St. t.k.n. nr. 3. Bijlage Herstelprogramma Bossen GS mei 2023
Tekst van het document
Vechtende mannetjes van Vliegend hert (fotografie: Paul van Hoof/Buiten-Beeld)
83
Herstelprogramma Bossen | Natura 2000 Veluwe | Mei 2023
6.3.2
Wespendief Voor wespendief heeft het consortium van Wageningen Environmental Research, SOVON Vogelonderzoek Nederland en Stichting Bargerveen een specifieke maatregel opgesteld op landgoed Staverden en directe omgeving, gericht op een duurzame ontwikkeling als broedgebied (zie bijlage 4, Herstelmaatregelen in deelgebieden, Maatregel code DG06-Mbo15 en in bijlage 7). Het terrein is van bijzonder belang voor de wespendief vanwege de grote diversiteit van het foerageergebied (droge en natte biotopen) nabij het broedgebied. De overige herstelmaatregelen dragen daarnaast bij aan de verbetering van het foerageergebied en broedbiotoop van wespendief door extensivering van het beheer in deze bossen (Bron: Bijlsma et al., 2022). Knelpunten ten aanzien van voldoende voedselbeschikbaarheid (m.n. wespen) worden nader onderzocht (§ 5.3.4 Afname van wespen in relatie tot broedsucces van de wespendief ).
6.3.3
Zwarte specht De inschatting is dat de herstelmaatregelen onder § 6.2 voldoende bijdragen aan het halen van de Natura 2000-doelstellingen voor zwarte specht. Daarnaast kan het uitwerken en inbedden van een netwerk van oude, aftakelende en dode bomen (NOAD) (zie § 6.4.4) bijdragen aan het leefgebied van zwarte specht wanneer hierbij voldoende rekening gehouden wordt met de habitatvereisten van deze soort (bijlage 7, Mbo52a).
6.4
Revitaliseringsmaatregelen Revitalisering is het nemen van maatregelen gericht op het mitigeren en/of wegnemen van knelpunten ten aanzien van de vitaliteit van bos. Vitaal bos is daarbij gedefinieerd als bos dat nu én in de toekomst duurzaam zoveel mogelijk in staat is de door ons gewenste ecosysteemdiensten te leveren, ook wanneer het klimaat verandert (Bron: Bijlsma et al., 2022). De revitaliseringsmaatregelen in dit herstelprogramma zijn specifiek gericht op borgen van de basiskwaliteit die de bosecosystemen op de Veluwe zouden moeten hebben om de Natura 2000doelen te kunnen halen, ook onder veranderende omstandigheden. Een evaluatie van de haalbaarheid van de huidige Natura 2000-instandhoudingsdoelen is geen onderdeel van dit herstelprogramma. Om de Natura 2000-doelen te kunnen halen moeten de bossen op de Veluwe, zowel binnen de habitatbossen als daarbuiten in het leefgebied van VHR-soorten vliegend hert, wespendief en zwarte specht, weerbaar en veerkrachtig zijn.
Dit betekent: • dat de bossen weerbaar zijn tegen extreme omstandigheden (zoals droogte, storm, nieuwe boomziekten of massaal voorkomen van plaaginsecten); • de bossen in staat zijn te herstellen na catastrofes (bijvoorbeeld uitvallen van boomsoorten, bosbrand of (lokaal) verdwijnen van soorten); • de bossen in staat zijn zich aan te passen aan onzekere toekomstige omstandigheden (bijvoorbeeld minder neerslag en hogere temperatuur, vestiging van nieuwe soorten, toename van ziektes en plagen). Het uitgangspunt van de Natura 2000-revitaliseringstrategie is dat maatregelen zich uitsluitend richten op het wegnemen of mitigeren van drukfactoren en/of het toevoegen van eerder verdwenen aspecten aan het bosecosysteem die de natuurlijke weerstand en veerkracht van de bossen faciliteren. Revitalisering is niet ter vervanging van de natuurlijke veerkracht van bossen, maar ter ondersteuning hiervan. Hierbij maken we wat betreft maatregelen een onderscheid tussen de beschermde habitatbossen, de oude bosgroeiplaatsen die nog niet kwalificeren en de overige bossen.
84
Herstelprogramma Bossen | Natura 2000 Veluwe | Mei 2023
In de habitatbossen is de natuurlijke dynamiek leidend en is de klimaatadaptatiestrategie conservatief en gericht op de natuurlijke veerkracht van deze oude bossen met een groot aandeel van autochtone boom- en struikpopulaties. Aanplant is daarom bijvoorbeeld ongewenst en er worden enkel maatregelen getroffen die passen binnen de afbakening van het habitattype. Op de oude bosgroeiplaatsen zijn actievere maatregelen mogelijk, zolang deze bijdragen aan de natuurlijke ontwikkeling richting kwalificerend habitat en het versterken van autochtone boom- en struikpopulaties. In het overige bos kunnen ook andere soorten worden aangeplant die als Europees inheems worden beschouwd volgens de SNL (Zie onderstaand kader) (Bron: Thomassen et al., 2020) en van herkomsten zijn die aantoonbaar als autochtoon op een Europese rassenlijst voor bomen en struiken staan. De provincie geeft financiële ondersteuning voor onderstaande revitaliseringsmaatregelen. Mogelijk worden extra voorwaarden gesteld voor deze ondersteuning, bijvoorbeeld t.a.v. uitvoering, schaal van de maatregelen of het behalen van de afschotdoelstelling in het kader van faunabeheer.
Beheerders kunnen uiteraard aanvullende revitaliseringsmaatregelen uitvoeren op basis van hun eigen deskundigheid en professionaliteit, zolang deze niet in strijd zijn met de randvoorwaarden uit dit herstelprogramma (H 6.1 Randvoorwaarden herstelprogramma). De provincie ondersteunt deze maatregelen vanuit dit herstelprogramma financieel echter niet. Een overzicht van de revitaliseringsmaatregelen in de habitatbossen, oude bosgroeiplaatsen die nog niet kwalificeren en de overige bossen is in onderstaande paragrafen 6.4.1 t.m. 6.4.4 opgenomen.
Europees inheemse soorten in de SNL (van Beek et al. 2014) Aalbes, amandelwilg, Amerikaans krentenboompje, appel, beuk, bittere wilg, bosrank, bosroos, boswilg, braamsoorten, brem, duindoorn, duinroos, kruising van eenstijlige en tweestijlige meidoorn, eenstijlige meidoorn, egelantier, Europese lork, fladderiep, framboos, fijnspar, gagel, gladde iep, gaspeldoorn, Gelderse roos, gele kornoelje, geoorde wilg, gewone es, gewone esdoorn, gewone vlier, grauwe abeel, kruising van grauwe en geoorde wilg, grauwe wilg, grove den, haagbeuk, hazelaar, heggenroos, Hollandse linde, hondsroos, hulst, jeneverbes, kruising van katwilg en grauwe wilg, kleinbloemige roos, klimop, kruising van koraalmeidoorn en tweestijlige meidoorn, koraal meidoorn, kraagroos, kraakwilg, kruisbes, laurierwilg, mispel, peer, ratelpopulier, rode kamperfoelie, rode kornoelje, rode paardekastanje, rood peperboompje, rossige wilg, ruwe berk, ruwe iep, kruising van schietwilg en kraakwilg, schietwilg, sleedoorn, Spaanse aak, sporkehout, tamme kastanje, taxus, trosvlier, tweestijlige meidoorn, viltroos, vogelkers, wegedoorn, wilde kamperfoelie, wilde kardinaalmuts, wilde liguster, wilde lijsterbes, kruising van wintereik en zomereik, wintereik, winterlinde, witte els, witte paardekastanje, wollige sneeuwbal, zachte berk, zeeden, zoete kers, zomereik, zomerlinde, zuurbes, zwarte bes, zwarte den, zwarte els, zwarte
populier.
85
Herstelprogramma Bossen | Natura 2000 Veluwe | Mei 2023
6.4.1
Hydrologisch herstel Hydrologische knelpunten binnen de bossen kunnen nader in beeld gebracht worden. Daarop kunnen maatregelen worden uitgevoerd om deze knelpunten op te heffen. Hiermee wordt de weerbaarheid van het bos tegen periodes van droogte verhoogd. In sommige gevallen kunnen mogelijk kwelstromen met een bufferende werking tegen bodemverzuring worden hersteld. Vanwege het droge karakter van de Veluwe spelen deze hydrologische knelpunten binnen de bossen maar zeer beperkt. Daarnaast zijn de meest voor de hand liggende locaties voor het uitvoeren van hydrologisch herstel over het algemeen reeds opgenomen als herstelmaatregel binnen de herstelprogramma’s voor heiden en stuifzanden, vennen en venen en beken (bijlage 7, Mbo48a).
6.4.2
Rasteren t.b.v. bosverjonging en weren wroetactiviteiten
Habitattypen
H9120 beuken-eikenbossen met hulst, H9190 oude eikenbossen en H91E0C* vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen)
VHR-soorten
-
Overig
-
Type maatregel
Kwaliteitsverbetering
Sleutelfactoren
Verbeteren buffercapaciteit en vitaliteit bosbodem
Gebieden
Alle bossen op de Veluwe (bijlage 7, Mbo48b)
Lokaal uitrasteren van delen van het bos zorgt ervoor dat spontane verjonging van bomen en struiken zich kan vestigen zonder het risico op vraat. Hiermee zal het aandeel loofbomen in de verjonging, ook met meer basenrijk strooisel, kunnen toenemen (Bron: Van Beek et al., 2014). Op oude bosgroeiplaatsen die nog niet kwalificeren kan deze maatregel bijdragen aan de ontwikkeling richting kwalificerend habitat en daarnaast aan de klimaatbestendigheid en weerbaarheid tegen verdere bodemverzuring van zowel de habitatbossen, als de bossen daarbuiten die o.a. leefgebied vormen voor vliegend hert, wespendief en zwarte specht. Een dominantie van uitheemse soorten in de verjonging dient met aanvullend beheer doorbroken te worden. De rasters dienen ten minste zo lang te blijven staan dat de gewenste gekiemde verjonging door de graaslijn heen is gegroeid en definitief is gevestigd (ca. 10-15 jaar). Rasters kunnen tevens dienen om lokale populaties van vliegend hert (larven) te beschermen tegen predatie van wild zwijn en om eikenverjonging (desgewenst door aanvullende aanplant) te verkrijgen in de nabijheid van bestaande populaties van vliegend hert. De rasters mogen geen versnipperende werking hebben op het leefgebied van de wilde hoefdieren op de Veluwe. Deze maatregel wordt gezien als tijdelijke maatregel.
Het uitgangspunt is dat op termijn, in voldoende grote delen van de Veluwe, de graasdruk geen knelpunt meer vormt voor het halen van de Natura 2000-doelen (zie ook § 6.2.6 Regionaal verlagen omvang wilde hoefdierpopulaties).
86
Herstelprogramma Bossen | Natura 2000 Veluwe | Mei 2023
6.4.3
Kleinschalige aanplant loofbomen
Habitattypen
H9120 beuken-eikenbossen met hulst, H9190 oude eikenbossen en H91E0C* vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen)
VHR-soorten
Vliegend hert
Overig
O.a. bosparelmoervlinder
Type maatregel
Kwaliteitsverbetering en uitbreiding
Sleutelfactoren
Verbeteren buffercapaciteit en vitaliteit bosbodem, (potentieel) oppervlaktevergroting habitatbossen, optimalisatie beheer, (lokaal) verlagen van graas- en wroetdruk
Gebieden
Alle bossen op de Veluwe (bijlage 7, Mbo48c)
Kleinschalige aanplant van loofbomen op open plekken of onder een open scherm van volwassen bomen draagt bij aan het verhogen van het aandeel inheemse loofbomen, vaak met meer basenrijk strooisel, die nu veelal om historische redenen nog maar beperkte zaadbronnen hebben op de Veluwe. Voorbeelden hiervan zijn boswilg, ratelpopulier, hazelaar, zoete kers en vogelkers (Bron: Den Ouden et al., 2022). Op oude bosgroeiplaatsen die nog niet kwalificeren kan deze maatregel bijdragen aan de ontwikkeling richting kwalificerend habitat en daarnaast aan de klimaatbestendigheid en weerbaarheid tegen verdere bodemverzuring van zowel de habitatbossen, als de bossen daarbuiten die o.a. leefgebied vormen voor vliegend hert, wespendief en zwarte specht. Aanplant van (winter)eik kan daarnaast bijdragen aan duurzame instandhouding van het leefgebied voor vliegend hert (Bron: Smits & Krekels, 2008). De aanplant dient voldoende beschermd te worden tegen vraat. Daarnaast moet deze kleinschalig en groepsgewijs worden uitgevoerd om homogenisering van de bosstructuur te voorkomen en foerageerhabitat van o.a. wespendief en zwarte specht te behouden. In de habitatbossen is de natuurlijke dynamiek leidend en is aanplant niet noodzakelijk.
Op oude bosgroeiplaatsen buiten kwalificerend habitat kan wel worden aangeplant met SNL inheemse (Bron: Van Beek et al., 2014) (zie kader onder § 6.4 revitaliseringsmaatregelen), autochtone herkomsten van de Nederlandse rassenlijst In de overige bossen kan ook met deze soorten worden aangeplant, maar kan ook gebruik gemaakt worden van herkomsten die aantoonbaar op een Europese rassenlijst als autochtoon zijn aangemerkt. Hiermee kan desgewenst genetisch materiaal uit warmere en drogere herkomst-gebieden worden ingebracht ten behoeve van klimaatadaptatie (Bron: Mátyás, 2021; Mátyás & Kramer, 2016).
6.4.4
Netwerk oude, aftakelende en dode bomen (NOAD)
Habitattypen
H9120 beuken-eikenbossen met hulst, H9190 oude eikenbossen en H91E0C* vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen)
VHR-soorten
Vliegend hert
Overig
-
Type maatregel
Uitbreiding
Sleutelfactoren
Verbeteren buffercapaciteit en vitaliteit bosbodem, (potentieel) oppervlaktevergroting habitatbossen, (lokaal) verlagen van graas- en wroetdruk
Gebieden
Buiten de habitatbossen (bijlage 7, Mbo48d)
87
Herstelprogramma Bossen | Natura 2000 Veluwe | Mei 2023
Een netwerk van oude, aftakelende en dode bomen (NOAD) is een ruimtelijk netwerk van oude bomen en boselementen dat ervoor zorgt dat soorten afhankelijk van de verschillende fasen van veroudering en aftakeling zich voldoende door het boslandschap kunnen verplaatsen. Dit is met name van belang binnen de multifunctioneel beheerde delen van het bos, omdat hier door houtoogstactiviteiten (op termijn) een tekort aan deze elementen kan ontstaan. In een NOAD is ruimtelijk vastgelegd waar, binnen een beheerd boslandschap, oude bomen en bosdelen gehandhaafd worden zodat voldoende oude, aftakelende en dode bomen aanwezig zijn voor bijvoorbeeld soorten als vliegend hert en zwarte specht. Bij het uitwerken van een NOAD dient voldoende rekening gehouden te worden met de habitatvereisten en dispersiecapaciteit van de aanwezige soorten. De habitatbossen en andere natuurbossen op de Veluwe dienen binnen het NOAD als robuuste ecologische stapstenen, doordat binnen deze bossen het noodzakelijke extensieve beheer wordt gevoerd om, ook zonder NOAD, tot voldoende oude, aftakelende en dode bomen te komen.
6.5
Generieke maatregelen Met enkel het uitvoeren van herstelmaatregelen worden de Natura 2000-doelen in de bossen op de Veluwe niet volledig gehaald, hiervoor zijn in sommige gevallen ook beheermaatregelen nodig. Deze zijn voor een groot deel reeds uitgewerkt in het Natura 2000-beheerplan Veluwe (2018). Op basis van de analyse van knelpunten (§ 5.1 Knelpunten) zijn nog enkele beheermaatregelen toegevoegd. Deze waren nog niet voldoende in het beheerplan uitgewerkt, maar zijn wel noodzakelijk voor het behalen van de Natura 2000-doelen. Deze maatregelen worden ondersteund door de provincie. Mogelijk worden extra voorwaarden gesteld voor deze ondersteuning, bijvoorbeeld t.a.v. uitvoeringswijze of schaal van de maatregelen.
6.5.1
Exotenbestrijding op oude bosgroeiplaatsen en kraaihei-dennenbossen
Habitattypen
-
VHR-Soorten
Vliegend hert, zwarte specht
Overig
-
Type maatregel
Kwaliteitsverbetering
Sleutelfactoren
Versterken van refugia en hotspots, optimalisatie van beheer
Gebieden
Alle bossen op de Veluwe (bijlage 7, Mbo49a)
Het bestrijden van exoten in kwalificerend habitat is reeds opgenomen als maatregel in het huidige beheerplan (M4c Exoten verwijderen). Voor het behalen van met name de uitbreidingsdoelstelling van de boshabitats kan deze maatregel echter ook worden uitgevoerd in bossen op oude bosgroeiplaatsen die (nog) niet kwalificeren, maar als gevolg van spontane bosontwikkeling dat mettertijd wel kunnen gaan doen. Dit geldt met name voor oudere grovedennenbossen. Grootschalige aanwezigheid van (verjonging van) uitheemse soorten zoals bijvoorbeeld Amerikaanse eik, Amerikaanse vogelkers, Japanse lariks of douglas kan de natuurlijke ontwikkeling van deze bossen naar kwalificerend habitat belemmeren.
88
Herstelprogramma Bossen | Natura 2000 Veluwe | Mei 2023
Bestrijding van exoten wordt daarnaast ondersteund binnen kraaihei-dennen bossen. Hoewel het kraaihei-dennenbos geen kwalificerend habitat is binnen Natura 2000, is het vegetatietype bijzonder en in feite een oud ontwikkelingsstadium van het stuifzandlandschap (Bron: Bijlsma et al., 2022). Het herbergt dan ook verscheidene bijzondere (korst)mossen van dit landschap. Ook komen vaak jeneverbesstruwelen voor binnen deze bossen. Het bostype is gevoelig voor grootschalige kolonisatie van Amerikaanse vogelkers en is vaak een belangrijke zaadbron van deze invasieve soort voor het om- en/of inliggende open heideen stuifzandlandschap. Bestrijding van uitheemse soorten moet zich in ieder geval richten op soorten die als uitheems worden beschouwd volgens de SNL (Bron: Van der Werf, 1991). Of Europees inheemse soorten zoals gewone esdoorn, tamme kastanje en fijnspar ook worden bestreden is aan de beoordeling van de terreinbeheerders. Het is voorstelbaar dat deze soorten in het kader van klimaatadaptatie gehandhaafd worden, zolang deze geen bedreiging vormen voor de typische en karakteristieke soorten van de boshabitats.
6.5.2
Natuurtechnisch boomveiligheidsbeheer op oude bosgroeiplaatsen
Habitattypen
H9120 beuken-eikenbossen met hulst, H9190 oude eikenbossen en H91E0C* vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen)
VHR-soorten
-
Overig
Kraaihei-dennenbossen
Type maatregel
Kwaliteitsverbetering en (potentieel uitbreiding)
Sleutelfactoren
Verwijderen van invasieve boom- en struiksoorten
Gebieden
Oude bosgroeiplaatsen en kraaihei-dennenbossen (bijlage 7, Mbo49b)
Boomveiligheidsbeheer kan een knelpunt vormen voor het halen van de Natura 2000-doelen wanneer dit leidt tot het grootschalig verwijderen van risicovolle, niet-vitale, oude en/of dode bomen langs wandelpaden op oude bosgroeiplaatsen (de kwalificerende boshabitats en omliggende potentiële uitbreidingsgebieden). Boomveiligheidsbeheer is onderdeel van de SNL-beheersubsidie, maar de hoogte van deze subsidie is ontoereikend om bij grootschalige aanwezigheid van oude, aftakelende en dode bomen voldoende maatwerk te kunnen leveren om deze belangrijke boomhabitats veilig en zo lang mogelijk te kunnen behouden. Boomveiligheidsbeheer in bossen zal in veel gevallen gericht zijn op het vellen van risicovolle bomen (zie ook § 5.1.4 Beheer - Boomveiligheidsbeheer). Vanuit de Natura 2000-doelen zijn op oude bosgroeiplaatsen meer natuurtechnische maatregelen gewenst zoals het omleggen van paden of snoeien (bij voorkeur uitgevoerd aan de hand van breuksnoei (Bron: Van Beek et al., 2014.)) of omtrekken in plaats van vellen. Aan de liggende boomresten, inclusief wortelkluit en boomkroon, dient minimaal gezaagd en opgeruimd te worden. De provincie ondersteunt natuurtechnische boomveiligheidsmaatregelen binnen bossen gelegen op oude bosgroeiplaatsen, aanvullend op het regulier boomveiligheidsbeheer.
89
Herstelprogramma Bossen | Natura 2000 Veluwe | Mei 2023
Wandelaars in de bossen op de Veluwezoom
6.5.3
(Voormalige PAS-)maatregelen uit het beheerplan
Habitattypen
H9120 beuken-eikenbossen met hulst, H9190 oude eikenbossen en H91E0C* vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen)
VHR-soorten
Vliegend hert, zwarte specht
Overig
-
Type maatregel
Kwaliteitsverbetering
Sleutelfactoren
Optimalisatie van beheer
Gebieden
Oude bosgroeiplaatsen
In het Natura 2000-beheerplan Veluwe is een onderscheid gemaakt tussen drie typen maatregelen: PAS-herstelmaatregelen, natuurbeheer en overige maatregelen. De PAS-herstelmaatregelen, zoals beschreven in paragraaf 6.2 van het beheerplan, zijn specifiek bedoeld om de achteruitgang van natuurwaarden door stikstofdepositie tegen te gaan. Voor bossen betreffen dit de volgende maatregelen: M4b Terugdringen beuk in oude eikenbossen, M4c Exoten verwijderen en M5 Geleidelijke omvorming dennenbos naar loofbos op oude bosgronden. Deze PASherstelmaatregelen waren ook opgenomen in het Programma Aanpak Stikstof (PAS). Op 29 mei 2019 heeft de Raad van State uitgesproken dat het PAS niet voldoet aan de natuurwetgeving en niet langer gebruikt mag worden. Met het vervallen van het PAS blijft de noodzaak deze herstelmaatregelen uit te voeren echter bestaan. Het Natura 2000-beheerplan Veluwe is een plan op hoofdlijnen. In het plan staat dat de herstelmaatregelen om de instandhoudingsdoelen voor de Veluwe te behalen verder worden uitgewerkt in herstelprogramma’s (locatiespecifiek). De herstelprogramma’s moeten in de eerste beheerplanperiode worden opgesteld, het uitvoeren ervan vindt plaats in zowel de eerste beheerplanperiode als de daaropvolgende.
Gezien de noodzaak van het behoud en herstel van stikstofgevoelige natuur, is al begonnen met uitvoering van de PAS-herstelmaatregelen vóór het gereedkomen van de herstelprogramma’s. Sinds 2015 hebben terreineigenaren een groot deel van deze PAS-herstelmaatregelen voor de eerste PAS-periode (2015 t/m 2021) uitgevoerd, enkele zijn nog in uitvoering.
90
Herstelprogramma Bossen | Natura 2000 Veluwe | Mei 2023
Ook na deze uitvoering blijven de meeste, met name cyclische maatregelen noodzakelijk zolang de stikstofdepositie te hoog blijft. De voormalige PAS-herstelmaatregelen, zoals genoemd in paragraaf 6.2 van het Natura 2000-beheerplan Veluwe, blijven grotendeels bestaan, maar worden in enkele gevallen gewijzigd. Ze vormen een aanvulling op de maatregelen in dit herstelprogramma omdat ook doorlopende maatregelen noodzakelijk blijven, zoals extra beheer als gevolg van een te hoge stikstofdepositie. Deze maatregelen zijn (in sommige gevallen licht aangepast en/of uitgebreid) hieronder nader toegelicht. Onderstaande maatregelen betreffen zowel de voor-malige PAS-herstelmaatregelen, natuurbeheer als overige maatregelen voor bos uit het beheerplan.
M4b Terugdringen beuk in oude eikenbossen
Habitattypen
H9190 oude eikenbossen
VHR-soorten
-
Overig
-
Type maatregel
Kwaliteitsverbetering
Sleutelfactoren
Optimalisatie van beheer
Gebieden
H9190 oude eikenbossen
Beukenverjonging kan binnen de oude eikenbossen (H9190) eiken verdringen. Op de schaal van de Veluwe is dit geen knelpunt (Bron: Vereniging wildbeheer Veluwe, 2019), mogelijk dat dit lokaal wel leidt tot het verdwijnen van typische of karakteristieke soorten van de oude eikenbossen. Of beuk in deze bossen wordt bestreden is aan de beoordeling van de terreinbeheerders. Deze maatregel blijft als afzonderlijk maatregel bestaan en kan indien nodig (na overleg) worden ingezet. Bij de gezamenlijke beoordeling van deze maatregel zal tevens de vitaliteit van de volwassen eiken worden betrokken. Wanneer hier sprake is van massale vitaliteitsproblemen en (dreigende) grootschalige uitval, dan is bestrijding van inheemse verjonging ongewenst.
M4c Exoten verwijderen Deze maatregel is nader toegelicht onder § 6.5.1 Exotenbestrijding op oude bosgroeiplaatsen en kraaihei-dennenbossen. Deze maatregel blijft als gevolg van dit herstelprogramma derhalve niet bestaan.
M5 Geleidelijke omvorming dennenbos naar loofbos op oude bosgronden De ontwikkeling van kwalificerend habitat vanuit open grovedennenbossen heeft op verschillende manieren een plek binnen dit herstelprogramma, o.a. in de herstelmaatregelen (§ 6.2.1 en 6.2.2) als in de revitaliseringsmaatregelen (§ 6.4.2 Rasteren ten behoeven van bosverjonging en weren wroetactiviteiten). Vellen van grove den in deze bossen als ‘administratieve’ habitatuitbreiding is ongewenst en brengt schade toe aan het doelbereik van habitattypen bos en aan het leefgebied van VHR-soort zwarte specht. Deze maatregel blijft als gevolg van dit herstelprogramma derhalve niet bestaan.
91
M4f Dood hout Deze maatregel is binnen dit herstelprogramma verwerkt in de randvoorwaarden voor bosbeheer in kwalificerend habitat (§ 6.1), in de herstelmaatregelen (§ 6.2.1 en 6.2.2), in de revitaliseringsmaatregelen (§ 6.4.4 Netwerk oude, aftakelende en dode bomen (NOAD)) en als aanvullende generieke maatregel (§ 6.5.2 Natuurtechnisch boomveiligheidsbeheer). Deze maatregel blijft als gevolg van dit herstelprogramma derhalve niet bestaan.
Herstelprogramma Bossen | Natura 2000 Veluwe | Mei 2023
M11 Uitrasteren natuurlijke verjonging c.q. individuele bescherming plantmateriaal Deze maatregel is opgenomen als revitaliseringsmaatregel (§ 6.4.2 Rasteren ten behoeven van bosverjonging en weren wroetactiviteiten). M11 als opzichzelfstaande maatregel vervalt daarmee.
M16 Bescherming voortplantingsbiotoop vliegend hert Alle maatregelen gericht op de duurzame instandhouding van vliegend hert op de Veluwe zijn opgenomen onder § 6.3.1 Vliegend hert. Deze vallen volledig onder de M16 maatregel uit het beheerplan en blijft als afzonderlijke maatregel bestaan.
6.6 Beleidsopgaven Beleidsopgaven dienen door de provincie zelf opgepakt te worden.
6.6.1
Wet natuurbescherming – houtopstanden Zoals toegelicht in § 5.1.10 vormt de herplantplicht die voortkomt uit de Wet natuurbescherming in sommige gevallen een knelpunt voor de kwaliteit van de habitatbossen, met name binnen open ruimtes in de oude eikenbossen (H9190). De herplantplicht is hier in sommige gevallen strijdig met de natuurlijke kenmerken en instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000. Bij de beoordeling van de herplantplicht is het aan het bevoegd gezag om een afweging te maken tussen deze verplichtingen (bijlage 7, Mbo61).
Habitattypen
H9190 oude eikenbossen
VHR-soorten
-
Overig
O.a. bosparelmoervlinder
Type maatregel
Kwaliteitsverbetering
Sleutelfactoren
Stroomlijnen beleid
Gebieden
H9190 oude eikenbossen
6.6.2
Verantwoording ontwikkeling en aftakeling oude eikenbossen in open kwalificerend habitat
Habitattypen
H9190 oude eikenbossen
VHR-soorten
-
Overig
Diverse open habitattypen
Type maatregel
Uitbreiding
Sleutelfactoren
Stroomlijnen beleid
Gebieden
H9190 oude eikenbossen
92
Herstelprogramma Bossen | Natura 2000 Veluwe | Mei 2023
Zoals toegelicht in § 5.1.10 zal uitbreiding van oude eikenbossen (H9190) hoofdzakelijk plaats moeten vinden buiten het bos, ten koste van open kwalificerende habitats, met name wanneer dit eikenstrubbenbossen moeten worden. Daarnaast zullen, als gevolg van natuurlijke successie, soms oude eikenbossen lokaal verdwijnen. Er zal nader uitgewerkt moeten worden hoe we deze interne verschuivingen tussen habitattypen wegen in het perspectief van de Veluwe-brede Natura 2000doelen voor de verschillende kwalificerende habitats. Hierbij moeten we enerzijds het halen van de (uitbreidings)doelen voor de verschillende habitats borgen, maar anderzijds voldoende recht doen aan de dynamiek en veranderlijkheid van de natuurlijke systemen op de Veluwe (bijlage 7, Mbo62).
6.6.3
Verhogen doelmatigheid van faunabeheer en -beleid i.r.t. Natura 2000-doelen
Habitattypen
H9120 beuken-eikenbossen met hulst, H9190 oude eikenbossen en H91E0C* vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen)
VHR-soorten
Vliegend hert, wespendief, zwarte specht
Overig
-
Type maatregel
Kwaliteitsverbetering en uitbreiding
Sleutelfactoren
Verbeteren buffercapaciteit en vitaliteit bosbodem, (lokaal) verlagen van graas- en wroetdruk, stroomlijnen beleid
Gebieden
Gehele Natura 2000-begrenzing
Het faunabeheer op de Veluwe wordt gecoördineerd door de Faunabeheereenheid Gelderland. De provincie zal in overleg treden met de Faunabeheereenheid over de vraag hoe het behalen van de Natura 2000-doelen en het herstelprogramma beter ingebed kunnen worden in het huidige faunabeheer (zie ook § 6.2.6 Regionaal verlagen omvang wilde hoefdierpopulaties). Een belangrijk onderdeel hiervan is het formuleren en evalueren van de doelen aan de hand van het effect van de hoefdierpopulaties op de Natura 2000-doelen. Invulling, bijsturing en monitoring van het faunabeheer op de Veluwe wordt bij voorkeur zoveel mogelijk gedaan op basis van de effectmonitoring uit het netwerk graasdrukmonitor van de Faunabeheereenheid Gelderland. Zo kunnen de effecten op het Natura 2000doelbereik goed gevolgd worden en ook tussentijds worden bijgestuurd, bijvoorbeeld vanwege toenemende effecten van de wolf op de omvang en het gedrag van de hoefdierpopulaties. Wanneer de graasdrukmonitor hiervoor (nog) onvoldoende is toegerust zal samen met de Faunabeheereenheid worden gekeken hoe de bruikbaarheid verbeterd kan worden. Daarnaast worden de gewenste voorjaarstanden uit het huidige faunabeheerplan in de praktijk niet gehaald.
Dit komt omdat het daarvoor benodigde afschot niet wordt gerealiseerd, zowel qua aantallen als de verdeling over mannelijke en vrouwelijke dieren en gewichts- en leeftijdsklassen (Bron: Vereniging wildbeheer Veluwe, 2019). Ook hier kijkt de provincie samen met de Faunabeheereenheid naar wat nodig is om het beoogde afschot wel te halen. Dit kan gaan over de organisatorische aspecten van het faunabeheer, maar mogelijk ook over de methodes om het afschot te realiseren (bijlage 7, Mbo63).
93
Herstelprogramma Bossen | Natura 2000 Veluwe | Mei 2023
6.6.4
Uitwerken financiële compensatie houtoogstbeperkingen voor boseigenaren De houtoogstbeperkingen in het kwalificerend habitat en als gevolg van de herstelmaatregelen hebben financiële consequenties voor boseigenaren. We willen hier op een zorgvuldige en billijke manier mee omgaan. Hoe we deze compensatie vorm gaan geven dient nader uitgewerkt te worden (bijlage 7, Mbo64).
6.6.5
Beoordelen bosbeheeractiviteiten in leefgebied samen met eigenaren Gangbaar bosbeheer buiten kwalificerend habitat wordt beschouwd als bestaand gebruik conform het huidige Natura 2000-beheerplan Veluwe. Bij het beheer dient wel voldoende rekening gehouden te worden met de VHR-soorten vliegend hert, wespendief en zwarte specht. Grootschalige vlaktekap (vlaktekap >0,5 ha of schermkap >2 hectare (Bron: Den Ouden & Mohren, 2020)) en het uitvoeren van zomervellingen heeft negatieve effecten op de wespendief (Bron: Nijssen et al., 2014; Bijlsma et al. 2022). Deze activiteiten zijn onder het huidige beheerplan toegestaan. De provincie wil in gesprek met bosbeheerders over deze maatregelen en andere maatregelen die mogelijk problemen opleveren voor de duurzame instandhouding van de VHR-soorten op de Veluwe (bijlage 7, Mbo65).
6.6.6
Beoordelen effecten landbouwkundig gebruik binnen Natura 2000-begrenzing Binnen de Natura 2000-begrenzing Veluwe liggen percelen die landbouwkundig in gebruik zijn, maar die geen onderdeel zijn van het Gelders Natuurnetwerk (GNN). Deze percelen zijn niet geëxclaveerd als Natura 2000-gebied en daarom maken zij geen onderdeel uit van het overgangsgebied van Natura 2000 Veluwe. Er zal een analyse worden gedaan van de ligging van deze percelen en de mate van impact van het gebruik van deze percelen op het realiseren van de instandhoudingsdoelen (bijlage 7, Mbo71).
6.6.7
Voorlichting kleinere boseigenaren Om te zorgen dat alle eigenaren met kwalificerend boshabitat in bezit zich voldoende bewust zijn van de waarden en het noodzakelijke beheer in deze bossen, zal de provincie een gerichte informatiecampagne organiseren (bijlage 7, Mbo68).
6.6.8
Voorlichting particulieren met vliegend hert in tuin Ook binnen bebouwde gebieden kan vliegend hert voorkomen. Voorbeelden op de Veluwe zijn Apeldoorn, Elspeet, Hoog Soeren en Vierhouten. De dieren zullen de tuinen voor een deel vanuit aanliggende biotopen bezoeken, maar een deel plant zich ook daadwerkelijk in deze tuinen voort, in de aanwezige eiken of in de bielzen die voor de tuinaanleg gebruikt zijn. Om te zorgen dat tuineigenaren zorgvuldig omgaan met deze populaties en met de structuren waar deze populaties van afhankelijk zijn, zal de provincie een gerichte informatiecampagne organiseren (bijlage 7, Mbo66).
94
Herstelprogramma Bossen | Natura 2000 Veluwe | Mei 2023
6.6.9
Toetsen brandveiligheidsplannen Voor verschillende delen van de Veluwe worden brandveiligheidsplannen geformuleerd. Deze moeten getoetst worden aan de Natura 2000-doelen en dit herstelprogramma om te zorgen dat uitvoering van deze plannen niet ten kosten gaat van het behalen van de Natura 2000-doelen. Hierbij moet niet enkel worden gekeken naar de inrichting van het terrein, maar tevens naar de logistiek van eventuele brandbestrijding en te gebruiken blusmiddelen. Wanneer er knelpunten optreden tussen de brandveiligheid en de Natura 2000-doelen voor de bossen op de Veluwe kijkt de provincie in overleg met de boseigenaar en de veiligheidsregio naar mogelijke oplossingen (bijlage 7, Mbo67).
6.6.10
Lerend netwerk en ondersteuning experts Samen met de beheerders wil de provincie onderzoeken voor welke onderwerpen er behoefte is aan delen van kennis en ervaringen, en in welke vorm dit het beste kan. Daarbij is ook aandacht voor het oprichten van groepen experts voor diverse onderwerpen, die beheerders kunnen ondersteunen bij het uitwerken van beheeren inrichtingsmaatregelen (bijlage 7, Mbo69).
95
Herstelprogramma Bossen | Natura 2000 Veluwe | Mei 2023
7 Monitoring 7.1
Uitgangspunten voor monitoring vanuit het Natura 2000-beheerplan Veluwe De provincie is verantwoordelijk voor de evaluatie van het beheerplan. Monitoring is hierin een belangrijk instrument. Het doel van de monitoring is het verzamelen van gegevens die nodig zijn om het beheerplan aan het eind van de planperiode te kunnen evalueren. Aan de hand van deze gegevens moet bepaald kunnen worden of de instandhoudingsdoelstellingen uit het aanwijzingsbesluit zijn gerealiseerd (effectmonitoring) en wat de voortgang is van de in het beheerplan beschreven maatregelen (prestatiemonitoring). Ook moet er informatie worden geleverd aan de minister van LNV ten behoeve van de landelijke en gebiedsgerichte rapportages aan de Europese Commissie. Als blijkt dat ontwikkelingen onvoldoende of ongewenst verlopen, zal bij de herziening of actualisatie van het Natura 2000-beheerplan Veluwe worden bezien of beleid, maatregelen en beheer voortgezet of bijgestuurd moeten worden. De bedoeling van de maatregelen uit voorliggend herstelprogramma is een positief effect op de ontwikkeling van de doelen. Door middel van monitoring houdt de provincie de ontwikkeling in de gaten. Ze onderscheidt hierbij de volgende door monitoring (en onderzoek) te beantwoorden vragen: 1. Hoe gaat het met de Vogel- en Habitatrichtlijndoelen (VHR) waarvoor de Veluwe is aangewezen? 2. Treedt het gewenste systeemherstel op? 3.
Hoe gaat het met de voortgang van de uitvoering van de herstelprogramma’s? 4. Wat is het effect van de herstelmaatregelen?
7.2
VHR-doelen Doel van de monitoring: • rapportage aan Rijk, Provinciale Staten en Standaard Data Formulier; • evaluatie beheerplan, bijsturing. De opzet van de monitoring wordt in een monitoringsplan uitgewerkt. Hierbij sluiten we zo veel mogelijk aan bij lopende monitoring en monitoringsafspraken.
7.3
Habitattype
Ligging en omvang Conform landelijke afspraken stelt de provincie Gelderland een habitattypenkaart op en actualiseert deze. Op basis hiervan wordt de ontwikkeling van de habitattypen in omvang en ligging vastgesteld. De uitgangssituatie is vastgelegd in een T0-habitattypenkaart, de habitattypenkaart die de situatie weergeeft in het jaar van definitieve aanwijzing van het Natura 2000-gebied (2013). De habitattypenkaart wordt voor elk terrein eens in de twaalf jaar geactualiseerd op basis van een vegetatiekartering. In de tussenliggende periode worden evidente veranderingen op basis van bijvoorbeeld luchtfoto’s of gerichte veldbezoeken aangepast. De meest recente habitattypenkaart is niet opgenomen in het beheerplan, maar beschikbaar via de website van de provincie Gelderland.
96
Herstelprogramma Bossen | Natura 2000 Veluwe | Mei 2023
Basis voor de actualisatie van de habitattypenkaart vormen de vegetatiekarteringen die in het kader van de Subsidieregeling Natuur- en Landschapsbeheer worden uitgevoerd. Deze vegetatiekarteringen vallen veelal onder verantwoordelijkheid van de terreinbeheerder. Van belang hierbij is dat terreinbeheerder(s) en provincie planning en opzet van de vegetatiekartering afstemmen. Soms zijn ook aanvullende karteringen of aanvullende veldbezoeken nodig ten behoeve van de habitattypenkaart. De provincie is verantwoordelijk voor het overleg hierover met de terreinbeheerder(s).
Oud eikenbos op het Kroondomein (fotografie: Els Branderhorst/Buiten-Beeld)
Kwaliteit Er is (nog) geen eenduidige landelijke methodiek beschikbaar voor de beoordeling van de kwaliteit(sontwikkeling) van habitattypen. Voor de kwaliteitsbeoordeling zal de provincie Gelderland een eigen aanpak ontwikkelen. Hierbij wordt, indien mogelijk, afgestemd op landelijke ontwikkelingen. Wageningen Environmental Research heeft voor de herstelprogramma’s ecologische beoordelingskaders voor alle habitattypen opgesteld (WENR, 2021). Voor de ontwikkeling van een systematiek om de kwaliteit van habitattypen en relevante drukfactoren te beoordelen en monitoren, zal de provincie aansluiten bij de criteria uit de beoordelingsformats.
Monitoring binnen de Grote Eenheid Natuur (GEN) De Grote Eenheden Natuur (GEN) is formeel een oude beleidsterm, maar wordt nog steeds gebruikt om onder andere het gebied van Vereniging Natuurmonumenten aan te duiden dat in het Natuurbeheerplan staat aangeduid als Grootschalige, dynamische natuur van het zand- en kalklandschap (N01.04). Het betreft hier een groot deel van Nationaal park de Veluwezoom en het Deelerwoud. In het Natura 2000-beheerplan Veluwe uit 2018 staat een groter gebied aangegeven. In dit gebied is op dit moment nog geen sprake van een grootschalige eenheid, maar worden hiertoe wel kansen gezien. Momenteel is onvoldoende in beeld hoe de ontwikkeling van de habitats
97
Herstelprogramma Bossen | Natura 2000 Veluwe | Mei 2023
en daaraan gebonden soorten zich ontwikkelingen binnen de GEN (zie ook H 5.1.4 Beheer – Grote Eenheid Natuur). Omdat binnen het gehele Natura 2000-gebied nog niet voldoende habitat is en de VHR-soorten nog niet boven de gestelde doelen zitten, zal dus ook binnen de GEN moeten worden gevolgd wat er met de verschillende habitattypen en soorten gebeurt. Waar echter bij een aangewezen habitattype de begrenzing vast ligt en de criteria voor instandhouding binnen die grenzen kunnen worden beoordeeld, ligt dat voor habitattypen binnen een GEN anders. Voor GEN zouden de criteria als geheel moeten gelden en niet voor het afzonderlijk daarbinnen begrensde habitat. De trend van de VHR-soorten wordt ook op de schaal van de GEN beoordeeld. Voor de gehele GEN dient daarom structurele en systematische monitoring plaats te vinden van de habitats en de aan de habitattypen gelieerde soorten. Wanneer (1.) kenmerkende soorten van een bepaald habitattype verdwijnen en/of (2.) de oppervlakte bos dat als habitat gekwalificeerd kan worden afneemt, dient te worden ingegrepen, bijvoorbeeld door een aanpassing van het beheer (bijlage 7, Mbo70).
7.4 VHR-soorten
Aantal en verspreiding Elke soort waarvoor de Veluwe een instandhoudingsdoelstelling heeft, wordt gemonitord. Zo kan de provincie volgen hoe het binnen Natura 2000-gebied Veluwe met de betreffende soort gaat. Het landelijke Netwerk Ecologische Monitoring (NEM) vormt de basis voor deze monitoring. Voor enkele Vogelrichtlijnsoorten (wespendief, en in mindere mate ijsvogel en draaihals) en alle Habitatrichtlijnsoorten heeft de provincie aanvullende monitoringprojecten opgezet. De NEM-monitoring is met name gericht op inzicht in omvang en ontwikkeling (trend) van de populatie van de soorten. Voor de meeste soorten levert deze lopende monitoring ook al een goed beeld van de (ontwikkeling van de) verspreiding; waar nodig zal hieraan nog extra aandacht worden besteed bij de monitoringprojecten van de provincie.
Kwaliteit leefgebied Voor de beoordeling van de kwaliteit(sontwikkeling) van leefgebieden van VHR-soorten is er, net als bij de habitattypen, (nog) geen eenduidige landelijke methodiek beschikbaar. Ook hier zal de provincie, zo mogelijk in afstemming met landelijke ontwikkelingen, een eigen aanpak uitwerken. Deze aanpak zal aansluiten op de beschikbare ecologische beoordelingskaders van WENR voor VHR-soorten.
7.5
Gewenste systeemherstel Om de vraag in hoeverre het gewenste systeemherstel optreedt te beantwoorden zal de provincie een monitorings- en beoordelingssystematiek ontwerpen. De eerder genoemde WENR-beoordelingskaders geven hieraan richting. De ontwikkeling van karakteristieke soorten wordt beschouwd als een belangrijke indicator voor systeemherstel. Voor de ontwikkeling van de systematiek wordt in eerste instantie uitgegaan van monitoring en beoordeling op deelgebiedniveau. Per beoordelingsgebied zal onderscheiden worden wat de belangrijkste indicatoren voor systeemherstel zijn en hoe die gemonitord en beoordeeld worden.
98
Herstelprogramma Bossen | Natura 2000 Veluwe | Mei 2023
7.6
Voortgang van de uitvoering van de herstelprogramma’s Doel van monitoring: • voortgangsrapportage aan Rijk en Provinciale Staten; • sturing herstelprogramma’s Veluwe; • vastleggen uitgevoerde maatregelen t.b.v. effectstudies. De provincie ontwerpt een maatregelenregistratie om vast te leggen welke maatregelen uit de herstelprogramma’s zijn uitgevoerd. De uitvoerders van de maatregelen zullen informatie over de voortgang moeten aanleveren. De provincie zal bij de opdrachtverlening of bij het contracteren van maatregelen hierover afspraken maken met de uitvoerende partijen.
7.7
Effect van de herstelmaatregelen Van bewezen en ‘frequent toegepaste’ herstelmaatregelen worden de effecten niet in beeld gebracht. Van niet eerder uitgevoerde of experimentele maatregelen worden de effecten wel onderzocht. Over deze maatregelen bestaan nog kennisvragen of onzekerheden over het effect, waardoor mogelijk bijsturing noodzakelijk is. De provincie vraagt initiatiefnemers van herstelmaatregelen aan te geven wanneer en waarom effectmonitoring gewenst is en hiervoor een voorstel op te nemen in het projectvoorstel. De initiatiefnemer draagt zorg voor deze monitoring en de bijbehorende rapportage.
7.8 Monitoringsstrategie Vanuit bovengenoemde vraagstellingen en informatiebehoefte werkt de provincie een monitoringsstrategie uit. Deze omvat een visie en aanpak voor de monitoring van de Veluwse Natura 2000-soorten en -habitats. Daarbij worden ook deelproducten uitgewerkt zoals monitoringsplannen, een planning en de organisatie. Tot slot wordt ook in beeld gebracht hoe de gegevensproductie en -verwerking vorm krijgen en hoe de beoordeling en rapportage worden uitgevoerd. De provincie ontwikkelt een (provinciebrede) systematiek om gegevens in te winnen bij initiatiefnemers. De provincie betrekt gebiedspartners bij het opstellen van de monitoringsplannen. Daarbij zoekt de provincie zoveel mogelijk aansluiting bij bestaande monitoringssystemen en verantwoordelijkheden van terreinbeheerders en de waterschappen. Ten aanzien van terreinbeheerders betekent dit dat zo veel mogelijk gebruik wordt gemaakt van de monitoring in het kader van de SNL. Het waterschap kan een leidende rol spelen bij de monitoring en beoordeling van beken. De provincie zal hierover afspraken maken met deze partijen. De provincie stelt één of meerdere monitoringsplannen op voor de beoordeling van het doelbereik van VHR-doelen en het systeemherstel. Hierin wordt uitgewerkt: meetvragen, indicatoren, meetnetten, meetwijzen, meetfrequentie en beoordelingssystematieken.
Het monitoringsplan en de systematiek daarin worden zo eenduidig uitvoerbaar, waardoor de uitkomsten van elk rapport (eens in de zes jaar voor de Europese Commissie) vergelijkbaar zijn.
99
Herstelprogramma Bossen | Natura 2000 Veluwe | Mei 2023
8 Uitvoering herstelprogramma 8.1
Realisatie maatregelen herstelprogramma De herstelprogramma’s zijn onderdeel van het Natura 2000-beheerplan Veluwe. Ze beschrijven maatregelen die genomen moeten worden om de Natura 2000instandhoudingsdoelen te bereiken, zodat de natuur van de Veluwe weer gezond en veerkrachtig wordt. De maatregelen moeten worden uitgevoerd in de huidige beheerplanperiode (2018-2024) of de volgende beheerplanperioden (2024-2030 en 2030-2036).
8.2
Rollen en verantwoordelijkheid De instandhoudingsdoelen staan beschreven in het aanwijzingsbesluit van de minister van LNV, maar het natuurbeheer in het kader van Natura 2000 is een provinciale taak. Het initiatief voor het opstellen van de herstelprogramma’s ligt daarom bij de provincie Gelderland, in goed overleg met de beheerders en eigenaren van de grond. De uitvoering van de maatregelen ligt vaak bij de grondeigenaar of een terreinbeherende organisatie. Soms is de provincie zelf opdrachtgever voor de uitvoering. Op basis van de maatregelen in het herstelprogramma kunnen de partners projectvoorstellen maken en subsidieaanvragen indienen. De provincie geeft vervolgens opdracht voor de uitvoering ervan. De verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de maatregelen uit het Natura 2000-beheerplan en de herstelprogramma’s ligt bij de daartoe bevoegde bestuursorganen. De verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de maatregelen kan ook bij een ander bestuursorgaan gelegd worden, zoals het dagelijks bestuur van een waterschap, indien dit heeft ingestemd met de maatregelen. Gedeputeerde Staten kunnen partners/eigenaren ook verplichten een herstelmaatregel te treffen of hiervoor een gedoogplicht opleggen. Dit is in de Wet natuurbescherming geregeld.
Primair staat de terreineigenaar aan de lat voor de uitvoering van de voorgenomen maatregelen zoals beschreven in het beheerplan of de herstelprogramma’s. De terreineigenaar maakt een keuze over de voorbereiding, organisatie en de wijze van uitvoering passend binnen de beschrijving van de voorgenomen maatregelen. Bij de meeste maatregelen kan dit in een plan van aanpak worden uitgewerkt. Soms zijn een gebiedsproces en een inrichtingsplan noodzakelijk. Bij deze uitwerking is ook participatie vanuit de omgeving aan de orde. Voor de uitvoering kunnen vergunningen of ontheffingen nodig zijn op grond van geldende wet- en regelgeving. Een vergunning of ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming is niet nodig: voor de uitvoering van maatregelen die nodig zijn voor het beheer van een Natura 2000-gebied geldt geen vergunningplicht (artikel 2.7 Wnb). De provincie Gelderland verleent ondersteuning door inbreng van kennis, het delen van informatie of door het ontwikkelen van een (gezamenlijke) communicatielijn.
100
Herstelprogramma Bossen | Natura 2000 Veluwe | Mei 2023