WENR samengewerkt met Samenwerkende Organisaties Vogelonderzoek Nederland (Sovon Vogelonderzoek Nederland, hierna Sovon) en Radboud Universiteit Nijmegen.

29

Herstelprogramma Heiden en stuifzanden | Natura 2000 Veluwe | Mei 2023

3.2.1

Habitatclusters Een belangrijke maatlat voor het functioneren van habitattypen in het ecologisch beoordelingskader is de trend van de karakteristieke soorten (zie 3.2.2) van habitattypen. Daarom worden bij de beoordeling van habitattypen ook verwante begroeiingen betrokken die dienen als leefgebied (reproductie- en foerageerbiotoop) voor karakteristieke kleine fauna van habitattypen, aangeduid als ‘habitatclusters’. In een habitatcluster zijn naast het kwalificerend habitattype ook biotopen opgenomen van ontwikkelingsstadia en andere verwante vegetatietypen (Bron:Bijlsma et al., 2020a). Om een sterke relatie tussen habitattype en habitatcluster te garanderen, worden alleen biotopen betrokken die als direct ontwikkelingsstadium van het betreffende habitattype gelden en/of in mozaïek voorkomen binnen eenzelfde landschappelijk-bodemkundige eenheid. Door te werken met habitatclusters is er de mogelijkheid om de oppervlaktebehoefte van habitattypen te koppelen aan de omvang van zogenaamde sleutelgebieden, die nodig zijn voor duurzame populaties van kleine fauna. Het criterium oppervlaktebehoefte wordt beoordeeld op grond van de omvang en ruimtelijke samenhang (connectiviteit) van de habitatclusters, gegeven dispersie-afstanden van voor het habitattype karakteristieke fauna.

Hierdoor kunnen verschillende, in ecologisch opzicht geïsoleerde landschappelijke eenheden worden onderscheiden en beoordeeld. Doelbereik van habitattypen wordt dus niet strikt vanuit de habitatkaart beoordeeld, maar meer door de ogen van karakteristieke kleine fauna, gebruikmakend van habitatkaarten en beheertypenkaarten (Bron:Bijlsma et al., 2022m).

3.2.2

Typische en karakteristieke soorten Dit herstelprogramma richt zich op realisatie van de doelen voor Natura 2000habitattypen en VHR-soorten, zie ook hoofdstuk 4. De kwaliteit van habitattypen wordt onder meer sterk bepaald door het functioneren als leefgebied voor een groot aantal soorten, zowel flora als fauna. De staat van instandhouding van habitattypen wordt beoordeeld op grond van vier parameters; Verspreidingsgebied (Range), Oppervlakte (Area covered by habitat type within range), Structuur & Functie incl. typische soorten (Specific structures & functions including typical species) en Toekomstperspectief (Future prospects). Voor de beoordeling van Structuur & Functie incl. typische soorten is de in Nederland gebruikte lijst van typische soorten onvoldoende geschikt gebleken (Bron: Bijlsma & Janssen, 2014).

Heivlinder (fotografie: Jelmer Reyntjes)

30

Herstelprogramma Heiden en stuifzanden | Natura 2000 Veluwe | Mei 2023

Bij de uitwerking van de ecologische beoordelingskaders is daarom een uitgebreidere landelijke lijst van karakteristieke soorten vaatplanten, (korst)mossen en paddenstoelen gebruikt. Ook is een conceptlijst karakteristieke fauna van Veluwse habitattypen (excl. vogels) opgenomen (Bron: Bijlsma & Janssen, 2014). Karakteristieke soorten van een habitattype zijn soorten met een aanzienlijke binding aan het habitattype binnen de voor het habitattype relevante fysischgeografische regio’s en zijn soorten die behoren tot taxonomische groepen die zodanig landelijk en regelmatig worden gemonitord dat korte- en lange termijntrends (10-30 jaar) kunnen worden bepaald op regionaal niveau, nu en in de toekomst. Voor het opstellen van dit herstelprogramma is, in navolging van het door WENR opgestelde beoordelingskader voor doelbereik in Natura 2000-gebieden, gebruik gemaakt van typische en karakteristieke soorten. Deze soorten worden gebruikt om de kwaliteit te bepalen van de verschillende habitattypenclusters. In bijlage 2 staat de lijst zoals deze door het consortium is gehanteerd. Daarnaast is ook een lijst met vogels opgenomen die als karakteristiek kunnen worden beschouwd.

Voor meer informatie over het gebruik van karakteristieke soorten bij de beoordeling van de habitatkwaliteit wordt verwezen naar de rapportage Ecologisch beoordelingskader voor doelbereik in Natura 2000-gebieden, 2021 van WENR (Bron:Bijlsma & Janssen, 2021).

31

Herstelprogramma Heiden en stuifzanden | Natura 2000 Veluwe | Mei 2023

3.3

Opstellen synthesedocumenten voor 12 deelgebieden Vanwege de omvang van de Veluwe is de beoordeling van het doelbereik uitgesplitst over deelgebieden. Er zijn 12 deelgebieden onderscheiden, waarmee ook recht werd gedaan aan de grote geomorfologische variatie op de Veluwe (figuur 1.1).

Figuur 1.1.: Indeling van deelgebieden zoals onderscheiden bij de uitwerking van het herstelprogramma’s; 1 Petrea-De Dellen-Welna; 2 ASK ‘t Harde-Wezepse Heide; 3 Elspeetse Heide-Vierhouten; 4 Leuvenumse Bos-Hulshorsterzand; 5 Kroondomein Het Loo-Tongerense Heide; 6 Ermelose HeideStaverden-Houtdorperveld; 7 Speulder- en Sprielderbos-Kootwijkerveen; 8 Kootwijkerzand-HarskampSpelderholt; 9 Veluwezoom-Deelerwoud-Loenense Bos; 10 NP De Hoge Veluwe eo; 11 Wekeromse Zand-Planken Wambuis; 12 Quadenoord-Wolfhezerheide-Warnsborn.

32

Herstelprogramma Heiden en stuifzanden | Natura 2000 Veluwe | Mei 2023

Door een consortium van WENR, Sovon en Stichting Bargerveen zijn vervolgens de kenmerken van het gebied beschreven en het relatieve belang van de aanwezige habitattypen, karakteristieke soorten van habitatypen en VHR-soorten voor de Veluwe en in Nederland (en zo nodig in Europa). Daarna is per deelgebied op basis van het beoordelingskader een synthese gemaakt van onder andere het huidige doelbereik, de knelpunten van Natura 2000-habitattypen en leefgebieden, de gewenste maatregelen voor het vergroten van doelbereik en kennisleemten. Uitgangspunt is dat er naast een optimaal regulier beheer extra maatregelen nodig zijn om de gewenste condities voor ecologische duurzaamheid van het habitattype of leefgebied te versterken of te ontwikkelen. Voor verdere achtergrondinformatie wordt verwezen naar het ecologisch beoordelingskader en de synthesedocumenten (Bron:Bijlsma et al., 2020a, Bijlsma et al., 2022a-l).

3.4

Gebiedssessies over de synthesedocumenten met beheerders De twaalf concept synthesedocument met de uitgewerkte herstelmaatregelen is in deze stap besproken met betrokken terreinbeheerders, waaronder gemeenten en particuliere grondeigenaren. Het doel van dit overleg was om inzicht in kansen en knelpunten te delen en de voorgestelde herstelmaatregelen beter te onderbouwen. Het consortium organiseerde de gesprekken met de eigenaren die meer dan 100 ha natuurgrond op de Veluwe in eigendom hebben. Het overleg vond zoveel mogelijk plaats via plenaire bijeenkomsten met één terreinbeheerder of met een groep gelijkaardige beheerders (bijvoorbeeld de gemeenten op de NoordVeluwe). Het ophalen en integreren van de kennis van de relevante partijen speelde hier een belangrijke rol. Ook het creëren van ‘mede-eigenaarschap’ was een belangrijk doel van deze bijeenkomst. De voorgestelde herstelmaatregelen raken soms ook kleinere grondeigenaren. De communicatie met deze grondeigenaren werd gefaciliteerd door de Bosgroep Midden Nederland. Hiervoor zijn door de Bosgroep terreineigenaren benaderd die een bezit hebben met een oppervlakte tussen de 10 en 100 ha, waarbij in het concept-synthesedocument een maatregel is voorgesteld van minimaal 1 ha binnen het eigendom van de terreineigenaar.

Van de bijeenkomsten zijn procesverslagen gemaakt en zijn de gesignaleerde kansen, knelpunten en draagvlak duidelijk geworden. De verslagen zijn naar betrokkenen gestuurd voor eventuele correcties. Het akkoord van betrokkenen betrof de weergave van de discussie en stond los van een nadere invulling van de ecologisch noodzakelijke maatregelen.

3.5

Uitwerking Veluwe-brede analyse Natura 2000-doelen Naar aanleiding van de gebiedssessies zijn de synthesedocumenten van de deelgebieden aangepast. Met een Veluwebrede afweging is uitgewerkt hoe het voorgestelde maatregelpakket een goede invulling geeft aan de betreffende Veluwse Natura 2000-opgaven. Deze uitwerking vormt, samen met de synthesedocumenten voor de 12 deelgebieden en maatregeltabel en -kaart, de ecologische bouwsteen van de herstelprogramma’s Heiden en stuifzanden en Bossen. Dit heeft geresulteerd in een rapport over de Veluwse Natura 2000-doelen voor Bossen, Heiden en stuifzanden (Bron: Bijlsma et al., 2022m).

33

Herstelprogramma Heiden en stuifzanden | Natura 2000 Veluwe | Mei 2023

3.6

Aanvullende analyse ten behoeve van ecologische onderbouwing Aanvullend op de analyse van het consortium is er door ecologen van provincie Gelderland een brede literatuurstudie uitgevoerd naar knelpunten en kennisleemten met betrekking tot de habitattypen. Deze knelpunten hebben tot aanvullende kennisleemten, randvoorwaarden en herstelmaatregelen geleid.

3.7

Gesprekken met terreineigenaren over aanvullende optimalisatiekansen Gedurende het proces van het opstellen van de producten door het consortium en ook naar aanleiding van de uitgebreide knelpuntenanalyse, zijn aanvullende kansen opgemerkt door ecologen van provincie Gelderland en beheerders en ook met de betreffende beheerders besproken. Dit heeft geleid tot opname van enkele kansen in de maatregelen van het herstelprogramma.

34

Herstelprogramma Heiden en stuifzanden | Natura 2000 Veluwe | Mei 2023

4 Natura 2000-doelen en -opgaven 4.1

Kernopgaven en algemene doelen

Kernopgaven Doelendocument Voor de uitwerking van de Veluwse Natura 2000-doelen zijn de kernopgaven in het Doelendocument 2006 van belang (Bron: Ministerie van LNV, 2006). Tabel 5.7.1 voor de Hogere zandgronden hieruit geeft aan:

Opgave landschappelijke samenhang en interne compleetheid: Vergroten van interne samenhang van gebieden door herstel van evenwichtige verdeling van open en gesloten met meer geleidelijke overgangen van zandverstuivingen, heide, vennen, graslanden en bos. Versterken van het ruimtelijk netwerk van bos, heide- of stuifzandgebieden, waarbij tussenliggende gebieden gebruikt kunnen worden als stapstenen, met name voor soorten als reptielen en vlinders. Versterken van overgangen van droge naar natte gebieden, zoals beekdalen en herstel van vennen op landschapsschaal.

Algemene doelen Aanwijzingsbesluit Veluwe In het Aanwijzingsbesluit Veluwe staan de volgende algemene doelen opgenomen (Bron:Ministerie van EZ, 2014). Deze doelen gelden voor alle Natura 2000-gebieden: • behoud van de bijdrage van het Natura 2000-gebied aan de biologische diversiteit en aan de gunstige staat van instandhouding van natuurlijke habitats en soorten binnen de Europese Unie; • behoud van de bijdrage van het Natura 2000-gebied aan de ecologische samenhang van het Natura 2000-netwerk zowel binnen Nederland als binnen de Europese Unie; • behoud en waar nodig herstel van de ruimtelijke samenhang met de omgeving ten behoeve van de duurzame instandhouding van de in Nederland voorkomende natuurlijke habitats en soorten; • behoud en waar nodig herstel van de natuurlijke kenmerken en van de samenhang van de ecologische structuur en functies van het gehele gebied voor alle habitattypen en soorten waarvoor instandhoudingsdoelen zijn geformuleerd; • behoud of herstel van gebiedsspecifieke ecologische vereisten voor de duurzame instandhouding van de habitattypen en soorten waarvoor instandhoudingsdoelen zijn geformuleerd.

35

Herstelprogramma Heiden en stuifzanden | Natura 2000 Veluwe | Mei 2023

4.2

Doelen habitattypen In onderstaande tabel staat weergegeven voor welke habitattypen dit herstelprogramma is geschreven. Tabel 1 Instandhoudingsdoelstellingen voor habitattypen van het heide- en stuifzandlandschap van de Veluwe. Habitattypen met een * zijn prioritair. Doelen: > is uitbreiding; = is behoud. Relatieve bijdrage: C is 2%; B1 is 2-6%; B2 is 6-15%; A1 is 15-30%; A2 is 30-50%; A3 is 50-75%; A4 is >75% van landelijke oppervlakte/omvang.

36

Doel kwaliteit

Relatieve bijdrage in Nederland

Code

Naam

Doel oppervlakte

H2310

Stuifzandheiden met struikhei

>

>

A2

H2320

Binnenlandse kraaiheibegroeiingen

=

=

B2

H2330

Zandverstuiving

>

>

A2

H4010A

Vochtige heiden (hogere zandgronden)

>

>

B2

H4030

Droge heiden

>

>

A2

H5130

Jeneverbesstruweel

=

>

B

H6230*

Heischrale graslanden

>

>

A2

H7150

Pioniervegetaties met snavelbies

>

>

A1

Herstelprogramma Heiden en stuifzanden | Natura 2000 Veluwe | Mei 2023

4.3

Doelen Vogelrichtlijnsoorten In onderstaande tabel staat weergegeven voor welke Vogelrichtlijnsoorten dit herstelprogramma is geschreven. Er zijn geen habitatrichtlijnsoorten opgenomen in dit herstelprogramma, deze staan in andere herstelprogramma’s. Tabel 2 Instandhoudingsdoelstellingen voor Vogelrichtlijnsoorten van het heide- en stuifzandlandschap van de Veluwe. Doelen: > is uitbreiding of verbetering; = is behoud. Relatieve bijdrage: C is <2%; B1 is 2-6%; B2 is 6-15%; A1 is 15-30%; A2 is 30-50%; A3 is 50-75%; A4 is >75% van landelijke populatie.

Doel omvang leefgebied

Doel kwaliteit leefgebied

Relatieve bijdrage in Nederland

Code

Naam

Aantal broedparen

A224

Nachtzwaluw

610

=

=

B2

A233

Draaihals

(her)vestiging

>

>

A

A246

Boomleeuwerik

2400

=

=

A2

A255

Duinpieper

(her)vestiging

>

>

A

A276

Roodborsttapuit

1100

=

=

A1

A277

Tapuit

100

>

>

B2

A338

Grauwe klauwier

40

>

>

A1

Grauwe Klauwier (fotografie: Bas Klaver)

37

Herstelprogramma Heiden en stuifzanden | Natura 2000 Veluwe | Mei 2023

5 Analyse 5.1

Knelpunten voor het behalen van de instandhoudingsdoelen In het Natura 2000-beheerplan voor de Veluwe (2018) worden diverse knelpunten beschreven. Dit herstelprogramma voor heiden en stuifzanden gaat verder in op deze knelpunten en scherpt ze aan om tot zo concreet mogelijke herstel­ maatregelen te komen, om kennisleemten te definiëren of om duidelijkheid te geven over activiteiten die ongewenst zijn vanuit het perspectief van de instandhoudingsdoelen. Oplossingen worden niet aangedragen in dit hoofdstuk. De maatregelen staan in hoofdstuk 6. De grootste knelpunten zijn: • voortgaande zeer hoge stikstofdepositie, met als gevolgen vermesting, vergrassing, bodemverzuring, uitspoeling en fixatie van (sporen)elementen en daarmee samenhangende nutriëntenonbalans in het voedsel voor kleine fauna en de voedselketen.

Hierdoor verdwijnen typische en karakteristieke soorten van de habitattypen en kunnen sommige Vogelrichtlijnsoorten, zoals de tapuit, te weinig voedsel vinden op de Veluwe; • verlies aan samenhang door ontginning en versnippering, waardoor leefgebieden te klein zijn geworden en soorten lokaal uitsterven, maar gebieden ook niet meer kunnen herkoloniseren vanuit de plekken waar ze nog wel zitten; • verdroging en klimaatverandering; • gebiedsvreemde stoffen, waaronder pesticiden en biociden, PFAS en microplastics; • (noodgedwongen) intensieve beheer en de hoge dynamiek van wroeten door wilde zwijnen; • verstoring door recreatie en andere menselijke activiteiten. Benadrukt moet worden dat het probleem vooral de optelsom van de verschillende drukfactoren is. Hierdoor is het voor de aangewezen Vogelrichtlijnsoorten en typische en karakteristieke soorten van onze habitattypen (vrijwel) onmogelijk om duurzame populaties in stand te houden.

5.1.1

Vermesting, verzuring, uitloging en plantkwaliteit Het Natura 2000-beheerplan Veluwe (2018) noemt verzuring en vermesting één van de belangrijkste knelpunten op de Veluwe. Verzuring en vermesting wordt op dit moment hoofdzakelijk veroorzaakt door de depositie van stikstofverbindingen. Dit knelpunt kan alleen worden opgelost met bronmaatregelen die de depositie verlagen. Daarnaast kan er op de Veluwe nog zoveel mogelijk getracht worden om de negatieve effecten van deze verzuring en vermesting tegen te gaan. Deze maatregelen zou je kunnen aanduiden als overlevingsmaatregelen, dus maatregelen die nodig zijn om de soorten en habitattypen te laten voortbestaan, waarna vervolgens en gelijktijdig herstelmaatregelen genomen kunnen worden die tot herstel van populaties en habitattypen leiden. In veel gevallen zijn de meest rijke (en vaak ook beter gebufferde) terreindelen van het heidelandschap ontgonnen, bebost, bebouwd, omgevormd naar intensieve teelten. De overige, meestal al minder gebufferde (armer aan positief geladen ionen, de kationen en aan verweerbare mineralen zoals kaliveldspaat, albiet, muscoviet, biotiet, chloriet en amfibool, die als zuurbuffer kunnen dienen) en dus zuurgevoeligere terreinen zijn verder versnipperd, liggen vaak midden in intensief gebruikt gebied en bos en zijn onder meer door de gevolgen van zwavel- en stikstofdepositie vermest en verzuurd.

38

Herstelprogramma Heiden en stuifzanden | Natura 2000 Veluwe | Mei 2023

De plantengroei wordt van nature in veel ecosystemen zoals heide geremd door de beschikbaarheid van stikstof (Bron: Bobbink et al., 2014). Dat wordt stikstoflimitatie genoemd, en in deze stikstofgelimiteerde ecosystemen wordt de opgenomen stikstof heel efficiënt gebruikt. De verhoogde stikstofaanvoer kan in eerste instantie leiden tot een toename van de productiviteit (biomassaproductie van vooral de bovengrondse plantendelen). Hierdoor wordt ook de strooiselproductie verhoogd (Bron:Bobbink et al., 2014). Een verhoogde stikstofaanvoer leidt tot versnelde mineralisatie (de afbraak van organische stoffen als plantenresten tot anorganische stoffen als nutriënten en koolstofdioxide door micro-organismen), maar (uiteindelijk) door verzadiging en verzuring ook tot een verlaagde mineralisatie en humificatie (de omvorming van een deel van het vers organisch materiaal tot organische stof in de bodem). Onder zure omstandigheden wordt de afbraaksnelheid van organisch materiaal in de strooisellaag namelijk geremd en remt ook de nitrificatie, waardoor ammonium de dominante stikstofvorm wordt. Er ontstaat strooiselaccumulatie. Door de verhoogde aanvoer van stikstof verandert het systeem van stikstofgelimiteerd naar stikstofverzadigd, met flinke verliezen van nitraat naar het grondwater of van stikstofgassen naar de atmosfeer.

Verschuivingen in concurrentie leiden tot veranderingen in de dominantie van soorten en in de soortensamenstelling van de vegetatie (Bron:Bobbink et al., 2014). Vegetaties verschuiven van soortenrijke maar voedselarme systemen naar voedselrijke systemen met veel minder, vooral stikstofminnende soorten. Ammonium hoopt vaak op in bodems door de stikstofdepositie. Een verhoogde ammoniumbeschikbaarheid en/of verhoogde ammoniumnitraat ratio’s beperken het voorkomen van kenmerkende heischrale plantensoorten, door negatieve effecten op kieming en groei, vooral bij een lage bodem-pH (Bron: De Graaf et al., 1998, De Graaf et al., 2004, De Graaf et al., 2009). Er zijn diverse zuurvormende processen in en op de bodem. Wanneer nitrificerende bacteriën ammonium omzetten in nitraat komen zure waterstofionen vrij. Neerslagwater is arm aan basische kationen en licht zuur door opgeloste kooldioxide. Wanneer planten positief geladen ionen opnemen, scheiden wortels waterstofionen af, evenals stikstoffixerende planten. Ook trage strooiselvertering kan zuren vormen. Deze waterstofionen veroorzaken bodemverzuring (een afname van de buffercapaciteit). Er zijn een aantal zuurbufferende mechanismen beschreven waarmee in bodems de toevoer van verzurende stoffen gebufferd kunnen worden (Bron: Bobbink et al., 2014, Bobbink et al., 2017).

Dat kan in de heidesystemen door verwering van silicaatmineralen als kaliveldspaat, albiet, muscoviet, biotiet en amfibool en door zuurbuffering aan het bodemadsorptiecomplex (of bodemuitwisselingscomplex) (Bron:Bergsma et al., 2016, Bobbink et al., 2017), waarbij protonen uitgewisseld worden tegen de basische kationen, zoals kalium, calcium en magnesium. De zure waterstofionen verdringen de kationen die vervolgens in oplossing komen en naar de diepere bodemlagen wegspoelen. Ook kan aluminium vrijkomen door verwering van aluminiumhydroxide (Bron: Bobbink et al., 2014) en een rol spelen bij de buffering, waarbij veel aluminium vrijkomt en gedeeltelijk wordt opgenomen door het uitwisselingscomplex (Bron: Bergsma et al., 2016). Voor veel soorten is aluminium giftig, omdat de ontwikkeling van het wortelstelsel geremd wordt door aluminiumtoxiciteit (Bron: De Graaf et al., 1997). Verzuring leidt ook tot minder plantbeschikbaar fosfor, evenals afvoer door plaggen en chopperen, waardoor fosfaatlimitatie kan optreden (Bron:Vogels et al., 2017).

39

Herstelprogramma Heiden en stuifzanden | Natura 2000 Veluwe | Mei 2023

Op de humuspodzolgronden, met name de haarpolzolgronden, is door de noodzaak om de overmaat aan stikstof af te voeren door plaggen en chopperen, een dik ectorganisch (accumulatie van strooisel boven op het minerale profiel) gelaagd humusprofiel in de heiden een zeldzaam verschijnsel geworden. Deze oude humusprofielen hebben grote voordelen, zoals een vergroot vochtvasthoudend vermogen en een betere bodemchemie (Bron: Bijlsma et al., 2009, Smits et al, 2020b). De stikstof die tegenwoordig in dit profiel is vastgelegd vormt een knelpunt bij calamiteiten, zoals extreme droogte, waarbij de geaccumuleerde stikstof in grote hoeveelheden vrijkomt (Bron: Bijlsma et al., 2020b). Wanneer de vrijkomende stikstof met neerslag afstroomt naar aangrenzende vochtige terreindelen zou dit daar voor problemen kunnen zorgen. Plaggen en chopperen van droge heide op haarpodzolgronden (zandheide), om de overmaat aan stikstof af te voeren, leidt tot hogere concentraties ijzer en aluminium in de bovengrond en ook tot een hogere Al/Ca-ratio, minder fosfor en daarmee een slechtere N/P-verhouding en een slechtere voedselkwaliteit (Bron: Vogels et al., 2016, Bijlsma et al., 2020b, Verbaarschot et al., 2021). Meer aluminium in de bodem leidt tot lage ijzerconcentraties in de bladeren van heideplanten door verminderd transport (Bron: Vogels et al., 2011).

Plaggen en chopperen lijken daardoor het podzolisatieproces te versnellen. De geplagde, minerale bodem biedt ook een betere kiemplek voor opslag van pioniersoorten als grove den (Bron: Smits et al., 2020b), terwijl de zaadbank en de organische stof is afgevoerd. Op meer mineraalrijke en/of lemige bodems met een hogere fosfor- en kaliumbeschikbaarheid, zoals holtpodzolgronden, leidt extra stikstof tot een hogere productiviteit en meer vergrassing en verruiging (Bron: Bijlsma et al., 2012). Normaliter accumuleert er wel wat strooisel, maar wordt de humus, vooral in de vorm van moder, door homogenisatie in het minerale profiel opgenomen (endorganische humusprofiel) (Bron: Bijlsma et al, 2009, Van Delft et al, 2006.). Tegenwoordig komt vergrassing van droge heide met pijpenstrootje op moderpodzolgronden steeds vaker voor en kan de soort dominant worden en een dik pakket strooisel vormen. De soort profiteert mogelijk van verhoogde ammoniumgehalten. Ook kan bodemdegradatie onder invloed van de stikstofdepositie een oorzaak zijn. Micropodzolering in holtpodzolgronden is een bekend verschijnsel (Bron: De Bakker en Schelling, 1989), maar tegenwoordig lijkt de podzolering steeds grotere vormen aan te nemen en lijkt een pH van 3-4 in de bovengrond steeds vaker op te treden.

Zoals eerder omschreven spoelen door verzuring als gevolg van depositie sporenelementen uit en veranderen verhoudingen in de bodem. Maar ook bekalking van geplagde of gechopperde heide en soms ook de combinatiebehandeling van kalkstoffen en steenmeel, en afvoer door plaggen, kunnen leiden tot uitspoeling in de bodem en/of verschuivingen in de balans tussen (sporen)elementen (K, Na, Mn, Fe, Zn) en de toegediende calcium en magnesium in de plant (Bron: Vogels et al., 2020, Vogels et al., 2021, Verbaarschot et al., 2021). Hierdoor verandert ook de plantkwaliteit, waardoor soorten die afhankelijk zijn van de planten in een slechtere conditie verkeren of hun levenscyclus niet meer kunnen voltooien (Bron: Vogels et al., 2016, Nijssen et al., 2017, Kurze et al., 2018, Vogels et al., 2021, Verbaarschot et al., 2021). Over het geheel genomen verbetert echter de bodemchemie en plantkwaliteit, maar de (mogelijk tijdelijke) verschuivingen in sporenelementen lijken voor de fauna dus ook negatief te kunnen uitpakken. Voor dieren als sprinkhanen zijn elementen als kalium, natrium, mangaan, koper en diverse andere sporenelementen van belang om te functioneren (Bron: Joern et al., 2011). Soms wordt als oplossing tegen bodemverzuring diepbekalking en het op- of inbrengen van leem voorgesteld.

Het aanpassen van de bodemeigenschappen wordt beschouwd als conflicterend met het algemene doel van Natura 2000, namelijk het behoud van de natuurlijke kenmerken, zie ook 6.1.3.

40

Herstelprogramma Heiden en stuifzanden | Natura 2000 Veluwe | Mei 2023

De aanhoudende stikstofdepositie verandert dus de bodem en het humusprofiel. Dit leidt, net als plaggen en chopperen en bekalken, tot vergrassing en vermossing, minder structuurvariatie, meer bosopslag en een koeler en vochtiger microklimaat. Daardoor neemt het voortplantingshabitat en leefgebied af van warmte minnende soorten of soorten die kaal zand nodig hebben in hun levenscyclus. Ook daalt de beschikbaarheid van voedselplanten en prooien en wordt foerageren moeilijker (Bron: Nijssen et al., 2019). Deze processen hebben diverse gevolgen voor de bijzondere natuurwaarden op de Veluwe. Zo verdwijnen onder andere kale en schaars begroeide plekken en nestgelegenheid voor bijvoorbeeld soorten als de boomleeuwerik en de tapuit. Ook wordt er meer vocht vastgehouden in de strooisellaag waardoor er mogelijk minder water toestroomt naar de natte delen van de Veluwe (meer water vasthouden, ter plekke infiltratie en verdamping, daardoor minder afstroming naar lage terreindelen en waterleverantie) (Bron: Smits et al., 2020a) en de daar voorkomende vochtige habitattypen. In de stuifzanden stimuleert stikstofdepositie de groei van algenmatten en de exoot grijs kronkelsteeltje. Dit zorgt voor versnelde vastlegging van stuifzand en successie. Door verbossing (onder meer met exoten) groeien stuifzanden versneld dicht en vermindert de windwerking (Bron: Sparrius & Riksen, 2019).

Dit leidt dan onder meer tot een afname van kaal zand en de verstuiving ervan, en de afname van de kwaliteit van de diverse successiestadia (Bron: Riksen et al., 2020). Grootschalig systeemherstel is niet zinvol zolang de depositie nog te hoog is. Het treffen van maatregelen die de snelle achteruitgang vertragen lijkt het hoogst haalbare op korte termijn in de stuifzanden. In de vochtige heiden leidt de stikstofdepositie tot vermesting, verzuring en ophoping van ammonium. Gevolgen hiervan zijn onder meer de vorming van algenmatten, dominantie van pijpenstrootje en afname van soorten van meer gebufferde omstandigheden, zoals klokjesgentiaan, gevlekte orchis en heidekartelblad (Bron: Smits et al., 2020a). In de droge heiden en heischrale graslanden leiden vermesting en verzuring tot vergrassing, vervilting, versneld dichtgroeien en het verdwijnen van karakteristieke soorten van deze habitattypen. Verhoogde aluminium- en ammoniumconcentraties (Bron: Van den Berg et al., 2008) en een verlaagde kationenbeschikbaarheid, fosforlimitatie en verminderd aandeel verweerbare mineralenvoorraad en uitloging van mineralen en sporenelementen in de bodem, zorgen dat de omstandigheden voor veel soorten ongunstig zijn geworden. Hierdoor gaan soorten verloren.

Veel kruiden van meer gebufferde omstandigheden zijn vrijwel verdwenen uit het heidelandschap of komen nog slechts spaarzaam lijnvormig voor langs bijvoorbeeld voormalige schelpenpaden (Bron: Herstelprogramma’s Natura 2000 Veluwe Syntheserapporten). Sommige typische soorten als kruipbrem, liggende vleugeltjesbloem en kleine schorseneer zijn gebonden aan beter gebufferde omstandigheden en kunnen niet tegen verhoogde aluminium- en/of ammoniumconcentraties in de bodem (Bron: De Graaf et al., 2004). Sinds de jaren ’80 worden plaggen en bekalking toegepast als herstelmaatregel tegen ophoping van stikstof en verzuring. Door de bekalking stijgen de basenverzadiging en pH en dalen de concentraties van aluminium en ammonium. Het werkt zeker 10 – 15 jaar door en heeft gezorgd voor behoud en terugkeer van bedreigde heischrale soorten (Bron: Smits et al, 2020d). Bekalken kan ook een negatief effect hebben op de beschikbaarheid van fosfaat en de plantkwaliteit (Bron: Vogels et al., 2016, Vogels et al., 2021) . Uit onderzoeken naar de toepassing van steenmeel in heischrale graslanden blijkt tot nu toe dat de middellange-termijneffecten vooralsnog zeer klein of afwezig zijn (Bron: Bobbink et al., 2020). Voor de droge heischrale graslanden is daarom nog geen goede herstelmaatregel voor de bodemchemie en plantkwaliteit en daarmee de herbivore fauna voorhanden.

41

Herstelprogramma Heiden en stuifzanden | Natura 2000 Veluwe | Mei 2023

De mate waarin veranderingen mogelijk optreden wordt onder meer bepaald door verschillen in abiotische processen en biotische eigenschappen (vegetatiesamenstelling en biotische interacties), waardoor de invloed van de stikstofdepositie en maatregelen daartegen op de voedselkwaliteit niet in elk ecosysteem hetzelfde zal zijn, zie § kennisleemten (Bron: Vogels et al., 2020).

5.1.2

Verlies aan ruimtelijke samenhang en versnippering Het verlies aan ruimtelijke samenhang kan op verschillende ruimtelijke niveaus bekeken worden. In dit herstelprogramma kijken we naar de samenhang op zowel het niveau van de gehele Veluwe als de interne samenhang binnen een aaneengesloten natuurgebied.

Afname gradiënten en landschappelijke samenhang Het heidelandschap is altijd aan verandering onderhevig geweest, gekoppeld aan de regionale (sociaaleconomische) ontwikkeling: met perioden van overmatig gebruik en relatieve rust, met meer intensief gebruikte delen tot extensief gebruikte terreindelen. Het gebruik van de heide was en is soms nog divers: van begrazen, branden, steken van plaggen en maaien tot het winnen van ijzer, zand, grind en leem, transport, militair gebruik en het benutten van struwelen en hakhoutbeheer. Dit gebruik in combinatie met de variatie van de ondergrond heeft geleid tot een divers gradiëntrijk landschap, met dynamische milieus en relatief onbeheerde stabielere plekken (Bron: Nijssen & Vogels, 2014, Neefjes, 2018). Delen van het terrein die door dynamiek en beheer (tijdelijk) ongeschikt waren voor soorten wisselden af met geschikte leefgebieden. De terreinen kenden vroeger een veel grotere variatie in voedselrijkdom, vochtvoorziening, buffering van de bodem, leeftijd en gebruiksgeschiedenis dan tegenwoordig. Die gradiënten in voedselrijkdom, gebruik en dynamiek resulteerden in een hoge biodiversiteit van het heidelandschap. Door de omvang, aaneengeslotenheid en gebruik van het heidelandschap konden soorten het gebied vaak weer koloniseren, mocht het tijdelijk ongeschikt zijn geworden.

De meest rijke terreindelen van het heidelandschap waren de van nature mineraalrijkere en meer gebufferde bodems en de akkers. Deze zijn in de huidige tijd veelal in gebruik genomen als landbouwgronden, bebost of bebouwd (Bron: Kappert & Bijlsma, 2012). Ook arme delen van het heidelandschap zijn omgevormd, vooral naar (dennen)bos en naar intensief gebruikte landbouwgronden. Waar het landschap vroeger bestond uit cultuureilanden van dorpen en gehuchten met akkers, te midden van het uitgestrekte heidelandschap met enkele bossen, lijkt de situatie nu deels omgekeerd: de vaak armste delen van het heidelandschap zijn nu eilanden te midden van bos, intensief agrarisch gebruikte gronden en bebouwing. Ook door het verdwijnen van vochtige natuur zijn stapstenen en metapopulaties verdwenen en leefgebieden van karakteristieke kleine fauna geïsoleerd geraakt. Door dit alles zijn veel van de geleidelijke overgangen die in het verleden de kwaliteit van de heide bepaalden verdwenen en zijn veel scherpe overgangen in de plaats gekomen.

Dit verlies aan oppervlak, gradiënten van droog naar nat, arm naar rijk, lage begroeiing naar struweel en bos, variatie in voedselrijkdom, buffering van de bodem, leeftijd en gebruiksgeschiedenis, heeft geleid tot een minder robuust systeem en tot verlies aan karakteristieke en typische soorten van de habitattypen van het heidelandschap (Bron: Kleijn et al., 2018, Bijlsma et al., 2022m). Resterende populaties van karakteristieke soorten zijn hierdoor kwetsbaar voor de gevolgen van onder meer stikstofdepositie, klimaatverandering en verandering in beheer.

42

Herstelprogramma Heiden en stuifzanden | Natura 2000 Veluwe | Mei 2023

Door het in gebruik nemen van de rijkere heidegronden en het intensiveren van de (oude) akkergronden zijn er tegenwoordig te weinig akkers die geschikt zijn voor zowel overwinterende broedvogels als voor wintergasten (Bron: Herstelprogramma’s Natura 2000 Veluwe Syntheserapporten; Bijlsma et al., 2022a-l). Soorten zijn direct van deze akkers afhankelijk, zoals blauwe kiekendieven die er in de winter op veldmuizen en zangvogels jagen (Bron: De Boer et al., 2013, Van Turnhout et al., 2013, Vervoort & Klaassen, 2016), foeragerende duiven, gorzen, vink-achtigen, klauwieren en leeuweriken (Bron: Vogels et al., 2013, Nijssen et al., 2019). Maar ook indirect, wanneer houtduiven voedsel vinden op deze akkers en op hun beurt weer als voedsel dienen voor bijvoorbeeld havik (Bron: Bijlsma R.G. 1993, Van Rijn, 2014) (met mogelijk verminderde predatiedruk op wespendieven (Bron: Voskamp, 2000, Van Manen et al., 2011)) of wespendieven (Bron: Van Manen et al., 2011). Daarnaast zijn er te weinig akkers die gedurende het voortplantingsseizoen voedsel en leefgebied bieden aan bijvoorbeeld insecten (Bron: Peeters et al., 2001), zoogdieren en vogels. Complexen van akkers met zandpaden, greppels, struweel, overgangen naar heide en heischrale graslanden kunnen leefgebied vormen voor zeldzame karakteristieke soorten, zoals de wrattenbijter (Bron: Krekels et al., 2002) of grote parelmoervlinder.

Ook akkersoorten als slofhak (prioritaire soort soortenbeleid Gelderland) en brede raai zijn onder druk komen te staan en zijn gebaat bij extensiever beheerde graanakkers (zonder kunstmest en herbiciden). Door het uitrasteren (zonder voorzieningen) van akkers om gewassen te beschermen tegen vraat- en woelschade, is er ook minder foerageergebied voor een soort als de das, terwijl er eenvoudige oplossingen voor zijn (Bron: Vink & Schröder, 2021).

Versnippering en barrièrewerking Naast de beschreven kwalitatieve achteruitgang zijn veel gebieden kleiner geworden en meer geïsoleerd geraakt. Lokaal uitsterven door calamiteiten is een gewoon verschijnsel en wordt gecompenseerd door herbezetting, het opnieuw koloniseren. Barrières kunnen dispersie verhinderen (Bron: Bergers & Kalkhoven, 1996). Dispersie is een meestal ongerichte verplaatsing, actief (zelf vliegen of lopen) of passieve (bijvoorbeeld meevoeren met dieren, wind of water), met als doel het koloniseren van nieuwe geschikte habitat. Wegen en (fiets)paden vormen vaak verdere barrières voor dispersie en leiden tot aanrijdingen, waardoor populaties in omvang afnemen en de kans op isolatie en uitsterven toeneemt. Versnippering van leefgebied kan soorten verhinderen om mee te bewegen met klimaatverandering of om gebieden te herkoloniseren na calamiteiten (Bron: Fourcade et al., 2021). Zo blijft herkolonisatie door korstmossen na ingrijpend beheer vaak uit of kan herkolonisatie lang duren (Bron: Aptroot & Van Herk, 2005). De korstmossenflora op de Veluwe bestaat vaak nog maar uit enkele soorten, terwijl het aantal korstmossen vrijwel net zo groot kan zijn als het aantal vaatplanten (Bron: Aptroot & Van Herk, 2005, Smits et al., 2020b). Veel soorten van meer gebufferde omstandigheden komen voor langs (fiets)paden.

Deze plekken zijn van groot belang voor het hele heidelandschap, maar zijn vaak niet beschermd. Verbreding van fietspaden en wegen kan dan ook leiden tot een nog kleiner aandeel kruiden in het totale heidesysteem, met negatieve gevolgen voor de kwaliteit van het heidelandschap en de hier voorkomende habitattypen. Ook is er meer verstoring langs de paden door recreanten, waardoor de bermen ongeschikt zijn voor verstoringsgevoelige soorten.

43

Herstelprogramma Heiden en stuifzanden | Natura 2000 Veluwe | Mei 2023

Voor kleine fauna vormen fiets- en mountainbikepaden een groeiend probleem (Bron: Bijlsma, R. G., 2021, Struijk, R. en J. van Delft. 2021, Ravon Balans 2021). Het gebruik ervan neemt toe, fietsers hebben een grotere snelheid en met de komst van e-choppers ook bredere banden, waardoor de kans op verkeersslachtoffers, vaak diverse insecten, amfibieën en reptielen, veel groter is geworden. Door de toegenomen drukte op fietspaden neemt de druk om die te verbreden ook toe. Materialen als schelpen en leemgrind lijken voor buffering en fauna betere opties, maar toch is het niet altijd duidelijk welke materialen in welke situaties het beste gebruikt kunnen worden om kruiden en de kleine fauna van het heidelandschap te beschermen en die ook gebruiksvriendelijk en duurzaam zijn. Ook is onbekend met welke methode wegen en paden in welke situatie (voorkomende soorten, aardkundige en archeologische waarden, erosie, snelheden en dergelijke) het best passeerbaar kunnen worden gemaakt, zie § kennisleemten. In welke mate fietspaden van invloed zijn op de duurzame instandhouding van vitale populaties van kenmerkende soorten zoals gladde slang en adder of kevers, is niet duidelijk.

Vaak zijn de populatiestructuur en -omvang en -dynamiek, het reproductiegetal en daarmee ook de effecten van extra mortaliteit onbekend, zelfs van soorten die nog enigszins redelijk gemonitord of doorgegeven worden via portalen zoals Waarneming.nl, waaronder reptielensoorten, zie § kennisleemten. Hierdoor (h)erkennen organisaties het knelpunt niet en is er verminderd draagvlak voor maatregelen als het aanpassen van materiaalsoorten of het aanleggen van faunapassages. Levensvatbaarheid Door versnippering en verkleining van leefgebieden zijn veel populaties van soorten te klein en geïsoleerd ten opzichte van elkaar. Dit kan leiden tot processen die de vitaliteit van populaties verder aantast, zoals verlies van genetische diversiteit (Bron: Oostermeijer et al., 2003, Luijten & Oostermeijer, 2008, Bijlsma et al., 2011, Vergeer & Ouborg, 2011). Dit komt voor bij soorten in diverse habitats, zoals de kleine schorseneer en de heidezegge in heide en heischraal grasland en mogelijk bij kleine jeneverbesvoor-komens (Bron: Oostermeijer & De Knegt, 2004, Oostermeijer et al., 2014, Van Noorel, 2021).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13188905/1