St. t.k.n. nr. 3. Bijlage Herstelprogramma Bossen GS mei 2023
Tekst van het document
De intensiteit waarmee de bodem wordt bereden is van belang voor de mate waarin bodemverdichting optreedt, hoe vaker een bodem bereden wordt hoe groter de bodemverdichting. Bij de eerste passage van een machine treedt echter reeds ca. 60% van de potentiële verdichting op (Bron: Ampoorter et al., 2008). Met andere woorden: na één passage is het grootste kwaad reeds geschied. Gecombineerd met het trage herstel van verdichte bodems betekent dit dat, wanneer er over een aantal decennia meermaals gereden wordt, de bosbodem over grote oppervlaktes verdicht zal zijn.
Bodembewerking Grootschalige, vlaktegewijze bodembewerking op kapvlaktes leidt veelal tot een afname van dood hout en tot het verdwijnen van potentiële nestlocaties voor o.a. mieren en wespen. Omdat door bodembewerking versneld bosverjonging optreedt zal de open ruimte maar minimaal functioneren als tijdelijk habitat voor licht- en warmteminnende soorten en voor nectarplanten.
45
Herstelprogramma Bossen | Natura 2000 Veluwe | Mei 2023
Specifiek op oude bosbodems heeft bodembewerking daarnaast ook sterk negatieve effecten op de bodemkwaliteit. Oude bosbodems hebben een zeer uitgebreide en diverse bodemfauna. In de loop van de tijd kan daarnaast een dik ectorganisch humuspakket ontstaan (‘H-laag’). Deze bevat een waardevol en bijzonder zeldzaam bodemarchief van o.a. pollen en koolstof (Bron: Smeenge et al., 2021). Daarnaast fungeren deze humusprofielen als voorraadkasten voor basische nutriënten (Bron: Bijlsma et al., 2020). Door bodembewerking wordt het opgebouwde humusprofiel sterk verstoord of zelfs volledig tenietgedaan, waardoor het aanwezige bodemvoedselweb zeer sterk wordt aangetast (Bron: Den Ouden & Mohren, 2020).
Experimentele bodemherstelmaatregelen Binnen alle bodemtypen op de Veluwe spelen problemen met bodemverzuring, nutriëntenonbalans en het vrijkomen van toxisch aluminium als gevolg van een lange periode van te hoge stikstofdepositie (Bron: Kieskamp & Smeenge, 2021). Voor duurzaam bodemherstel zal in ieder geval de huidige stikstofdepositie omlaag moeten, maar daarmee is de historische verzuring niet opgelost. Een effectieve bodemherstelmaatregel is echter niet voorhanden (Bron: Bobbink et al., 2022) (zie ook § 5.3 Kennisleemten en onderzoek). Steenmeeltoediening is mogelijk een geschikte herstelmaatregel, maar de effectiviteit hiervan voor bodemherstel in bossen is nog onzeker en ongewenste neveneffecten zijn denkbaar, zeker in oude bossen met dikke humusprofielen (zie ook Bodembewerking hierboven).
Aanplant van uitheemse en niet-autochtone herkomsten in kwalificerend boshabitat De kwalificerende boshabitats op de Veluwe vormen in veel gevallen belangrijke relicten van populaties van autochtone bomen en struiken (Bron:Rövekamp & Maes, 2002). Deze populaties zijn een belangrijk onderdeel van de Veluwse biodiversiteit en moeten daarom beschermd worden. Autochtone bomen en struiken zijn van groot belang voor het functioneren van onze (bos)ecosystemen. Iedere boom- of struiksoort kent tal van organismen die met deze soort geassocieerd zijn. De juiste autochtone genetische achtergrond is in veel gevallen essentieel bij deze subtiele ecologische relaties. Het tijdstip van uitlopen van autochtone bomen of struiken loopt bijvoorbeeld vaak synchroon met het uitkomen van eitjes van onze inheemse vlinders. Een inheemse boom- of struiksoort waarvan het zaad uit Zuidoost-Europa komt, kan weken vroeger uitlopen waardoor de jonge rups het geschikte jonge bladstadium misloopt (Bron: Van Kemenade et al., 2021). Ook de verschillen in de bloeiperiode van veel autochtone bomen en struiken zijn van belang voor bloemzoekende insecten om continu voldoende nectar te kunnen vinden.
Bescherming en duurzaam behoud van populaties van autochtone bomen en struiken van voldoende omvang is ook van belang om te zorgen dat deze soorten, en daarmee de oude loofbossen die door deze soorten gevormd worden, hun evolutionair potentieel behouden. Autochtone bomen en struiken op de Veluwe zijn al eeuwen aangepast aan het grillige klimaat en de veelal droge groeiplaatsomstandigheden op de Veluwe. Daarnaast bezitten ze een veel grotere genetische variatie dan gangbaar plantgoed waarmee het grootste deel van de Veluwe de afgelopen 150 jaar is bebost. Gangbaar plantgoed is doorgaans verkregen door selectie en doorkweken van specifieke herkomsten, vaak op basis van houtteeltkundige kwaliteiten, en heeft daardoor een veel kleinere genetische bandbreedte dan autochtone bomen en struiken. Hierdoor zijn autochtone bomen en struiken waarschijnlijk veel beter in staat om veranderingen in klimaat, veranderingen van de standplaats, nieuwe ziekten en nog onbekende milieuproblemen in de toekomst op te vangen. Een populatie die een brede genetische basis bezit én goed is aangepast aan de lokale omstandigheden heeft een grotere kans om zich aan te passen aan veranderende (klimatologische) omstandigheden (Bron: Van Kemenade & Maes, 2019). Hiervoor is het wel van belang dat deze populaties ook in voldoende omvang aanwezig zijn (Bron: Buiteveld & Copini, 2019; Ministerie van LNV, 2021).
46
Herstelprogramma Bossen | Natura 2000 Veluwe | Mei 2023
Voor duurzame instandhouding van de populaties van autochtone bomen en struiken dienen dus niet enkel de bestaande individuen behouden te worden, maar dienen de populaties ook in staat gesteld te worden zich te verjongen en dient verjonging zich duurzaam te kunnen vestigen en handhaven. Door aanplant en spontane uitzaaiing van uitheemse soorten wordt de verjongingsruimte voor autochtone bomen en struiken (en kruisingen van autochtone herkomsten en andere herkomsten) ingenomen door andere soorten en wordt duurzame instandhouding van autochtone boom- en struikpopulaties bemoeilijkt. Aanplant en spontane uitzaaiing van uitheemse soorten buiten de oude boskernen hoeft geen probleem te zijn en kan - onder de juiste voorwaarden – ook juist bijdragen aan de klimaatbestendigheid van de bossen op de Veluwe. De exacte gevolgen van klimaatverandering voor onze bossen zijn onzeker. Hoewel autochtone boom- en struikpopulaties een brede genetische variatie hebben als gevolg van eeuwenlange aanpassingen aan historische klimatologische schommelingen, is het uiteindelijk onzeker of de populaties in voldoende mate de (genetische) kwaliteiten bezitten om de huidige klimaatveranderingen te kunnen doorstaan. De huidige verandering gaat veel sneller en is van veel grotere omvang dan de historische klimaatveranderingen die de autochtone populaties doorgemaakt hebben.
Daarnaast is het de vraag of bijvoorbeeld de afstemming tussen bloei en vliegperiode van autochtone bomen en struiken en onze inheemse fauna ook stand houdt onder het veranderende klimaat of dat andere herkomsten in de toekomst mogelijk een betere match blijken (Bron: Van der Aa et al., 2015). Hiervoor is kruisbestuiving tussen autochtone populaties en andere herkomsten wel waardevol. Doordachte toepassing van andere herkomsten van inheemse soorten en/of Europese soorten gericht op klimaatadaptatie kan buiten de oude loofbossen daarom onderdeel zijn van een klimaatadaptatiestrategie, zolang dit niet ten koste gaat van duurzame instandhouding van autochtone boom- en struikpopulaties en geen knelpunt vormt voor het Natura 2000-doelbereik.
(Onbedoelde) negatieve effecten van beheermaatregelen voor kritische soorten Bosbeheermaatregelen kunnen directe of indirecte negatieve gevolgen hebben voor sommige soorten van bos. Naarmate populaties van soorten kleiner zijn kunnen onzorgvuldig uitgevoerde beheermaatregelen verstrekkende gevolgen hebben voor de duurzame instandhouding van een soort. Een voorbeeld hiervan zijn de meest bedreigde korstmossoorten van de oude bossen op de Veluwe. Door hun specifieke ecologie komen deze soorten vaak maar op enkele bomen voor. Een ongelukkig uitgevoerde structuurkap kan, hoe kleinschalig ook, grote effecten hebben op de duurzame instandhouding van een soort (Bron: Herk et al., 2000). Een ander voorbeeld zijn de effecten van dunning in naaldbossen op de VHR-soort wespendief. Voorafgaand aan dunning zal altijd worden geïnventariseerd op beschermde soorten, waaronder roofvogels. Nesten van wespendieven zijn bij goed zoekwerk echter slechts deels op te sporen waardoor nog wel eens een nest wordt gemist. Daarnaast leidt dunnen in de wijde omgeving van het nest tot verminderde dekking en daarmee tot een verhoogde predatiekans door havik (Bron: Bijlsma, 2020).
Om rekening te houden met kritische soorten is het ten eerste van belang dat voldoende in beeld is welke soorten voorkomen in het terrein (zie ook § 5.3 Kennisleemten en onderzoek) en is voldoende kennis over de ecologie van deze soorten noodzakelijk. Voor beide is veelal specialistische kennis noodzakelijk. Tot slot moet de werkwijze aangepast worden door bijvoorbeeld op een ander moment uit te voeren, meer gefaseerd of kleinschaliger te werken. Dit vraagt om flexibiliteit van bosbeheerders en aannemers, maar bijvoorbeeld ook van beleidsmakers en subsidiegevers.
47
Herstelprogramma Bossen | Natura 2000 Veluwe | Mei 2023
Onzorgvuldig of ongewenst beheer in boshabitat of leefgebied door onbekendheid Natura 2000-beleid De habitatbossen zijn vaak sterk versnipperd aanwezig binnen grotere boscomplexen en liggen deels binnen het bosbezit van relatief kleine boseigenaren. Eigenaren zijn zich er soms niet van bewust dat ze bijzondere habitatbossen in bezit hebben of hebben onvoldoende in beeld welke beleidsmatige consequenties aan deze status verbonden is. Hierdoor komt het voor dat binnen de habitatbossen beheermaatregelen worden getroffen die onvoldoende rekening houden met de bijzondere kwaliteiten van deze bossen. De specifieke VHR-soort vliegend hert komt daarnaast voor buiten de Natura 2000-begrenzing, bijvoorbeeld binnen de bebouwde kom. Woonwijken zijn aangelegd op plekken waar vroeger houtwallen of bosranden aanwezig waren, waardoor het vliegend hert nu vaak in tuinen is aan te treffen. Indien bewoners niet op de hoogte zijn van de essentiële onderdelen van het leefgebied van het vliegend hert, kan de populatie snel verdwijnen. Denk daarbij aan het verwijderen van oude bomen en boomstronken die als broedboom fungeren of het opruimen van bielzen waarin larven huizen (Bron: Smits & Krekels, 2008).
Beheer gericht op brandveiligheid Grootschalige onbeheersbare natuurbranden zijn een groot veiligheidsrisico op de Veluwe. Hoewel de kans op grootschalige branden niet groot is, neemt de kans door lange droogteperiodes in het voorjaar en de zomer wel toe. Met name rondom dorpen, recreatieparken en andere drukke locaties op de Veluwe kan dit tot risicovolle situaties leiden. Om deze risico’s zoveel mogelijk te beperken werken boseigenaren samen met de brandweer en andere instanties aan natuurbrandbeheersingsplannen voor de Veluwe. Deze plannen moeten het ontstaan van natuurbranden zo veel mogelijk voorkomen en snelle bestrijding van branden mogelijk maken zodat deze niet oncontroleerbaar worden. Maatregelen uit deze plannen gaan onder andere over het beheer en de inrichting van de bossen op de Veluwe. Deze zullen weinig gaan over de oude loofbossen (o.a. habitatbossen beuken-eikenbossen met hulst (H9120) en oude eikenbossen (H9190)) omdat deze weinig gevoelig zijn voor natuurbrand. Door het hoge aandeel loofbomen en de dikke (loof )humuspakketten hebben deze bossen een brandremmende werking. (Jongere) grovedennenbossen en geleidelijke overgangen naar open terreindelen kunnen echter wel natuurbrandrisico’s met zich meebrengen omdat natuurbranden zich snel kunnen uitbreiden door de zeer brandbare grovedennenboomkronen.
Maatregelen gericht op natuurbrandbeheersing kunnen daarom bestaan uit het lokaal verwijderen van grove den uit bossen en bosranden en uit het verwijderen van dood hout uit bossen nabij drukke locaties. Wanneer dit op grote schaal gebeurt kan dit leiden tot versnippering van leefgebied van soorten afhankelijk van naaldbos en dode naaldbomen zoals bijvoorbeeld VHR-soort zwarte specht (zie ook § 5.1.2 Verlies aan ruimtelijke samenhang en versnippering).
Grote eenheden natuur Binnen een grootschalige eenheid natuur (GEN) vindt in beginsel geen beheer plaats en is de spontane ontwikkeling leidend. Op de Veluwe zijn de Veluwezoom en het Deelerwoud grotendeels aangewezen als een GEN. Het realiseren van zelfregulerende natuur binnen landschapsecologisch complete eenheden is één van de hoofddoelen van Natura 2000. De handicap van de Veluwse GEN is echter dat het eenzijdig arme droge ecosystemen betreft die (nog) beperkt verbinding hebben met natte en rijkere habitattypen en dus geen landschapsecologisch complete eenheden betreffen. Daarnaast is de uitgangssituatie van de bossen binnen de GEN relatief eenvormig en gelijkjarig en is de wilddruk permanent hoog. Daarbij worden de heide en stuifzanden wel beheerd om deze open te houden. Daarmee is het de vraag of
48
Herstelprogramma Bossen | Natura 2000 Veluwe | Mei 2023
m.n. de oude eikenbossen (H9190), maar mogelijk ook de beukenbossen met hulst (H9120), zichzelf in stand kunnen houden en in areaal gelijk kunnen blijven binnen de GEN. Omdat binnen het gehele Natura 2000-gebied nog niet voldoende boshabitat is en de doelen voor VHR-soorten nog niet zijn gehaald, mogen deze ook binnen de GEN niet achteruitgaan, ook niet wanneer dit ten gunste van andere habitats of VHR-soorten gebeurt. Momenteel is onvoldoende in beeld hoe de ontwikkeling van de boshabitats en daaraan gebonden soorten zich ontwikkelingen binnen de GEN (zie ook H 7 Monitoring).
5.1.5
Wilde hoefdieren Wilde hoefdieren zoals edelhert, damhert, wild zwijn en ree zijn een belangrijk onderdeel van natuurlijke bosecosystemen. De Veluwe is door de aanwezigheid van met name edelherten en wilde zwijnen uniek binnen Nederland en draagt daarmee bij aan de landelijke ecologische variatie (Bron: Bijlsma et al., 2022). Wilde hoefdieren hebben een grote invloed op hun omgeving door begrazing, wroeten en vegen van jonge bomen en faciliteren daarmee het voorkomen van verschillende andere soorten (Bron: O.a. Den Ouden et al., 2020; Ramirez et al., 2019). De oude eikenstrubbenbossen op de Veluwe zijn bijvoorbeeld het resultaat van de historisch hoge graasdruk (door schapen) (Bron: Copini et al., 2006). Behoud en de verdere ontwikkeling van eikenclusters en daarmee natuurlijke uitbreiding van het habitattype oude eikenbossen (H9190) is daarom afhankelijk van een aanzienlijke graasdruk. De huidige continu hoge graasdruk over de gehele Veluwe brengt echter ook knelpunten met zich mee. De voorjaarsstanden van wild zwijn op de Veluwe zijn sinds 1990 structureel toegenomen, en voor edelhert zelfs ruimschoots verdubbeld (Bron: Vereniging wildbeheer Veluwe, 2019). Hierdoor hebben wilde dieren over grote delen van de Veluwe zeer grote effecten op de bosontwikkeling en ontstaan de hieronder uitgewerkte knelpunten met zich mee.
49
Ontoereikende bosverjonging in boshabitat en uitbreidingsgebied Wilde grazers, met name edelherten, hebben een grote invloed op de dichtheid, samenstelling en het vestigingssucces van verjonging van boom- en struiksoorten. Een toenemende graasdruk leidt tot een afname van de diversiteit aan boom- en struiksoorten, het verdwijnen van de struiklaag en een dominantie van naaldboomsoorten (Bron: Den Ouden et al., 2020). Bij een toenemende graasdruk van met name edelhert op de Veluwe worden selectief eerst smakelijke soorten zoals lijsterbes, vuilboom en hulst aangevreten, vervolgens eik en berk en tot slot pas uitheemse soorten als Amerikaanse vogelkers, Amerikaanse eik en naaldbomen als grove den, douglas en Japanse lariks. Wanneer deze graasdruk structureel en op landschapsschaal plaatsvindt wordt de continuïteit van bosverjonging binnen de habitatbossen beuken-eikenbossen met hulst (H9120) en oude eikenbossen (H9190) en de beoogde uitbreidingsgebieden van deze bossen belemmerd (Bron: Bijlsma & Janssen 2021; Den Ouden et al., 2020). Er zijn momenteel onvoldoende structureel verzamelde data beschikbaar over verjongings- en vestigingssucces van verschillende boom- en struiksoorten in relatie tot graas- en wroetdruk op de Veluwe om de gevolgen overal eenduidig vast te stellen (zie ook Ineffectieve effectbeoordeling op Natura 2000-doelbereik verderop).
Daarnaast is het lastig om eenduidige en systematisch evalueerbare criteria te formuleren omtrent het Natura 2000-doelbereik ten aanzien van continuïteit in bosverjonging op landschapsschaal (zie ook § 5.3 Kennisleemten en onderzoek).
Herstelprogramma Bossen | Natura 2000 Veluwe | Mei 2023
Het is echter wel voldoende aannemelijk op basis van de bestaande gegevens over bosverjonging in de Veluwse bossen, dat onder de huidige graasdruk op de grootste delen van de Veluwe meer smakelijke en/of langzaam groeiende soorten zoals lijsterbes, boswilg, ratelpopulier, hulst en winter- en zomereik maar een beperkte rol zullen spelen in de spontane ontwikkeling van de habitatbossen. Dit geldt zowel binnen het huidige habitatbos als in bijvoorbeeld open grovedennenopstanden in de beoogde uitbreidingsgebieden voor het boshabitat. Dit heeft negatieve effecten op de kwaliteit van de habitatbossen, de klimaatbestendigheid van deze bossen en op de weerbaarheid tegen verdere bodemverzuring binnen deze bossen (Bron: Den Ouden et al., 2022) (zie ook verderop).
Edelherten op de Hoge Veluwe (fotografie: Maas van de Ruitenbeek/Buiten-Beeld)
Adaptatievermogen van bomen en struiken in het veranderende klimaat wordt beperkt door de actuele hoge graasdruk Langdurig uitblijven van verjonging is geen probleem voor het voortbestaan van populaties van boomsoorten wanneer de primaire groeiplaatsomstandigheden (klimaat, bodem en hydrologie) constant blijven. Dit is echter wel een probleem nu de groeiplaatsomstandigheden veranderen als gevolg van klimaatverandering en bodemverzuring. Het regelmatig optreden van verjongingsgolven van boom- en struiksoorten is het sleutelproces achter aanpassing van boompopulaties aan nieuwe milieuen klimaatomstandigheden. In de periode 2018-2021 is er bijvoorbeeld door de zomerdroogte veel sterfte opgetreden onder jonge zaailingen. In de meeste gevallen zijn er echter ook individuen die de droogte wél hebben overleefd. Deze individuen bezitten door hun eigen specifieke genetische achtergrond de fysieke eigenschappen waardoor ze beter tegen droogte bestand zijn. Wanneer deze nieuwe boomgeneratie zich in de toekomst gaat verjongen, wordt enkel genenmateriaal doorgegeven dat de opeenvolgende droogteperiodes van de afgelopen drie jaar heeft overleefd. Door deze natuurlijke selectie is de populatie iets droogteresistenter geworden.
Om de verschillende boomsoorten in de gelegenheid te stellen zich op deze wijze aan te passen aan de snel veranderende klimatologische omstandigheden, is het dus van belang dat ze regelmatig verjongingsgolven doormaken. Hierbij kan bijvoorbeeld worden uitgegaan van de frequentie waarmee droogtes optreden in Nederland. Op deze momenten in de verjongingsfase kan natuurlijke selectie ingrijpen op de genetische samenstelling van de populatie.
50
Herstelprogramma Bossen | Natura 2000 Veluwe | Mei 2023
Gemiddeld treedt een zeer of extreem droog groeiseizoen eens in de ongeveer 15 jaar op (Bron: Klein Tank et al., 2014). Vanuit dit perspectief zou verjonging voor alle inheemse loofboomsoorten dus steeds binnen 10-15 jaar in voldoende omvang en met enige geografische spreiding over de Veluwe moeten optreden op locaties die ontvankelijk zijn voor verjonging (Bron: Den Ouden et al., 2022). De huidige graasdruk op de Veluwe is hiervoor echter waarschijnlijk over grote delen van de Veluwe te hoog. Met name meer smakelijke loofboomsoorten zijn structureel ondervertegenwoordigd in de verjonging op de Veluwe (Bron: Den ouden et al., 2022.
Negatieve selectie van boom- en struiksoorten met basenrijk strooisel Grazers prefereren meer smakelijke soorten met basenrijk, goed verterend bladstrooisel zoals bijvoorbeeld lijsterbes, boswilg en ratelpopulier boven soorten met basenarm en slecht verterend strooisel zoals eik, beuk en de verschillende naaldboomsoorten op de Veluwe. Daardoor vindt als gevolg van begrazing een selectie plaats op boomsoorten met basenarm strooisel. Voldoende aanwezigheid van loofboomsoorten met beter afbreekbaar strooisel kan echter verdere bodemverzuring remmen, de pH van de bodem verhogen, de beschikbaarheid van basische kationen verbeteren en de soortenrijkdom vergroten (Bron: Desie et al., 2020; Hommel et al. 2001). De habitatbossen op de Veluwe kennen een historische dominantie van eik en beuk als gevolg van het historische beheer en de dominante concurrentieverhouding van beuk tot andere soorten. Aan deze dominantie ontlenen deze bossen ook een deel van hun biodiversiteit, denk bijvoorbeeld aan VHR-soort vliegend hert en de verschillende (korst)mossen van de malebossen op de Veluwe (Bron: Smit & Krekels, 2008; Bijlsma et al. 2009).
Eik en beuk hebben echter ook slecht verterend strooisel en versterken daarmee de negatieve effecten van bodemverzuring met bijvoorbeeld negatieve gevolgen voor het voorkomen van oudbossoorten als dalkruid, witte klaverzuring en bosanemoon (Bron: Hommel et al., 2001). De bossen buiten de oude loofbossen zijn voor het overgrote deel de afgelopen 150 jaar bebost met naaldboomsoorten die óók de effecten van bodemverzuring versterken. (Spontane) bijmenging van boom- en struiksoorten met beter verterend, meer basenrijk strooisel kan zowel in de habitatbossen als daarbuiten lokaal de effecten van bodemverzuring verzachten en daarmee bijdragen aan behoud en uitbreiding van verschillende karakteristieke soorten van de Veluwe. Deels zijn van deze soorten te weinig zaadbomen aanwezig op de Veluwe om een substantiële toename in de verjonging te kunnen verwachten. Waar echter wel verjonging optreedt van deze soorten wordt deze structureel door grazers gegeten (Bron: Den Ouden et al,. 2022). Onder de huidige graasdruk op het grootste deel van de Veluwe is derhalve een spontane toename van het aandeel boom- en struiksoorten met meer basenrijk strooisel niet te verwachten.
Vanuit het oogpunt van het (lokaal) verzachten van de effecten van bodemverzuring en de positieve effecten van een hoger aandeel soorten met basenrijk strooisel op verschillende karakteristieke bossoorten van de Veluwe is dit echter wel gewenst.
51
Verjonging van eik en leefgebied voor het vliegend hert Vliegend hert is afhankelijk van oude, aftakelende eiken. Om de populatie duurzaam in stand te kunnen houden moeten deze dus continu en voldoende nabij aanwezig zijn in het landschap. Door de huidige graasdruk verjongen eiken echter maar beperkt op de Veluwe (Bron: Den Ouden et al., 2022. Indien op landschapsschaal onvoldoende eiken verjongen, zal de populatie vliegend hert op termijn uitsterven. Mede door het geringe verspreidingsvermogen van het vliegend hert, is het voor duurzame instandhouding essentieel dat voldoende verjonging van eik optreedt nabij de bestaande populaties.
Herstelprogramma Bossen | Natura 2000 Veluwe | Mei 2023
Zeer frequente en intensieve bodemroering door wild zwijn De wroeteffecten van wilde zwijnen horen bij de Veluwse habitattypen en zijn bijvoorbeeld gunstig voor de instandhouding van geschikt leefgebied voor tal van karakteristieke soorten. Frequente en intensieve (chronische) bodemroering door zwijnen in bossen, grazige vegetaties en bermen is echter funest voor lokale populaties van karakteristieke flora en kleine fauna inclusief soorten van dood hout en wortelkluiten (Bron: Bijlsma et al., 2022; Beringen & Bijmold, 2019). Met name binnen de oude eikenbossen (H9190) gaat dit ten koste van verschillende karakteristieke soorten. Ook VHR-soort vliegend hert lijkt lokaal onder druk te staan als gevolg van te hoge predatiedruk van wild zwijn (Bron: Smits & Krekels, 2008).
Niet realiseren van doelen faunabeheer Het hoefdierbeheer op de Veluwe wordt uitgevoerd door tien wildbeheereenheden. De Faunabeheereenheid Gelderland legt per wildbeheereenheid de gewenste doelstanden voor edelhert, wild zwijn, ree en damhert vast. Dit gebeurt op basis van een afweging tussen maatschappelijke belangen (o.a. vermijden van schade aan landbouwgewassen en aanrijdingen), effecten op ecosystemen en de gunstige staat van instandhouding van de hoefdierpopulaties. Elk jaar worden de voorjaarsstanden bepaald aan de hand van zichttellingen en worden de aanwas en zomerstand berekend. Met behulp van de verwachte stand en doelstand wordt vervolgens het te realiseren afschot bepaald (Bron: Faunabeheereenheid Gelderland, 2019). Dit afschot wordt echter in de praktijk regelmatig niet gehaald, zowel qua aantallen als de verdeling over mannelijke en vrouwelijke dieren en gewichts- en leeftijdsklassen (Bron: Vereniging wildbeheer Veluwe, 2019). Het zou wel mogelijk moeten zijn het gewenste afschot te realiseren aangezien dit in verschillende deelgebieden wel gebeurt (Bron: Den Ouden et al., 2020).
Tot slot dient aangetekend te worden dat tellingen op basis van zichtwaarnemingen zeer onbetrouwbaar zijn en dat veelvuldig blijkt dat de daadwerkelijke voorjaarsstanden van zowel edelhert als wild zwijn vele malen hoger liggen dan uit tellingen naar voren komt (Bron: Vereniging wildbeheer Veluwe, 2019; Groot-Bruinderink et al., 2013). Dit betekent dat het te realiseren afschot feitelijk nog hoger zou moeten liggen om de beoogde doelstanden daadwerkelijk te kunnen realiseren.
Ineffectieve effectbeoordeling op Natura 2000-doelbereik De bepaling van het afschot op basis van telgegevens en doelstanden is ontoereikend en ontneemt het zicht op noodzaak te sturen op de effecten van wildpopulaties op het Natura 2000-doelbereik. Het beoordelen en reguleren van de effecten van de populaties wilde hoefdieren op de Veluwe gebeurt historisch aan de hand van de geschatte populatieomvang van deze dieren. Het effect van hoefdieren op de bosontwikkeling is echter niet alleen afhankelijk van de populatiedichtheid, maar bijvoorbeeld ook van terreingebruik en lokale terreinomstandigheden. Het is tevens de verwachting dat de herintrede van de wolf op de Veluwe zal zorgen voor gedragsveranderingen onder de wilde hoefdieren, waardoor mogelijk ook de effecten op de bosontwikkeling (lokaal) zullen veranderen (Bron: Van Ginkel et al., 2019. Daarnaast zijn gebruikte tellingen op basis van zichtwaarnemen onbetrouwbaar en worden de tellingen in de verschillende deelgebieden verschillend uitgevoerd (Bron: Groot-Bruinderink et al., 2013; Den Ouden et al,. 2020). Door de onzekerheid over de populatieomvang en het variabele terreingebruik van de wilde hoefdieren is het bepalen van de benodigde beheerinspanning, noodzakelijk om de Natura 2000-doelen te halen, lastig te onderbouwen op basis van de bestaande schattingen van de populatieomvang (Bron: Den Ouden et al., 2020).
52
Herstelprogramma Bossen | Natura 2000 Veluwe | Mei 2023
Om de effecten van wilde hoefdieren op de bosontwikkeling en de Natura 2000doelen beter te kunnen monitoren heeft de Faunabeheereenheid Gelderland in 2020 het netwerk graasdrukmonitor opgezet. Doel van het netwerk is het monitoren van de vraatdruk van wilde hoefdieren op de bosverjonging. Hiervoor worden verspreid over de Veluwe plots op verjongingsplekken opgemeten, of in bossen waar verjonging te verwachten valt, en wordt vastgesteld of de topscheuten van alle aanwezige houtige individuen binnen een plot door grote herbivoren zijn aangevreten of niet (Bron: Penninkhof et al., 2020). De consequente en Veluwe-brede uitvoering van de graasdrukmonitor en verdere inbedding van de graasdrukmonitor in het faunabeheer in relatie tot de Natura 2000-doelen is essentieel om doelstanden voor de wilde hoefdieren op de Veluwe voldoende onderbouwd te kunnen vaststellen en realiseren.
5.1.6
Klimaatverandering en toenemende droogte Door klimaatverandering zullen hete en droge zomers, zachte en natte winters en zomerstormen met extreme neerslag de komende decennia vaker voorkomen (Bron: Klein Tank, 2014). Welke bedreigingen en risico’s dit oplevert voor de bossen op de Veluwe is afhankelijk van de landschappelijke ligging van het bos, de huidige bosstructuur, boomsoortenmenging en -samenstelling en aanpassingsvermogen van de aanwezige (boom)soortenpopulaties (Bron: Delforterie, 2020). In gemengde bossen op meer rijke en vochtige bodems zullen de effecten zich waarschijnlijk beperken tot afnemende boomgroei door vaker voorkomende droogteperiodes, en mogelijk tot het veranderen van de bossamenstelling. Op de armste, meest droge zandgronden – waarop het grootste deel van het Veluwse bosareaal is gelegen – kunnen de effecten van klimaatverandering potentieel echter zeer ingrijpend zijn. Waar de gestapelde effecten van droogte, toename van plaaginsecten, eenzijdige, ongunstige boomsoortensamenstelling, verhoogde stikstofdepositie (verhoogde stikstofdepositie verhoogt de gevoeligheid voor schimmelinfecties, insectenplagen en vorst- en droogteschade) én een continu hoge wilddruk samenkomen, kan dit leiden tot een sterke degradatie van het bosecosysteem.
Het resultaat zal in het ernstigste geval een zeer open, soortenarme, savanne-achtige bosstructuur opleveren (Bron: Thomassen et al., 2020). In deze veel opener bossen kan meer zonlicht de bodem bereiken en zal de vegetatie verruigen, mede vanwege de doorgaande hoge stikstofdepositie en de geaccumuleerde stikstof in de bosbodem. Hoewel deze bossen ongetwijfeld hun eigen biodiversiteit zullen kennen, zal dit hoe dan ook met een sterk biodiversiteitsverlies gepaard gaan. Hoe groot en omvangrijk de effecten van klimaatverandering uiteindelijk zullen zijn is echter onzeker.
Effecten op boomvitaliteit en bossamenstelling Zachtere winters zijn van invloed op het kiemsucces van inheemse boom- en struiksoorten die een relatief lange en ononderbroken koudeperiode nodig hebben om de kiemrust van zaden te doorbreken. Dit gaat bijvoorbeeld om es, beuk, zoete kers, jeneverbes en hulst (Bron: Van der Aa et al., 2015). De temperatuurstijging zorgt er daarbij voor dat het groeiseizoen in 2050 waarschijnlijk drie tot zes weken vroeger start dan in het jaar 2000, waardoor een verhoogde kans op vorstschade ontstaat doordat bomen en andere planten vroeger uitlopen. Naar verwachting krijgt daardoor circa 35% van het Europese gematigde bos te maken met toenemende zaailingsterfte door late voorjaarsvorst (Bron: Zohner et al. 2020). Daarnaast leidt toenemende droogte in de zomer tot vochttekorten en tot verminderde groei en vitaliteit van bomen. Ook kan hierdoor de vatbaarheid voor ziekten en plagen toenemen (Bron: Van der Aa et al., 2015). De actuele grootschalige aantastingen van bastkevers bij fijnspar en lariks zijn daar de meest bekende voorbeelden van.
53
Herstelprogramma Bossen | Natura 2000 Veluwe | Mei 2023
In Duitsland en België zijn echter ook al problemen met lokaal afstervende bossen van grove den als gevolg van de schimmel Sphaeropsis sapinea en van de dennenbastkever vastgesteld (Bron: Thomassen & Nyssen, 2022. Groot-schalig sterven van naaldbomen op de Veluwe, inclusief grove den, kan een groot knelpunt worden voor o.a. VHR-soort zwarte specht en andere soorten afhankelijk van de halfopen grovedennenbossen op de Veluwe. De mate waarin droogte effect heeft op bomen, verschilt per boomsoort, herkomst en groeiplaats. Uit recent onderzoek blijkt dat de droogte in 2003, 2018 en 2019 maar beperkt tot geen effect heeft gehad op de omtrekgroei van (waarschijnlijk grotendeels autochtone) zomer- en wintereik en beuk op de Veluwe. Daarbij komt dat Nederland voor alle drie deze soorten in het centrum van het verspreidingsgebied ligt, waardoor ze hopelijk een goede en voldoende brede genetische achtergrond hebben om zich aan te kunnen passen aan veranderende klimatologische omstandigheden. Daarbij zeggen de onderzoeksresultaten echter maar beperkt iets over de effecten van meerdere opeenvolgende jaren met droogte. Tevens is geconstateerd dat huidige populaties nu reeds beter functioneren onder koudere omstandigheden. Door de recente opwarming lijken deze soorten dus al minder goed te functioneren in hun huidige herkomstgebied.
Dit laat zien dat op de langere termijn de genetische opbouw van de populatie zich via natuurlijke selectie op nakomelingen zal moeten aanpassen. Deze genetische aanpassing verloopt traag en vergt meerdere generaties, en voor een soort als de wintereik lijken lokale (of autochtone) herkomsten niet in staat om zich voldoende snel aan te passen, zodat inbreng van genetisch materiaal uit warmere en drogere herkomstgebieden noodzakelijk lijkt voor voldoende klimaatadaptatie (Bron: Mátyás, 2021; Mátyás & Kramer, 2016). Naaldboomsoorten zoals grove den en douglas lieten daarbij in de droge jaren van 2003, 2018 en 2019 wel een sterk verminderde groei zien. Bij lariks zette de beperkte groei zich ook door in de jaren na de droogte (Bron: Lerink et al., 2019; Buras et al., 2020.). Boomgroei is essentieel voor de overleving van bomen omdat zo nieuwe vaten worden gemaakt voor het watertransport in dat jaar en voor het komende jaar. Als extreme omstandigheden zich aaneenrijgen dan kan een boom in een vicieuze cirkel terechtkomen waarin steeds minder vaten kunnen worden aangemaakt, er minder water naar boven getransporteerd kan worden en de boom aftakelt en uiteindelijk dood gaat.
Of, in welke mate en voor welke boomsoorten op de Veluwe grootschalige vitaliteitsproblemen gaan spelen en welke effecten dit heeft op duurzame instandhouding van VHR-soorten, prioritaire soorten en Gelderse aandachtssoorten is onvoldoende duidelijk (zie ook § 5.3 Kennisleemten en onderzoek).
54
Toenemende kans op natuurbranden Door toenemende droogte zal ook het risico op bos- en natuurbranden groeien. In het voorjaar bestaat de ondergroei van veel bossen uit de zeer brandbare, dode delen van bochtige smele en pijpenstrootje. Daarom zijn voorjaarsbranden in Nederland gebruikelijker dan zomerbranden. In de heel droge jaren 2018, 2019 en 2020 nam echter ook het aantal zomerse bos- en natuurbranden fors toe door de hoge zomertemperaturen en het vaak wekenlang uitblijven van regen. Bij zomerbranden na droogte is niet alleen de vegetatie droog genoeg om intensief te branden, maar ook de strooisellaag. Door deze hogere intensiteit dringen hoge temperaturen dieper de bodem in en duurt vegetatieherstel beduidend langer: er treedt minder verjonging vanuit zaad of uitlopende planten op (Bron: Jansen et al., 2020). Met name bossen gedomineerd door naaldbomen hebben een groter brandrisico. De habitatbossen beuken-eikenbossen met hulst (H9120) en oude eikenbossen (H9190) zijn weinig gevoelig voor natuurbrand. Door het hoge aandeel loofbomen en de dikke (loof )humuspakketten hebben deze bossen een brandremmende werking.
Herstelprogramma Bossen | Natura 2000 Veluwe | Mei 2023
Geografische verspreiding en fluctuaties populatieomvang soorten Door het warmer worden van het klimaat schuiven warmteminnende, zuidelijke soorten steeds noordelijker op. Veel koudeminnende soorten met een meer noordelijke verspreiding sterven uit of trekken zich terug richting het noorden (Bron: Herk et al., 2002; Van der Staaij, 2008). Het aandeel soorten dat met de temperatuurverschuiving weet mee te bewegen is echter kleiner dan het aandeel dat dit niet of onvoldoende redt (Bron: Bertrand et al., 2011). Voor de meeste soorten geldt dat er onvoldoende aaneengesloten leefgebied aanwezig is om te kunnen migreren (Bron: Wallis de Vries, 2016. Doordat niet alle soorten kunnen meebewegen zullen deze ook deels verdwijnen. Daarentegen komen hier ook weer (vaak algemene, meer generieke) zuidelijke soorten voor in de plaats. Van ruim de helft tot driekwart van de kenmerkende plantensoorten van de habitatbossen beuken-eikenbossen met hulst (H9120) en oude eikenbossen (H9190) wordt verwacht dat ze onder druk staan als gevolg van de verwachte gemiddelde jaartemperatuurstijging (Bron: Wamelink et al., 2020.
Weersextremen, zoals extreme droogte, hevige neerslag en hittegolven, en natuurbranden als gevolg van deze weersextremen, leiden tot slot onder meer tot grotere schommelingen in populatiegrootte, waardoor vooral soorten met kleine en of meer geïsoleerde populaties in de toekomst een grotere kans lopen om uit te sterven.
5.1.7
Verdroging Onder verdroging wordt verstaan de door menselijk handelen veroorzaakte structurele daling van het grondwater en structurele vermindering van kwelwaterhoeveelheden (Bron: Van der Eertwegh et al., 2021). De Veluwe is in het verleden veel natter geweest dan tegenwoordig. Menselijk handelen, met name het veranderende landgebruik (van heide en stuifzanden naar bos en landbouw-gronden), de daaraan verbonden grondbewerking, grondwateronttrekkingen en verstoring van de ondergrond door bebouwing, heeft deze verdroging veroorzaakt. De (historisch) vochtige tot natte gebieden op de Veluwe betreffen lokale grondwatersystemen met een schijngrondwaterspiegel of kwelgebieden op de stuwwalflanken. De exacte historische verbreiding van vochtige en natte gebieden op de Veluwe is echter onbekend en ook in hoeverre deze nog hersteld kunnen worden (Bron: Bijlsma et al., 2022.). Om deze gebieden te kunnen herstellen of versterken is in veel gevallen meer inzicht nodig in de werking van het (grond)watersysteem.
5.1.8
Verstoring Verstoringen door geluid, licht of eenvoudigweg aanwezigheid van mensen kunnen een groot effect hebben op de beschermde natuurwaarden van de Veluwe. Veel van deze effecten kunnen worden gerelateerd aan recreatie of defensieactiviteiten. Deze mogelijk knelpunten worden geadresseerd in het recreatiezoneringsplan voor de Veluwe. Voor overige activiteiten die kunnen leiden tot extra verstoring wordt verwezen naar het vergunningenkader in het Natura 2000beheerplan. Verstoring kan lokaal ook positieve effecten hebben op de overleving van bosverjonging doordat de aanwezigheid van recreanten zorgt voor meer onrust onder wilde hoefdieren waardoor bosverjonging minder begraasd wordt (Bron: Mols et al., 2022). Dat laat onverlet dat andere soorten op drukke plekken nog wel de negatieve effecten van verstoring ondervinden.
5.1.9
Invasieve exoten Invasieve exoten zijn soorten die van nature niet in Nederland voorkomen en hier onevenredig abundant voorkomen en zich met grote kracht kunnen uitbreiden en verspreiden. Voorbeelden zijn planten als Japanse duizendknoop, bonte gele dovenetel en groot nagelkruid of insecten als Aziatisch lieveheersbeestje. Daarnaast zijn ook vanuit bosbouwkundig of landschappelijk oogmerk in het verleden uitheemse bomen en struiken aangeplant zoals Amerikaanse vogelkers, Amerikaanse eik, Robinia, Douglas, Japanse lariks.
55
Herstelprogramma Bossen | Natura 2000 Veluwe | Mei 2023
Invasieve exoten vormen een bedreiging voor de biodiversiteit omdat ze bestaande verhoudingen tussen van nature aanwezige soorten verstoren en inheemse soorten geheel of gedeeltelijk verdringen (Bron: Williamson & Griffiths, 1996.
(Invasieve) uitheemse boom- en struiksoorten Een groot deel van de bossen op de Veluwe is in het verleden aangeplant met uitheemse soorten ten behoeve van houtproductie, bodemverbetering of landschappelijke verfraaiing. Een groot deel van deze soorten is inmiddels dusdanig verspreid dat volledige verwijdering uit het landschap niet reëel meer is. Specifiek voor Amerikaanse vogelkers, Amerikaanse eik en Robinia is bovendien momenteel geen effectieve bestrijdingsmethode voorhanden zonder gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen of nadelige effecten op de bosbodem door grootschalige bodemroering (zie ook § 5.3 Kennisleemten en onderzoek). Sommige van deze soorten hebben daarbij ook positieve effecten. Naaldbossen van douglas en Japanse lariks worden bijvoorbeeld sterk geprefereerd als broedbiotoop door roofvogels (Bron: Bijlsma, 2020) en bieden volop voedsel aan zaadetende vogels in de winter (m.n. Japanse lariks) (Bron: Van den Burg & van Geneijgen, 2014). Amerikaanse vogelkers kan door het relatief basenrijke strooisel van de soort de effecten van bodemverzuring verzachten (Bron: Desie et al., 2020). Veluwebrede bestrijding van deze soorten is derhalve niet reëel en ten dele ook niet noodzakelijk. Er zijn echter wel specifieke situaties waarin deze uitheemse soorten knelpunten opleveren voor het behalen van de Natura 2000-doelen en waar bestrijding noodzakelijk is.
Specifiek de habitatbossen oude eikenbossen (H9190) zijn erg gevoelig voor grootschalige kolonisatie door Amerikaanse vogelkers, Amerikaanse eik of Japanse lariks vanwege de open bosstructuur en de afwezigheid van andere concurrentiekrachtige inheemse boom- en struiksoorten binnen het bostype. De soorten verbonden aan deze bossen zijn echter juist ook sterk afhankelijk van deze open, ijle bosstructuur (bijv. bosparelmoervlinder, hengel en wilde appel). Voor duurzame instandhouding van deze bossen en de soorten verbonden aan deze bossen is de aanwezigheid van uitheemse bomen die zich invasief gedragen dus een groot knelpunt, ondanks de eventueel positieve neveneffecten van deze soorten. De beuken-eikenbossen met hulst (H9120) zijn minder gevoelig voor grootschalige kolonisatie doordat deze bossen overwegend veel donkerder en meer gesloten zijn. Binnen de jongere successiestadia van dit bostype kan Amerikaanse vogelkers echter wel gaan woekeren, waardoor een dichte struiklaag ontwikkelt en de habitatkwaliteit vermindert. Grootschalige aanwezigheid van uitheemse soorten in en in de omgeving van de habitatbossen zorgt voor een blijvende zaaddruk waardoor continu beheer noodzakelijk blijft en gaat ten koste van de uitbreidingsmogelijkheden doordat de uitheemse soorten de verjongingsruimte van inheemse soorten innemen.
Bestrijding van uitheemse soorten binnen de beuken-eikenbossen met hulst (H9120) kan in enkele gevallen op gespannen voet staan met de cultuurhistorische waarde van deze bossen. Binnen historische landgoederen en buitenplaatsen, met name in parkbossen, zijn in het verleden vaak uitheemse boom- en struiksoorten aangeplant ter verfraaiing van het landschap. Sommige hiervan, zoals bijvoorbeeld rododendron en bamboe, kunnen zich lokaal sterk uitbreiden en beconcurreren daarmee inheemse bomen en struiken.
56
Uitheemse planten en ongewenste tuinsoorten Naast bomen en struiken komen ook verscheidene invasieve uitheemse planten voor binnen de bossen op de Veluwe. Deze komen hier veelal terecht als gevolg van illegale tuinafvaldumpingen of de soorten zijn reeds grootschalige aanwezig in het landschap. Deze soorten kunnen een ernstige bedreiging vormen voor de bijzondere inheemse mantel-zoomvegetaties en oudbosplanten van de bossen op de Veluwe. Veel van de historische boscomplexen liggen direct tegen bebouwing aan waardoor relatief veel tuinafvaldumpingen plaatsvinden. Herstelprogramma Bossen | Natura 2000 Veluwe | Mei 2023
5.1.10
Beleidsmatige knelpunten In sommige gevallen staan tegenstrijdigheden binnen bestaand beleid het duurzaam behalen van de instandhoudingsdoelen in de weg.
Houtopstanden in de Wet natuurbescherming Het bosareaal in Nederland is beschermd onder de Wet natuurbescherming. Dat betekent onder andere dat wanneer een bosopstand wordt geveld of op andere wijze ‘teniet wordt gedaan’ (bijvoorbeeld door storm, massaal boomsterven als gevolg van droogte of insectenaantasting), de boseigenaar ervoor moet zorgen dat bos van minimaal vergelijkbare ecologische kwaliteit zich opnieuw vestigt op de open plek. Wanneer door middel van aanplant aan deze herplantplicht wordt voldaan, moet deze binnen drie jaar gerealiseerd zijn. Wordt gekozen voor natuurlijke verjonging, dan moet binnen zes jaar voldoende verjonging gerealiseerd zijn om binnen tien jaar tot een gesloten kronendak te kunnen komen. Langdurig open, grazige ruimtes zijn echter in een begraasd boslandschap als de Veluwe onderdeel van de natuurlijke bosontwikkeling. Verschillende mantelzoomvegetaties, oudbosplanten, bosmieren (voedsel voor draaihals en zwarte specht) en Gelderse aandachtssoorten als de bosparelmoervlinder zijn afhankelijk van de continue aanwezigheid van deze open ruimtes in ruimte en tijd. Specifiek in grotere open ruimtes in de oude eikenbossen (H9190) kan eik zich vestigen en, in periodes met een lagere graasdruk, doorgroeien naar het kronendak.
Het versneld dicht laten groeien of dichtplanten van deze open plekken, zoals voorgeschreven in de Wet natuurbescherming, is ongewenst voor de duurzame instandhouding van de kwaliteiten van de beide boshabitattypen beukeneikenbossen met hulst (H9120) en de oude eikenbossen (H9190). Binnen de Wet natuurbescherming is opgenomen dat een herbeplanting in het kader van de herplantplicht geen schade toe mag brengen aan de natuurlijke kenmerken en instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000. Deze tegenstrijdigheid in de Wet natuurbescherming vormt voor het behalen van de Natura 2000-doelen een aandachtspunt bij de beoordeling door het bevoegd gezag van de herplantplicht.
57
Ontwikkeling van oude eikenbossen (H9190) in open kwalificerend habitat Voor het areaal oude eikenbossen (H9190) geldt een uitbreidingsdoelstelling. De huidige oude eikenbossen (H9190) op de Veluwe zijn in het verleden over het algemeen ontstaan door ontwikkeling van eikenstrubbenbossen in het open heidelandschap, door gerichte aanplant van eik of zijn voortgekomen uit oudere eikenhakhoutbossen. In nagenoeg alle gevallen zijn deze bossen ontstaan in een open landschap, daarbij vaak geholpen door de mens door aanplant, inboet, dunning, uitrasteren en het bejagen van wild. Zowel zomer- als wintereik hebben relatief veel licht nodig en delven het onderspit in de concurrentie met beuk. Om op enige schaal te komen tot uitbreiding van door eik gedomineerde bossen zullen deze zich dus moeten ontwikkelen in het open landschap of door het grootschalige vellen van niet-kwalificerende bosopstanden. Hier liggen nu echter veelal andere kwalificerende habitattypen zoals droge heide (H4030). Zolang de instandhoudingsdoelen op de Veluwe voor de verschillende habitattypen echter nog niet zijn gehaald mag het bestaande areaal in principe nergens afnemen, ook niet ten gunste van andere habitattypen.
Locaties die in aanmerking komen voor uitbreiding dienen daarom zorgvuldig te worden beoordeeld en in voorkomend geval zullen gepaste maatregelen genomen moeten worden om geen effecten voor andere habitattypen te veroorzaken
Herstelprogramma Bossen | Natura 2000 Veluwe | Mei 2023
5.2 Sleutelfactoren De sleutelfactoren zijn de factoren die we met inrichtings- en beheermaatregelen en beleid kunnen beïnvloeden. Het zijn de spreekwoordelijke knoppen waaraan we kunnen draaien om de knelpunten uit § 5.1 op te lossen.
5.2.1
Verlagen stikstofdepositie Om verdere verslechtering van de natuurkwaliteit te stoppen is het essentieel de atmosferische depositie te verlagen tot beneden kritische depositiewaarden van habitattypen en VHR-soorten. Dit is uitgewerkt in de stikstofaanpak van Rijk en provincies (zie ook § 2.2.5) en maakt geen onderdeel uit van dit herstelprogramma.
5.2.2
Verbeteren buffercapaciteit en vitaliteit bosbodem Met het verlagen van de stikstofdepositie zijn de effecten van bodemverzuring uit het verleden en de verarming van de bosecosystemen die dit teweeg heeft gebracht niet ongedaan gemaakt. Een effectieve herstelstrategie hiervoor is echter nog niet beschikbaar (Bron: Bobbink et al., 2022). Steenmeeltoediening wordt wel gezien als no-regret maatregel (Bron: Van Diggelen et al., 2019), maar over effectiviteit in bossen is nog weinig bekend. In de schaarse bossen met oude bodems met dikke humusprofielen zijn ongewenste neveneffecten goed denkbaar (Bron: Smeenge et al., 2021) en is toediening van mineralen vooralsnog ongewenst. Zodra meer inzicht is in effectieve en doelmatige bodemherstelmaatregelen zullen wij hier ons beleid en financieringsinstrumentarium op aanpassen. Naast bron- en herstelmaatregelen kunnen wel maatregelen worden genomen om de negatieve effecten van vermesting en verzuring op de natuur te verzachten. Zo kan zoveel mogelijk worden voorkomen dat soorten verdwijnen totdat de stikstofdepositie is teruggebracht naar het gewenste niveau en bodemherstel zo mogelijk heeft plaatsgevonden.
5.2.3
Oppervlaktevergroting habitatbossen De matig-ongunstige staat van instandhouding van de oppervlakte van de habitattypen beuken-eikenbossen (H9120) en oude eikenbossen (H9190) in Nederland kan worden verbeterd door te sturen op de ontwikkeling van grootschalige aaneengesloten boscomplexen (Bron: Bijlsma et al., 2022). Dit draagt bij aan: • robuuste leefgebieden die groot genoeg zijn voor de duurzame instandhouding van vitale populaties van de karakteristieke soorten van de habitatbossen, ook onder bijvoorbeeld de negatieve effecten van klimaatverandering; • continue aanwezigheid van de verschillende structuurelementen en ontwikkelingsfasen van inheemse loofbossen in ruimte en tijd (o.a.
oude, aftakelende en dode bomen en open plekken) zodat populaties van gespecialiseerde soorten van deze bossen duurzaam in stand gehouden kunnen worden (Bron: Parvainen, 2005; Koop & van der Werf, 1995); • versterking van de landschappelijke samenhang doordat de abiotische variatie in gradiënten binnen grotere oppervlaktes meer compleet is, waardoor soorten meer uitwijkmogelijkheden hebben mochten omstandigheden tijdelijk of structureel verslechteren, zoals in het geval van extreme droogte, natuurbrand of bodemverzuring; • het verkrijgen van robuuste loofboskernen verspreid over de Veluwe, die tevens als ecologische stapstenen functioneren binnen het gehele boslandschap van natuurbossen en multifunctioneel beheerde bossen. Daarmee wordt niet alleen de kwaliteit en omvang van de habitatbossen verbeterd, maar tevens het gehele leefgebied van draaihals, wespendief, vliegend hert en zwarte specht en andere soorten (deels) afhankelijk van oude bossen (Bron: Lachat et al., 2013);
58
Herstelprogramma Bossen | Natura 2000 Veluwe | Mei 2023
• h et verminderen van de zaaddruk van invasieve exoten op de oude loofbossen en het beschermen van populaties van autochtone boom- en struikpopulaties binnen deze bossen.
5.2.4
Versterken van refugia en hotspots van karakteristieke soorten Behoud en de versterking van reeds aanwezige lokale populaties heeft prioriteit bij het herstel van de bossen op de Veluwe. Er kan geen sprake zijn van wezenlijk functioneel herstel als karakteristieke soorten verdwijnen. Dit betekent dat oppervlaktevergroting van habitatbossen in principe wordt uitgevoerd nabij bestaande leefgebieden van de karakteristieke soorten van deze bossen. Het idee hierbij is dat grote, vitale populaties nodig zijn als uitvalsbases voor herkolonisatie van hersteld leefgebied en voor de instandhouding van metapopulaties. Als dergelijke bases wegvallen, is wezenlijk herstel en gunstig doelbereik van de betreffende habitatbossen uitgesloten.
Dalkruid is een soort van bosranden en open plekken in oude bossen (fotografie: Els Branderhorst/Buiten-Beeld)
5.2.5
Verminderen externe beïnvloeding gebiedsvreemde stoffen Vermindering van externe beïnvloeding zoals inspoeling van meststoffen, inwaaien of aanvoeren van pesticiden en biociden, microplastics en andere vervuilingen is essentieel om achteruitgang van de vitaliteit van populaties en de geschiktheid van het leefgebied voor soorten te stoppen. Dit kan onder andere door aanpassing en extensivering van het grondgebruik binnen en rondom de Veluwe.
59
Herstelprogramma Bossen | Natura 2000 Veluwe | Mei 2023
5.2.6
Houtoogstbeperkingen habitatbossen en uitfaseren houtproductie/houtoogst beoogde uitbreidingslocaties Door binnen de habitatbossen randvoorwaarden te stellen aan de maximaal toegestane houtoogst, wordt het proces van windworp, natuurlijke veroudering, aftakeling en sterfte van bomen en alle structuren die hieruit voortkomen, beschermd en achteruitgang van de bodemkwaliteit voorkomen (zie ook § 5.1.4 Beheer): • Windworp of boomsterfte zorgt voor een continue aanwezigheid in ruimte en tijd van voldoende oude, aftakelende en dode bomen in verschillende verschijningsvormen en verteringsstadia en van open ruimtes. Hierdoor kunnen populaties van gespecialiseerde soorten afhankelijk van deze structuren en processen duurzaam in stand gehouden worden (Bron: Bijlsma et al., 2022; Müller & Bütler, 2010). • Daarnaast draagt de toename van dood hout bij aan herstel van de buffercapaciteit en nutriënten in de bosbodem. Bij de afbraak van dood hout komt weliswaar stikstof beschikbaar, maar veel minder dan de bosvegetatie nodig heeft (Bron: Hart, 1999). Daarnaast komen calcium, magnesium en fosfor vrij (Bron: Kuehne et al., 2008; Johnson et al., 2014; Shortle & Smith, 2015). Door daarentegen hout te oogsten, zoals dat eeuwenlang de regel was binnen de oude bossen, wordt weliswaar stikstof afgevoerd, maar ook nutriënten zodat alsnog verzuring optreedt.
Vlak naast liggende dode stammen is de bodem daardoor aanzienlijk minder zuur en arm dan meters verder (Bron: De Keersmaeker et al., 2017; Dhiedt et al., 2019). Dit kan tevens gunstig zijn voor het kiemsucces van bosverjonging (Bron: Vodde et al., 2011). • Door de houtproductiefunctie uit te faseren wordt binnen de boompopulaties ook niet langer geselecteerd op houtteeltkundig gunstige eigenschappen (o.a. rechte stammen en evenwichtige boomkronen). Verschillende karakteristieke soorten binnen de oude loofbossen, zoals bijvoorbeeld verschillende (korst)mossen en VHR-soort vliegend hert, zijn sterk afhankelijk van grillige of schuine boomvormen met bastwonden of met instabiele boomkronen die een groot risico hebben op uitscheuren (Bron: Bijlsma et al., 2009; Smit & Krekels, 2008). De houtoogstbeperkingen zijn uitgewerkt in ‘Houtoogstbeperkingen in de habitatbossen’ en in een ‘Houtoogstverbod en uitfaseren van houtproductie/ houtoogst binnen de maatregelbegrenzing van de herstelmaatregelen ‘Herstel historische boscomplex’ en ‘Herstel (en uitbreiding) strubbenboscomplex’’. In bijlage 8 is een kaart toegevoegd waarop inzichtelijk is gemaakt waar de houtoogstbeperkingen, het houtoogstverbod en het uitfaseren van houtoogst/ houtproductie van toepassing is.
Houtoogstbeperkingen in habitatbossen Deze randvoorwaarden zijn nader uitgewerkt in § 6.1.2 Bosbeheer in kwalificerende habitats. In bijlage 8 is een kaart toegevoegd waarop inzichtelijk is gemaakt waar de houtoogstbeperkingen van toepassing zijn.
Houtoogstverbod en uitfaseren van houtproductie/houtoogst binnen de maatregelbegrenzing van de herstelmaatregelen ‘Herstel historische boscomplex’ en ‘Herstel (en uitbreiding) strubbenboscomplex’ Aanvullend op de houtoogstbeperking in kwalificerend habitat zal binnen de oudste en meest waardevolle bosgebieden op de Veluwe de houtproductiefunctie/ houtoogst geleidelijk volledig worden uitgefaseerd om niet alleen verdere achteruitgang van de bodemkwaliteit te voorkomen, maar om ook bij te dragen aan herstel van de historische bodemdegradatie. Zonder afvoer van houtige biomassa zullen alle mineralen opgeslagen in de biomassa weer volledig ter beschikking komen aan het bos, aanvullend op de verwering en depositie en daarmee bijdragen aan een positieve mineralenbalans.
60
Herstelprogramma Bossen | Natura 2000 Veluwe | Mei 2023
Dit zijn de gebieden binnen de begrenzing van de herstelmaatregel ‘Herstel historische boscomplexen’ en ‘Herstel (en uitbreiding) strubbenboscomplexen’. Deze herstelmaatregel is nader uitgewerkt onder § 6.2.1 Herstel historische boscomplexen’ en § 6.2.2 Herstel (en uitbreiding) strubbenboscomplexen’. In de habitatbossen binnen deze maatregelbegrenzing is alle afvoer van houtige biomassa per direct verboden. In omliggende bossen binnen de begrenzing, maar buiten het kwalificerend habitat, zal op termijn, na uitvoering van noodzakelijke omvormings- en herstelmaatregelen, elke afvoer van houtige biomassa ook worden gestaakt. Ook deze fasering is nader toegelicht in § 6.2.1 en § 6.2.2. In bijlage 8 is een kaart toegevoegd waarop inzichtelijk is gemaakt waar het houtoogstverbod en het uitfaseren van houtoogst/houtproductie van toepassing is.
5.2.7
Optimalisatie beheer Door een optimalisatie van het bosbeheer, zowel binnen de habitatbossen als binnen het leefgebied van VHR-soorten draaihals, wespendief, vliegend hert en zwarte specht, kan een belangrijke bijdrage worden geleverd aan behoud van karakteristieke soorten. Optimalisatie van het beheer kan bijdragen aan: • behoud en versterking van bestaande populaties van karakteristieke soorten, o.a. met soortspecifieke maatregelen; • opheffen of voorkomen van versnippering van leefgebied en het verbeteren van de verspreiding van oude, aftakelende en dode bomen in het boslandschap; • bescherming en verbetering van de kwaliteit en buffercapaciteit van de bosbodem; • verhoging van de weerbaarheid tegen klimaatverandering; • bescherming van populaties van autochtone boom- en struikpopulaties.
5.2.8
Verwijderen invasieve uitheemse boom- en struiksoorten Door het planmatig verwijderen en verwijderd houden van invasieve uitheemse boom- en struiksoorten binnen de habitatbossen, worden de boshabitats gevoelig voor dominantie van deze soorten beschermd.
5.2.9
Voorlichting t.a.v. Natura 2000-doelen en karakteristieke soorten Boseigenaren zijn zich er soms onvoldoende van bewust dat ze bijzondere habitatbossen in bezit hebben, dat er bijzondere karakteristieke soorten binnen hun bosbezit voorkomen of welke beleidsmatige en juridische consequenties aan deze status verbonden is. Voorlichting en het beschikbaar stellen van expertkennis kunnen voorkomen dat ongewenste beheermaatregelen worden getroffen binnen de habitatbossen.
5.2.10
(Lokaal) verlagen van graas- en wroetdruk Een tijdelijke en/of lokaal hoge graas- en wroetdruk is geen probleem voor het Natura 2000-doelbereik omdat deze juist bijdraagt aan de ecologische variatie binnen de Veluwe. De Veluwe is daarbij door de aanwezigheid van met name edelherten en wilde zwijnen uniek binnen Nederland en draagt daarmee tevens bij aan de landelijke ecologische variatie (Bron: Bijlsma et al., 2022). Een generieke, landschapsbrede verlaging van de graas- en wroetdruk is daarom niet noodzakelijk voor het halen van de Natura 2000-doelen.
61
Herstelprogramma Bossen | Natura 2000 Veluwe | Mei 2023
Het verlagen van de graas- en wroetdruk op regionale schaal, met enige geografische spreiding over de Veluwe, is echter wel noodzakelijk voor behoud van kwaliteit van de habitatbossen, instandhouding van populaties van soorten die kwetsbaar zijn voor structurele bodemwoeling (o.a. VHR-soort vliegend hert en bosparelmoervlinder) en voor het realiseren van voldoende verjonging van alle inheemse boomsoorten, ook de meer smakelijke loofboomsoorten die in hoge mate geprefereerd worden door de wilde grazers (Bron: Den Ouden et al., 2022). Het (lokaal) verlagen van de graasdruk draagt daarmee bij aan de klimaat bestendigheid en weerbaarheid tegen verdere bodemverzuring van alle bossen op de Veluwe.
Jonge berken in een grovedennenbos (fotografie: Els Branderhorst/Buiten-Beeld)
5.2.11
Stroomlijnen beleid In sommige gevallen staan tegenstrijdigheden binnen bestaand beleid het duurzaam behalen van de instandhoudingsdoelen in de weg. Door verschillende beleidsterreinen beter op het Natura 2000-beleid af te stemmen kunnen deze knelpunten worden weggenomen. Deze knelpunten zijn uitgewerkt onder § 5.1.10 Beleidsmatige knelpunten.
62
Herstelprogramma Bossen | Natura 2000 Veluwe | Mei 2023
5.3
Kennisleemten en onderzoek Niet voor alle knelpunten voor het behalen van de Natura 2000-doelen op de Veluwe is voldoende kennis aanwezig om tot doelmatige en duurzame herstelof beheermaatregelen te komen. Hieronder zijn alle kennisleemten weergegeven. Nader onderzoek is noodzakelijk om deze kennisleemten verder uit te werken en tot effectief herstel van de natuur op de Veluwe te komen. Alle kennisleemten komen terug als onderzoeksmaatregel in de maatregelentabel (bijlage 7).
5.3.1
Duurzaam bodemherstel in bos Een effectieve herstelstrategie voor de opgebouwde bodemverzuring in de bossen op de Veluwe is nog niet beschikbaar (Bron: Bobbink et al., 2022).. Om te komen tot duurzaam bodemherstel dienen ten eerste onderstaande vragen beantwoord te worden. Zodra er meer inzicht is in effectieve en doelmatige bodemherstel maatregelen zullen wij hier ons beleid en financieringsinstrumentarium op aanpassen.