CConstaterende datNunspeet
Koppel je AI →
Document · PDF

St. t.k.n. nr. 3. Bijlage Herstelprogramma Bossen GS mei 2023

Commissie Ruimte en Wonen 9 oktober 2023, gemeente NunspeetBij agendapunt: Zienswijze op ontwerp-Veluwse herstelprogramma's 'Bossen', 'Heiden en Stuifzanden' en 'Vennen en venen'40.996 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 5

Effectieve bosbodemherstelmaatregelen In zowel de habitatbossen op de Veluwe als in de bossen die het leefgebied vormen voor zwarte specht, wespendief en vliegend hert is verregaande bodemverzuring vastgesteld (Bron: Bobbink et al., 2022; Smeenge et al., 2021). Voor effectief bodemherstel zijn meerdere herstelmaatregelen denkbaar afhankelijk van bodemkenmerken, humusopbouw, bodemleven, bossamenstelling, hydrologie en plek in het landschap (Bron: Smeenge et al., 2021). Momenteel is nog onvoldoende in beeld welke maatregelen waar potentieel (no-regret) mogelijk zijn. Daarbij komt dat onvoldoende scherp is wanneer we, buiten de boshabitats, de bosbodem als hersteld beschouwen en of volledig herstel in alle gevallen ook mogelijk zal zijn (bijlage 7, Mbo 50a).

Effectiviteit en wenselijkheid van steenmeeltoepassing in beuken-eikenbossen (H9120) Steenmeeltoediening wordt gezien als no-regret maatregel (Bron: Van Diggelen et al., 2019) tegen bodemverzuring, maar over effectiviteit in bossen is nog weinig bekend. In de schaarse bossen met oude bodems met dikke humusprofielen zijn ongewenste neveneffecten goed denkbaar (Bron: Smeenge et al., 2021) en is grootschalige toediening van meststoffen vooralsnog ongewenst. Binnen de oude eikenbossen (H9190) vindt inmiddels uitgebreid onderzoek plaats naar de effectiviteit en mogelijk ongewenste neveneffecten van steenmeeltoepassing (bijlage 7, Mbo50c). Deze resultaten zijn echter niet goed te vertalen naar de rijkere beuken-eikenbossen met hulst (H9120). Deze bossen komen doorgaans voor op beter gebufferde bodems (hoewel hier ook reeds verminderde buffercapaciteit is vastgesteld (Bron: Smeenge et al. 2021) met een uitgebreide en diverse bodemfauna. De bossen hebben dikke humusprofielen die van groot belang zijn voor de nutriëntenstatus en basenverzadiging van het bosecosysteem.

Het is onvoldoende duidelijk wat de effecten en doelmatigheid van steenmeeltoepassing in deze habitatbossen zijn en of aanvullende maatregelen, zoals inbrengen en/of bevoordelen van soorten met basenrijk strooisel, de effectiviteit en duurzaamheid van de effecten van steenmeeltoepassing kunnen vergroten (Bron: Hommel et al., 2020) (bijlage 7, Mbo 50b).

63

Herstelprogramma Bossen | Natura 2000 Veluwe | Mei 2023

Rol van grote hoefdieren in landschapsbrede nutriëntenstromen en effectiviteit van aankoppelen van rijke riviergronden ten behoeve van nutriëntentransport door grote hoefdieren Het is onvoldoende duidelijk welke rol grote hoefdieren spelen binnen de nutriëntenstromen op landschapsschaal. Een deel van de wilde hoefdieren wordt na het sterven afgevoerd als onderdeel van het faunabeheer. Hiermee worden ook nutriënten en zeldzame sporenelementen afgevoerd, die anders onderdeel zouden blijven van het ecosysteem. Het is onvoldoende duidelijk welke effecten dit heeft op de nutriëntenbalans van de Veluwe o.a. in relatie tot doorgaande bodemverzuring en welke effecten het laten liggen van karkassen van hoofddieren heeft op de nutriëntenbalans. Het (deels) achterlaten van karkassen zou mogelijk bij kunnen dragen aan het verzachten en herstellen van de gevolgen van bodemverzuring. Mogelijk zou deze bijdrage daarbij groter zijn wanneer ook uitwisseling door hoefdieren tussen de rijke riviergronden en arme zandgronden zou kunnen plaatsvinden. Zo zouden aanvullende nutriënten aan het Veluwe-systeem worden toegevoegd (bijlage 7, Mbo50d).

5.3.2

Duurzaamheid steenmeel Steenmeel is mogelijk een belangrijk onderdeel van duurzaam bodemherstel op de hoge zandgronden. Steenmeel is vaak een bijproduct van de winning van andere natuursteen, maar kan ook het hoofdproduct zijn. Dit brengt ethische vraagstukken met zich mee, bijvoorbeeld: hoeveel negatieve milieueffecten elders vinden wij acceptabel om onze kwetsbare en unieke natuur op de Veluwe te herstellen? Momenteel is hiervoor geen bruikbaar afwegingskader beschikbaar. Deze vraag moet niet op de schaal van de Veluwe gesteld worden, maar minstens op de schaal van het gehele Nederlandse arme zandlandschap (bijlage 7, Mbo51).

5.3.3

Versnippering van leefgebied zwarte specht en vliegend hert Hoewel de Veluwe voor het grootste deel uit bos bestaat, zijn niet al deze bossen ook daadwerkelijk geschikt leefgebied voor alle bossoorten. Bijvoorbeeld voor VHR-soort zwarte specht zijn o.a. grote aaneengesloten bosgebieden met een hoog aandeel grove den of fijnspar, zonbeschenen open plekken en ruimschoots liggend en staand dood hout noodzakelijk (Bron: Bijlsma & Janssen, 2021). Wanneer deze aspecten over grotere oppervlakten afwezig zijn zal het leefgebied voor zwarte specht versnipperen. Hetzelfde geldt voor VHR-soort vliegend hert waarvoor o.a., in ruimte en tijd, voldoende dode en kwijnende eiken in bosranden en open plekken aanwezig dienen te zijn (Bron: Smit, 2021). Ook zijn voldoende lange en brede houtwallen met eiken in open (eng)gebieden van belang voor vliegend hert. Of en in welke mate leefgebiedsversnippering een knelpunt is op de Veluwe is onvoldoende in beeld (bijlage 7, Mb052a en Mbo52b).

5.3.4

Afname van wespen in relatie tot broedsucces van de wespendief De magere wespenjaren op de Veluwe zijn waarschijnlijk één van de belangrijkste reden voor de afname van het broedsucces van wespendief op de Veluwe (Bron: Bijlsma & van Manen, 2021; Bijlsma, 2019). Wat de exacte oorzaken van de lage wespendichtheden zijn is echter onvoldoende bekend. Waarschijnlijk is de afname van prooidieren (insecten) voor de verschillende wespen een belangrijke reden. Bodemverzuring en verruigging en vergrassing van de kruidlaag, als gevolg van vermesting, zorgen ervoor dat steeds minder nectarplanten aanwezig zijn in het landschap.

64

Herstelprogramma Bossen | Natura 2000 Veluwe | Mei 2023

Hierdoor komt de voedselbeschikbaarheid voor insecten onder druk te staan. Ook zou het kunnen dat insecticiden een rol spelen. Meer onderzoek is nodig om de achteruitgang van wespensoorten, en daarmee de wespendief, op de Veluwe te kunnen verklaren en effectieve herstelmaatregelen te formuleren (bijlage 7, Mbo53).

5.3.5

Staat van instandhouding kenmerkende en karakteristieke soorten De kwaliteit van habitattypen wordt niet alleen bepaald door de aanwezigheid van niet bij de aanwezigheid van een bepaalde vegetatie. Een goede kwaliteit wordt ook bepaald door het voorkomen van kenmerkende en karakteristieke soorten. Voor enkele soorten, zoals de bosparelmoervlinder, zijn onderzoeken, maatregelen en herstelplannen geformuleerd en deels uitgevoerd, onder meer gestimuleerd door de Actieve soortenbescherming Gelderland. Op dit moment is echter nog onvoldoende in beeld: • voor welke typische en karakteristieke soorten de Veluwe nu hoofdzakelijk een leefgebied vormt, en in hoeverre de soorten bedreigd worden in hun duurzame instandhouding; • in hoeverre de nadere monitoring van soorten noodzakelijk is, en of in beeld is of de soorten nog vitale, levensvatbare populaties hebben; • in hoeverre ze kwetsbaar zijn voor toekomstige effecten van bijvoorbeeld klimaatverandering; • voor welke soorten naast habitatherstel aanvullende maatregelen, zoals kweek, bijplaatsen en uitzaaien, nodig zijn om de soorten duurzaam voor de Veluwse bossen te behouden (bijlage 7, Mbo55).

5.3.6

Aanwezigheid en abundantie karakteristieke soortgroepen van oude loofbossen In en rondom de habitatbossen op de Veluwe komen bijzondere soorten voor die nergens anders voorkomen in het Nederlandse bos. Dit betreffen onder meer verschillende mossen, korstmossen, kevers, mieren en paddenstoelen (Bron: Herk et al., 2000; Nijssen et al., 2020; Bijlsma et al., 2009). Deze soortgroepen zijn maar beperkt vertegenwoordigd binnen de verschillende landelijke en provinciale monitoringsprogramma’s. Bij het opstellen van het herstelprogramma is meermaals gebleken dat voor deze groepen maar beperkt data voorhanden zijn. Deze soorten geven echter in hoge mate weer waar de natuurkwaliteit binnen de habitatbossen hoog is. Tevens zijn deze soorten gevoelig voor lokaal uitsterven doordat ze vaak sterk honkvast en gespecialiseerd zijn. Onzorgvuldig beheer als gevolg van onvoldoende kennis over aanwezige soorten kan daardoor grote gevolgen hebben voor de duurzame instandhouding van lokale populaties.

Om deze karakteristieke soorten van oude loofbossen beter in beeld te krijgen dient te worden vastgesteld: • voor welke soorten en soortgroepen de oude loofbossen op de Veluwe een leefgebied vormen, en wat het landelijk belang van de Veluwe is voor deze soorten; • in hoeverre de nadere monitoring van soorten noodzakelijk is, en of in beeld is of de soorten nog vitale, levensvatbare populaties hebben (bijlage 7, Mbo56).

65

Herstelprogramma Bossen | Natura 2000 Veluwe | Mei 2023

Beukenwrat het Speulderbos (fotografie: Mark van Veen/Buiten-Beeld)

5.3.7

Grootschalige vitaliteitsproblemen van boomsoorten als gevolg van klimaatverandering Het is onvoldoende duidelijk voor welke boom- en struiksoorten en herkomsten van deze soorten ernstige vitaliteitsproblemen te verwachten zijn als gevolg van klimaatverandering (in combinatie met andere drukfactoren). Ook is onduidelijk welke effecten dit zou kunnen hebben op de duurzame instandhouding van de VHR-soorten en karakteristieke soorten van de boshabitats. Hierdoor ontbreken mogelijk noodzakelijke herstelmaatregelen (bijlage 7, Mbo57).

5.3.8

Continuïteit in bosverjonging door graas- en wroetdruk Er zijn momenteel onvoldoende structureel verzamelde data beschikbaar over verjongings- en vestigingssucces van verschillende boom- en struiksoorten in relatie tot graas- en wroetdruk en populatiedichtheden op de Veluwe. Zodoende kunnen ook geen eenduidige en systematisch evalueerbare criteria worden geformuleerd die in beeld brengen of bosverjonging voldoende continuïteit heeft om duurzame instandhouding en kwaliteitsverbetering te kunnen borgen. Deze criteria dienen niet alleen rekenschap te geven van de instandhouding van de bestaande boshabitats, maar tevens van kwaliteitsverbetering en uitbreiding van deze habitatbossen en van de klimaatbestendigheid en weerbaarheid tegen verdere bodemverzuring van zowel de habitatbossen als de bossen daarbuiten die het leefgebied vormen voor o.a. VHR-soorten vliegend hert, wespendief en zwarte specht. De criteria zijn bij voorkeur bruikbaar om de graasdruk op de Veluwe te lokaal en op landschapsschaal te kunnen beoordelen aan de hand van de graasdrukmonitor van de FBE Gelderland (bijlage 7, Mbo58).

66

Herstelprogramma Bossen | Natura 2000 Veluwe | Mei 2023

5.3.9

Effectieve en doelmatige bestrijding van Amerikaanse vogelkers en Amerikaanse eik Voor bestrijding van Amerikaanse vogelkers en Amerikaanse eik, maar bijvoorbeeld ook voor Robinia, is momenteel geen effectieve methode voorhanden zonder gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen of nadelige effecten op de bosbodem door grootschalige bodemroering. Amerikaanse vogelkers en Amerikaanse eik zijn echter één van de belangrijkste drukfactoren op met name de oude eikenbossen (H9190). Om deze drukfactoren weg te kunnen nemen dient er een effectieve bestrijdingsmethode / -werkwijze ontwikkeld te worden die geen onevenredige schade toebrengt aan de natuurkwaliteiten van de bossen op de Veluwe. Deze dient bij voorkeur ontwikkeld te worden op basis van breed aanwezige kennis en praktijkervaringen bij terreinbeheerders op de Veluwe (bijlage 7, Mbo59).

5.3.10

Nader inventariseren habitattypenkaart Zuid Veluwe Op de stuwwalzoom op de Zuid Veluwe is uit detailkarteringen gebleken dat er mogelijk meerdere – voor de Veluwe meer zeldzame – habitattypen voorkomen zoals het hardhoutooibos (H91F0). De gebieden waar deze bostypen mogelijk voorkomen worden geïnventariseerd om de waarden di hier voorkomen scherper in beeld te krijgen (bijlage 7, Mbo60).

67

Herstelprogramma Bossen | Natura 2000 Veluwe | Mei 2023

6 Maatregelen 6.1

Randvoorwaarden herstelprogramma Deze paragraaf beschrijft de randvoorwaarden waaronder het geheel aan herstelmaatregelen uit dit herstelprogramma effectief bijdragen aan het halen van de Natura 2000-instandhoudingsdoelen voor de bossen op de Veluwe. Deze randvoorwaarden en uitgangspunten zijn veelal geen acties die uitgevoerd moeten worden, maar vaak juist activiteiten die achterwege moeten blijven of enkel onder specifieke voorwaarden uitgevoerd mogen worden. Zij zijn daarmee ook een uitwerking van de beschrijving in het beheerplan van wat nodig is voor de instandhouding van de betreffende habitattypen.

6.1.1

Zorgvuldige planvorming beheeren herstelmaatregelen Om negatieve effecten op bestaande waarden zoveel mogelijk te beperken, is het bij de planvorming en uitvoering van beheer- en herstelmaatregelen belangrijk dat er voldoende vooronderzoek wordt uitgevoerd naar: • aanwezigheid van bedreigde (typische en karakteristieke) soorten binnen het maatregelgebied; • bodemchemie bij steenmeeltoepassing; • archeologische en cultuurhistorische waarden, zoals raatakkers, wallen en beschermde groenstructuren.

6.1.2

Bosbeheer in kwalificerende boshabitats Bos is een bijzondere vorm van natuur. Naast dat veel dieren en planten voor hun voortbestaan afhankelijk zijn van bos en veel mensen regelmatig genieten van een boswandeling, benutten we onze bossen ook voor duurzame houtproductie. Daarnaast heeft bos een bijzondere plek binnen ons klimaatbeleid (Bron: IPO & Ministerie van LNV, 2020). Het grootste deel van de bossen in Nederland en Gelderland wordt daarom multifunctioneel beheerd. Binnen deze bossen zoeken professionele beheerders naar een evenwichtige balans tussen deze verschillende maatschappelijk gewenste bosfuncties. Aan de hand van multifunctioneel bosbeheer of geïntegreerd bosbeheer wordt gestuurd op een prima compromis tussen deze bosfuncties. De oude loofbossen op de Veluwe (de habitatbossen beuken-eikenbossen met hulst (H9120) en oude eikenbossen (H9190)) zijn de oudste en meest belangrijke natuurbossen van Nederland en hebben een onvervangbare natuurkwaliteit (Bron: Bijlsma et al., 2020). Deze bossen maken ca. 2% uit van het landelijk bosareaal. Een compromis tussen de verschillende bosfuncties gaat voorbij aan de unieke natuurwaarde van deze bossen. Beheeractiviteiten met een negatief effect op de instandhoudingsdoelen binnen deze bossen zijn daarom niet toegestaan.

(De negatieve effecten van deze beheeractiviteiten zijn onderbouwd in § 5.1.4 Beheer en voor een klein deel in § 5.1.9 Invasieve exoten.) In het Natura 2000-beheerplan Veluwe (2018) staat dat er strengere regels gelden voor deze boshabitats om de habitatkwaliteit niet te verslechteren en verbetering als gevolg van natuurlijke bosontwikkeling mogelijk te maken. Deze regels zijn in het beheerplan niet nader gespecificeerd. Wel is aangegeven dat (intensieve) beheeractiviteiten die binnen kwalificerend habitat plaatsvinden en die een negatief effect hebben op Natura 2000-doelen als vergunningplichtige handelingen worden beschouwd en dus niet zijn toegestaan. Als nadere uitwerking van het Natura 2000-beheerplan geven we in dit herstelprogramma

68

Herstelprogramma Bossen | Natura 2000 Veluwe | Mei 2023

invulling aan wat er in het Natura 2000-beheerplan staat op het gebied van ‘strenge regels in boshabitats’. Dat doen we in de vorm van beheerrandvoorwaarden. Deze beheerrandvoorwaarden zijn daarmee ook een uitwerking van de beschrijving in het beheerplan van wat nodig is voor de instandhouding en kwaliteitsverbetering van de betreffende habitattypen. De beheerrandvoorwaarden gelden tevens als beleidsregels voor het toetsen van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit. 1 Houtoogstbeperking binnen de kwalificerende boshabitats (H9120 en H9190) buiten de herstelmaatregelbegrenzing ‘Herstel historische boscomplexen’ en ‘Herstel (en uitbreiding) strubbenboscomplexen’: Niet toegestaan is houtoogst (afvoer van levende of dode houtige biomassa uit de bosvakken, inclusief het buiten de paden opruimen van dood hout en stormschade) waarbij de oogst op 80% van de opstandsoppervlakte meer dan 20% van de jaarlijkse bijgroei omvat. Op de resterende opstandsoppervlakte kan meer geoogst worden in het kader van omvorming naar een natuurlijker bos. De houtoogstbeperking is gelijk aan de afbakening van de N15-beheertypen uit het Subsidiestelsel Natuur en Landschap (SNL).

Bij uitvoering van houtoogst binnen kwalificerend habitat dient daarnaast aan de volgende randvoorwaarden te zijn voldaan: a Er wordt geen vlaktegewijze kap uitgevoerd over een oppervlakte van meer dan 1.000 m2. b De oogst is alleen gericht op stamhout. Top- en takhout en bladeren van geoogste bomen moeten achterblijven in het bos. c Voor aanvang van de uitvoering van de oogst zijn per hectare minimaal 22 bomen aangewezen en zichtbaar gemarkeerd als habitatboom. Deze bomen moeten een geloofwaardige bijdrage leveren aan het behoud en verhoging van het aantal (zeer) dikke bomen binnen de boshabitats. Bij opeenvolgende oogstrondes moeten deze bomen worden gespaard. 2 Houtoogstverbod binnen de kwalificerende boshabitats (H9120 en H9190) binnen de herstelmaatregelbegrenzing ‘Herstel historische boscomplexen’ en ‘Herstel (en uitbreiding) strubbenboscomplexen’: Binnen de begrenzing van de herstelmaatregelen ‘Herstel historische boscomplexen’ en ‘Herstel (en uitbreiding) strubbenboscomplexen’ is bovenstaande beperkte houtoogst binnen de kwalificerende boshabitats niet toegestaan en is elke oogst verboden. Toelichting: De oogstbeperking en het oogstverbod in kwalificerend boshabitat beschermen de processen van veroudering, aftakeling en natuurlijke sterfte van bomen binnen de kwalificerende bossen en voorkomt verdere bodem­ verzuring.

Om te bepalen of deze processen in voldoende mate aanwezig zijn, wordt onder andere gekeken naar de hoeveelheid staand en liggend dood hout op landschapsschaal (> 30 m3/ha). Lokaal hoge hoeveelheden dood hout zijn geen grond voor het verlenen van vergunningen voor (hogere) houtoogst, omdat deze doodhoutspots bijdragen aan voldoende dood hout op landschaps­ schaal. Bovendien gaat de oogst van levende bomen niet ten koste van de huidige doodhoutvoorraad, maar van de toekomstige. Tot slot leidt (hogere) oogst tot een versterking van bodemverzuring. Door het volledig achterwege laten van oogst draagt alle dode biomassa bij aan herstel van historische bodeverzuring en -degradatie. In bijlage 8 is een kaart toegevoegd waarop inzichtelijk is gemaakt waar de houtoogstbeperkingen en het houtoogstverbod van toepassing zijn.

69

Herstelprogramma Bossen | Natura 2000 Veluwe | Mei 2023

Bovenstaande oogstbeperkingen en -verbod zijn niet van toepassing in onderstaande gevallen. 3 Uitzondering houtoogstbeperking en houtoogstverbod en vrijstelling van vergunningsplicht: a Afvoer van houtige biomassa dat vrijkomt als gevolg van het verwijderen van de verjonging (DBH < 10 cm) van ongewenste (uitheemse) soorten. b Afvoer van houtige biomassa van uitheemse soorten, wanneer kap van deze uitheemse bomen plaatsvindt over een aaneengesloten oppervlakte van ten minste 0,15 ha, waarbij binnen het kapvlak geen bijmenging in het kronendak voorkomt van inheemse soorten. Toelichting: Deze uitzonderingsgrond is bedoeld om veilig vellen van enclaves van uitheemse soorten binnen kwalificerend habitat mogelijk te maken. c Afvoer van houtige biomassa ten behoeve van laanverjonging binnen gebieden aangewezen als rijksmonument in de categorie ‘Groenaanleg bij buitenplaatsen & landgoederen’ en/of binnen de bossen die in het natuurbeheerplan van de provincie Gelderland zijn begrensd als Park- en Stinzenbos (N17.03) of als Laan (L01.07). Toelichting: Deze uitzonderingsgrond is bedoeld om de belangrijkste cultuur­ historische waarden binnen de habitatbossen te kunnen behouden en zorgvuldig beheer van deze groene monumenten mogelijk te maken.

Voor uitvoeren van laanverjonging in deze gebieden is onverminderd een vergunning nodig in het kader van de Wet natuurbescherming (soorten­bescherming) en mogelijk voor het wijzigen van een rijksmonument (monumenten­ vergunning). Het totale oppervlakteaandeel van (rijks)monumentale lanen binnen de habitatbossen is dusdanig klein dat geen significant negatieve effecten op de instandhoudings- doelen te verwachten zijn. d Afvoer van houtige biomassa in kwalificerend habitat dat niet op de vigerende T0-habitattypenkaart is weergegeven en niet ligt binnen de beoogde uitbreidingsgebieden van de boshabitat zoals uitgewerkt binnen de herstelmaatregelen (§ 6.2 Herstelmaatregelen). Toelichting: Deze uitzonderingsgrond zorgt ervoor dat de houtoogstbeperkingen en het houtoogstverbod enkel gelden binnen het huidige kwalificerend habitat en de beoogde uitbreidingsgebieden. Het gezamenlijke areaal van het huidige kwalificerend habitat en de uitbreidingsgebieden die voortvloeien uit de herstelmaatregelen is voldoende voor het behalen van de Natura 2000-doelen voor de kwalificerende boshabitats (Bron: Bijlsma et al., 2022). Verdere beperkingen in nieuw ontwikkelde boshabitat buiten de uitbreidingsgebieden zijn dus niet noodzakelijk voor het halen van de Natura 2000-doelen.

Door de houtoogstbeperkingen niet te laten gelden voor nieuw ontwikkeld habitat buiten deze gebieden willen we voorkomen dat eigenaren op oude bosgronden huiverig worden voor spontane of gerichte verloofing van hun bossen en daarmee terughoudend omgaan met spontane of gerichte verloofing. Omdat de spontane veroudering en aftakeling van bomen binnen het huidige areaal en uitbreidingslocaties geborgd is, is oogst binnen nieuw ontwikkeld habitat geen knelpunt.

70

Herstelprogramma Bossen | Natura 2000 Veluwe | Mei 2023

e Afvoer van houtige biomassa ten behoeve van hakhoutbeheer binnen de bossen die in het natuurbeheerplan van provincie Gelderland zijn begrensd als Droog hakhout (N17.02) of Vochtig en hellinghakhout (N17.06). Toelichting: Deze uitzonderingsgrond is bedoeld om de cultuurhistorische en ecologische waarde van hakhout binnen de habitatbossen te kunnen behouden en zorgvuldig beheer van deze groene monumenten mogelijk te maken. f Als het aandeel kwalificerende boshabitat binnen het bezit van de betreffende eigenaar minder dan 1 ha bedraagt. Toelichting: Deze categorie omvat circa 1% van het totale oppervlakte kwalificerend habitat op de Veluwe. Oogst in deze bossen is hoofdzakelijk kleinschalig. Vanwege het beperkte oppervlakteaandeel binnen het totale areaal van de habitatbossen zijn geen significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen te verwachten en is het beperken van de houtoogst hier niet noodzakelijk. 4 Verder zijn de volgende activiteiten binnen alle kwalificerende boshabitats (H9120 en H9190) niet toegestaan: a Berijden van de bosbodem is niet toegestaan. Uitzondering hierop en wel toegestaan (dus niet-vergunningsplichtig) is: Het berijden van de bosbodem, ten behoeve van de uitvoering van boomveiligheidsbeheer, in een zone van 15 m rondom verharde openbare wegen en langs erfgrenzen waar boomveiligheidsrisico’s spelen.

b Bodembewerking (beroering van de minerale grond) is niet toegestaan. Uitzondering hierop en wel toegestaan (dus niet-vergunningsplichtig) is: − Het maken van plantgaten. − Uitvoering van lokale graafwerkzaamheden ten behoeve van het plaatsen van een graf of het begraven van een urn op locaties waarop bij inwerkingtreding van het beheerplan Veluwe (2018) in het bestemmingsplan een bestemming begraafplaats lag. − Het maken van watergaten langs wegen en paden gericht op hemelwaterafvoer en duurzame instandhouding van wegen en paden. c Aanplant met niet-autochtoon plantmateriaal Uitzondering hierop en wel toegestaan (dus niet-vergunningsplichtig) is: Aanplant van deze soorten binnen gebieden aangewezen als rijksmonument in de categorie ‘Groenaanleg bij buitenplaatsen & landgoederen’, wanneer deze soorten aantoonbaar onderdeel uitmaken van de historische park- of bosaanleg. d Grootschalige laanverjonging (herstel over een weglengte > 200 m) is niet toegestaan. Uitzondering hierop en wel toegestaan (dus niet vergunningsplichtig) is: Laanverjonging binnen gebieden aangewezen als rijksmonument in de categorie ‘Groenaanleg bij buitenplaatsen & landgoederen’. Toelichting: Deze uitzonderingsgrond is bedoeld om de belangrijkste cultuurhistorische waarden binnen de habitatbossen te kunnen behouden en zorgvuldig beheer van deze groene monumenten mogelijk te maken.

Voor uitvoeren van laanverjonging in deze gebieden is onverminderd een vergunning nodig in het kader van de Wet natuurbescherming

71

Herstelprogramma Bossen | Natura 2000 Veluwe | Mei 2023

(soortenbescherming) en voor het wijzigen van een rijksmonument (monumentenvergunning). Het totale oppervlakteaandeel van rijksmonumentale lanen binnen de habitatbossen is dusdanig klein dat geen significante negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen te verwachten zijn.

6.1.3

Bosbeheer buiten kwalificerende boshabitats Gangbaar bosbeheer buiten kwalificerend habitat wordt beschouwd als bestaand gebruik conform het huidige Natura 2000-beheerplan Veluwe. Bij het beheer dient wel voldoende rekening gehouden te worden met de VHR-soorten vliegend hert, wespendief en zwarte specht. Dit zal onder andere moeten gebeuren door het zorgvuldig toepassen van de Wet Natuurbescherming en eventueel aanvullend een goedgekeurde gedragscode. Grootschalige vlaktekap (vlaktekap >0,5 ha of schermkap >2 hectare) (Bron: Den Ouden & Mohren, 2020) en het uitvoeren van zomervellingen heeft negatieve effecten op de wespendief (Bron: Nijssen et al., 2014; Bijlsma et al. 2022). Deze activiteiten zijn onder het huidige beheerplan toegestaan, maar de provincie wil wel in gesprek met bosbeheerders over het beperken van deze maatregelen. In de aanloop naar het nieuwe beheerplan zal beoordeeld moeten worden of beperkingen noodzakelijk zijn (bijlage 7, Mbo65).

6.1.4

Bodemherstel Voor effectief bodemherstel zijn meerdere herstelmaatregelen denkbaar, afhankelijk van bodemkenmerken, humusopbouw, bodemleven, bossamenstelling, hydrologie en plek in het landschap. Wat op een locatie een effectieve herstelmaatregel is kan afgeleid worden uit de beslisboom ‘naar een gezonde bosgroeiplaats’ (Bron: Smeenge et al., 2021) (bijlage 7, Mbo50a t/m Mbo50d). Daarnaast zijn beperkt mogelijke herstelmaatregelen opgenomen in de landelijke herstelstrategieën voor de habitattypen en leefgebieden van soorten. Deze maatregelen zorgen voor het terugdraaien van verzuring en herstel van de mineralenonbalans in de bodem. Verzuring kan worden tegengegaan door bekalken (maatregel 3.2.1 toevoegen basische stoffen in de landelijke herstelstrategieën), maar doordat hierbij slechts één voedingsstof (kalk) wordt toegevoegd, wordt de mineralenonbalans niet hersteld, of soms zelfs vergroot. Snel vrijkomende vormen van kalk hebben bovendien grote kans op een schokeffect in het ecosysteem, en kunnen daardoor nadelige gevolgen hebben voor planten en (bodem)dieren. Met deze maatregel wordt daarom zeer terughoudend omgegaan.

Het toevoegen van steenmeel kan in de boshabitattypen en stikstofgevoelige leefgebieden als experimentele maatregel worden ingezet onder de in Deel 1, Hoofdstuk 3, paragraaf 3.2.15 van de herstelstrategie genoemde voorwaarden (Algemene inleiding herstelstrategieën (natura2000.nl)). Daarbij is het van belang dat eerst ter plekke bodemchemisch en plantchemisch vooronderzoek wordt uitgevoerd om inzicht te krijgen in de mate van verzadiging van het bodemadsorptiecomplex en mogelijke nutriëntdeficiënties in de vegetatie. Vervolgens is een deskundig advies op maat nodig, waarbij ook wordt gecontroleerd of er specifieke natuurwaarden en/of omstandigheden aanwezig zijn waarbij een steenmeelgift nadelige gevolgen kan hebben. Daarnaast kan de maatregel alleen worden toegepast als deze wordt begeleid door goede monitoring. Aanvullend hierop, is het van belang om nader onderzoek te doen naar de effecten van duurzame toevoeging van steenmeel in verschillende habitattypen en stikstofgevoelige leefgebiedtypen onder verschillende omstandigheden, waarbij ook aandacht wordt besteed aan effecten op de (middel)lange termijn.

72

Herstelprogramma Bossen | Natura 2000 Veluwe | Mei 2023

Ook wordt onderzocht of een combinatie van bekalken en een steenmeelgift onder sterk verzuurde omstandigheden kan worden ingezet voor bodem en ecosysteemherstel. Op deze manier kan worden bepaald of, en zo ja onder welke omstandigheden en voorwaarden, toedienen van steenmeel (al dan niet in combinatie met kalk) in de toekomst als bewezen maatregel kan worden beschouwd en op grotere schaal kan worden toegepast. Gezien de omvang en ernst van de problematiek van mineralenonbalans en verzuring in de ecosystemen van de droge zandgronden op (onder andere) de Veluwe, heeft de provincie inmiddels een aantal onderzoeksprojecten op dit vlak opgestart in bossen (H9190 Oude eikenbossen), heiden en heischrale graslanden. Steenmeeltoediening kan dus mogelijk onderdeel uitmaken van een maatregelpakket tegen bodemverzuring, maar over effectiviteit in bossen is nog te weinig bekend. Met name in loofbossen op oude bodems met dikke humus-profielen zijn ongewenste neveneffecten goed denkbaar (Bron: Smeenge et al., 2021) en is grootschalige toediening van meststoffen vooralsnog ongewenst. De volgende activiteiten binnen de kwalificerende boshabitats zijn daarom niet toegestaan : 1. Uitvoeren van experimentele bodemherstelmaatregelen zoals steenmeel of andere vormen van inbreng van bufferstoffen.

Uitzondering hierop en wel toegestaan is: a Kleinschalige inbreng op maximaal 7 hectare aaneengesloten bos en in totaal op niet meer dan 25% van het totale lokale boscomplex. De noodzaak en hoeveelheid/ha moet worden bepaald op basis van vooronderzoek, maar is maximaal 20 ton/ha (gewicht/oppervlakte). De maatregel moet worden begeleid door goede monitoring. b Plantgatbemesting. Zodra meer inzicht is in effectieve en doelmatige bodemherstelmaatregelen zullen wij hier ons beleid en financieringsinstrumentarium op aanpassen.

Inbrengen van steenmeel in oude eikenbossen

6.1.5

Herintroductie en zaaien en bijplaatsen soorten Steeds vaker is naast habitatherstel ook herstel van de vitaliteit van populaties nodig, bijvoorbeeld door genetisch onderzoek, kweken en bijplaatsen van soorten. Bij het herintroduceren, bijplaatsen en inzaaien van soorten moet zoveel mogelijk gewerkt worden conform de randvoorwaarden zoals deze zijn opgenomen in bijlage 3. De randvoorwaarden uit deze bijlage zijn niet van toepassing op inbreng van houtige boom- en struiksoorten. De randvoorwaarden van inbreng van deze soorten zijn uitgewerkt onder § 6.1.2 Bosbeheer in kwalificerende habitats en onder § 6.4.3 Kleinschalige aanplant loofbomen.

73

Herstelprogramma Bossen | Natura 2000 Veluwe | Mei 2023

6.1.6

Wildkerende rasters Er zijn er plekken op de Veluwe waar door een te hoge wilddruk bosverjonging niet of moeilijk op gang komt (zie ook § 5.1.5 Wilde hoefdieren). In het Natura 2000-beheerplan Veluwe is al benoemd dat wanneer de te hoge wilddruk niet door beheer kan worden teruggedrongen, tijdelijke uitrastering noodzakelijk kan zijn om de bosverjonging betere kansen te geven. Deze lokale ‘enclosures’ werken ook niet versnipperend omdat deze enkel kleine delen uit het leefgebied van de wilde hoefdieren onttrekken en het leefgebied in principe niet doorsnijden. In situaties met een problematische verjonging of de wens tot bosuitbreiding kunnen beschermingsmaatregelen zoals uitrasteren noodzakelijk zijn (bijlage 7, Mbo48b).

6.2 Herstelmaatregelen Hieronder zijn gegroepeerd in maatregelpakketten de herstelmaatregelen voor bossen op de Veluwe toegelicht, zoals opgesteld door een consortium van Wageningen Environmental Research, SOVON Vogelonderzoek Nederland en Stichting Bargerveen. Deze maatregelen hebben betrekking op herstel en eventueel benodigd vervolgbeheer en in principe niet op regulier beheer. Als sprake is van lokale of regionale Natura 2000-waarden met een zeer groot relatief belang, is er soms toch voor gekozen gewenst regulier beheer op te nemen. Het kan daarbij gaan om zowel het stoppen als het invoeren van beheeractiviteiten (bijvoorbeeld ten aanzien van het uitfaseren van houtproductie/ houtoogst), gericht op duurzaam behoud of versterking van de betreffende waarden. De herstelmaatregelen zijn locatie-specifiek, ze zijn per deelgebied begrensd en beschreven. Hieronder zijn de verschillende maatregelen gegroepeerd en generiek beschreven. Per bosgebied zijn in veel gevallen losse deelmaatregelen aan de maatregelpakketten toegevoegd of aangepast op basis van lokale kwaliteiten, knelpunten en/of kansen. Voor de gedetailleerde beschrijving van de maatregelpakketten wordt verwezen naar bijlage 4 Herstelmaatregelen in de deelgebieden.

In onderstaande tabellen bij de maatregelenpakketten is steeds tussen haakjes verwezen naar de specifieke locaties van deze maatregelen in de bijlage 4 (Deelgebied , maatregelnummer). Het maatregelnummer verwijst ook naar de betreffende maatregel in de maatregeltabel in bijlage 7. Grootschalig bosherstel binnen historische boscomplexen De maatregelpakketten ‘Herstel historische boscomplexen’ en ‘Herstel (en uitbreiding) strubbenboscomplexen’ binnen de malebossen en vergelijkbaar ecologisch waardevolle oude bossen op de Veluwe volgen uit de historische achtergrond als oude bosgroeiplaats van deze locaties. Deze kunnen dus niet worden vervangen of gecompenseerd door bossen zonder deze achtergrond. De oude malenbossen zijn veelal meer dan duizend jaar oud en zijn de oudste bossen van de Veluwe én van Nederland. De bossen hebben over deze periode continu enige vorm van bebossing gekend. Het zijn zonder twijfel de meest bijzondere bossen van Nederland en ze herbergen dan ook veel bijzondere soorten die nergens anders in Nederland gevonden worden. De herstelmaatregelen binnen deze bossen dienen uitgevoerd te worden binnen de gehele historische begrenzing van de oude boscomplexen.

Dit vanwege het grote relatief belang van de Veluwe voor de landelijke staat van instandhouding van beide habitattypen beuken-eikenbossen met hulst (H9120) en oude eikenbossen (H9190), en de noodzaak om op de hogere zandgronden tot grote, aaneengesloten complexen inheems loofbos te komen zoals omschreven in het Natura 2000-doelendocument van het ministerie van LNV (Bron: 153 Ministerie van LNV, 2006) en in de EU-habitatrichtlijn: “Generally, Natura 2000 conservation objectives are established in a way that take due account of the dynamic character of forest ecosystems. Indeed, it is often this dynamic characteristic that helps to ensure the continued survival of a wide range of different forest related species, especially in large areas of continuous forests.” (Bron: European Union, 2015)

74

Herstelprogramma Bossen | Natura 2000 Veluwe | Mei 2023

De historische oude boscomplexen vormen slechts een klein deel van het huidige bos op de Veluwe. Het Natura 2000-gebied Veluwe bestaat voor 65% uit bos (ca. 64.000 ha), waarvan ca. 1/3 wordt ingenomen door oude bosgroeiplaatsen (tenminste bebost rond 1832). Hiervan bestaat iets meer dan 1/3 nog uit inheems loofbos. Dit zijn de huidige habitatbossen, deze vormen ongeveer 12% van het huidige bosareaal op de Veluwe (ca. 7.800 ha). Als gevolg van de herstelmaatregelen in dit herstelprogramma wordt aanvullend ca. 5.700 ha aangewezen als uitbreidingslocatie voor deze bossen, dat is 10% van het huidige bosareaal op de Veluwe. De habitatbossen en de uitbreidingslocaties tezamen vormen 3,5 % van het landelijk bosareaal in Nederland.

6.2.1

Herstel historische boscomplexen

Habitattypen

Hoofdzakelijk H9120 beuken-eikenbossen met hulst, soms met overgangen naar H9190 oude eikenbossen en in enkele gevallen lokaal in mozaïek met H91E0C* vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen)

VHR-soorten

Vliegend hert, wespendief, zwarte specht

Overig

O.a. bosparelmoervlinder

Type maatregel

Kwaliteitsverbetering en habitatuitbreiding

Sleutelfactoren

Oppervlaktevergroting habitatbossen, versterken van refugia en hotspots van karakteristieke soorten, uitfaseren van houtproductiefunctie, optimalisatie beheer, verwijderen invasieve uitheemse boom- en struiksoorten

Gebieden

Vierhoutense bos (DG03-Mbo1), Elspeterbos (DG03-Mbo2), Gortelse bos (DG05-Mbo8), Orderbos (DG05-Mbo9), Meervelderbos (DG05-Mbo11), Uddeler Heegde (DG05-Mbo12), Hoogsoerense bos (DG05-Mbo13), Wieselse bos (DG05-Mbo14), Speulder-,Sprielder- & Putterbos (DG07-Mbo22), Ugchelse bos (DG08-Mbo25), Hoenderlose bos (DG08-Mbo26), Spelderholt (DG08-Mbo27), Dabbelo (DG08-Mbo30), Hoog-Baarlo (DG10-Mbo37), Sysselt (DG11-Mbo38), randzone Roekelse bos (DG11-Mbo40), Edese bos (DG11-Mbo41), Doorwerthse bossen (DG12-Mbo43), Laag Oorsprong & Hemelse berg ( DG12-Mbo44), Vijverberg (DG12-Mbo45).

Oppervlaktevergroting en kwaliteitsverbetering voor de boshabitattypen beukeneikenbossen met hulst (H9120) en oude eikenbossen (H9190) gaan hand in hand. Duurzame kwaliteits­verbetering voor deze boshabitats is alleen te realiseren in grotere complexen inheems loofbos met een natuurlijke(re) bosdynamiek. De enige bossen op de Veluwe die hiervoor in aanmerking komen zijn de voormalige malebossen en de voormalige heerlijkheid Doorwerth vanwege hun omvang en lange historie als boombos. Binnen de historische begrenzing van deze oude bossen wordt met het maatregelpakket ‘Herstel historische boscomplexen’ gewerkt aan grote, robuuste inheemse loofboscomplexen met een natuurlijkere bosdynamiek, met een variatie aan ontwikkelingsstadia en met open plekken en (dikke) oude en aftakelende bomen en (dik) dood hout. Aanvullend op deze historische boscomplexen zijn vanwege hun ecologisch belang bossen aangewezen met natuurlijke overgangen tussen beuken-eikenbossen op stuwwalmateriaal en oude eikenbossen op over-stoven stuwwalmateriaal en met randwallen (o.a. Meervelderbos en Ugchelse bos). De voorgestelde maatregelgebieden omvatten de volgende ecologische variatie binnen de Veluwe: • stuwwal van Ede: Edese bos (met overgangen naar heide); • stuwwal van Garderen: boscomplex Speulder- en Sprielderbos en Putterbos (met intacte randzone met enken van Drie, Houtdorp en Speuld);

75

Herstelprogramma Bossen | Natura 2000 Veluwe | Mei 2023

• stuwwal van de oostelijke Veluwe: Gortelse bos, Vierhoutense bos, Elspeterbos (met oorspronkelijke randzone met enk van Elspeet en overgangen naar Elspeter Struiken), Uddeler heegde (met oorspronkelijke randzone naar enk van Uddel), Meervelderbos (met overgangen naar goed ontwikkelde oude eikenbossen en heide/stuifzand), Wieselse bos, Hoogsoerense bos (met oorspronkelijke randzone met enk van Hoog Soeren), Ugchelse bos (met overgangen naar goed ontwikkelde oude eikenbossen); • stuwwal van Arnhem: Doorwerthse bossen (met overgangen naar smalle zone hardhoutooibos). Binnen deze malenbossen en vergelijkbaar ecologisch waardevolle oude bossen worden de volgende, samenhangende maatregelen uitgevoerd. Deze maatregelen kunnen per locatie op details verschillen, zie voor locatiespecifieke informatie de herstelmaatregelen per deelgebied (bijlage 4) en de maatregelentabel (bijlage 7): 1. Het uitwerken van een gezamenlijk plan van aanpak voor bosherstel door boseigenaren (incl. no-regret bodemherstelmaatregelen), tenminste binnen de historische begrenzing van het boscomplex. Dit plan van aanpak is inclusief fasering, begroting en concreet uitvoeringsplan en geeft tenminste invulling aan onderstaande deelmaatregelen 2 t/m 6.

In het plan van aanpak is tevens ruimte om aan te geven hoe met andere cultuurhistorische en/of archeologische waarden wordt omgegaan, dit mag echter niet ten koste gaan van de effectiviteit en doelmatigheid van de herstelmaatregel. Het plan van aanpak moet gericht zijn op het zo snel mogelijk realiseren van de volledige herstelmaatregel, op een tempo wat ecologisch verantwoord en maatschappelijk aanvaardbaar is. 2. Planmatig verwijderen van Amerikaanse vogelkers, Amerikaanse eik en verjonging van Japanse lariks, douglas, hemlockspar en andere snelgroeiende naaldhoutsoorten binnen de bosvakken, inclusief open ruimtes. Lanen en/of bijzondere solitairen kunnen desgewenst gespaard worden, bijvoorbeeld vanuit cultuurhistorisch oogpunt. Na uitvoering van de herstelmaatregelen dient planmatige bestrijding van (verjonging van) deze soorten onderdeel te zijn van het regulier beheer. 3. Uitfaseren van houtproductie/houtoogst binnen de gehele maatregelbegrenzing. (Zie voor toelichting tevens § 5.2.6 Houtoogstbeperkingen habitatbossen en uitfaseren houtproductie/houtoogst beoogde uitbreidingslocaties) Hierbij worden de volgende termijnen gehanteerd per bostype om tot definitieve uitfasering te komen: a. In kwalificerende habitatbossen is houtoogst per direct verboden. b.

In grovedennenbossen moet de houtproductiefunctie/houtoogst uiterlijk bij afloop van de 2de beheerplanperiode (2030) zijn uitgefaseerd. Tot die tijd kunnen maatregelen mét oogst worden uitgevoerd gericht op een meer diverse bosstructuur en -ontwikkelingsfaseverdeling. c. In bossen met Amerikaanse eik, Japanse lariks, douglas, hemlockspar en andere snelgroeiende naaldhoutsoorten wordt de houtoogst na afronding van de gewenste omvorming naar inheems loofbos per direct gestaakt (zie onder 4). 4. Oogsten van vakken met Amerikaanse eik, Japanse lariks, douglas, hemlockspar en andere snelgroeiende naaldhoutsoorten, gericht op omvorming naar inheems loofbos, eventueel met behulp van rasteren en aanplant. Aanplant met autochtoon plantmateriaal. Omvorming dient uiterlijk plaats gevonden te hebben in de komende beheerplanperiodes met een doorloop tot 2050. In het plan van aanpak voor omvorming (zie onder 1) moet hiervoor een doelmatige fasering uitgewerkt worden waarbij in eerste instantie de prioriteit ligt op ontsnippering van resterende bosrelicten en vervolgens op vergroten van de kern van het loofboscomplex.

76

Herstelprogramma Bossen | Natura 2000 Veluwe | Mei 2023

a. Aanwijzen van oudere bomen en oudere vakken van Japanse lariks, douglas en andere snelgroeiende naaldhoutsoorten en deze behouden en laten aftakelen als nestgelegenheid voor o.a. wespendief en als bron voor dik dood hout en grote wortelkluiten. Deze meer open opstanden zijn daarnaast vaak nog vindplaatsen van oudbossoorten als dalkruid en witte klaverzuring. b. Herstellen van delen van omgevormde vakken naar permanente grazige of heideachtige open ruimtes of corridors met (mantel- en) zoomvegetaties en recreatief medegebruik, met name langs oude infrastructuur, wallen en andere cultuurhistorische structuren (vanwege de aanwezigheid van bronpopulaties en beheergemak (Bron: Bijlsma et al., 2002)) en/of op (voormalige) heide klasse 1 en 2 volgens de historische (TMK) kaart. Opslag moet periodiek worden verwijderd en de bosrand zo nodig periodiek teruggezet als onderdeel van het regulier beheer. Hierdoor kunnen overgangen van korte begroeiingen (heideachtige vegetaties, zomen en mogelijk mantels) naar bos ontstaan, met de bijbehorende fauna (o.a. bosparelmoer­ vlinder) (Bron: Veling et al., 2014). Zie voor suggesties voor inrichting en beheer o.a. Veling et al. 2014. 5.

Grovedennen- en fijnsparbossen, ongeacht leeftijd en structuur, ná het uitfaseren van de houtproductiefunctie (zie onder 3b) overwegend spontaan laten doorontwikkelen, als kiembed voor loofhoutverjonging (spontane uitbreiding van habitat door natuurlijke successie), bron van dood hout en wortelkluiten en leefgebied zwarte specht. Deze bossen zijn in ecologische zin een vroeg ontwikkelingsstadium van de beide boshabitats (Bron: Bijlsma et al., 2010) en primair leefgebied voor zwarte specht (Bron: Nijssen et al., 2019) . Vellen van grove den in deze bossen als ‘administratieve’ habitatuitbreiding is ongewenst en brengt schade toe aan het doelbereik van habitattypen bos en aan het leefgebied van VHR-soort zwarte specht. 6. Delen beheersmatig veiligstellen als leefgebied voor wintereik, rekening houdend met natuurlijke verjonging in dennenbossen en/of heideachtige open ruimtes, eventueel met tijdelijk raster. In enkele boscomplexen liggen nog relatief veel aaneengesloten kernen van (winter)eik (o.a Hoenderlose bos, Dabbelo en de enk bij Wekerom). Deze dienen voldoende in beeld gebracht te worden in het plan van aanpak (zie onder 1). Het maatregelpakket is binnen deze bossen specifiek gericht op het verkrijgen van een samenhangende oppervlakte inheems loofbos met een ondergeschikte rol voor beuk.

Aanvullende ingrepen in de structuur van het al aanwezige inheems loofbos en grovedennenbos is niet nodig als herstelmaatregel. Open ruimtes en andere structuurvariatie ontstaan ‘vanzelf’ op ecologisch logische plekken als gevolg van natuurlijke dynamiek. Daarnaast zorgt de omvorming van naaldbossen en inrichting van open grazige ruimtes op korte termijn voor aanwezigheid van open en jonge ontwikkelingsstadia. De maatregel ‘Herstel historische boscomplexen’ is een maatregel met veel impact voor boseigenaren, o.a door de noodzakelijke bosomvorming en het uitfaseren van de houtoogst. Daarom worden de effecten van de maatregel zorgvuldig gemonitord en na tien jaar geëvalueerd. Wanneer de monitorings­ resultaten daar aanleiding toe geven, wordt de maatregel aangepast. Deze monitoring en evaluatie zijn afzonderlijk opgenomen in de maatregeltabel (Mbo72) in bijlage 7 en worden verder uitgewerkt in het monitoringsplan voor de Veluwe.

77

Herstelprogramma Bossen | Natura 2000 Veluwe | Mei 2023

6.2.2

Herstel (en uitbreiding) strubbenboscomplexen

Habitattypen

H9190 oude eikenbossen

VHR-soorten

Draaihals, vliegend hert, wespendief en zwarte specht

Overig

O.a. bosparelmoervlinder

Type maatregel

Kwaliteitsverbetering en habitatuitbreiding

Sleutelfactoren

Oppervlaktevergroting habitatbossen, versterken van refugia en hotspots van karakteristieke soorten, uitfaseren van houtproductiefunctie/houtoogst, optimalisatie beheer, verwijderen invasieve uitheemse boom- en struiksoorten

Gebieden

Elspeetse heide & Noorderheide (DG03-Mbo3), Hendrik Mouwenveld (DG03-Mb04), Dalkenschoten (DG05-Mbo10), Ermelose heide (DG06-Mbo17), Kriemelberg (DG06Mbo18), Noord-Riezen & Elspeter veld (DG06-Mbo19), Maanschoten (DG07-Mbo21), Caitwickerzand: zie herstelprogramma Heiden en stuifzanden, Radio Kootwijk en Kootwijkerduinen: zie herstelprogramma Heiden en stuifzanden, DG 07, Ramenberg, Rijsvoorde en Schansenberg (DG09-Mbo33), Deelense start (DG10-Mbo36), Wekeromse zand (DG11-Mbo39).

Oude eikenbossen liggen vaak in de rand of zijn onderdeel van heide- en stuifzandlandschappen en komen soms voor als eigenstandige strubbenbossen van zomereik zoals bijvoorbeeld in de voormalige Kootwijker malenbossen. Een bijzondere categorie vormen de ingestoven randzones van bossen op rijke bodem in de nabijheid van zandverstuivingen. Door historische, grootschalige instuiving zijn hier vaak hoge randwallen ontstaan met natuurlijke overgangen van oude eikenbossen naar beuken-eikenbossen. Het Meervelderbos en Ugchelse bos op de Veluwe zijn hiervan de mooiste voorbeelden in Nederland. Soms is het oorspronkelijke bos verdwenen en resteert alleen nog de randwal met oude eikenbossen, zoals het Otterlose bos en de Spelderholt. Om tot herstel en kwaliteitsverbetering van deze bossen te komen wordt ervoor gekozen de grote boscomplexen met eikenstrubben vrij te houden van invasieve exoten (o.a. Japanse lariks, douglas en Amerikaanse vogelkers) en in- en tussenliggende grovedennenbossen met rust te laten. Een groot deel van deze maatregelen sluit direct aan op maatregelen voor het behoud van openheid en voor bestrijding van Amerikaanse vogelkers in stuifzandgebieden en in malenbossen. Bij Maanschoten kan jeneverbes tevens profiteren van deze maatregel. Uitbreiding van het habitattype vindt plaats binnen onbeheerde grovedennenbossen.

Daarnaast wordt een brede zone rondom strubbenboscomplexen in de heide beleidsmatig vrijgehouden voor verjonging van eik en berk (t.b.v. draaihals). Dit is bijvoorbeeld het geval in de Deelense start (Hoge Veluwe), Elspeetse heide en Ermelose heide. In al deze gevallen lift ook oude droge heide inclusief bosbesheide en kraaiheiheide mee met de maatregelen. De exacte maatregelen per boscomplex variëren sterk, afhankelijk van de plaatselijke situatie en lokale kwaliteiten, kansen en knelpunten, zie voor locatiespecifieke informatie de herstelmaatregelen per deelgebied (bijlage 4) en de maatregelentabel (bijlage 7). Globaal worden binnen en rondom deze eiken(strubben)boscomplexen de volgende, samenhangende maatregelen uitgevoerd:

78

Herstelprogramma Bossen | Natura 2000 Veluwe | Mei 2023

1. Het uitwerken van een gezamenlijk plan van aanpak voor bosherstel door boseigenaren (incl. no-regret bodemherstelmaatregelen), tenminste binnen de maatregelenbegrenzing. Dit plan van aanpak is inclusief fasering, begroting en concreet uitvoeringsplan en geeft tenminste invulling aan onderstaande deelmaatregelen 2 t/m 6 en de locatiespecifieke deelmaatregelen (bijlage 7). In het plan van aanpak is tevens ruimte om aan te geven hoe met andere cultuurhistorische en/of archeologische waarden wordt omgegaan, dit mag echter niet ten koste gaan van de effectiviteit en doelmatigheid van de herstelmaatregel. Het plan van aanpak dient gericht te zijn op het zo snel mogelijk realiseren van de volledige herstelmaatregel, op een tempo wat ecologisch verantwoord en maatschappelijk aanvaardbaar is. 2. Amerikaanse vogelkers, Amerikaanse eik, Japanse lariks, douglas, hemlockspar en andere snelgroeiende naaldhoutsoorten planmatig verwijderen uit gehele maatregelgebied. (Na)verjonging van beide soorten periodiek bestrijden als onderdeel van het regulier beheer (minstens elke 5-8 jaar). Binnen enkele eiken(strubben)boscomplexen is de verdere kwaliteit dusdanig op orde dat dit in feite de enige maatregel is, zie ook § 6.2.3 Landschapsbrede exotenbestrijding. 3.

Beleidsmatig veiligstellen van een brede zone van heide rondom het huidige strubbenbos, gericht op spontane vestiging en doorgroei van eik en berk (t.b.v. draaihals) voor uitbreiding van het strubbenbos. In enkele gevallen is dit onderdeel van maatregelpakketten gericht op behoud en herstel van stuifzand­ landschappen, bijvoorbeeld in het Caitwickerzand, Kootwijkerzand, Radio Kootwijk en Kootwijkerduinen en in het Wekeromse zand. 4. Opslag van grove den, Amerikaanse eik en Amerikaanse vogelkers in het open landschap planmatig verwijderen als onderdeel van het regulier beheer. 5. Uitfaseren van houtproductie/houtoogst binnen de gehele maatregelbegrenzing. (Zie voor toelichting tevens § 5.2.6 Uitfaseren houtproductiefunctie/houtoogst habitatbossen en beoogde uitbreidingslocaties.) Hierbij worden de volgende termijnen gehanteerd per bostype om tot definitieve uitfasering te komen: a. In kwalificerende habitatbossen is houtoogst per direct verboden. b. In grovedennenbossen dient de houtproductiefunctie/houtoogst uiterlijk bij afloop van de 2de beheerplanperiode (2030) te zijn uitgefaseerd. Tot die tijd kunnen maatregelen mét oogst worden uitgevoerd gericht op een meer diverse bosstructuur en -ontwikkelingsfaseverdeling. c.

In bossen met Amerikaanse eik, Japanse lariks, douglas, hemlockspar en andere snelgroeiende naaldhoutsoorten wordt de houtoogst na afronding van de gewenste omvorming naar inheems loofbos per direct gestaakt (Zie opmerking aan het eind van deze paragraaf over het omvormen van vakken met uitheemse bossoorten). 6. Grovedennen- en fijnsparbossen – ongeacht leeftijd en structuur – ná het uitfaseren van de houtproductiefunctie (onder 4b.) overwegend spontaan laten doorontwikkelen als kiembed voor loofhoutverjonging (spontane uitbreiding van habitat door natuurlijke successie), bron van dood hout en wortelkluiten en leefgebied zwarte specht. Deze bossen zijn in ecologische zin een vroeg ontwikkelingsstadium van de beide boshabitats (Bron: Bijlsma et al., 2010) en primair leefgebied voor zwarte specht (Bron: Nijssen et al., 2019). Vellen van grove den in deze bossen als ‘administratieve’ habitatuitbreiding is ongewenst en brengt schade toe aan het doelbereik van habitattypen bos en aan het leefgebied van VHR-soort zwarte specht. De maatregel ‘Herstel (en uitbreiding) strubbenboscomplexen’ is een maatregel met veel impact voor boseigenaren, o.a door de noodzakelijke bosomvorming en het uitfaseren van de houtoogst. Daarom worden de effecten van de maatregel zorgvuldig gemonitord en na tien jaar geëvalueerd.

Wanneer de monitoringsresultaten daar aanleiding toe geven, wordt de maatregel aangepast. Deze monitoring en evaluatie zijn afzonderlijk opgenomen in de maatregeltabel (Mbo72) in bijlage 7 en worden verder uitgewerkt in het monitoringsplan voor de Veluwe.

79

Herstelprogramma Bossen | Natura 2000 Veluwe | Mei 2023

Binnen enkele boscomplexen dienen daarnaast vakken met uitheemse boomsoorten omgevormd te worden tot open grazige ruimte of tot inheems loofbos vergelijkbaar met maatregel 4 en 4b. onder § 6.2.1 Herstel historische boscomplexen. Dit komt echter veel minder voor omdat de huidige eiken(strubben)boscomplexen vaak reeds een veel hogere graad van natuurlijkheid hebben dan de boscomplexen op de groeiplaats van beuken-eikenbossen met hulst (H9120) (Bron: Bijlsma et al., 2022).

Das in een eikenstrubbenbos (fotografie: Jeroen van Wijk/Buiten-Beeld)

6.2.3

Landschapsbrede exotenbestrijding

Habitattypen

H9190 oude eikenbossen

VHR-soorten

Vliegend hert

Overig

O.a. bosparelmoervlinder

Type maatregel

Kwaliteitsverbetering

Sleutelfactoren

Verwijderen invasieve uitheemse boom- en struiksoorten

Gebieden

Hendrik Mouwenveld (DG03-Mbo5) , Kootwijker Boven- en Onderbos (DG08-Mbo28), Otterlose bos, Rieselo en Franse berg e.o. (DG10-Mbo35).

De ecologische kwaliteit van enkele eiken(strubben)boscomplexen is dusdanig op orde dat de grootschalige aanwezigheid van invasieve exoten het enige knelpunt is, bijvoorbeeld in het Kootwijker Boven- en Onderbos en in het Otterlose bos. Voor bestrijding van Amerikaanse vogelkers en Amerikaanse eik is momenteel geen effectieve methode voorhanden zonder gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen of nadelige effecten op de bosbodem door grootschalige bodemroering. Dit is daarom opgenomen als kennisleemte in dit herstelprogramma (§ 5.3.9 Effectieve en doelmatige bestrijding van Amerikaanse vogelkers en Amerikaanse eik). Planvorming voor deze maatregelen moet zoveel mogelijk worden uitgevoerd met input van andere succesvolle initiatieven elders, bijvoorbeeld in het Leuvenumse bos (Natuurmonumenten).

80

Herstelprogramma Bossen | Natura 2000 Veluwe | Mei 2023

6.2.4

Beperken zwijnendruk

Habitattypen

H9190 oude eikenbossen

VHR-soorten

Vliegend hert

Overig

O.a. bosparelmoervlinder

Type maatregel

Kwaliteitsverbetering

Sleutelfactoren

(Lokaal) verlagen graasdruk en zwijnendruk

Gebieden

Boeschoten (Mbo24 en in herstelprogramma Heiden en stuifzanden, DG07-HH8-HB3-BH4) Kootwijker Boven- en Onderbos (DG08-Mbo29).

Continu wroeten van wilde zwijnen op dezelfde locaties binnen m.n. oude eikenbossen (H9190) gaat ten kosten van verschillende karakteristieke soorten van deze bossen, zoals vliegend hert en bosparelmoervlinder. Op de middellange termijn moet dit knelpunt worden opgelost door het verlagen van de populatiedichtheid (zie § 5.2.10 Regionaal verlagen graas- en wroetdruk). Om op korte termijn geen kwaliteiten te verliezen in deze bossen worden zwijnenwerende rasters geplaatst rondom kwetsbare terreindelen.

6.2.5

Herstel hardhoutooiboszone

Habitattypen

H91F0 droge hardhoutooibossen

VHR-soorten

-

Overig

-

Type maatregel

Kwaliteitsverbetering

Sleutelfactoren

Optimalisatie beheer, verwijderen invasieve uitheemse boom- en struiksoorten

Gebieden

Doorwerthse bossen (DG12-Mbo43), Laag Oorsprong & Hemelse berg (DG12-Mbo44), Noordberg, Wageningse berg (DG12-Mbo46).

Een aantal oude bosgroeiplaatsen op de zuidflank van de Veluwe omvatten een natuurlijke overgang naar hardhoutooibos (H91F0) langs de Rijn en zijn daarmee ecologisch zeer waardevol. Binnen deze gebieden worden de volgende maatregelen uitgevoerd: 1. Planmatig bestrijden en beheerbaar maken van invasieve exoten robinia, Amerikaanse eik en Amerikaanse vogelkers. (Na)verjonging van deze soorten periodiek bestrijden als onderdeel van het regulier beheer (minstens elke 5-8 jaar). 2. Op de stuwwalvoet ruimte geven aan karakteristieke houtige soorten van de hardhoutooiboszone, zo nodig herstel door aanplant van autochtoon materiaal. Specifiek onderaan de Wageningse berg liggen daarbij kansen voor uitbreiding van hardhoutooibos (H91F0).

81

Herstelprogramma Bossen | Natura 2000 Veluwe | Mei 2023

6.2.6

Regionaal verlagen omvang wilde hoefdierpopulaties

Habitattypen

H9120 beuken-eikenbossen met hulst, H9190 oude eikenbossen en H91E0C* vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen)

VHR-soorten

Vliegend hert, wespendief, zwarte specht

Overig

-

Type maatregel

Kwaliteitsverbetering en uitbreiding

Sleutelfactoren

erbeteren buffercapaciteit en vitaliteit bosbodem, (lokaal) verlagen van graas- en wroetdruk

Gebieden

Gehele Natura 2000-begrenzing (Mbo63).

Deze maatregel is niet uitgewerkt door het consortium van Wageningen Environmental Research, SOVON Vogelonderzoek Nederland en Stichting Bargerveen, maar is nader geformuleerd op basis van aanvullend onderzoek naar de graasdruk op de Veluwe en de effecten op de (continue) bosverjonging en Natura 2000-doelbereik (Bron: Den Ouden et al., 2020; Den Ouden et al., 2022) en op basis van gesprekken met verschillende terreinbeheerders op de Veluwe. Daarnaast grijpt deze maatregel in op het knelpunt ten aanzien van de permanente wroetdruk van zwijnen op de Veluwe (Bron: Bijlsma et al., 2022). De landschapsbrede en permanent hoge graas- en wroetdruk op de Veluwe vormen een knelpunt voor de kwaliteit van de habitatbossen en voor de klimaatbestendigheid en weerbaarheid tegen verdere bodemverzuring van zowel de habitatbossen als de bossen daarbuiten die o.a. leefgebied vormen voor vliegend hert, wespendief en zwarte specht. Deze maatregel dient te worden uitgevoerd onder regie van de Faunabeheereenheid Gelderland en op een schaal die aansluit op de omvang van het leefgebied van de wilde hoefdieren en op de organisatie en uitvoering van het faunabeheer. De regionale verlaging van de omvang van de wilde hoefdierpopulaties kan zo veel mogelijk gebeuren binnen de terreinen van eigenaren die het knelpunt van een hoge graas- en wroetdruk het sterkst ervaren.

Invulling, bijsturing en monitoring van de maatregel wordt bij voorkeur zoveel mogelijk gedaan op basis van de effectmonitoring uit het netwerk graasdrukmonitor van de Faunabeheereenheid Gelderland, zodat de effecten op het Natura 2000-doelbereik goed gevolgd kunnen worden en tussentijds bijgestuurd kan worden, bijvoorbeeld vanwege toenemende effecten van de wolf op de omvang en het gedrag van de hoefdierpopulaties. Uitvoering van deze maatregel hangt sterk samen met de kennisleemte over continuïteit in bosverjonging (§ 5.3.8).

6.2.7

Overige maatregelen Naast de hierboven op natuurlijke bosontwikkeling gerichte maatregelen zijn er ook maatregelen specifieker gericht op het versterken van leefgebied van karakteristieke soorten, met name ‘rijke’ bosflora van beuken-eikenbossen, zoals grote muur, witte klaverzuring, ruige veldbies en bosanemoon, die op de Veluwe alleen nog in de randgebieden of in refugia aanwezig zijn. Zie bijlage 4. Het betreft o.a. maatregelen voor het stroomgebied van de Leuvenumse beek (DG04-Mbo6), voor Landgoed Staverden (DG06-Mbo16) en de oude bosgroeiplaats bij Hoog Baarlo (DG10-Mbo 37).

82

Herstelprogramma Bossen | Natura 2000 Veluwe | Mei 2023

6.3

Soortspecifieke maatregelen Voor sommige soorten is algemeen systeemherstel onvoldoende en zijn specifieke maatregelen nodig, bijvoorbeeld omdat de bestaande populaties te klein of te versnipperd zijn of omdat ze van heel specifieke milieuomstandigheden en/of beheer afhankelijk zijn. Welke soorten dit zijn en wat er nodig is voor het wegnemen van de knelpunten voor duurzame instandhouding van deze soorten is onvoldoende bekend en wordt nader in beeld gebracht vanuit de kennisleemte ‘Staat van instandhouding kenmerkende en karakteristieke soorten’ (§ 5.3.6). Maatregelen die voortkomen uit deze kennisleemte en effectief bijdragen aan de duurzame instandhouding van kenmerkende en karakteristieke soorten van de bossen op de Veluwe komen in aanmerking voor ondersteuning door de provincie.

6.3.1

Vliegend hert De inschatting is dat de herstelmaatregelen onder § 6.2 voldoende bijdragen aan het halen van de Natura 2000-doelstellingen voor vliegend hert (Bron: Bijlsma et al., 2022). Daarnaast is in 2008 een beschermingsplan opgesteld voor vliegend hert (Bron: Smits & Krekels, 2008). De maatregelen in dit beschermingsplan zijn gericht op het versterken en verbinden van bestaande populaties. Deze maatregelen zijn nog niet uitgevoerd. Initiatieven van beheerders die aansluiten op het beschermingsplan en voldoende meerwaarde hebben t.o.v. de herstelmaatregelen komen in aanmerking voor ondersteuning. Dit is in lijn met de maatregel ‘M16 Bescherming voortplantingsbiotoop Vliegend hert’ uit het Natura 2000beheerplan Veluwe. Daarnaast kan het uitwerken en inbedden van een netwerk van oude, aftakelende en dode bomen (NOAD) (zie § 6.4.4) bijdragen aan het leefgebied van vliegend hert. Hierbij moet wel voldoende rekening worden gehouden met de habitatvereisten en beperkte dispersiecapaciteit van vliegend hert. Of en in welke mate op landschapsschaal leefgebiedversnippering plaatsvindt door afwezigheid van oude, aftakelende eiken en/of eikenverjonging en de aanwezigheid van brede houtwallen met oude en aftakelende eiken is onvoldoende in beeld en is opgenomen als kennisleemte (§ 5.3.3 Versnippering van leefgebied zwarte specht en vliegend hert) (bijlage 7, Mbo52b).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13188904/1