CConstaterende datNunspeet
Koppel je AI →
Document · PDF

St. t.k.n. nr. 2 Bijlage Herstelprogramma Vennen en venen GS mei 2023

Commissie Ruimte en Wonen 9 oktober 2023, gemeente NunspeetBij agendapunt: Herstelprogramma Natura2000. thema vennen34.937 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

bodem en water) en de relaties tussen de verschillende processen die spelen tussen bodem, water, vegetatie en fauna. Hierdoor konden in de herstelprogramma’s maatregelen worden opgenomen die op een goede manier ingrijpen op deze processen. Elk van de herstelprogramma’s omvat een logisch deel van het grotere geheel van ecologische systemen waaruit de Veluwe bestaat. Met de uitvoering van de herstelprogramma’s moet dat in de komende decennia leiden tot een flinke kwaliteitsimpuls voor de Veluwe. De maatregelen in de herstelprogramma’s leveren weliswaar een hele belangrijke bijdrage aan robuust systeemherstel van de Veluwe, maar structurele verlaging van de stikstofdepositie blijft cruciaal om het systeemherstel robuust te houden.

Visie op doelbereik De visie op doelbereik uit hoofdstuk 5 van het Natura 2000-beheerplan Veluwe ligt ten grondslag aan deze herstelprogramma’s. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de beheerstrategie op landschapsschaal en het doelbereik van habitattypen, Habitatrichtlijnsoorten en Vogelrichtlijnsoorten. Hierin staat ook de generieke kernopgave voor de Veluwe beschreven die gericht is op: • vergroting van de interne samenhang door herstel van evenwichtige verdeling van open en gesloten terreinen met meer geleidelijke overgangen van zandverstuivingen, heide, vennen, graslanden en bos; • versterking van het ruimtelijke netwerk van bos, heide- of stuifzandgebieden, waarbij tussenliggende gebieden gebruikt kunnen worden als stapstenen, met name voor reptielen en vlinders; • versterking van overgangen van droge naar natte gebieden, zoals beekdalen en herstel van vennen. Vanwege de verwevenheid van de herstelprogramma’s voor heiden en stuifzanden en voor bossen is ervoor gekozen de ecologische onderbouwing voor beide herstelprogramma’s in samenhang op te stellen. De bossen, heiden en stuifzanden beslaan grote delen van de Veluwe. Voor de ecologische onderbouwing is ook het relatieve belang van de habitats en soorten geanalyseerd. Hoewel vennen en venen veel in stuifzandlandschap liggen, functioneren ze vaak als zelfstandige systemen. Dit geldt ook voor de beken.

Vennen, venen en beken zijn daarom niet in deze Veluwebrede analyse voor heide, stuifzanden en bos meegenomen, behalve wanneer er raakvlakken zijn met bossen, zoals bij de hoogveenbossen en beekbegeleidende bossen.

24

Herstelprogramma Vennen en venen | Natura 2000 Veluwe | mei 2023

In het Natura 2000-beheerplan staat dat naast de generieke opgave ook de voor specifieke habitattypen, Habitatrichtlijnsoorten en Vogelrichtlijnsoorten gerealiseerd en gegarandeerd moeten worden. Die specifieke opgaven hebben prioriteit. Daarom heeft provincie Gelderland in het kader van de herstelprogramma’s veel aparte onderzoeken laten doen naar de Habitatrichtlijnsoorten en Vogelrichtlijnsoorten van de Veluwe. Dit om te bekijken wat er specifiek voor deze soorten nodig is, aanvullend op wat al in het Natura 2000-beheerplan beschreven staat. Het op orde krijgen van de bestaande kwalificerende habitattypen heeft in dit eerste beheerplan de hoogste prioriteit. Bij de actualisatie van het beheerplan wordt de visie op doelbereik van de Veluwe opnieuw beoordeeld en beschreven. In het beheerplan staat dat voor nagenoeg alle habitattypen op de Veluwe de hoge stikstofdepositie de overheersende negatieve factor is. Substantiële terugdringing van deze stikstofdepositie is een harde voorwaarde voor het behalen van de instandhoudingsdoelen voor habitattypen en soorten, maar dit valt buiten het Natura 2000-beheerplan en deze herstelprogramma’s. De maatregelen die daarvoor nodig zijn worden niet in het beheerplan beschreven, maar zijn onderdeel van landelijk en provinciaal stikstofbeleid.

Met monitoring worden de ontwikkelingen en effecten van de maatregelen gevolgd en wordt in beeld gebracht of de doelen worden behaald. Beoordeling van het doelbereik vindt plaats aan de hand van de beoordelingskaders (WEnR, 2021). Het Natura 2000-beheerplan Veluwe geeft voor de verschillende soorten en habitats aan of de doelstelling ‘instandhouding’ of ‘uitbreiding’ omvat. In het geval van ‘uitbreiding’ is dat niet altijd concreet gekwantificeerd. In dat geval wordt het principe gehanteerd dat de inspanning via de herstelprogramma’s in ieder geval tot enige aantoonbare uitbreiding moet leiden.

25

Herstelprogramma Vennen en venen | Natura 2000 Veluwe | mei 2023

3 Totstandkoming van het herstelprogramma 3.1

Voorbereiding Het herstelprogramma Vennen en venen is tot stand gekomen op basis van een uitgebreide analyse van data afkomstig van terreineigenaren, waterschap Vallei en Veluwe, onderzoeksinstellingen en provincie Gelderland. Met deze informatie is een provinciale groslijst samengesteld van vennen en venen, met de staat van instandhouding van habitattypen en -richtlijnsoorten.

Ecologisch beoordelingskader WEnR heeft ecologische beoordelingskaders ontwikkeld voor de aangewezen habitattypen en soorten (Bron: Bijlsma et al. 2021). Met de beoordelingskaders kan op basis van vaste criteria de kwaliteit van habitattypen worden beoordeeld. Aan de hand van deze beoordelings-systematiek is voor elk herstelprogramma het actueel en het beoogd doelbereik in beeld gebracht. Vervolgens zijn de maatregelen geformuleerd om van het actueel naar het beoogd doelbereik te komen. Bij het opstellen van de beoordelingskaders heeft WEnR samengewerkt met Sovon Vogelonderzoek Nederland en Radboud Universiteit Nijmegen.

Gesprekken Bij de voorbereiding van dit herstelprogramma zijn gesprekken gevoerd met eigenaren van vennen en venen, waaronder gemeenten, particulieren en terreinbeherende organisaties. Ook zijn er diverse veldbezoeken gebracht en is de hulp van een zogenaamd expertteam ingeroepen, een team van deskundigen vanuit overheidsorganisaties, onderzoeksinstellingen en eigenaren. Dit team heeft meegedacht met de aandachtspunten voor het herstelprogramma en geadviseerd over de aanpak van en oplossingsrichtingen voor de knelpunten. Basis voor de gesprekken was het Venherstelprogramma Veluwse vennen uit 2017. Dit programma gaf inzicht in de actuele situatie van de vennen en venen op de Veluwe in het kader van het Programma Aanpak Stikstof (PAS). Het was vervolgens aan terreinbeheerders om plannen van aanpak op te stellen en nader onderzoek te doen naar daadwerkelijke herstelmaatregelen. Voor elk Natura 2000-gebied in Nederland heeft de overheid vastgesteld welke habitattypen en welke soorten moeten worden behouden of uitgebreid in oppervlakte of omvang of kwaliteit. Dit zijn de gebiedsdoelen die in het aanwijzingsbesluit genoemd zijn. In het Natura 2000-beheerplan Veluwe is een beoogd doelbereik geformuleerd. Dit beoogde doelbereik geeft aan welke omvang en kwaliteit van habitattypen én leefgebieden van populaties van soorten haalbaar zijn.

Dit beoogde doelbereik zegt hoever we kunnen komen met het herstel van de natuur gegeven de gebiedsdoelen. In de herstelprogramma’s vindt een vertaling plaats in concrete doelen en maatregelen voor de korte en voor de langere termijn. Hierbij spelen naast het actuele doelbereik en het aanwijzingsbesluit ook andere dan ecologische overwegingen een rol. Groslijst De gesprekken leverden een eerste lijst met vennen en venen en hun kwaliteit. Dit bestand is aangevuld met de volgende bronnen.

26

Herstelprogramma Vennen en venen | Natura 2000 Veluwe | mei 2023

Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) Bij de NDFF zijn waarnemingen opgevraagd van alle kwalificerende planten en mossen van SNL-natuurdoeltypen N06.05 (zwakgebufferd ven) en N06.06 (zuur ven of hoogveenven). Daarnaast zijn de gegevens opgevraagd van typische soorten van habitattype H3130 (zwakgebufferde vennen), zure vennen (H3160) en heideveentjes (H7110_B) (Deze natuurdoeltypen zijn nader beschreven op de site van BIJ12.). Een deel van de soorten is zowel kwalificerend voor SNL-natuurdoeltypen als voor Natura 2000-habitattypen, maar een deel was ook uniek voor een van beide categorieën. Bij de NDFF zijn alle waarnemingen opgevraagd die verzameld zijn volgens het monitoringsprotocol van SNL, het protocol van landelijke meetnetten (NEM) voor mossen of volgens de florakarteringsmethodiek van Staatsbosbeheer of Natuurmonumenten. Daarnaast zijn ook alle beschikbare vegetatieopnamen van vennen en venen uit de Landelijke Vegetatie Databank geraadpleegd. Data die volgens deze standaarden zijn verzameld, leveren de beste garantie dat ook gezocht is naar alle kenmerkende soorten van desbetreffende soortgroep. Daarmee is het waarschijnlijker dat, indien een soort ontbreekt in de soortenlijst van desbetreffende locatie, deze ook echt afwezig was. Bij de NDFF zijn alleen gegevens opgevraagd vanaf 2000. Daarvoor was nog geen sprake van gestandaardiseerde monitoringsprotocollen.

De verspreidingsgegevens van planten zijn gebruikt om de lijst van vennen en venen uit het eerdere herstelplan (Van Kleef et al., 2017b) aan te vullen met potentieel geschikte locaties voor ontwikkeling van vennen en/of venen. Waar sprake was van een waarneming van ten minste één soort buiten een bekend ven, is met behulp van luchtfoto’s en AHN-kaarten (Actueel Hoogtebestand Nederland) gecontroleerd of hier daadwerkelijk een ven aanwezig was. Een aantal soorten kan namelijk ook voorkomen op natte slenken en natte heide (o.a. witte snavelbies en veelstengelige waterbies).

Routinematige vegetatiemeetnet provincie Het Meetnet Vegetatie Gelderland volgt vanaf 1970 de vegetatieontwikkelingen in de provincie. Iedere drie jaar worden permanente quadraten opgenomen. Dat wil zeggen dat alle plantensoorten die voorkomen binnen het afgebakende vlak worden genoteerd met een schatting van de bedekking. De opnamen zijn vastgelegd als punt met een x- en y-coördinaat en hebben ook een habitattypering. Van elk punt met typering ‘ven’ is gekeken of deze in de buurt van een bekend ven lag. Zo niet, dan was er mogelijk sprake van een nieuw ven (dat wil zeggen niet voorkomend in de lijst van 2017). Met recente luchtfoto’s/ AHN-kaarten is dit weer gecontroleerd. Nieuwe vennen zijn toegevoegd aan de groslijst.

Habitattypenkaart De habitattypenkaart geeft weer in welke vlakken (van tenminste 100 m2) de vegetatie van dusdanige samenstelling is dat deze kwalificeert als een van de Natura 2000-habitattypen relevant voor de Veluwe. Op grond van deze habitattypenkaart is gekeken waar vlakken met zwakgebufferde vennen (H3130), zure vennen (H3160) of heideveentjes (H7110_B) voorkwamen. Als dergelijke vlakken voorkwamen buiten reeds bekende vennen is wederom gekeken of een ven op recente luchtfoto’s/AHN-kaarten zichtbaar was. Zo ja, dan is deze toegevoegd.

27

Herstelprogramma Vennen en venen | Natura 2000 Veluwe | mei 2023

Verspreidingsgegevens van doelsoorten Ten behoeve van dit herstelprogramma zijn gerichte onderzoeken uitgevoerd naar verspreiding van drijvende waterweegbree (Bron: Odé et al. 2021), gevlekte witsnuitlibel (Bron: Bos-Groenendijk2020) en kamsalamander (Bron: Gilbert. & Schippers, 2022). De locaties waar deze soorten zijn waargenomen, zijn eveneens toegevoegd aan de groslijst. Op basis van bovengenoemde vier bronnen is de oorspronkelijke lijst van 251 vennen aangevuld met 85 locaties. Deze lijst van in totaal 336 locaties bevat dus alle plekken waarvan ofwel bekend is dat daar het grootste deel van het jaar water staat, waar één of meerdere typerende soorten voorkomen en/of recente vindplaatsen van drijvende waterweegbree, gevlekte witsnuitlibel en kamsalamander .

3.2 Clusteraanpak Voor een efficiënte prioritering en gebiedsgerichte aanpak van het herstel van vennen zijn dertien clusters benoemd. Gezamenlijk omvatten deze clusters alle kansrijke locaties. Binnen de meeste clusters hebben de vennen en venen een gemeenschappelijke eigenaar of beheerder. Met deze eigenaren zijn gesprekken gevoerd over de staat van instandhouding, de aanleiding en mogelijkheden van herstel. Het herstelprogramma geeft in paragraaf 6.4 per cluster een beschrijving van de feitelijke situatie, de gesignaleerde problemen en de voorgestelde aanpak. Waar mogelijk en noodzakelijk wordt ook de relatie met andere herstelprogramma’s benoemd.

28

Herstelprogramma Vennen en venen | Natura 2000 Veluwe | mei 2023

4 Natura 2000-doelen en -opgaven 4.1

Algemene doelen In het Aanwijzingsbesluit Veluwe staan de volgende algemene doelen opgenomen. Deze doelen gelden voor alle Natura 2000-gebieden: • behoud van de bijdrage van het Natura 2000-gebied aan de biologische diversiteit en aan de gunstige staat van instandhouding van natuurlijke habitats en soorten binnen de Europese Unie; • behoud van de bijdrage van het Natura 2000-gebied aan de ecologische samenhang van het Natura 2000-netwerk zowel binnen Nederland als binnen de Europese Unie; • behoud en waar nodig herstel van de ruimtelijke samenhang met de omgeving ten behoeve van de duurzame instandhouding van de in Nederland voorkomende natuurlijke habitats en soorten; • behoud en waar nodig herstel van de natuurlijke kenmerken en van de samenhang van de ecologische structuur en functies van het gehele gebied voor alle habitattypen en soorten waarvoor instandhoudingsdoelen zijn geformuleerd; • behoud of herstel van gebiedsspecifieke ecologische vereisten voor de duurzame instandhouding van de habitattypen en soorten waarvoor instandhoudingsdoelen zijn geformuleerd.

4.2

Doelen habitattypen Het aanwijzingsbesluit voor Natura 2000-gebied Veluwe noemt achttien habitattypen (of ecosystemen) die essentieel zijn voor de natuurlijke rijkdom van de Veluwe. Zoals aangegeven in paragraaf 1.5 komen zeven daarvan aan bod in dit herstelprogramma. Het exacte doel verschilt per habitattype. Zo gaat het bij zwakgebufferde vennen vooral om behoud van de huidige verspreiding, omvang en kwaliteit, terwijl bij heideveentjes de lat hoger ligt: hiervoor vraagt het aanwijzingsbesluit ook om toename van het areaal en kwaliteitsverbetering van de huidige heideveentjes. Tabel 4.1 geeft per habitattype weer welke doelen hiervoor gelden op grond van het aanwijzingsbesluit.

29

Herstelprogramma Vennen en venen | Natura 2000 Veluwe | mei 2023

Tabel 4.1 Natura 2000-doelen voor habitattypen die in dit herstelprogramma aan de orde komen. De doelstellingen volgen uit het aanwijzingsbesluit voor Natura 2000 Veluwe (Bron: Natura 2000-gebied Veluwe: Aanwijzing.). De doelen hebben betrekking op verspreiding van het habitattype, de totale omvang of de kwaliteit. Het doel is gericht op behoud (=) of op verbetering (+). Soms is geen doelstelling geformuleerd (0). Een * achter het habittattype geeft aan dat de doelstelling prioritair is.

Habitattype

Code

Verspreiding

Omvang

Kwaliteit

Zwakgebufferde vennen

H3130

=

=

=

Zure vennen

H3160

=

=

+

Blauwgraslanden

H6410

0

+

+

(heideveentjes)

H7110_B*

=

+

+

Overgangs- en trilvenen (trilvenen)

H7140A

0

=

=

Kalkmoerassen

H7230

0

=

=

Hoogveenbossen

H91DO

0

=

=

Actieve hoogvenen

‘Heideveentjes’, H7110_B, is een subtype van habitattype ‘Actieve hoogvenen’ (H7110). Deze omvat naast de heideveentjes ook het subtype ‘hoogveenlandschap’ (H7110_A). Hierbij gaat het echter om meerdere hectares actief hoogveen, zoals in Wooldse Veen of Korenburgerveen. Dit type (H7110_A) komt in de Veluwe niet voor en is ook geen Natura 2000-doel voor de Veluwe. Om verwarring met deze grote hoogveenlandschappen te voorkomen wordt in dit programma in het vervolg de term ‘heideveentjes’ gehanteerd als het gaat om het subtype H7110_B van de ‘Actieve hoogvenen’. Het habitattype heideveentje is in het aanwijzingsbesluit aangemerkt als prioritair. Dat wil zeggen dat het hier gaat om een habitattype dat gevaar loopt te verdwijnen en waarvoor de Europese Unie een bijzondere verantwoordelijkheid draagt omdat een belangrijk deel van hun totale verspreidingsgebied binnen de Europese Unie ligt. Het habitattype hoogveenbos (H91D0) wordt vanwege de te beschermen waarden als habitattype genoemd in het Wijzigingsbesluit Habitatrichtlijngebieden (Bron: Wijzigingsbesluit Habitatrichtlijngebieden vanwege aanwezige waarden. DN&B/2018-000, Directie Natuur & Biodiversiteit.) (ook wel ‘Veegbesluit’ genoemd). Dit habitattype is binnen Natura 2000-gebied de Veluwe alleen in het Bleeke Meer en ten zuiden van het Uddelermeer aanwezig, met een oppervlakte van respectievelijk 0,57 ha en 0,11 ha.

Daarnaast lijkt ook een bos op landgoed Leuvenum te kwalificeren als hoogveenbos. De nieuwe habitattypekaart zal hier uitsluitsel over geven. Volgens het aanwijzingsbesluit van de Veluwe (onderdeel van het wijzigingsbesluit) moet de kwaliteit en de oppervlakte van dit type worden behouden.

30

Herstelprogramma Vennen en venen | Natura 2000 Veluwe | mei 2023

Binnen de Veluwe ligt alleen een doelstelling om deze bosjes in stand te houden. Daarom wordt in dit programma geen specifieke aandacht besteed aan de potenties voor dit habitattype. Zoals beschreven in paragraaf 3.1 zijn er nu 336 locaties bekend waar kansen liggen voor een zwakgebufferde vennen, zure vennen of heideveentjes of voor voortplantingsgebied voor de doelsoorten (zie tabel 4.2). Op basis van reeds uitgevoerde landschapsecologische systeemanalyses (LESA) is duidelijk dat 20 van deze locaties de potentie hebben om zich te ontwikkelen tot zwakgebufferd ven, 85 hebben de potentie voor zuur ven en 32 voor heideveentje. Een groot aantal vennen (199) is dus nog niet onderzocht in een LESA. Voor veel vennen hoeft dat ook niet, deze zijn te klein, liggen ver verwijderd van andere vennen of missen de juiste combinatie van omgevingsfactoren. In paragraaf 6.1.3 vindt de nadere selectie van deze vennen plaats. Figuur 4.1 Ligging habitattype vennen in Natura 2000-gebied Veluwe Noord Kleur van de stip geeft weer of op desbetreffende locatie in noordelijke helft van de Veluwe potentie ligt voor een heideveentje, zuur ven of zwakgebufferd ven. Deze potentie is ingeschat op basis van een LESA. Waar geen LESA beschikbaar was, is op basis van het aantal kenmerkende plantensoorten de potentie ingeschat, mits minimaal 3 kenmerkende soorten aanwezig waren.

Waar deze gegevens ontbraken is aangegeven dat potentie onbekend is, hierbij zijn nog locaties onderscheiden met slechts één kenmerkende soort (‘Onbekend 1 soort (i.p.v. min 3)’) en locaties zonder kenmerkende soorten (‘Onbekend (0 soorten i.p.v. min 3)’). !

Hattem

† !

† † † †

Wezep !

!

!

† †

Elburg

† !

† †

!

!

Wapenveld !

† †

† †

!

!

't Harde !

!

† † † †

!

!

Gebied Noord

Heerde

Heideveentje

† †Nunspeet

!

Zuur ven

!

† † † †

† † † †

!

Natura 2000

!

!

† † !

Zwak gebufferd ven

!

† † † †

!

!

Onbekend 1 soort (i.p.v. min 3) Onbekend (0 soorten i.p.v. min 3)

! !

† † † †

!

!

† † † H†A R D E R W I J K

!

Epe

† †

!

!

! !

!

!

† !

!

!

!

† †

!

!

!

† † † †

† † † †

† †

!

!

Ermelo

Vaassen

† † † †

!

!

Putten

† † † †

!

!

† † † † † † † †

Twello !

!

APELDOORN

† †

3

6

† † † † † †

!

!

0

!

km

!

I&A-DATA | 2203-1077| 5-7-2022 !

!

31

Herstelprogramma Vennen en venen | Natura 2000 Veluwe | mei 2023

!

† † † †

! !

† †

Figuur 4.2 Ligging habitattype vennen in Natura 2000-gebied Veluwe Zuid Kleur van de stip geeft weer of op desbetreffende locatie in zuidelijke helft van de Veluwe potentie ligt voor een heideveentje, zuur ven of zwakgebufferd ven. Deze potentie is ingeschat op basis van een LESA. Waar geen LESA beschikbaar was, is op basis van het aantal kenmerkende plantensoorten de potentie ingeschat, mits minimaal 3 kenmerkende soorten aanwezig waren. Waar deze gegevens ontbraken is aangegeven dat potentie onbekend is, hierbij zijn nog locaties onderscheiden met slechts één kenmerkende soort (‘Onbekend 1 soort (i.p.v. min 3)’) en locaties zonder kenmerkende soorten (‘Onbekend (0 soorten i.p.v. min 3)’). !

APELDOORN

!

† †

!

!

† † † † † †

† †

!

!

!

!

† † † †

! !

!

! !

!

Gebied Zuid

!

† † † † † † † † †

!

† † † †

† † !

Natura 2000

!

Heideveentje Zuur ven !

Zwak gebufferd ven

† † † † † †

!

Onbekend 1 soort (i.p.v. min 3) Onbekend (0 soorten i.p.v. min 3) !

Eerbeek

† !

!

Lunteren

†

† † † † !

!

!

† † !

!

!

† † † † †

!

† † † † Dieren

!

! !

EDE

!

!

ARNHEM

!

!

!

† † † †

Doorwerth

!

† † † †

!

† †

† † † †

† † † † † † Velp

Rheden

Oosterbeek !

6

!

3

† † † †

† † † †

!

km

0

† † † †

† † † †

Bennekom

† † † †

† †

I&A-DATA | 2203-1077| 23-6-2022

Renkum Westervoort

!

WA G E N I N G E N !

! !

Het habitattype overgangs- en trilvenen is kansrijk in het Wisselse Veen. De benodigde maatregelen hiervoor zijn inmiddels in voorbereiding (zie paragraaf 6.4.2). In het Wisselse Veen zijn nu nog afzonderlijke vennen herkenbaar, maar op den duur zal hier één samenhangend trilveen ontstaan waarin de afzonderlijke vennen niet meer terug te vinden zijn. Voor kalkmoerassen ligt op de Veluwe een opgave om de huidige kwaliteit op het bestaande areaal in stand te houden. Aanvankelijk werd aangenomen dat op basis van vegetatie en soorten een kleine locatie kalkmoeras in de Leemputten bij Staverden aanwezig zou zijn. Blauwgrasland is echter een passender aanduiding van deze locatie omdat analyse van het watersysteem duidelijk heeft gemaakt dat hier geen sprake is van kwel (Bron: Termaat et al. 2022) (de aanwezigheid van kalkrijke leem is hier de reden voor de aanwezigheid van de bijzondere vegetatie). In het Wisselse Veen is wel sprake van een kwelsituatie en hier is ook een vegetatie van kalkmoeras aangetroffen. Het oppervlakte kalkmoeras kan met de nieuwe habitattypenkaart nauwkeurig worden vastgesteld. Voor blauwgraslanden geldt binnen de Veluwe een doelstelling om de kwaliteit te verbeteren en het bestaande oppervlak uit te breiden. Kansen voor blauwgrasland liggen mogelijk in het Renkums beekdal. Kwalificerend blauwgrasland komt nu alleen voor op 0,31 hectare bij de Leemputten in

32

Herstelprogramma Vennen en venen | Natura 2000 Veluwe | mei 2023

Staverden waar dankzij vroegere kleiwinning her en der basenrijke klei op maaiveld terecht is gekomen. Dit is een uitzonderlijke plek voor de Veluwe, elders bestaat de bodem vooral uit tientallen meters dikke pakketten dekzand met een diepe grondwaterstand. Deze zijn ongeschikt voor blauwgraslanden. Wanneer uit analyses van deelgebieden blijkt dat er ook potenties liggen voor blauwgrasland, worden die aangestipt. De Vogelrichtlijnsoorten roodborsttapuit (A276) en grauwe klauwier (A338) kunnen in blauwgrasland voorkomen. In dit herstelprogramma worden deze soorten niet apart meegenomen, deze komen aan bod in het herstelprogramma Heiden en stuifzanden.

Blauwgrasland in Borculo

4.3

Doelen habitatrichtlijnsoorten Zoals genoemd in paragraaf 1.5 gelden er expliciete doelstellingen voor drie habitatrichtlijnsoorten (zie tabel 4.2). Evenmin als voor de habitattypen zijn de doelen voor soorten nader gekwantificeerd. Tabel 4.2 Natura 2000-doelen voor soorten die in dit herstelprogramma aan de orde komen. De doelstellingen volgen uit het aanwijzingsbesluit voor Natura 2000-Veluwe (Bron: Natura 2000-gebied Veluwe: Aanwijzing.). De doelen hebben betrekking op verspreiding van het leefgebied, de totale omvang of de kwaliteit. Het doel is gericht op behoud (=) of verbetering (+) van het leefgebied.

33

Soort

Code

Verspreiding leefgebied

Omvang leefgebied

Kwaliteit leefgebied

Gevlekte witsnuitlibel

H1042

+

+

+

Kamsalamander

H1160

=

=

=

Drijvende waterweegbree

H1831

=

=

=

Herstelprogramma Vennen en venen | Natura 2000 Veluwe | mei 2023

Gevlekte witsnuitlibel De gevlekte witsnuitlibel heeft op dit moment nog deelpopulaties in het Mosterdveen en de Hoge Veluwe. Bij de Leemputten in Staverden is de soort recent verdwenen. Alleen de populatie in het Mosterdveen heeft nog voldoende omvang. Het aantal gevlekte witsnuitlibellen op de Hoge Veluwe is te laag om van een duurzame populatie te kunnen spreken. Eén gezonde populatie is te weinig voor een duurzame instandhouding van de soort in de gehele Veluwe. Het is daarom wenselijk dat ook de populaties in de andere drie (voormalige) kerngebieden in omvang toenemen (Bron: Van Grunsven & Bos-Groenendijk, 2022). De benodigde maatregelen voor desbetreffende clusters komen aan bod in hoofdstuk 6.

Kamsalamander De overwegend droge en arme zandgronden op de Veluwe bieden weinig geschikt leefgebied voor de kamsalamander (Triturus cristatus). De soort is hier met name aangewezen op beekdalen, gebufferde vennen en leemkuilen. Daar komt nog bij dat de nauw verwante Italiaanse kamsalamander (Triturus carnifex) sinds 2000 in opmars is op de Veluwe en de inheemse kamsalamander verdringt uit geschikte leefgebieden.

Drijvende waterweegbree Drijvende waterweegbree (H1831) heeft nu twee kleine deelpopulaties in Natura 2000-gebied de Veluwe. Om een gunstige staat van instandhouding te bereiken zijn minstens zes tot tien deelpopulaties nodig (Bron: Odé et al., 2021). In een aantal vennen en leemputten zijn mogelijkheden om drijvende waterweegbree terug te krijgen. Deze mogelijkheden komen nader aan bod in hoofdstuk 6. De drijvende waterweegbree komt zowel voor in de habitats van vennen en venen als van beken. De drijvende waterweegbree in beken komt aan bod in het herstelprogramma Beken.

Drijvende waterweegbree (fotografie: Saxifraga-Hans Dekker)

34

Herstelprogramma Vennen en venen | Natura 2000 Veluwe | mei 2023

!

Figuur 4.3 Ligging locaties drijvende waterweegbree op de Veluwe

Hattem

† !

† † † †

Wezep !

!

!

† †

Elburg

† !

† †

!

!

Wapenveld !

† †

† †

!

!

't Harde !

!

† † † †

!

!

Gebied Noord

Heerde

Drijvende Waterweegbree

!

† † † †

† † † †

!

Natura 2000

!

† †Nunspeet !

!

† † !

!

† † † † !

!

! !

† † † †

!

!

† † † H†A R D E R W I J K

!

Epe

† †

!

!

! !

!

!

† !

!

!

!

† †

!

!

!

† † † †

† † † †

† †

!

!

Ermelo

Vaassen

† † † †

!

!

Putten

† † † †

!

!

† † † † † † † †

Twello !

!

APELDOORN

† †

3

6

† † † † † †

!

!

0

!

km

!

I&A-DATA | 2203-1077| 16-6-2022 !

!

35

Herstelprogramma Vennen en venen | Natura 2000 Veluwe | mei 2023

!

† † † †

! !

† †

5 Analyse Dit hoofdstuk bespreekt de knelpunten en oplossingen voor de belangrijkste doelen in hoofdstuk 4. Dat zijn de habitattypen zwakgebufferde vennen, zure vennen en heideveentjes en de doelsoorten gevlekte witsnuitlibel, kamsalamander en drijvende waterweegbree. Overgangs- en trilvenen, hoogveenbossen en blauwgraslanden blijven hier dus buiten beschouwing. Deze habitats zijn namelijk zeer beperkt in omvang en slechts aanwezig of realiseerbaar op 1 à 2 specifieke locaties binnen de Veluwe. Voor die specifieke locaties maakt hoofdstuk 6 duidelijk welke knelpunten er spelen en welke maatregelen nodig zijn om die knelpunten weg te nemen. Allereerst worden de afzonderlijke knelpunten besproken die realisatie van de doelen in hoofdstuk 4 in de weg kunnen staan (paragraaf 5.1). Daarna wordt in paragraaf 5.2 beschreven welke sleutels er zijn om deze knelpunten weg te nemen. In een aantal gevallen ontbreekt helaas nog kennis om effectieve maatregelen te kunnen nemen. Die kennislacunes komen aan bod in paragraaf 5.3.

5.1

Knelpunten

5.1.1

Verdroging en droogte Figuur 5.1: Schematische dwarsdoorsnede van hoogte gradiënten in zandlandschap met globale positie van de Natura 2000-doelen die binnen dit herstelprogramma aan bod komen (Bewerking (met toestemming) van afbeelding OBN).

36

Herstelprogramma Vennen en venen | Natura 2000 Veluwe | mei 2023

Verdroging Alle habitattypen in dit herstelprogramma zijn aangewezen op natte omstandigheden en daarmee gevoelig voor verdroging. Beide typen vennen en venen hebben jaarrond waterstanden boven maaiveld nodig. Bij zure vennen en heideveentjes die te lijden hebben van verdroging is er meestal sprake van een lokale oorzaak. Deze habitattypen liggen namelijk, vanwege slecht doorlatende lagen in de ondergrond, geïsoleerd van het regionale watersysteem (figuur 5.1). Deze lokale systemen gaan verdrogen zodra er minder neerslag richting ven of heideveentje kan stromen. Dat kan een gevolg zijn van boom- en struikopslag rondom het ven. Bomen en struiken verdampen dan veel van het water dat anders het ven zou voeden. Waterverlies kan ook optreden door beschadiging van de ondoorlatende laag als gevolg van omwoelen van de Onder verdroging wordt verstaan de door menselijk handelen veroorzaakte structurele daling van het grondwater en structurele vermindering van kwelwaterhoeveelheden (Bron: Van den Eertwegh et al. 2021). ondergrond of omvallende bomen die wortelen in de ondoorlatende laag. Zwakgebufferde vennen kunnen ook verdrogen door ontwatering in het inzijggebied (het gebied waarbinnen neerslag naar het ven kan toestromen). Het gaat hierbij meestal om drainagestelsels, greppels en sloten die in het verleden zijn aangelegd ten behoeve van bebouwing of landbouw.

Die ontwatering onderschept veel water dat anders via de ondergrond naar het ven zou stromen. Droogte Droogte duidt op een langere periode van watertekort. Dat kan incidenteel zijn, bijvoorbeeld in een droog jaar. Diverse klimaatscenario’s voorspellen dat periodes van langdurig watertekort (zoals opgetreden in de zomers van 2018, 2019 en 2020) veel vaker zullen voorkomen. Droogte en verdroging hangen samen. Ontwateringsmiddelen verhinderen namelijk dat de watervoorraad van verdroogde natuurgebieden maximaal wordt aangevuld in perioden met veel neerslag. Daardoor lopen de gebieden eerder watertekort op tijdens langdurig droge perioden.

Gevoeligheid van habitattypen en doelsoorten voor watertekort Zure en zwakgebufferde vennen (H3160 en H3130) In schotelvormige vennen, dus met een groot oppervlak en geringe diepte, of vennen waarvan de ondergrond van nature toch enigszins poreus is, valt een groot deel van de oever regelmatig droog. Hier zijn de lage waterstanden in zomermaanden een natuurlijk verschijnsel en daarmee geen ecologisch knelpunt. Zure en zwakgebufferde vennen hebben zelfs voordeel van enige droogval in de zomermaanden. Afgestorven planten op de bodem breken namelijk snel af in de open lucht en dat voorkomt slibophoping onder water. Bovendien versnelt droogval de omzetting van stikstofverbindingen naar stikstofgas dat vervolgens naar de atmosfeer verdwijnt. Hierdoor blijft de stikstofbelasting in het ven beperkt. Een ander voordeel van gedeeltelijke droogval is de oxidatie van ijzer, dit geoxideerde ijzer kan beter fosfaat binden en zo voorkomen dat woekerende planten ervan profiteren (Bron: Tomassen & Van Kleef, 2016). Als een groot deel van het ven bijna jaarlijks droogvalt wordt het wel problematisch. Met name de macrofauna van vennen is gevoelig voor droogval omdat ze nu eenmaal zijn aangepast aan een leven onder water. Maar ook lage waterstanden kunnen al veel soorten schade berokkenen.

Het waterleven concentreert zich dan noodgedwongen in de ondiepe plasjes die achterblijven in de diepste delen van de venbodem. Deze ondiepe plasjes warmen veel sneller op dan een ven met bijvoorbeeld een meter waterdiepte. In warm water lost minder zuurstof op en dat kan waterdieren die juist veel zuurstof nodig hebben parten gaan spelen. De zuurstofconcentratie daalt nog sneller met organische bagger op de venbodem. De frequenter optredende lage waterstanden in combinatie met meer opwarming, als gevolg van klimaatverandering, verklaart mogelijk waarom een aantal kenmerkende vengebonden insecten geleidelijk aan verdwijnen. Het gaat hierbij onder andere om de libellen maanwaterjuffer, noordse witsnuitlibel en zwarte

37

Herstelprogramma Vennen en venen | Natura 2000 Veluwe | mei 2023

heidelibel, en de kokerjuffers Agrypnia obsoleta, Limnephilus nigriceps en L. stigma. Momenteel loopt een OBN onderzoek om deze wisselwerking tussen opwarming, waterbodem en zuurstof nader uiteen te rafelen. Heideveentjes (H7110_B) In tegenstelling tot de hierboven beschreven vennen is droogval bij heideveentjes onwenselijk. Hoogveen kan zich alleen ontwikkelen wanneer het verschil tussen de hoogste waterstand (meestal ’s winters) en de laagste waterstand (meestal ’s zomers) hooguit 20-30 cm is. Vooral in diepere, komvormige vennen met een ondoorlatende ondergrond, dus zonder waterverlies, kan het waterstandsverschil binnen deze grenzen blijven. Wanneer de waterstand te ver wegzakt zal het afgestorven plantenmateriaal, het ‘veen’, snel afbreken in de open lucht en daarmee de veenvorming teniet doen. Hoewel heideveentjes bestaan bij de gratie van hoge waterstanden zijn goed ontwikkelde hoogveenkernen behoorlijk robuust tegen extreem droge perioden. Veenmosbulten zijn namelijk in staat om het beschikbare water zo lang mogelijk vast te houden. De hoogveenkernen in bijvoorbeeld Mosterdveen hebben de droge zomers van 2018, 2019 en 2020 goed doorstaan. Maximaal herstel van heideveentjes maakt deze dus ook robuuster tegen klimaatverandering. De drie doelsoorten van dit herstelprogramma zijn allen gevoelig voor verdroging en droogval.

De gevlekte witsnuitlibel is van deze drie de meest kwetsbare omdat de larven gedurende twee jaar in het water leven en niet bestand zijn tegen droogval. Voortplantingswater van kamsalamander mag jaarlijks droogvallen, omdat dit vestiging van vis voorkomt, maar als het waterpeil te vroeg in het voorjaar uitzakt, krijgen de larven geen kans om uit te groeien. De drijvende waterweegbree is vrij ongevoelig voor droogval. De plant hoeft niet per se onder water te staan. Ook in langdurige drooggevallen vennen kunnen planten bloeien en zaad zetten. Drijvende waterweegbree is echter weinig concurrentiekrachtig: wanneer de (langdurige) droogval leidt tot vestiging van woekerende soorten zoals pitrus of pijpestrootje zal deze soort snel het onderspit delven.

5.1.2

Verzuring en vermesting Zoals aangegeven in het Natura 2000-beheerplan Veluwe (2018) zijn verzuring en vermesting de belangrijkste knelpunten voor natuur op de Veluwe. Verzuring en vermesting worden op dit moment hoofdzakelijk veroorzaakt door de depositie van stikstofoxiden en ammoniak, afkomstig van landbouw, verkeer en industrie. De gevoeligheid van ieder habitattype is uitgedrukt in een kritische depositiewaarde: wanneer de stikstofaanvoer vanuit de lucht hoger is dan deze waarde vormt stikstof een knelpunt voor het habitattype. De AERIUS monitor (Over AERIUS Monitor | AERIUS Monitor) van het RIVM geeft aan dat de huidige depositie op de Veluwe op alle locaties hoger ligt dan de kritische depositiewaarde. De hoge stikstoflast leidt tot vermesting van zure en zwakgebufferde vennen en heideveentjes. Naast fosfor is stikstof namelijk een van de belangrijkste voedingsstoffen voor planten. Snel groeiende en algemene soorten zoals knolrus, moerasstruisgras en pijpestrootje gaan woekeren en zullen de langzaam groeiende, kritische vensoorten verdringen (Bron: Aggenbach et al 1998). Op hoogveenbulten in heideveentjes zal extra stikstofdepositie opslag van boompjes (berk, grove den), pijpenstrootje en dopheide versnellen, deze soorten veroorzaken door verdamping extra waterverlies. Een ander gevolg van de stikstofdepositie is het verlies aan buffercapaciteit.

Stikstofoxiden en ammoniak worden in de bodem omgezet in nitraat en waterstofionen. Deze laatsten verlagen de pH tenzij er voldoende stoffen aanwezig zijn die de verzurende waterstofionen stoffen kunnen neutraliseren en zodoende een buffer vormen tegen sterke pH daling. Stoffen die in vennen en venen bijdragen

38

Herstelprogramma Vennen en venen | Natura 2000 Veluwe | mei 2023

aan buffering zijn met name bicarbonaat en de kationen kalium, calcium en magnesium. Deze kunnen in het water terecht komen door inwaaiend stuifzand of via vacht van dieren, maar de belangrijkste aanvoer vindt plaats via grondwater. Grondwater is in feite regenwater dat op grotere afstand van het ven valt, de bodem intrekt en via de ondergrond afstroomt naar lagere delen van het landschap. Tijdens deze ondergrondse stroming wordt het water aangevuld met bufferende stoffen, des te meer naarmate de bodem rijker is en naarmate het langer onderweg is. Omdat de grondwaterstroming slechts in één richting verloopt worden de bufferstoffen die in het grondwater terecht komen niet meer aangevuld. De voorraad bufferstoffen in de bodem zal dus langzaam verminderen. Deze uitloging van het inzijggebied is een natuurlijk proces. Onder geheel natuurlijke omstandigheden zullen bodems waar water vooral infiltreert na vele duizenden jaren langzaam uitlogen en zuurder worden. Door de stikstofdepositie verloopt deze uitloging erg snel op de Veluwe. Zo blijkt de ooit sterk kalkhoudende leem van de formatie van Drenthe ter hoogte van Staverden al grotendeels uitgeloogd (Bron: Termaat et al. 2022). Uitloging van de inzijggebieden is dus een belangrijke verliespost voor bufferstoffen. Op sommige locaties speelt ook de ontwatering een rol.

Greppels en sloten onderscheppen dan grondwater met bufferstoffen waardoor dit niet meer kan toestromen naar zwakgebufferde vennen. Zure vennen en heideveentjes zijn zuurder, de pH van het water ligt hier meestal lager dan 5. Hier is ook weinig mogelijkheid tot aanvoer van bufferstoffen omdat ze alleen maar water ontvangen dat in de directe omgeving van het ven valt. Toch kunnen ook binnen deze habitattypen subtiele verschillen in buffering leiden tot meer variatie. Zo lijkt ook de zeldzame hoogveensoort veenbloembies juist aangewezen op standplaatsen die iets meer gebufferd zijn (Bron: Bouwman et al 2019). De vorming van drijftillen in zure vennen, een cruciale stap in de successie naar hoogveen, gaat sneller als het ven CO2 rijk grondwater ontvangt (Bron: Aggenbach et al 1998). Dit grondwater ontstaat wanneer zuur regenwater carbonaatrijke bodemlagen passeert.

5.1.3

Versnippering Met name zwakgebufferde en zure vennen zijn variabel in ruimte en tijd. Door variatie in graasdruk van zwijnen, reeën en herten kan in het ene ven de oever nagenoeg kaalgevreten worden terwijl andere locaties amper bezocht worden. In droge jaren kunnen zwakgebufferde en zure vennen nagenoeg droogvallen en in een daaropvolgend nat jaar weer vrij diep zijn. Veel soorten hebben zich echter toegelegd op een specifieke mate van begroeiing en of waterdiepte. Dit betekent dat ze regelmatig moeten migreren, naar andere vennen of naar andere plekken binnen het ven. Op langere termijn kunnen populaties van deze kritische soorten alleen in stand blijven als er jaarlijks voldoende geschikt leefgebied aanwezig is, hoewel dus niet per se altijd op dezelfde plek. Daarnaast is het belangrijk dat soorten die geschikte plekken weten te bereiken. In grote vennen en venen is dat meestal geen probleem, bij kleinere wateren is het juist belangrijk dat er op korte afstand veel overeenkomstig habitat ligt zodat soorten op en neer kunnen pendelen. Dat werkt het beste als wateren binnen zo’n mozaïek ook onderling van elkaar verschillen in bijvoorbeeld diepte en successiestadium. Hoe ver die vennen maximaal uit elkaar mogen liggen om nog te kunnen functioneren als één mozaïek heeft veel te maken met het verspreidingsvermogen van de soort.

Deze wordt uitgedrukt als dispersieafstand, de maximale afstand die 90% van de populatie in een jaar tijd kan afleggen. Die dispersieafstand is kort voor veel ongewervelde fauna. Er zijn geen dispersieafstanden van specifieke vensoorten bekend. Een onderzoek naar dispersieafstand van een kwetsbare juffersoort, de mercuurwaterjuffer, kwam uit op circa 100 meter (Bron: Rouquette & Thompson, 2007). Hoewel de mercuurwaterjuffer vooral langs beken voorkomt, lijkt de soort morfologisch sterk

39

Herstelprogramma Vennen en venen | Natura 2000 Veluwe | mei 2023

op kwetsbare venbewonende juffers als maanwaterjuffer of koraaljuffer. Daarom wordt, bij gebrek aan kennis over specifieke vensoorten, 100 meter als een maat voor slecht verspreidende venbewoners gehanteerd. Een ander criterium voor een ecologisch relevant mozaïek is dat het totale wateroppervlak binnen zo’n mozaïek tenminste 0,5 hectare bedraagt (Bron: Bijlsma et al., 2021). Dat minimumareaal is echter ook sterk soortafhankelijk. Onderzoek naar het relatieve belang van kwaliteit van afzonderlijke vennen, onderlinge afstand, het aantal vennen en venen binnen een mozaïek en de verbindingen tussen leefgebieden voor een aantal kenmerkende soorten is wenselijk (zie paragraaf 5.3).

5.1.4

Klimaatverandering Verhoogde uitstoot van broeikasgassen (met name CO2 en CH4) zorgt wereldwijd voor een verhoging van de gemiddelde temperatuur. Onder andere in Nederland veroorzaakt die opwarming een toename van het gemiddelde jaarlijkse neerslagoverschot, maar ook een toename van extreem droge en extreem natte perioden. Langdurige monitoring in onder andere het ven ‘de Gerritsfles’ heeft laten zien dat er sprake is van een geleidelijk toenemende gemiddelde watertemperatuur. Parallel daaraan is ook de hoeveelheid opgelost anorganisch koolstof (m.n. CO2 en bicarbonaat) toegenomen in het water. Dit is waarschijnlijk een gevolg van de opwarming. Die versnelt de afbraak van afgestorven plantenmateriaal waardoor meer koolstof in het water terecht komt. Dit leidt op den duur tot verdringing van typische soorten van zwakgebufferde en zure vennen. Klimaatverandering lijkt vooralsnog te leiden tot meer neerslag op jaarbasis. Tegelijkertijd is het waarschijnlijk dat langdurig droge perioden, zoals in de zomers van 2018 tot en met 2020 en 2022, ook vaker voor zullen komen. In deze zomers zijn veel vennen langdurig drooggevallen waardoor veel kenmerkende libellen lokaal uitgestorven zijn. Dat hoeft niet voor onomkeerbare problemen te zorgen mits er voldoende bronpopulaties in de buurt zijn van waaruit het ven weer gekoloniseerd kan worden.

Maatregelen tegen versnippering (paragraaf 5.1.3) helpen dus ook om populaties robuuster te maken tegen klimaatverandering.

Gerritsfles (fotografie: Peter van Beers) Gerritsfles (fotografie: Peter van Beers)

40

Herstelprogramma Vennen en venen | Natura 2000 Veluwe | mei 2023

5.1.5

Gebiedsvreemde stoffen Gebiedsvreemde stoffen zijn chemische verbindingen die onder geheel natuurlijke omstandigheden niet in de Veluwe zouden voorkomen. Hierbij gaat het om onder andere gewasbeschermingsmiddelen, PFAS, additieven in bluswater en microplastics. Deze stoffen kunnen de Veluwe bereiken via o.a. mest en urine van behandeld vee en huisdieren, via lucht of het water en via zwerfafval. Er is geen inschatting te maken van de aard en omvang van deze problematiek in vennen en venen van de Veluwe. De stoffen zijn namelijk niet meegenomen in de waterkwaliteitsmetingen die tot dusver zijn uitgevoerd. Het is in ieder geval duidelijk dat veel van deze stoffen schadelijk zijn voor de levensgemeenschappen onder water. Voor waterinsecten is bijvoorbeeld een duidelijk verband aangetoond tussen verhoogde concentraties pesticiden, herbiciden en hun metabolieten in oppervlaktewater en afname in diversiteit aan soorten en soortgroepen (Bron: Hallman & Jongejans, 2021).

5.1.6

Gebiedsvreemde soorten

Vis Vis komt van nature niet voor in vennen. Het water is er te zuur (zure vennen en heideveentjes) of het waterpeil zakt regelmatig ver onderuit, zoals in zwakgebufferde vennen. Als vis toch stand weet te houden, leidt dat tot een hoge predatiedruk op larven van amfibieën en libellen, insecten en diverse andere ongewervelden. Daarom is het onwenselijk dat er vis in vennen rondzwemt (Bron: Bijlsma et al. 2021). Voor zover bekend uit waarnemingen in de NDFF, is in de afgelopen vijftien jaar in 23 vennen op de Veluwe vis aangetroffen. Daarbij ging het in alle gevallen om inheemse vissoorten, dus geen blauwband, zonnebaars of Amerikaanse hondsvis. In die 23 vennen is specifiek gezocht naar vis. Het is niet bekend of in andere vennen ook gezocht is naar vis. Exoten Er zijn twee exoten bekend in de vennen en venen van de Veluwe. Het gaat om watercrassula en Italiaanse kamsalamander. Watercrassula is een uit Australië afkomstige plant die zowel onder water als op drooggevallen venoevers alle andere planten kan overwoekeren. Dat gebeurt vooral in water met een pH tussen 6 en 8 (Bron: Van Kleef et al., 2017a). Met name zwakgebufferde vennen lopen dus het risico overwoekerd te worden. Bij goed ontwikkelde zure vennen en hoogveenvennen is de pH lager dan 6.

Watercrassula is, voor zover nu bekend, binnen de Natura 2000-begrenzing van de Veluwe beperkt tot drie locaties: • een locatie bestaande uit twee in elkaar overlopende lijnvormige wateren ten oosten van Stroe en ten zuiden van de A1. Hier staan weinig andere natuurwaarden op het spel en bovendien zijn er geen bestrijdingsmethoden beschikbaar die watercrassula geheel kunnen elimineren (Bron: Van Kleef et al., 2017a). • De Roode Heks ten noordwesten van Vierhouten. Hier belemmert watercrassula mogelijk kenmerkende soorten van zwakgebufferde vennen. Dit vergt nader onderzoek. • Wiesselse Plas op het terrein van Kroondomeinen. Watercrassula is sinds 2019 bekend van deze locatie. Sindsdien is de soort handmatig zoveel mogelijk verwijderd. Dat lijkt effectief om uitbreiding te verhinderen, maar ontoereikend om de soort hier helemaal uit te bannen. De Italiaanse kamsalamander verdringt de inheemse kamsalamander uit geschikte leefgebieden en hybridiseert ook met de inheemse soort. Dit betekent dat de opmars van de Italiaanse kamsalamander gepaard gaat met verlies aan populaties van de genetisch zuivere, inheemse kamsalamander (Bron: Gilbert & Schippers, 2022).

41

Herstelprogramma Vennen en venen | Natura 2000 Veluwe | mei 2023

5.2 Sleutelprocessen Sleutelprocessen zijn de knoppen waar aan gedraaid kan worden om knelpunten op te lossen. De verschillende knoppen komen hieronder aan bod. Daarbij wordt dezelfde volgorde gehanteerd als voor de knelpunten in paragraaf 5.1. Er is geen beperking tot maatregelen die mogelijk zijn binnen de Veluwe of in de overgangsgebieden. Reductie van stikstofemissie, tegengaan van klimaatverandering en gebiedsvreemde stoffen vergen maatregelen op grotere schaal. Deze worden niet in dit herstelprogramma meegenomen.

5.2.1

Vernatting Verdroging moet worden stopgezet door de oorzaak van het extra waterverlies aan te pakken. Een gedegen systeemanalyse (paragraaf 6.1) moet altijd voorafgaan aan de vernattingsmaatregelen omdat deze voor het specifieke projectgebied de oorzaken van verdroging opheldert. Rondom vennen en venen gaat het bij vernatting altijd om een of meerdere van de volgende maatregelen:

a. Herstel natuurlijke waterhuishouding Bij pogingen om de Veluwe geschikt te maken voor land- of bosbouw zijn op lage, natte plekken sloten en greppels gegraven om het ‘overtollige’ water af te voeren. Vaak zijn deze sloten en greppels nog steeds zichtbaar en actief, ook waar natuur inmiddels weer het voornaamste doel is. Hierdoor komt uiteindelijk niet alle neerslag binnen het inzijggebied ten goede aan het ven of veen. Sloten en greppels kunnen dus het beste gedempt worden. In enkele gevallen zijn ook andere obstakels aangebracht rondom vennen. Bij Huize de Vennen ligt bijvoorbeeld een dijkje rondom het ven dat belemmert dat alle regenwater via natuurlijke afstroming het ven bereikt.

b. Verwijderen boomopslag Verwijderen van boomopslag rondom een ven kan zinvol zijn als die bomen door hun verdamping de wateraanvoer naar het ven beperken en, via bladval, ook nog eens zorgen voor extra nutriënten in het water. Verwijderen van boomopslag rondom een ven is daarom een veel voorkomende en effectieve maatregel. Het is bij deze maatregel belangrijk om de volgende aspecten mee te nemen: • Weeg de positieve en negatieve effecten van bosopslag. • Wanneer het inzijggebied veel kleiner is dan het beboste deel van de venoever kan het juist effectiever zijn om op meer dan 20 meter afstand van de venoever bos te laten staan. De bomen onderscheppen dan namelijk de atmosferische depositie en voorkomen windwerking zodat drijftillen van veenmossen zich beter kunnen ontwikkelen (Bron: Norda et al., 2019). • Grootschalige boskap kan de leefomgeving van aan vennen gebonden fauna aantasten. Zo hebben volwassen gevlekte witsnuitlibellen ook beschutting van omliggend bos nodig (Bron: Bos-Groenendijk, 2020). • Voorkom beschadiging van de ondoorlatende laag. • Met name zure vennen en heideveentjes bestaan bij de gratie van een schijngrondwaterspiegel (paragraaf 5.1.1). Dat betekent dat op enkele meters diepte een ondoorlatende laag ligt die belemmert dat het water naar de diepere ondergrond wegzijgt. Bomen en struiken kunnen met hun wortels door de ondoorlatende laag groeien.

Wanneer opslag geheel uit de grond getrokken wordt bestaat het risico dat de laag wordt vernield. Het water in ven of heideveen kan dan alsnog verloren gaan. Daarom verdient het de voorkeur om bomen en struiken bij de voet af te zagen en stobben te frezen zodat de bomen niet meer opnieuw uitlopen.

42

Herstelprogramma Vennen en venen | Natura 2000 Veluwe | mei 2023

c. Herstel ondoorlatende lagen Er zijn inmiddels al successen geboekt met kleinschalig herstel van ondoorlatende lagen met bentoniet en kalkarme leem (Bron: Van den Berg, 2015). Het is nog onduidelijk hoe grootschalige verstoring van deze lagen het meest effectief hersteld kan worden en hoe lang het herstel van de ondoorlatendheid duurt. Herstel en/of beheer van heidevegetaties in en rondom deze (voormalige) vennen lijkt in ieder geval een randvoorwaarde. Heidestruiken wortelen niet zodanig diep dat ze de ondoorlatende lagen in wording doorwortelen en vormen wel het type zure humus dat bijdraagt aan de vorming van ondoorlatende lagen (Bron: Dekker et al. 2020). Bentoniet op grote schaal toepassen is onwenselijk omdat dit materiaal erg kalkrijk is en daarmee de zuurgraad van het water beïnvloedt.

5.2.2

Herstel buffering en baggeren Zoals beschreven in paragraaf 5.1.2 kan verlies van kweldruk leiden tot een afname van de buffering in zwakgebufferde vennen, kwelmoerassen en blauwgraslanden. Anti-verdrogingsmaatregelen zullen zodoende ook leiden tot herstel van buffering. Als verzuring, oftewel verlies aan buffering, te wijten is aan uitspoeling van bufferstoffen in het hydrologische beïnvloedingsgebied kan toedienen van extra bufferstoffen een optie zijn. Dat geldt echter niet voor zure vennen en heideveentjes. Deze hebben nu niet meer te kampen met verzuring. Dat was vorige eeuw nog wel anders. In de jaren ’80 bereikte de verzuring van vennen en zwakgebufferde wateren een hoogtepunt. Menig zuur ven was toen zelfs te zuur: de pH lag vaak lager dan 4. Sindsdien zijn diverse brongerichte maatregelen genomen om de verzuring terug te dringen. Langjarige monitoring in zwakgebufferde vennen (Bron: Van Dam & Mertens, 2020) heeft duidelijk gemaakt dat de huidige depositie van stikstofverbindingen (mede verantwoordelijk voor verzuring) weliswaar nog steeds te hoog is, maar dat de pH van vennen weer langzaam stijgt. Het toedienen van bufferende stoffen zoals dolokal rondom vennen zou dit herstel- traject te veel kunnen versterken.

Het grootste risico is dat de pH in korte tijd omhoog schiet waardoor de organische stof op de venbodem versneld afbreekt en extra fosfor en ammonium afgeeft aan de waterlaag. Dat is onwenselijk in de voedselarme zure vennen en heideveentjes. Hier is bekalken dus geen verstandige maatregel. Overigens blijft het onzeker hoe de waterkwaliteit in de zure vennen zich verder zal ontwikkelen onder invloed van klimaatveranderingen en veranderingen in stikstofemissies (paragraaf 5.3). Bij zwakgebufferde vennen kan bekalking wel bijdragen aan opbouw van buffering die verloren is gegaan bij verzuring in het verleden. Hierbij geldt wel als voorwaarde dat: 1 de locatie echt potentie heeft voor flora en fauna van zwakgebufferde vennen, zoals blijkt uit bijvoorbeeld historische gegevens (Bron: Jansen. & Van Dam, 2015) en een LESA; 2 er geen mogelijkheden zijn om de buffering op meer natuurlijke wijze geleidelijk te herstellen, bijvoorbeeld door aanpassing van waterhuishouding in het inzijggebied; 3 het grootste deel van het inzijggebied bekalkt kan worden, anders wordt de buffering onvoldoende hersteld. Bekalking zal daarom vooral effectief zijn bij zwakgebufferde vennen met een relatief klein inzijggebied (Bron: Mondelinge mededeling Emiel Brouwer, expertteam 31 maart 2022).

43

Herstelprogramma Vennen en venen | Natura 2000 Veluwe | mei 2023

Steenmeel toedienen zorgt niet voor extra buffering en is daarom geen effectieve maatregel voor herstel van zwakgebufferde vennen (Bron: Jansen & van Dam 2015). Baggeren is een effectieve manier om opgehoopte voedingsstoffen te verwijderen uit een zuur ven. Toch is terughoudendheid gewenst bij het verwijderen van de organische waterbodem in zure vennen en venen. De risico’s zoals beschreven in het voorgaande venherstelprogramma (Bron: Van Kleef et al., 2017b. p. 9) zijn namelijk nog steeds reëel: met de organische waterbodem kan ook de belangrijkste bron van kooldioxide en bufferende stoffen worden weggehaald en bovendien belemmert de organische sliblaag waterverlies naar de ondergrond. Ook kunnen zich bijzondere soorten macrofauna ophouden in de baggerlaag. Baggeren kan wel gunstig uitpakken als dat kleinschalig gebeurt in oevers. Uiteindelijk is per ven een specifieke afweging nodig over nut van baggeren en over de beste manier om dat aan te pakken. In zwakgebufferde vennen zal baggeren eerder positief uitpakken, mits de oorzaken van die baggerophoping ook zijn weggenomen (Bron: Brouwer et al., 2009). Baggeren is dus hooguit een sluitstuk van maatregelen ten behoeve van herstel van buffering en natuurlijke waterhuishouding.

5.2.3

Verbinden

Versterken ruimtelijke samenhang Om te zorgen dat populaties van kenmerkende soorten voldoende groot zijn en tegen een stootje kunnen, is het belangrijk dat er voldoende leefgebied is en dat er voldoende deelpopulaties zijn die onderling individuen kunnen uitwisselen (zie paragraaf 5.1.3). Er ontbreekt nog te veel kennis om exact aan te kunnen hoeveel leefgebied kwetsbare kenmerkende soorten nodig hebben, welke afstanden tussen leefgebieden die soorten kunnen overbruggen en welke eisen die soorten stellen aan de inrichting van zo’n verbinding.

Herintroductie gewenste soorten Wanneer waterkwaliteit en hydrologie succesvol hersteld zijn en invasieve soorten wegblijven, kan de gewenste ecologische ontwikkeling alsnog achterwege blijven. Vanwege het versnipperde landschap zullen veel soorten het geschikte leefgebied niet weten te vinden. Dat knelpunt kan worden verholpen door de soorten in het ven te herintroduceren. De meeste plantensoorten zullen geschikte zwakgebufferde en zure vennen wel weten te bereiken. Veel soorten vormen zaad dat tot meer dan honderd jaar in de bodem kan overleven of zaad dat via wind en vogels nieuwe plekken kan koloniseren. Dat geldt zeker ook voor de doelsoort drijvende waterweegbree. In herstelde heideveentjes kan introductie van bultvormende hoogveenmossen (o.a. wrattig veenmos en hoogveenmos) wel aan de orde zijn omdat deze veenmossoorten zich heel moeilijk verspreiden en omdat deze soorten ook een sleutelrol vervullen in de hoogveenontwikkeling. De bultvormende soorten houden namelijk erg effectief water vast en zijn daarmee essentieel voor de juiste waterbalans van het totale heideveentje. Oeverkruid is een sleutelsoort in zwakgebufferde vennen. Als deze soort grote delen van de venbodem weet te bedekken, kunnen de planten zorgen voor beluchting van de bodem en verbetering van de waterkwaliteit. Bovendien kan een flinke bedekking verhinderen dat watercrassula de overhand krijgt.

Daarom valt het herintroduceren van deze soort niet bij voorbaat uit te sluiten als zinvolle maatregel, mits de milieuomstandigheden geschikt zijn voor ontwikkeling van zwakgebufferde vennen. Wanneer herintroductie zinvol wordt geacht is het belangrijk dat dit gebeurt conform de richtlijnen van Provincie Gelderland en de IUCN (zie bijlage 1).

44

Herstelprogramma Vennen en venen | Natura 2000 Veluwe | mei 2023

5.2.4

Bestrijding gebiedsvreemde soorten

Vis Hoewel vis niet thuishoort in vennen en venen heeft dit herstelprogramma geen maatregelen gericht op verwijdering van vis. De praktijk leert namelijk dat het meestal onhaalbaar is om een ven tot de laatste vis leeg te halen. In zo’n geval is het wel een overweging waard om één of enkele snoeken te introduceren. Deze kunnen de overige vispopulaties aardig in toom houden. Wegvangen van vis is hooguit effectief in combinatie met andere herstelmaatregelen, waardoor een ven in zijn geheel langdurig droog komt te staan. Exoten De huidige verspreiding van watercrassula binnen het Natura 2000-gebied Veluwe is relatief beperkt. Waar deze soort zich eenmaal massaal gevestigd heeft, is het tot nu toe nergens mogelijk gebleken deze weer geheel te elimineren (Bron: Van Kleef et al. 2017a). Daarom is het kosten-efficiënter om in te zetten op lokale beheersing en om zoveel mogelijk te voorkomen dat de plant zich uitbreidt naar andere geschikte locaties. Verspreiding van vegetatieve delen via vogels valt nooit geheel te voorkomen, maar in ieder geval moeten fysieke verbindingen van ‘besmette’ wateren met andere vennen vermeden worden. In totaal zijn er in het Natura 2000-gebied Veluwe tien verschillende locaties met kamsalamanderpopulaties aangetroffen.

Slechts op vier van deze locaties lijkt nog sprake van kansrijke populaties van genetische zuivere inheemse kamsalamanders (Triturus cristatus) (Bron: Gilbert & Schippers, 2022). Voor populaties met vermenging van Italiaanse kamsalamander en/of hybriden zullen maatregelen ter verbetering van het leefgebied van inheemse kamsalamander vooral de exoot of hybride in de kaart spelen. Verbetering van bestaande poelen en aanleg van nieuwe poelen heeft hier pas zin als de Italiaanse kamsalamander succesvol verwijderd kan worden. Het is nu nog onvoldoende duidelijk of en hoe dat kan. Daarom zullen we eerst proberen hierover meer duidelijkheid te krijgen en voorlopig alleen maatregelen voorstellen voor zuivere inheemse populaties die behoorlijk geïsoleerd liggen van vermengde populaties. Hierbij gaat het om de Ginkel, de Leemkule bij Hattem, Wageningen (Arboretum Belmonte) en in een ven nabij de defensieterreinen van Hulshorst.

5.3

Kennisleemten

Mogelijkheden voor herstel van ondoorlatende lagen onder zure vennen en heideveentjes Toen de Veluwe werd ontgonnen ten behoeve van de bosbouw zijn veel heidevenen verloren gegaan. Ondoorlatende lagen zijn namelijk bewust doorgraven om permanent natte bodems te voorkomen. Ook tijdens het gebruik als militair oefenterrein zijn ondoorlatende lagen doorgraven (zie voorbeeld van de Greesplek in paragraaf 6.4.5), waardoor vennen veel kleiner geworden zijn of zelfs helemaal verdwenen zijn. Het draagt bij aan de instandhoudingsdoelen wanneer deze lagen hersteld kunnen worden door aan te haken op de natuurlijke processen die hebben geleid tot ontstaan van die lagen. Een voorbeeld van hoe het niet moet zijn de vennen bij Klein Zwitserland, waar gepoogd is om met behulp van bentoniet een ondoorlatende laag aan te brengen (zie paragraaf 6.4.10 voor nadere details). Dit leidde tot een verrijking van de waterlaag met basen en voedingsstoffen. Hierdoor bleven de kenmerkende vensoorten alsnog weg.

45

Herstelprogramma Vennen en venen | Natura 2000 Veluwe | mei 2023

Het is dus van belang om scherper te krijgen wat ervoor nodig is om ondoorlatende lagen te herstellen. Het is bovendien belangrijk om te weten hoe snel de vorming van zo’n laag verloopt en of er handvaten zijn om deze vorming verder te versnellen. Die kennis levert handvaten om het huidige areaal aan vennen en venen op de Veluwe verder uit te breiden, zodat meer leefgebied ontstaat voor kwetsbare vensoorten.

Ontwikkelingen in waterkwaliteit van vennen onder invloed van klimaatverandering en stikstofemissies Naar verwachting zal landelijk en provinciaal beleid leiden tot reductie van atmosferische depositie van stikstofverbindingen op vennen. Tegelijkertijd is het waarschijnlijk dat klimaatverandering nog verder doorzet. Beide ontwikkelingen hebben invloed op de waterkwaliteit van vennen. Om die effecten goed te kunnen volgen is het belangrijk om de langdurige meetreeksen in Gerritsfles, Kempkesfles en Deelensche Wasch langjarig door te zetten (Bron: Van Dam & Mertens, 2011).

Optimale inrichting van een venmozaïek ten behoeve van behoud metapopulaties Een metapopulatie bestaat uit een verzameling van populaties waartussen onderlinge uitwisseling plaatsvindt. In afzonderlijke vennen kunnen bijvoorbeeld meer of minder individuen van een kenmerkende vensoort als maanwaterjuffer leven. Wanneer individuen ook nog van het ene naar het andere ven kunnen pendelen, iets wat juffers vooral als volwassen dieren doen, is er sprake van een metapopulatie. Zo’n metapopulatie voorkomt dat de waterjuffer lokaal uitsterft zodra een ven ongeschikt wordt door bijvoorbeeld droogval. Vanuit een nabijgelegen ven kan dan namelijk snel kolonisatie optreden zodra het ven weer water heeft. Een gezonde metapopulaties is dus belangrijk om soorten te behoeden voor uitsterven. Dat wordt des te belangrijker in het licht van klimaatverandering, waardoor afzonderlijke vennen vaker onderhevig zullen zijn aan droogval, extreme regenval en/of periodieke opwarming. In dit herstelprogramma staat een aantal aannames over hoe een mozaïek van vennen eruit moet zien om een gezonde metapopulatie te faciliteren (zie paragraaf 5.1.3). Aannames waren nodig omdat hardere gegevens over de eisen van kwetsbare vensoorten ontbreken. Het is nog grotendeels onbekend welke factoren bepalen of een mozaïek van vennen een gezonde metapopulatie kan herbergen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13185485/1