AP 9. Bijlagen bij de toelichting Bijlage 10 m.e.r.-beoordeling stationsgebied Nunspeet
Tekst van het document
Bodem en grondwater Met name de kwaliteit van de bodem en het grondwater kan effect hebben op de gezondheid als er sprake is van (te veel) blootstelling aan bodemverontreiniging. In een klein deel van het plangebied (zone F) is er in de huidige situatie sprake van een ernstig geval van bodemverontreiniging. Omdat deze verontreiniging gesaneerd zal worden is er voor het aspect bodem sprake van een verbetering van de gezondheid. Conclusie De beschreven gevelwerende maatregelen voorkomen dat er sprake zal zijn van een ongezond binnenklimaat. Verder is er vooral sprake van een verbetering van de gezondheid door het realiseren van de voorgenomen activiteit. Daarom is er voor het aspect gezondheid dan ook geen sprake van belangrijke nadelige milieugevolgen. 3.7.6 Cumulatie Aangetoond is dat er ten gevolge van het plan slechts in beperkte mate sprake is van een zeker effect. Binnen het invloedgebied van het onderhavige plan is er echter geen sprake van vergelijkbare ontwikkelingen die, na cumulatie, alsnog een aanzienlijk cumulatief effect tot gevolg zou kunnen hebben.
28/29
Kenmerk
R006-1278875EZM-V01-hme-NL
4 Conclusie Deze notitie gaat in op de vraag of er bijzondere omstandigheden zijn vanwege de aard van de voorgenomen ontwikkeling, de kenmerken van de omgeving of de effecten van de herontwikkeling op de omgeving, die aanleiding zijn om een m.e.r.-procedure te doorlopen. In dit kader moet de vraag beantwoord worden of de voorgenomen ontwikkeling leidt tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Gelet op de inhoud van deze m.e.r.-beoordeling en door een integrale afweging van de daarin beschreven milieueffecten aan de hand van de selectiecriteria uit bijlage III van de m.e.r.-richtlijn (en daarmee gelet op bijlage II van de smb-richtlijn) wordt geconcludeerd dat de ontwikkeling niet leidt tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Het bestemmingsplan heeft dan ook geen aanzienlijke milieueffecten. In dit oordeel betrekken wij de in dit rapport beschreven eisen en voorwaarden (ook mitigerende maatregelen) die in acht moeten worden genomen. Er hoeft daarom voor het bestemmingsplan gelet op de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r. geen milieueffectrapport opgesteld noch een (uitgebreide) m.e.r.-procedure doorlopen te worden.
Daarbij wijzen wij nog op het volgende: • Door ingrijpende gevelwerende maatregelen te nemen aan de gevel van de woningen die het betreft kan, ondanks de grote toename van de geluidsbelasting op de gevel, een gezond binnenklimaat worden gerealiseerd. De geluidsbelasting op de gevel verslechtert weliswaar maar is niet dusdanig dat er in de geluidsgevoelige objecten belangrijke nadelige •
milieueffecten optreden De sloop- en bouwwerkzaamheden leiden uiteindelijk niet tot nadelige milieugevolgen voor soorten bescherming of gebiedsbescherming. Wel is een ontheffing nodig voor de verstoring van dwergvleermuizen en huismus en een vergunning Wet natuurbescherming in het kader van de beschermde Natura2000-gebieden. Externe saldering is de mitigerende maatregel op basis waarvan in de passende beoordeling significant negatieve effecten op de
•
instandhoudingsdoelstelling van de beschermde Natura2000 gebieden zijn uitgesloten De bodem- en (grond)waterkwaliteit worden door de sanering van het ernstige geval van bodemverontreiniging verbeterd. Archeologische waarden in het gebied zijn bij eerdere bodemingrepen in het gebied al aangetast. De werkzaamheden ten behoeve van de herontwikkeling leiden niet tot aanvullende aantasting van vindplaatsen
29/29
Kenmerk
Bijlage 1
R006-1278875EZM-V01-hme-NL
Activiteitenplan
Met hierin opgenomen als bijlage de volgende rapportages: 1. De geactualiseerde natuurtoets 2. De voorgaande natuurtoets 3. 4.
Het voorgaand nader onderzoek Het geactualiseerd nader onderzoek
Activiteitenplan Stationsgebied Nunspeet 11 januari 2022
Kenmerk
R003-1278875JNA-V02-efm-NL
Verantwoording Titel
Activiteitenplan Stationsgebied Nunspeet
Opdrachtgever
Gemeente Nunspeet
Projectleider
Tim Vaessen
Auteur(s)
Jeroen Nagtegaal
Tweede lezer
Maikel Aragon van den Broeke
Projectnummer
1278875
Aantal pagina’s
29
Datum
11 januari 2022
Handtekening
Ontbreekt in verband met digitale verwerking. Dit rapport is aantoonbaar vrijgegeven.
Colofon TAUW bv Australiëlaan 5 Postbus 3015 3502 GA Utrecht T +31 30 28 24 82 4 E info.utrecht@tauw.com
2/29
R003-1278875JNA-V02-efm-NL
Kenmerk
Inhoud 1
2
3
4
Inleiding ..................................................................................................................................... 5 1.1
Algemeen ........................................................................................................................... 5
1.2
Plangebied ......................................................................................................................... 6
1.3
Voorgenomen ontwikkeling ................................................................................................ 9
1.4
Leeswijzer ........................................................................................................................ 10
Samenvatting ecologisch onderzoek ....................................................................................... 11 2.1
Natuurtoets ....................................................................................................................... 11
2.2
Soortgericht onderzoek beschermde soorten .................................................................. 12
Staat van instandhouding en geschiktheid omgeving ............................................................. 15 3.1
Algemeen ......................................................................................................................... 15
3.2
Staat van instandhouding gewone dwergvleermuis ......................................................... 15
3.3
Staat van instandhouding huismus .................................................................................. 16
3.4
Geschiktheid van de omgeving ........................................................................................ 18
Maatregelen en mitigatie ......................................................................................................... 19 4.1
Algemeen ......................................................................................................................... 19
4.2
Mitigatie ............................................................................................................................ 19
4.2.1
Huismus .................................................................................................................... 19
4.2.2
Gewone dwergvleermuis........................................................................................... 21
4.3 5
6
Uitvoeringsmaatregelen ................................................................................................... 21
Wettelijk belang en alternatieven ............................................................................................ 23 5.1
Algemeen ......................................................................................................................... 23
5.2
Wettelijk belang ................................................................................................................ 23
5.3
Alternatiefonderbouwing .................................................................................................. 23
5.3.1
Inleiding ..................................................................................................................... 23
5.3.2
Locatie....................................................................................................................... 23
5.3.3
Ontwerp..................................................................................................................... 24
5.3.4
Werkwijze en planning .............................................................................................. 24
Literatuur ................................................................................................................................. 25
Bijlage 1
Voorgaande natuurtoets ............................................................................................ 26
3/29
Kenmerk
R003-1278875JNA-V02-efm-NL
Bijlage 2
Geactualiseerde natuurtoets ..................................................................................... 27
Bijlage 3
Voorgaand nader onderzoek ..................................................................................... 28
Bijlage 4
Geactualiseerd nader onderzoek .............................................................................. 29
4/29
Kenmerk
R003-1278875JNA-V02-efm-NL
1 Inleiding 1.1
Algemeen
Dit activiteitenplan geeft een onderbouwing voor de aanvraag voor een ontheffing van de Wet natuurbescherming (Wnb) die nodig is voor de herontwikkeling van het stationsgebied in Nunspeet. Deze ontheffingsaanvraag gaat onder andere over voormalig pannenkoekenrestaurant de Stroopstok (Stationsplein 4, Nunspeet) dat in het najaar van 2020 gesloopt is zonder ontheffing van de Wet natuurbescherming. Dit terwijl er beschermde soorten aanwezig waren. De sloop heeft plaatsgevonden op besluit van het college van Burgemeesters en Wethouders dat zich genoodzaakt voelde om in het belang van volksgezondheid, openbare orde en veiligheid de tijdspaden die waren voorzien bij een ontheffingsprocedure niet te kunnen volgen en vervroegd tot sloop over te gaan. In het reeds gesloopte pand zat veel asbest. In de maanden/weken voorafgaand aan de sloop is geconstateerd dat er diverse ruiten zijn ingegooid en zijn er asbestdelen op straat gevonden. Met het vermoeden van ophouden van hangjongeren in en nabij het gebouw werd het risico van brandstichting hoog geacht, zeker gezien de Corona en vuurwerkverbod gerelateerde onlusten in diverse dorpen in Nederland waar toen sprake van was. Ten tijde van de sloop zijn er vanuit Team Handhaving controles uitgevoerd vanwege het vermoeden van een overtreding van de Wnb. De zaak is destijds afgehandeld zonder verdere sancties onder zaaknummer 2020-018188.
Omdat de gemeente Nunspeet een voorbeeldfunctie heeft, wordt nu met terugwerkende kracht voor de reeds uitgevoerde sloop alsnog een ontheffing aangevraagd. Daarnaast wordt een ontheffing aangevraagd voor alle andere activiteiten die nog moeten plaatsvinden (zie 1.3). Deze rapportage bevat maatregelen en aanpassingen aan de werkwijzen waarmee negatieve effecten op individuen van de beschermde soorten zo veel als mogelijk beperkt worden. Met het nemen van deze maatregelen is het doden van individuen en het vernietigen van eieren uitgesloten. Voor de effecten die niet weggenomen kunnen worden (zijnde: verstoring van individuen en vernietiging van rust- en verblijfplaatsen) wordt de ontheffing aangevraagd. Het gaat hier concreet om de Wnb, artikel 3.1, lid 2 en 4 voor huismus en artikel 3.5 lid 2 en 4 voor gewone dwergvleermuis.
5/29
Kenmerk
1.2
R003-1278875JNA-V02-efm-NL
Plangebied
Figuur 1.1 toont de ligging van het plangebied rondom het station van Nunspeet in de provincie Gelderland (rode contour in figuur 1.1). Het gehele plangebied bestaat uit enkele panden, recreatieve voorzieningen, verschillende infrastructuur en opgaand groen. De ontheffingsaanvraag heeft betrekking op het volledige plangebied (zie figuur 1.1). Het plangebied bestaat uit meerdere gebouwen en locaties, de belangrijkste locaties en gebruiksfuncties zijn met een letter op kaart weergegeven. Het gaat dan om: A. Het stationsgebouw, ten noorden van het station is tevens een onbewaakte fietsenstalling B. Het stationsplein met daarop een gebouw met een ijssalon en het VVV, ten oosten van het stationsplein is het busstation aanwezig C. Pannenkoekenhuis de Stroopstok, dit pand is eind 2020 gesloopt. Alleen de fundering is nog aanwezig D. De voormalige Emté, dit pand staat grotendeels leeg en wordt beperkt gebruikt als opslag door de Jumbo E. De Jumbo supermarkt met omliggend een ruime parkeerplaats F. Restaurant Joris met bijbehorende parkeerplaats G. De uitkijktoren behorende bij het Veluwetransferium en enkele horecagelegenheden H. De parkeerplaats van het Veluwetransferium met aan de randen een speelvoorziening voor kinderen en verscheidene picknick-/rustplaatsen I.
Het bezoekerscentrum Nunspeet en Outdoor Centrum Nunspeet
D C
B A
E G
H
I Figuur 1.1 Ligging en begrenzing van het plangebied
6/29
Kenmerk
R003-1278875JNA-V02-efm-NL
In de figuren 1.2 tot en met 1.5 is een impressie van een deel van bovenstaande locaties opgenomen.
Figuur 1.2 Impressie van de situatie ter plaatse van de voormalige Stroopstok (locatie C). De bovengrondse delen zijn gesloopt en enkel de fundering is nog aanwezig
Figuur 1.3 Impressie van de situatie ter plaatse van het pand van de voormalige Emte (locatie D). Aan de oostgevel van het pand zijn 16 huismussenkasten bevestigd als tijdelijke mitigatie van de sloop van de Stroopstok
7/29
Kenmerk
R003-1278875JNA-V02-efm-NL
Figuur 1.4 Een impressie van de bomen op het stationsplein (Locatie B). Aan enkele bomen zijn nestkasten opgehangen en verschillende bomen hebben kleine holtes als gevolg van snoeiwonden. De nestkasten zijn beschilderd door kinderen en zijn niet allemaal meer geschikt als broedlocatie, het gaat om kasten voor onder andere mezen
Figuur 1.5 een impressie van de groenstrook ten zuiden van het spoor Op de linker foto is het stationsgebouw (A in figuur 1.1) zichtbaar, rechts op de achtergrond is een van de horecagelegenheden zichtbaar bij het Veluwetransferium (locatie G)
8/29
Kenmerk
1.3
R003-1278875JNA-V02-efm-NL
Voorgenomen ontwikkeling
Het totale voornemen betreft de volledige herinrichting van het stationsgebied met de realisatie van een ongelijkvloerse spoorwegkruising (zie figuur 1.6). Bij het voornemen worden daarnaast verkeerstromen van fietsers en gemotoriseerd verkeer zoveel mogelijk gescheiden. Voorliggende ontheffingsaanvraag heeft betrekking de transformatie van de volledige stationsomgeving. Het gaat dan onder andere om: • •
Het aanpassen van het stationsgebouw en het herinrichten van de gehele omgeving Het herinrichtingen van het stationsplein met daarbij de sloop van het huidige VVVgebouw en de kap van meerdere bomen
•
Het verwijderen van de fundering van de Stroopstok, de bovengrondse delen zijn reeds verwijderd De sloop van de voormalige Emté, dit pand staat grotendeels leeg en wordt beperkt
• •
gebruikt als opslag door de Jumbo Herinrichting van de parkeerplaats van de Jumbo supermarkt, aanpassingen aan de winkel vallen buiten de scope
• •
De sloop van restaurant Joris Het aanleggen van een ongelijkvloerse spoorwegkruising onder het station voor fietsers en voetgangers
• •
Het aanleggen van een ongelijkvloerse kruising ter hoogte van de huidige spoorwegovergang Het aanleggen van nieuwe voet- en fietspaden
•
Het kappen van meerdere bomen ten behoeve van bovenstaande werkzaamheden
•
De uitkijktoren behorende bij het Veluwetransferium, de naastliggende horecagelegenheden en de parkeerplaats van het Veluwetransferium blijven in principe behouden en ongewijzigd. Ditzelfde geldt voor de functie en het gebruik van het bezoekerscentrum Nunspeet en Outdoor Centrum Nunspeet
De daadwerkelijke uitvoering van het gehele voornemen staat gepland in de periode 2023 tot en met 2025 (zie figuur 1.7). De sloop van de Emté is op een zo’n kort mogelijke termijn beoogd.
9/29
Kenmerk
R003-1278875JNA-V02-efm-NL
Figuur 1.6 Het voorlopige ontwerp (d.d. april 2021)
Figuur 1.7 Een globale planning van het voornemen
1.4
Leeswijzer
In de onderstaande hoofdstukken wordt eerst een korte samenvatting van de eerder uitgevoerde ecologische onderzoeken gegeven (hoofdstuk 2). Daarna wordt de staat van instandhouding van gewone dwergvleermuis en huismus besproken om de vastgestelde nesten en verblijfplaatsen in een breder perspectief te plaatsen (hoofdstuk 3). Vervolgens worden de negatieve effecten voor beschermde soorten benoemd en worden maatregelen voorgesteld om deze effecten zo goed mogelijk te mitigeren en compenseren (hoofdstuk 4). Als laatste worden het wettelijk belang en de alternatieven verder toegelicht (hoofdstuk 5).
10/29
R003-1278875JNA-V02-efm-NL
Kenmerk
2 Samenvatting ecologisch onderzoek 2.1
Natuurtoets
Voorafgaand aan de start van het voornemen is een natuurtoets uitgevoerd om te bepalen welke beschermde soorten mogelijk in het plangebied aanwezig zijn (TAUW, 2021). Vanwege een aangepast ontwerp, wijzigingen in het plangebied en wijzigingen in het voorkomen van beschermde soorten betreft dit een actualisatie van de natuurtoets uit 2019. Voor de stroopstok wordt teruggevallen op deze natuurtoets uit 2019 (TAUW, 2019a). In tabel 2.1 is een beknopt overzicht weergegeven van de soort(groep)en waarvan effecten niet zijn uitgesloten en dus nader onderzoek voor is uitgevoerd. Tabel 2.1 Een beknopt overzicht van de soort(groep)en welke mogelijk geschaad worden door het voornemen, verdeeld per deellocatie Soort(groep)en
Voormalige
Overige gebouwen2
Bomen en groen2
Uitgesloten
Mogelijk foerageergebied
1
Stroopstok Steenmarter
Mogelijk verblijfplaats aanwezig
of incidentele verblijfplaats aanwezig
Boommarter,
Uitgesloten
Uitgesloten
eekhoorn, bunzing,
Mogelijk foerageergebied of verblijfplaats aanwezig
wezel en hermelijn Vleermuizen
Mogelijk
Mogelijk verblijfplaatsen aanwezig
verblijfplaatsen
foerageergebied en
aanwezig Huismus
Mogelijk verblijfplaatsen,
vliegroutes aanwezig
Mogelijk nestlocaties
Mogelijk nestlocaties aanwezig in
aanwezig
de nestkasten aan de voormalige
Uitgesloten
Emté. Overige panden ongeschikt Gierzwaluw
Mogelijk nestlocaties
Uitgesloten
Uitgesloten
Uitgesloten
Mogelijk leefgebied
aanwezig Hazelworm en
Uitgesloten
levendbarende
aanwezig
hagedis Teunisbloempijlstaart
Uitgesloten
en sleedoornpage 1
Uitgesloten
Mogelijk leefgebied aanwezig
2
Bronnen: Tauw, 2019a. Tauw, 2021. Alle overige beschermde soorten en functies zijn uitgesloten
11/29
R003-1278875JNA-V02-efm-NL
Kenmerk
2.2
Soortgericht onderzoek beschermde soorten
Tijdens het soortgericht onderzoek is het plangebied onderzocht op aanwezigheid van verblijfplaatsen en leefgebied van de in tabel 2.1 genoemde soorten. Het onderzoek voor de stroopstok is uitgevoerd in 2019, voor de overige delen van het plangebied is het onderzoek geactualiseerd in 2021. In tabel 2.2 is een overzicht opgenomen van de aangetroffen functies. Tabel 2.2 Een beknopt overzicht van aangetroffen functies welke (mogelijk) geschaad worden door het voornemen, verdeeld per deellocatie Soort(groep)en
Voormalige
Emté2
1
Stroopstok Huismus
Bomen stationsplein
8 nestlocaties van
2 (mogelijke)
4 (mogelijke)
huismus
nestlocaties van
nestlocaties van
huismus
huismus
Gierzwaluw
Uitgesloten
n.v.t
n.v.t
Vleermuizen
Paarterritorium
n.v.t
Uitgesloten
1
Vleermuiskast 2
Plesmanlaan2 n.v.t
Paarverblijfplaats
gewone
gewone
dwergvleermuis
dwergvleermuis
2
Bronnen: Tauw, 2019b. Tauw, 2022. Voor de overige onderzochte soorten en locaties zijn geen beschermde functies vastgesteld
De huismussen die in 2019 gebruik maakten van de stroopstok zijn naar alle waarschijnlijkheid uitgeweken naar de omliggende bebouwing, de tijdelijke mitigatie aan de Emté en de bomen met mezenkasten en holtes op het stationsplein. De aantallen in tabel 2.2 kunnen zodoende niet zonder meer bij elkaar worden opgeteld. In figuur 2.1 is op globale wijze weergegeven hoe de huismussen zich (waarschijnlijk) hebben verplaatst. Het stationsplein en de directe omgeving maakt(e) zowel in 2019 als 2021 onderdeel uit van het foerageergebied.
12/29
Kenmerk
R003-1278875JNA-V02-efm-NL
1 4
2 8
Figuur 2.1 Een weergave van de verspreiding van de 8 paar huismussen die in 2019 broedden in de reeds gesloopte stroopstok (rode 8). Een deel daarvan is gaan broeden binnen het plangebied (groen) in respectievelijk de tijdelijke nestkasten aan de Emte (2 paar) en op de bomen op het stationsplein (4 paar). Net ten noorden van het plangebied is één nestlocatie vastgesteld (blauwe 1) welke bij het onderzoek in 2019 nog niet in gebruik was. De gele pijlen geven waargenomen vliegbewegingen weer tussen het plangebied en de omliggende wijk. Het is niet uitgesloten dat één of meer paartjes elders, op grotere afstand van de Stroopstok, in de wijk zijn aansluiting heeft gevonden.
Het vleermuisonderzoek is in 2021 volledig geactualiseerd. Een overzicht van de aangetroffen verblijfplaatsen is weergegeven in figuur 2.2 en tabel 2.3. Van alle verblijfplaatsen wordt alleen verblijfplaats E door het voornemen aangetast. Dit betreft een gewone dwergvleermuis welke gebruik maakt van één van de in het plangebied aanwezige vleermuiskasten. Bij de andere kasten in het plangebied is geen actief gebruik vastgesteld.
13/29
Kenmerk
R003-1278875JNA-V02-efm-NL
Figuur 2.2 Aangetroffen verblijfplaatsen van vleermuizen in en in de omgeving van het onderzoeksgebied
Tabel 2.3 Aangetroffen verblijfplaatsen van vleermuizen Nr A
Soort
Datum
Type
Gewone
20 september 2021
Paarverblijfplaats
dwergvleermuis B
Ruige
Toelichting Baltslocatie tussen de bomen en langs de kopgevel van het woningblok
20 september 2021
Paarverblijfplaats
In gootbekisting Nijverheidsweg 4
25 augustus 2021
Paarverblijfplaats
Onder dakgoot van de westelijke gevel
Ruige
25 augustus 2021 &
Paarverblijfplaats
Derde kantpan rechts van de nok, mogelijk
dwergvleermuis
20 september 2021
Gewone
25 augustus 2021
Paarverblijfplaats
In de vleermuiskast aan een linde
25 augustus 2021
Paarverblijfplaats
Achter de beplating van de uitkijktoren
dwergvleermuis C
Ruige dwergvleermuis
D
E
een 2e verblijfplaats op de zuidgevel
Dwergvleermuis F
Ruige Dwergvleermuis
14/29
R003-1278875JNA-V02-efm-NL
Kenmerk
3 Staat van instandhouding en geschiktheid omgeving 3.1
Algemeen
In dit hoofdstuk worden de resultaten uit het soortgericht onderzoek geplaatst in de context van de ecologie van de soort en de staat van instandhouding op lokaal, regionaal en nationaal niveau. Het onderzoek betreft uitsluitend de weergave van de situatie binnen en rond het plangebied, en betreft slechts een relatief klein oppervlakte. Om goed de staat van instandhouding van de soorten te bepalen, wordt hieronder eerst gekeken naar de nationale en lokale staat van instandhouding van de betreffende soorten. Daarna wordt er gekeken naar de aanwezigheid van potentiële verblijfplaatsen en leefgebieden in de omgeving van het plangebied. Zo ontstaat een compleet beeld van de impact van de werkzaamheden.
3.2
Staat van instandhouding gewone dwergvleermuis
De gewone dwergvleermuis is in Nederland overwegend een gebouwbewonende soort. De soort komt in Nederland algemeen voor en is een wijdverbreide soort die in heel Nederland wordt waargenomen (BIJ12, 2017). Om deze reden kan de huidige situatie van de populatieomvang worden beoordeeld als gunstig. Uit het NEM-meetnet zoldertellingen vleermuizen blijkt dat de aantallen gewone dwergvleermuizen tussen 1996 en 2016 toeneemt. In de NEM vleermuis transecttellingen laat de gewone dwergvleermuis eenzelfde positieve trend zijn. Hiermee kan ook de landelijke trend als positief beschouwd worden. Het verspreidingsgebied van de gewone dwergvleermuis beslaat heel Nederland. Het leefgebied bestaat uit een grote verscheidenheid aan landschappen, waaronder stedelijk gebied. Daarom wordt de verspreiding en het leefgebied als gunstig beoordeeld. Omdat alle voorgaande onderdelen van de staat van instandhouding als gunstig beoordeeld zijn en de trend positief is, kan ook het toekomstperspectief als positief beoordeeld worden. Tabel 3.1 geeft een overzicht van de beoordeling van de staat van instandhouding van gewone dwergvleermuis. Tabel 3.1 Beoordeling staat van instandhouding gewone dwergvleermuis in Nederland Beoordeling staat van instandhouding Populatie
Verspreiding
Leefgebied
Toekomst
Eindoordeel
Gunstig
Gunstig
Gunstig
Gunstig
Gunstig
Er is geen volledig onderzoek naar de populatieopbouw -en omvang van gewone dwergvleermuis in Nunspeet. De gegevens in de NDFF zijn niet vlakdekkend beschikbaar, maar geven wel voldoende inzicht de aanwezigheid van verblijfplaatsen. In de bebouwde kom van Nunspeet zijn dan ook meerdere waarnemingen van baltsende en roepende gewone dwergvleermuizen geregistreerd (NDFF). Omdat gewone dwergvleermuizen tijdens het nader onderzoek en middels incidentele NDFF-waarnemingen zijn vastgesteld, is aannemelijk dat de gewone dwergvleermuis algemeen is binnen de bebouwde kom van Nunspeet.
15/29
Kenmerk
R003-1278875JNA-V02-efm-NL
Het is dan ook aannemelijk dat de staat van instandhouding van gewone dwergvleermuis in Nunspeet niet afwijkt van de staat van instandhouding op landelijk niveau. Als gevolg van reeds uitgevoerde werkzaamheden is slechts één paarverblijfplaats vernietigd. Daarnaast zal als gevolg van de kap van een boom met een vleermuiskast nog één paarverblijfplaats van gewone dwergvleermuis worden aangetast. In de nieuwe situatie worden permanent vervangende verblijfplaatsen gecreëerd. Ten zuiden van het spoor zijn ter compensatie tijdelijke verblijfplaatsen gerealiseerd (zie paragraaf 4.2.2). Daarnaast zijn er in de omgeving van het projectgebied voldoende alternatieve verblijfplaatsen voorhanden in de omliggende woningen, appartementencomplexen en andere aanwezige panden. Hiermee is een significant effect voor gewone dwergvleermuis uitgesloten.
3.3
Staat van instandhouding huismus
De huismus kent binnen Nederland een matig ongunstige staat van instandhouding (zie tabel 3.2), bestaande uit een matig ongunstige staat op populatie- en verspreidingsniveau, en een gunstige staat van instandhouding aangaande het leefgebied en de toekomst (SOVON, 2021). Het was voor 1990 een van de meest algemene broedvogels in ons land, maar door daling van het aantal beschikbare nestplaatsen en achteruitgang van het voedselaanbod is de soort sinds enige jaren op de Rode Lijst beland. Tabel 3.2 Staat van instandhouding van huismus in Nederland (bron: sovon.nl)
In figuur 3.1 is een kaart opgenomen met de broeddichtheid van huismus. Hierop is de verspreiding van broedparen van huismus in Nederland weergegeven. De grootste dichtheid bevindt zich in het gebied tussen de Utrechtse heuvelrug en de Veluwe en in het zuiden van Texel. Ook op de meer gedetailleerde kaart van de provincie Gelderland (zie figuur 3.2) is dit verspreidingspatroon goed zichtbaar. De grootste aantallen huismussen worden gevonden in de omgeving van grote steden Doetinchem, Zutphen en Winterswijk. Op de Veluwe is de soort nagenoeg afwezig, door het ontbreken van geschikt habitat. Helaas ontbreekt een gedetailleerd onderzoek naar de populatie huismussen in Nunspeet. De gegevens in de NDFF zijn niet vlakdekkend beschikbaar, maar geven wel voldoende inzicht de aanwezigheid van verblijfplaatsen. In de bebouwde kom van Nunspeet zijn dan ook In de NDFF zijn de afgelopen vijf jaar wel meerdere waarnemingen van huismus in Nunspeet geregistreerd. Er is onvoldoende informatie om een compleet beeld van de populatieopbouw te vormen, maar de soort lijkt zeker in verschillende wijken van Nunspeet algemeen voor te komen (gebaseerd op de NDFF gegevens).
16/29
Kenmerk
R003-1278875JNA-V02-efm-NL
Figuur 3.1 Broeddichtheid huismus binnen Nederland (bron: sovon.nl)
Figuur 3.2 Verspreiding van huismus binnen Gelderland (Sovon, 2020)
17/29
Kenmerk
R003-1278875JNA-V02-efm-NL
Uit de bovenstaande kaarten en de andere verzamelde informatie over de verspreiding van huismus blijkt dat de staat van instandhouding van huismus in Nunspeet niet afwijkt van de staat van instandhouding op landelijk niveau. Er zijn in de bebouwde kom van Nunspeet ook buiten het plangebied huismussen vastgesteld (telkens op bereikbare afstand van elkaar). Deze huismussen vormen samen met de huismussen binnen het plangebied (waarschijnlijk) één metapopulatie die een groot deel of zelfs de gehele bebouwde kom van Nunspeet omvat. De werkzaamheden hebben invloed op slechts een klein onderdeel van deze totale populatie. Daarnaast laat de verschuiving van nestlocaties in het plangebied, als gevolg van de sloop van de Stroopstok, zien dat de huismussen in staat zijn om alternatieven te vinden en te benutten. Tijdens de werkzaamheden worden de aanwezige (vervangende) verblijfplaatsen vernietigd. Om zorg te dragen voor voldoende geschikte verblijfplaatsen worden in de omgeving minimaal 16 voor huismus geschikte nestkasten geplaatst. Als tijdelijke mitigatie na de sloop van de Stroopstok zijn er 16 nestkasten geplaatst aan de Emté. Daarnaast zijn in de omgeving van het plangebied voldoende alternatieve verblijfplaatsen voorhanden. Hiermee is een significant negatief effect voor huismussen uitgesloten, en blijft de huidige staat van instandhouding gewaarborgd.
3.4
Geschiktheid van de omgeving
De directe omgeving van het plangebied bestaat uit het dorpscentrum en verschillende woonwijken van Nunspeet. Het gebied is te kwalificeren als stedelijk gebied met groene elementen in de directe omgeving. Het groen bestaat uit gemeentelijke bomen langs wegen, groene tuinen en verschillende groene pleinen. De bebouwing rond het plangebied bestaat uit diverse bouwstijlen (rijtjeswoningen, hoge en lage bedrijfsgebouwen en appartementencomplexen van meerdere woonlagen). Bij het meest actuele soortgericht onderzoek (TAUW, 2022) zijn meerdere verblijfplaatsen van huismus en ruige dwergvleermuis aangetroffen. De verblijfplaatsen van ruige dwergvleermuis bevinden zich in gebouwen ten noordwesten van het plangebied en geven aan dat er in de huidige situatie voldoende mogelijkheden zijn, ook voor gewone dwergvleermuis. Zoals ook weergegeven in figuur 2.1 is gebleken dat de huidige broedlocaties van huismus in verbinding staan met broedlocaties elders in Nunspeet. Huismussen gebruiken het groen in en buiten het plangebied om te foerageren en kunnen dus uitwijken bij het verlies van hun broedlocaties. De geschiktheid van deze omgeving en de potentiële verblijfplaatsen in de omgeving worden niet door de beoogde werkzaamheden beïnvloed. Hiermee zijn er altijd voldoende alternatieve verblijfplaatsen en essentiële onderdelen van het leefgebied in de omgeving beschikbaar.
Als aanvulling hierop worden er in de directe omgeving nieuwe verblijfplaatsen gerealiseerd om het verlies aan verblijfplaatsen op te vangen. Deze mitigatie en compensatie wordt in het volgende hoofdstuk verder uitgewerkt.
18/29
R003-1278875JNA-V02-efm-NL
Kenmerk
4 Maatregelen en mitigatie 4.1
Algemeen
In dit hoofdstuk wordt besproken hoe het verlies aan verblijfplaatsen wordt opgevangen en hoe er permanente verblijfplaatsen worden gerealiseerd. Daarnaast worden de uitvoeringsmaatregelen beschreven. Voor de maatregelen en mitigatie worden steeds de best beschikbare methodes gebruikt en in eerdere projecten met succes zijn toegepast (BIJ12, 2017). De tijdelijke en permanente maatregelen worden hieronder besproken.
4.2
Mitigatie
4.2.1 Huismus Tijdens het onderzoek naar huismus zijn acht nestlocaties vastgesteld in 2019, deze nestlocaties zijn als gevolg van de sloop verloren gegaan waarna de huismussen zijn uitgeweken naar andere broedlocaties (zie figuur 2.1). Tabel 4.1 geeft een overzicht van de benodigde en permanente mitigatie. Deze inschatting is gebaseerd op het kennisdocument van BIJ12. Als gevolg van verdere voortgang in het proces is het behoud van de tijdelijke nestlocaties niet meer mogelijk. Zodoende worden er 22 nestkasten geplaatst aan twee appartementencomplexen aan de Winckelweg. Deze locatie ligt op een kleine 300 meter van het plangebied (zie figuur 4.1 en 4.2). De plaatsing van de nestkasten staat gepland voor medio januari 2022. Direct ten westen van het complex zijn meerdere broedpaartjes huismus aanwezig en huismussen worden al geregeld gezien op en nabij het appartementencomplex. De nestkasten worden geplaatst op verschillende gevels, waarbij de nestkasten op de lange gevels onder een overstek komen zodat er geen direct zonlicht op de kasten valt gedurende de warmste momenten van de dag. Het appartementencomplex is in 2014 opgeleverd en onderhoudsarm. Hierdoor is er geen sprake van verstoring (tijdens het broedseizoen) en kunnen de kasten ook lang blijven hangen. Door de groene omgeving van het complex is er eveneens meer dan voldoende voedsel en dekking beschikbaar.
Tabel 4.1 Overzicht van de permanente en tijdelijke compensatie voor verblijfplaatsen van de huismus Type verblijfplaats
Aantal aangetast
Compensatiefactor
Nestplaats en
8
Minimaal 1:2
schuilplaats
Nieuwe verblijfplaatsen 22, type NK MU 08 van Vivara
19/29
Kenmerk
R003-1278875JNA-V02-efm-NL
Figuur 4.1 De globale ligging van het Appartementencomplex Winckelweg waaraan huimussenkasten zullen worden geplaatst
Figuur 4.2 De gevels van het appartementencomplex Winckelweg waaraan huismussenkasten zullen worden geplaatst. Op elke kopgevel worden drie kasten geplaatst, de andere tien kasten worden geplaatst op de lange gevels en zullen geplaatst worden onder de dakoverstek
20/29
Kenmerk
4.2.2
R003-1278875JNA-V02-efm-NL
Gewone dwergvleermuis
Tijdens het vleermuisonderzoek in 2019 is één paarverblijfplaats vastgesteld in de reeds gesloopte Stroopstok. Voor aanvang van de sloop zijn ten zuiden van het plangebied drie platte kasten van het type VK WS 02 aan bomen bevestigd (zie figuur 4.3). Hoewel deze kasten niet voldoen aan de eisen van mitigatie zoals opgenomen in het kennisdocument van BIJ12 is in een van de kasten in het najaar van 2021 toch een paarverblijfplaats van gewone dwergvleermuis vastgesteld. Om alsnog te voldoen aan de eisen uit het kennisdocument van gewone dwergvleermuis zullen er zo spoedig mogelijk vier kasten worden geplaatst aan de nabijgelegen bebouwing, hiervoor vindt er momenteel overleg plaats tussen pandeigenaren en de gemeente. Voor de verblijfplaats aan de Plesmanlaan zullen vier vervangende en vergelijkbare kasten geplaatst worden aan bomen. De exacte locaties zijn nog afhankelijk van de nadere detaillering van het ontwerp.
Figuur 4.3 De locaties van de vleermuiskasten die als (tijdelijke) mitigatie dienden
4.3
Uitvoeringsmaatregelen
De sloop van de Stroopstok is reeds uitgevoerd, hiervoor zijn nu geen aanvullende maatregelen meer te treffen. Voor de sloop van de Emté en de mogelijke kap van bomen op het stationsplein en aan de Plesmanlaan zijn wel uitvoeringsmaatregelen van toepassing. Het gaat om maatregelen om verstoring van broedende huismussen en verstoring van de paarverblijfplaats van gewone dwergvleermuis te voorkomen. De volgende maatregelen worden genomen om negatieve effecten te voorkomen bij de werkzaamheden aan de Emté en /of bomen op het stationsplein:
21/29
Kenmerk
R003-1278875JNA-V02-efm-NL
•
De werkzaamheden worden in beginsel uitgevoerd buiten de meest kwetsbare periode van
•
huismus. De meest kwetsbare periode betreft het broedseizoen dat loopt globaal van maart tot en met augustus Minimaal één maand voor aanvang van de werkzaamheden zijn er minimaal 16 nestkasten beschikbaar op de locatie van de permanente mitigatie. Deze gewenningsperiode is korter dan de drie maanden zoals opgenomen in kennisdocument. Door het plaatsen van extra kasten (22 in plaats van 16) wordt dit deels gecompenseerd. Daarnaast is het voornemen om
•
één of meer van de bomen op het stationsplein te behouden als broedlocatie en de kap van de overige bomen pas in het najaar van 2022 uit te voeren Indien de werkzaamheden worden uitgevoerd in het broedseizoen (maart tot en met augustus) dient middels een inspectie van de holtes en nestkasten door een ecoloog bepaald te worden of deze actief in gebruik zijn. Indien dit niet aan de orde is, kunnen de betreffende holtes afgesloten en nestkasten verwijderd worden. Als uit inspecties blijkt dat er geen actieve nesten meer aanwezig zijn binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden kan de sloop ook plaatsvinden gedurende het broedseizoen
Voor de boom aan de Plesmanlaan met een verblijfplaats van een gewonde dwergvleermuis gelden de volgende maatregelen: • De werkzaamheden worden in beginsel uitgevoerd buiten de meest kwetsbare periode van de
•
gewone dwergvleermuis. De meest kwetsbare periode betreft in dit geval de paarperiode, deze loopt globaal van half augustus tot en met eind oktober Minimaal zes maanden voordat de vleermuiskast wordt verwijderd, zijn er minimaal 4
•
verblijfplaatsen beschikbaar als permanente mitigatie. Dit betekent dat vervangende paarverblijfplaatsen uiterlijk half februari aanwezig moeten zijn Voorafgaand aan de kap van de één of meer bomen aan de Plesmanlaan, wordt de vleermuiskast verwijderd. Dit kan alleen nadat door een ecoloog is vastgesteld dat er op dat moment geen vleermuizen gebruik maken van de kast. Deze inspectie kan uitgevoerd worden vanaf de grond en met een zaklamp
22/29
Kenmerk
R003-1278875JNA-V02-efm-NL
5 Wettelijk belang en alternatieven 5.1
Algemeen
In de voorgaande hoofdstukken is beargumenteerd dat er een ontheffing nodig is voor het vernietigen van verblijfplaatsen en nestplaatsen van gewone dwergvleermuis en huismus. In dit hoofdstuk wordt aangegeven in het kader van welk wettelijk belang de ontheffing wordt aangevraagd. Ook wordt middels een alternatiefafweging onderbouwd dat er geen andere manier van uitvoering is die gunstiger uitpakt voor natuur en hetzelfde resultaat behaald.
5.2
Wettelijk belang
De (voorbereidende) werkzaamheden worden uitgevoerd om het realiseren van een ongelijkvloerse kruising van de Elspeterweg met het spoor mogelijk te maken. Dit in verband met de verkeers- en spoorveiligheid die nu niet op orde is. Dit is in het belang van de openbare veiligheid en valt dus voor huismus onder het wettelijk belang uit de Wnb, artikel 3.3, lid 4 onder b. 1°: in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid en voor gewone dwergvleermuis onder het wettelijk belang uit de Wnb, artikel 3.8, lid 5, onder b. 3°: in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten. De sloop van de Stroopstok vond op een eerder moment plaats wegens dezelfde belangen. Zoals aangehaald in de inleiding heeft de sloop plaatsgevonden op besluit van het college van Burgemeesters en Wethouders. Zij voelden zich genoodzaakt om in het belang van volksgezondheid, openbare orde en veiligheid over te gaan tot een vervroegde sloop.
In het reeds gesloopte pand zat veel asbest en vanwege vandalisme en het vermoeden van ophouden van hangjongeren werd het risico van brandstichting hoog geacht, zeker gezien de Corona en vuurwerkverbod gerelateerde onlusten in diverse dorpen in Nederland waar toen sprake van was.
5.3
Alternatiefonderbouwing
5.3.1 Inleiding In de aanloop naar de werkzaamheden is een afweging gemaakt welke methode van uitvoering het beste zou passen binnen dit project. Hierbij zijn ook negatieve effecten voor natuur in de alternatiefafweging meegenomen. Deze paragraaf geeft een korte samenvatting van deze alternatiefafweging. 5.3.2 Locatie Het realiseren van een ongelijkvloerse kruiding vraagt veel ruimte, wegen hebben te maken met hellingshoeken. Om Nunspeet te kunnen ontsluiten zijn er geen andere locaties mogelijk die voldoende aansluiten op de bestaande infrastructuur en waarbij minder verblijfplaatsen van beschermde soorten worden geschaad. Het realiseren van een ongelijkvloerse kruiding op een andere locatie zal dan ook niet gunstiger uitpakken voor beschermde flora en fauna.
23/29
Kenmerk
5.3.3
R003-1278875JNA-V02-efm-NL
Ontwerp
Om op een veilige wijze een ongelijkvloerse kruising te realiseren zijn er allerlei eisen aan bijvoorbeeld de hellingshoek en kromming van de weg. Hierdoor vraagt een ongelijkvloerse kruising meer ruimte. Het ontwerp is zo opgesteld dat er zo min mogelijk bestaande bebouwing en groen hoeft te verdwijnen en dat er in de uiteindelijke situatie meer groen, in de vorm van parknatuur, terugkomt. Hoewel het nieuw aan te leggen groen niet direct ten goede komt voor verblijfplaatsen van huismus of gewone dwergvleermuis kunnen deze soorten er wel gebruik van gaan maken als onderdeel van hun leefgebied. 5.3.4
Werkwijze en planning
In de werkwijze en planning wordt voldoende rekening gehouden met kwetsbare perioden. Door het treffen van maatregelen zijn te allen tijde voldoende geschikte verblijfplaatsen binnen het leefgebied van de lokale populatie huismus en gewone dwergvleermuizen aanwezig. Door de werkzaamheden zoveel mogelijk uit te voeren buiten de kwetsbare periodes, worden ze zo veel mogelijk ontzien. Vanwege de totale omvang van het project is het niet altijd mogelijk om kwetsbare periodes te mijden. Voor de nestlocaties van huismus geldt dat de werkzaamheden bij de verblijfplaatsen worden gestart buiten het broedseizoen of pas plaatsvinden na een controle door een ter zake kundige. Hiermee wordt invulling gegeven aan de zorgplicht. Er is ten aanzien van de werkwijze en planning geen aanpak die gunstiger uitpakt voor de aanwezige (verblijfplaatsen van) huismus en gewone dwergvleermuis.
24/29
Kenmerk
R003-1278875JNA-V02-efm-NL
6 Literatuur BIJ12, 2017a. Kennisdocument Gewone dwergvleermuis, versie 1.0, juli 2017. BIJ12, 2017b. Kennisdocument Gierzwaluw, versie 1.0, juli 2017. BIJ12, 2017c. Kennisdocument Huismus, versie 1.0, juli 2017. TAUW, 2019a. Verkenning natuur en MER stationsgebied gemeente Nunspeet - Ecologische voortoets. Rapport met kenmerk R001-1265284WLI-V04-sec d.d. 8 mei 2019. TAUW, 2019b. Nader onderzoek ecologie stationsgebied, Nunspeet. Rapport met kenmerk R0041265284JJA-V01-rlk d.d. 28 oktober 2019. TAUW, 2021. Natuurtoets stationsgebied Nunspeet. Rapport met kenmerk R002-1278875JNAV01-efm-NL d.d. 6 september 2021. TAUW, 2022. Nader onderzoek ecologie stationsgebied Nunspeet. Rapport met kenmerk R0041278875JNA-V02.
25/29
Kenmerk
Bijlage 1
R003-1278875JNA-V02-efm-NL
Voorgaande natuurtoets
26/29
Verkenning natuur en MER stationsgebied gemeente Nunspeet - Ecologische voortoets
Concept
8 mei 2019
Kenmerk
R001-1265284WLI-V04-sec
Verantwoording Titel
Verkenning natuur en MER stationsgebied gemeente Nunspeet Ecologische voortoets
Opdrachtgever
Gemeente Nunspeet
Projectleider
Martijn Gerritsen
Auteur(s)
Wendy Liefting en Rob Jansen
Tweede lezer
Sjoerd-Dirk van der Est en Luc Bruinsma
Uitvoering meet- en inspectiewerk
Tim van Leeuwen, Wendy Liefting & Rob Jansen
Projectnummer
1265284
Aantal pagina’s
34
Datum
8 mei 2019
Handtekening
Ontbreekt in verband met digitale verwerking. Dit rapport is aantoonbaar vrijgegeven.
Colofon Handelskade 37 Postbus 133 7400 AC Deventer T +31 57 06 99 91 1 E info.deventer@tauw.com
Concept
Tauw bv
2/34
Kenmerk
R001-1265284WLI-V04-sec
Inhoud
2
3
Inleiding ..................................................................................................................................... 5 1.1
Doel .................................................................................................................................... 5
1.2
Wetgeving .......................................................................................................................... 5
1.2.1
Wet natuurbescherming .............................................................................................. 5
1.2.2
Beschermingsregime Natura 2000 bij projecten ......................................................... 5
1.2.3
Natuurnetwerk Nederland ........................................................................................... 6
1.3
Te beschouwen onderdelen ............................................................................................... 6
1.4
Werkwijze ........................................................................................................................... 7
1.5
Kwaliteit .............................................................................................................................. 7
1.6
Uitgangspunten .................................................................................................................. 7
Situatie en beoogde ontwikkeling .............................................................................................. 8 2.1
Huidige situatie................................................................................................................... 8
2.2
Beoogde situatie ................................................................................................................ 9
Gebiedsbescherming............................................................................................................... 11 3.1
Natura 2000-gebieden ..................................................................................................... 11
3.1.1
Gebiedsbeschrijving .................................................................................................. 11
3.1.2
Afkadering effecten ................................................................................................... 13
3.1.3
Optische verstoring ................................................................................................... 13
3.1.4
Geluidverstoring ........................................................................................................ 14
3.1.5
Lichtverstoring ........................................................................................................... 15
3.1.6
Verdroging................................................................................................................. 15
3.1.7
Trilling........................................................................................................................ 16
3.1.8
Stikstofdepositie ........................................................................................................ 16
3.1.9
Aanwezigheid Vogelrichtlijnsoorten .......................................................................... 16
3.1.10
Conclusie .................................................................................................................. 17
3.2
Natuurnetwerk Nederland ................................................................................................ 17
3.2.1
Gebiedsbeschrijving .................................................................................................. 17
3.2.2
Kernkwaliteiten natuur en landschap ........................................................................ 18
3.2.3
Conclusies................................................................................................................. 19
3.3
Houtopstanden ................................................................................................................. 20
Concept
1
3/34
Kenmerk
Soortenbescherming ............................................................................................................... 21 4.1
Beschermingsregime en bepalingen ................................................................................ 21
4.2
Vrijstellingen ..................................................................................................................... 21
4.3
Zorgplicht ......................................................................................................................... 22
4.4
Literatuuronderzoek ......................................................................................................... 22
4.5
Effecten ............................................................................................................................ 23
4.5.1
Grondgebonden zoogdieren ..................................................................................... 23
4.5.2
Vleermuizen .............................................................................................................. 24
4.5.3
Broedvogels .............................................................................................................. 26
4.5.4
Libellen, vlinders en overige ongewervelden ............................................................ 27
4.5.5
Zorgplicht .................................................................................................................. 27
5
Conclusies en aanbevelingen.................................................................................................. 28
6
Literatuurlijst ............................................................................................................................ 33
Concept
4
R001-1265284WLI-V04-sec
4/34
Kenmerk
R001-1265284WLI-V04-sec
1 Inleiding Dit hoofdstuk beschrijft het doel van de toetsing, de relevante natuurwetgeving, de wijze van kwaliteitsborging en de te hanteren uitgangspunten voor de toetsing.
1.1
Doel
In opdracht van de gemeente Nunspeet heeft Tauw onderzoek gedaan naar de consequenties van de Wet natuurbescherming voor het realiseren van een ongelijkvloerse kruising van de Elspeterweg met het spoor. In de eerste instantie gaat het om een bestemmingsplanwijziging. Om deze door te voeren moet aangetoond zijn dat het plan redelijkerwijs uitvoerbaar is. De ontwikkeling kan alleen doorgaan als deze niet in strijd is met de natuurwetgeving, of als de benodigde vergunningen en/of ontheffingen kunnen worden verleend. In de rapportage worden de volgende vragen beantwoord: • Welke onderdelen van de Wet natuurbescherming zijn van belang? • In hoeverre is de beoogde ontwikkeling (mogelijk) strijdig met de Wnb? • • •
Zijn maatregelen en/of een ontheffing/vergunning nodig? Wat betekent dit voor de verdere planvorming en uitvoering? In hoeverre is het bestemmingsplan redelijkerwijs uitvoerbaar?
1.2
Wetgeving
1.2.1 Wet natuurbescherming Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (hierna te noemen Wnb) in werking. De Wnb is het wettelijke stelsel voor bescherming van gebieden, soorten en houtopstanden. Het beschermingsregime van de Wnb gaat uit van het ‘nee, tenzij-principe’. Dit betekent dat de genoemde verbodsbepalingen in de Wnb voor bescherming van gebieden, soorten en houtopstanden altijd gelden. Het afwijken hiervan is alleen onder voorwaarden toegestaan. Gedeputeerde Staten (GS) van de provincie Gelderland is het bevoegd gezag voor het verlenen van toestemming door middel van een vergunning, ontheffing of vrijstelling. 1.2.2 Beschermingsregime Natura 2000 bij projecten Voor de beoogde ontwikkeling is mogelijk een vergunning nodig in het kader van de Wet natuurbescherming (hierna Wnb). Dat vloeit voort uit artikel 2.7 lid 2 van die wet.
Concept
2. Het is verboden zonder vergunning van gedeputeerde staten een project te realiseren of andere handelingen te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstelling voor een Natura 2000-gebied de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen.
5/34
Kenmerk
R001-1265284WLI-V04-sec
De beoogde ontwikkeling moet - in de zin van de Wnb - beschouwd worden als ‘andere handeling’. Zulke handelingen zijn, wanneer ze gevolgen kunnen hebben voor één of meer instandhoudingsdoelstellingen in één of meer Natura 2000-gebieden, alleen toegestaan met een vergunning. In deze Voortoets wordt nagegaan óf de ontwikkeling gevolgen kan hebben voor Natura 2000-gebieden, en zo ja welke gevolgen. Wanneer significante gevolgen op voorhand kunnen worden uitgesloten, dan hoeft geen nadere ecologische beoordeling (passende beoordeling) te worden uitgevoerd. Wanneer significante gevolgen niet op voorhand zijn uit te sluiten moet een passende beoordeling worden gemaakt van de gevolgen voor het Natura 2000-gebied, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen voor dat gebied (artikel 2.8, eerste lid Wnb). Een vergunning mag uitsluitend worden verleend indien uit de passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het project of de andere handeling de ‘natuurlijke kenmerken van het gebied’ niet zal aantasten. De Voortoets in hoofdstuk 3 heeft als doel te bepalen of een passende beoordeling noodzakelijk is. 1.2.3
Natuurnetwerk Nederland
Het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen de Ecologische Hoofdstructuur, in de provincie Gelderland GNN genoemd) is een netwerk van natuurgebieden waarmee de biodiversiteit behouden en versterkt wordt. Planten en dieren kunnen zich van het ene naar het andere gebied verplaatsen. Soorten raken hierdoor niet geïsoleerd en hebben dus minder kans op uitsterven. Het NNN is planologisch beschermd via het Barro en is opgenomen in de provinciale structuurvisie en bestemmingsplannen van de gemeente. Provincie Gelderland kent naast het NNN ook de Groene Ontwikkelingszone (GO). De GO bestaat uit gebieden met andere bestemmingen dan natuur en is ruimtelijk verweven met het NNN en hangt daar functioneel mee samen. In de GO wordt ingezet op versterking van de samenhang tussen inliggende en aangrenzende natuurgebieden (Provincie Gelderland, 2017a). In het NNN geldt het 'nee, tenzij'-principe. Verder moeten de ontwikkelingen een groot openbaar belang hebben. De schadelijke effecten van de activiteit op de natuur moeten bovendien worden gecompenseerd. Het Rijk en de provincies hebben hiervoor samen met gemeenten en maatschappelijke organisaties, spelregels opgesteld.
1.3
Te beschouwen onderdelen
effecten op Natura 2000-gebied Veluwe zijn niet op voorhand uit te sluiten. Er is daarom getoetst of de werkzaamheden effect kunnen hebben op de instandhoudingsdoelen van de kwalificerende soorten en/of habitattypen en of dit effect significant is. De bescherming van houtopstanden is niet aan de orde, omdat het project gelegen is binnen de bebouwde kom. Hier is de bescherming van houtopstanden binnen de Wnb niet van toepassing.
Concept
De gebieden- en soortenbescherming zijn onderdelen waarop getoetst moet worden. Negatieve
6/34
Kenmerk
R001-1265284WLI-V04-sec
Daarnaast zal het plan nog worden getoetst aan het NNN, welke is geborgd in onder de Wet Ruimtelijke Ordening (Wro). Ook zal de Groene Ontwikkelingszone uit de Gelderse Omgevingsverordening worden beschouwd.
1.4
Werkwijze
De mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten is bepaald aan de hand van de volgende gegevens: • • •
Regionale en landelijke verspreidingsatlassen en –data (zie ook hoofdstuk 4) Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) Natuurkaart van Tauw (https://www.tauw.nl/op-welk-terrein/ecologie/ecoviewer.html)
• •
Oriënterend veldbezoek op 27 juni 2018 Aanvullend veldbezoek op 2 april 2019
Het doel van de literatuurstudie is om na te gaan welke beschermde soorten en gebieden in of in de omgeving van het plangebied kunnen voorkomen. De ecoloog controleert tijdens het oriënterende veldbezoek of de locatie voldoet aan eisen die soorten aan hun leefomgeving stellen. Ook kijkt de ecoloog naar aanwijzingen van de aanwezigheid (zichtwaarnemingen en sporen van terreingebruik, zoals holen, uitwerpselen, haren, prooi- of voedselresten). Daarnaast wordt op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000 een oriënterende toets uitgevoerd. Op basis van de bij Tauw aanwezige expertise en beschikbare literatuur wordt een uitspraak gedaan of het optreden van al dan niet significante effecten kan worden uitgesloten. Is er met zekerheid geen sprake van negatieve effecten op het Natura 2000-gebied, dan is geen vergunning noodzakelijk. Wanneer uit de voortoets blijkt dat effecten op de instandhoudingsdoelstellingen niet zijn uit te sluiten, dan is een passende beoordeling noodzakelijk. Uit de passende beoordeling dient te blijken welke instandhoudings-doelstellingen in welke mate worden geschaad. Dat is echter geen onderdeel van deze rapportage.
1.5
Kwaliteit
Bij ecologische veldwerkzaamheden biedt Tauw garantie op de volledigheid over aanwezige beschermde gebieden en houtopstanden. Voor soortenbescherming is een volledige garantie over de aanwezigheid niet te geven. Door inzet van deskundige ecologen en landelijk geaccepteerde onderzoeksmethodes wordt de kwaliteit van het onderzoek zoveel mogelijk gewaarborgd. Mede in dit kader is Tauw aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus, een samenwerkingsverband van adviesbureaus die ecologisch advies geven en ecologisch onderzoek verrichten.
Uitgangspunten
De volgende uitgangspunten zijn van toepassing op de beoogde ontwikkeling: • Er zijn geen ontwikkelingen in het deel van het plangebied dat binnen de Natura 2000•
begrenzing valt Verkeersintensiteiten van het verkeersonderzoek van BVA is nog actueel
Concept
1.6
7/34
Kenmerk
R001-1265284WLI-V04-sec
2 Situatie en beoogde ontwikkeling Dit hoofdstuk beschrijft de huidige situatie en de beoogde situatie.
2.1
Huidige situatie
De stationsomgeving van Nunspeet wordt al jaren als ondermaats ervaren op het gebied van verkeersveiligheid, verkeersafwikkeling en ruimtelijke kwaliteit. De gemeente onderzoekt op welke wijze het gebied verbeterd kan worden. In figuur 2.1 is de locatie van het plangebied weergegeven. Het gaat om de N310 (Elspeterweg) die het spoor nu op gelijke hoogte kruist. Binnen het plangebied valt het voormalige pannenkoekenrestaurant ‘De Stroopstok’ ten noordwesten van de kruising (Stationsplein 4), het VOF Café Restaurant Joris ten zuidwesten van de kruising (Elspeterweg 2), supermarkt EMTÉ aan de Nijverheidsweg en de stationsomgeving inclusief groenstructuren.
Figuur 2.1 Ligging van het plangebied
gebied voor het overgrote deel aangewezen voor bestemming verkeer, maar ook als bestemming centrum, horeca of bedrijf en kleine delen als groen.
Concept
In figuur 2.2 is het huidige bestemmingsplan weergegeven. Ten noorden van de spoorlijn is het
8/34
Kenmerk
R001-1265284WLI-V04-sec
Figuur 2.2 Huidige bestemmingsplan (ruimtelijkeplannen.nl)
2.2
Beoogde situatie
De gemeente Nunspeet onderzoekt op welke wijze het stationsgebied verbeterd kan worden op het gebied van verkeersveiligheid, verkeersafwikkeling en ruimtelijke kwaliteit. Dit moet uiteindelijk leiden tot meerdere scenario’s waarvan een voorkeursvariant gekozen gaat worden waarbij de stationsomgeving verkeersveilig en bereikbaar is en waar verkeer doorstroomt in een omgeving die aantrekkelijk, groen en uitnodigend is. Het plan heeft betrekking op het gebied zoals afgebeeld in figuur 2.3. Het plan betreft het
• •
Het rooien van groenstructuren/bomen in het plangebied Het slopen van supermarkt EMTÉ, voormalig pannenkoekenrestaurant De Stroopstok (Stationsplein 4) en VOF Café Restaurant Joris (Elspeterweg 2)
• •
De herbouw van VOF Café Restaurant Joris aan de overzijde van de weg De aanleg van een voetgangerstunnel onder het spoor ter hoogte van de perrons
Concept
realiseren van een ongelijkvloerse kruising van de Elspeterweg met het spoor. Hiervoor zijn aanpassingen nodig aan de omgeving van het spoor, zoals: • De ondertunneling van het spoor
9/34
Kenmerk
R001-1265284WLI-V04-sec
Figuur 2.3 De beoogde ontwikkeling (zwarte stippels omkaderen het plangebied, met in zwart de beoogde inrichting;
Concept
rode omlijning zijn gebouwen die gesloopt worden; gele arcering zijn groenstructuren die gekapt worden)
10/34
Kenmerk
R001-1265284WLI-V04-sec
3 Gebiedsbescherming Dit hoofdstuk beschrijft de toetsing aan de gebiedenbescherming onder de Wnb en de Wro. Ook houtopstanden zijn gedeeltelijk van toepassing gezien het plangebied ten zuiden van het spoor buiten de bebouwde kom Boswet van de gemeente Nunspeet valt. Voor bomenkap ten noorden van de spoorlijn is de bomenverordening van de gemeente Nunspeet (2016) van toepassing.
3.1
Natura 2000-gebieden
3.1.1 Gebiedsbeschrijving Figuur 3.1 geeft de ligging van het plangebied weer ten opzichte van Natura 2000-gebieden. Het plangebied is gedeeltelijk gelegen binnen de begrenzing van Natura 2000-gebied ‘Veluwe’. Dit gebied is aangewezen als zowel Vogel- als Habitatrichtlijngebied.
Figuur 3.1 Ligging van het plangebied ten opzichte van Natura 2000-gebieden
Concept
Het Natura 2000-gebied Veluwe is als zodanig aangewezen vanwege de aanwezigheid van kwalificerende habitattypen en soorten. De gebiedsspecifieke ecologische vereisten voor de duurzame instandhouding van deze kwalificerende habitattypen en soorten zijn beschreven in instandhoudingsdoelstellingen.
11/34
Kenmerk
R001-1265284WLI-V04-sec
Tabel 3.1 Kwalificerende vogelrichtlijnsoorten (broedvogels) Natura 2000-gebied Veluwe Vogelrichtlijnsoorten
Landelijke staat
Doelstelling
Doelstelling
Doelstelling
(broedvogels)
van
omvang
kwaliteit
populatie
instandhouding
leefgebied
leefgebied
A072 – Wespendief
+
=
=
100
A224 – Nachtzwaluw
-
=
=
610
A229 – IJsvogel
+
=
=
30
A233 – Draaihals
--
>
>
(her)vestiging
A236 – Zwarte specht
+
=
=
400
A246 – Boomleeuwerik
+
=
=
2.400
A255 – Duinpieper
--
>
>
(her)vestiging
A276 – Roodborsttapuit
+
=
=
1.100
A277 – Tapuit
--
>
>
100
A338 – Grauwe Klauwier
--
>
>
40
Tabel 3.2 Kwalificerende habitattypen Natura 2000-gebied Veluwe Habitattypen
Landelijke staat van
Doelstelling
Doelstelling
instandhouding
oppervlakte
kwaliteit
H2310 – Stuifzandheiden met struikhei
--
>
>
H2320 – Binnenlandse kraaiheibegroeiingen
-
=
=
H2330 – Zandverstuivingen