St. t.k.n. nr. 3. Bijlage Ontwerp herstelprogramma Bossen versie januari 2023
Tekst van het document
2.2.16
Bestrijdingmiddelen Bestrijdingsmiddelen worden toegepast om gewassen te beschermen tegen ziekten en plagen. Voordat een middel wordt toegelaten is het beoordeeld op effectiviteit en schadelijkheid. Hoewel bij de beoordeling absolute veiligheidsnormen in acht worden genomen, betekent het niet dat neveneffecten op het leven in bodem, lucht en water (oppervlakte- en grondwater) in de nabijheid van de locatie waar het middel wordt gebruikt, zijn uitgesloten. Sterker nog, neveneffecten zijn er, maar verschillen tussen de verschillende middelen. De wijze waarop middelen worden gebruikt, bepaalt in belangrijke mate de verspreiding naar de omgeving (via water en lucht). De gebruikswijze in de landbouw is de afgelopen decennia verbeterd waardoor de verspreiding door de lucht en de afspoeling naar het (oppervlakte)water zijn afgenomen. Daarnaast worden alternatieven zoals natuurinclusieve landbouw gestimuleerd. Uit onderzoek blijkt ook dat er meerdere bronnen zijn van waaruit middelen zich verspreiden, bijvoorbeeld van sportvelden, golfterreinen of tuinen. Door drift en verdamping van middelen komen zij – in (zeer) lage concentraties – voor op grote afstanden van de locatie waar middelen worden gebruikt. De provincie heeft zelf geen provinciaal beleid op het gebied van bestrijdingsmiddelen. De richtlijnen omtrent het gebruik van bestrijdingsmiddelen worden landelijk bepaald.
Op grond van de Wet natuurbescherming is het verboden zonder vergunning activiteiten uit te voeren die een negatief effect kunnen veroorzaken op Natura 2000-gebieden. Jurisprudentie laat zien dat de inzet van bestrijdingsmiddelen in de omgeving van Natura 2000-gebieden niet is toegestaan zonder vergunning (bijvoorbeeld rechtbank Noord-Nederland: ECLI:NL:RBNNE:2021:2483). Dat geldt in principe ook voor het gebruik van bestrijdingsmiddelen: bij twijfel moet worden aangetoond dat het geen negatief effect heeft voor Natura 2000-gebieden. Of iets een significant negatief effect heeft hangt af van de activiteit en welke factoren een rol spelen en de invloed die dit heeft op de aanwezige natuurwaarden. In het Natura 2000-beheerplan Veluwe staat dat in de eerste beheerplanperiode het effect van bestrijdingsmiddelen op de instandhoudingsdoelen nader dient te worden onderzocht en dat op grond van het voorzorgprincipe de komende planperiode een toename van de belasting door bestrijdingsmiddelen wordt tegengegaan. Het terugdringen van bestrijdingsmiddelen in het water is van groot belang, dat geldt met name voor beken te midden van intensief agrarisch gebied.
24
Ontwerp-herstelprogramma Bossen | Natura 2000 Veluwe | Januari 2023
In het beheerplan Veluwe is al een herstelmaatregel opgenomen voor het monitoren van de beken op bestrijdingsmiddelen en meststoffen. Daarnaast is aangegeven dat bloembollenteelt op een perceel grenzend aan een beek vergunningplichtig is. Het beheerplan noemt ook de grote zorgen over de afname van de insectenpopulatie voor soorten als de nachtzwaluw en wespendief omdat die vooral grote insecten eten. Het vermoeden is dat het gebruik van bestrijdingsmiddelen en antiwormmiddelen bij de insectenafname een rol speelt. Het beheerplan noemt nog geen concrete maatregelen om deze kennisleemte op te lossen. Hoewel aanvullend onderzoek nodig is naar de precieze impact van deze middelen en het effect en de aanwezigheid van bestrijdingsmiddelen in Natura 2000-gebieden zijn er al onderzoeken die aantonen dat het gebruik leidt tot insectensterfte (verspreiding over grotere afstanden, tot in ieder geval 2 km). Het ligt voor de hand dat door het Rijk nader onderzoek naar het effect van landelijke toegestane middelen op de Natura 2000-doelen wordt gedaan.
2.3 Ecologische context De Veluwe is niet zorgeloos. We kennen de problemen van te veel stikstof, verzuurde bodems, verdroging, versnippering en een hoge recreatiedruk. Jarenlange (over) exploitatie heeft de Veluwe gevormd, maar kwetsbaar gemaakt. In de afgelopen jaren waren de inspanningen om het verlies aan biodiversiteit tegen te gaan met name gericht op het behoud van de verschillende natuurtype intern op orde brengen van natuurgebieden. Daar zijn goede resultaten geboekt. Zolang de natuurkwaliteit van het omringende landschap echter achteruit blijft gaan en de onderliggende natuurlijke processen op landschapsschaal onvoldoende hersteld zijn, blijft het herstel achter. De klimaatverandering gaat door en de economische activiteiten, zoals vraag naar woningbouw en de landbouwtransitie hebben ook invloed op de Veluwe. De herstelprogramma’s staan daarmee ook in de ecologische context van een Veluwe die nu nog niet veerkrachtig genoeg is om al deze veranderingen op te vangen. Dat wordt inmiddels breed onderkend en met het Natura 2000beheerplan en de uitwerking van voorliggende herstelprogramma’s wordt de basis voor een robuust herstel van de natuur op de Veluwe verder uitgewerkt. In een dialoog met een brede groep experts en gebiedskenners is een begrip van de werking van de fysische systemen besproken die de onderlegger vormen voor het realiseren van de natuurdoelen (o.a.
bodem en water) en de relaties tussen de verschillende processen die spelen tussen bodem, water, vegetatie en fauna. Hierdoor konden in de herstelprogramma’s maatregelen worden opgenomen die op een goede manier ingrijpen op deze processen. Elk van de herstelprogramma’s omvat een logisch deel van het grotere geheel van ecologische systemen waaruit de Veluwe bestaat. Met de uitvoering van de herstelprogramma’s moet dat in de komende decennia leiden tot een flinke kwaliteitsimpuls voor de Veluwe. De maatregelen in de herstelprogramma’s leveren weliswaar een hele belangrijke bijdrage aan robuust systeemherstel van de Veluwe, maar structurele verlaging van de stikstofdepositie blijft cruciaal om het systeemherstel robuust te houden.
25
Ontwerp-herstelprogramma Bossen | Natura 2000 Veluwe | Januari 2023
Visie op doelbereik De visie op doelbereik uit hoofdstuk 5 van het Natura 2000-beheerplan Veluwe ligt ten grondslag aan deze herstelprogramma’s. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de beheerstrategie op landschapsschaal en het doelbereik van habitattypen, Habitatrichtlijnsoorten en Vogelrichtlijnsoorten. Hierin staat ook de generieke kernopgave voor de Veluwe beschreven die gericht is op: • vergroting van de interne samenhang door herstel van evenwichtige verdeling van open en gesloten terreinen met meer geleidelijke overgangen van zandverstuivingen, heide, vennen, graslanden en bos; • versterking van het ruimtelijke netwerk van bos, heide- of stuifzandgebieden, waarbij tussenliggende gebieden gebruikt kunnen worden als stapstenen, met name voor soorten reptielen en vlinders; • versterking van overgangen van droge naar natte gebieden, zoals beekdalen en herstel van vennen. Vanwege de verwevenheid van de herstelprogramma’s voor heide en stuifzanden en voor bossen is ervoor gekozen de ecologische onderbouwing voor beide herstelprogramma’s in samenhang op te stellen. De bossen, heiden en stuifzanden beslaan grote delen van de Veluwe. Voor de ecologische onderbouwing is ook het relatieve belang van de habitats en soorten geanalyseerd. Hoewel vennen en venen veel in stuifzandlandschap liggen, functioneren ze vaak als zelfstandige systemen. Dit geldt ook voor de beken.
Vennen en venen en beken zijn daarom niet in deze Veluwebredeanalyse die voor heide, stuifzanden en bos is gedaan meegenomen, behalve wanneer er raakvlakken zijn met bossen, zoals bij de hoogveenbossen en beekbegeleidende bossen. In het Natura 2000-beheerplan staat dat naast de generieke opgave ook de specifieke instandhoudingsdoelen voor de habitattypen, Habitatrichtlijnsoorten en Vogelrichtlijnsoorten gerealiseerd en gegarandeerd moeten zijn. Die specifieke opgaven hebben prioriteit. Daarom heeft de provincie Gelderland in het kader van de herstelprogramma’s veel aparte onderzoeken laten doen naar de Habitatichtlijnsoorten en Vogelrichtlijnsoorten van de Veluwe. Dit om te bekijken wat er specifiek voor deze soorten nodig is, aanvullend op wat al in het Natura 2000beheerplan beschreven staat. Het op orde krijgen van de bestaande kwalificerende habitattypen heeft in dit eerste beheerplan de hoogste prioriteit. Bij de actualisatie van het beheerplan zullen we de visie op doelbereik van de Veluwe opnieuw beoordelen en beschrijven. In het beheerplan staat dat voor nagenoeg alle habitattypen op de Veluwe de hoge stikstofdepositie de overheersende negatieve factor is.
Substantiële terugdringing van deze stikstofdepositie is een harde voorwaarde voor het behalen van de instandhoudingsdoelen voor habitattypen en soorten, maar dit valt buiten het Natura 2000-beheerplan en deze herstelprogramma’s. De maatregelen die daarvoor nodig zijn worden niet in het beheerplan beschreven, maar zijn onderdeel van landelijk en provinciaal stikstofbeleid. Met monitoring worden de ontwikkelingen en effecten van de maatregelen gevolgd en wordt in beeld gebracht of de doelen worden behaald. Beoordeling van het doelbereik vindt plaats aan de hand van de beoordelingskaders (WENR, 2021). Het Natura 2000-beheerplan Veluwe geeft voor de verschillende soorten en habitats aan of de doelstelling ‘instandhouding’ of ‘uitbreiding’ omvat. In het geval van ‘uitbreiding’ is dat niet altijd concreet gekwantificeerd. In dat geval wordt het principe gehanteerd dat de inspanning via de herstelprogramma’s in ieder geval tot enige aantoonbare uitbreiding moet leiden.
26
Ontwerp-herstelprogramma Bossen | Natura 2000 Veluwe | Januari 2023
3 Totstandkoming herstelprogramma Het herstelprogramma Bossen is opgesteld aan de hand van de volgende stappen: • Instellen beheerdersadviesgroep; • uitwerken ecologisch beoordelingskader; • opstellen synthesedocumenten met herstelmaatregelen in twaalf deelgebieden; • bespreken synthesedocumenten met beheerders in deelgebiedsessies; • Veluwebrede analyse; • aanvullend onderzoek ten behoeve van ecologische onderbouwing; • gesprekken met boseigenaren over randvoorwaarden beheer in kwalificerend habitat.
3.1
Instellen beheerdersadviesgroep De uitvoering van het Natura 2000-beheerplan Veluwe is in grote mate afhankelijk van een groot aantal partijen. Medeoverheden en terreinbeheerders, waaronder particulieren, zijn essentieel voor de uitvoering. Het opstellen van het herstelprogramma is daarom niet een ‘eenvoudig’ inhoudelijk traject, maar is tevens een proces waarin draagvlak en begrip voor de te maken keuzes en maatregelen wordt gecreëerd. De provincie heeft daarom voor het opstellen van de herstelprogramma’s heide-stuifzanden en bossen de grote terrein-beheerders van de Veluwe, inclusief de Bosgroep Midden Nederland, verenigd in een beheerders adviesgroep, zie bijlage 1. Deze adviesgroep was actief betrokken bij het opstellen van het ecologisch beoordelingskader, de voorbereiding van de opdracht voor de uitwerking van herstelmaatregelen in de deelgebieden en bij de bespreking van de resultaten van deze opdracht.
3.2 Uitwerken ecologisch beoordelingskader Een goede invulling van de Natura 2000-doelen begint met de vraag hoe de huidige natuurkwaliteit en de effectiviteit van de maatregelen moet worden beoordeeld. Hiervoor heeft Wageningen Environmental Research (WEnR), als eerste stap naar een herstelprogramma, een ecologisch beoordelingskader opgesteld voor de aangewezen habitattypen en soorten. Dit beoordelingskader is de inhoudelijke basis voor de ecologisch noodzakelijke herstelmaatregelen en randvoorwaarden. Criteria geven voor verschillende natuurkwaliteiten aan wat goed, voldoende en onvoldoende is. Voor habitattypen gelden andere criteria dan voor soorten van de Vogel- en Habitatrichtlijn. De criteria sluiten nauw aan op de Europese rapportagesystematiek en bevatten de op dat moment actuele wetenschappelijke inzichten. Aan de hand van deze beoordelingssystematiek is het actueel en het beoogd doel-bereik voor de beschermde bossen in beeld gebracht. Vervolgens zijn de maatregelen geformuleerd om van het actueel naar het beoogd doelbereik te komen. Bij het opstellen van de beoordelingskaders heeft WEnR samengewerkt met Samenwerkende Organisaties Vogelonderzoek Nederland (Sovon Vogelonderzoek Nederland, hierna Sovon) en Radboud Universiteit Nijmegen (Bron: Bijlsma et al. 2021).
27
Ontwerp-herstelprogramma Bossen | Natura 2000 Veluwe | Januari 2023
3.3 Opstellen synthesedocumenten met herstelmaatregelen Vanwege de omvang van de Veluwe is voor beoordelen van het doelbereik de Veluwe opgedeeld in twaalf deelgebieden. Daarmee wordt ook recht gedaan aan de grote geomorfologische variatie op de Veluwe (figuur 1).
Figuur 1. deelgebieden: 1 Petra-De Dellen-Welnu; 2 ASK ’t Harde-Wezepse Heide; 3 Elspeets Heide-Vierhouten; 4 Leuvenumse Bos-Hulshorsterzand; 5 Kroondomein Het Loo-Tongerense Heide; 6 Ermelose Heide-Staverden-Houtdorperveld; 7 Speulder- en Sprielderbos-Kootwijkerveen; 8 Kootwijkerzand-Harskamp-Spelderholt; 9 Veluwezoom-Deelerwoud-Loenense Bos; 10 NP De Hoge Veluwe eo; 11 Wekeromse Zand-Planken Wambuis; 12 Quadenoord-Wolfhezerheide-Warnsborn.
28
Ontwerp-herstelprogramma Bossen | Natura 2000 Veluwe | Januari 2023
Door een consortium van WEnR, Sovon en Stichting Bargerveen zijn vervolgens de kenmerken van het gebied beschreven en het relatieve belang van de aanwezige habitattypen, karakteristieke soorten van habitatypen en VHR-soorten voor de Veluwe en in Nederland beschreven (en zo nodig in Europa). Daarna is per deelgebied op basis van het beoordelingskader een synthese gemaakt van onder andere het huidige doelbereik, de knelpunten van Natura 2000-habitattypen en leefgebieden, de gewenste maatregelen voor het vergroten van doelbereik en kennisleemten. Uitgangspunt is dat er naast een adequaat regulier beheer extra herstelmaatregelen nodig zijn om de gewenste condities voor ecologische duurzaamheid van het habitattype of leefgebied te versterken of te ontwikkelen. Voor verdere achtergrondinformatie wordt verwezen naar het ecologisch beoordelingskader en de synthesedocumenten.
3.4 Gebiedsessies over de synthesedocumenten met beheerders De twaalf concept synthesedocument met de uitgewerkte herstelmaatregelen is in deze stap besproken met betrokken terreinbeheerders, w.o gemeenten en particuliere grondeigenaren. Het doel van dit overleg was om inzicht in kansen en knelpunten te delen en de voorgestelde herstelmaatregelen beter te onderbouwen. Het consortium organiseerde de gesprekken met de eigenaren die meer dan 100 ha natuurgrond op de Veluwe in eigendom hebben. Het overleg vond zoveel mogelijk plaats via plenaire bijeenkomsten met één terreinbeheerder of met een groep gelijkaardige beheerders (bijvoorbeeld de gemeenten op de Noord-Veluwe). Het ophalen en integreren van de kennis van de relevante partijen speelde hier een belangrijke rol. Ook het creëren van ‘mede-eigenaarschap’ was een belangrijk doel van deze bijeenkomst. Van de bijeenkomsten zijn procesverslagen gemaakt waarin de gesignaleerde kansen en knelpunten en het draagvlak voor de maatregelen is vastgelegd. De verslagen van de discussies zijn naar betrokkenen gestuurd voor eventuele correcties. De voorgestelde herstelmaatregelen raken soms ook kleinere grondeigenaren. De communicatie met deze grondeigenaren werd gefaciliteerd door de Bosgroep Midden Nederland.
Hiervoor zijn door de Bosgroep terreineigenaren benaderd die een bezit hebben tussen de 10 en 100 ha waarbij in het concept-synthesedocument een maatregel is voorgesteld van minimaal 1 ha binnen het eigendom van de terreineigenaar.
3.5
Uitwerking Veluwe-brede analyse Natura 2000-doelen Naar aanleiding van de gebiedssessies zijn de synthesedocumenten van de deelgebieden aangepast. Middels een Veluwe-brede afweging is uitgewerkt hoe het voorgestelde maatregelpakket een goede invulling geeft aan de betreffende Veluwse Natura 2000-opgaven Hierin is onderbouwd hoe de afzonderlijke maatregelen in de deelgebieden gezamenlijk leiden tot effectief ecologisch doelbereik voor de Veluwe. Dit heeft geresulteerd in een rapport over de Veluwe Natura 2000doelen voor bos, heide en stuifzand (Bron: Bijlsma et al. 2022).
29
Ontwerp-herstelprogramma Bossen | Natura 2000 Veluwe | Januari 2023
3.6 Aanvullend onderzoek
Ecologische uitwerking soortspecifieke maatregelen voor broedvogels Ten behoeve van de herstelprogramma’s voor de Veluwe heeft een consortium van Sovon Vogelonderzoek Nederland, de Stichting Bargerveen, en Bureau Zet, in opdracht van de provincie Gelderland, soortspecifieke beheermaatregelen uitgewerkt voor zeven vogelsoorten op de Veluwe waarvoor Natura 2000-instandhoudingsdoelen gelden. Voor elke soort is in beeld gebracht welke maatregelen en kenmerken kunnen bijdragen aan populatieherstel. Voor de hele Veluwe is vervolgens in beeld gebracht wat de meest ideale terreinkenmerken zijn voor de zeven soorten en welke beheermaatregelen daarbij horen. Deze informatie is door het consortium gebruikt bij het opstellen van de herstelmaatregelen in de deelgebieden. Ook is deze rapportage gebruikt bij het onderbouwen van de randvoorwaarden. Voor het herstelprogramma Bossen betreft het maatregelen voor de zwarte specht en wespendief (Bron: Nijssen et al. 2019).
Onderzoek effecten van hoefdieren op Natura 2000-boshabitattypen op de Veluwe Om nader inzicht krijgen in de relatie tussen de populatiegroottes van hoefdieren en de kwaliteit van de Natura 2000-boshabitattypen op de Veluwe is door Wageningen University & Research (WUR) een literatuurstudie uitgevoerd naar de invloed van hoefdieren op bosverjonging en het voorkomen van bijzonder kwaliteitssoorten (Bron: den Ouden et al. 2020).
Beoordeling continuïteit van bosverjonging De continuïteit van bosverjonging is een van de beoordelingscriteria voor het functioneren van de Natura 2000-boshabitats op de Veluwe. Door de WUR e.a. is, aanvullend op het hierboven genoemde onderzoek, de vraag onderzocht of op de Veluwe de huidige begrazingsdruk een knelpunt oplevert voor de continuïteit van de bosverjonging. Dit betrof allereerst de loofboomsoorten die direct relevant zijn voor de duurzame instandhouding van de boshabitattypen H9120 en H9190, te weten beuk, inlandse eik, berk en hulst. Vanwege het belang van omringende bossen voor bossoorten en leefgebied is naast een specifiek op habitattypen gerichte analyse ook Veluwe-breed gekeken naar de verjongingsvoortgang in nietkwalificerende bossen (Bron: den Ouden et al. 2022).
Samenstellen database met bosinventarisatie gegevens over de periode 2011-2021 Bij de beoordeling van de mate waarin natuurlijke processen als veroudering, natuurlijke aftakeling en afsterven van bomen voorkomen zijn met name de bosstructuurkenmerken van belang. De Stichting Probos heeft daarvoor een database samengesteld met bosinventarisatiegegevens van de Gelderse bossen die op plotniveau zijn gemeten in de periode 2011-2021.
Beoordelingskader Vliegend Hert Door de Stichting Eis is een beoordelingskader opgesteld voor de realisatie van de instandhoudingsdoelen van het Vliegend Hert in Natura 2000-gebied Veluwe. Voor elk van de onderdelen (verspreiding, omvang en kwaliteit) is aangegeven wanneer voor de Veluwe aan de Natura 2000-doelstelling voor het leefgebied van het vliegend hert wordt voldaan en welke maatregelen daarvoor nodig zijn (Bron: Smit, 2021).
30
Ontwerp-herstelprogramma Bossen | Natura 2000 Veluwe | Januari 2023
3.7
Gesprekken over randvoorwaarden beheer in kwalificerend habitat Regulier bosbeheer maakt geen onderdeel uit van de herstelmaatregelen van het consortium, omdat zij adequaat beheer binnen kwalificerend habitat gericht op het halen van de ecologische doelstellingen als uitgangspunt nemen voor het behalen van de instandhoudingsdoelen. De randvoorwaarden waaronder regulier bosbeheer kan plaatsvinden op de Veluwe zijn vastgelegd in het Natura 2000-beheerplan Veluwe. Het beheerplan geeft deze kaders op hoofdlijnen. In het herstelprogramma zijn deze randvoorwaarden nader uitgewerkt. Vervolgens zijn de voorgestelde randvoorwaarden in een consultatietraject met boseigenaren die meer dan 10 hectare kwalificerend habitat in eigendom hebben besproken. Eigenaren met een kleiner areaal zijn op twee informatiebijeenkomsten bijgepraat over de randvoorwaarden voor beheer in kwalificerend habitat.
31
Ontwerp-herstelprogramma Bossen | Natura 2000 Veluwe | Januari 2023
4 Natura 2000-doelen en -opgaven 4.1
Kernopgaven en algemene doelen
Kernopgaven Doelendocument Voor de uitwerking van de Veluwse Natura 2000-doelen zijn de kernopgaven in het Doelendocument 2006 van belang. Tabel 5.7.1 voor de Hogere zandgronden daaruit geeft aan: Opgave landschappelijke samenhang en interne compleetheid: Vergroten van interne samenhang van gebieden door herstel van evenwichtige verdeling van open en gesloten met meer geleidelijke overgangen van zandverstuivingen, heide, vennen, graslanden en bos. Versterken van het ruimtelijk netwerk van bos, heide- of stuifzandgebieden, waarbij tussenliggende gebieden gebruikt kunnen worden als stapstenen, met name voor soorten als reptielen en vlinders. Versterken van overgangen van droge naar natte gebieden, zoals beekdalen en herstel van vennen op landschapsschaal.
Algemene doelen Aanwijzingsbesluit Veluwe In het Aanwijzingsbesluit Veluwe staan de volgende algemene doelen. Deze doelen gelden voor alle Natura 2000-gebieden: • behoud van de bijdrage van het Natura 2000-gebied aan de biologische diversiteit en aan de gunstige staat van instandhouding van natuurlijke habitats en soorten binnen de Europese Unie; • behoud van de bijdrage van het Natura 2000-gebied aan de ecologische samenhang van het Natura 2000-netwerk zowel binnen Nederland als binnen de Europese Unie; • behoud en waar nodig herstel van de ruimtelijke samenhang met de omgeving ten behoeve van de duurzame instandhouding van de in Nederland voorkomende natuurlijke habitats en soorten; • behoud en waar nodig herstel van de natuurlijke kenmerken en van de samenhang van de ecologische structuur en functies van het gehele gebied voor alle habitattypen en soorten waarvoor instandhoudingsdoelen zijn geformuleerd; • behoud of herstel van gebiedsspecifieke ecologische vereisten voor de duurzame instandhouding van de habitattypen en soorten waarvoor instandhoudingsdoelen zijn geformuleerd.
32
Ontwerp-herstelprogramma Bossen | Natura 2000 Veluwe | Januari 2023
4.2
Doelen habitattypen In onderstaande tabel staat weergegeven voor welke habitattypen dit herstelprogramma is geschreven. De doelen en de habitats zijn uitgebreid beschreven in het Natura 2000-beheerplan Veluwe. Tabel 1. Instandhoudingsdoelstellingen voor habitattypen van de bossen van de Veluwe. Habitattypen met een * zijn prioritair. Doelen: > is uitbreiding; = is behoud. Relatieve bijdrage: B1 is 2-6%; A3 is 50-75%; A4 is >75% van landelijke oppervlakte/omvang.
4.2.1
Doel kwaliteit
Relatieve bijdrage in Nederland
Code
Naam
Doel oppervlakte
H9190
Oude eikenbossen
>
>
A4
H9120
Beuken-eikenbossen met hulst
>
>
A3
H91E0C*
Vochtige alluviale bossen
=
>
B1
Relatief belang en kernopgaven Veluwse habitatbossen Voor de beuken-eikenbossen met hulst (H9120) is de Natura 2000-doelstelling uitbreiden van het oppervlak en verbeteren van de kwaliteit. Het landelijke oppervlak van dit bostype ligt voor bijna driekwart op de Veluwe. De Veluwe is daarmee het belangrijkste gebied in Nederland qua oppervlakte habitattype. Hetzelfde geldt voor oude eikenbossen (H9190): de Veluwe omvat meer dan driekwart van het landelijke oppervlak van het habitattype. Voor de landelijke instandhoudingsdoelen van beide bostypen zijn de habitatbossen op de Veluwe dus cruciaal. Wanneer de kwaliteitsverbetering en oppervlakteuitbreiding op de Veluwe niet worden gerealiseerd kunnen de landelijke instandhoudingsdoelen voor deze Natura 2000-bossen niet worden gehaald. Een eerste uitgangspunt voor uitwerking van de Veluwse Natura 2000-doelen zijn de kernopgaven in het Doelendocument van LNV (2006) (Bron: Ministerie van LNV, 2006). Kernopgaven voor de habitatbossen zijn: • H9120 Beuken-eikenbossen met hulst: uitbreiden tot substantiële oppervlakten beuken-eikenbossen met hulst en verbeteren kwaliteit (o.a. boomsoortensamenstelling en leeftijdsopbouw van bomen). • Deze opgave geldt volgens het Doelendocument voor het Norgerholt, Mantingerbos en Liefstinghsbroek.
De nadruk op Drentse H9120-bossen in het Doelendocument volgt uit de grote rol van hulst in het toen geldende profiel van H9120. In 2008 is hulst als karakteristiek kenmerk geschrapt ten gunste van oude bosgroeiplaatsen op droge, niet te arme bodems op de hogere zandgronden. De Drentse gebieden hebben echter geen mogelijkheid voor uitbreiding van H9120 vanwege de landschappelijke ligging en beperkte leeftijd van de omliggende bosgroeiplaatsen. Deze kernopgave is daarom juist exclusief van toepassing op de Veluwe waar wel uitbreiding kan worden gerealiseerd (Bron: Bijlsma et al., 2022). • H9190 Oude eikenbossen: behoud areaal oude eikenbossen (m.n. strubbebossen) en verbeteren kwaliteit, ook als habitat voor vliegend hert (H1083).
33
Ontwerp-herstelprogramma Bossen | Natura 2000 Veluwe | Januari 2023
4.3
Doelen Habitat- en Vogelrichtlijnsoorten In onderstaande tabel staat weergegeven voor welke Habitat- en Vogelrichtlijnsoorten dit herstelprogramma is geschreven. De doelen zijn uitgebreid beschreven in het Natura 2000-beheerplan Veluwe. Tabel 2. Instandhoudingsdoelstellingen voor Habitat- en Vogelrichtlijnsoorten van de bossen van de Veluwe. Doelen: 0 is geen doelstelling; > is uitbreiding of verbetering; = is behoud. Relatieve bijdrage: C is <2%; B1 is 2-6%; B2 is 6-15%; A1 is 15-30%; A2 is 30-50%; A3 is 50-75%; A4 is >75% van landelijke populatie.
Aantal broedparen
Verspreiding leefgebied
Doel omvang leefgebied
Doel kwaliteit leefgebied
Relatieve bijdrage in Nederland
>
>
>
onbekend
Code
Naam
H1083
Vliegend Hert
A236
Zwarte specht
400
0
=
=
A1
A072
Wespendief
100
0
=
=
A
A233
Draaihals
T.b.v. hervestiging
0
>
>
A
Wespendief met wespenraat (fotografie: Michiel Schaap/Buiten-Beeld)
34
Ontwerp-herstelprogramma Bossen | Natura 2000 Veluwe | Januari 2023
5 Analyse 5.1
Knelpunten In het Natura 2000-beheerplan Veluwe (2018) worden verschillende generieke en specifieke knelpunten benoemd voor de bossen op de Veluwe. Ten behoeve van het herstelprogramma Bossen zijn deze knelpunten verder aangescherpt om tot zo concreet mogelijke herstelmaatregelen te komen, om kennisleemten te definiëren en om duidelijkheid te geven over activiteiten die ongewenst zijn vanuit het perspectief van de instandhoudingsdoelen. De grootste knelpunten zijn: • de voortgaande zeer hoge depositie met als gevolg, vermesting, verruiging, bodemverzuring, een nutriëntenonbalans in voedsel voor kleine fauna en in de verdere voedselketen en verhoogde kwetsbaarheid voor klimaatverandering; • het verlies aan landschapsecologische samenhang als gevolg van versnippering; • gebiedsvreemde stoffen, waaronder pesticiden; • ongewenste beheeractiviteiten; • de continu hoge graasdruk en de hoge dynamiek van wroeten door wilde zwijnen; • verstoring; • klimaatverandering en verdroging; • exoten. Hierbij moet benadrukt worden dat de problemen op de Veluwe uiteindelijk vooral de optelsom van alle drukfactoren zijn. Bij elkaar genomen maken die het soorten onmogelijk om duurzame populaties in stand te houden.
5.1.1
Vermesting en verzuring Vermesting en verzuring als gevolg van een te hoge stikstofdepositie is één van de belangrijkste knelpunten voor het behalen van de Natura 2000-doelen in de bossen op de Veluwe (Bron: O.a. Van den Burg et al., 2014; De Vries et al., 2017, 2019). Verzuring en vermesting hebben voor tal van plant- en diersoorten directe negatieve effecten, maar ook indirecte negatieve effecten via aantasting van hun leefgebied. Onderstaande knelpuntenuitwerking is in grote lijnen gebaseerd op het rapport ‘herstelstrategieën stikstofgevoelige habitats’ (Bron: O.a. Bal et al., 2014).
Bodemverzuring en vermesting Voedingsstoffen in bodems van de droge hogere zandgronden worden niet aangevuld vanuit het grondwater of door overstromingen of grootschalige verstuivingen. Het historisch landgebruik op de hogere zandgronden, en zeker ook op de Veluwe, had daarbij tot in de 20ste eeuw het karakter van roofbouw. Dit gold zowel in het heidelandschap door plaggen, maaien en periodieke overbegrazing, als in bossen door hakhoutcultuur. Als gevolg van het historische beheer alsmede de regelmatig hoge begrazingsdruk zijn tevens eeuwenlang soorten met relatief zuur, slecht verteerbaar strooisel bevoordeeld. In de bossen op de Veluwe vindt daardoor van nature uitspoeling van nutriënten en een ophoping van strooisel plaats. De huidige hoge stikstofdepositie en de historische zwaveldepositie hebben deze processen echter sterk versneld met als gevolg een versnelde uitspoeling van nutriënten (m.n. calcium, magnesium en kalium), een dalende bodem-pH en hoge concentraties van het giftige aluminium. Dit zorgt ervoor dat plantensoorten die resistent zijn tegen dergelijke zure, rijkere omstandigheden zoals bijvoorbeeld pijpenstrootje en braam gaan overheersen. Minder concurrentiekrachtige soorten uit armere milieus met een meer neutrale pH komen onder
35
Ontwerp-herstelprogramma Bossen | Natura 2000 Veluwe | Januari 2023
druk te staan en zullen in sommige gevallen verdwijnen, bijvoorbeeld in bosranden en -zomen. Voorbeelden hiervan zijn berghertshooi, kielmos, klein schoffelmos en knollathyrus. Deels worden ook soortspecifieke maatregelen voor deze soorten uitgevoerd in het kader van het actieve soortenbeschermingsbeleid (zie § 2.2.10) Verzuring van de bodem door stikstofdepositie heeft in de bossen op de Veluwe daarnaast een negatief effect op het bodemleven en de strooiselvertering. Het resultaat is een versnelling van het natuurlijke proces van strooiselophoping. Typische bosplanten verdwijnen doordat stapeling van slecht afbreekbaar strooisel leidt tot verstikking (Bron: Bobbink et al., 2017). Verzuring en versterkte strooiselophoping hebben daarnaast ook tot gevolg dat mycorrhiza-vormende paddenstoelen in aandeel teruglopen en dat de soortensamenstelling van de aanwezige padden-stoelen verandert (Bron: Weeda et al., 2005; Arnolds & Veerkamp, 2008; Van der Linde et al., 2018). Voor duurzaam bodemherstel zal in ieder geval de huidige stikstofdepositie omlaag moeten, maar daarmee is de historische verzuring niet opgelost. Een effectieve bodemherstelmaatregel is echter niet voorhanden (zie ook § 5.3 Kennisleemten). Tot slot beperkt verzuring zich niet alleen tot de bodem.
Ook het perspectief voor de vele karakteristieke en deels vrijwel tot de Veluwe beperkte epifytische korstmossen is onzeker, doordat de schors van jonge beuken snel verzuurt en vermest. Hierdoor verdwijnt het geschikte habitat voor deze unieke korstmosvegetaties (Bron: Bijlsma et al., 2022).
Effecten op fauna Naast de effecten op planten, kan verzuring van de bodem ook de fauna beïnvloeden. Door uitspoeling van nutriënten ontstaan tekorten van deze nutriënten in de bovenste bodemlagen. Vooral door het tekort aan calcium verdwijnen in sterk verzuurde bodems huisjesslakken, pissebedden en miljoenpoten. Insecten leveren in die omstandigheden te weinig calcium, waardoor eischalen van zangvogels, die van deze prooien afhankelijk zijn, dunner zijn en het broedsucces aanzienlijk afneemt, zeker daar waar geen andere kalkbronnen voorhanden zijn. Dit verschijnsel is op de Veluwe aangetoond voor de koolmees, maar speelt waarschijnlijk ook voor andere vogels in deze verzuurde ecosystemen (Bron: Graveland et al., 1994). Bodemverzuring zorgt er daarnaast voor dat de voedselkwaliteit van bladeren sterk afneemt doordat nutriëntentekorten optreden. Dat is op de Veluwe inmiddels vastgesteld binnen de oude eikenbossen (H9190), maar ook binnen de beter gebufferde beuken-eikenbossen met hulst (H9120) (Bron: Bobbink et al., 2022). Voor sperwers in voedselarme bossen werden verschillende gezondheidseffecten gevonden. De oorzaak was een mineralentekort in eikenbladeren (als gevolg van bodemverzuring), waardoor een specifiek eiwit ontbrak dat vitamine B2 in rupsen kan vervoeren en opslaan.
Hoewel hiervan geen effecten werden vastgesteld bij de rupsen die de bladeren eten en bij de (relatief kortlevende) koolmezen, die voornamelijk op deze rupsen foerageren, trad bij de langlevende sperwer een vitamine B2-tekort op. Dit uitte zich in een sterke afname van borstspierweefsel, lage gehaltes van vitamine B2 in eieren en daaraan gekoppelde fatale embryonale afwijkingen. Mogelijk speelt dit ook bij andere langlevende vogelsoorten een rol (Bron: Van den Burg, 2000). Tot slot zorgt bodemverzuring, en verruigging en vergrassing van de kruidlaag als gevolg van vermesting, ervoor dat steeds minder nectarplanten aanwezig zijn in het landschap. Hierdoor komt de voedselbeschikbaarheid voor insecten onder druk te staan. Dit is één van de belangrijkste redenen van de achteruitgang van insecten op de Veluwe (Bron: O.a. Barendregt et al., 2022). Deze insecten zijn de basis van het voedselweb en de negatieve trend in hun voorkomen zorgt voor verschillende soorten voor knelpunten ten aanzien van voedselbeschikbaarheid. Dit speelt onder andere bij VHR-soorten tapuit, boomleeuwerik, draaihals en
36
Ontwerp-herstelprogramma Bossen | Natura 2000 Veluwe | Januari 2023
wespendief (Bron: Nijssen et al., 2019), maar ook bij andere soorten(groepen). Ook zorgt verruigging en vergrassing van de kruidlaag ervoor dat de kwaliteit van het foerageer- en voorplantingsbiotoop voor fauna verslechtert. Dit geldt bijvoorbeeld voor bosparelmoervlinder (prioritaire soort uit het Gelderse soortenbeleid) en de draaihals en zwarte specht (VHR-soorten).
Toenemende gevoeligheid klimaatverandering Als gevolg van stikstofdepositie en de daarmee gepaard gaande bodemverzuring hebben boom- en plantensoorten een toegenomen gevoeligheid voor secundaire stressfactoren, zoals schimmelinfecties en insectenplagen en voor vorst- of droogteschade (Bron: Bobbink et al., 2017). Deze stressfactoren zullen als gevolg van klimaatverandering veel vaker en intensiever gaan voorkomen. Door de (historische) stikstofdepositie zijn de bossen op de Veluwe dus minder bestendig tegen klimaatverandering (zie ook §5.1.6 Klimaatverandering en toenemende droogte).
5.1.2
Verlies aan ruimtelijke samenhang en versnippering De Veluwe bestaat voor ruim 64.000 hectare uit bos. Daarmee is de Veluwe het grootste aaneengesloten bosgebied van Nederland. Toch spelen ook binnen de bossen op de Veluwe en voor de soorten afhankelijk van deze bossen problemen als gevolg van versnippering en verlies van ruimtelijke samenhang.
Versnippering oude inheemse loofboskernen 30% van het bos op de Veluwe staat op oude bosgroeiplaatsen (bebost < ca. 1850), hiervan bestaat nog slechts 30% uit inheems loofbos (Bron: Bijlsma et al., 2010). Deze resterende loofbossen zijn de beschermde habitatbossen: beuken-eikenbossen met hulst (H9120) en oude eikenbossen (H9190). Deze oude bosrelicten liggen niet bijeen in robuuste eenheden, maar liggen versnipperd binnen de oude bosgroeiplaatsen (zie kaarten in bijlage 2). Hierdoor bevinden zich praktisch geen aaneengesloten oppervlakten inheems loofbos van ecologisch relevante omvang op de Veluwe (Bron: Bijlsma et al., 2022). Voldoende omvang van deze bossen is echter van groot belang om alle bosontwikkelingsfasen en de daarbij behorende structuren en ecologische processen, in ruimte en tijd, duurzaam te kunnen ontwikkelen en behouden (Bron: Koop & van der Werf, 1995 ). Continue aanwezigheid van alle bosontwikkelingsfasen op de schaal van het boslandschap is essentieel om alle populaties van soorten van oude loofbossen duurzaam in stand te kunnen houden. Voorbeelden van deze bosontwikkelingsfasen zijn bijvoorbeeld tijdelijke open plekken met windworpkluiten en zonbeschenen dood hout of oude bosdelen met grote hoeveelheden dikke, oude, aftakelende en dode bomen.
De oude loofbossen zijn tot slot tevens de belangrijkste en meest robuuste bosgebieden op de Veluwe waar nog populaties van autochtone bomen en struiken voorkomen (Bron: Maes et al., 2021). Door versnippering zijn deze populaties vaak sterk geïsoleerd. Door de toegenomen randeffecten in de snippers loofbos vindt daarnaast binnen deze bossen veel inwaai van (uitheemse) verjonging van buiten de oudbosrelicten plaats. Hierdoor wordt de verjongingsruimte in deze bossen voor een groot deel ingenomen door bomen en struiken van uitheemse soorten en wordt verjonging en de daarmee gepaarde duurzame instandhouding van de autochtone boom- en struikpopulaties belemmerd. Geslaagde verjonging is tevens afhankelijk van de aanwezigheid van voldoende open ruimte en van een voldoende lage graasdruk zie hiervoor §5.1.5 Wilde hoefdieren.
37
Ontwerp-herstelprogramma Bossen | Natura 2000 Veluwe | Januari 2023
Versnippering van leefgebied Hoewel de Veluwe voor het grootste deel uit bos bestaat, zijn niet al deze bossen ook daadwerkelijk geschikt leefgebied voor alle bossoorten. Bijvoorbeeld voor de VHR-soort zwarte specht zijn o.a. grote aaneengesloten bosgebieden met een hoog aandeel grove den of fijnspar, zonbeschenen open plekken en ruimschoots aanwezig liggend en staand dood hout noodzakelijk (Bron: Bijlsma & Janssen, 2021). Wanneer deze aspecten over grotere oppervlakten afwezig zijn zal dit het leefgebied voor zwarte specht versnipperen. Hetzelfde geldt voor VHR-soort vliegend hert waarvoor o.a. continu, in ruimte en tijd, voldoende dode en kwijnende eiken in bosranden en op zonnige open plekken aanwezig dienen te zijn op een maximale afstand van ca. 200 meter. Ook zijn voldoende lange en brede houtwallen met eiken in open (eng)gebieden van belang voor vliegend hert (Bron: Smit, 2021; Smit & Krekels, 2018). In welke mate leefgebiedversnippering een knelpunt is en welke maatregelen hiervoor noodzakelijk zijn is onvoldoende in beeld. Tevens is onvoldoende duidelijk of dit ook speelt voor andere prioritaire soorten van bos (zie ook § 5.3 Kennisleemten).
Afname landschappelijke samenhang Het aandeel bos op de Veluwe is de afgelopen eeuw enorm toegenomen. Daardoor is logischerwijs ook het areaal leefgebied voor veel soorten van bos toegenomen, maar dit is in veel gevallen ook ten koste gegaan van de historische landschapsecologische samenhang. De Veluwe heeft eeuwenlang bestaan uit een landschap van cultuureilanden van dorpen, gehuchten en landgoederen met extensieve akkers, lokaal doorsneden door beekdalen met vochtige hooilanden te midden van het grootschalige heidelandschap met verspreid open strubbenen hakhoutbossen en enkele oude boombossen. Rondom deze historische dorpen en in de beekdalen liggen nu echter hoofdzakelijk intensief agrarisch gebruikte gronden en bebouwing. Voormalige historische landbouwenclaves rondom buurtschappen en op landgoederen zijn inmiddels vaak beplant met bos of ook in intensief agrarisch gebruik. Deze open, extensief gebruikte gronden zijn echter altijd van belang geweest als foerageergebied voor o.a. soorten van de naastliggende bossen. Dit belang is enkel toegenomen nu het nectaraanbod binnen het open heidelandschap en de bossen zo onder druk staat (Bron: Nijssen & Vogels, 2014).
De voedselrelaties tussen soorten van bos en naastliggende extensieve akkers en hooilanden kunnen direct zijn, zoals bij verscheidene zoogdieren en zangvogels (Bron: Vogels et al., 2013; Nijssen et al., 2019), maar ook indirect, zoals bij houtduiven die voedsel kunnen vinden op deze akkers, die op hun beurt weer als voedsel dienen voor bijvoorbeeld havik (Bron: Bijlsma R.G., 1993; Van Rijn, 2014) (met mogelijk verminderde predatiedruk op wespendief (Bron: Voskamp, 2000; Van Manen et al., 2011) of VHR-soort wespendief (Bron: Van Manen et al., 2011). Daarnaast komen te weinig akkers voor die gedurende het voortplantingsseizoen voedsel en leefgebied bieden aan o.a. insecten (Bron: Peeters et al., 2001), zoogdieren en vogels. Door het uitrasteren (zonder voorzieningen) van akkers om gewassen te beschermen tegen vraat- en woelschade, is er ook minder foerageergebied voor een soort als das (Bron: Vink & Schröder, 2021).
Loskoppeling van rijkere riviergronden voor grote hoefdieren De grote hoefdieren op de Veluwe zoals Edelhert en Wild zwijn kunnen niet migreren tussen de rijkere gebieden langs de Rijn of in de Gelderse Vallei. Regelmatige uitwisseling en/of seizoensmigratie tussen de hoge zandgronden en rijkere riviergronden door grote hoefdieren kan mogelijk bijdragen aan nutriëntentransport van de lagere riviergronden naar de armere delen op de Veluwe en aan het verminderen van de graas- en wroetdruk op de Veluwe (Bron: den Ouden et al. 2019). Momenteel is echter onvoldoende duidelijk welke bijdrage grote hoefdieren zouden kunnen leveren aan nutriëntentransport tussen de rijkere riviergronden en de hoge zandgronden. (zie ook § 5.3 Kennisleemten).
38
Ontwerp-herstelprogramma Bossen | Natura 2000 Veluwe | Januari 2023
5.1.3
Vervuiling met gebiedsvreemde stoffen Vervuiling door gebiedsvreemde stoffen komt in veel gevallen bovenop drukfactoren als bodemverzuring en klimaatverandering. Gebiedsvreemde stoffen worden vaak opgenomen door het bodemleven, kleine fauna en de vegetatie en verspreiden zich zo door het volledige voedselweb. De effecten en omvang van deze vervuiling en het handelingsperspectief in de context van de Veluwe verschilt sterk per stof.
Insecticiden De effecten van bestrijdingsmiddelen op onze natuurlijke leefomgeving worden steeds duidelijker. In het Natura 2000-beheerplan Veluwe (2018) is dit ook veelvuldig benoemd. Overmatig gebruik van insecticiden wordt beschouwd als één van de verklaringen achter de sterke achteruitgang van insecten, o.a. op de Veluwe (Bron: O.a. Barendregt et al., 2022). Recent onderzoek in Finland heeft uitgewezen dat het bloed van volwassen en nestjonge wespendieven neonicotinoïden (zaadbeschermingsmiddelen) kan bevatten (Bron: Byholm et al., 2018). Omdat wespendieven in toenemende mate, als gevolg van de afname van wespen op de Veluwe (m.n. Duitse wesp), ook in agrarisch gebied zoeken naar nesten van sociaal levende wespen, is dat risico ook op de Veluwe aanwezig. De magere wespenjaren op de Veluwe zijn de belangrijkste reden voor de aantalsafname en afname van het broedsucces van wespendief op de Veluwe (Bron: Bijlsma & van Manen, 2021; Bijlsma 2019). Wat de oorzaken hiervan exact zijn is onvoldoende bekend (zie ook § 5.3 Kennisleemten).
Additieven in bluswater Omdat het zomerseizoen door klimaatverandering warmer en droger wordt, neemt de kans op het optreden van natuurbranden toe. Dat betekent dat blusadditieven op kleine schaal mogelijk vaker worden toegepast (Bron: Vogels et al., 2015). Globaal genomen zijn er drie typen additieven voor de bestrijding van natuurbranden: schuimvormende middelen, gelvormende middelen en geconcentreerde zoutmengsels, meestal bestaand uit verschillende ammoniumfosfaat-verbindingen. De werkzame stoffen in de additieven binnen deze hoofdgroepen zijn onderzocht op de potentiële ecologische effecten (Bron: Vogels et al., 2015). Daarop is het gebruik van additieven met ammoniumfosfaat-verbindingen afgeraden in Natura 2000-gebieden, onder meer omdat de concentraties ammonium, nitraat en fosfaat in de bodem toenemen. Gelvormende middelen hebben door invloed op microbiële processen in de bodem mogelijk negatieve gevolgen voor het functioneren van ecosystemen op de langere termijn. Schuimvormende middelen veroorzaken meestal de minste milieuschade, maar zijn wel het meest toxisch voor aquatische organismen. Hierdoor moet instroom van grote hoeveelheden bluswater met additief in het oppervlaktewater voorkomen worden.
5.1.4
Beheer Nagenoeg het volledige bosoppervlak op de Veluwe wordt in enige mate beheerd. Dat kan zijn om de natuurkwaliteit van de bossen in stand te houden of te verbeteren of bijvoorbeeld ten behoeve van duurzame houtproductie, boomveiligheid of behoud van cultuurhistorische waarden. In sommige gevallen kunnen deze beheeractiviteiten knelpunten opleveren voor het behalen van de Natura 2000-doelen. In het beheerplan Natura 2000-Veluwe is opgenomen dat houtoogst in kwalificerend habitat schadelijk is. Onderstaande paragraaf is een verdere uitwerking van wat al (summier) in het beheerplan staat.
39
Ontwerp-herstelprogramma Bossen | Natura 2000 Veluwe | Januari 2023
Houtoogst in kwalificerend boshabitat In natuurlijke Europese laaglandbosecosystemen komen hoeveelheden dood hout voor tussen de 100-200 m3/ha (Bron: o.a. Wijdeven, 2006; Vanderkerkhove, 2005). Ook op de Veluwe komen deze hoeveelheden lokaal reeds voor (Bron: Nijssen et al., 2020). Voor duurzaam behoud van populaties van het grootste deel van de van dood hout afhankelijke soorten, is in Europese beuken- en eikenlaaglandbossen een minimale en stabiele doodhoutvoorraad op landschapsschaal nodig van ca. 30-50 m3/ha (Bron: Müller & Bütler, 2010). Voor de meest kritische soorten zijn lokaal echter zelfs hoeveelheden nodig ruim boven de 100 m3/ha (Bron: o.a. Bässler & Müller, 2010; Moning & Müller, 2008). Voor de beuken-eikenbossen met hulst (H9120) en oude eikenbossen (H9190) is vastgesteld dat op landschapsschaal minimaal 30 m3/ha noodzakelijk is voor een goede kwaliteit van het habitat (Bron: Bijlsma & Janssen, 2021). Deze criteria moeten niet gezien worden als een statisch doel voor de te bereiken omvang van de doodhoutvoorraad, maar als indicator voor het voldoende plaatsvinden van de processen van veroudering, natuurlijke aftakeling en afsterven van bomen en windworp.
Voor beide habittattypen op de Veluwe geldt dat de gewenste hoeveelheden dood hout nu niet gehaald worden en dat op bijna de helft van het kwalificerend bosoppervlak minder dan 15 m3/ha dood hout voorkomt (zie figuur 2 a en b). Voor het beuken-eikenbos met hulst geldt zelfs dat op bijna een kwart van het oppervlakte minder dan 1 m3/ha dood hout voorkomt (Bron: Oldenburger & Beerkens 2022). Een vergelijkbaar patroon is zichtbaar wanneer gekeken wordt naar het voorkomen van levende zeer dikke bomen binnen het boshabitat, dit blijkt structureel onvoldoende. Het aftakelings- en stervensproces van bomen duurt zonder ingrijpen vaak decennia, zeker bij dikke bomen. Door uitvoering van dunning, kap en afvoer van bomen en het opruimen van omgewaaide bomen en uitgescheurde kroondelen blijft in de bossen te weinig ruimte over voor voldoende natuurlijke aftakeling. Het is dus binnen de kwalificerende habitatbossen niet mogelijk om duurzaam tot de gewenste hoeveelheden van boven de 30 m3/ha op landschapsschaal te komen wanneer er binnen de bossen structureel geoogst wordt (Bron: Lachat et al). Afvoer van houtige biomassa draagt daarnaast bij aan bodemverzuring. Bij oogst worden nutrienten als calcium, magnesium en fosfor afgevoerd in plaats van dat deze ter beschikking komen voor de bosvegetatie (Bron: Kuehne et al., 2008; Johnson et al., 2014; Shortle & Smith, 2015).
Bij de afbraak van dood hout komt weliswaar ook stikstof beschikbaar, maar veel minder dan de bosvegetatie nodig heeft (Bron: Hart, 1999). Door hout te oogsten wordt dus weliswaar stikstof verwijderd, maar ook andere nutriënten worden mee afgevoerd, terwijl stikstof onverminderd neerslaat uit de atmosfeer. Dit beheer werkt dus verzuring in de hand. Vlak naast liggende dode stammen is de bodem daardoor aanzienlijk minder zuur en arm dan meters verder (Bron: De Keersmaeker et al., 2017; Dhiedt et al., 2019). Dood hout kan tevens gunstig kan zijn voor het kiemsucces van bosverjonging (Bron: Vodde et al., 2011). Hoge hoeveelheden liggende stammen, inclusief boomkronen verhogen daarbij het vestigingssucces van bosverjonging omdat grazers minder toegang tot de zaailingen hebben. Dit effect is sterker bij aanwezigheid van de wolf (Bron: van Ginkel et al., 2019).
40
Ontwerp-herstelprogramma Bossen | Natura 2000 Veluwe | Januari 2023
Figuur 2. Gemiddelde voorraad dood hout in de boshabitats en daarbuiten op de Veluwe (a) en spreiding van de doodhoutvoorraad over de steekproefpunten binnen de boshabitats en daarbuiten op de Veluwe (b). Uitbijters zijn niet weergegeven, maar wel meegenomen bij het bepalen van de mediaan. De lichtgroene zone is ‘voldoende’ en donkergroen is ‘goed’ volgens het ecologisch beoordelingskader voor doelbereik in Natura 2000-gebieden (Bron: Bijlsma et al., 2020). Gegevens komen uit de verzamelde Woodstock en Sihy-inventarisaties van Silve en Probos over de periode 2011-2021 (n = 10.791). De gegevens betreffen de eigendommen van de grotere terreinbeherende organisaties (m.u.v. Defensie en Natuurmonumenten) en verscheidene gemeentes en grotere particulieren.
Houtoogst en houtproductie buiten het kwalificerend habitat en de beoogde uitbreidingsgebieden voor kwalificerend habitat (zie §6.2 Herstelaatregelen) vormen in beginsel geen knelpunt voor Natura 2000doelbereik. Voor de duurzame instandhouding van populaties van vliegend hert en zwarte specht lijken de huidige hoeveelheden dood hout op de Veluwe niet systematisch ontoereikend, hoewel mogelijk door lokaal lage hoeveelheden dood hout wel versnippering van leefgebied kan optreden (zie ook § 5.1.2 Verlies aan ruimtelijke samenhang en versnippering). De hoeveelheid dood hout, zowel in natuurbossen (SNL N15) als in multifunctionele bossen (SNL N16), neemt echter al decennia gestaag toe (Bron: Oldenburger & Beerkens 2022). De structuurvariatie die ontstaat als gevolg van houtoogst (o.a. meer open bossen en kleinschalige kapvlaktes <0,5 ha) in de veelal veel jongere bossen buiten het kwalificerend habitat kan – onder de juiste randvoorwaarden – bijdragen aan de kwaliteit van het leefgebied van de VHR-soorten boomleeuwerik, draaihals, nachtzwaluw, vliegend hert, wespendief en zwarte specht. Ook licht- en warmteminnende flora en kleine fauna (o.a. bosmieren) kunnen onder de juiste voorwaarden profiteren van zorgvuldig uitgevoerde houtoogst. Boomveiligheidsbeheer De bossen op de Veluwe worden drukbezocht door recreanten.
Boseigenaren dienen zorgvuldig om te gaan met de eventuele veiligheidsrisico’s voor deze recreanten, onder andere ten aanzien van boomveiligheid. Om ongelukken te voorkomen en om eventuele aansprakelijkheid te kunnen weerleggen wanneer iemand onverhoopt toch schade oploopt als gevolg van omvallende bomen of vallende takken, voeren boseigenaren boomveiligheidsmaatregelen uit. Maatregelen gericht op het borgen van de boomveiligheid bestaan bijvoorbeeld uit het wegsnoeien van dode en instabiele takken in boomkronen, het vellen van instabiele, kwijnende of staande dode bomen nabij paden of het afsluiten of verleggen van paden. Omdat de kosten van snoeien hoog zijn worden staande dode en aftakelende of niet-vitale bomen langs wegen en paden in veel gevallen direct geveld.
41
Ontwerp-herstelprogramma Bossen | Natura 2000 Veluwe | Januari 2023
Het aftakelings- en stervensproces van bomen duurt zonder ingrijpen echter vaak decennia, zeker bij dikke bomen. (Dikke) aftakelende en staande dode bomen zijn essentieel voor de VHR-soorten draaihals, vliegend hert en zwarte specht (Bron: Nijssen et al., 2019; Smit, 2021). Verschillende schimmels, (korst)mossen, insecten, vogels en zoogdieren zijn daarnaast afhankelijk van kwijnende en aftakelende bomen en van staand dood hout. De meer specialistische soorten binnen deze soortengroepen zijn daarbij vaak specifiek afhankelijk van korte stadia binnen het langjarige proces van aftakeling en vertering (Bron: Nijssen et al., 2020; Wijdeven, 2006). Om ook de populaties van deze kritische soorten duurzaam in stand te kunnen houden dient op landschapsschaal het volledige proces van aftakeling en vertering, óók van staande bomen, in voldoende mate plaats te vinden. Dit is een essentieel aspect van de kwaliteit van de habitatbossen beuken-eikenbossen met hulst (H9120) en oude eikenbossen (H9190) (Bron: Bijlsma & Janssen, 2021). Door het vellen van bomen als boomveiligheidsmaatregel worden alle subtiele aftakelingsfasen tot het volledige boomsterven echter overgeslagen en rest er, in het beste geval, een liggende dode boom.
Gezien de hoge padendichtheid op de Veluwe worden over grote oppervlakten en structureel een groot deel van deze (potentieel) waardevolle staande oude, aftakelende en dode bomen verwijderd. Dit is een serieus knelpunt voor alle soorten afhankelijk van deze waardevolle boomhabitats. Specifiek voor VHR-soort vliegend hert geldt dat juist aftakelende eiken in zonnige bosranden, bijvoorbeeld langs paden, essentieel zijn voor duurzame instandhouding van de populatie (Bron: Smits & Krekels, 2008).
Bosreservaat met veel dood hout (fotografie: Els Branderhorst/Buiten-Beeld)
Laanbeheer Binnen de oude landgoederen en buitenplaatsen op de Veluwe liggen veel uitgebreide laanstructuren. In enkele gevallen zijn deze aangewezen als rijksmonument. Deze lanen zijn veelal structureel bevoordeeld ten opzichte van het naastliggende bos door middel van dunningen en zijn in veel gevallen ouder dan het naastliggende bos. Daardoor zijn de laanbomen vaak de dikste loofbomen in de omgeving en vormen daarmee tevens een belangrijk leefgebied voor vleermuizen en andere zoogdieren, holenbroeders en paddenstoelen. Vanuit cultuurhistorisch oogpunt is het gewenst om de structuur van de lanen eenvormig te houden en is grootschalige uitval en aftakeling van laanbomen ongewenst. Daarnaast lopen er altijd paden door de lanen waardoor boomveiligheid een belangrijk aandachtspunt is. Wanneer er dus op enige schaal aftakeling van laanbomen plaatsvindt zullen beheerders in veel gevallen overgaan op kap en herplant van de laan om de historische laanstructuur te behouden voor de toekomst.
42
Ontwerp-herstelprogramma Bossen | Natura 2000 Veluwe | Januari 2023
Om te komen tot een eenvormig laanbeeld in de toekomst zal kap vaak moeten plaatsvinden op enige schaal. Verjongingskap van lanen verhindert daarmee echter de natuurlijke aftakeling en sterfte van de laanbomen, terwijl deze (dikke) aftakelende en staande dode bomen van groot ecologisch belang zijn (zie tevens Boomveiligheid hierboven). Door het lijnvormige karakter van lanen kunnen aftakelende lanen tevens een belangrijke verbindende functie hebben binnen het boslandschap voor soorten van dikke aftakelende bomen en dik staand dood hout. Oude, dikke, aftakelende bomen zijn een belangrijk aspect van de kwaliteit van de habitatbossen beuken-eikenbossen met hulst (H9120) en oude eikenbossen (H9190) (Bron: Bijlsma & Janssen, 2021).
Berijden van de bosbodem Het berijden van de bosbodem leidt tot bodemverdichting. Door het berijden worden bodemdeeltjes samengedrukt, waardoor het aandeel lucht en water in de bodem afneemt. Tevens verandert de bodemstructuur waardoor infiltratie van hemelwater en gasuitwisseling tussen bodem en atmosfeer wordt belemmerd. Hierdoor ontstaan plassen en langer met water verzadigde bodems. Door de beperkte gasuitwisseling tussen bodem en atmosfeer bouwt daarnaast het CO2-gehalte in de bodem op en neemt het zuurstofgehalte af. Dit heeft effecten op de aanwezige bodemfauna en beperkt de mogelijkheden voor bomen en planten om te kiemen in de bovengrond (Bron: O.a. Ampoorter, 2011) . Het natuurlijk herstel van verdichte bodems is een proces dat minimaal enkele decennia in beslag neemt. Enkele studies komen zelfs tot de conclusie dat volledig herstel van de bodem na verdichting niet mogelijk is (Bron: Ampoorter et al., 2008). Wanneer er binnen een bosopstand tevens structureel hout wordt geoogst met rijdend materieel wordt bodemherstel nog hardnekkiger. Aangezien de natuurlijke herstelperiode over het algemeen langer is dan de periode tussen twee dunningen, zullen de effecten van het rijden op de bodem hier opstapelen en zal tussentijds geen herstel kunnen plaatsvinden.
De intensiteit waarmee de bodem wordt bereden is van belang voor de mate waarin bodemverdichting optreedt, hoe vaker een bodem bereden wordt hoe groter de bodemverdichting. Bij de eerste passage van een machine treedt echter reeds ca. 60% van de potentiële verdichting op (Bron: Ampoorter et al., 2008). Met andere woorden: na één passage is het grootste kwaad reeds geschied. Gecombineerd met het trage herstel van verdichte bodems betekent dit dat, wanneer er over een aantal decennia meermaals gereden wordt, de bosbodem over grote oppervlaktes verdicht zal zijn.
Bodembewerking Grootschalige, vlaktegewijze bodembewerking op kapvlaktes leidt veelal tot een afname van dood hout en tot het verdwijnen van potentiële nestlocaties voor o.a. mieren en wespen. Omdat door bodembewerking versneld bosverjonging optreedt zal de open ruimte maar minimaal functioneren als tijdelijk habitat voor licht- en warmteminnende soorten en voor nectarplanten. Specifiek op oude bosbodems heeft bodembewerking daarnaast ook sterk negatieve effecten op de bodemkwaliteit. Oude bosbodems hebben een zeer uitgebreide en diverse bodemfauna. In de loop van de tijd kan daarnaast een dik ectorganisch humuspakket ontstaan (‘H-laag’). Deze bevat een waardevol en bijzonder zeldzaam bodemarchief van o.a. pollen en koolstof (Bron: Smeenge et al., 2021). Daarnaast fungeren deze humusprofielen als voorraadkasten voor basische nutriënten (Bron: Bijlsma et al., 2020). Door bodembewerking wordt het opgebouwde humusprofiel sterk verstoord of zelfs volledig tenietgedaan, waardoor het aanwezige bodemvoedselweb zeer sterk wordt aangetast (Bron: Den Ouden & Mohren, 2020).
43
Experimentele bodemherstelmaatregelen Binnen alle bodemtypen op de Veluwe spelen problemen met bodemverzuring, nutriëntenonbalans en het vrijkomen van toxisch aluminium als gevolg van een lange periode van te hoge stikstofdepositie (Bron: Kieskamp & Smeenge, 2021). Voor duurzaam bodemherstel zal in ieder geval de huidige stikstofdepositie
Ontwerp-herstelprogramma Bossen | Natura 2000 Veluwe | Januari 2023
omlaag moeten, maar daarmee is de historische verzuring niet opgelost. Een effectieve bodemherstelmaatregel is echter niet voorhanden (Bron: Bobbink et al., 2022) (zie ook § 5.3 Kennisleemten). Steenmeeltoediening is mogelijk een geschikte herstelmaatregel, maar de effectiviteit hiervan voor bodemherstel in bossen is nog onzeker en ongewenste neveneffecten zijn denkbaar, zeker in oude bossen met dikke humusprofielen (zie ook Bodembewerking hierboven).
Aanplant van uitheemse en niet-autochtone herkomsten in kwalificerend boshabitat De kwalificerende boshabitats op de Veluwe vormen in veel gevallen belangrijke relicten van populaties van autochtone bomen en struiken (Bron:Rövekamp & Maes, 2002). Deze populaties zijn een belangrijk onderdeel van de Veluwse biodiversiteit en moeten daarom beschermd worden. Autochtone bomen en struiken zijn van groot belang voor het functioneren van onze (bos)ecosystemen. Iedere boom- of struiksoort kent tal van organismen die met deze soort geassocieerd zijn. De juiste autochtone genetische achtergrond is in veel gevallen essentieel bij deze subtiele ecologische relaties. Het tijdstip van uitlopen van autochtone bomen of struiken loopt bijvoorbeeld vaak synchroon met het uitkomen van eitjes van onze inheemse vlinders. Een inheemse boom- of struiksoort waarvan het zaad uit Zuidoost-Europa komt, kan weken vroeger uitlopen waardoor de jonge rups het geschikte jonge bladstadium misloopt (Bron: Van Kemenade et al., 2021). Ook de verschillen in de bloeiperiode van veel autochtone bomen en struiken zijn van belang voor bloemzoekende insecten om continu voldoende nectar te kunnen vinden.
Bescherming en duurzaam behoud van populaties van autochtone bomen en struiken van voldoende omvang is ook van belang om te zorgen dat deze soorten, en daarmee de oude loofbossen die door deze soorten gevormd worden, hun evolutionair potentieel behouden. Autochtone bomen en struiken op de Veluwe zijn al eeuwen aangepast aan het grillige klimaat en de veelal droge groeiplaatsomstandigheden op de Veluwe. Daarnaast bezitten ze een veel grotere genetische variatie dan gangbaar plantgoed waarmee het grootste deel van de Veluwe de afgelopen 150 jaar is bebost. Gangbaar plantgoed is doorgaans verkregen door selectie en doorkweken van specifieke herkomsten, vaak op basis van houtteeltkundige kwaliteiten, en heeft daardoor een veel kleinere genetische bandbreedte dan autochtone bomen en struiken. Hierdoor zijn autochtone bomen en struiken waarschijnlijk veel beter in staat om veranderingen in klimaat, veranderingen van de standplaats, nieuwe ziekten en nog onbekende milieuproblemen in de toekomst op te vangen. Een populatie die een brede genetische basis bezit én goed is aangepast aan de lokale omstandigheden heeft een grotere kans om zich aan te passen aan veranderende (klimatologische) omstandigheden (Bron: Van Kemenade & Maes, 2019). Hiervoor is het wel van belang dat deze populaties ook in voldoende omvang aanwezig zijn (Bron: Buiteveld & Copini, 2019; Ministerie van LNV, 2021).