CConstaterende datNunspeet
Koppel je AI →
Document · PDF

St. t.k.n. nr. 3. Bijlage Ontwerp herstelprogramma Bossen versie januari 2023

Commissie Ruimte en Wonen 9 oktober 2023, gemeente NunspeetBij agendapunt: Zienswijze op ontwerp-Veluwse herstelprogramma's 'Bossen', 'Heiden en Stuifzanden' en 'Vennen en venen'40.404 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 5

Voor duurzame instandhouding van de populaties van autochtone bomen en struiken dienen dus niet enkel de bestaande individuen behouden te worden, maar dienen de populaties ook in staat gesteld te worden zich te verjongen en dient verjonging zich duurzaam te kunnen vestigen en handhaven. Door aanplant en spontane uitzaaiing van uitheemse soorten wordt de verjongingsruimte voor autochtone bomen en struiken (en kruisingen van autochtone herkomsten en andere herkomsten) ingenomen door andere soorten en wordt duurzame instandhouding van autochtone boom- en struikpopulaties bemoeilijkt.

44

Ontwerp-herstelprogramma Bossen | Natura 2000 Veluwe | Januari 2023

Aanplant en spontane uitzaaiing van uitheemse soorten buiten de oude boskernen hoeft geen probleem te zijn en kan - onder de juiste voorwaarden – ook juist bijdragen aan de klimaatbestendigheid van de bossen op de Veluwe. De exacte gevolgen van klimaatverandering voor onze bossen zijn onzeker. Hoewel autochtone boom- en struikpopulaties een brede genetische variatie hebben als gevolg van eeuwenlange aanpassingen aan historische klimatologische schommelingen, is het uiteindelijk onzeker of de populaties in voldoende mate de (genetische) kwaliteiten bezitten om de huidige klimaatveranderingen te kunnen doorstaan. De huidige verandering gaat veel sneller en is van veel grotere omvang dan de historische klimaatveranderingen die de autochtone populaties doorgemaakt hebben. Daarnaast is het de vraag of bijvoorbeeld de afstemming tussen bloei en vliegperiode van autochtone bomen en struiken en onze inheemse fauna ook stand houdt onder het veranderende klimaat of dat andere herkomsten in de toekomst mogelijk een betere match blijken (Bron: Van der Aa et al., 2015). Hiervoor is kruisbestuiving tussen autochtone populaties en andere herkomsten wel waardevol.

Doordachte toepassing van andere herkomsten van inheemse soorten en/of Europese soorten gericht op klimaatadaptatie kan buiten de oude loofbossen daarom onderdeel zijn van een klimaatadaptatiestrategie, zolang dit niet ten koste gaat van duurzame instandhouding van autochtone boom- en struikpopulaties en geen knelpunt vormt voor het Natura 2000-doelbereik.

(Onbedoelde) negatieve effecten van beheermaatregelen voor kritische soorten Bosbeheermaatregelen kunnen directe of indirecte negatieve gevolgen hebben voor sommige soorten van bos. Naarmate populaties van soorten kleiner zijn kunnen onzorgvuldig uitgevoerde beheermaatregelen verstrekkende gevolgen hebben voor de duurzame instandhouding van een soort. Een voorbeeld hiervan zijn de meest bedreigde korstmossoorten van de oude bossen op de Veluwe. Door hun specifieke ecologie komen deze soorten vaak maar op enkele bomen voor. Een ongelukkig uitgevoerde structuurkap kan, hoe kleinschalig ook, grote effecten hebben op de duurzame instandhouding van een soort (Bron: Herk et al., 2000). Een ander voorbeeld zijn de effecten van dunning in naaldbossen op de VHR-soort wespendief. Voorafgaand aan dunning zal altijd worden geïnventariseerd op beschermde soorten, waaronder roofvogels. Nesten van wespendieven zijn bij goed zoekwerk echter slechts deels op te sporen waardoor nog wel eens een nest wordt gemist. Daarnaast leidt dunnen in de wijde omgeving van het nest tot verminderde dekking en daarmee tot een verhoogde predatiekans door havik (Bron: Bijlsma, 2020).

Om rekening te houden met kritische soorten is het ten eerste van belang dat voldoende in beeld is welke soorten voorkomen in het terrein (zie ook § 5.3 Kennisleemten) en is voldoende kennis over de ecologie van deze soorten noodzakelijk. Voor beide is veelal specialistische kennis noodzakelijk. Tot slot moet de werkwijze aangepast worden door bijvoorbeeld op een ander moment uit te voeren, meer gefaseerd of kleinschaliger te werken. Dit vraagt om flexibiliteit van bosbeheerders en aannemers, maar bijvoorbeeld ook van beleidsmakers en subsidiegevers.

45

Onzorgvuldig of ongewenst beheer in boshabitat of leefgebied door onbekendheid Natura 2000-beleid De habitatbossen zijn vaak sterk versnipperd aanwezig binnen grotere boscomplexen en liggen deels binnen het bosbezit van relatief kleine boseigenaren. Eigenaren zijn zich er soms niet van bewust dat ze bijzondere habitatbossen in bezit hebben of hebben onvoldoende in beeld welke beleidsmatige consequenties aan deze status verbonden is. Hierdoor komt het voor dat binnen de habitatbossen beheermaatregelen worden getroffen die onvoldoende rekening houden met de bijzondere kwaliteiten van deze bossen.

Ontwerp-herstelprogramma Bossen | Natura 2000 Veluwe | Januari 2023

De specifieke VHR-soort vliegend hert komt daarnaast voor buiten de Natura 2000-begrenzing, bijvoorbeeld binnen de bebouwde kom. Woonwijken zijn aangelegd op plekken waar vroeger houtwallen of bosranden aanwezig waren, waardoor het vliegend hert nu vaak in tuinen is aan te treffen. Indien bewoners niet op de hoogte zijn van de essentiële onderdelen van het leefgebied van het vliegend hert, kan de populatie snel verdwijnen. Denk daarbij aan het verwijderen van oude bomen en boomstronken die als broedboom fungeren of het opruimen van bielzen waarin larven huizen (Bron: Smits & Krekels, 2008).

Beheer gericht op brandveiligheid Grootschalige onbeheersbare natuurbranden zijn een groot veiligheidsrisico op de Veluwe. Hoewel de kans op grootschalige branden niet groot is, neemt de kans door lange droogteperiodes in het voorjaar en de zomer wel toe. Met name rondom dorpen, recreatieparken en andere drukke locaties op de Veluwe kan dit tot risicovolle situaties leiden. Om deze risico’s zoveel mogelijk te beperken werken boseigenaren samen met de brandweer en andere instanties aan natuurbrandbeheersingsplannen voor de Veluwe. Deze plannen moeten het ontstaan van natuurbranden zo veel mogelijk voorkomen en snelle bestrijding van branden mogelijk maken zodat deze niet oncontroleerbaar worden. Maatregelen uit deze plannen gaan onder andere over het beheer en de inrichting van de bossen op de Veluwe. Deze zullen weinig gaan over de oude loofbossen (o.a. habitatbossen beuken-eikenbossen met hulst (H9120) en oude eikenbossen (H9190)) omdat deze weinig gevoelig zijn voor natuurbrand. Door het hoge aandeel loofbomen en de dikke (loof )humuspakketten hebben deze bossen een brandremmende werking. (Jongere) grovedennenbossen en geleidelijke overgangen naar open terreindelen kunnen echter wel natuurbrandrisico’s met zich meebrengen omdat natuurbranden zich snel kunnen uitbreiden door de zeer brandbare grovedennenboomkronen.

Maatregelen gericht op natuurbrandbeheersing kunnen daarom bestaan uit het lokaal verwijderen van grove den uit bossen en bosranden en uit het verwijderen van dood hout uit bossen nabij drukke locaties. Wanneer dit op grote schaal gebeurt kan dit leiden tot versnippering van leefgebied van soorten afhankelijk van naaldbos en dode naaldbomen zoals bijvoorbeeld VHR-soort zwarte specht (zie ook § 5.1.2 Verlies aan ruimtelijke samenhang en versnippering).

Grote eenheden natuur Binnen een grootschalige eenheid natuur (GEN) vindt in beginsel geen beheer plaats en is de spontane ontwikkeling leidend. Op de Veluwe zijn de Veluwezoom en het Deelerwoud grotendeels aangewezen als een GEN. Het realiseren van zelfregulerende natuur binnen landschapsecologisch complete eenheden is één van de hoofddoelen van Natura 2000. De handicap van de Veluwse GEN is echter dat het eenzijdig arme droge ecosystemen betreft die (nog) beperkt verbinding hebben met natte en rijkere habitattypen en dus geen landschapsecologisch complete eenheden betreffen. Daarnaast is de uitgangssituatie van de bossen binnen de GEN relatief eenvormig en gelijkjarig en is de wilddruk permanent hoog. Daarbij worden de heide en stuifzanden wel beheerd om deze open te houden. Daarmee is het de vraag of m.n. de oude eikenbossen (H9190), maar mogelijk ook de beukenbossen met hulst (H9120), zichzelf in stand kunnen houden en in areaal gelijk kunnen blijven binnen de GEN. Omdat binnen het gehele Natura 2000-gebied nog niet voldoende boshabitat is en de doelen voor VHR-soorten nog niet zijn gehaald, mogen deze ook binnen de GEN niet achteruitgaan, ook niet wanneer dit ten gunste van andere habitats of VHR-soorten gebeurt. Momenteel is onvoldoende in beeld hoe de ontwikkeling van de boshabitats en daaraan gebonden soorten zich ontwikkelingen binnen de GEN (zie ook H 7 Monitoring).

46

Ontwerp-herstelprogramma Bossen | Natura 2000 Veluwe | Januari 2023

5.1.5

Wilde hoefdieren Wilde hoefdieren zoals edelhert, damhert, wild zwijn en ree zijn een belangrijk onderdeel van natuurlijke bosecosystemen. De Veluwe is door de aanwezigheid van met name edelherten en wilde zwijnen uniek binnen Nederland en draagt daarmee bij aan de landelijke ecologische variatie (Bron: Bijlsma et al., 2022). Wilde hoefdieren hebben een grote invloed op hun omgeving door begrazing, wroeten en vegen van jonge bomen en faciliteren daarmee het voorkomen van verschillende andere soorten (Bron: O.a. Den Ouden et al., 2020; Ramirez et al., 2019). De oude eikenstrubbenbossen op de Veluwe zijn bijvoorbeeld het resultaat van de historisch hoge graasdruk (door schapen) (Bron: Copini et al., 2006). Behoud en de verdere ontwikkeling van eikenclusters en daarmee natuurlijke uitbreiding van het habitattype oude eikenbossen (H9190) is daarom afhankelijk van een aanzienlijke graasdruk. De huidige continu hoge graasdruk over de gehele Veluwe brengt echter ook knelpunten met zich mee. De voorjaarsstanden van wild zwijn op de Veluwe zijn sinds 1990 structureel toegenomen, en voor edelhert zelfs ruimschoots verdubbeld (Bron: Vereniging wildbeheer Veluwe, 2019). Hierdoor hebben wilde dieren over grote delen van de Veluwe zeer grote effecten op de bosontwikkeling en ontstaan de hieronder uitgewerkte knelpunten met zich mee.

Ontoereikende bosverjonging in boshabitat en uitbreidingsgebied Wilde grazers, met name edelherten, hebben een grote invloed op de dichtheid, samenstelling en het vestigingssucces van verjonging van boom- en struiksoorten. Een toenemende graasdruk leidt tot een afname van de diversiteit aan boom- en struiksoorten, het verdwijnen van de struiklaag en een dominantie van naaldboomsoorten (Bron: Den Ouden et al., 2020). Bij een toenemende graasdruk van met name edelhert op de Veluwe worden selectief eerst smakelijke soorten zoals lijsterbes, vuilboom en hulst aangevreten, vervolgens eik en berk en tot slot pas uitheemse soorten als Amerikaanse vogelkers, Amerikaanse eik en naaldbomen als grove den, douglas en Japanse lariks. Wanneer deze graasdruk structureel en op landschapsschaal plaatsvindt wordt de continuïteit van bosverjonging binnen de habitatbossen beuken-eikenbossen met hulst (H9120) en oude eikenbossen (H9190) en de beoogde uitbreidingsgebieden van deze bossen belemmerd (Bron: Bijlsma & Janssen 2021; Den Ouden et al., 2020). Er zijn momenteel onvoldoende structureel verzamelde data beschikbaar over verjongings- en vestigingssucces van verschillende boom- en struiksoorten in relatie tot graas- en wroetdruk op de Veluwe om de gevolgen overal eenduidig vast te stellen (zie ook Ineffectieve effectbeoordeling op Natura 2000-doelbereik verderop).

Daarnaast is het lastig om eenduidige en systematisch evalueerbare criteria te formuleren omtrent het Natura 2000-doelbereik ten aanzien van continuïteit in bosverjonging op landschapsschaal (zie ook § 5.3 Kennisleemten). Het is echter wel voldoende aannemelijk op basis van de bestaande gegevens over bosverjonging in de Veluwse bossen dat onder de huidige graasdruk op de grootste delen van de Veluwe meer smakelijke en/of langzaam groeiende soorten zoals lijsterbes, boswilg, ratelpopulier, hulst en winter- en zomereik maar een beperkte rol zullen spelen in de spontane ontwikkeling van de habitatbossen. Dit geldt zowel binnen het huidige habitatbos als in bijvoorbeeld open grovedennenopstanden in de beoogde uitbreidingsgebieden voor het boshabitat. Dit heeft negatieve effecten op de kwaliteit van de habitatbossen, de klimaatbestendigheid van deze bossen en op de weerbaarheid tegen verdere bodemverzuring binnen deze bossen (Bron: Den Ouden et al., 2022) (zie ook verderop).

47

Ontwerp-herstelprogramma Bossen | Natura 2000 Veluwe | Januari 2023

Edelherten op de Hoge Veluwe (fotografie: Maas van de Ruitenbeek/Buiten-Beeld)

Adaptatievermogen van bomen en struiken in het veranderende klimaat wordt beperkt door de actuele hoge graasdruk Langdurig uitblijven van verjonging is geen probleem voor het voortbestaan van populaties van boomsoorten wanneer de primaire groeiplaatsomstandigheden (klimaat, bodem en hydrologie) constant blijven. Dit is echter wel een probleem nu de groeiplaatsomstandigheden veranderen als gevolg van klimaatverandering en bodemverzuring. Het regelmatig optreden van verjongingsgolven van boom- en struiksoorten is het sleutelproces achter aanpassing van boompopulaties aan nieuwe milieuen klimaatomstandigheden. In de periode 2018-2021 is er bijvoorbeeld door de zomerdroogte veel sterfte opgetreden onder jonge zaailingen. In de meeste gevallen zijn er echter ook individuen die de droogte wél hebben overleefd. Deze individuen bezitten door hun eigen specifieke genetische achtergrond de fysieke eigenschappen waardoor ze beter tegen droogte bestand zijn. Wanneer deze nieuwe boomgeneratie zich in de toekomst gaat verjongen, wordt enkel genenmateriaal doorgegeven dat de opeenvolgende droogteperiodes van de afgelopen drie jaar heeft overleefd. Door deze natuurlijke selectie is de populatie iets droogteresistenter geworden.

Om de verschillende boomsoorten in de gelegenheid te stellen zich op deze wijze aan te passen aan de snel veranderende klimatologische omstandigheden, is het dus van belang dat ze regelmatig verjongingsgolven doormaken. Hierbij kan bijvoorbeeld worden uitgegaan van de frequentie waarmee droogtes optreden in Nederland. Op deze momenten in de verjongingsfase kan natuurlijke selectie ingrijpen op de genetische samenstelling van de populatie. Gemiddeld treedt een zeer of extreem droog groeiseizoen eens in de ongeveer 15 jaar op (Bron: Klein Tank et al., 2014). Vanuit dit perspectief zou verjonging voor alle inheemse loofboomsoorten dus steeds binnen 10-15 jaar in voldoende omvang en met enige geografische spreiding over de Veluwe moeten optreden op locaties die ontvankelijk zijn voor verjonging (Bron: Den Ouden et al., 2022). De huidige graasdruk op de Veluwe is hiervoor echter waarschijnlijk over grote delen van de Veluwe te hoog. Met name meer smakelijke loofboomsoorten zijn structureel ondervertegenwoordigd in de verjonging op de Veluwe (Bron: Den ouden et al., 2022.

48

Ontwerp-herstelprogramma Bossen | Natura 2000 Veluwe | Januari 2023

Negatieve selectie van boom- en struiksoorten met basenrijk strooisel Grazers prefereren meer smakelijke soorten met basenrijk, goed verterend bladstrooisel zoals bijvoorbeeld lijsterbes, boswilg en ratelpopulier boven soorten met basenarm en slecht verterend strooisel zoals eik, beuk en de verschillende naaldboomsoorten op de Veluwe. Daardoor vindt als gevolg van begrazing een selectie plaats op boomsoorten met basenarm strooisel. Voldoende aanwezigheid van loofboomsoorten met beter afbreekbaar strooisel kan echter verdere bodemverzuring remmen, de pH van de bodem verhogen, de beschikbaarheid van basische kationen verbeteren en de soortenrijkdom vergroten (Bron: Desie et al., 2020; Hommel et al. 2001). De habitatbossen op de Veluwe kennen een historische dominantie van eik en beuk als gevolg van het historische beheer en de dominante concurrentieverhouding van beuk tot andere soorten. Aan deze dominantie ontlenen deze bossen ook een deel van hun biodiversiteit, denk bijvoorbeeld aan VHR-soort vliegend hert en de verschillende (korst)mossen van de malebossen op de Veluwe (Bron: Smit & Krekels, 2008; Bijlsma et al. 2009).

Eik en beuk hebben echter ook slecht verterend strooisel en versterken daarmee de negatieve effecten van bodemverzuring met bijvoorbeeld negatieve gevolgen voor het voorkomen van oudbossoorten als dalkruid, witte klaverzuring en bosanemoon (Bron: Hommel et al., 2001). De bossen buiten de oude loofbossen zijn voor het overgrote deel de afgelopen 150 jaar bebost met naaldboomsoorten die óók de effecten van bodemverzuring versterken. (Spontane) bijmenging van boom- en struiksoorten met beter verterend, meer basenrijk strooisel kan zowel in de habitatbossen als daarbuiten lokaal de effecten van bodemverzuring verzachten en daarmee bijdragen aan behoud en uitbreiding van verschillende karakteristieke soorten van de Veluwe. Deels zijn van deze soorten te weinig zaadbomen aanwezig op de Veluwe om een substantiële toename in de verjonging te kunnen verwachten. Waar echter wel verjonging optreedt van deze soorten wordt deze structureel door grazers gegeten (Bron: Den Ouden et al,. 2022). Onder de huidige graasdruk op het grootste deel van de Veluwe is derhalve een spontane toename van het aandeel boom- en struiksoorten met meer basenrijk strooisel niet te verwachten.

Vanuit het oogpunt van het (lokaal) verzachten van de effecten van bodemverzuring en de positieve effecten van een hoger aandeel soorten met basenrijk strooisel op verschillende karakteristieke bossoorten van de Veluwe is dit echter wel gewenst.

Verjonging van eik en leefgebied voor het vliegend hert Vliegend hert is afhankelijk van oude, aftakelende eiken. Om de populatie duurzaam in stand te kunnen houden moeten deze dus continu en voldoende nabij aanwezig zijn in het landschap. Door de huidige graasdruk verjongen eiken echter maar beperkt op de Veluwe (Bron: Den Ouden et al., 2022. Indien op landschapsschaal onvoldoende eiken verjongen, zal de populatie vliegend hert op termijn uitsterven. Mede door het geringe verspreidingsvermogen van het vliegend hert, is het voor duurzame instandhouding essentieel dat voldoende verjonging van eik optreedt nabij de bestaande populaties.

Zeer frequente en intensieve bodemroering door wild zwijn De wroeteffecten van wilde zwijnen horen bij de Veluwse habitattypen en zijn bijvoorbeeld gunstig voor de instandhouding van geschikt leefgebied voor tal van karakteristieke soorten. Frequente en intensieve (chronische) bodemroering door zwijnen in bossen, grazige vegetaties en bermen is echter funest voor lokale populaties van karakteristieke flora en kleine fauna inclusief soorten van dood hout en wortelkluiten (Bron: Bijlsma et al., 2022; Beringen & Bijmold, 2019). Met name binnen de oude eikenbossen (H9190) gaat dit ten koste van verschillende karakteristieke soorten. Ook VHR-soort vliegend hert lijkt lokaal onder druk te staan als gevolg van te hoge predatiedruk van wild zwijn (Bron: Smits & Krekels, 2008).

49

Ontwerp-herstelprogramma Bossen | Natura 2000 Veluwe | Januari 2023

Niet realiseren van doelen faunabeheer Het hoefdierbeheer op de Veluwe wordt uitgevoerd door tien wildbeheereenheden. De Faunabeheereenheid Gelderland legt per wildbeheereenheid de gewenste doelstanden voor edelhert, wild zwijn, ree en damhert vast. Dit gebeurt op basis van een afweging tussen maatschappelijke belangen (o.a. vermijden van schade aan landbouwgewassen en aanrijdingen), effecten op ecosystemen en de gunstige staat van instandhouding van de hoefdierpopulaties. Elk jaar worden de voorjaarsstanden bepaald aan de hand van zichttellingen en worden de aanwas en zomerstand berekend. Met behulp van de verwachte stand en doelstand wordt vervolgens het te realiseren afschot bepaald (Bron: Faunabeheereenheid Gelderland, 2019). Dit afschot wordt echter in de praktijk regelmatig niet gehaald, zowel qua aantallen als de verdeling over mannelijke en vrouwelijke dieren en gewichts- en leeftijdsklassen (Bron: Vereniging wildbeheer Veluwe, 2019). Het zou wel mogelijk moeten zijn het gewenste afschot te realiseren aangezien dit in verschillende deelgebieden wel gebeurt (Bron: Den Ouden et al., 2020).

Tot slot dient aangetekend te worden dat tellingen op basis van zichtwaarnemingen zeer onbetrouwbaar zijn en dat veelvuldig blijkt dat de daadwerkelijke voorjaarsstanden van zowel edelhert als wild zwijn vele malen hoger liggen dan uit tellingen naar voren komt (Bron: Vereniging wildbeheer Veluwe, 2019; Groot-Bruinderink et al., 2013). Dit betekent dat het te realiseren afschot feitelijk nog hoger zou moeten liggen om de beoogde doelstanden daadwerkelijk te kunnen realiseren.

Ineffectieve effectbeoordeling op Natura 2000-doelbereik De bepaling van het afschot op basis van telgegevens en doelstanden is ontoereikend en ontneemt het zicht op noodzaak te sturen op de effecten van wildpopulaties op het Natura 2000-doelbereik. Het beoordelen en reguleren van de effecten van de populaties wilde hoefdieren op de Veluwe gebeurt historisch aan de hand van de geschatte populatieomvang van deze dieren. Het effect van hoefdieren op de bosontwikkeling is echter niet alleen afhankelijk van de populatiedichtheid, maar bijvoorbeeld ook van terreingebruik en lokale terreinomstandigheden. Het is tevens de verwachting dat de herintrede van de wolf op de Veluwe zal zorgen voor gedragsveranderingen onder de wilde hoefdieren, waardoor mogelijk ook de effecten op de bosontwikkeling (lokaal) zullen veranderen (Bron: Van Ginkel et al., 2019. Daarnaast zijn gebruikte tellingen op basis van zichtwaarnemen onbetrouwbaar en worden de tellingen in de verschillende deelgebieden verschillend uitgevoerd (Bron: Groot-Bruinderink et al., 2013; Den Ouden et al,. 2020). Door de onzekerheid over de populatieomvang en het variabele terreingebruik van de wilde hoefdieren is het bepalen van de benodigde beheerinspanning, noodzakelijk om de Natura 2000-doelen te halen, lastig te onderbouwen op basis van de bestaande schattingen van de populatieomvang (Bron: Den Ouden et al., 2020).

Om de effecten van wilde hoefdieren op de bosontwikkeling en de Natura 2000doelen beter te kunnen monitoren heeft de Faunabeheereenheid Gelderland in 2020 het netwerk graasdrukmonitor opgezet. Doel van het netwerk is het monitoren van de vraatdruk van wilde hoefdieren op de bosverjonging. Hiervoor worden verspreid over de Veluwe plots op verjongingsplekken opgemeten, of in bossen waar verjonging te verwachten valt, en wordt vastgesteld of de topscheuten van alle aanwezige houtige individuen binnen een plot door grote herbivoren zijn aangevreten of niet (Bron: Penninkhof et al., 2020). De consequente en Veluwe-brede uitvoering van de graasdrukmonitor en verdere inbedding van de graasdrukmonitor in het faunabeheer in relatie tot de Natura 2000-doelen is essentieel om doelstanden voor de wilde hoefdieren op de Veluwe voldoende onderbouwd te kunnen vaststellen en realiseren.

50

Ontwerp-herstelprogramma Bossen | Natura 2000 Veluwe | Januari 2023

5.1.6

Klimaatverandering en toenemende droogte Door klimaatverandering zullen hete en droge zomers, zachte en natte winters en zomerstormen met extreme neerslag de komende decennia vaker voorkomen (Bron: Klein Tank, 2014). Welke bedreigingen en risico’s dit oplevert voor de bossen op de Veluwe is afhankelijk van de landschappelijke ligging van het bos, de huidige bosstructuur, boomsoortenmenging en -samenstelling en aanpassingsvermogen van de aanwezige (boom)soortenpopulaties (Bron: Delforterie, 2020). In gemengde bossen op meer rijke en vochtige bodems zullen de effecten zich waarschijnlijk beperken tot afnemende boomgroei door vaker voorkomende droogteperiodes, en mogelijk tot het veranderen van de bossamenstelling. Op de armste, meest droge zandgronden – waarop het grootste deel van het Veluwse bosareaal is gelegen – kunnen de effecten van klimaatverandering potentieel echter zeer ingrijpend zijn. Waar de gestapelde effecten van droogte, toename van plaaginsecten, eenzijdige, ongunstige boomsoortensamenstelling, verhoogde stikstofdepositie (verhoogde stikstofdepositie verhoogt de gevoeligheid voor schimmelinfecties, insectenplagen en vorst- en droogteschade) én een continu hoge wilddruk samenkomen, kan dit leiden tot een sterke degradatie van het bosecosysteem.

Het resultaat zal in het ernstigste geval een zeer open, soortenarme, savanne-achtige bosstructuur opleveren (Bron: Thomassen et al., 2020). In deze veel opener bossen kan meer zonlicht de bodem bereiken en zal de vegetatie verruigen, mede vanwege de doorgaande hoge stikstofdepositie en de geaccumuleerde stikstof in de bosbodem. Hoewel deze bossen ongetwijfeld hun eigen biodiversiteit zullen kennen, zal dit hoe dan ook met een sterk biodiversiteitsverlies gepaard gaan. Hoe groot en omvangrijk de effecten van klimaatverandering uiteindelijk zullen zijn is echter onzeker.

Effecten op boomvitaliteit en bossamenstelling Zachtere winters zijn van invloed op het kiemsucces van inheemse boom- en struiksoorten die een relatief lange en ononderbroken koudeperiode nodig hebben om de kiemrust van zaden te doorbreken. Dit gaat bijvoorbeeld om es, beuk, zoete kers, jeneverbes en hulst (Bron: Van der Aa et al., 2015). De temperatuurstijging zorgt er daarbij voor dat het groeiseizoen in 2050 waarschijnlijk drie tot zes weken vroeger start dan in het jaar 2000, waardoor een verhoogde kans op vorstschade ontstaat doordat bomen en andere planten vroeger uitlopen. Naar verwachting krijgt daardoor circa 35% van het Europese gematigde bos te maken met toenemende zaailingsterfte door late voorjaarsvorst (Bron: Zohner et al. 2020). Daarnaast leidt toenemende droogte in de zomer tot vochttekorten en tot verminderde groei en vitaliteit van bomen. Ook kan hierdoor de vatbaarheid voor ziekten en plagen toenemen (Bron: Van der Aa et al., 2015). De actuele grootschalige aantastingen van bastkevers bij fijnspar en lariks zijn daar de meest bekende voorbeelden van. In Duitsland en België zijn echter ook al problemen met lokaal afstervende bossen van grove den als gevolg van de schimmel Sphaeropsis sapinea en van de dennenbastkever vastgesteld (Bron: Thomassen & Nyssen, 2022.

Grootschalig sterven van naaldbomen op de Veluwe, inclusief grove den, kan een groot knelpunt worden voor o.a. VHR-soort zwarte specht en andere soorten afhankelijk van de halfopen grovedennenbossen op de Veluwe. De mate waarin droogte effect heeft op bomen, verschilt per boomsoort, herkomst en groeiplaats. Uit recent onderzoek blijkt dat de droogte in 2003, 2018 en 2019 maar beperkt tot geen effect heeft gehad op de omtrekgroei van (waarschijnlijk grotendeels autochtone) zomer- en wintereik en beuk op de Veluwe. Daarbij komt dat Nederland voor alle drie deze soorten in het centrum van het verspreidingsgebied ligt, waardoor ze hopelijk een goede en voldoende brede genetische achtergrond hebben om zich aan te kunnen passen aan veranderende klimatologische omstandigheden. Daarbij zeggen de onderzoeksresultaten echter maar beperkt iets over de effecten van meerdere opeenvolgende jaren met droogte.

51

Ontwerp-herstelprogramma Bossen | Natura 2000 Veluwe | Januari 2023

Tevens is geconstateerd dat huidige populaties nu reeds beter functioneren onder koudere omstandigheden. Door de recente opwarming lijken deze soorten dus al minder goed te functioneren in hun huidige herkomstgebied. Dit laat zien dat op de langere termijn de genetische opbouw van de populatie zich via natuurlijke selectie op nakomelingen zal moeten aanpassen. Deze genetische aanpassing verloopt traag en vergt meerdere generaties, en voor een soort als de wintereik lijken lokale (of autochtone) herkomsten niet in staat om zich voldoende snel aan te passen, zodat inbreng van genetisch materiaal uit warmere en drogere herkomstgebieden noodzakelijk lijkt voor voldoende klimaatadaptatie (Bron: Mátyás, 2021; Mátyás & Kramer, 2016). Naaldboomsoorten zoals grove den en douglas lieten daarbij in de droge jaren van 2003, 2018 en 2019 wel een sterk verminderde groei zien. Bij lariks zette de beperkte groei zich ook door in de jaren na de droogte (Bron: Lerink et al., 2019; Buras et al., 2020.). Boomgroei is essentieel voor de overleving van bomen omdat zo nieuwe vaten worden gemaakt voor het watertransport in dat jaar en voor het komende jaar.

Als extreme omstandigheden zich aaneenrijgen dan kan een boom in een vicieuze cirkel terechtkomen waarin steeds minder vaten kunnen worden aangemaakt, er minder water naar boven getransporteerd kan worden en de boom aftakelt en uiteindelijk dood gaat. Of, in welke mate en voor welke boomsoorten op de Veluwe grootschalige vitaliteitsproblemen gaan spelen en welke effecten dit heeft op duurzame instandhouding van VHR-soorten, prioritaire soorten en Gelderse aandachtssoorten is onvoldoende duidelijk (zie ook § 5.3 Kennisleemten).

Toenemende kans op natuurbranden Door toenemende droogte zal ook het risico op bos- en natuurbranden groeien. In het voorjaar bestaat de ondergroei van veel bossen uit de zeer brandbare, dode delen van bochtige smele en pijpenstrootje. Daarom zijn voorjaarsbranden in Nederland gebruikelijker dan zomerbranden. In de heel droge jaren 2018, 2019 en 2020 nam echter ook het aantal zomerse bos- en natuurbranden fors toe door de hoge zomertemperaturen en het vaak wekenlang uitblijven van regen. Bij zomerbranden na droogte is niet alleen de vegetatie droog genoeg om intensief te branden, maar ook de strooisellaag. Door deze hogere intensiteit dringen hoge temperaturen dieper de bodem in en duurt vegetatieherstel beduidend langer: er treedt minder verjonging vanuit zaad of uitlopende planten op (Bron: Jansen et al., 2020). Met name bossen gedomineerd door naaldbomen hebben een groter brandrisico. De habitatbossen beuken-eikenbossen met hulst (H9120) en oude eikenbossen (H9190) zijn weinig gevoelig voor natuurbrand. Door het hoge aandeel loofbomen en de dikke (loof )humuspakketten hebben deze bossen een brandremmende werking.

Geografische verspreiding en fluctuaties populatieomvang soorten Door het warmer worden van het klimaat schuiven warmteminnende, zuidelijke soorten steeds noordelijker op. Veel koudeminnende soorten met een meer noordelijke verspreiding sterven uit of trekken zich terug richting het noorden (Bron: Herk et al., 2002; Van der Staaij, 2008). Het aandeel soorten dat met de temperatuurverschuiving weet mee te bewegen is echter kleiner dan het aandeel dat dit niet of onvoldoende redt (Bron: Bertrand et al., 2011). Voor de meeste soorten geldt dat er onvoldoende aaneengesloten leefgebied aanwezig is om te kunnen migreren (Bron: Wallis de Vries, 2016. Doordat niet alle soorten kunnen meebewegen zullen deze ook deels verdwijnen. Daarentegen komen hier ook weer (vaak algemene, meer generieke) zuidelijke soorten voor in de plaats. Van ruim de helft tot driekwart van de kenmerkende plantensoorten van de habitatbossen beuken-eikenbossen met hulst (H9120) en oude eikenbossen (H9190) wordt verwacht dat ze onder druk staan als gevolg van de verwachte gemiddelde jaartemperatuurstijging (Bron: Wamelink et al., 2020.

Weersextremen, zoals extreme droogte, hevige neerslag en hittegolven, en natuurbranden als gevolg van deze weersextremen, leiden tot slot onder meer tot grotere schommelingen in populatiegrootte, waardoor vooral soorten met kleine en of meer geïsoleerde populaties in de toekomst een grotere kans lopen om uit te sterven.

52

Ontwerp-herstelprogramma Bossen | Natura 2000 Veluwe | Januari 2023

5.1.7

Verdroging Onder verdroging wordt verstaan de door menselijk handelen veroorzaakte structurele daling van het grondwater en structurele vermindering van kwelwaterhoeveelheden (Bron: Van der Eertwegh et al., 2021). De Veluwe is in het verleden veel natter geweest dan tegenwoordig. Menselijk handelen, met name het veranderende landgebruik (van heide en stuifzanden naar bos en landbouwgronden), de daaraan verbonden grondbewerking, grondwateronttrekkingen en verstoring van de ondergrond door bebouwing, heeft deze verdroging veroorzaakt. De (historisch) vochtige tot natte gebieden op de Veluwe betreffen lokale grondwatersystemen met een schijngrondwaterspiegel of kwelgebieden op de stuwwalflanken. De exacte historische verbreiding van vochtige en natte gebieden op de Veluwe is echter onbekend en ook in hoeverre deze nog hersteld kunnen worden (Bron: Bijlsma et al., 2022.). Om deze gebieden te kunnen herstellen of versterken is in veel gevallen meer inzicht nodig in de werking van het (grond) watersysteem.

5.1.8

Verstoring Verstoringen door geluid, licht of eenvoudigweg aanwezigheid van mensen kunnen een groot effect hebben op de beschermde natuurwaarden van de Veluwe. Veel van deze effecten kunnen worden gerelateerd aan recreatie of defensieactiviteiten. Deze mogelijk knelpunten worden geadresseerd in het recreatiezoneringsplan voor de Veluwe. Voor overige activiteiten die kunnen leiden tot extra verstoring wordt verwezen naar het vergunningenkader in het Natura 2000beheerplan. Verstoring kan lokaal ook positieve effecten hebben op de overleving van bosverjonging doordat de aanwezigheid van recreanten zorgt voor meer onrust onder wilde hoefdieren waardoor bosverjonging minder begraasd wordt (Bron: Mols et al., 2022). Dat laat onverlet dat andere soorten op drukke plekken nog wel de negatieve effecten van verstoring ondervinden.

5.1.9

Invasieve exoten Invasieve exoten zijn soorten die van nature niet in Nederland voorkomen en hier onevenredig abundant voorkomen en zich met grote kracht kunnen uitbreiden en verspreiden. Voorbeelden zijn planten als Japanse duizendknoop, bonte gele dovenetel en groot nagelkruid of insecten als Aziatisch lieveheersbeestje. Daarnaast zijn ook vanuit bosbouwkundig of landschappelijk oogmerk in het verleden uitheemse bomen en struiken aangeplant zoals Amerikaanse vogelkers, Amerikaanse eik, Robinia, Douglas, Japanse lariks. Invasieve exoten vormen een bedreiging voor de biodiversiteit omdat ze bestaande verhoudingen tussen van nature aanwezige soorten verstoren en inheemse soorten geheel of gedeeltelijk verdringen (Bron: Williamson & Griffiths, 1996.

53

(Invasieve) uitheemse boom- en struiksoorten Een groot deel van de bossen op de Veluwe is in het verleden aangeplant met uitheemse soorten ten behoeve van houtproductie, bodemverbetering of landschappelijke verfraaiing. Een groot deel van deze soorten is inmiddels dusdanig verspreid dat volledige verwijdering uit het landschap niet reëel meer is. Specifiek voor Amerikaanse vogelkers, Amerikaanse eik en Robinia is bovendien momenteel geen effectieve bestrijdingsmethode voorhanden zonder gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen of nadelige effecten op de bosbodem door grootschalige bodemroering (zie ook § 5.3 Kennisleemten). Sommige van deze soorten hebben daarbij ook positieve effecten. Naaldbossen van douglas en Japanse lariks worden bijvoorbeeld sterk geprefereerd als broedbiotoop door roofvogels (Bron: Bijlsma, 2020) en bieden volop voedsel aan zaadetende vogels in de winter (m.n. Japanse lariks) (Bron: Van den Burg & van Geneijgen, 2014).

Ontwerp-herstelprogramma Bossen | Natura 2000 Veluwe | Januari 2023

Amerikaanse vogelkers kan door het relatief basenrijke strooisel van de soort de effecten van bodemverzuring verzachten (Bron: Desie et al., 2020). Veluwebrede bestrijding van deze soorten is derhalve niet reëel en ten dele ook niet noodzakelijk. Er zijn echter wel specifieke situaties waarin deze uitheemse soorten knelpunten opleveren voor het behalen van de Natura 2000-doelen en waar bestrijding noodzakelijk is. Specifiek de habitatbossen oude eikenbossen (H9190) zijn erg gevoelig voor grootschalige kolonisatie door Amerikaanse vogelkers, Amerikaanse eik of Japanse lariks vanwege de open bosstructuur en de afwezigheid van andere concurrentiekrachtige inheemse boom- en struiksoorten binnen het bostype. De soorten verbonden aan deze bossen zijn echter juist ook sterk afhankelijk van deze open, ijle bosstructuur (bijv. bosparelmoervlinder, hengel en wilde appel). Voor duurzame instandhouding van deze bossen en de soorten verbonden aan deze bossen is de aanwezigheid van uitheemse bomen die zich invasief gedragen dus een groot knelpunt, ondanks de eventueel positieve neveneffecten van deze soorten. De beuken-eikenbossen met hulst (H9120) zijn minder gevoelig voor grootschalige kolonisatie doordat deze bossen overwegend veel donkerder en meer gesloten zijn.

Binnen de jongere successiestadia van dit bostype kan Amerikaanse vogelkers echter wel gaan woekeren, waardoor een dichte struiklaag ontwikkelt en de habitatkwaliteit vermindert. Grootschalige aanwezigheid van uitheemse soorten in en in de omgeving van de habitatbossen zorgt voor een blijvende zaaddruk waardoor continu beheer noodzakelijk blijft en gaat ten koste van de uitbreidingsmogelijkheden doordat de uitheemse soorten de verjongingsruimte van inheemse soorten innemen. Bestrijding van uitheemse soorten binnen de beuken-eikenbossen met hulst (H9120) kan in enkele gevallen op gespannen voet staan met de cultuurhistorische waarde van deze bossen. Binnen historische landgoederen en buitenplaatsen, met name in parkbossen, zijn in het verleden vaak uitheemse boom- en struiksoorten aangeplant ter verfraaiing van het landschap. Sommige hiervan, zoals bijvoorbeeld rododendron en bamboe, kunnen zich lokaal sterk uitbreiden en beconcurreren daarmee inheemse bomen en struiken.

5.1.10

Uitheemse planten en ongewenste tuinsoorten Naast bomen en struiken komen ook verscheidene invasieve uitheemse planten voor binnen de bossen op de Veluwe. Deze komen hier veelal terecht als gevolg van illegale tuinafvaldumpingen of de soorten zijn reeds grootschalige aanwezig in het landschap. Deze soorten kunnen een ernstige bedreiging vormen voor de bijzondere inheemse mantel-zoomvegetaties en oudbosplanten van de bossen op de Veluwe. Veel van de historische boscomplexen liggen direct tegen bebouwing aan waardoor relatief veel tuinafvaldumpingen plaatsvinden.

Beleidsmatige knelpunten In sommige gevallen staan tegenstrijdigheden binnen bestaand beleid het duurzaam behalen van de instandhoudingsdoelen in de weg.

54

Houtopstanden in de Wet natuurbescherming Het bosareaal in Nederland is beschermd onder de Wet natuurbescherming. Dat betekent onder andere dat wanneer een bosopstand wordt geveld of op andere wijze ‘teniet wordt gedaan’ (bijvoorbeeld door storm, massaal boomsterven als gevolg van droogte of insectenaantasting), de boseigenaar ervoor moet zorgen

Ontwerp-herstelprogramma Bossen | Natura 2000 Veluwe | Januari 2023

dat bos van minimaal vergelijkbare ecologische kwaliteit zich opnieuw vestigt op de open plek. Wanneer door middel van aanplant aan deze herplantplicht wordt voldaan, moet deze binnen drie jaar gerealiseerd zijn. Wordt gekozen voor natuurlijke verjonging, dan moet binnen zes jaar voldoende verjonging gerealiseerd zijn om binnen tien jaar tot een gesloten kronendak te kunnen komen. Langdurig open, grazige ruimtes zijn echter in een begraasd boslandschap als de Veluwe onderdeel van de natuurlijke bosontwikkeling. Verschillende mantelzoomvegetaties, oudbosplanten, bosmieren (voedsel voor draaihals en zwarte specht) en Gelderse aandachtssoorten als de bosparelmoervlinder zijn afhankelijk van de continue aanwezigheid van deze open ruimtes in ruimte en tijd. Specifiek in grotere open ruimtes in de oude eikenbossen (H9190) kan eik zich vestigen en, in periodes met een lagere graasdruk, doorgroeien naar het kronendak. Het versneld dicht laten groeien of dichtplanten van deze open plekken, zoals voorgeschreven in de Wet natuurbescherming, is ongewenst voor de duurzame instandhouding van de kwaliteiten van de beide boshabitattypen beukeneikenbossen met hulst (H9120) en de oude eikenbossen (H9190).

Binnen de Wet natuurbescherming is opgenomen dat een herbeplanting in het kader van de herplantplicht geen schade toe mag brengen aan de natuurlijke kenmerken en instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000. Deze tegenstrijdigheid in de Wet natuurbescherming vormt voor het behalen van de Natura 2000-doelen een aandachtspunt bij de beoordeling door het bevoegd gezag van de herplantplicht.

55

Ontwikkeling van oude eikenbossen (H9190) in open kwalificerend habitat Voor het areaal oude eikenbossen (H9190) geldt een uitbreidingsdoelstelling. De huidige oude eikenbossen (H9190) op de Veluwe zijn in het verleden over het algemeen ontstaan door ontwikkeling van eikenstrubbenbossen in het open heidelandschap, door gerichte aanplant van eik of zijn voortgekomen uit oudere eikenhakhoutbossen. In nagenoeg alle gevallen zijn deze bossen ontstaan in een open landschap, daarbij vaak geholpen door de mens door aanplant, inboet, dunning, uitrasteren en het bejagen van wild. Zowel zomer- als wintereik hebben relatief veel licht nodig en delven het onderspit in de concurrentie met beuk. Om op enige schaal te komen tot uitbreiding van door eik gedomineerde bossen zullen deze zich dus moeten ontwikkelen in het open landschap of door het grootschalige vellen van niet-kwalificerende bosopstanden. Hier liggen nu echter veelal andere kwalificerende habitattypen zoals droge heide (H4030). Zolang de instandhoudingsdoelen op de Veluwe voor de verschillende habitattypen echter nog niet zijn gehaald mag het bestaande areaal in principe nergens afnemen, ook niet ten gunste van andere habitattypen.

Locaties die in aanmerking komen voor uitbreiding dienen daarom zorgvuldig te worden beoordeeld en in voorkomend geval zullen gepaste maatregelen genomen moeten worden om geen effecten voor andere habitattypen te veroorzaken

Ontwerp-herstelprogramma Bossen | Natura 2000 Veluwe | Januari 2023

5.2

Sleutelfactoren De sleutelfactoren zijn de factoren die we met inrichtings- en beheermaatregelen en beleid kunnen beïnvloeden. Het zijn de spreekwoordelijke knoppen waaraan we kunnen draaien om de knelpunten uit § 5.1 op te lossen.

5.2.1

Verlagen stikstofdepositie Om verdere verslechtering van de natuurkwaliteit te stoppen is het essentieel de atmosferische depositie te verlagen tot beneden kritische depositiewaarden van habitattypen en VHR-soorten. Dit is uitgewerkt in de stikstofaanpak van Rijk en provincies (zie ook § 2.2.5) en maakt geen onderdeel uit van dit herstelprogramma.

5.2.2

Verbeteren buffercapaciteit en vitaliteit bosbodem Met het verlagen van de stikstofdepositie zijn de effecten van bodemverzuring uit het verleden en de verarming van de bosecosystemen die dit teweeg heeft gebracht niet ongedaan gemaakt. Een effectieve herstelstrategie hiervoor is echter nog niet beschikbaar (Bron: Bobbink et al., 2022). Steenmeeltoediening wordt wel gezien als no-regret maatregel (Bron: Van Diggelen et al., 2019), maar over effectiviteit in bossen is nog weinig bekend. In de schaarse bossen met oude bodems met dikke humusprofielen zijn ongewenste neveneffecten goed denkbaar (Bron: Smeenge et al., 2021) en is toediening van mineralen vooralsnog ongewenst. Naast bron- en herstelmaatregelen kunnen wel maatregelen worden genomen om de negatieve effecten van vermesting en verzuring op de natuur te verzachten. Zo kan zoveel mogelijk worden voorkomen dat soorten verdwijnen totdat de stikstofdepositie is teruggebracht naar het gewenste niveau en bodemherstel zo mogelijk heeft plaatsgevonden.

5.2.3

Oppervlaktevergroting habitatbossen De matig-ongunstige staat van instandhouding van de oppervlakte van de habitattypen beuken-eikenbossen (H9120) en oude eikenbossen (H9190) in Nederland kan worden verbeterd door te sturen op de ontwikkeling van grootschalige aaneengesloten boscomplexen (Bron: Bijlsma et al., 2022). Dit draagt bij aan: • robuuste leefgebieden die groot genoeg zijn voor de duurzame instandhouding van vitale populaties van de karakteristieke soorten van de habitatbossen, ook onder bijvoorbeeld de negatieve effecten van klimaatverandering; • continue aanwezigheid van de verschillende structuurelementen en ontwikkelingsfasen van inheemse loofbossen in ruimte en tijd (o.a.

oude, aftakelende en dode bomen en open plekken) zodat populaties van gespecialiseerde soorten van deze bossen duurzaam in stand gehouden kunnen worden (Bron: Parvainen, 2005; Koop & van der Werf, 1995); • versterking van de landschappelijke samenhang doordat de abiotische variatie in gradiënten binnen grotere oppervlaktes meer compleet is, waardoor soorten meer uitwijkmogelijkheden hebben mochten omstandigheden tijdelijk of structureel verslechteren, zoals in het geval van extreme droogte, natuurbrand of bodemverzuring; • het verkrijgen van robuuste loofboskernen verspreid over de Veluwe, die tevens als ecologische stapstenen functioneren binnen het gehele boslandschap van natuurbossen en multifunctioneel beheerde bossen. Daarmee wordt niet alleen de kwaliteit en omvang van de habitatbossen verbeterd, maar tevens het gehele leefgebied van draaihals, wespendief, vliegend hert en zwarte specht en andere soorten (deels) afhankelijk van oude bossen (Bron: Lachat et al., 2013);

56

Ontwerp-herstelprogramma Bossen | Natura 2000 Veluwe | Januari 2023

• h  et verminderen van de zaaddruk van invasieve exoten op de oude loofbossen en het beschermen van populaties van autochtone boom- en struikpopulaties binnen deze bossen.

5.2.4

Versterken van refugia en hotspots van karakteristieke soorten Behoud en de versterking van reeds aanwezige lokale populaties heeft prioriteit bij het herstel van de bossen op de Veluwe. Er kan geen sprake zijn van wezenlijk functioneel herstel als karakteristieke soorten verdwijnen. Dit betekent dat oppervlaktevergroting van habitatbossen in principe wordt uitgevoerd nabij bestaande leefgebieden van de karakteristieke soorten van deze bossen. Het idee hierbij is dat grote, vitale populaties nodig zijn als uitvalsbases voor herkolonisatie van hersteld leefgebied en voor de instandhouding van metapopulaties. Als dergelijke bases wegvallen, is wezenlijk herstel en gunstig doelbereik van de betreffende habitatbossen uitgesloten.

Dalkruid is een soort van bosranden en open plekken in oude bossen (fotografie: Els Branderhorst/Buiten-Beeld)

5.2.5

Verminderen externe beïnvloeding gebiedsvreemde stoffen Vermindering van externe beïnvloeding zoals inspoeling van meststoffen, inwaaien of aanvoeren van pesticiden en biociden, microplastics en andere vervuilingen is essentieel om achteruitgang van de vitaliteit van populaties en de geschiktheid van het leefgebied voor soorten te stoppen. Dit kan onder andere door aanpassing en extensivering van het grondgebruik binnen en rondom de Veluwe.

57

Ontwerp-herstelprogramma Bossen | Natura 2000 Veluwe | Januari 2023

5.2.6

Uitfaseren houtproductiefunctie/houtoogst habitatbossen en beoogde uitbreidingslocaties Door binnen de habitatbossen en de belangrijkste oudbosgroeiplaatsen buiten de habitatbossen de houtproductiefunctie te staken, wordt het proces van windworp, natuurlijke veroudering, aftakeling en sterfte van bomen en alle structuren die hieruit voortkomen beschermd. • Windworp of boomsterfte zorgt voor een continue aanwezigheid in ruimte en tijd van voldoende oude, aftakelende en dode bomen in verschillende verschijningsvormen en verteringsstadia en van open ruimtes. Hierdoor kunnen populaties van gespecialiseerde soorten afhankelijk van deze structuren en processen duurzaam in stand gehouden worden (Bron: Bijlsma et al., 2022; Müller & Bütler, 2010). • Daarnaast draagt de toename van dood hout bij aan herstel van de buffercapaciteit en nutriënten in de bosbodem. Bij de afbraak van dood hout komt weliswaar stikstof beschikbaar, maar veel minder dan de bosvegetatie nodig heeft (Bron: Hart, 1999). Daarnaast komen calcium, magnesium en fosfor vrij (Bron: Kuehne et al., 2008; Johnson et al., 2014; Shortle & Smith, 2015). Door daarentegen hout te oogsten, zoals dat eeuwenlang de regel was binnen de oude bossen, wordt weliswaar stikstof afgevoerd, maar ook nutriënten zodat alsnog verzuring optreedt.

Vlak naast liggende dode stammen is de bodem daardoor aanzienlijk minder zuur en arm dan meters verder (Bron: De Keersmaeker et al., 2017; Dhiedt et al., 2019). Dit kan tevens gunstig zijn voor het kiemsucces van bosverjonging (Bron: Vodde et al., 2011). • Door de houtproductiefunctie uit te faseren wordt binnen de boompopulaties ook niet langer geselecteerd op houtteeltkundig gunstige eigenschappen (o.a. rechte stammen en evenwichtige boomkronen). Verschillende karakteristieke soorten binnen de oude loofbossen, zoals bijvoorbeeld verschillende (korst)mossen en VHR-soort vliegend hert, zijn sterk afhankelijk van grillige of schuine boomvormen met bastwonden of met instabiele boomkronen die een groot risico hebben op uitscheuren (Bron: Bijlsma et al., 2009; Smit & Krekels, 2008).

5.2.7

Optimalisatie beheer Door een optimalisatie van het bosbeheer, zowel binnen de habitatbossen als binnen het leefgebied van VHR-soorten draaihals, wespendief, vliegend hert en zwarte specht, kan een belangrijke bijdrage worden geleverd aan behoud van karakteristieke soorten. Optimalisatie van het beheer kan bijdragen aan: • behoud en versterking van bestaande populaties van karakteristieke soorten, o.a. met soortspecifieke maatregelen; • opheffen of voorkomen van versnippering van leefgebied en het verbeteren van de verspreiding van oude, aftakelende en dode bomen in het boslandschap; • bescherming en verbetering van de kwaliteit en buffercapaciteit van de bosbodem; • verhoging van de weerbaarheid tegen klimaatverandering; • bescherming van populaties van autochtone boom- en struikpopulaties.

5.2.8

Verwijderen invasieve uitheemse boom- en struiksoorten Door het planmatig verwijderen en verwijderd houden van invasieve uitheemse boom- en struiksoorten binnen de habitatbossen, worden de boshabitats gevoelig voor dominantie van deze soorten beschermd.

58

Ontwerp-herstelprogramma Bossen | Natura 2000 Veluwe | Januari 2023

5.2.9

Voorlichting t.a.v. Natura 2000-doelen en karakteristieke soorten Boseigenaren zijn zich er soms onvoldoende van bewust dat ze bijzondere habitatbossen in bezit hebben, dat er bijzondere karakteristieke soorten binnen hun bosbezit voorkomen of welke beleidsmatige en juridische consequenties aan deze status verbonden is. Voorlichting en het beschikbaar stellen van expertkennis kunnen voorkomen dat ongewenste beheermaatregelen worden getroffen binnen de habitatbossen.

5.2.10

(Lokaal) verlagen van graas- en wroetdruk Een tijdelijke en/of lokaal hoge graas- en wroetdruk is geen probleem voor het Natura 2000-doelbereik omdat deze juist bijdraagt aan de ecologische variatie binnen de Veluwe. De Veluwe is daarbij door de aanwezigheid van met name edelherten en wilde zwijnen uniek binnen Nederland en draagt daarmee tevens bij aan de landelijke ecologische variatie (Bron: Bijlsma et al., 2022). Een generieke, landschapsbrede verlaging van de graas- en wroetdruk is daarom niet noodzakelijk voor het halen van de Natura 2000-doelen. Het verlagen van de graas- en wroetdruk op regionale schaal, met enige geografische spreiding over de Veluwe, is echter wel noodzakelijk voor behoud van kwaliteit van de habitatbossen, instandhouding van populaties van soorten die kwetsbaar zijn voor structurele bodemwoeling (o.a. VHR-soort vliegend hert en bosparelmoervlinder) en voor het realiseren van voldoende verjonging van alle inheemse boomsoorten, ook de meer smakelijke loofboomsoorten die in hoge mate geprefereerd worden door de wilde grazers (Bron: den ouden et al., 2022). Het (lokaal) verlagen van de graasdruk draagt daarmee bij aan de klimaatbestendigheid en weerbaarheid tegen verdere bodemverzuring van alle bossen op de Veluwe.

Jonge berken in een grovedennenbos (fotografie: Els Branderhorst/Buiten-Beeld)

59

Ontwerp-herstelprogramma Bossen | Natura 2000 Veluwe | Januari 2023

5.2.11

Stroomlijnen beleid In sommige gevallen staan tegenstrijdigheden binnen bestaand beleid het duurzaam behalen van de instandhoudingsdoelen in de weg. Door verschillende beleidsterreinen beter op het Natura 2000-beleid af te stemmen kunnen deze knelpunten worden weggenomen. Deze knelpunten zijn uitgewerkt onder § 5.1.10 Beleidsmatige knelpunten.

5.3

Kennisleemten Niet voor alle knelpunten voor het behalen van de Natura 2000-doelen op de Veluwe is voldoende kennis aanwezig om tot doelmatige en duurzame herstelof beheermaatregelen te komen. Hieronder zijn alle kennisleemten weergegeven. Nader onderzoek is noodzakelijk om deze kennisleemten verder uit te werken en tot effectief herstel van de natuur op de Veluwe te komen.

5.3.1

Duurzaam bodemherstel in bos Een effectieve herstelstrategie voor de opgebouwde bodemverzuring in de bossen op de Veluwe is nog niet beschikbaar (Bron: Bobbink et al., 2022).. Om te komen tot duurzaam bodemherstel dienen ten eerste onderstaande vragen beantwoord te worden.

Effectieve bosbodemherstelmaatregelen In zowel de habitatbossen op de Veluwe als in de bossen die het leefgebied vormen voor zwarte specht, wespendief en vliegend hert is verregaande bodemverzuring vastgesteld (Bron: Bobbink et al., 2022; Smeenge et al., 2021). Voor effectief bodemherstel zijn meerdere herstelmaatregelen denkbaar afhankelijk van bodemkenmerken, humusopbouw, bodemleven, bossamenstelling, hydrologie en plek in het landschap (Bron: Smeenge et al., 2021). Momenteel is nog onvoldoende in beeld welke maatregelen waar potentieel (no-regret) mogelijk zijn. Daarbij komt dat onvoldoende scherp is wanneer we, buiten de boshabitats, de bosbodem als hersteld beschouwen en of volledig herstel in alle gevallen ook mogelijk zal zijn.

Effectiviteit en wenselijkheid van steenmeeltoepassing in beuken-eikenbossen (H9120) Steenmeeltoediening wordt gezien als no-regret maatregel (Bron: Van Diggelen et al., 2019) tegen bodemverzuring, maar over effectiviteit in bossen is nog weinig bekend. In de schaarse bossen met oude bodems met dikke humusprofielen zijn ongewenste neveneffecten goed denkbaar (Bron: Smeenge et al., 2021) en is grootschalige toediening van meststoffen vooralsnog ongewenst. Binnen de oude eikenbossen (H9190) vindt inmiddels uitgebreid onderzoek plaats naar de effectiviteit en mogelijk ongewenste neveneffecten van steenmeeltoepassing. Deze resultaten zijn echter niet goed te vertalen naar de rijkere beuken-eikenbossen met hulst (H9120). Deze bossen komen doorgaans voor op beter gebufferde bodems (hoewel hier ook reeds verminderde buffercapaciteit is vastgesteld (Bron: Smeenge et al. 2021) met een uitgebreide en diverse bodemfauna. De bossen hebben dikke humusprofielen die van groot belang zijn voor de nutriëntenstatus en basenverzadiging van het bosecosysteem. Het is onvoldoende duidelijk wat de effecten en doelmatigheid van steenmeeltoepassing in deze habitatbossen zijn en of aanvullende maatregelen, zoals inbrengen en/of bevoordelen van soorten met basenrijk strooisel, de effectiviteit en duurzaamheid van de effecten van steenmeeltoepassing kunnen vergroten (Bron: Hommel et al., 2020).

60

Ontwerp-herstelprogramma Bossen | Natura 2000 Veluwe | Januari 2023

Rol van grote hoefdieren in landschapsbrede nutriëntenstromen en effectiviteit van aankoppelen van rijke riviergronden ten behoeve van nutriëntentransport door grote hoefdieren Het is onvoldoende duidelijk welke rol grote hoefdieren spelen binnen de nutriëntenstromen op landschapsschaal. Een deel van de wilde hoefdieren wordt na het sterven afgevoerd als onderdeel van het faunabeheer. Hiermee worden ook nutriënten en zeldzame sporenelementen afgevoerd, die anders onderdeel zouden blijven van het ecosysteem. Het is onvoldoende duidelijk welke effecten dit heeft op de nutriëntenbalans van de Veluwe o.a. in relatie tot doorgaande bodemverzuring en welke effecten het laten liggen van karkassen van hoofddieren heeft op de nutriëntenbalans. Het (deels) achterlaten van karkassen zou mogelijk bij kunnen dragen aan het verzachten en herstellen van de gevolgen van bodemverzuring. Mogelijk zou deze bijdrage daarbij groter zijn wanneer ook uitwisseling door hoefdieren tussen de rijke riviergronden en arme zandgronden zou kunnen plaatsvinden. Zo zouden aanvullende nutriënten aan het Veluwe-systeem worden toegevoegd.

5.3.2

Duurzaamheid steenmeel Steenmeel is mogelijk een belangrijk onderdeel van duurzaam bodemherstel op de hoge zandgronden. Steenmeel is vaak een bijproduct van de winning van andere natuursteen, maar kan ook het hoofdproduct zijn. Dit brengt ethische vraagstukken met zich mee, bijvoorbeeld: hoeveel negatieve milieueffecten elders vinden wij acceptabel om onze kwetsbare en unieke natuur op de Veluwe te herstellen? Momenteel is hiervoor geen bruikbaar afwegingskader beschikbaar. Deze vraag moet niet op de schaal van de Veluwe gesteld worden, maar minstens op de schaal van het gehele Nederlandse arme zandlandschap.

5.3.3

Versnippering van leefgebied zwarte specht en vliegend hert Hoewel de Veluwe voor het grootste deel uit bos bestaat, zijn niet al deze bossen ook daadwerkelijk geschikt leefgebied voor alle bossoorten. Bijvoorbeeld voor VHR-soort zwarte specht zijn o.a. grote aaneengesloten bosgebieden met een hoog aandeel grove den of fijnspar, zonbeschenen open plekken en ruimschoots liggend en staand dood hout noodzakelijk (Bron: Bijlsma & Janssen, 2021). Wanneer deze aspecten over grotere oppervlakten afwezig zijn zal het leefgebied voor zwarte specht versnipperen. Hetzelfde geldt voor VHR-soort vliegend hert waarvoor o.a., in ruimte en tijd, voldoende dode en kwijnende eiken in bosranden en open plekken aanwezig dienen te zijn (Bron: Smit, 2021). Ook zijn voldoende lange en brede houtwallen met eiken in open (eng)gebieden van belang voor vliegend hert. Of en in welke mate leefgebiedsversnippering een knelpunt is op de Veluwe is onvoldoende in beeld.

5.3.4

Afname van wespen in relatie tot broedsucces van de wespendief De magere wespenjaren op de Veluwe zijn waarschijnlijk één van de belangrijkste reden voor de afname van het broedsucces van wespendief op de Veluwe (Bron: Bijlsma & van Manen, 2021; Bijlsma, 2019). Wat de exacte oorzaken van de lage wespendichtheden zijn is echter onvoldoende bekend. Waarschijnlijk is de afname van prooidieren (insecten) voor de verschillende wespen een belangrijke reden. Bodemverzuring en verruigging en vergrassing van de kruidlaag, als gevolg van vermesting, zorgen ervoor dat steeds minder nectarplanten aanwezig zijn in het landschap. Hierdoor komt de voedselbeschikbaarheid voor insecten onder druk te staan. Ook zou het kunnen dat insecticiden een rol spelen. Meer onderzoek is nodig om de achteruitgang van wespensoorten, en daarmee de wespendief, op de Veluwe te kunnen verklaren en effectieve herstelmaatregelen te formuleren.

61

Ontwerp-herstelprogramma Bossen | Natura 2000 Veluwe | Januari 2023

5.3.5

Staat van instandhouding kenmerkende en karakteristieke soorten De kwaliteit van habitattypen wordt niet alleen bepaald door de aanwezigheid van niet bij de aanwezigheid van een bepaalde vegetatie. Een goede kwaliteit wordt ook bepaald door het voorkomen van kenmerkende en karakteristieke soorten. Voor enkele soorten, zoals de bosparelmoervlinder, zijn onderzoeken, maatregelen en herstelplannen geformuleerd en deels uitgevoerd, onder meer gestimuleerd door de Actieve soortenbescherming Gelderland. Op dit moment is echter nog onvoldoende in beeld: • voor welke typische en karakteristieke soorten de Veluwe nu hoofdzakelijk een leefgebied vormt, en in hoeverre de soorten bedreigd worden in hun duurzame instandhouding; • in hoeverre de nadere monitoring van soorten noodzakelijk is, en of in beeld is of de soorten nog vitale, levensvatbare populaties hebben; • in hoeverre ze kwetsbaar zijn voor toekomstige effecten van bijvoorbeeld klimaatverandering; • voor welke soorten naast habitatherstel aanvullende maatregelen, zoals kweek, bijplaatsen en uitzaaien, nodig zijn om de soorten duurzaam voor de Veluwse bossen te behouden.

5.3.6

Aanwezigheid en abundantie karakteristieke soortgroepen van oude loofbossen In en rondom de habitatbossen op de Veluwe komen bijzondere soorten voor die nergens anders voorkomen in het Nederlandse bos. Dit betreffen onder meer verschillende mossen, korstmossen, kevers, mieren en paddenstoelen (Bron: Herk et al., 2000; Nijssen et al., 2020; Bijlsma et al., 2009). Deze soortgroepen zijn maar beperkt vertegenwoordigd binnen de verschillende landelijke en provinciale monitoringsprogramma’s. Bij het opstellen van het herstelprogramma is meermaals gebleken dat voor deze groepen maar beperkt data voorhanden zijn. Deze soorten geven echter in hoge mate weer waar de natuurkwaliteit binnen de habitatbossen hoog is. Tevens zijn deze soorten gevoelig voor lokaal uitsterven doordat ze vaak sterk honkvast en gespecialiseerd zijn. Onzorgvuldig beheer als gevolg van onvoldoende kennis over aanwezige soorten kan daardoor grote gevolgen hebben voor de duurzame instandhouding van lokale populaties. Om deze karakteristieke soorten van oude loofbossen beter in beeld te krijgen dient te worden vastgesteld: • voor welke soorten en soortgroepen de oude loofbossen op de Veluwe een leefgebied vormen, en wat het landelijk belang van de Veluwe is voor deze soorten; • in hoeverre de nadere monitoring van soorten noodzakelijk is, en of in beeld is of de soorten nog vitale, levensvatbare populaties hebben.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13188906/1