St. t.k.n. nr. 3. BijlageHerstelprogramma Heiden en stuifzanden GS mei 2023
Tekst van het document
Herstelprogramma Heiden en stuifzanden Natura 2000 Veluwe Mei 2023
Herstelprogramma Heiden en stuifzanden
Natura 2000 Veluwe
Provincie Gelderland, 2023
Foto voorzijde Droge heide Planken Wambuis, fotografie: Bas Klaver
Inhoudsopgave Samenvatting
6
1
Inleiding
10
2
Context herstelprogramma
15
3
Totstandkoming van het herstelprogramma
29
4
Natura 2000-doelen en -opgaven
35
3
Herstelprogramma Heiden en stuifzanden | Natura 2000 Veluwe | Mei 2023
1.1 1.2 1.3 1.4 1.5 1.5.1 1.5.2 1.5.3 1.5.4 1.6
Waarom natuurherstel? Natura 2000-beheerplan Veluwe Herstelprogramma’s Uniekheid Veluwse heiden en stuifzanden Doel herstelprogramma Heiden en stuifzanden Habitattypen en vogelrichtlijnsoorten Bronmaatregelen atmosferische depositie en gebiedsvreemde stoffen Samenhangend pakket aan maatregelen en herstelprogramma’s Behalen doelstellingen Leeswijzer
2.1 Natura 2000 en juridische status 2.2 Provinciaal beleid 2.2.1 Kwalitatief hoogwaardige natuur 2.2.2 Ruimtelijke bescherming 2.2.3 Natuurdoelen 2.2.4 Watercondities 2.2.5 Stikstofbeleid Rijk en provincies 2.2.6 Gebiedsprogramma voor Gelderland voor het NPLG 2.2.7 Gelderse Maatregelen Stikstof en overgangsgebieden 2.2.8 Landelijke bossenstrategie ‘Bos voor de Toekomst’ 2.2.9 Bossenstrategie Gelderland 2.2.10 Agenda Natuurinclusief 2.2.11 Aanvalsplan Landschap 2.2.12 Faunabeleid en wilddruk 2.2.13 Rasterbeleid 2.2.14 Actieve soortenbescherming 2.2.15 Kweek en herintroductie 2.2.16 Invasieve exoten 2.2.17 Klimaatverandering 2.2.18 Preventie van onbeheersbare natuurbranden 2.2.19 Bestrijdingmiddelen 2.3 Ecologische context 3.1 3.2 3.2.1 3.2.2 3.3 3.4 3.5 3.6 3.7 4.1 4.2 4.3
Instellen beheerdersadviesgroep Uitwerken ecologisch beoordelingskader Habitatclusters Typische en karakteristieke soorten Opstellen synthesedocumenten voor 12 deelgebieden Gebiedssessies over de synthese-documenten met beheerders Uitwerking Veluwe-brede analyse Natura 2000-doelen Aanvullende analyse ten behoeve van ecologische onderbouwing Gesprekken met terreineigenaren over aanvullende optimalisatiekansen Kernopgaven en algemene doelen Doelen habitattypen Doelen Vogelrichtlijnsoorten
10 11 11 12 13 13 13 13 14 14
15 18 18 18 18 19 19 20 20 21 21 21 22 22 23 23 24 24 25 25 26 27 29 29 30 30 32 33 33 34 34 35 36 37
5
5.1 5.1.1 5.1.2 5.1.3 5.1.4 5.1.5 5.1.6 5.1.7 5.1.8 5.1.9 5.1.10 5.2 5.2.1 5.2.2 5.2.3 5.2.4 5.2.5 5.2.6 5.2.7 5.2.8 5.3 5.3.1 5.3.2 5.3.3 5.3.4 5.3.5 5.3.6 5.3.7 5.3.8
6
Analyse
38
Maatregelen
69
Knelpunten voor het behalen van de instandhoudingsdoelen Vermesting, verzuring, uitloging en plantkwaliteit Verlies aan ruimtelijke samenhang en versnippering Vervuiling met gebiedsvreemde stoffen Beheer Klimaatverandering Verdroging Verstoring Exoten Achteruitgang flora en fauna Beleidsmatige knelpunten Sleutelfactoren Verminderen stikstofdepositie en gebiedsvreemde stoffen Versterken van refugia en hotspots Kwaliteitsverbetering door oppervlaktevergroting en extensivering Optimalisatie beheer Verbeteren bodemchemie (Lokaal) verlagen van graas- en wroetdruk Gerichte voorlichting Aanpak verdrogingsproblematiek Kennisleemten Kennisleemten doorwerking stikstofdepositie Verlies aan ruimtelijke samenhang en versnippering Vervuiling met gebiedsvreemde stoffen (MHS145) Beheer Klimaatverandering en verdroging Exoten (MHS151) Achteruitgang karakteristieke soorten Monitoring
6.1 6.1.1 6.1.2 6.1.3 6.1.4 6.1.5 6.1.6 6.1.7 6.1.8 6.1.9 6.2 6.3 6.3.1 6.3.2 6.4 6.4.1 6.4.2 6.4.3 6.4.4 6.4.5 6.4.6 6.4.7 6.4.8 6.4.9 6.4.10 6.4.11 6.4.12 6.4.13
Randvoorwaarden herstelprogramma Vooronderzoek Leefgebied langs (fiets)paden Aanpassen bodemeigenschappen Onbedoelde inbreng van pesticiden en biociden Plaggen en chopperen en verwijderen strooisel Herintroductie en bijplaatsen soorten, zaaigoed en plantmateriaal Behouden opslag Begrazing Rasters PAS-maatregelen SPUK-maatregelen en Rijksregeling versneld natuurherstel SPUK-maatregelen Rijksregeling versneld natuurherstel Herstelmaatregelen De verschillende typen maatregelen Welke maatregel wordt waar genomen? Duurzame heide Extensiveren en aankoppelen landbouwgrond Heidecorridors en ecoduct Leefgebied draaihals Versterken heidelandschap Maatregelen stuifzandlandschap Maatregelen jeneverbesstruweel Herstel vochtige en natte heidelandschap Onderzoeken uit synthesedocumenten Overkoepelend begrazingsplan (MHS158) Ontwikkeling tijdelijke heideakkers (MHS159)
4
Herstelprogramma Heiden en stuifzanden | Natura 2000 Veluwe | Mei 2023
38 38 42 45 47 51 55 55 55 56 58 59 59 59 59 60 60 60 60 61 61 61 63 64 64 66 67 67 68
69 70 70 70 71 71 71 72 72 72 73 74 74 75 75 75 76 76 78 80 81 83 84 85 85 86 87 87
6.4.14 6.4.15 6.4.16 6.4.17 6.4.18 6.4.19 6.4.20 6.4.21 6.4.22 6.4.23 6.4.24
7
7.1
Maatregelen fietspaden (MHS160) Maatregelen voor leemkuilen (MHS161) Lerend netwerk (MHS162) Natuurbrandpreventie (MHS163) Draagvlak, waardering natuur en cultuurhistorie (MHS165) Beelden delen grootschalige eenheid natuur (MHS166) Zoneringsplan honingbij (MHS178) Duurzame beheervergoeding Project heischraal grasland (MHS140) Soortgerichte maatregelen (MSH122-131, MSH152, MHS153, MHS157, MHS170, MHS177) Veluwe helpen met schelpen (MHS174)
88 89 89 89 89 90 90 90 91
Monitoring
93
7.2 7.3 7.4 7.5 7.6 7.7 7.8
Uitgangspunten voor monitoring vanuit het Natura 2000-beheerplan Veluwe VHR-doelen Habitattypen VHR-soorten Gewenst systeemherstel Voortgang van de uitvoering van de herstelprogramma’s Effect van de herstelmaatregelen Monitoringsstrategie
8
Uitvoering herstelprogramma
8.1 8.2 8.3 8.4 8.5 8.6 8.7
5
93 93 93 95 95 95 96 96
97
Realisatie maatregelen herstelprogramma Rollen en verantwoordelijkheden Uitvoering Vooronderzoek Subsidie Communicatie Na afloop
97 97 98 98 99 99 100
Geraadpleegde bronnen
101
Bijlagen
91 92
Bijlage 1: Deelnemers beheerdersadviesgroep Bijlage 2: Karakteristieke soorten flora en fauna Bijlage 3: Randvoorwaarden bijplaatsen en herintroductie Bijlage 4: Maatregelentabel Bijlage 5: Maatregelenkaarten Bijlage 6: Perspectiefkaarten
Herstelprogramma Heiden en stuifzanden | Natura 2000 Veluwe | Mei 2023
111
112 113 125 128 184 197
Samenvatting Dit herstelprogramma voor heiden en stuifzanden is een uitwerking van het Natura 2000-beheerplan Veluwe. Dit plan bevat een analyse van de oorzaken waardoor de instandhoudingsdoelen nog niet behaald kunnen worden voor de heiden en de stuifzanden en benoemt de sleutelfactoren. De sleutelfactoren zijn leidend voor het bepalen van de maatregelen die moeten leiden tot herstel van de heiden en de stuifzanden. Er zijn enkele sleutelfactoren die een groot knelpunt op de Veluwe vormen waarvoor in dit herstelprogramma geen maatregelen opgenomen kunnen worden omdat het om bronmaatregelen gaat. Dit betreft op de eerste plaats de te hoge stikstofdepositie. Hetzelfde geldt voor bronmaatregelen om de invloed van gebiedsvreemde stoffen als pesticiden te verminderen. Echter, als naast het verlagen van de stikstofdepositie, de impact van gebiedsvreemde stoffen, de recreatiedruk en de wilddruk op plekken waar dit noodzakelijk is, worden verlaagd, is het mogelijk de instandhoudingsdoelen te halen of daaraan substantieel bij te dragen.
Het herstelprogramma Heiden en stuifzanden is opgesteld voor de volgende habitattypen: • H2310 Stuifzandheiden met struikhei; • H2320 Binnenlandse kraaiheibegroeiingen; • H2330 Zandverstuiving; • H4010A Vochtige heiden (hogere zandgronden); • H4030 Droge heiden; • H5130 Jeneverbesstruweel; • H6230* Heischrale graslanden; • H7150 Pioniervegetaties met snavelbies. En voor de volgende vogelrichtlijnsoorten: • A224 Nachtzwaluw; • A233 Draaihals; • A246 Boomleeuwerik; • A255 Duinpieper; • A276 Roodborsttapuit; • A277 Tapuit; • A338 Grauwe klauwier.
Tongerense heide (fotografie: Norbert Voskens)
6
Herstelprogramma Heiden en stuifzanden | Natura 2000 Veluwe | Mei 2023
Analyse: van verzuring en verdroging tot invasieve exoten Eén van de belangrijkste knelpunten op de Veluwe is verzuring en vermesting door stikstofdepositie. De gevolgen kunnen worden samengevat als het verdwijnen van kale en schaars begroeide plekken en nestgelegenheid, versneld dichtgroeien van de stuifzanden met algenmatten en grijs kronkelsteeltje met versnelde vastlegging van stuifzand en successie tot gevolg. Op de heiden en heischrale graslanden ontstaat onder andere vergrassing. Door verzuring spoelen sporenelementen uit en veranderen verhoudingen in de bodem, waardoor ook de plantkwaliteit verandert. Naast bronmaatregelen kan worden geprobeerd zo veel mogelijk de negatieve effecten tegen te gaan, maar dit zijn overlevingsmaatregelen. Versnippering van het van oorsprong uitgestrekte heidelandschap leidt tot vermindering van het oppervlak leefgebied voor soorten en ook tot minder geleidelijke gradiënten en variatie. Fietspaden vormen een groeiend probleem. Het is drukker, fietsers gaan sneller. Daardoor neemt ook de kans op aanrijden van reptielen en hagedissen toe. Vervuiling door gebiedsvreemde stoffen is een drukfactor voor soorten waarmee het al slecht gaat. Bij gebiedsvreemde stoffen kun je denken aan gewasbeschermingsmiddelen, PFAS en microplastics.
Het beheer van heide en stuifzanden is lange tijd noodgedwongen gericht op het intensief en vrij grootschalig verwijderen van voedingsstoffen, het terugdringen van vergrassing en het tegengaan van boomopslag. Hierdoor is op veel plekken een homogene en verarmde heide ontstaan, met minder (micro)gradiënten, minder organische stof en een slechtere bodemchemie. Soms wordt in het beheer te weinig rekening gehouden met de wensen van specifieke soorten. Faunabeheer kent dilemma’s: soorten als edelhert en wild zwijn horen bij de Veluwe, hebben positieve effecten door bijvoorbeeld verschraling, maar kunnen door plaatselijk te hoge wildstanden ook leiden tot bijvoorbeeld overbegrazing. Iets vergelijkbaars speelt bij de inzet van begrazing. Door klimaatverandering veranderen concurrentieverhoudingen en interacties tussen planten. In combinatie met stikstofdepositie begint het groeiseizoen vroeger, waardoor de bodem in het voorjaar minder opwarmt. Dit is nadelig voor soorten die in het voorjaar deze warme plekken nodig hebben. Soorten zullen verdwijnen, deels komen daar andere, zuidelijke soorten voor in de plaats. De Veluwe is tegenwoordig veel droger dan vroeger. Dat komt vooral door het veranderde landgebruik, waaronder grondbewerking en onttrekking van grondwater.
De droge jaren 2018-2020 hebben bovendien laten zien dat ook de grondwateronafhankelijke vegetaties lijden onder de droogte. Door toenemende droogte neemt ook het risico op natuurbranden toe. Plaatselijk kunnen (invasieve) exoten inheemse soorten verdringen, ook in de kwalificerende habitattypen. Bekende probleemsoorten zijn Amerikaanse vogelkers, grijs kronkelsteeltje, Japanse, Sachalinse en Afghaanse duizendknoop en watercrassula.
7
Sleutelfactoren: knoppen om aan te draaien In dit programma worden voor het nemen van herstelmaatregelen de volgende sleutelfactoren onderscheiden: • Versterken refugia en hotspots voor het behoud van lokale populaties van karakteristieke soorten; • Oppervlaktevergroting en extensivering: hierdoor verbetert de kwaliteit van habitattypen;
Herstelprogramma Heiden en stuifzanden | Natura 2000 Veluwe | Mei 2023
• Optimalisatie beheer: vooronderzoek is nodig naar karakteristieke soorten en hotspots; • Verbeteren bodemchemie in verband met bijdragen aan behoud van soorten en het vitaal houden van het hele systeem. • Het bestrijden van verdroging met een meer lokale of regionale oorzaak draagt bij aan het herstellen van de abiotische variatie in gradiënten en het herstellen van de vochtige en natte natuurtypen van het heidelandschap.
Kennisleemten: noodzakelijke kennis om instandhoudingsdoelen te halen Natuurlijk is nog niet alles bekend en is het nodig een aantal kennisleemten op te lossen om de instandhoudingsdoelstellingen te kunnen halen. Deze liggen over het algemeen op het gebied van bovengenoemde knelpunten en sleutelfactoren. Het gaat onder andere om de gevolgen van vermesting, verzuring, bodem en plantkwaliteit. Over het verlies aan ruimtelijke samenhang, maar ook over de achteruitgang van karakteristieke soorten zoals de tapuit en over de invloed van de achteruitgang van heidebeheer op mierenpopulaties.
Maatregelen en randvoorwaarden De maatregelen in dit herstelprogramma zijn alleen effectief als wordt voldaan aan een aantal randvoorwaarden. Herstel is namelijk niet mogelijk als soorten al verdwenen zijn. Daarom is een van de randvoorwaarden dat behouden blijft wat er nog is. Dit kan bijvoorbeeld door middel van goed vooronderzoek en tijdige mitigatie van kruiden voordat een fietspad verbreed wordt. Voor het beheer geldt ook een aantal randvoorwaarden zoals het zorgvuldig omgaan met chopperen en plaggen, herintroductie en bijplaatsen van soorten, het opstellen van een begrazingsplan en het plaatsen van rasters. In dit herstelprogramma zijn maatregelen voor behoud en verbetering van natuurwaarden uitgewerkt. De maatregelen zijn vergelijkbaar met de voormalige PAS-herstelmaatregelen, zoals exoten verwijderen en de aanleg van corridors. Anders dan in het PAS worden ze nu waar mogelijk locatiespecifiek en in hun totaliteit benoemd. Het gaat om maatregelen die eenmalig worden uitgevoerd om de natuur te herstellen. De voormalige PAS-herstelmaatregelen, zoals genoemd in het paragraaf 6.2 van het Natura 2000-beheerplan Veluwe, blijven wel bestaan. Ze vormen een aanvulling op de maatregelen in dit herstelprogramma omdat ook doorlopende maatregelen noodzakelijk blijven, zoals extra beheer als gevolg van een te hoge stikstofdepositie.
De maatregelen, waarvan de uitvoering is voorzien tot 2036, is in een zevental typen maatregelen te onderscheiden: • Inrichting en omvorming natuur; dit zijn maatregelen gericht op een andere terreininrichting zoals de maatregelpakketten voor duurzame heide, voor stuifzandlandschap, voor herstel van vochtige en natte heidelandschappen, voor jeneverbesstruweel, voor de leefgebied van de draaihals, de aanleg van tijdelijke heideakkers en de aanleg van (heide)corridors en een ecoduct. • Extensivering en aankoppelen van landbouwgrond. Het extensiveren is gericht op uitbreiding van leef- en foerageergebied dan wel op het veiligstellen van inzijggebied van bijvoorbeeld een vochtige heide. Extensivering betekent niet noodzakelijk dat de percelen worden omgezet naar natuur. Dit kan ook door middel van een andere bedrijfsvoering. Ook kan het gaan om extensieve percelen waar een ander gebruik vanuit natuurbelang wenselijk is, bijvoorbeeld graanteelt in plaats van vee. • Soortgerichte maatregelen; voor sommige soorten is algemeen systeemherstel onvoldoende en zijn specifieke maatregelen nodig. Denk hierbij aan de zadelsprinkhaan, het gentiaanblauwtje en de bosparelmoervlinder. Ook het eventueel herintroduceren van soorten valt onder deze categorie maatregelen, net als het bestrijden van exoten.
8
Herstelprogramma Heiden en stuifzanden | Natura 2000 Veluwe | Mei 2023
• Beheer; deze maatregelen betreffen het regulier dan wel aanvullend beheer en de randvoorwaardelijke onderdelen daarvan. Denk hierbij aan extra chopperen of inzet van gescheperde begrazing en realisatie van nachtkralen of schaapskooien. Het opstellen van een overkoepelend begrazingsplan samen met de beheerders vergroot een efficiënte inzet van schaapskuddes. • Beleid- en planvorming; op een aantal onderwerpen is aanvullend beleid nodig. Denk hierbij onder andere aan afstemming van beleid op het vlak van fietspaden en maatregelen om fietspaden passeerbaar te maken, maar ook aan eventueel aanvullende subsidiekaders ten behoeve van schaapskuddes of beheer van leemputten. • Onderzoek; deze maatregelen kunnen betrekking hebben op onderzoeken met een bredere scope en niet gericht op een specifieke locatie, maar op algemene kennislacunes. De maatregelen in deze categorie kunnen ook betrekking hebben op onderzoeken die juist wel locatiespecifiek zijn, zoals een biogeochemisch onderzoek, of om bredere onderzoeken, zoals een landschapsecologische systeemanalyse. Het gaat bij deze onderzoeken om kennis die nodig is ter voorbereiding van de goede uitvoering van maatregelen. • Communicatie en bewustwording; Voor een deel kunnen we knelpunten technisch oplossen in de gebieden. Voor een aantal problemen is echter gedragsverandering bij bezoekers/gebruikers nodig.
Onder deze categorie valt ook het opzetten van een lerend netwerk. Hierbij gaat het niet zozeer om gedrags beïnvloeding maar leren van elkaar. De maatregelen zijn zover mogelijk lokaal inzichtelijk gemaakt in de bijlagentabel en bijbehorende kaarten.
9
Herstelprogramma Heiden en stuifzanden | Natura 2000 Veluwe | Mei 2023
1 Inleiding 1.1
Waarom natuurherstel? De natuur op de Veluwe is zeer waardevol. De uitgestrekte zandverstuivingen, heidevelden, bossen, vennen, venen en beken zijn van internationaal belang. De Veluwe is ook een fijne plek om te wonen en werken, een populaire vakantiebestemming en een plek waar van oudsher veel bedrijvigheid plaatsvindt in allerlei sectoren zoals landbouw en industrie. Het gaat al een lange tijd niet goed met de natuur op de Veluwe, veel plant- en diersoorten hebben het moeilijk. Dit heeft verschillende oorzaken. Het Veluwse systeem is al gevoelig door de eeuwenlange overexploitatie van de bodem. Door te veel stikstof – afkomstig van bijvoorbeeld agrarische bedrijven, verkeer en industrie – wordt de bodem voedselrijker. Kenmerkende planten en dieren die juist houden van een voedselarme grond kunnen zich daardoor niet ontwikkelen. Stikstof zorgt ook voor verzuring van de bodem, waardoor belangrijke mineralen uitspoelen. De Veluwe trekt daarnaast veel bezoekers die op plekken de natuur verstoren, waardoor dieren moeilijker voedsel vinden en hun jongen moeilijker groot kunnen brengen. Wegen en bouwwerken versnipperen de leefgebieden. In vergelijking met vroeger staan er op de Veluwe veel meer bomen, die ook water gebruiken.
Hierdoor is de Veluwe al droger dan vroeger, daar komt de laatste jaren ook extra verdroging en droogte bij als gevolg van onttrekking van grondwater en een veranderend klimaat. Om de unieke natuur te beschermen heeft de toenmalige minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie (EL&I) een groot deel van de Veluwe in 2014 aangewezen als Natura 2000-gebied. Natura 2000-gebieden zijn Europees beschermde natuurgebieden. In deze gebieden worden bepaalde plant- en diersoorten en habitattypen beschermd: soorten en habitats die zijn opgenomen in de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn (zie kader). In het aanwijzingsbesluit voor de Veluwe staan de grenzen van en de instandhoudingsdoelstellingen voor de Veluwe. Het gaat om instandhoudingsdoelen voor achttien habitattypen, zeven Habitatrichtlijnsoorten en tien Vogelrichtlijnsoorten. Natura 2000-gebied Veluwe is ruim 88 duizend hectare groot en het grootste Natura 2000-gebied op land in Noordwest-Europa en daarmee van grote internationale betekenis.
De Habitatrichtlijn, de Vogelrichtlijn en Natura 2000 Internationaal hebben landen afspraken gemaakt over het behoud en duurzaam gebruik van planten, dieren en micro-organismen. In de Europese Unie zijn deze afspraken onder meer uitgewerkt in de Europese Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. De Europese Vogelrichtlijn beschermt alle in het wild levende vogelsoorten en hun leefgebieden. De Europese Habitatrichtlijn beschermt de planten en dieren (biologische diversiteit) door hun natuurlijke leefgebieden in stand te houden. Europa heeft regels opgesteld om deze vogels, planten en dieren te beschermen. In dat kader wijzen lidstaten beschermingszones aan. Deze beschermingszones vormen samen een netwerk van beschermde Natura 2000-gebieden. Europa heeft bijna 26 duizend Natura 2000-gebieden, Nederland 162. De lidstaten hebben de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in nationale wetgeving verwerkt. In Nederland is dat de Wet natuurbescherming.
10
Herstelprogramma Heiden en stuifzanden | Natura 2000 Veluwe | Mei 2023
1.2
Natura 2000-beheerplan Veluwe Voor ieder Natura 2000-gebied stelt de voortouwnemer een beheerplan op. Meestal is dit een provincie, zoals bij de Veluwe, maar in sommige gevallen het Rijk. In het aanwijsbesluit staan de doelen per Natura 2000-gebied genoemd, die de basis vormt voor elk Natura 2000-beheerplan waarin wordt uitgewerkt hoe de aanwezige natuur het beste beschermd en verder ontwikkeld kan worden. Het beheerplan maakt inzichtelijk welke activiteiten wel en niet zijn toegestaan in het Natura 2000-gebied en onder welke condities. Daarnaast staat in het beheerplan welke maatregelen noodzakelijk zijn om de natuur te herstellen en om de knelpunten op te lossen. Begin 2018 hebben Gedeputeerde Staten het Natura 2000-beheerplan Veluwe vastgesteld.
1.3
Herstelprogramma’s Belangrijke maatregelen uit het Natura 2000-beheerplan Veluwe zijn het opstellen en uitvoeren van vijf herstelprogramma’s voor de Veluwse natuur en de bijbehorende soorten. Het gaat dan om herstelprogramma’s voor de habitats en soorten van heiden en stuifzanden, de bossen, de vennen en venen, de beken en een recreatiezoneringsplan. De afgelopen jaren hebben terreineigenaren en -beheerders op de Veluwe al diverse maatregelen genomen om de natuur te herstellen. De herstelprogramma’s brengen, over terreingrenzen heen, voor de totale Veluwe in beeld welke maatregelen nodig zijn om habitats en de leefgebieden van soorten te herstellen en te versterken. In de herstelprogramma’s staan concrete maatregelen voor specifieke locaties om de knelpunten op te lossen. In sommige gevallen gaat het om onderzoeksmaatregelen: locatiespecifiek omdat kennis ontbreekt, of Veluwebreed om het systeem beter te begrijpen. Het doel van de herstelprogramma’s is om de instandhoudingsdoelstellingen voor de Veluwse natuur (habitats en soorten) te bereiken. Soorten en habitats kunnen dan duurzaam op de Veluwe voortbestaan. Samen met de betrokken partijen van de Veluwe voert de provincie de herstelprogramma’s uit.
Het uitvoeren van de herstelmaatregelen in de herstelprogramma's heeft en houdt alleen het gewenste resultaat als er op korte termijn ook bronmaatregelen worden genomen om de stikstofdepositie te verminderen. Gebeurt dat niet op korte termijn, dan kunnen de natuurmaatregelen zoals opgenomen in dit herstelprogramma de achteruitgang van soorten en habitats wel vertragen, maar zullen de instandhoudingsdoelen naar alle waarschijnlijkheid niet worden gehaald. Bronmaatregelen voor reductie van stikstofdepositie zijn geen onderdeel van deze herstelprogramma’s, maar van het programma Vitaal landelijk gebied Gelderland, Gelderse Maatregelen Stikstof (GMS) en van de Structurele Aanpak van het Rijk.
11
Herstelprogramma Heiden en stuifzanden | Natura 2000 Veluwe | Mei 2023
1.4
Uniekheid Veluwse heiden en stuifzanden De Veluwe is van groot (landelijk) belang voor de stuifzanden, heischrale gras landen en heiden. Hoewel er veel is veranderd - van eilanden van bos en cultuurgrond in een enorm heidelandschap naar eilanden van heide en stuifzand-, zijn er nog steeds grote heiden en stuifzanden te vinden op de Veluwe. Deze zijn een rijk leefgebied van karakteristieke soorten, zoals draaihals, grauwe klauwier, heidezegge, kleine schorseneer, zadelsprinkhaan, kleine wrattenbijter, bosparelmoervlinder, grote parelmoervlinder en kleine heivlinder. Neem bijvoorbeeld de stuifzandheiden, ontstaan onder graasdruk, met een karakteristiek eilandpatroon. Voor deze goed ontwikkelde vorm van stuifzandheide is de Veluwe waarschijnlijk het belangrijkste gebied in Nederland. De Veluwe is ook belangrijk voor de landelijke oppervlakte stuifzanden, maar ook door de aanwezigheid van relatief natuurlijke stuifzandcellen die gevormd zijn in de gordeldekzanden in de flanken van de westelijke stuwwallen. Uniek leefgebied voor soorten die vrijwel tot de Veluwse stuifzandgebieden zijn beperkt, zoals ruig schapengras en de kleine heivlinder. De droge heide is belangrijk vanwege de grote oppervlakten, maar ook door het hoge neerslagoverschot op de stuwwallen. Dit draagt - naast de variatie van de bodem en de hoogteverschillen - bij aan de vitaliteit en veerkracht.
Ook zorgt het voor de aanwezigheid van tal van karakteristieke, noordelijke levermossen in de heiden en jeneverbesstruwelen. Ook natuurlijke jaarrondbegrazing is een belangrijk kenmerk van Veluwse heiden, dat zorgt voor een gevarieerde structuur van de heidevegetatie. Ondanks dat de Veluwe vooral om de droge heiden bekend staat, is het ook van belang voor de vochtige heiden en pioniervegetaties met snavelbiezen voor de ecologische variatie, zoals het voorkomen van sterk wisselvochtige ‘halfvennen’ met klokjesgentiaan, veenbies en bruine snavelbies. En als leefgebied voor vele karakteristieke soorten, zoals het gentiaanblauwtje. Voor de heischrale graslanden is de Veluwe bijzonder belangrijk, zowel qua omvang als voor de landelijke verspreiding en ecologische variatie. Er komen nog karakteristieke, iconische soorten voor als onderdeel van het heidelandschap, zoals heidezegge en kleine schorseneer, maar ook gelobde maanvaren, valkruid, knollathyrus en grote parelmoervlinder. De rijke en vochtige vorm van heischraal grasland in de Leemputten van Staverden verdient speciale vermelding. Het belang van de Veluwe voor vogels gaat veel verder dan de soorten waarvoor specifieke instandhoudingsdoelen zijn geformuleerd, omdat het gebied ook van grote betekenis is voor andere soorten van de Vogelrichtlijn zoals geelgors, klapekster en blauwe kiekendief.
12
Herstelprogramma Heiden en stuifzanden | Natura 2000 Veluwe | Mei 2023
1.5
Doel herstelprogramma Heiden en stuifzanden Dit herstelprogramma Heiden en stuifzanden geeft invulling aan de uitwerking van de maatregelen M18a en M18b uit het Natura 2000-beheerplan. Voor stuifzandlandschappen en structuurrijke droge heiden is in het Beheerplan Veluwe de volgende opgave geformuleerd: “Uitbreiden van zandverstuivingen, stuifzandheiden met struikhei, droge heiden en van heiden met kraaiheide. De kwaliteit van deze habitats vergroten door bevorderen van meer variatie in structuur, in ontwikkelingsstadia en in de overgangen naar bos. Vogelsoorten als duinpieper, nachtzwaluw, draaihals en tapuit profiteren van deze verbeteringen.”
1.5.1
Habitattypen en vogelrichtlijnsoorten Dit herstelprogramma Heide & Stuifzand gaat over de volgende habitattypen en soorten: • stuifzandheiden met struikhei; • binnenlandse kraaiheibegroeiingen; • zandverstuiving; • vochtige heiden (hogere zandgronden); • droge heiden; • jeneverbesstruweel; • heischrale graslanden; • pioniervegetaties met snavelbies; • nachtzwaluw; • draaihals; • boomleeuwerik; • duinpieper; • roodborsttapuit; • tapuit; • grauwe klauwier.
1.5.2
Bronmaatregelen atmosferische depositie en gebiedsvreemde stoffen De hoge stikstofdepositie veroorzaakt de grootste knelpunten op de Veluwe. Deze moet op zeer korte termijn drastisch worden verlaagd. De maatregelen die hiervoor nodig zijn vormen geen onderdeel van dit herstelprogramma, zie ook § 2.2. Daarnaast lijkt de invloed van gebiedsvreemde stoffen op bijvoorbeeld het voorkomen van insecten groot. Veel is nog onbekend. Ook voor dit knelpunt geldt dat benodigde bronmaatregelen geen onderdeel uitmaken van dit herstelprogramma.
1.5.3
Samenhangend pakket aan maatregelen en herstelprogramma’s Om de Natura 2000-doelstellingen uit het aanwijzingsbesluit voor de Veluwe te realiseren is een breed samenhangend pakket aan maatregelen nodig, waaruit dus niet willekeurig maatregelen wel of juist niet kunnen worden uitgevoerd. Een foerageerakker voor vogels realiseren naast een druk recreatief punt is bijvoorbeeld zinloos.
13
Herstelprogramma Heiden en stuifzanden | Natura 2000 Veluwe | Mei 2023
Naast herstelprogramma’s is er ook een recreatiezoneringsplan. Uitwerking van de gewenste recreatiezonering ten behoeve van aangewezen soorten is dus geen onderdeel van dit herstelprogramma. Dat betekent ook dat in de knelpuntenanalyse en de maatregelen vrijwel geen aandacht wordt besteed aan verstoring door recreanten of de invloed van recreatie en honden en dergelijke. Alleen als naast het verlagen van de depositie en de impact van gebiedsvreemde stoffen, ook de recreatiedruk en de wilddruk worden verlaagd, is het mogelijk instandhoudingsdoelen te halen of daaraan substantieel bij te dragen. Dit herstelprogramma gaat over het heidelandschap, maar voor de elementen die zich in dit landschap kunnen bevinden, zoals vennen, venen en beken, zijn andere herstelprogramma’s opgesteld. Deze vochtige en natte habitattypen zijn schaars op de Veluwe en van groot belang voor herstel van veerkracht (uitwijkmogelijkheden, risicospreiding) van het gehele heidelandschap.
1.5.4
Behalen doelstellingen Onder het begrip ‘instandhoudingsmaatregelen’ wordt een geheel aan maatregelen verstaan die nodig zijn voor het behoud of herstel van natuurlijke habitats en populaties van wilde dier- en plantensoorten in een gunstige staat van instandhouding. Dit herstelprogramma voor heide en stuifzanden zal hier zeker een bijdrage aan leveren, maar of dit zal leiden tot een gunstige staat van instandhouding is sterk afhankelijk van een aantal externe factoren zoals de stikstofbelasting.
1.6 Leeswijzer Dit herstelprogramma Heiden en stuifzanden is een uitwerking van het Natura 2000-beheerplan Veluwe (2018). Het herstelprogramma is een feitelijke invulling van de maatregelen M18a en M18b uit dit beheerplan. We lichten relevante onderdelen uit het beheerplan kort toe in hoofdstuk 4 Voor het complete overzicht van habitattypen, Habitat- en Vogelrichtlijnsoorten, de begrenzing, de Natura 2000doelen, relevante analyses en afwegingen verwijzen we u naar het Natura 2000-beheerplan Veluwe (2018). Sinds het verschijnen van het beheerplan zijn nieuwe inzichten opgedaan over oorzaken van achteruitgang, oplossingen en maatregelen. Deze laatste inzichten zijn verwerkt in het herstelprogramma. Het gaat hier nadrukkelijk niet om nieuw beleid, maar om een uitwerking en concretisering ervan. In hoofdstuk 2 staat de juridische status van dit herstelprogramma en het provinciaal beleid. In hoofdstuk 3 wordt de wijze waarop dit herstelprogramma in samenwerking met terreineigenaren tot stand is gekomen verantwoord. Hoofdstuk 4 geeft een korte samenvatting van de voor heide en stuifzanden relevante Natura 2000-doelen. Hoofdstuk 5 analyseert, met gebruikmaking van actuele wetenschappelijke inzichten, de knelpunten om de doelen te halen.
Hoofdstuk 6 geeft een indeling van de verschillende typen maatregelen en maatregelpakketten die zijn terug te vinden op de kaart en het maatregelprogramma in bijlage 4 en 5. Tevens benoemt dit hoofdstuk de nader uit te werken (beleids-)opgaven voor de komende jaren. Hoofdstuk 7 gaat over monitoring en onderzoek: het volgen van de effecten van de maatregelen en het opvullen van kennisleemten. Hoofdstuk 8 gaat in op de manier waarop het herstelprogramma zal worden gerealiseerd. Voor herstelmaatregelen voor de habitats en soorten die niet in dit herstelprogramma staan beschreven, wordt verwezen naar de andere herstelprogramma’s en het Natura 2000-beheerplan Veluwe.
14
Herstelprogramma Heiden en stuifzanden | Natura 2000 Veluwe | Mei 2023
2 Context herstelprogramma 2.1
Natura 2000 en juridische status De Wet natuurbescherming (Wnb) beschermt de Natura 2000-gebieden. Dit doet de wet op twee manieren: • door het stellen van regels om de natuur te beschermen. In de wet staat bijvoorbeeld welke activiteiten niet zijn toegestaan en: • door het voorschrijven van maatregelen die genomen moeten worden om de natuur te behouden, te beschermen en te verbeteren. De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) wijst op grond van artikel 2.1 van de Wnb een Natura 2000-gebied aan in een aanwijzingsbesluit. In zo'n besluit staat: • wat beschermd wordt (welke habitattypen en diersoorten en hun leefgebieden); • welke doelen gerealiseerd moeten worden (behoud, verbetering, uitbreiding); • de exacte begrenzing van het te beschermen gebied. Als de aanwezigheid van habitattypen of soorten of de begrenzing wijzigt, is het aan de minister van LNV om het aanwijzingsbesluit aan te passen. Gedeputeerde Staten zijn daartoe niet bevoegd. De Wet natuurbescherming bepaalt in artikel 2.3 dat er voor elk Natura 2000-gebied een beheerplan moet worden opgesteld. Het Natura 2000-beheerplan Veluwe is dan ook een plan zoals bedoeld in artikel 2.3 Wnb. In dit artikel staat beschreven dat Gedeputeerde Staten op grond van waar het Natura 2000-gebied is gelegen een Natura 2000-beheerplan moet vaststellen.
Op grond hiervan hebben Gedeputeerde Staten van Gelderland op 23 januari 2018 het Natura 2000-beheerplan Veluwe vastgesteld na een uniforme openbare voorbereidingsprocedure (afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht). Op grond van artikel 2.10 uit de Wet Natuurbescherming hebben de ministeries van defensie en LNV in maart 2018 ingestemd met het Natura-2000-beheerplan Veluwe. Het ministerie van Defensie vanwege de ligging van een militair terrein binnen de begrenzing van het Natura 2000-gebied Veluwe, Het ministerie van LNV vanwege de ligging van de Kroonen Staatdomeinen binnen de begrenzing van het Natura 2000-gebied Veluwe. Het Natura 2000-beheerplan beschrijft de noodzakelijke maatregelen die genomen moeten worden om de instandhoudingsdoelen voor de Veluwe te realiseren. Het beheerplan zoals dat in 2018 is vastgesteld, bevat een aantal maatregelen die uitgewerkt moeten worden. Dat is met dit herstelprogramma gebeurd, namelijk de uitwerking van herstelmaatregel 18 a en 18b met maatregelen om de betreffende knelpunten op te lossen. Dit herstelprogramma is geen algehele actualisatie van het Natura 2000-beheerplan. De actualisatie vindt op een later moment plaats als de eerste planperiode van het beheerplan is afgelopen.
Wel kan het zijn dat in dit herstelprogramma een verduidelijking wordt gegeven van wat al in het Natura 2000-beheerplan Veluwe staat, maar in de praktijk tot onduidelijkheid leidt omdat het nog niet concreet genoeg is benoemd. Hierdoor biedt het herstelprogramma een handvat voor vergunningverlening en handhaving van de Wet natuurbescherming. Het gaat nadrukkelijk niet om nieuwe regels of beleid maar een uitwerking van hetgeen al in het beheerplan staat. Met dit herstelprogramma wordt als nadere uitwerking van het Natura-2000beheerplan: • de instandhoudingsdoelstellingen uit het aanwijzingsbesluit uitgewerkt in omvang, ruimte en tijd, • instandhoudingsmaatregelen en passende maatregelen uitgewerkt die nodig zijn om deze instandhoudingsdoelstellingen te realiseren.
15
Herstelprogramma Heiden en stuifzanden | Natura 2000 Veluwe | Mei 2023
Het herstelprogramma vormt een wezenlijke uitwerking van het eerder vastgestelde beheerplan. Dit herstelprogramma en de maatregelen die daarin genoemd staan, worden daarmee onderdeel van het beheerplan Veluwe en vallen onder de werking van de Wet natuurbescherming (Wnb). Dit betekent dat de maatregelen in dit herstelprogramma juridisch dezelfde status hebben als de maatregelen in het beheerplan zelf. Omdat de maatregelen in het herstelprogramma noodzakelijk zijn voor het halen van de instandhoudingsdoelen voor de Veluwe, zijn ze niet vrijblijvend. Het bevoegd gezag heeft dan ook de wettelijke verplichting om de noodzakelijke maatregelen uit te voeren om de instandhoudingsdoelen te realiseren. Maatregelen buiten de Natura 2000-begrenzing Uit onderzoeken, rapportages en input van deskundigen en experts die aan de herstelprogramma’s ten grondslag liggen, blijkt dat het nemen van sommige maatregelen buiten de Natura 2000-begrenzing ook ecologisch noodzakelijk is voor het halen van de instandhoudingsdoelen op de Veluwe. De ecologische sleutelfactoren om Veluwse natuur te herstellen, liggen namelijk niet uitsluitend binnen de Natura 2000-begrenzing. Ook maatregelen buiten de Natura 2000-begrenzing hebben een directe relatie met het bereiken van de Natura 2000-doelen.
Dit kunnen maatregelen zijn op gronden buiten de Natura 2000-begrenzing die in het Gelders Natuurnetwerk (GNN) liggen. Of op gronden die niet begrensd zijn als GNN. Deze gronden liggen bijvoorbeeld direct tegen het Natura 2000-gebied aan. De maatregelen zijn nodig om natuur te versterken, bijvoorbeeld door het herstellen van de hydrologie, het verminderen van de nutriëntenbelasting of het creëren van overgangen tussen voedselarmere en rijkere delen van de Veluwe en het verbinden van natuurgebieden. Deze gronden liggen in de gebieden rondom het Natura 2000-gebied Veluwe of in enclaves binnen het Natura 2000-gebied die niet begrensd zijn als Natura 2000-gebied. Op het moment van vaststelling van de herstelprogramma’s zijn er nog veel ontwikkelingen te verwachten in de gebieden rondom het Natura 2000-gebied Veluwe vanuit het Gelderse gebiedsprogramma voor het Nationaal Programma Landelijk Gebied (NPLG). Ook is er nog onvoldoende zicht op een duurzaam landbouwperspectief. Daarom zijn de maatregelen buiten de Natura 2000begrenzing Veluwe geen onderdeel van dit herstelprogramma. De maatregelen die nodig zijn buiten de Natura 2000-begrenzing Veluwe staan op een aparte perspectiefkaart, zie bijlage 6. We kiezen ervoor om die maatregelen onderdeel te laten zijn van het integrale gebiedsproces voor het gebiedsprogramma en zetten in op vrijwilligheid.
De maatregelen op de gronden op de perspectiefk aart zijn daarmee indicatief. De doelen c.q. maatregelen op de gronden die op deze perspectiefkaart staan, worden ingebracht in het nog uit te werken beleid en opgaven voor de overgangsgebieden Natura 2000 Veluwe en de bredere opgaven vanuit het gebiedsprogramma. De uitwerking en realisatie van deze maatregelen wordt de komende tijd in gebiedsprocessen uitgewerkt en opgepakt samen met de opgaven en ambities voor: • het verbeteren van de (grond)waterkwaliteit zoals beschreven in de kaderrichtlijn water; • het tegengaan van droogte door water vast te houden en het grondwaterpeil te verhogen; • het reduceren van de stikstof- en CO2-uitstoot in de industrie, bouw, landbouw en mobiliteit; • de landbouwtransitie en het streven naar een duurzame landbouw met toekomstperspectief. Het resultaat van het gebiedsproces van het Gelderse gebiedsprogramma voor het NPLG met de uitwerking van de maatregelen op de perspectiefkaart uit dit herstelprogramma, verwerken we op termijn in de actualisatie van het Natura 2000-beheerplan Veluwe. Door de onderzoeken die aan de herstelprogramma's ten grondslag liggen, weten we op welke percelen in de overgangsgebieden de inzet van de maatregelen de grootste bijdrage kan leveren aan het doelbereik voor Natura 2000.
16
Herstelprogramma Heiden en stuifzanden | Natura 2000 Veluwe | Mei 2023
Vooruitlopend op het uitvoeringsprogramma vanuit het NPLG geldt dat toekomstig nieuw of gewijzigd gebruik van de percelen op de perspectiefkaart die een significant negatief effect hebben op het halen van de instandhoudingsdoelen, getoetst zal worden aan het Natura 2000-beheerplan Veluwe (waar dit herstelprogramma onderdeel van is). Dat kan er bijvoorbeeld toe leiden dat dit nieuwe of gewijzigde gebruik niet mogelijk is, als dit het Natura 2000-doelbereik onmogelijk maakt. Deze werkwijze is niet anders dan nu al het geval is bij het toetsen van nieuw en gewijzigd ruimtegebruik in een zone rond Natura 2000gebieden, op basis van de Wet natuurbescherming (externe werking, principe geen verslechtering). De uitvoering van herstelmaatregelen buiten de Natura 2000-begrenzing Veluwe betekent niet dat de Natura 2000-begrenzing van het gebied wordt aangepast. Het gaat vooral om maatregelen die de natuur binnen het Natura 2000-gebied ‘helpen’. Voorbereidingsprocedure Om het herstelprogramma vast te stellen volgt de provincie in het voortraject een uitgebreide voorbereidingsprocedure, zoals dat ook voor het beheerplan is gedaan. De procedure is als volgt: 1 Het bevoegd gezag, het college van Gedeputeerde Staten, stelt een ontwerpherstelprogramma vast. 2 De provincie legt het ontwerp-herstelprogramma ter visie en eenieder kan een zienswijze indienen.
De provincie beoordeelt de zienswijzen en past het herstelprogramma indien nodig aan. 3 Het college van Gedeputeerde Staten stelt het herstelprogramma definitief vast. 4 Belanghebbenden kunnen tegen het herstelprogramma in beroep gaan. Een dergelijk beroep kan ingevolge artikel 8.1, lid 2 Wet natuurbescherming enkel betrekking hebben op beschrijvingen van activiteiten die door opname in het herstelprogramma/het beheerplan geen vergunning meer nodig hebben. Provincie Gelderland stelt de herstelprogramma’s op in afstemming met grondeigenaren, terreinbeherende organisaties en andere belanghebbenden. Het bevoegd gezag moet ervoor zorgen dat de maatregelen in het herstelprogramma tijdig (redelijk en billijk binnen de beheerplanperiode) worden uitgevoerd. Als maatregelen niet of niet tijdig worden uitgevoerd hebben Gedeputeerde Staten de mogelijkheid om de uitvoering af te dwingen door het opleggen van een gedoogplicht op grond van artikel 2.6 Wnb.
Paarse Veluwe
17
Herstelprogramma Heiden en stuifzanden | Natura 2000 Veluwe | Mei 2023
2.2
Provinciaal beleid Veel van de natuur in provincie Gelderland is van betekenis op Europees niveau. Het Gelderse provinciebestuur onderschrijft dat dit verantwoordelijkheid met zich meebrengt. Natuur is ook een belangrijke economische factor voor recreatie en toerisme en draagt bij aan een prettig en gezond vestigingsklimaat om te wonen en te werken. De bescherming van de natuur is daarom niet alleen van ecologisch, maar ook van economisch belang. Hieronder beschrijven we in het kort het provinciale beleid en het landelijk beleid dat gerelateerd is aan natuur. Enkele beleidsthema’s komen al als knelpunt in het Natura 2000-beheerplan Veluwe aan bod. In deze paragraaf worden deze thema’s slechts op hoofdlijnen beschreven. Indien van toepassing worden ze in hoofdstuk 5 bij de analyse verder uitgewerkt.
2.2.1
Kwalitatief hoogwaardige natuur In het provinciale natuurbeleid hebben de internationale natuurdoelen de hoogste prioriteit. Dat betekent dat alle provinciale middelen en instrumenten voor natuur met voorrang op deze doelen worden ingezet. Het gaat dan om middelen en instrumenten zoals functieverandering, inrichting en beheer van natuur, vergunningverlening, toezicht en handhaving. Provincie Gelderland heeft voorkeur voor systeemherstel op landschapsniveau; herstel van robuuste natuurlijke systemen in hun landschappelijke en cultuurhistorische samenhang. Alleen op deze manier kunnen de gewenste doelen voor de habitattypen en soorten worden gehaald en duurzaam worden gegarandeerd.
2.2.2
Ruimtelijke bescherming De ruimtelijke bescherming van de Gelderse natuur, het Gelders natuurnetwerk (GNN), is vastgelegd in de provinciale omgevingsvisie Gaaf Gelderland (2018) en de bijbehorende omgevingsverordening. De Natura 2000-gebieden maken deel uit van dit Gelders natuurnetwerk. Daarnaast is een Groene ontwikkelingszone (GO) vastgesteld. Deze bestaat uit gebieden rond het GNN en (ecologische) verbindingen tussen delen van het GNN.
2.2.3
Natuurdoelen Het Natura 2000-beheerplan Veluwe gaat over de Natura 2000-doelen en -kaders zoals beschreven in het aanwijzingsbesluit. Daarnaast kent de provincie nog andere natuurbeheerdoelen en natuurontwikkelingsdoelen zoals voor het Gelders natuurnetwerk (GNN). Deze doelen worden jaarlijks vastgelegd in het Natuurbeheerplan. Het Natuurbeheerplan beschrijft de beleidsdoelen en de subsidiemogelijkheden voor ontwikkeling en beheer van (agrarische) natuurgebieden, landschaps- en waterelementen in provincie Gelderland. Het Natuurbeheerplan vormt tevens het subsidiekader voor de Subsidieregeling Natuur en Landschap 2016 en de Regels Ruimte voor Gelderland 2016. Het Natuurbeheerplan geeft ook aan voor welke doelen nieuwe natuur ingericht moet worden. De beheerpakketten en ontwikkeldoelen in het Natuurbeheerplan zijn zoveel mogelijk afgestemd op de Natura 2000-doelen.
18
Herstelprogramma Heiden en stuifzanden | Natura 2000 Veluwe | Mei 2023
2.2.4
Watercondities Om watercondities voor de (grond)waterafhankelijke natuurdoelen te behouden en te versterken werken provincies (provinciale Omgevingsvisie en het regionale waterprogramma) en waterschappen aan robuuste watersystemen. Het tegengaan van verdroging (menselijke ingrepen) en droogte (klimaatverandering) heeft een hoge prioriteit. In sommige gebieden heeft verdroging extra aandacht nodig. Deze gebieden zijn in de Omgevingsvisie aangeduid als ‘natte landnatuur’ en ‘natuur water’. Waar noodzakelijk hebben provincie en waterschap voor deze speciale natuur beschermingszones voor grondwater aangewezen. In het addendum van het 7de actieprogramma Nitraatrichtlijn staat dat brede bufferstroken voor beken nodig zijn om de doelstellingen van de Kaderrichtlijn Water (KRW) te halen. Dan moet er niet alleen gekeken worden naar het KRW-waterlichaam zelf, maar ook naar de zijbeken en bovenlopen. Waar mogelijk moeten koppelingen worden gemaakt met de Natura 2000-doelen. Maatregelen voor Natura 2000-doelen kunnen ook onderdeel zijn van het maatregelenpakket van de Kaderrichtlijn Water. Net als bij de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn zijn Rijk, provincie en waterschappen verplicht de doelen van de Kaderrichtlijn Water te realiseren. In het nog op te stellen programma Vitaal landelijk gebied Gelderland komen deze opgaven samen met de andere opgaven in het landelijk gebied.
De uitwerking van dit programma gebeurt in gebiedsprocessen. Ter voorbereiding op de herziening van het Natura 2000-beheerplan Veluwe zal een proces worden opgestart om te komen tot een gezamenlijke kennisbasis en kennisagenda. Dat is nodig, omdat grondwateronttrekkingen, de uitbreiding van het naaldhoutareaal, de ontwatering van de Gelderse Vallei en gebieden op de flanken van de Veluwe niet overal dezelfde effecten hebben op de Veluwse hydrologische deelsystemen. Wij willen tot een gedeeld inzicht komen over het functioneren van de Veluwe van bodem en ondergrond, water, vegetatie en fauna. En dat voor de verschillende deelsystemen met eigen specifieke kenmerken. Het opstellen van een waterbalans die ook in historisch perspectief kan worden geplaatst, is daar onderdeel van.
2.2.5
Stikstofbeleid Rijk en provincies Sinds de uitspraak van de Raad van State van 29 mei 2019 is het niet meer mogelijk om met het Programma Aanpak Stikstof vergunningen te verlenen. Het Rijk werkt daarom in nauw overleg met de provincies aan nieuw beleid en regelgeving om Natura 2000 te beschermen en de stikstofuitstoot terug te dringen. Op 1 juli 2021 is de Wet stikstofreductie en natuurverbetering (Wsn) in werking getreden. In 2025 moet het stikstofniveau in 40% van de stikstofgevoelige hectares natuur onder de kritische depositiewaarde (KDW) zijn gebracht. In 2030 is dit 50% en in 2035 74%. Om dat te bereiken werkt het Rijk een programma met maatregelen uit, het Programma stikstofreductie en natuurverbetering (PSN). Het gaat dan om maatregelen die stikstofuitstoot verminderen (zogenaamde bronmaatregelen) en om maatregelen die de natuur verder verbeteren (instandhoudingsmaatregelen). Door deze natuurherstelmaatregelen in het Natura 2000-beheerplan op te nemen ontstaat de verplichting om de maatregelen uit te voeren. Bij de uitwerking van zowel de brongerichte als de natuurgerichte maatregelen zijn provincies nauw betrokken. De gebiedsgerichte aanpak van de provincies zal gebiedsplannen opleveren met voorgenomen/voorgestelde maatregelen die op de gebieden zijn afgestemd. Deze gebiedsplannen leveren gebiedsspecifieke noodzakelijke informatie op voor het PSN.
19
Herstelprogramma Heiden en stuifzanden | Natura 2000 Veluwe | Mei 2023
Stikstofreductie en natuurverbetering zijn belangrijk om de doelen vanuit de Vogel- en Habitatrichtlijn te bereiken, maar ook voor het klimaat en water zijn maatregelen nodig. Om al deze doelen te bereiken, is het nodig om ze in samenhang te bekijken en ook de maatregelen in samenhang (integraal) te bedenken en uit te voeren. Dat voorkomt dat maatregelen wel goed zijn voor het ene doel, maar tegelijkertijd slecht voor het andere. Daarom werken het Rijk, provincies, gemeenten en waterschappen samen aan de invulling van het Nationaal Programma Landelijk Gebied (NPLG). Daarin worden de doelen en opgaven voor natuur, water, klimaat en landbouw samengebracht en samen uitgewerkt.
2.2.6
Gebiedsprogramma voor Gelderland voor het NPLG Het Gelderse gebiedsprogramma voor het Nationaal Programma Landelijk Gebied (NPLG) wordt uitgewerkt in het programma Vitaal landelijk gebied Gelderland. Met dit gebiedsprogramma wordt voor de periode 2024-2035 een invulling gegeven aan de doelen en ambities in het landelijk gebied voor natuur, water, klimaat en landbouw. Hierin wordt de volgende gebiedsindeling opgenomen: • Veluwe met de omliggende valleien; • Achterhoek & Liemers; • Rivierengebied. Dit zijn de meest kenmerkende landschappelijke eenheden in Gelderland voor wat betreft de bodem en watersystemen. Dit gebiedsprogramma wordt een belangrijke bouwsteen voor de transitie in het landelijk gebied. Samen met onder andere de Gelderse ambities voor verstedelijking, energietransitie en -infrastructuur vormt het de ruimtelijke puzzel voor Gelderland. Hierbij wordt beoordeeld in welke mate ambities ruimtelijk haalbaar zijn. De ambities worden samen met andere overheden uitgewerkt in regioarrangementen en in lokale gebiedsprocessen.
2.2.7 Gelderse Maatregelen Stikstof en overgangsgebieden De helft van de stikstofgevoelige Natura 2000-natuur van Nederland ligt in Gelderland. De impact van de stikstofproblematiek is met name op de Veluwe groot; dat is mede aanleiding voor een Gelderse aanpak. Vanuit de Gelderse Maatregelen Stikstof voert provincie Gelderland regie op de stikstofopgave in Gelderland. Het doel is een hernieuwde balans tussen economische ontwikkeling en draagkracht van de natuur. De provincie werkt aan het sterker maken van de natuur, omlaag brengen van de stikstofuitstoot en verduurzamen van wonen en werken. Op basis van een ecologische systeemanalyse werkt zij tevens een maatregelenpakket uit voor de gebieden rondom de Natura 2000-gebieden. Voor de Veluwe gaat het om onder andere een zone rondom het Natura 2000-gebied de Veluwe en de agrarische enclaves binnen de Veluwe. De maatregelen in deze overgangsgebieden dragen bij aan het robuust systeemherstel, meer biodiversiteit rondom het Natura 2000gebied en een verbeterde staat van instandhouding van de stikstofgevoelige natuur. De provincie kijkt daarbij onder meer naar de hydrologie, natuurversterking door aanleg van nieuwe natuur en landschapselementen en de mogelijkheden voor natuurinclusieve landbouw (Ambitiedocument Natuur, ambitie 2).
20
Herstelprogramma Heiden en stuifzanden | Natura 2000 Veluwe | Mei 2023
2.2.8
Landelijke bossenstrategie ‘Bos voor de Toekomst’ In de landelijke Bossenstrategie geven Rijk en provincies aan hoe de gezamenlijke ambities met betrekking tot het bos in Nederland tot 2030 concreet zijn uitgewerkt in acties en doelen. Daarbij gaat het om de thema’s meer bos, vitaal bos, meer bomen buiten bos en duurzaam gebruik van bomen en bos. De ambitie is om in de periode tot 2030 10% meer bos te realiseren. Dat betekent een toename van ongeveer 37.000 hectare bos in heel Nederland. Voor het herstel van stikstofgevoelige natuur en het realiseren van de instandhoudingsdoelen voor de Vogelrichtlijn- en de Habitatrichtlijnsoorten is het soms noodzakelijk om bos in Natura 2000-gebieden om te zetten naar andere natuurtypen. Dit is vastgelegd in het Natura 2000-beheerplan Veluwe en is dus in deze herstelprogramma’s uitgewerkt. In de Wet natuurbescherming is het vellen van houtopstanden (‘boskap’) ter uitvoering van een instandhoudingsmaatregel - zoals concreet beschreven in deze herstelprogramma’s en het Natura 2000-beheerplan - vrijgesteld van de herplantplicht.
Omdat ‘boskap’ leidt tot verlies van koolstofopslag en tot maatschappelijke onrust, hebben het ministerie van LNV en de gezamenlijke provincies in de landelijke Bossenstrategie aangekondigd dat genoemde boskap, ter uitvoering van de instandhoudingsmaatregelen zoals beschreven in de Natura 2000-beheerplannen, volledig zal worden gecompenseerd met bosaanleg. Dit gebeurt zoveel mogelijk buiten het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het is de bedoeling dat de uitzondering van de herplantplicht voor Natura 2000-maatregelen in de Wet natuurbescherming (en straks in de Omgevingswet) komt te vervallen. Daarvoor zal een wetswijziging worden voorbereid.
2.2.9
Bossenstrategie Gelderland Het uitvoeringsprogramma Bomen en Bos is de provinciale uitwerking van de landelijke bossenstrategie. In het uitvoeringsprogramma is de ambitie uitgesproken om het bosareaal in Gelderland met 1.700 hectare uit te breiden in de periode tot 2030. Tevens wordt streeft de provincie naar vergroting van het areaal natuurbos met ca. 10% en meer vitaliteit en biodiversiteit van de bestaande bossen in Gelderland. In lijn met de ambitie uit de landelijke Bossenstrategie wordt alle boskap gecompenseerd die noodzakelijk is voor het nemen van Natura 2000herstelmaatregelen. Ongeveer twee derde van het bosareaal ligt op de Veluwe. Daarom ligt het voor de hand dat verhoudingsgewijs veel van de voorgenomen ambities en opgaven uit het uitvoeringsprogramma Bomen en Bos ook op de Veluwe worden uitgevoerd.
2.2.10
Agenda Natuurinclusief
Landelijk De Agenda Natuurinclusief is een gezamenlijk document van het Rijk (LNV) en de provincies en is erop gericht de transitie naar de natuurinclusieve samenleving te bevorderen. Beschermen van de natuur in natuurgebieden is onvoldoende om de biodiversiteit te herstellen. Dat lukt alleen als in het hele land soortenrijkdom wordt hersteld, verbeterd en vergroot, en zowel in steden als in het landelijke gebied wordt gewerkt aan vergroening en aan de basiskwaliteit natuur. De Agenda Natuurinclusief heeft een helder doel: een natuurinclusieve samenleving waarin de natuur wordt gezien als basis van onze gezondheid en economie.
21
Herstelprogramma Heiden en stuifzanden | Natura 2000 Veluwe | Mei 2023
Provinciaal Natuurinclusief werken is een ambitie uit de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland. In lijn daarmee heeft provincie Gelderland zich in 2022 gecommitteerd aan de Agenda Natuurinclusief. De provincie heeft maatregelen voor een natuurinclusieve samenleving uitgewerkt in het Beleids- en Uitvoeringsprogramma Biodiversiteit.
2.2.11
Aanvalsplan Landschap Het Aanvalsplan Landschap, dat in 2022 is verschenen, vraagt aandacht voor meer groenblauwe dooradering van het landschap. Hiermee worden de biodiversiteit, de waterkwaliteit en CO2-vastlegging verbeterd. De provincie maakt nu een uitwerking van het NPLG-doel van 10% groenblauwe dooradering voor het Gelderse gebiedsprogramma voor het NPLG. In die uitwerking wordt duidelijk in welke mate de provincie met haar gebiedsprogramma aan deze doelstelling kan bijdragen.
2.2.12
Faunabeleid en wilddruk Het faunabeleid, verankerd in de Wet natuurbescherming, is onderdeel van het natuurbeleid. Het bevorderen van de biodiversiteit staat dus voorop. Goed fauna beheer is een investering in de kwaliteit van de natuur en bovendien noodzakelijk om de natuurkwaliteit in stand te houden. Specifiek draait het binnen Natura 2000-gebieden om het herstel, in stand houden en verbeteren van de natuurlijke habitats. Wilde hoefdieren zoals edelhert, damhert, wild zwijn en ree zijn een belangrijk onderdeel van de ecosystemen op de Veluwe. Wilde hoefdieren hebben een grote invloed op hun omgeving door begrazing, wroeten en vegen van jonge bomen en faciliteren daarmee het voorkomen van verschillende andere soorten. In het Natura 2000-beheerplan staat beschreven dat begrazing tot op een zekere hoogte een positief effect heeft op de verjonging van bos. Op diverse plaatsen vormt de (graasdruk) wilddruk echter een knelpunt, omdat de verjonging van met name loofbomen, en dus ook de ontwikkeling van boshabitats, niet verder dan het kiemstadium komt. Daarnaast kunnen zwijnen lokaal problemen veroorzaken, bijvoorbeeld omdat ze mogelijk grootschalig larven van het vliegend hert prederen of oevers van vennen en venen of kwetsbare delen van beken betreden.
Soorten als het edelhert leveren in principe een positieve bijdrage aan het vegetatiebeheer, maar wanneer de groep te groot wordt ontstaat een continue hoge graasdruk en te sterke betreding en dat gaat ten koste van het kwetsbare habitattype en de bijzondere soorten. Populatiebeheer zorgt ervoor dat schade aan kwetsbare natuur, veroorzaakt door deze dieren, zoveel mogelijk beperkt blijft. De gewenste omvang wordt dus bepaald mede op basis van ecologische principes, waarbij gegarandeerd wordt dat een gezonde en levensvatbare populatie in stand blijft. In haar Faunabeheerplan Grote Hoefdieren 2019-2025 heeft de Faunabeheereenheid (FBE) deze belangen goed afgewogen en daaruit gewenste ofwel doelstanden vastgelegd. De deelnemers aan de FBE hebben afgesproken deze doelstanden na te komen. De provincie heeft het plan goedgekeurd. Het naleven van doelstanden uit het vigerende Faunabeheerplan Grote Hoefdieren blijkt in de praktijk niet vanzelfsprekend. De FBE heeft zich tot doel gesteld om gedurende de looptijd van het faunabeheerplan deze doelstand van de edelherten te verlagen tot 1.440 dieren. Er blijft dan een gezonde populatie over en er is sprake van een goed evenwicht en bovendien een beter beheersbare situatie.
De FBE brengt jaarlijks een verslag uit over de realisatie in het voorgaande jaar en de tellingen van het lopende jaar, daaruit volgt steeds het benodigde afschot in de komende periode.
22
Herstelprogramma Heiden en stuifzanden | Natura 2000 Veluwe | Mei 2023
Het realiseren van de Natura 2000-doelstellingen verdient nadrukkelijker aandacht in het faunabeheer. Daarom onderzoekt de provincie de relatie tussen de populatiegroottes van hoefdieren en de kwaliteit van de belangrijkste Natura 2000-doelen op de Veluwe. Ons beleid en onze ontheffing aan de FBE maken functiegericht faunabeheer mogelijk, dat wil zeggen variatie in de aanwezigheid van grote hoefdieren in tijd en ruimte door daarop sturende bejaging. Wij staan daar achter zolang de doelstellingen Veluwe-breed niet in gevaar komen en de keuze van een terreineigenaar geen onevenredig nadelige gevolgen heeft voor de buren. De coördinatie van de uitvoering van het Faunabeheer wordt verzorgd door de FBE in samenwerking met de lokale wildbeheereenheden. Eigenaren die hiermee ervaring willen opdoen kunnen dat met hen afstemmen. Ook wordt gekeken naar een betere effectmonitoring, zodat de effecten op het Natura 2000-doelbereik goed gevolgd en tussentijds bijgestuurd kunnen worden, bijvoorbeeld vanwege toenemende effecten van de wolf op de omvang en het gedrag van de hoefdierpopulaties. Waar de wolf een groter aandeel krijgt, neemt de opgave voor de jager af. De FBE is een verkenning gestart om tot structureel onderzoek te komen en daarmee een nog beter inzicht te krijgen in de relatie tussen wolf en het populatiebeheer op hoefdieren op de Veluwe.
Dit doet de FBE samen met deskundigen die zijn verbonden aan de Zoogdiervereniging en ARK Natuurontwikkeling. Het resultaat wordt ingebracht bij het opstellen van het nieuwe faunabeheerplan voor grote hoefdieren. Terreinbeheerders voeren zelf ook graasdrukmonitoring uit door topvraat te meten en de verschillende exclosures te bepalen.
2.2.13
Rasterbeleid Wildrasters komen in verschillende vormen verspreid over de Veluwe voor. De afgelopen decennia heeft provincie Gelderland beleid gevoerd om het aantal rasters te verminderen. Wildkerende rasters tasten namelijk de landschappelijke en recreatieve kwaliteiten van de Veluwe aan en hebben negatieve effecten op dieren. Het kritisch afwegen van de noodzaak van bestaande faunarasters past ook in het denken over ontsnippering. Met minder rasters ontstaat één groot leefgebied en kunnen edelherten, damherten en wilde zwijnen vrij migreren. Een belangrijk uitgangspunt is dat faunarasters op de Veluwe nooit de noodzaak wegnemen om de standen van de grote hoefdieren op orde te houden met goed populatiebeheer. Er zijn echter plekken op de Veluwe waar bosverjonging door een te hoge wilddruk niet of moeilijk op gang komt. In het Natura 2000-beheerplan Veluwe is al benoemd dat een tijdelijke uitrastering in dat geval noodzakelijk kan zijn, wanneer de te hoge wilddruk niet door beheer kan worden teruggedrongen. Ook kunnen rasters noodzakelijk zijn voor bijvoorbeeld bescherming van schaaps kudden, akkers en kwetsbare terreindelen, zoals leemkuilen met een te hoge woeldruk.