St. t.k.n. nr. 3. Bijlage Ontwerp herstelprogramma Bossen versie januari 2023
Tekst van het document
62
Ontwerp-herstelprogramma Bossen | Natura 2000 Veluwe | Januari 2023
Beukenwrat het Speulderbos (fotografie: Mark van Veen/Buiten-Beeld)
5.3.7
Grootschalige vitaliteitsproblemen van boomsoorten als gevolg van klimaatverandering Het is onvoldoende duidelijk voor welke boom- en struiksoorten en herkomsten van deze soorten ernstige vitaliteitsproblemen te verwachten zijn als gevolg van klimaatverandering (in combinatie met andere drukfactoren). Ook is onduidelijk welke effecten dit zou kunnen hebben op de duurzame instandhouding van de VHR-soorten en karakteristieke soorten van de boshabitats. Hierdoor ontbreken mogelijk noodzakelijke herstelmaatregelen.
5.3.8
Continuïteit in bosverjonging door graas- en wroetdruk Er zijn momenteel onvoldoende structureel verzamelde data beschikbaar over verjongings- en vestigingssucces van verschillende boom- en struiksoorten in relatie tot graas- en wroetdruk en populatiedichtheden op de Veluwe. Zodoende kunnen ook geen eenduidige en systematisch evalueerbare criteria worden geformuleerd die in beeld brengen of bosverjonging voldoende continuïteit heeft om duurzame instandhouding en kwaliteitsverbetering te kunnen borgen. Deze criteria dienen niet alleen rekenschap te geven van de instandhouding van de bestaande boshabitats, maar tevens van kwaliteitsverbetering en uitbreiding van deze habitatbossen en van de klimaatbestendigheid en weerbaarheid tegen verdere bodemverzuring van zowel de habitatbossen als de bossen daarbuiten die het leefgebied vormen voor o.a. VHR-soorten vliegend hert, wespendief en zwarte specht. De criteria zijn bij voorkeur bruikbaar om de graasdruk op de Veluwe te lokaal en op landschapsschaal te kunnen beoordelen aan de hand van de graasdrukmonitor van de FBE Gelderland.
63
Ontwerp-herstelprogramma Bossen | Natura 2000 Veluwe | Januari 2023
5.3.9
Effectieve en doelmatige bestrijding van Amerikaanse vogelkers en Amerikaanse eik Voor bestrijding van Amerikaanse vogelkers en Amerikaanse eik, maar bijvoorbeeld ook voor Robinia, is momenteel geen effectieve methode voorhanden zonder gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen of nadelige effecten op de bosbodem door grootschalige bodemroering. Amerikaanse vogelkers en Amerikaanse eik zijn echter één van de belangrijkste drukfactoren op met name de oude eikenbossen (H9190). Om deze drukfactoren weg te kunnen nemen dient er een effectieve bestrijdingsmethode / -werkwijze ontwikkeld te worden die geen onevenredige schade toebrengt aan de natuurkwaliteiten van de bossen op de Veluwe. Deze dient bij voorkeur ontwikkeld te worden op basis van breed aanwezige kennis en praktijkervaringen bij terreinbeheerders op de Veluwe.
5.3.10
Nader inventariseren habitattypenkaart Zuid Veluwe Op de stuwwalzoom op de Zuid Veluwe is uit detailkarteringen gebleken dat er mogelijk meerdere – voor de Veluwe meer zeldzame – habitattypen voorkomen zoals het hardhoutooibos (H91F0). De gebieden waar deze bostypen mogelijk voorkomen worden geïnventariseerd om de waarden di hier voorkomen scherper in beeld te krijgen.
64
Ontwerp-herstelprogramma Bossen | Natura 2000 Veluwe | Januari 2023
6 Maatregelen 6.1
Randvoorwaarden herstelprogramma Deze paragraaf beschrijft de randvoorwaarden waaronder het geheel aan herstelmaatregelen uit dit herstelprogramma effectief bijdragen aan het halen van de Natura 2000-instandhoudingsdoelen voor de bossen op de Veluwe. Deze randvoorwaarden en uitgangspunten zijn veelal geen acties die uitgevoerd moeten worden, maar vaak juist activiteiten die achterwege moeten blijven of enkel onder specifieke voorwaarden uitgevoerd mogen worden. Zij zijn daarmee ook een uitwerking van de beschrijving in het beheerplan van wat nodig is voor de instandhouding van de betreffende habitattypen.
6.1.1
Zorgvuldige planvorming beheeren herstelmaatregelen Om negatieve effecten op bestaande waarden zoveel mogelijk te beperken, is het bij de planvorming en uitvoering van beheer- en herstelmaatregelen belangrijk dat er voldoende vooronderzoek wordt uitgevoerd naar: • aanwezigheid van bedreigde (typische en karakteristieke) soorten binnen het maatregelgebied; • bodemchemie bij steenmeeltoepassing; • archeologische en cultuurhistorische waarden, zoals raatakkers, wallen en beschermde groenstructuren.
6.1.2
Bosbeheer in kwalificerende boshabitats Bos is een bijzondere vorm van natuur. Naast dat veel dieren en planten voor hun voortbestaan afhankelijk zijn van bos én veel mensen regelmatig genieten van een boswandeling, benutten we onze bossen ook voor duurzame houtproductie. Daarnaast heeft bos een bijzondere plek binnen ons klimaatbeleid (Bron: IPO & Ministerie van LNV, 2020). Het grootste deel van de bossen in Nederland en Gelderland wordt daarom multifunctioneel beheerd. Binnen deze bossen zoeken professionele beheerders naar een evenwichtige balans tussen de verschillende maatschappelijk gewenste bosfuncties. Aan de hand van Multifunctioneel bosbeheer of geïntegreerd bosbeheer wordt gestuurd op een prima compromis tussen deze bosfuncties. De oude loofbossen op de Veluwe (de habitatbossen beuken-eikenbossen met hulst (H9120) en oude eikenbossen (H9190)) zijn de oudste en meest belangrijke natuurbossen van Nederland en hebben een onvervangbare natuurkwaliteit (Bron: Bijlsma et al., 2020). Deze bossen maken ca. 2% uit van het landelijk bosareaal. Een compromis tussen de verschillende bosfuncties gaat voorbij aan de unieke natuurwaarde van deze bossen. Beheeractiviteiten met een negatief effect op de instandhoudingsdoelen binnen deze bossen zijn daarom niet toegestaan.
(De negatieve effecten van deze beheeractiviteiten zijn onderbouwd in § 5.1.4 Beheer en voor een klein deel in § 5.1.9 Invasieve exoten.) Dit sluit aan op het Natura 2000-beheerplan-Veluwe. In het Natura beheerplan Veluwe (2018) staat dat er strengere regels gelden voor deze boshabitats om de habitatkwaliteit niet te verslechteren en verbetering als gevolg van natuurlijke bosontwikkeling mogelijk te maken. Deze regels zijn in het beheerplan niet nader gespecificeerd. Wel zijn activiteiten die binnen kwalificerend habitat plaatsvinden en die een negatief effect hebben op Natura 2000-doelen niet toegestaan. Als nadere uitwerking van Natura 2000-beheerplan geven we in dit herstelprogramma invulling aan wat er in het Natura 2000-beheerplan staat
65
Ontwerp-herstelprogramma Bossen | Natura 2000 Veluwe | Januari 2023
op het gebied van ‘strengere regels in boshabitats’, dat doen we in de vorm van deze beheerrandvoorwaarden. Deze randvoorwaarden zijn daarmee ook een uitwerking van de beschrijving in het beheerplan van wat nodig is voor de instandhouding en kwaliteitsverbetering van de betreffende habitattypen. De volgende activiteiten binnen de kwalificerende boshabitats (H9120, H9190 en H91E0C) zijn niet toegestaan: 1 Houtoogst (afvoer van levende of dode houtige biomassa uit de bosvakken, inclusief het buiten de paden opruimen van dood hout en stormschade). Niet oogsten in kwalificerend boshabitat beschermt de processen van veroudering, aftakeling en natuurlijke sterfte van bomen binnen de kwalificerende bossen. Om te bepalen of deze processen in voldoende mate aanwezig zijn, wordt onder andere gekeken naar de hoeveelheid staand en liggend dood hout op landschapsschaal (> 30 m3/ha). Lokaal hoge hoeveelheden dood hout zijn geen grond voor het verlenen van vergunningen voor houtoogst, omdat deze doodhoutspots bijdragen aan voldoende dood hout op landschapsschaal. Bovendien gaat de oogst van levende bomen niet ten koste van de huidige doodhoutvoorraad, maar van de toekomstige. Afvoer van hout is wel toegestaan in de onderstaande gevallen: a Afvoer van houtige biomassa die vrijkomt als gevolg van het verwijderen van de verjonging (DBH < 10 cm) van ongewenste (uitheemse) soorten.
b Afvoer van houtige biomassa van uitheemse soorten, wanneer kap van deze uitheemse bomen plaatsvindt over een aaneengesloten oppervlakte van ten minste 0,15 ha, waarbij binnen het kapvlak geen bijmenging in het kronendak voorkomt van inheemse soorten. eze uitzonderingsgrond is bedoeld om veilig vellen van enclaves van D uitheemse soorten binnen kwalificerend habitat mogelijk te maken. c Afvoer van houtige biomassa ten behoeve van laanverjonging binnen gebieden aangewezen als rijksmonument in de categorie ‘Groenaanleg bij buitenplaatsen & landgoederen’. Deze uitzonderingsgrond is bedoeld om de belangrijkste cultuurhistorische waarden binnen de habitatbossen te kunnen behouden en zorgvuldig beheer van deze groene monumenten mogelijk te maken. Voor uitvoeren van laanverjonging in deze gebieden is onverminderd een vergunning nodig in het kader van de Wet natuurbescherming (soortenbescherming) en voor het wijzigen van een rijksmonument (monumentenvergunning). Het totale oppervlakteaandeel van rijksmonumentale lanen binnen de habitatbossen is dusdanig klein dat geen significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen te verwachten zijn.
d Afvoer van houtige biomassa in kwalificerend habitat dat niet op de vigerende T0-habitattypenkaart is weergegeven en niet ligt binnen de beoogde uitbreidingsgebieden van de boshabitat zoals uitgewerkt binnen de herstelmaatregelen (§ 6.2 Herstelmaatregelen). Wanneer er een nieuwe habitattypenkaart verschijnt (t1, t2, enz.) blijft de begrenzing van de T0-kaart leidend voor de houtoogstbeperkingen. Deze uitzonderingsgrond zorgt ervoor dat de houtoogstbeperkingen enkel gelden binnen het huidige kwalificerend habitat en de beoogde uitbreidingsgebieden zoals uitgewerkt binnen de herstelmaatregelen uit het herstelprogramma (§ 6.2 Herstelmaatregelen). Het gezamenlijke areaal van het huidige kwalificerend habitat en de uitbreidingsgebieden die voortvloeien
66
Ontwerp-herstelprogramma Bossen | Natura 2000 Veluwe | Januari 2023
uit de herstelmaatregelen is voldoende voor het behalen van de Natura 2000-doelen voor de kwalificerende boshabitats (Bron: Bijlsma et al., 2022). Verdere beperkingen in nieuw ontwikkelde boshabitat buiten de uitbreidingsgebieden zijn dus niet noodzakelijk voor het halen van de Natura 2000-doelen. Door de houtoogstbeperkingen niet te laten gelden voor nieuw ontwikkeld habitat buiten deze gebieden willen we voorkomen dat eigenaren op oude bosgronden huiverig worden voor spontane of gerichte verloofing van hun bossen en daarmee terughoudend omgaan met spontane of gerichte verloofing. Omdat de spontane veroudering en aftakeling van bomen binnen het huidige areaal en uitbreidingslocaties geborgd is, is oogst binnen nieuw ontwikkeld habitat geen knelpunt. e Afvoer van houtige biomassa ten behoeve van hakhoutbeheer binnen de bossen die in het natuurbeheerplan van de provincie Gelderland zijn begrensd als Droog hakhout (N17.02) of Vochtig en hellinghakhout (N17.06). Deze uitzonderingsgrond is bedoeld om de cultuurhistorische en ecologische waarde van hakhout binnen de habitatbossen te kunnen behouden en zorgvuldig beheer van deze groene monumenten mogelijk te maken. f Indien het aandeel kwalificerende boshabitat binnen het bezit van de betreffende eigenaar minder dan 1 ha bedraagt. Deze categorie omvat circa 1% van het totale oppervlakte kwalificerend habitat op de Veluwe.
Oogst in deze bossen is hoofdzakelijk kleinschalig. Vanwege het beperkte oppervlakteaandeel binnen het totale areaal van de habitatbossen zijn geen significant negatieve effecten op de instand houdingsdoelen te verwachten en is het beperken van de houtoogst hier niet noodzakelijk. 2. Berijden van de bosbodem is niet toegestaan. Uitzondering hierop en wel toegestaan is: a Het berijden van de bosbodem, ten behoeve van de uitvoering van boomveiligheidsbeheer, in een zone van 15 m rondom wegen, paden, erfgrenzen en andere locaties waar boomveiligheidsrisico’s spelen. 3. Bodembewerking (beroering van de minerale grond) is niet toegestaan. Uitzondering hierop en wel toegestaan is: a Het maken van plantgaten. 4. Aanplant met niet-autochtoon plantmateriaal én met andere soorten dan de ‘inheemse boom- en struiksoorten van de Veluwe’ is niet toegestaan (Bron: Rövekamp & Maes, 2002). Uitzondering hierop en wel toegestaan is: a Aanplant van deze soorten binnen gebieden aangewezen als rijksmonument in de categorie ‘Groenaanleg bij buitenplaatsen & landgoederen’, wanneer deze soorten aantoonbaar onderdeel uitmaken van de historische park- of bosaanleg.
67
Ontwerp-herstelprogramma Bossen | Natura 2000 Veluwe | Januari 2023
5. Grootschalige laanverjonging (herstel over een weglengte > 200 m) is niet toegestaan. Uitzondering hierop en wel toegestaan is: a Laanverjonging binnen gebieden aangewezen als rijksmonument in de categorie ‘Groenaanleg bij buitenplaatsen & landgoederen’. Deze uitzonderingsgrond is bedoeld om de belangrijkste cultuurhistorische waarden binnen de habitatbossen te kunnen behouden en zorgvuldig beheer van deze groene monumenten mogelijk te maken. Voor uitvoeren van laanverjonging in deze gebieden is onverminderd een vergunning nodig in het kader van de Wet natuurbescherming (soortenbescherming) en voor het wijzigen van een rijksmonument (monumentenvergunning). Het totale oppervlakteaandeel van rijksmonumentale lanen binnen de habitatbossen is dusdanig klein dat geen significante negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen te verwachten zijn.
6.1.3
Bosbeheer buiten kwalificerende boshabitats Gangbaar bosbeheer buiten kwalificerend habitat wordt beschouwd als bestaand gebruik conform het huidige Natura 2000-beheerplan Veluwe. Bij het beheer dient wel voldoende rekening gehouden te worden met de VHR-soorten vliegend hert, wespendief en zwarte specht. Dit zal onder andere moeten gebeuren door het zorgvuldig toepassen van de gedragscode bosbeheer. Grootschalige vlaktekap (vlaktekap >0,5 ha of schermkap >2 hectare) (Bron: Den Ouden & Mohren, 2020) en het uitvoeren van zomervellingen heeft negatieve effecten op de wespendief (Bron: Nijssen et al., 2014; Bijlsma et al. 2022). Deze activiteiten zijn onder het huidige beheerplan toegestaan, maar de provincie wil wel in gesprek met bosbeheerders over het beperken van deze maatregelen. In de aanloop naar het nieuwe beheerplan zal beoordeeld moeten worden of beperkingen noodzakelijk zijn.
6.1.4
Bodemherstel Voor effectief bodemherstel zijn meerdere herstelmaatregelen denkbaar, afhankelijk van bodemkenmerken, humusopbouw, bodemleven, bossamenstelling, hydrologie en plek in het landschap. Wat op een locatie een effectieve herstelmaatregel is kan afgeleid worden uit de beslisboom ‘naar een gezonde bosgroeiplaats’ (Bron: Smeenge et al., 2021). Daarnaast zijn beperkt mogelijke herstelmaatregelen opgenomen in de landelijke herstelstrategieën voor de habitattypen en leefgebieden van soorten. Deze maatregelen zorgen voor het terugdraaien van verzuring en herstel van de mineralenonbalans in de bodem. Verzuring kan worden tegengegaan door bekalken (maatregel 3.2.1 toevoegen basische stoffen in de landelijke herstelstrategieën), maar doordat hierbij slechts één voedingsstof (kalk) wordt toegevoegd, wordt de mineralenonbalans niet hersteld, of soms zelfs vergroot. Snel vrijkomende vormen van kalk hebben bovendien grote kans op een schokeffect in het ecosysteem, en kunnen daardoor nadelige gevolgen hebben voor planten en (bodem)dieren. Met deze maatregel wordt daarom zeer terughoudend omgegaan. Het toevoegen van steenmeel kan in de boshabitattypen en stikstofgevoelige leefgebieden als experimentele maatregel worden ingezet onder de in Deel 1, Hoofdstuk 3, paragraaf 3.2.15 van de herstelstrategie genoemde voorwaarden (Algemene inleiding herstelstrategieën (natura2000.nl)).
Daarbij is het van belang
68
Ontwerp-herstelprogramma Bossen | Natura 2000 Veluwe | Januari 2023
dat eerst ter plekke bodemchemisch en plantchemisch vooronderzoek wordt uitgevoerd om inzicht te krijgen in de mate van verzadiging van het bodemadsorptiecomplex en mogelijke nutriëntdeficiënties in de vegetatie. Vervolgens is een deskundig advies op maat nodig, waarbij ook wordt gecontroleerd of er specifieke natuurwaarden en/of omstandigheden aanwezig zijn waarbij een steenmeelgift nadelige gevolgen kan hebben. Daarnaast kan de maatregel alleen worden toegepast als deze wordt begeleid door goede monitoring. Aanvullend hierop, is het van belang om nader onderzoek te doen naar de effecten van duurzame toevoeging van steenmeel in verschillende habitattypen en stikstofgevoelige leefgebiedtypen onder verschillende omstandigheden, waarbij ook aandacht wordt besteedt aan effecten op de (middel)lange termijn. Ook wordt onderzocht of een combinatie van bekalken en een steenmeelgift onder sterk verzuurde omstandigheden kan worden ingezet voor bodem en ecosysteemherstel. Op deze manier kan worden bepaald of, en zo ja onder welke omstandigheden en voorwaarden, toedienen van steenmeel (al dan niet in combinatie met kalk) in de toekomst als bewezen maatregel kan worden beschouwd en op grotere schaal kan worden toegepast.
Gezien de omvang en ernst van de problematiek van mineralenonbalans en verzuring in de ecosystemen van de droge zandgronden op (onder andere) de Veluwe, heeft de provincie inmiddels een aantal onderzoeksprojecten op dit vlak opgestart in bossen (H9190 Oude eikenbossen), heiden en heischrale graslanden. Steenmeeltoediening kan dus mogelijk onderdeel uitmaken van een maatregelpakket tegen bodemverzuring, maar over effectiviteit in bossen is nog te weinig bekend. Met name in loofbossen op oude bodems met dikke humus-profielen zijn ongewenste neveneffecten goed denkbaar (Bron: Smeenge et al., 2021) en is grootschalige toediening van meststoffen vooralsnog ongewenst. De volgende activiteiten binnen de kwalificerende boshabitats zijn daarom niet toegestaan : 1. Uitvoeren van experimentele bodemherstelmaatregelen zoals steenmeel of andere vormen van inbreng van bufferstoffen. Uitzondering hierop en wel toegestaan is: a Kleinschalige inbreng op maximaal 7 hectare aaneengesloten bos en in totaal op niet meer dan 25% van het totale lokale boscomplex. De noodzaak en hoeveelheid/ha moet worden bepaald op basis van vooronderzoek, maar is maximaal 20 ton/ha. De maatregel moet worden begeleid door goede monitoring. b Plantgat bemesting.
Inbrengen van steenmeel in oude eikenbossen
69
Ontwerp-herstelprogramma Bossen | Natura 2000 Veluwe | Januari 2023
6.1.5
Herintroductie en zaaien en bijplaatsen soorten Steeds vaker is naast habitatherstel ook herstel van de vitaliteit van populaties nodig, bijvoorbeeld door genetisch onderzoek, kweken en bijplaatsen van soorten. Bij het herintroduceren, bijplaatsen en inzaaien van soorten moet zoveel mogelijk gewerkt worden conform de randvoorwaarden zoals deze zijn opgenomen in bijlage 3.
6.1.6
Wildkerende rasters Er zijn er plekken op de Veluwe waar door een te hoge wilddruk bosverjonging niet of moeilijk op gang komt (zie ook § 5.1.5 Wilde hoefdieren). In het Natura 2000-beheerplan Veluwe is al benoemd dat wanneer de te hoge wilddruk niet door beheer kan worden teruggedrongen, tijdelijke uitrastering noodzakelijk kan zijn om de bosverjonging betere kansen te geven. Deze lokale ‘enclosures’ werken ook niet versnipperend omdat deze enkel kleine delen uit het leefgebied van de wilde hoefdieren onttrekken en het leefgebied in principe niet doorsnijden. In situaties met een problematische verjonging of de wens tot bosuitbreiding kunnen beschermingsmaatregelen zoals uitrasteren noodzakelijk zijn.
6.2 Herstelmaatregelen Hieronder zijn gegroepeerd in maatregelpakketten de herstelmaatregelen voor bossen op de Veluwe toegelicht, zoals opgesteld door een consortium van Wageningen Environmental Research, SOVON Vogelonderzoek Nederland en Stichting Bargerveen. Deze maatregelen hebben betrekking op herstel en eventueel benodigd vervolgbeheer en in principe niet op regulier beheer. Als sprake is van lokale of regionale Natura 2000-waarden met een zeer groot relatief belang, is er soms toch voor gekozen gewenst regulier beheer op te nemen. Het kan daarbij gaan om zowel het stoppen als het invoeren van beheeractiviteiten (bijvoorbeeld ten aanzien van het uitfaseren van houtproductie/ houtoogst), gericht op duurzaam behoud of versterking van de betreffende waarden. De herstelmaatregelen zijn locatie-specifiek, ze zijn per deelgebied begrensd en beschreven. Hieronder zijn de verschillende maatregelen gegroepeerd en generiek beschreven. Per bosgebied zijn in veel gevallen losse deelmaatregelen aan de maatregelpakketten toegevoegd of aangepast op basis van lokale kwaliteiten, knelpunten en/of kansen. Voor de gedetailleerde beschrijving van de maatregelpakketten wordt verwezen naar bijlage 4 Herstelmaatregelen in de deelgebieden.
In onderstaande tabellen bij de maatregelenpakketten is steeds tussen haakjes verwezen naar de specifieke locaties van deze maatregelen in de bijlage 4 (Deelgebied , maatregelcode).
Grootschalig bosherstel binnen historische boscomplexen De maatregelpakketten ‘Herstel historische boscomplexen’ en ‘Herstel (en uitbreiding) strubbenboscomplexen’ binnen de malebossen en vergelijkbaar ecologisch waardevolle oude bossen op de Veluwe volgen uit de historische achtergrond als oude bosgroeiplaats van deze locaties. Deze kunnen dus niet worden vervangen of gecompenseerd door bossen zonder deze achtergrond. De oude malenbossen zijn veelal meer dan duizend jaar oud en zijn de oudste bossen van de Veluwe én van Nederland. De bossen hebben over deze periode continu enige vorm van bebossing gekend. Het zijn zonder twijfel de meest bijzondere bossen van Nederland en ze herbergen dan ook veel bijzondere soorten die nergens anders in Nederland gevonden worden. De herstelmaatregelen binnen deze bossen dienen uitgevoerd te worden
70
Ontwerp-herstelprogramma Bossen | Natura 2000 Veluwe | Januari 2023
binnen de gehele historische begrenzing van de oude boscomplexen. Dit vanwege het grote relatief belang van de Veluwe voor de landelijke staat van instandhouding van beide habitattypen beuken-eikenbossen met hulst (H9120) en oude eikenbossen (H9190), en de noodzaak om op de hogere zandgronden tot grote, aaneengesloten complexen inheems loofbos te komen zoals omschreven in het Natura 2000-doelendocument van het ministerie van LNV (Bron: 153 Ministerie van LNV, 2006) en in de EU-habitatrichtlijn: “Generally, Natura 2000 conservation objectives are established in a way that take due account of the dynamic character of forest ecosystems. Indeed, it is often this dynamic characteristic that helps to ensure the continued survival of a wide range of different forest related species, especially in large areas of continuous forests.” (Bron: European Union, 2015) De historische oude boscomplexen vormen slechts een klein deel van het huidige bos op de Veluwe. Het Natura 2000-gebied Veluwe bestaat voor 65% uit bos (ca. 64.000 ha), waarvan ca. 1/3 wordt ingenomen door oude bosgroeiplaatsen (tenminste bebost rond 1832). Hiervan bestaat iets meer dan 1/3 nog uit inheems loofbos. Dit zijn de huidige habitatbossen, deze vormen ongeveer 12% van het huidige bosareaal op de Veluwe (ca. 7.800 ha). Als gevolg van de herstelmaatregelen in dit herstelprogramma wordt aanvullend ca.
5.700 ha aangewezen als uitbreidingslocatie voor deze bossen, dat is 10% van het huidige bosareaal op de Veluwe. De habitatbossen en de uitbreidingslocaties tezamen vormen 3,5 % van het landelijk bosareaal in Nederland.
6.2.1
Herstel historische boscomplexen
Habitattypen
Hoofdzakelijk H9120 beuken-eikenbossen met hulst, soms met overgangen naar H9190 oude eikenbossen en in enkele gevallen lokaal in mozaïek met H91E0C* vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen)
VHR-soorten
Vliegend hert, wespendief, zwarte specht
Overig
O.a. bosparelmoervlinder
Type maatregel
Kwaliteitsverbetering en habitatuitbreiding
Sleutelfactoren
Oppervlaktevergroting habitatbossen, versterken van refugia en hotspots van karakteristieke soorten, uitfaseren van houtproductiefunctie, optimalisatie beheer, verwijderen invasieve uitheemse boom- en struiksoorten
Gebieden
Vierhoutense bos (DG03-HB1), Elspeterbos (DG03-HB2), Gortelse bos (DG05-HB1), Orderbos (DG05-HB2), Meervelderbos (DG05-HB4), Uddeler Heegde (DG05-HB5), Hoogsoerense bos (DG05-HB6), Wieselse bos (DG05-HB7), Speulder-, Sprielder- & Putterbos (DG07-HB2), Ugchelse bos (DG08-HB1), Hoenderlose bos (DG08-HB2), Spelderholt (DG08-HB3), Dabbelo (DG08-HB5), Hoog-Baarlo (DG10-HB3), Sysselt (DG11-HB1), randzone Roekelse bos (DG11-HB3), Edese bos (DG11-HB4), Doorwerthse bossen (DG12-HB1), Laag Oorsprong & Hemelse berg DG12-HB2), Vijverberg
71
Ontwerp-herstelprogramma Bossen | Natura 2000 Veluwe | Januari 2023
Oppervlaktevergroting en kwaliteitsverbetering voor de boshabitattypen beukeneikenbossen met hulst (H9120) en oude eikenbossen (H9190) gaan hand in hand. Duurzame kwaliteitsverbetering voor deze boshabitats is alleen te realiseren in grotere complexen inheems loofbos met een natuurlijke(re) bosdynamiek. De enige bossen op de Veluwe die hiervoor in aanmerking komen zijn de voormalige malebossen en de voormalige heerlijkheid Doorwerth vanwege hun omvang en lange historie als boombos. Binnen de historische begrenzing van deze oude bossen wordt met het maatregelpakket ‘Herstel historische boscomplexen’ gewerkt aan grote, robuuste inheemse loofboscomplexen met een natuurlijkere bosdynamiek, met een variatie aan ontwikkelingsstadia en met open plekken en (dikke) oude en aftakelende bomen en (dik) dood hout. Aanvullend op deze historische boscomplexen zijn vanwege hun ecologisch belang bossen aangewezen met natuurlijke overgangen tussen beuken-eikenbossen op stuwwalmateriaal en oude eikenbossen op overstoven stuwwalmateriaal en met randwallen (o.a. Meervelderbos en Ugchelse bos).
De voorgestelde maatregelgebieden omvatten de volgende ecologische variatie binnen de Veluwe: • stuwwal van Ede: Edese bos (met overgangen naar heide); • stuwwal van Garderen: boscomplex Speulder- en Sprielderbos en Putterbos (met intacte randzone met enken van Drie, Houtdorp en Speuld); • stuwwal van de oostelijke Veluwe: Gortelse bos, Vierhoutense bos, Elspeterbos (met oorspronkelijke randzone met enk van Elspeet en overgangen naar Elspeter Struiken), Uddeler heegde (met oorspronkelijke randzone naar enk van Uddel), Meervelderbos (met overgangen naar goed ontwikkelde oude eikenbossen en heide/stuifzand), Wieselse bos, Hoogsoerense bos (met oorspronkelijke randzone met enk van Hoog Soeren), Ugchelse bos (met overgangen naar goed ontwikkelde oude eikenbossen); • stuwwal van Arnhem: Doorwerthse bossen (met overgangen naar smalle zone hardhoutooibos). Binnen deze malenbossen en vergelijkbaar ecologisch waardevolle oude bossen worden de volgende, samenhangende maatregelen uitgevoerd: 1. Het uitwerken van een plan van aanpak voor bosherstel, tenminste binnen de historische begrenzing van het boscomplex. Dit plan van aanpak is inclusief fasering, begroting en concreet uitvoeringsplan en geeft tenminste invulling aan onderstaande deelmaatregelen 2 t/m 6. 2.
Planmatig verwijderen van Amerikaanse vogelkers, Amerikaanse eik en verjonging van Japanse lariks, douglas, hemlockspar en andere snelgroeiende naaldhoutsoorten binnen de bosvakken, inclusief open ruimtes. Lanen en/of bijzondere solitairen kunnen desgewenst gespaard worden, bijvoorbeeld vanuit cultuurhistorisch oogpunt. Na uitvoering van de herstelmaatregelen dient planmatige bestrijding van (verjonging van) deze soorten onderdeel te zijn van het regulier beheer. 3. Uitfaseren van houtproductie/houtoogst binnen de gehele maatregelbegrenzing. (Zie voor toelichting tevens § 5.2.6 Uitfaseren houtproductiefunctie/houtoogst habitatbossen en beoogde uitbreidingslocaties.) 4. Oogsten van vakken met Amerikaanse eik, Japanse lariks, douglas, hemlockspar en andere snelgroeiende naaldhoutsoorten, gericht op omvorming naar inheems loofbos, eventueel met behulp van rasteren en aanplant. Aanplant met autochtoon plantmateriaal uit de ‘inheemse boom- en struiksoorten van de Veluwe’ (Bron: Rövekamp & Maes, 2002). a. Aanwijzen van oudere bomen en oudere vakken van Japanse lariks, douglas en andere snelgroeiende naaldhoutsoorten en deze behouden en laten aftakelen als nestgelegenheid voor o.a. wespendief en als bron voor dik dood hout en grote wortelkluiten. Deze meer open opstanden zijn daarnaast vaak nog vindplaatsen van oudbossoorten als dalkruid en witte klaverzuring.
72
Ontwerp-herstelprogramma Bossen | Natura 2000 Veluwe | Januari 2023
b. Herstellen van delen van omgevormde vakken naar permanente grazige of heide-achtige open ruimtes of corridors met (mantel- en) zoomvegetaties en recreatief medegebruik, met name langs oude infrastructuur, wallen en andere cultuurhistorische structuren (vanwege de aanwezigheid van bronpopulaties en beheergemak (Bron: Bijlsma et al., 2002)) en/of op (voormalige) heide klasse 1 en 2 volgens de historische (TMK) kaart. Opslag moet periodiek worden verwijderd en de bosrand zo nodig periodiek teruggezet als onderdeel van het regulier beheer. Hierdoor kunnen overgangen van korte begroeiingen (heideachtige vegetaties, zomen en mogelijk mantels) naar bos ontstaan, met de bijbehorende fauna (o.a. bosparelmoervlinder) (Bron: Veling et al., 2014). Zie voor suggesties voor inrichting en beheer o.a. Veling et al. 2014. 5. Grovedennen- en fijnsparbossen – ongeacht leeftijd en structuur – spontaan laten doorontwikkelen zonder ingrijpen in de boomlaag, als kiembed voor loofhoutverjonging (spontane uitbreiding van habitat door natuurlijke successie), bron van dood hout en wortelkluiten en leefgebied zwarte specht. Deze bossen zijn in ecologische zin een vroeg ontwikkelingsstadium van de beide boshabitats (Bron: Bijlsma et al., 2010) en primair leefgebied voor zwarte specht (Bron: Nijssen et al., 2019) .
Vellen van grove den in deze bossen als ‘administratieve’ habitatuitbreiding is ongewenst en brengt schade toe aan het doelbereik van habitattypen bos en aan het leefgebied van VHR-soort zwarte specht. 6. Delen beheersmatig veiligstellen als leefgebied voor wintereik, rekening houdend met natuurlijke verjonging in dennenbossen en/of heide-achtige open ruimtes, eventueel met tijdelijk raster. In enkele boscomplexen liggen nog relatief veel aaneengesloten kernen van (winter)eik (Hoenderlose bos, Dabbelo en de enk bij Wekerom). Deze dienen voldoende in beeld gebracht te worden. Het maatregelpakket is binnen deze bossen specifiek gericht op het verkrijgen van een samenhangende oppervlakte inheems loofbos met een ondergeschikte rol voor beuk.Aanvullende ingrepen in de structuur van het al aanwezige inheems loofbos en grovedennenbos is niet nodig als herstelmaatregel. Open ruimtes en andere structuurvariatie ontstaan ‘vanzelf’ op ecologisch logische plekken als gevolg van natuurlijke dynamiek. Daarnaast zorgt de omvorming van naaldbossen en inrichting van open grazige ruimtes op korte termijn voor aanwezigheid van open en jonge ontwikkelingsstadia.
6.2.2
Herstel (en uitbreiding) strubbenboscomplexen
Habitattypen
H9190 oude eikenbossen
VHR-soorten
Draaihals, vliegend hert, wespendief en zwarte specht
Overig
O.a. bosparelmoervlinder
Type maatregel
Kwaliteitsverbetering en habitatuitbreiding
Sleutelfactoren
Oppervlaktevergroting habitatbossen, versterken van refugia en hotspots van karakteristieke soorten, uitfaseren van houtproductiefunctie/houtoogst, optimalisatie beheer, verwijderen invasieve uitheemse boom- en struiksoorten
Gebieden
Elspeetse heide & Noorderheide (DG03-HB3), Hendrik Mouwenveld (DG03-HB4), Dalkenschoten (DG05-HB3), Ermelose heide (DG06-HB2), Kriemelberg (DG06-HB3), Noord-Riezen & Elspeter veld (DG06-HB4), Maanschoten (DG07-HB1-HH2), Caitwickerzand (zie herstelprogramma Heiden en stuifzanden), Radio Kootwijk en Kootwijkerduinen (Zie herstelprogramma Heiden en stuifzanden, DG 07), Ramenberg, Rijsvoorde en Schansenberg (DG09-HB1), Deelense start (DG10-HB2) , Wekeromse zand (DG11-HB2)
73
Ontwerp-herstelprogramma Bossen | Natura 2000 Veluwe | Januari 2023
Oude eikenbossen liggen vaak in de rand of zijn onderdeel van heide- en stuifzandlandschappen en komen soms voor als eigenstandige strubbenbossen van zomereik zoals bijvoorbeeld in de voormalige Kootwijker malenbossen. Een bijzondere categorie vormen de ingestoven randzones van bossen op rijke bodem in de nabijheid van zandverstuivingen. Door historische, grootschalige instuiving zijn hier vaak hoge randwallen ontstaan met natuurlijke overgangen van oude eikenbossen naar beuken-eikenbossen. Het Meervelderbos en Ugchelse bos op de Veluwe zijn hiervan de mooiste voorbeelden in Nederland. Soms is het oorspronkelijke bos verdwenen en resteert alleen nog de randwal met oude eikenbossen, zoals het Otterlose bos en de Spelderholt. Om tot herstel en kwaliteitsverbetering van deze bossen te komen wordt ervoor gekozen de grote boscomplexen met eikenstrubben vrij te houden van invasieve exoten (o.a. Japanse lariks, douglas en Amerikaanse vogelkers) en in- en tussenliggende grovedennenbossen met rust te laten. Een groot deel van deze maatregelen sluit direct aan op maatregelen voor het behoud van openheid en voor bestrijding van Amerikaanse vogelkers in stuifzandgebieden en in malenbossen. Bij Maanschoten kan jeneverbes tevens profiteren van deze maatregel. Uitbreiding van het habitattype vindt plaats binnen onbeheerde grovedennenbossen.
Daarnaast wordt een brede zone rondom strubbenboscomplexen in de heide beleidsmatig vrijgehouden voor verjonging van eik en berk (t.b.v. draaihals). Dit is bijvoorbeeld het geval in de Deelense start (Hoge Veluwe), Elspeetse heide en Ermelose heide. In al deze gevallen lift ook oude droge heide inclusief bosbesheide en kraaiheiheide mee met de maatregelen. De exacte maatregelen per boscomplex variëren sterk, afhankelijk van de plaatselijke situatie en lokale kwaliteiten, kansen en knelpunten. Globaal worden binnen en rondom deze eiken(strubben)boscomplexen de volgende, samenhangende maatregelen uitgevoerd: 1. Amerikaanse vogelkers en Amerikaanse eik planmatig verwijderen uit gehele maatregelgebied. (Na)verjonging van beide soorten periodiek bestrijden als onderdeel van het regulier beheer (minstens elke 5-8 jaar). Binnen enkele eiken(strubben)boscomplexen is de verdere kwaliteit dusdanig op orde dat dit in feite de enige maatregel is, zie ook § 6.2.3 Landschapsbrede exotenbestrijding. 2. Beleidsmatig veiligstellen van brede zone van heide rondom het huidig strubbenbos, gericht op spontane vestiging en doorgroei van eik en berk (t.b.v. draaihals) voor uitbreiding van het strubbenbos.
In enkele gevallen is dit onderdeel van maatregelpakketten gericht op behoud en herstel van stuifzandlandschappen, bijvoorbeeld in het Caitwickerzand, Kootwijkerzand, Radio Kootwijk en Kootwijkerduinen en in het Wekeromse zand. 3. Opslag van grove den, Amerikaanse eik en Amerikaanse vogelkers in het open landschap planmatig verwijderen als onderdeel van het regulier beheer. 4. Permanent uitfaseren van houtproductie/houtoogst binnen de gehele maatregelbegrenzing. (Zie voor toelichting tevens § 5.2.6 Uitfaseren houtproductiefunctie/ houtoogst habitatbossen en beoogde uitbreidingslocaties.) 5. Grovedennen- en fijnsparbossen – ongeacht leeftijd en structuur – spontaan laten doorontwikkelen zonder ingrijpen in de boomlaag, als kiembed voor loofhoutverjonging (spontane uitbreiding van habitat door natuurlijke successie), bron van dood hout en wortelkluiten en leefgebied zwarte specht. Deze bossen zijn in ecologische zin een vroeg ontwikkelingsstadium van de beide boshabitats (Bron: Bijlsma et al., 2010) en primair leefgebied voor zwarte specht (Bron: Nijssen et al., 2019). Vellen van grove den in deze bossen als ‘administratieve’ habitatuitbreiding is ongewenst en brengt schade toe aan het doelbereik van habitattypen bos en aan het leefgebied van VHR-soort zwarte specht.
74
Ontwerp-herstelprogramma Bossen | Natura 2000 Veluwe | Januari 2023
Binnen enkele boscomplexen dienen daarnaast vakken met uitheemse boomsoorten omgevormd te worden tot open grazige ruimte of tot inheems loofbos vergelijkbaar met maatregel 4 en 4b. onder § 6.2.1 Herstel historische boscomplexen. Dit komt echter veel minder voor omdat de huidige eiken(strubben)boscomplexen vaak reeds een veel hogere graad van natuurlijkheid hebben dan de boscomplexen op de groeiplaats van beuken-eikenbossen met hulst (H9120) (Bron: Bijlsma et al., 2022).
Das in een eikenstrubbenbos (fotografie: Jeroen van Wijk/Buiten-Beeld)
6.2.3
Landschapsbrede exotenbestrijding
Habitattypen
H9190 oude eikenbossen
VHR-soorten
Vliegend hert
Overig
O.a. bosparelmoervlinder
Type maatregel
Kwaliteitsverbetering
Sleutelfactoren
Verwijderen invasieve uitheemse boom- en struiksoorten
Gebieden
Hendrik Mouwenveld (DG03-HB5) , Kootwijker Boven- en Onderbos (DG08-HB4), Otterlose bos (DG10-HB1), Rieselo en Franse berg e.o. (DG10-HB1)
De ecologische kwaliteit van enkele eiken(strubben)boscomplexen is dusdanig op orde dat de grootschalige aanwezigheid van invasieve exoten het enige knelpunt is, bijvoorbeeld in het Kootwijker Boven- en Onderbos en in het Otterlose bos. Voor bestrijding van Amerikaanse vogelkers en Amerikaanse eik is momenteel geen effectieve methode voorhanden zonder gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen of nadelige effecten op de bosbodem door grootschalige bodemroering. Dit is daarom opgenomen als kennisleemte in dit herstelprogramma (§ 5.3.9 Effectieve en doelmatige bestrijding van Amerikaanse vogelkers en Amerikaanse eik). Planvorming voor deze maatregelen moet zoveel mogelijk worden uitgevoerd met input van andere succesvolle initiatieven elders, bijvoorbeeld in het Leuvenumse bos (Natuurmonumenten).
75
Ontwerp-herstelprogramma Bossen | Natura 2000 Veluwe | Januari 2023
6.2.4
Beperken zwijnendruk
Habitattypen
H9190 oude eikenbossen
VHR-soorten
Vliegend hert
Overig
O.a. bosparelmoervlinder
Type maatregel
Kwaliteitsverbetering
Sleutelfactoren
(Lokaal) verlagen graasdruk en zwijnendruk
Gebieden
Boeschoten (zie herstelprogramma Heiden en stuifzanden, DG07-HH8-HB3-BH4) Kootwijker Boven- en Onderbos (DG08-HB4)
Continu wroeten van wilde zwijnen op dezelfde locaties binnen m.n. oude eikenbossen (H9190) gaat ten kosten van verschillende karakteristieke soorten van deze bossen, zoals vliegend hert en bosparelmoervlinder. Op de middellange termijn moet dit knelpunt worden opgelost door het verlagen van de populatiedichtheid (zie § 5.2.10 Regionaal verlagen graas- en wroetdruk). Om op korte termijn geen kwaliteiten te verliezen in deze bossen worden zwijnenwerende rasters geplaatst rondom kwetsbare terreindelen.
6.2.5
Herstel hardhoutooiboszone
Habitattypen
H91F0 droge hardhoutooibossen
VHR-soorten
-
Overig
-
Type maatregel
Kwaliteitsverbetering
Sleutelfactoren
Optimalisatie beheer, verwijderen invasieve uitheemse boom- en struiksoorten
Gebieden
Noordberg, Wageningse berg, Doorwerthse bossen, Laag Oorsprong & Hemelse berg
Een aantal oude bosgroeiplaatsen op de zuidflank van de Veluwe omvatten een natuurlijke overgang naar hardhoutooibos (H91F0) langs de Rijn en zijn daarmee ecologisch zeer waardevol. Binnen deze gebieden worden de volgende maatregelen uitgevoerd: 1. Planmatig bestrijden en beheerbaar maken van invasieve exoten Robinia, Amerikaanse eik en Amerikaanse vogelkers. (Na)verjonging van deze soorten periodiek bestrijden als onderdeel van het regulier beheer (minstens elke 5-8 jaar). 2. Op de stuwalvoet ruimte geven aan karakteristieke houtige soorten van de hardhoutooiboszone, zo nodig herstel door aanplant van autochtoon materiaal. Specifiek onderaan de Wageningse berg liggen daarbij kansen voor uitbreiding van hardhoutooibos (H91F0).
76
Ontwerp-herstelprogramma Bossen | Natura 2000 Veluwe | Januari 2023
6.2.6
Regionaal verlagen omvang wilde hoefdierpopulaties
Habitattypen
H9120 beuken-eikenbossen met hulst, H9190 oude eikenbossen en H91E0C* vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen)
VHR-soorten
Vliegend hert, wespendief, zwarte specht
Overig
-
Type maatregel
Kwaliteitsverbetering en uitbreiding
Sleutelfactoren
Verbeteren buffercapaciteit en vitaliteit bosbodem, (lokaal) verlagen van graas- en wroetdruk
Gebieden
Gehele Natura 2000-begrenzing
Deze maatregel is niet uitgewerkt door het consortium van Wageningen Environmental Research, SOVON Vogelonderzoek Nederland en Stichting Bargerveen, maar is nader geformuleerd op basis van aanvullend onderzoek naar de graasdruk op de Veluwe en de effecten op de (continue) bosverjonging en Natura 2000-doelbereik (Bron: Den Ouden et al., 2020; Den Ouden et al., 2022) en op basis van gesprekken met verschillende terreinbeheerders op de Veluwe. Daarnaast grijpt deze maatregel in op het knelpunt ten aanzien van de permanente wroetdruk van zwijnen op de Veluwe (Bron: Bijlsma et al., 2022). De landschapsbrede en permanent hoge graas- en wroetdruk op de Veluwe vormen een knelpunt voor de kwaliteit van de habitatbossen en voor de klimaatbestendigheid en weerbaarheid tegen verdere bodemverzuring van zowel de habitatbossen als de bossen daarbuiten die o.a. leefgebied vormen voor vliegend hert, wespendief en zwarte specht. Deze maatregel dient te worden uitgevoerd onder regie van de Faunabeheereenheid Gelderland en op een schaal die aansluit op de omvang van het leefgebied van de wilde hoefdieren en op de organisatie en uitvoering van het faunabeheer. De regionale verlaging van de omvang van de wilde hoefdierpopulaties kan zo veel mogelijk gebeuren binnen de terreinen van eigenaren die het knelpunt van een hoge graas- en wroetdruk het sterkst ervaren.
Invulling, bijsturing en monitoring van de maatregel wordt bij voorkeur zoveel mogelijk gedaan op basis van de effectmonitoring uit het netwerk graasdrukmonitor van de Faunabeheereenheid Gelderland, zodat de effecten op het Natura 2000-doelbereik goed gevolgd kunnen worden en tussentijds bijgestuurd kan worden, bijvoorbeeld vanwege toenemende effecten van de wolf op de omvang en het gedrag van de hoefdierpopulaties. Uitvoering van deze maatregel hangt sterk samen met de kennisleemte over continuïteit in bosverjonging (§ 5.3.9).
6.2.7
Overige maatregelen Naast de hierboven op natuurlijke bosontwikkeling gerichte maatregelen zijn er ook maatregelen specifieker gericht op het versterken van leefgebied van karakteristieke soorten, met name ‘rijke’ bosflora van beuken-eikenbossen, zoals grote muur, witte klaverzuring, ruige veldbies en bosanemoon, die op de Veluwe alleen nog in de randgebieden of in refugia aanwezig zijn. Zie bijlage 4. Het betreft o.a. maatregelen voor het stroomgebied van de Leuvenumse beek (DG04-HB1), voor Landgoed Staverden (DG06-HB1) en de oude bosgroeiplaats bij Hoog Baarlo (DG10-HB3).
77
Ontwerp-herstelprogramma Bossen | Natura 2000 Veluwe | Januari 2023
6.3 Soortspecifieke maatregelen Voor sommige soorten is algemeen systeemherstel onvoldoende en zijn specifieke maatregelen nodig, bijvoorbeeld omdat de bestaande populaties te klein of te versnipperd zijn of omdat ze van heel specifieke milieuomstandigheden en/of beheer afhankelijk zijn. Welke soorten dit zijn en wat er nodig is voor het wegnemen van de knelpunten voor duurzame instandhouding van deze soorten is onvoldoende bekend en wordt nader in beeld gebracht vanuit de kennisleemte ‘Staat van instandhouding kenmerkende en karakteristieke soorten’ (§ 5.3.6). Maatregelen die voortkomen uit deze kennisleemte en effectief bijdragen aan de duurzame instandhouding van kenmerkende en karakteristieke soorten van de bossen op de Veluwe komen in aanmerking voor ondersteuning door de provincie.
6.3.1
Vliegend hert De inschatting is dat de herstelmaatregelen onder § 6.2 voldoende bijdragen aan het halen van de Natura 2000-doelstellingen voor vliegend hert (Bron: Bijlsma et al., 2022). Daarnaast is in 2008 een beschermingsplan opgesteld voor vliegend hert (Bron: Smits & Krekels, 2008). De maatregelen in dit beschermingsplan zijn gericht op het versterken en verbinden van bestaande populaties. Deze maatregelen zijn nog niet uitgevoerd. Initiatieven van beheerders die aansluiten op het beschermingsplan en voldoende meerwaarde hebben t.o.v. de herstelmaatregelen komen in aanmerking voor ondersteuning. Dit is in lijn met de maatregel ‘M16 Bescherming voortplantingsbiotoop Vliegend hert’ uit het Natura 2000beheerplan Veluwe. Daarnaast kan het uitwerken en inbedden van een netwerk van oude, aftakelende en dode bomen (NOAD) (zie § 6.4.4) bijdragen aan het leefgebied van vliegend hert. Hierbij moet wel voldoende rekening worden gehouden met de habitatvereisten en beperkte dispersiecapaciteit van vliegend hert. Of en in welke mate op landschapsschaal leefgebiedversnippering plaatsvindt door afwezigheid van oude, aftakelende eiken en/of eikenverjonging en de aanwezigheid van brede houtwallen met oude en aftakelende eiken is onvoldoende in beeld en is opgenomen als kennisleemte (§ 5.3.3 Versnippering van leefgebied zwarte specht en vliegend hert).
Vechtende mannetjes van Vliegend hert (fotografie: Paul van Hoof/Buiten-Beeld)
78
Ontwerp-herstelprogramma Bossen | Natura 2000 Veluwe | Januari 2023
6.3.2
Wespendief Voor wespendief heeft het consortium van Wageningen Environmental Research, SOVON Vogelonderzoek Nederland en Stichting Bargerveen een specifieke maatregel opgesteld op landgoed Staverden en directe omgeving, gericht op een duurzame ontwikkeling als broedgebied (zie bijlage 4, Herstelmaatregelen in deelgebieden, Maatregel code DG06-BB1). Het terrein is van bijzonder belang voor de wespendief vanwege de grote diversiteit van het foerageergebied (droge en natte biotopen) nabij het broedgebied. De overige herstelmaatregelen dragen daarnaast bij aan de verbetering van het foerageergebied en broedbiotoop van wespendief door extensivering van het beheer in deze bossen (Bron: Bijlsma et al., 2022). Knelpunten ten aanzien van voldoende voedselbeschikbaarheid (m.n. wespen) worden nader onderzocht (§ 5.3.4 Afname van wespen in relatie tot broedsucces van de wespendief ).
6.3.3
Zwarte specht De inschatting is dat de herstelmaatregelen onder § 6.2 voldoende bijdragen aan het halen van de Natura 2000-doelstellingen voor zwarte specht. Daarnaast kan het uitwerken en inbedden van een netwerk van oude, aftakelende en dode bomen (NOAD) (zie § 6.4.4) bijdragen aan het leefgebied van zwarte specht wanneer hierbij voldoende rekening gehouden wordt met de habitatvereisten van deze soort.
6.4 Revitaliseringsmaatregelen Revitalisering is het nemen van maatregelen gericht op het mitigeren en/of wegnemen van knelpunten ten aanzien van de vitaliteit van bos. Vitaal bos is daarbij gedefinieerd als bos dat nu én in de toekomst duurzaam zoveel mogelijk in staat is de door ons gewenste ecosysteemdiensten te leveren, ook wanneer het klimaat verandert (Bron: Bijlsma et al., 2022). De revitaliseringsmaatregelen in dit herstelprogramma zijn specifiek gericht op borgen van de basiskwaliteit die de bosecosystemen op de Veluwe zouden moeten hebben om de Natura 2000doelen te kunnen halen, ook onder veranderende omstandigheden. Een evaluatie van de haalbaarheid van de huidige Natura 2000-instandhoudingsdoelen is geen onderdeel van dit herstelprogramma. Om de Natura 2000-doelen te kunnen halen moeten de bossen op de Veluwe, zowel binnen de habitatbossen als daarbuiten in het leefgebied van VHR-soorten vliegend hert, wespendief en zwarte specht, weerbaar en veerkrachtig zijn.
Dit betekent: • dat de bossen weerbaar zijn tegen extreme omstandigheden (zoals droogte, storm, nieuwe boomziekten of massaal voorkomen van plaaginsecten); • de bossen in staat zijn te herstellen na catastrofes (bijvoorbeeld uitvallen van boomsoorten, bosbrand of (lokaal) verdwijnen van soorten); • de bossen in staat zijn zich aan te passen aan onzekere toekomstige omstandigheden (bijvoorbeeld minder neerslag en hogere temperatuur, vestiging van nieuwe soorten, toename van ziektes en plagen). Het uitgangspunt van de Natura 2000-revitaliseringstrategie is dat maatregelen zich uitsluitend richten op het wegnemen of mitigeren van drukfactoren en/of het toevoegen van eerder verdwenen aspecten aan het bosecosysteem die de natuurlijke weerstand en veerkracht van de bossen faciliteren. Revitalisering is niet ter vervanging van de natuurlijke veerkracht van bossen, maar ter ondersteuning hiervan. Hierbij maken we wat betreft maatregelen een onderscheid tussen de beschermde habitatbossen, de oude bosgroeiplaatsen die nog niet kwalificeren en de overige bossen.
79
Ontwerp-herstelprogramma Bossen | Natura 2000 Veluwe | Januari 2023
In de habitatbossen is de natuurlijke dynamiek leidend en is de klimaatadaptatiestrategie conservatief en gericht op de natuurlijke veerkracht van deze oude bossen met een groot aandeel van autochtone boom- en struikpopulaties. Aanplant is daarom bijvoorbeeld ongewenst en er worden enkel maatregelen getroffen die passen binnen de afbakening van het habitattype. Op de oude bosgroeiplaatsen zijn actievere maatregelen mogelijk, zolang deze bijdragen aan de natuurlijke ontwikkeling richting kwalificerend habitat en het versterken van autochtone boom- en struikpopulaties. In het overige bos kunnen ook andere soorten worden aangeplant die als Europees inheems worden beschouwd volgens de SNL (Zie onderstaand kader) (Bron: Thomassen et al., 2020) en van herkomsten zijn die aantoonbaar als autochtoon op een Europese rassenlijst voor bomen en struiken staan. De provincie geeft financiële ondersteuning voor onderstaande revitaliseringsmaatregelen. Mogelijk worden extra voorwaarden gesteld voor deze ondersteuning, bijvoorbeeld t.a.v. uitvoering, schaal van de maatregelen of het behalen van de afschotdoelstelling in het kader van faunabeheer.
Beheerders kunnen uiteraard aanvullende revitaliseringsmaatregelen uitvoeren op basis van hun eigen deskundigheid en professionaliteit, zolang deze niet in strijd zijn met de randvoorwaarden uit dit herstelprogramma (H 6.1 Randvoorwaarden herstelprogramma). De provincie ondersteunt deze maatregelen vanuit dit herstelprogramma financieel echter niet. Een overzicht van de revitaliseringsmaatregelen in de habitatbossen, oude bosgroeiplaatsen die nog niet kwalificeren en de overige bossen is in onderstaande paragrafen 6.4.1 t.m. 6.4.4 opgenomen. Europees inheemse soorten in de SNL (van Beek et al. 2014) Europees inheemse soorten in de SNL (van Beek et al.
2014) Aalbes, amandelwilg, Amerikaans krentenboompje, appel, beuk, bittere wilg, bosrank, bosroos, boswilg, braamsoorten, brem, duindoorn, duinroos, kruising van eenstijlige en tweestijlige meidoorn, eenstijlige meidoorn, egelantier, Europese lork, fladderiep, framboos, fijnspar, gagel, gladde iep, gaspeldoorn, Gelderse roos, gele kornoelje, geoorde wilg, gewone es, gewone esdoorn, gewone vlier, grauwe abeel, kruising van grauwe en geoorde wilg, grauwe wilg, grove den, haagbeuk, hazelaar, heggenroos, Hollandse linde, hondsroos, hulst, jeneverbes, kruising van katwilg en grauwe wilg, kleinbloemige roos, klimop, kruising van koraalmeidoorn en tweestijlige meidoorn, koraalmeidoorn, kraagroos, kraakwilg, kruisbes, laurierwilg, mispel, peer, ratelpopulier, rode kamperfoelie, rode kornoelje, rode paardekastanje, rood peperboompje, rossige wilg, ruwe berk, ruwe iep, kruising van schietwilg en kraakwilg, schietwilg, sleedoorn, Spaanse aak, sporkehout, tamme kastanje, taxus, trosvlier, tweestijlige meidoorn, viltroos, vogelkers, wegedoorn, wilde kamperfoelie, wilde kardinaalmuts, wilde liguster, wilde lijsterbes, kruising van wintereik en zomereik, wintereik, winterlinde, witte els, witte paardekastanje, wollige sneeuwbal, zachte berk, zeeden, zoete kers, zomereik, zomerlinde, zuurbes, zwarte bes, zwarte den, zwarte els, zwarte populier.
80
Ontwerp-herstelprogramma Bossen | Natura 2000 Veluwe | Januari 2023
6.4.1
Hydrologisch herstel Hydrologische knelpunten binnen de bossen kunnen nader in beeld gebracht worden. Daarop kunnen maatregelen worden uitgevoerd om deze knelpunten op te heffen. Hiermee wordt de weerbaarheid van het bos tegen periodes van droogte verhoogd. In sommige gevallen kunnen mogelijk kwelstromen met een bufferende werking tegen bodemverzuring worden hersteld. Vanwege het droge karakter van de Veluwe spelen deze hydrologische knelpunten binnen de bossen maar zeer beperkt. Daarnaast zijn de meest voor de hand liggende locaties voor het uitvoeren van hydrologisch herstel over het algemeen reeds opgenomen als herstelmaatregel binnen de herstelprogramma’s voor heiden en stuifzanden, vennen en venen en beken.
6.4.2
Rasteren t.b.v. bosverjonging en weren wroetactiviteiten
Habitattypen
H9120 beuken-eikenbossen met hulst, H9190 oude eikenbossen en H91E0C* vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen)
VHR-soorten
-
Overig
-
Type maatregel
Kwaliteitsverbetering
Sleutelfactoren
Verbeteren buffercapaciteit en vitaliteit bosbodem
Gebieden
Alle bossen op de Veluwe
Lokaal uitrasteren van delen van het bos zorgt ervoor dat spontane verjonging van bomen en struiken zich kan vestigen zonder het risico op vraat. Hiermee zal het aandeel loofbomen in de verjonging, ook met meer basenrijk strooisel, kunnen toenemen (Bron: Van Beek et al., 2014). Op oude bosgroeiplaatsen die nog niet kwalificeren kan deze maatregel bijdragen aan de ontwikkeling richting kwalificerend habitat en daarnaast aan de klimaatbestendigheid en weerbaarheid tegen verdere bodemverzuring van zowel de habitatbossen, als de bossen daarbuiten die o.a. leefgebied vormen voor vliegend hert, wespendief en zwarte specht. Een dominantie van uitheemse soorten in de verjonging dient met aanvullend beheer doorbroken te worden. De rasters dienen ten minste zo lang te blijven staan dat de gewenste gekiemde verjonging door de graaslijn heen is gegroeid en definitief is gevestigd (ca. 10-15 jaar). Rasters kunnen tevens dienen om lokale populaties van vliegend hert (larven) te beschermen tegen predatie van wild zwijn en om eikenverjonging (desgewenst door aanvullende aanplant) te verkrijgen in de nabijheid van bestaande populaties van vliegend hert. De rasters mogen geen versnipperende werking hebben op het leefgebied van de wilde hoefdieren op de Veluwe. Deze maatregel wordt gezien als tijdelijke maatregel.
Het uitgangspunt is dat op termijn, in voldoende grote delen van de Veluwe, de graasdruk geen knelpunt meer vormt voor het halen van de Natura 2000-doelen (zie ook § 6.2.6 Regionaal verlagen omvang wilde hoefdierpopulaties).
81
Ontwerp-herstelprogramma Bossen | Natura 2000 Veluwe | Januari 2023
6.4.3
Kleinschalige aanplant loofbomen
Habitattypen
H9120 beuken-eikenbossen met hulst, H9190 oude eikenbossen en H91E0C* vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen)
VHR-soorten
Vliegend hert
Overig
O.a. bosparelmoervlinder
Type maatregel
Kwaliteitsverbetering en uitbreiding
Sleutelfactoren
Verbeteren buffercapaciteit en vitaliteit bosbodem, (potentieel) oppervlaktevergroting habitatbossen, optimalisatie beheer, (lokaal) verlagen van graas- en wroetdruk
Gebieden
Alle bossen op de Veluwe
Kleinschalige aanplant van loofbomen op open plekken of onder een open scherm van volwassen bomen draagt bij aan het verhogen van het aandeel inheemse loofbomen, vaak met meer basenrijk strooisel, die nu veelal om historische redenen nog maar beperkte zaadbronnen hebben op de Veluwe. Voorbeelden hiervan zijn boswilg, ratelpopulier, hazelaar, zoete kers en vogelkers (Bron: Den Ouden et al., 2022). Op oude bosgroeiplaatsen die nog niet kwalificeren kan deze maatregel bijdragen aan de ontwikkeling richting kwalificerend habitat en daarnaast aan de klimaatbestendigheid en weerbaarheid tegen verdere bodemverzuring van zowel de habitatbossen, als de bossen daarbuiten die o.a. leefgebied vormen voor vliegend hert, wespendief en zwarte specht. Aanplant van (winter)eik kan daarnaast bijdragen aan duurzame instandhouding van het leefgebied voor vliegend hert (Bron: Smits & Krekels, 2008). De aanplant dient voldoende beschermd te worden tegen vraat. Daarnaast moet deze kleinschalig en groepsgewijs worden uitgevoerd om homogenisering van de bosstructuur te voorkomen en foerageerhabitat van o.a. wespendief en zwarte specht te behouden. In de habitatbossen is de natuurlijke dynamiek leidend en is aanplant ongewenst.
Op oude bosgroeiplaatsen buiten kwalificerend habitat kan wel worden aangeplant met SNL inheemse (Bron: Van Beek et al., 2014) (zie kader onder § 6.4 revitaliseringsmaatregelen), autochtone herkomsten van de Nederlandse rassenlijst In de overige bossen kan ook met deze soorten worden aangeplant, maar kan ook gebruik gemaakt worden van herkomsten die aantoonbaar op een Europese rassenlijst als autochtoon zijn aangemerkt. Hiermee kan desgewenst genetisch materiaal uit warmere en drogere herkomst-gebieden worden ingebracht ten behoeve van klimaatadaptatie (Bron: Mátyás, 2021; Mátyás & Kramer, 2016).
82
Ontwerp-herstelprogramma Bossen | Natura 2000 Veluwe | Januari 2023
6.4.4
Netwerk oude, aftakelende en dode bomen (NOAD)
Habitattypen
H9120 beuken-eikenbossen met hulst, H9190 oude eikenbossen en H91E0C* vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen)
VHR-soorten
Vliegend hert
Overig
-
Type maatregel
Uitbreiding
Sleutelfactoren
Verbeteren buffercapaciteit en vitaliteit bosbodem, (potentieel) oppervlaktevergroting habitatbossen, (lokaal) verlagen van graas- en wroetdruk
Gebieden
Buiten de habitatbossen
Een netwerk van oude, aftakelende en dode bomen (NOAD) is een ruimtelijk netwerk van oude bomen en boselementen dat ervoor zorgt dat soorten afhankelijk van de verschillende fasen van veroudering en aftakeling zich voldoende door het boslandschap kunnen verplaatsen. Dit is met name van belang binnen de multifunctioneel beheerde delen van het bos, omdat hier door houtoogstactiviteiten (op termijn) een tekort aan deze elementen kan ontstaan. In een NOAD is ruimtelijk vastgelegd waar, binnen een beheerd boslandschap, oude bomen en bosdelen gehandhaafd worden zodat voldoende oude, aftakelende en dode bomen aanwezig zijn voor bijvoorbeeld soorten als vliegend hert en zwarte specht. Bij het uitwerken van een NOAD dient voldoende rekening gehouden te worden met de habitatvereisten en dispersiecapaciteit van de aanwezige soorten. De habitatbossen en andere natuurbossen op de Veluwe dienen binnen het NOAD als robuuste ecologische stapstenen, doordat binnen deze bossen het noodzakelijke extensieve beheer wordt gevoerd om, ook zonder NOAD, tot voldoende oude, aftakelende en dode bomen te komen.
6.5
Generieke maatregelen Met enkel het uitvoeren van herstelmaatregelen worden de Natura 2000-doelen in de bossen op de Veluwe niet volledig gehaald, hiervoor zijn in sommige gevallen ook beheermaatregelen nodig. Deze zijn voor een groot deel reeds uitgewerkt in het Natura 2000-beheerplan Veluwe (2018). Op basis van de analyse van knelpunten (§ 5.1 Knelpunten) zijn nog enkele beheermaatregelen toegevoegd. Deze waren nog niet voldoende in het beheerplan uitgewerkt, maar zijn wel noodzakelijk voor het behalen van de Natura 2000-doelen. Deze maatregelen worden ondersteund door de provincie. Mogelijk worden extra voorwaarden gesteld voor deze ondersteuning, bijvoorbeeld t.a.v. uitvoeringswijze of schaal van de maatregelen.
83
Ontwerp-herstelprogramma Bossen | Natura 2000 Veluwe | Januari 2023
6.5.1
Exotenbestrijding op oude bosgroeiplaatsen en kraaihei-dennenbossen
Habitattypen
-
VHR-Soorten
Vliegend hert, zwarte specht
Overig
-
Type maatregel
Kwaliteitsverbetering
Sleutelfactoren
Versterken van refugia en hotspots, optimalisatie van beheer
Gebieden
Alle bossen op de Veluwe
Het bestrijden van exoten in kwalificerend habitat is reeds opgenomen als maatregel in het huidige beheerplan (M4c Exoten verwijderen). Voor het behalen van met name de uitbreidingsdoelstelling van de boshabitats kan deze maatregel echter ook worden uitgevoerd in bossen op oude bosgroeiplaatsen die (nog) niet kwalificeren, maar als gevolg van spontane bosontwikkeling dat mettertijd wel kunnen gaan doen. Dit geldt met name voor oudere grovedennenbossen. Grootschalige aanwezigheid van (verjonging van) uitheemse soorten zoals bijvoorbeeld Amerikaanse eik, Amerikaanse vogelkers, Japanse lariks of douglas kan de natuurlijke ontwikkeling van deze bossen naar kwalificerend habitat belemmeren. Bestrijding van exoten wordt daarnaast ondersteund binnen kraaihei-dennen bossen. Hoewel het kraaihei-dennenbos geen kwalificerend habitat is binnen Natura 2000, is het vegetatietype bijzonder en in feite een oud ontwikkelingsstadium van het stuifzandlandschap (Bron: Bijlsma et al., 2022). Het herbergt dan ook verscheidene bijzondere (korst)mossen van dit landschap. Ook komen vaak jeneverbesstruwelen voor binnen deze bossen. Het bostype is gevoelig voor grootschalige kolonisatie van Amerikaanse vogelkers en is vaak een belangrijke zaadbron van deze invasieve soort voor het om- en/of inliggende open heideen stuifzandlandschap.