AP 9. Bijlagen bij de toelichting Bijlage 10 m.e.r.-beoordeling stationsgebied Nunspeet
Tekst van het document
m.e.r.-beoordeling stationsgebied Nunspeet 20 januari 2022
Kenmerk
R006-1278875EZM-V01-hme-NL
Verantwoording Titel
m.e.r.-beoordeling stationsgebied Nunspeet
Opdrachtgever
Gemeente Nunspeet
Projectleider
Martijn Gerritsen
Auteur(s)
Elza van der Meer
Tweede lezer
Lex Bekker
Projectnummer
1278875
Aantal pagina’s
29
Datum
20 januari 2022
Handtekening
Ontbreekt in verband met digitale verwerking. Dit rapport is aantoonbaar vrijgegeven.
Colofon TAUW bv Handelskade 37 Postbus 133 7400 AC Deventer T +31 57 06 99 91 1 E info.deventer@tauw.com
2/29
R006-1278875EZM-V01-hme-NL
Kenmerk
Inhoud 1
2
3
Inleiding ..................................................................................................................................... 5 1.1
Procedure m.e.r.-beoordeling ............................................................................................ 6
1.2
Leeswijzer .......................................................................................................................... 8
Plaats en kenmerken van het project ........................................................................................ 9 2.1
Plaats van het project ......................................................................................................... 9
2.2
Kenmerken van het project ................................................................................................ 9
Beschrijving van de milieueffecten (kenmerken van potentiële effecten) ................................ 11 3.1
Ecologie ........................................................................................................................... 11
3.1.1
Huidige situatie.......................................................................................................... 11
3.1.2
Effecten op beschermde soorten .............................................................................. 12
3.1.3
Beschermde houtopstanden ..................................................................................... 15
3.1.4
Gebiedsbescherming (inclusief stikstof) ................................................................... 16
3.2
Bodem .............................................................................................................................. 17
3.2.1
Huidige situatie.......................................................................................................... 17
3.2.2
Effecten ..................................................................................................................... 18
3.3
Water ................................................................................................................................ 20
3.3.1
Huidige situatie.......................................................................................................... 20
3.3.2
Effecten ..................................................................................................................... 20
3.4
Archeologie ...................................................................................................................... 21
3.4.1
Huidige situatie.......................................................................................................... 21
3.4.2
Effecten ..................................................................................................................... 22
3.5
Geluid ............................................................................................................................... 22
3.5.1
Opzet van het onderzoek .......................................................................................... 22
3.5.2
Huidige situatie.......................................................................................................... 23
3.5.3
Effecten ..................................................................................................................... 23
3.6
Luchtkwaliteit .................................................................................................................... 24
3.6.1
Huidige situatie.......................................................................................................... 24
3.6.2
Effecten ..................................................................................................................... 25
3.7
Effecten op overige milieuaspecten ................................................................................. 25
3.7.1
Trillingen.................................................................................................................... 25
3/29
Kenmerk
4
R006-1278875EZM-V01-hme-NL
3.7.2
Externe veiligheid ...................................................................................................... 26
3.7.3
Bedrijven en milieuzonering ...................................................................................... 26
3.7.4
Verkeer en parkeren ................................................................................................. 26
3.7.5
Gezondheid ............................................................................................................... 27
3.7.6
Cumulatie .................................................................................................................. 28
Conclusie ................................................................................................................................. 29
Bijlage 1
Activiteitenplan
Bijlage 2
Voortoets en passende beoordeling stationsgebied Nunspeet
Bijlage 3
Bodemonderzoek
Bijlage 4
Geohydrologie
Bijlage 5
Archeologie
Bijlage 6
Geluid
Bijlage 7
Luchtkwaliteit
Bijlage 8
Trillingen
4/29
Kenmerk
R006-1278875EZM-V01-hme-NL
1 Inleiding Al jaren worden de verkeersveiligheid, verkeersafwikkeling en ruimtelijke kwaliteit van de stationsomgeving in Nunspeet als ondermaats ervaren. De bestaande gelijkvloerse spoorwegovergang Elspeterweg nabij het Station te Nunspeet staat ook geregistreerd in de top van de gevaarlijkste overwegen in Nederland. Er zijn bijna elk jaar incidenten (in 2012 ook met dodelijke afloop). Dit komt door de slechte doorstroming en zware verkeersdruk ter plaatse rondom deze gelijkvloerse overweg in het plangebied. Om die reden is de gemeente van plan om het stationsgebied opnieuw in te richten. Dit moet zorgen voor een betere afwikkeling van het verkeer van en naar Nunspeet en leiden tot een verbetering van de verkeersveiligheid. Ook de ruimtelijke kwaliteit van de stationsomgeving krijgt een impuls door de herontwikkeling. Het plan is om de huidige gelijkvloerse kruising van de N310 te vervangen door een onderdoorgang voor het autoverkeer. De bestaande spoorkruising voor voetgangers wordt door een nieuwe onderdoorgang voor langzaam verkeer (fietsverkeer) en voetgangers ter hoogte van het stationsplein vervangen. Ook wijzigt de ligging en snelheid van meerdere wegen in het plangebied. Onderstaande afbeelding laat de omgeving van het plangebied zien. In de afbeelding zijn ook locaties van de toekomstige onderdoorgangen weergegeven.
Figuur 1.1 Lokale omgeving van het plangebied en globale locatie van de nieuwe onderdoorgangen
5/29
Kenmerk
R006-1278875EZM-V01-hme-NL
De beoogde ontwikkeling is niet mogelijk binnen de kaders van de geldende bestemmingsplannen. Om die reden is een herziening van het ruimtelijk kader noodzakelijk. Om het milieu een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming over het nieuwe bestemmingsplan, moet op grond van de Wet milieubeheer (Wm) worden beoordeeld of in het kader van deze ontwikkeling een milieueffectrapportage nodig is. Deze notitie betreft zowel een project-m.e.r.-beoordeling als plan-m.e.r.-beoordeling (gecombineerd) en gaat in op de bouw- en gebruiksfase van het project/plan. In de volgende paragraaf wordt nader ingegaan op de gecombineerde project- en plan-m.e.r.-beoordeling.
1.1
Procedure m.e.r.-beoordeling
De Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r. maken onderscheid tussen activiteiten die m.e.r. plichtig zijn (de zogenaamde bijlage C‐activiteiten) en activiteiten, die m.e.r.‐ beoordelingsplichtig zijn (de zogenaamde bijlage D‐activiteiten). M.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten zijn activiteiten waarvoor het bevoegd gezag (in dit geval het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nunspeet) moet beoordelen of de aard en kenmerken van de activiteit zodanig zijn dat een milieueffectrapport met daarbij behorende uitgebreide m.e.r.procedure doorlopen moet worden. Een toelichting op het m.e.r.-beoordeling(sbesluit) van de gemeente Deze m.e.r.-beoordeling geldt als een toelichting op het door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nunspeet te nemen gecombineerd project-/plan-m.e.r.beoordelingsbesluit. Het project-mer-beoordelingsbesluit is nodig omdat het bestemmingsplan voorziet in een stedelijk ontwikkelingsproject (als bedoeld in D-11.2 van de bijlage bij het Besluit m.e.r.). Het plan-mer-beoordelingsbesluit is nodig omdat voor het bestemmingsplan een passende beoordeling moet worden opgesteld (artikel 7.2a Wm en artikel 3 van het Besluit m.e.r.). Project-m.e.r.-beoordeling De ontwikkeling omvat de herontwikkeling van het stationsgebied.
Het voornemen betreft de sloop van diverse panden, het verwijderen/vernieuwen/aanleggen van diverse wegen en fiets- en wandelpaden, het verplaatsen van bushaltes en parkeervoorzieningen en het aanleggen van twee tunnels onder het spoor. Ook wordt het stationsgebouw gerenoveerd en gedeeltelijk vernieuwd en vinden er aanpassingen aan het spoor plaats. Deze ontwikkeling wordt geclassificeerd als een stedelijk ontwikkelingsproject, waardoor het onder de D lijst, artikel 11.2, van het Besluit m.e.r. valt. Artikel D11.2 luidt als volgt: ‘De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.’ De volgende drempelwaarden worden hierbij gehanteerd: 1. Een oppervlakte van 100 ha of meer 2. Een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen 3.
Een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer
6/29
Kenmerk
R006-1278875EZM-V01-hme-NL
De beoogde ontwikkeling heeft betrekking op een totaaloppervlakte van circa 5 hectare. De geplande ontwikkeling blijft dus ver beneden de drempelwaarden van de m.e.r.-beoordelingsplicht. Voor activiteiten die op de D lijst voorkomen maar onder de drempelwaarden liggen, dient wel een vormvrije project-m.e.r. beoordeling te worden uitgevoerd. Deze beoordeling dient plaats te vinden aan de hand van de criteria die zijn opgenomen in bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn. Plan-m.e.r.-beoordeling Vanwege de verplichting om voor het plan een passende beoordeling op grond van de Wet natuurbescherming op te stellen geldt er in beginsel (ook) een plan-mer-plicht op basis van artikel 7.2a lid 1 van de Wm. Dat is echter anders wanneer sprake is van een geval als bedoeld in artikel 3 lid 1 Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). Op 18 december 2020 is namelijk de twintigste tranche Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet in werking getreden (zie Stb. 17 december 2020, nr. 528). Daarmee is ter uitwerking van artikel 7.2a lid 2 Wm een nieuw artikel 3 aan het Besluit m.er. toegevoegd. Op basis van het eerste lid van dat artikel geldt voor onder meer bestemmingsplannen niet meer automatisch een plan-mer-plicht als er een passende beoordeling moet worden gemaakt.
De in de wet opgenomen uitzondering is van toepassing op gemeentelijke plannen die het gebruik bepalen van kleine gebieden (artikel 3 lid 1 sub a) dan wel die zien op kleine wijzigingen van bestaande plannen (artikel 3 lid 1 sub b). Voor dergelijke bestemmingsplannen geldt in eerste instantie dan een verplichting tot de uitvoering van een planm.e.r.-beoordeling. In dit geval is sprake van een bestemmingsplan dat betrekking heeft op een klein gebied. De term ‘kleine gebieden’ betekent dat de omvang van het gebied gering moet zijn vergeleken met het grondgebied van de desbetreffende lokale instantie, in dit geval het grondgebied van de gemeente Nunspeet. Het plangebied heeft een oppervlakte van circa 5 hectare. Wanneer dat wordt afgezet tegen de oppervlakte van het gemeentelijke grondgebied (= circa 12.953 hectare), moet geconcludeerd worden dat het gebied circa 0,386 % van het totale gemeentelijk grondgebied bedraagt. In dit geval is er dus sprake van ‘kleine gebieden’ als bedoeld in artikel 3 lid 1 sub a Besluit mer. Zie hierover ook de conclusie van advocaat-generaal Kokott (van 8 september 2016, ECLI:EU:C:2016:665). Kokott acht een oppervlakte van ten hoogste 5 % van het gebied dat binnen het lokale bestuursniveau valt, een richtcijfer om te kunnen spreken van een ‘klein gebied’.
Het voorgaande betekent dat nu sprake is van een gemeentelijk bestemmingsplan dat het gebruik bepaalt van ‘kleine gebieden’ en waarvoor een passende beoordeling moet worden verricht, een plan-m.e.r.-beoordelingsbesluit nodig is. In die beoordeling moet getoetst worden of het plan geen aanzienlijke milieueffecten heeft. In die beoordeling moet rekening worden gehouden met de criteria in bijlage II bij de smb-richtlijn (zie art. 3 lid 3 Besluit mer). Deze plan-beoordeling voor ‘kleine gebieden’ is inhoudelijk gelijk aan de (beoordelings-)criteria uit bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn zoals de gelden voor een project-m.e.r.-beoordeling. Een projectm.e.r.-beoordeling kan daarom volgens de Afdelingsrechtspraak ook dienstdoen als een plan-
7/29
Kenmerk
R006-1278875EZM-V01-hme-NL
m.e.r.-beoordeling. Zie hierover expliciet ABRS 19 mei 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1054. Gelet hierop in dit voorliggende rapport expliciet getoetst aan de selectiecriteria uit bijlage III van de mer-richtlijn (project-mer-beoordeling). Maar betreft dit eveneens de motivering als plan-m.e.r.beoordeling. Mogelijke uitkomsten van de beoordeling Op basis van deze m.e.r.-beoordeling zijn er twee mogelijke uitkomsten: • •
Belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen niet uitgesloten worden: het bevoegd gezag zal dan besluiten dat er een project-/plan-m.e.r.-procedure doorlopen dient te worden Belangrijke nadelige milieugevolgen treden (na het nemen van de benodigde maatregelen) niet op: op basis daarvan zal het bevoegd gezag gemotiveerd aangegeven dat geen project/plan-m.e.r.-procedure hoeft te worden doorlopen
1.2
Leeswijzer
De rapportage is opgebouwd aan de hand van bovenstaande criteria. In hoofdstuk 2 worden de plaats en kenmerken van het project beschreven. Hoofdstuk 3 gaat in op de kenmerken van de potentiële effecten. Het vierde en laatste hoofdstuk concludeert na een integrale afweging van de eerder beschreven milieueffecten aan de hand van de selectiecriteria uit bijlage III van de m.e.r.richtlijn (en daarmee gelet op bijlage II van de smb-richtlijn) of de ontwikkeling al dan niet leidt tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. En daarmee of het bestemmingsplan leidt tot aanzienlijke milieueffecten die nopen tot het opstellen van een milieueffectrapport en het doorlopen van de daarbij behorende m.e.r. procedure.
8/29
Kenmerk
R006-1278875EZM-V01-hme-NL
2 Plaats en kenmerken van het project 2.1
Plaats van het project
Het plangebied ligt aan de zuidkant van de dorpskern Nunspeet (zie figuur 2.1). In figuur 3.1 wordt de ligging ten opzichte van Natura2000 gebieden weergegeven.
Figuur 2.1 Ligging van het plangebied
Het noordelijk deel van het plangebied wordt omringd door bebouwing met woningen en winkels. Het zuidelijk deel van het plangebied is omringd door een bosrijke omgeving en wordt begrensd door een bungalowpark en hotel. Ten zuidoosten van het plangebied is op circa 1 kilometer afstand een golfbaan gelegen.
2.2
Kenmerken van het project
Het onderzoeksgebied bestaat uit enkele gebouwen en locaties, de belangrijkste zijn met een letter op de kaart van figuur 2.1 weergegeven. Het gaat dan om: A. Het stationsgebouw, ten noorden van het station is tevens een onbewaakte fietsenstalling B. Het stationsplein met daarop een gebouw met een ijssalon en het VVV, ten oosten van het C. D.
stationsplein is het busstation aanwezig Pannenkoekenhuis de Stroopstok, dit pand is eind 2020 na aankoop in het kader van de herontwikkeling van de stationsomgeving reeds gesloopt. Fundering is nog aanwezig De parkeerplaats van het Veluwetransferium met aan de randen een speelvoorziening voor kinderen en verscheidene picknick-/rustplaatsen
9/29
Kenmerk
R006-1278875EZM-V01-hme-NL
De voorgenomen ontwikkeling betreft een totaaloppervlakte van circa 5 hectare. Het betreft de herinrichting van het stationsgebied met de realisatie van een ongelijkvloerse spoorwegkruising en het zo veel mogelijk scheiden van fietsers en gemotoriseerd verkeer. Het plan voorziet verder in een toereikende aansluiting op de bestaande wegenstructuur en een toegang naar het perron. Daarbij wordt in de uitwerking veel aandacht besteed aan het verbeteren van de verblijfs- en ruimtelijke kwaliteit van de Stationsomgeving. Bebouwing maakt plaats voor groen. Als gevolg van de herinrichting worden de volgende werkzaamheden en wijzigingen uitgevoerd: • Sloop van bebouwing op het stationsplein, de voormalige Emté, Restaurant Joris en Restaurant Stroopstok • • •
Stationsgebouw wordt deels aangepast Aanpassingen en vernieuwing van het bestaande spoor De kap van bomen in het onderzoeksgebied om de infrastructuur te wijzigen
•
Verwijdering, vernieuwing en aanleg van wegen, fiets- en voetpaden, waarbij 2 tunnels onder het spoor worden aangelegd Verplaatsing van bushaltes en parkeervoorzieningen
•
Onderstaand figuur bevat een impressie van het plan.
Figuur 2.2 Impressie van het plan
10/29
Kenmerk
R006-1278875EZM-V01-hme-NL
3 Beschrijving van de milieueffecten (kenmerken van potentiële effecten) Dit hoofdstuk beschrijft de effecten van de ontwikkeling voor het milieu. Het gaat hierbij zowel om de positieve als de negatieve effecten in het plangebied en omgeving, en de mate van het effect. Deze notitie behandelt de milieuaspecten die van belang zijn bij de voorgenomen activiteit. De milieuthema’s in deze beoordeling zijn: • • •
Ecologie (inclusief stikstofdepositie) Bodem Water
• • •
Archeologie Geluid Luchtkwaliteit
•
Effecten op overige aspecten (dit betreft de thema’s externe veiligheid, bedrijven en milieuzonering en verkeer en parkeren)
3.1
Ecologie
3.1.1
Huidige situatie
Het plangebied is gedeeltelijk gelegen binnen de begrenzing van het Natura 2000-gebied ‘Veluwe’, zie figuur hieronder. Dit gebied is aangewezen als zowel Vogel- als Habitatrichtlijngebied.
Figuur 3.1 Ligging van het plangebied ten opzichte van Natura 2000-gebieden
11/29
R006-1278875EZM-V01-hme-NL
Kenmerk
Voor de herontwikkeling van het plangebied is wetgeving met betrekking tot de bescherming van de natuur van toepassing. Om die reden zijn ecologische onderzoeken 1 uitgevoerd voor toetsing aan de Wet natuurbescherming (Wnb). In de Wnb wordt onderscheid gemaakt tussen het soortenbeschermingsrecht en het gebiedsbeschermingsrecht. Het soortenbeschermingsrecht is geregeld in hoofdstuk 3 van de Wnb en ziet toe op de bescherming van vogel- en diersoorten. Er geldt een ontheffingsstelsel. Wanneer een verbodsbepaling uit artikel 3.1, 3.5 of 3.10 wordt overtreden mag een activiteit niet plaatsvinden, tenzij daarvoor een ontheffing wordt verleend. In dit kader is onderzoek uitgevoerd naar in en rond het plangebied aanwezige grondgebonden zoogdieren, vleermuizen, (broed)vogels, reptielen en vlinders. Het gebiedsbeschermingsrecht is opgenomen in hoofdstuk 2 van de Wnb en ziet toe op de bescherming van Natura 2000-gebieden. In het kader van het gebiedsbeschermingsrecht moet onderzocht worden of een plan of project significante gevolgen kan hebben voor Natura 2000gebieden. In het kader van het gebiedsbeschermingsrecht is een stikstofonderzoek uitgevoerd. Daarin is onderzocht wat de effecten van de gebruiksfase zijn op Natura 2000-gebieden 2. Ook is beoordeeld wat de effecten van de aanleg- en gebruiksfase binnen en buiten de Natura 2000gebieden zijn.
Verder grenst het plangebied aan het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en de Groene Ontwikkelingszone (GO). De GO bestaat uit gebieden met andere bestemmingen dan natuur, maar is ruimtelijk verweven met het GNN en hangt daar functioneel mee samen. Effecten op het GNN kunnen niet worden uitgesloten. Hierdoor is toetsing aan de wet- en regelgeving omtrent het GNN ook nodig. 3.1.2
Effecten op beschermde soorten
Grondgebonden zoogdieren Voor de das, het damhert, het edelhert en het wild zwijn geldt dat negatieve effecten kunnen worden uitgesloten vanwege afwezigheid van verblijfplaatsen en dat geen sprake is van overtreding van een verbodsbepaling uit de Wnb. Vanwege de aanwezigheid van geschikte holtes, toegangen, bomen en begroeiing is de aanwezigheid van steenmarter, boommarter, eekhoorn, bunzing, hermelijn en wezel echter niet uit te sluiten. Uit onderzoek naar deze soorten blijkt dat slechts éénmalig een steenmarter is gezien binnen het plangebied. De eekhoorn, boommarter, bunzing, wezel en hermelijn zijn niet waargenomen. Op basis van de aanwezigheid van nesten en sporen in het plangebied is de aanwezigheid van verblijfplaatsen van deze soorten uitgesloten. Dit geldt ook voor steenmarter. Een eenmalige waarneming duidt op een zwervend exemplaar. De kap van bomen en de voorgenomen herinrichting hebben daarom geen negatief effect op grondgebonden zoogdieren. Er is daarom ook geen sprake van een overtreding van een verbodsbepaling uit de Wnb.
1 2
Deze ecologische onderzoeken zijn opgenomen als bijlage 1. Voortoets en passende beoordeling stationsgebied Nunspeet is opgenomen als bijlage 2.
12/29
Kenmerk
R006-1278875EZM-V01-hme-NL
Vleermuizen In het plangebied zijn mogelijk geschikte verblijfplaatsen voor vleermuizen aangetroffen (onder andere restaurant Joris, het VVV-gebouw en het stationsgebouw). In deze panden zijn openingen in de muur of onder een overkapping geconstateerd. Dit maakt ruimtes op vlieringen en spouwmuren en/of zolders toegankelijk voor vleermuizen. Daarnaast hebben meerdere bomen holtes of zijn de bomen voorzien van een vleermuiskast waardoor deze gebruikt kunnen worden door vleermuizen als verblijfplaatsen. Daarnaast is het plangebied mogelijk geschikt als vliegroute voor vleermuizen. Hoewel klassieke lijnvormige elementen niet aanwezig zijn in het plangebied, kan de aanwezigheid van vliegroutes niet worden uitgesloten. Het plangebied ligt op de grens van bebouwd en onbebouwd gebied, waardoor onder andere vleermuizen welke binnen bebouwde kom een verblijfplaats hebben deels gaan foerageren in de bossen in het zuiden of nog zuidelijker van het plangebied. Ook dient het plangebied als mogelijk foerageergebied. Hoewel bij de plannen vrij beperkt bomen worden gekapt, is niet op voorhand uitgesloten dat de kap van bomen leidt tot een verlies van foerageergebied van vleermuizen en er dus sprake is van een negatief effect. Uit nader onderzoek blijkt echter dat alleen waarnemingen zijn gedaan van ruige dwergvleermuis, gewone dwergvleermuis, laatvlieger en rosse vleermuis.
Alleen van beide dwergvleermuissoorten zijn paarverblijfplaatsen vastgesteld. Er zijn geen indicaties voor zomer-, kraam of (massa)winterverblijfplaatsen van welke soort dan ook. Rosse vleermuis en laatvlieger zijn slechts incidenteel waargenomen zonder indicaties voor een verblijfplaats. Tijdens het veldonderzoek zijn evenmin waarnemingen gedaan die duiden op een vliegroute of (essentieel) foerageergebied. Alleen één verblijfplaats (net achter het station, voor exacte locatie zie onderzoek) wordt door het voornemen aangetast. Dit betreft een gewone dwergvleermuis welke gebruik maakt van een van de in het plangebied aanwezige vleermuiskasten. Bij de andere kasten in het plangebied is geen actief gebruik vastgesteld. Vanwege de verblijfplaats van de gewone dwergvleermuis in het plangebied zijn vervolgstappen noodzakelijk. Een en ander leidt niet tot een belangrijk nadelig gevolg voor het milieu maar het aanvragen van een ontheffing voor het overtreden van de verbodsbepalingen uit de Wnb bij het college van gedeputeerde staten van de provincie Gelderland is wel noodzakelijk. Broedvogels Voor enkele vogelsoorten geldt dat nesten jaarrond beschermd zijn. Voor gebouwbewonende soorten zoals de gierzwaluw, steenuil en kerkuil is de aanwezige bebouwing en directe omgeving ongeschikt.
Daarnaast is door het ontbreken van nesten ook de aanwezigheid van (broedlocaties van) de boomvalk, buizerd, ransuil, roek, sperwer, steenuil, havik en wespendief uitgesloten. Uit onderzoek is gebleken dat de huismus wel is waargenomen bij nestkasten aan de Emté supermarkt en in nesten en boomholtes op het stationsplein. Bij de voorgenomen ontwikkeling zal in elk geval de Emté gesloopt worden. Of alle bomen op het stationsplein verdwijnen is nog niet bekend. Vanwege de grote herinrichting van het gebied is het ook bij het behoud van bomen aannemelijk dat de verblijfplaatsen permanent of tijdelijke minder geschikt of zelfs ongeschikt raken. Zekerheidshalve dient er daarom vanuit gegaan te worden dat er zes verblijfplaatsen binnen het plangebied permanent verdwijnen. Het aanvragen van een ontheffing voor het
13/29
Kenmerk
R006-1278875EZM-V01-hme-NL
overtreden van de verbodsbepalingen uit de Wnb bij het college van gedeputeerde staten van de provincie Gelderland is daarom noodzakelijk. Uit het verrichte onderzoek volgt dat die ontheffing kan worden verleend zodat belangrijke nadelige effecten worden voorkomen. Daarnaast zijn nesten van alle vogels beschermd wanneer ze als broedlocatie in gebruik zijn. Bij het veldbezoek zijn geschikte nestlocaties van broedvogels aangetroffen. De bomen en bosschages, met name ten zuiden van de spoorlijn, bieden geschikt broedhabitat. Tenslotte hangen in het gehele stationsgebied verschillende nestkasten. Vogels kunnen gedurende het gehele jaar tot broeden komen. Het is daarom zaak om hier voorafgaand aan het werk rekening mee te houden. De kans op een broedgeval is het grootst in de periode maart tot en met juli (dit wordt wel gezien als het reguliere broedseizoen). Het advies is om buiten deze periode te werken, met name heiwerkzaamheden en het verwijderen van groenstructuren. Heiwerkzaamheden moeten buiten het broedseizoen plaatsvinden, omdat de geluidsverstoring hiervan ver draagt. Een (periodieke) controle op nesten van broedvogels door een ter zake kundige ecoloog is noodzakelijk voorafgaand aan de werkzaamheden om overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen in de periode februari tot en met augustus.
Indien een broedgeval aanwezig is, dient een verstoringsvrije zone te worden aangehouden, waarbinnen gedurende de periode van broeden niet wordt gewerkt. De breedte van deze zone dient door een ter zake kundige te worden bepaald. Reptielen Op basis van het onderzoek kan de aanwezigheid van hazelworm en levendbarende hagedis niet worden uitgesloten. Tijdens vervolgonderzoek is eenmalig één hazelworm aangetroffen net ten westen van het plangebied. Deze locatie betreft een rustiger en opener en reliëfrijk bostype met meer ondergroei. Deze waarneming laat zien dat er wel hazelworm in de omgeving zit, maar dat het plangebied te versnipperd en ongeschikt is. Bij het voornemen is geen sprake van aantasting van leefgebied, maar het is wel van belang om maatregelen te nemen om te voorkomen dat zwervende exemplaren van de soorten gedood worden bij werkzaamheden. Doordat deze preventieve maatregelen maatwerk zijn dient gedurende de voorbereiding en uitvoering een ecoloog betrokken te worden en een en ander vastgelegd te worden in een ecologisch werkprotocol. Door het treffen van mitigerende maatregelen wordt overtreding van verbodsbepalingen uit de Wnb voorkomen. Vlinders Aan de oostzijde van de parkeerplaats van het Veluwetransferium groeien enkele sleedoorns.
Hoewel het gaat om slechts een paar en betrekkelijk jonge planten is op voorhand niet uit te sluiten dat sleedoornpage gebruik maakt van deze planten. Daarnaast groeit op meerdere plaatsen in het plangebied teunisbloem. Hierdoor bestaat de kans dat teunisbloempijlstaart al gebruikt maakt, of anders in de nabije toekomst gaat voorkomen in het plangebied. Uit nader onderzoek blijkt dat geen rupsen van teunisbloempijlstaart zijn aangetroffen. Er is daarom ook geen sprake van essentieel leefgebied. Negatieve effecten op teunisbloempijlstaart als gevolg van het voornemen zijn er daarom niet. Gelet op de mogelijk snelle vestiging van de
14/29
Kenmerk
R006-1278875EZM-V01-hme-NL
soort wordt geadviseerd om het plangebied tot na de afronding van het voornemen ongeschikt te houden voor teunisbloempijlstaart. Dit kan door jaarlijks in half april alle teunisbloemen (en andere waardplanten) handmatig te verwijderen binnen het plangebied. Uit nader onderzoek naar de sleedoornpage is ook gebleken dat deze niet voorkomt in het gebied. Negatieve effecten op de sleedoornpage als gevolg van het voornemen zijn er daarom niet. Algemene zorgplicht Voor alle plant- en diersoorten (ook de onbeschermde) geldt op grond van de Wet natuurbescherming de zorgplicht. Deze houdt in dat mogelijke nadelige gevolgen voor planten en dieren, voor zover redelijk, zoveel mogelijk vermeden moeten worden. Manieren om aan de zorgplicht te voldoen zijn bijvoorbeeld: • Er wordt gelegenheid gegeven aan amfibieën en grondgebonden zoogdieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. Dit gebeurt door onder andere vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken, steenhopen) gefaseerd te verwijderen •
Vanwege verstoring van aanwezige dieren worden de werkzaamheden zoveel mogelijk overdag uitgevoerd
Conclusie Uit de onderzoeken is gebleken dat het voornemen negatieve effecten heeft voor vleermuizen door het aantasten van één paarverblijfplaats van gewone dwergvleermuis én door de aantasting van zes huismusverblijfplaatsen. Er zijn geen negatieve effecten op, of verblijfplaatsen van hazelworm, levendbarende hagedis, teunisbloempijlstaart en sleedoornpage. Omdat er verblijfplaatsen van huismussen en van gewone dwergvleermuis aanwezig zijn in het plangebied zijn vervolgstappen noodzakelijk. Het aanvragen van een ontheffing voor het overtreden van de verbodsbepalingen uit de Wnb bij het college van gedeputeerde staten van de provincie Gelderland is noodzakelijk. Voor het aspect soortenbescherming worden desalniettemin geen belangrijke nadelige milieugevolgen verwacht, mits wordt voldaan aan de hierboven genoemde eisen. 3.1.3 Beschermde houtopstanden Het onderdeel houtopstanden van de Wnb is alleen van toepassing als het plangebied buiten de bebouwde kom houtopstanden is gelegen. Het spoor vormde ter plaatse van het plangebied de grens van de bebouwde kom houtopstanden in de Gemeente Nunspeet. De gemeenteraad van Nunspeet heeft echter op 28 oktober 2021 een herziene grens vastgesteld voor de bebouwde kom houtopstanden. Op basis van deze nieuwe begrenzing valt het gehele plangebied nu binnen de bebouwde kom.
Om die reden is het onderdeel houtopstanden van de Wet natuurbescherming niet langer van toepassing.
15/29
R006-1278875EZM-V01-hme-NL
Kenmerk
3.1.4
Gebiedsbescherming (inclusief stikstof)
Natura 2000-gebieden Het plangebied ligt zeer nabij en voor een klein deel binnen de begrenzing van Natura 2000gebied Veluwe. Binnen het Natura 2000-gebied worden evenwel geen fysieke ingrepen voorzien. Op grond van de Wnb mag een plan of project dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, alleen doorgang vinden indien uit de passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat de natuurlijke kenmerken van het gebied niet worden aangetast (artikel 2.7 en 2.8 Wnb). Hier is uitgebreid onderzoek naar verricht in de passende beoordeling, uitgevoerd door TAUW (R005-1278875WLI-V03-mwl-NL). In concluderende zin is daarbij het volgende relevant: Voor wat betreft de verstoringsaspecten optische verstoring, geluidverstoring, lichtverstoring, verdroging en trilling geldt dat uit ecologisch onderzoek is gebleken dat significante gevolgen kunnen worden uitgesloten. De activiteiten vinden buiten de begrenzing plaats en door aanwezig biotoop en huidige reeds aanwezige verstoring (onder meer de snelweg/motorcrossterrein/spoorwegen) is het onwaarschijnlijk dat door het plan/project significante gevolgen optreden gelet op de instandhoudingsdoelstellingen. Ten aanzien van het aspect stikstof geldt echter dat significante gevolgen niet op voorhand kunnen worden uitgesloten.
Er is namelijk sprake van een permanente toename van stikstofdepositie op reeds overbelaste habitattypen, ondanks dat in totaliteit het aantal motorvoertuigbewegingen daalt. Dit komt door gewijzigde verkeersintensiteiten. In de passende beoordeling is daarom toepassing gegeven aan externe saldering (= mitigerende maatregel). Uit de passende beoordeling volgt dat na externe saldering met de (gedeeltelijke) bedrijfsbeëindiging van G.P.S. per saldo geen sprake (meer) is van een stikstoftoename, maar van een relatief forse afname op de relevante kwalificerende habitats in het Natura 2000-gebied Veluwe. Verzekerd is dan ook dat de natuurlijke kenmerken van Veluwe niet worden aangetast. GNN en GO Uit de Voortoets en passende beoordeling voor het stationsgebied Nunspeet zoals opgesteld door TAUW blijkt dat de kernkwaliteiten van het Gelders Natuurnetwerk en de Groene Ontwikkelingszone niet worden aangetast. Effecten op het GNN zijn uit te sluiten omdat er geen ontwikkelingen zijn binnen het GNN. Wel is door het rooien van groenstructuren ten behoeve van de aanleg van de zuidelijke entree naar het station sprake van aantasting van de GO. Eventueel verlies van bomen en bosschages wordt binnen het plan opnieuw gerealiseerd waardoor er netto geen verlies is van de kernkwaliteit. De ruimte hiertoe is binnen het plangebied ruimschoots aanwezig.
Er is netto geen sprake van aantasting van de kernkwaliteiten van de Groene Ontwikkelingszone. Overige kernkwaliteiten zijn in het plangebied niet aanwezig waardoor deze ook niet worden beïnvloed als gevolg van het beoogd voornemen. Conclusie Voor het aspect gebiedsbescherming worden geen belangrijke nadelige milieugevolgen verwacht. De volgende mitigerende maatregel is in dit oordeel betrokken: in overeenstemming met de passende beoordeling zal de milieutoestemming van G.P.S. gedeeltelijk worden ingetrokken,
16/29
Kenmerk
R006-1278875EZM-V01-hme-NL
voordat negatieve effecten van stikstof door de activiteiten waar het bestemmingsplan in voorziet kunnen ontstaan. Dit zal ook worden geborgd in de benodigde natuurvergunning.
3.2
Bodem
3.2.1 Huidige situatie Het plangebied bevindt zich in het centrum van de gemeente Nunspeet. Voor het thema bodem is het plangebied opgedeeld in zes onderzoeksgebieden (A tot en met F). Deze zijn op onderstaande afbeelding weergegeven.
Figuur 3.2 Plangebied en onderzoeksgebieden (bron: Milieuhygiënisch bodem- en verhardingsonderzoek stationsgebied Nunspeet, 2020)
Met uitzondering van deelgebied F geldt voor alle onderzoeksgebieden dat er binnen de grens van het onderzoeksgebied geen bodemverontreinigingen en/of puntbronnen aanwezig zijn. Voor onderzoeksgebied A geldt dat buiten de grens aan de westzijde van onderzoeksgebied in het verleden een grond- en grondwater minerale olieverontreiniging is aangetoond. Voor onderzoeksgebied B en C geldt dat aan de noordzijde, buiten de grens van het onderzoeksgebied, een tankstation aanwezig is 3. 3
Milieuhygiënisch bodem- en verhardingsonderzoek stationsgebied Nunspeet, RHDHV (2020); opgenomen als bijlage 3.
17/29
R006-1278875EZM-V01-hme-NL
Kenmerk
3.2.2
Effecten
Voor de beoogde ontwikkeling heeft een milieuhygiënisch bodemonderzoek3 plaatsgevonden. Hieronder worden per onderzoeksgebied de resultaten weergegeven. Tabel 3.1 Puntsgewijze samenvatting van onderzoeksgebied A t/m F (bron: RHDHV, 2020) Onderzoeks
Conclusies
gebied • De verharding bestaat uit asfalt en is niet teerhoudend en herbruikbaar. • De grond is geschikt voor aanvulling en ophoging en als zand voor zandbed. • Bij twee meetpunten is in de bovengrond PAK boven de interventiewaarde gemeten. De omvang van de verontreiniging is kleiner dan 25 m3 derhalve betreft het geen geval van ernstige bodemverontreiniging maar plaatselijke spots. A
• Voor het restende deel van het onderzoeksgebied is grondverzet mogelijk onder de voorwaarden van het Bbk met de bodemkwaliteitskaarten als milieuhygiënische verklaring. • De grond met interventiewaarde overschrijdingen mag niet worden hergebruikt. • PFAS is voor hergebruik onder het Bbk geen belemmering. • Er is zowel visueel als analytisch geen asbest en/of asbestverdacht materiaal in de grond aangetoond. • In het grondwater is de interventiewaarde niet overschreden. • De verharding bestaat uit asfalt en is niet teerhoudend en herbruikbaar. • De grond is geschikt voor aanvulling en ophoging en als zand voor zandbed. • Er zijn geen interventiewaarde overschrijdingen aangetoond. Er is geen sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging.
B
• Grondverzet is mogelijk onder de voorwaarden van het Bbk met de bodemkwaliteitskaarten als milieuhygiënische verklaring. • PFAS is voor hergebruik onder het Bbk geen belemmering. • Er is zowel visueel als analytisch geen asbest en/of asbestverdacht materiaal in de grond aangetoond. • In het grondwater is de interventiewaarde niet overschreden. • De verharding bestaat uit asfalt en is grotendeels niet teerhoudend en herbruikbaar. Een aantal lagen is wel teerhoudend en niet herbruikbaar. • De grond is over het algemeen geschikt voor aanvulling en ophoging, als zand voor zandbed en als draineerzand. Eén laag is zeer slecht doorlaatbaar en voldoet niet voor aanvulling, zandbed en/of draineerzand.
C
• Er zijn geen interventiewaarde overschrijdingen aangetoond. Er is geen sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging. • Grondverzet is mogelijk onder de voorwaarden van het Bbk met de bodemkwaliteitskaarten als milieuhygiënische verklaring. PFAS is voor hergebruik onder het Bbk geen belemmering. • Er is zowel visueel als analytisch geen asbest en/of asbestverdacht materiaal in de grond aangetoond. • In het grondwater is de interventiewaarde niet overschreden. • De verharding bestaat uit asfalt en is niet teerhoudend en herbruikbaar. • De grond is over het algemeen geschikt voor aanvulling en ophoging, als zand voor zandbed en als draineerzand. Één laag is zeer slecht doorlaatbaar en voldoet niet voor aanvulling, zandbed en/of draineerzand.
18/29
Kenmerk
Onderzoeks
R006-1278875EZM-V01-hme-NL
Conclusies
gebied D
• Er zijn geen interventiewaarde overschrijdingen aangetoond. Er is geen sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging. • Grondverzet is mogelijk onder de voorwaarden van het Bbk met de bodemkwaliteitskaarten als milieuhygiënische verklaring. PFAS is voor hergebruik onder het Bbk geen belemmering. • Er is zowel visueel als analytisch geen asbest en/of asbestverdacht materiaal in de grond aangetoond. • In het grondwater is de interventiewaarde niet overschreden. • De verharding bestaat uit asfalt en is niet teerhoudend en herbruikbaar. • De grond is geschikt voor aanvulling en ophoging, als zand voor zandbed en als draineerzand. • Op twee meetpunten van de bovengrond ter plaatse van boring E10 en E11 overschrijdt nikkel de interventiewaarde. De omvang van de verontreiniging is kleiner dan 25 m3 derhalve betreft het geen geval van ernstige bodemverontreiniging maar plaatselijke spots.
E
• Voor het resterende deel van het onderzoeksgebied is grondverzet mogelijk onder de voorwaarden van het Bbk met de bodemkwaliteitskaarten als milieuhygiënische verklaring. • De grond met interventiewaarde overschrijdingen mag niet worden hergebruikt. • PFAS is voor hergebruik onder het Bbk geen belemmering. • Er is zowel visueel als analytisch geen asbest en/of asbestverdacht materiaal in de grond aangetoond. • In het grondwater is de interventiewaarde niet overschreden. • De grond is over het algemeen geschikt voor aanvulling en ophoging, als zand voor zandbed en als draineerzand. De laag van 7,4 tot en met 10,5 m-mv ter plaatse van boringen F-MB01 en F-MB02 is zeer slecht doorlaatbaar en voldoet niet voor aanvulling, zandbed en/of draineerzand. • Plaatselijk zijn interventiewaarde overschrijdingen met diverse zware metalen vastgesteld. Een deel van de verontreinigingen betreffen onafhankelijke spots met verontreiniging maar mogelijk is ook sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging en dient indien gewenst nader onderzocht te worden.
F
• Op het grootste deel van de locaties is grondverzet mogelijk onder de voorwaarden van het Bbk met de bodemkwaliteitskaarten als milieuhygiënische verklaring. • De grond met interventiewaarde overschrijdingen mag niet worden hergebruikt. • PFAS is voor hergebruik onder het Bbk geen belemmering. • Er is sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging met asbest. Het traject van de toekomstige snelverkeertunnel kruist de contouren van de aanwezige ernstig verontreinigde grond. Voorafgaand aan de graafwerkzaamheden moet deze verontreiniging worden gesaneerd. • In het grondwater is de interventiewaarde niet overschreden.
Met uitzondering van onderzoeksgebied F zijn er geen gevallen van ernstige bodemverontreiniging vastgesteld. De verontreinigingen in onderzoeksgebied F zullen worden gesaneerd. Dit heeft een gunstig effect op de kwaliteit van de bodem ter plaatse. Conclusie Voor het aspect bodem worden geen belangrijke nadelige milieugevolgen verwacht, mits wordt voldaan aan de hierboven genoemde eisen en voorwaarden.
19/29
R006-1278875EZM-V01-hme-NL
Kenmerk
3.3
Water
3.3.1 Huidige situatie In de omgeving van het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. Het dichtstbijzijnde grote oppervlaktewater is het Veluwemeer en bevindt zich op een afstand van circa 4,2 kilometer ten noordwesten van het plangebied. De normale waterstand in het Veluwemeer schommelt tussen de +0,10 tot -0,35 m NAP. De grondwaterstanden zijn inzichtelijk gemaakt op basis van de gemiddelden van de drie uiterste (hoogste of laagste) waarden per jaar. De GHG bedraagt +5,40 m NAP. De maximale grondwaterstand is +5,66 m NAP. De GLG bedraagt +5,10 m NAP. De fluctuatie van de grondwaterstanden beperkt zich overwegend tot 0,5 m tussen de GLG en de GHG 4. 3.3.2 Effecten (Geo)hydrologie Uit het onderzoek4 blijkt dat er twee varianten mogelijk zijn om de voorgenomen ontwikkeling te realiseren. De eerste variant is de aanleg van de onderdoorgangen met behulp van een gesloten bouwkuip en onderwaterbeton. In dat geval is geen bemaling nodig. De tweede variant is de aanleg van de toeritten zonder onderwaterbeton zodat bemaling nodig is om deze veilig en droog aan te leggen. Bij een realisatie zonder bemaling zijn geen effecten op de omgeving te verwachten. De onderwaterbeton vloer en damwanden zijn nagenoeg waterdicht, zodat geen verlagingen met bijkomende effecten optreden.
Mogelijk is een kleine dompelpomp wel nodig om overtollige neerslag en een zeer beperkt lekdebiet (maximaal 5 m3/dag) uit de damwand te compenseren. Bij een realisatie met bemaling bedraagt de verlaging nabij de bouwput 0,75 m. Uit de berekening blijkt dat de straal van het beïnvloedingsgebied van de bemaling circa 1 kilometer bedraagt (bij 26 weken bemaling). Nader onderzoek (in de passende beoordeling) heeft aangetoond dat een dergelijke bemaling geen effect heeft op de Natura2000 instandhoudingsdoelstellingen. Binnen het beïnvloedingsgebied van de grondwateronttrekking zijn mobiele grondwaterverontreinigingen aanwezig. De afstand van de bemaling tot de verontreiniging bedraagt circa 150 meter. Met het berekende debiet zal de verplaatsing van de verontreiniging circa 20–50 meter richting de bemaling zijn. Vanuit de Wet bodembescherming is het niet toegestaan verontreinigingen te verplaatsen. Om de verplaatsing tegen te gaan moeten dus mitigerende maatregelen worden genomen, zoals retour- of interceptiebemaling. Tijdens de gebruiksfase worden geen negatieve geohydrologische effecten op de omgeving verwacht. Van belangrijke nadelige milieugevolgen is daarom geen sprake.
4
Geohydrologisch advies stationsgebied Nunspeet, TAUW (2021); opgenomen als bijlage 4.
20/29
R006-1278875EZM-V01-hme-NL
Kenmerk
Toename verhard oppervlak In de toekomstige situatie blijft het verhard oppervlak per saldo ongeveer gelijk. Wel geldt als uitgangspunt dat de afvoer van de tunnels naar wadi’s afgevoerd zal worden. De wadi’s dienen gedimensioneerd te worden op T=100 van 24 uur (86 mm in 24 uur). Naast deze eis van 86 mm berging heeft de gemeente de eis gesteld dat 60 mm geborgen moet worden in het plan. Daarom zijn de wadi’s zo gedimensioneerd dat aan beide eisen wordt voldaan. In totaal wordt 466 m3 aan wadi’s opgenomen in het ontwerp om neerslag op te vangen. Daarnaast wordt aan de noordzijde van het spoor een berging met een capaciteit van 2.000 m3 gerealiseerd. Zolang de aanwezige bodemverontreiniging nog niet is gesaneerd dient de afstand tussen de verontreiniging en de infiltratievoorziening te allen tijde minstens 15 m te bedragen. Naast de infiltratievoorzieningen wordt een deel van het plangebied groen ingericht, hier wordt ook neerslag opgevangen. Conclusie Gelet op het bovenstaande worden geen belangrijke nadelige milieugevolgen verwacht voor het aspect water, mits wordt voldaan aan bovengenoemde eisen en voorwaarden.
3.4
Archeologie
3.4.1
Huidige situatie
Op de archeologische monumentenkaart is vrijwel het gehele plangebied aangemerkt als een gebied met een lage archeologische waarde (zie onderstaand figuur). In en rond het plangebied zijn geen archeologische waarnemingen bekend 5. De kans op de aanwezigheid van relevante archeologische resten wordt daarom minimaal geacht. Door de eerder uitgevoerde werkzaamheden en sanering zijn eventuele archeologische resten naar verwachting reeds verstoord.
5
Quickscan archeologie ten behoeve van planvorming en uitvoering reconstructie stationsomgeving, M.H. Wispelwey (2020); opgenomen als bijlage 5
21/29
R006-1278875EZM-V01-hme-NL
Kenmerk
Figuur 3.3 Archeologische verwachtingskaart gemeente Nunspeet (bron: Quickscan archeologie ten behoeve van planvorming en uitvoering reconstructie stationsomgeving, 2020)
3.4.2 Effecten Aangezien de locatie geen tot weinig onverstoorde archeologische resten heeft wordt nader archeologisch onderzoek niet noodzakelijk geacht. De bodem in het plangebied is door de aanleg van de huidig aanwezige panden en infrastructurele ontwikkelingen al geroerd. Eventueel aanwezige archeologische waarden zijn destijds al verstoord. De ontwikkeling van het stationsgebied leidt niet tot aantasting van archeologische waarden5. Op het moment dat toch archeologische waarden worden aangetroffen, dient de gemeentelijke archeoloog ingeschakeld te worden om de waarden veilig te stellen door middel van opgraven of bouwbegeleidend documenteren (‘behoud ex situ’). Er worden geen belangrijk nadelige milieugevolgen verwacht voor het aspect archeologie.
3.5
Geluid
In het DGMR-rapport Onderzoek wegverkeersgeluid voor herinrichting stationsgebied Nunspeet (M.2020.0949.01.R001. d.d. 18 januari 2022; opgenomen als bijlage 6) is het effect van het plan op het wegverkeerslawaai berekend en getoetst aan het gemeentelijk Geluidsbeleid 2012. Hierbij is gekeken naar de Industrieweg, F.A. Molijnlaan, Elspeterweg en de Nijverheidsweg. 3.5.1
Opzet van het onderzoek
Omdat zowel de snelheid als de ligging van meerdere wegen verandert, is sprake van een fysieke wijziging van deze wegen. In dit geval is een onderzoek naar de gevolgen voor de geluidbelasting
22/29
Kenmerk
R006-1278875EZM-V01-hme-NL
op de omliggende woningen noodzakelijk. Ook verandert de Industrieweg samen met een deel van de Kienschulpenweg van een niet-gezoneerde weg (met een maximumsnelheid van 30 km/uur) naar een gezoneerde weg (met een maximumsnelheid van 50 km per uur). Daarmee is er verkeerskundig sprake van een reconstructie situatie. In het akoestisch onderzoek zijn de effecten op de gevelbelasting gepresenteerd in het kader van dit “reconstructie”-onderzoek. Binnen het plangebied is getoetst bij de geluidgevoelige bestemmingen. Hierbij is gekeken naar de planologisch toegestane functie van de bestemmingen. Dit is niet persé de huidige functie van de bestemming. Voor veel bestemmingen is het namelijk mogelijk om zonder omgevingsvergunning de huidige functie van kantoor of winkel te veranderen naar woningen. Ook kunnen er bedrijfswoningen of woningen op hogere bouwlagen gerealiseerd worden boven bestaande bedrijven en horeca. Het akoestisch onderzoek wegverkeer is uitgevoerd volgens de standaard rekenmethode 2 van bijlage III van het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012 (RMG2012). De berekeningen zijn uitgevoerd met het computerprogramma GeoMilieu (versie 2020.2), module RMW-2012. 3.5.2 Huidige situatie Voor de ligging van de wegen in de huidige situatie wordt verwezen naar figuur 3.5. Voor een aantal locaties is in het verleden al een hogere waarde afgegeven die in de toetsing zijn meegenomen.
In de huidige situatie wordt de hoogste geluidsbelasting (Lden) berekend op Industrieweg 15, te weten 53 dB. 3.5.3 Effecten In de onderstaande figuur 3.4 is de toename van gevelbelasting weergegeven als gevolg van de Industrieweg. Op een aantal plaatsen wordt een toename berekend van 6 dB 6. Een dergelijke toename van de geluidsbelasting kan, zonder maatregelen, worden aangemerkt als een belangrijk nadelig gevolg van de voorgenomen activiteit.
Figuur 3.4 Toename in geluidbelasting ten opzichte van de huidige situatie als gevolg van de Industrieweg
6
Aangetoond is in het akoestisch onderzoek dat de gevelbelasting beneden de maximale ontheffingswaarde blijft. De hogere waarde besluiten zijn in voorbereiding.
23/29
Kenmerk
R006-1278875EZM-V01-hme-NL
Echter, gebruik makend van de set toetsingscriteria uit bijlage III van de Europese m.e.r.-richtlijn (zoals vastgelegd in Wm art 7.16 lid 4) is gezocht naar maatregelen om waarschijnlijke belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu te vermijden of te voorkomen. Als maatregel aan de bron zal stil asfalt, van het type SMA-NL8G+, worden aangebracht op de Industrieweg tot de kruising met de Energieweg. Na het toepassen van die maatregel is gebleken dat er nog voor 99 woningen een hogere waarde aangevraagd zal moeten worden. Hierbij kan niet bij alle woningen automatisch voldaan worden aan alle aanvullende eisen uit het gemeentelijk beleid. Voor deze woningen worden aanvullende overdrachtsmaatregelen genomen om te kunnen voldoen aan de eisen voor de binnenwaarde van 33 dB uit het Bouwbesluit. Hiervoor zijn gevelweringen tot en met 30 dB noodzakelijk. Deze zullen worden aangebracht. De gemeente houdt rekening met het onderzoek en uitvoering naar deze maatregelen in het budget voor de herontwikkeling van het Stationsgebied. Voor de situaties waar de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden is verder relevant dat de maximale ontheffingswaarde niet wordt overschreden. De situatie wordt als ruimtelijk aanvaardbaar beoordeeld. Op de overige wegen in en rondom het plangebied (met name richting het centrum van Nunspeet) zal na uitvoering van het plan overigens minder verkeer gaan rijden.
Langs de wegen richting en in het centrum treedt er geen verslechtering op (maar juist een verbetering). Conclusie Uit de resultaten volgt dat, door het nemen van vergaande geluidsisolerende maatregelen op de gevel, in alle woningen die het betreft voldaan wordt aan de binnenwaarde uit het Bouwbesluit. Door het nemen van deze set maatregelen kan een gezond leefklimaat in deze woningen worden gerealiseerd. Verder wordt nergens de maximale grenswaarde overschreden en is de geluidssituatie voor de woningen, ondanks de verslechtering, ruimtelijk aanvaardbaar. Het aspect geluid/wegverkeerslawaai veroorzaakt daarom geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu en is dan ook geen reden tot het doorlopen van een m.e.r.-procedure.
3.6
Luchtkwaliteit
In het DGMR-rapport Onderzoek luchtkwaliteit voor herinrichting stationsgebied Nunspeet (M.2020.0949.02.R001 d.d. 10 januari 2022; opgenomen als bijlage 7) is het effect van het plan op de luchtverontreiniging getoetst aan de grenswaarden uit de Wet luchtkwaliteit (i.c. art 5.2 Wm). 3.6.1 Huidige situatie In figuur 3.5 is de ligging van de wegen in de huidige situatie weergegeven. De gemeente Nunspeet is van plan om het stationsgebied opnieuw in te richten. Dit moet zorgen voor een betere afwikkeling van het verkeer van en naar Nunspeet. De huidige bovengrondse bewaakte spoorovergang zal hierbij vervangen worden door een spoortunnel. Ook wijzigt de ligging en de maximumsnelheid van meerdere wegen in het plangebied.
24/29
Kenmerk
R006-1278875EZM-V01-hme-NL
Figuur 3.5 Ligging van de wegen in de huidige situatie (groen) en in de plan situatie (rood)
Wat betreft de luchtverontreiniging in de huidige situatie geldt dat geen van de grenswaardes uit de Wet luchtkwaliteit in het geding zijn. 3.6.2
Effecten
Door de herinrichting zal er sprake zijn van een wijziging van de verkeersintensiteiten op de omliggende wegen. Rondom de planwegen en de omliggende wegen zijn daarom de gevolgen op de luchtkwaliteit berekend, gebruikmakend van computerprogramma Geomilieu V2021.1. De berekende concentraties luchtverontreinigende stoffen zijn getoetst aan de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Uit de resultaten volgt dat op alle toetspunten wordt voldaan aan de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Ook is er geen sprake van een dreigende overschrijding van de grenswaarden. Het aspect luchtkwaliteit veroorzaakt daarom geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu.
3.7
Effecten op overige milieuaspecten
In voorliggende notitie zijn de belangrijkste milieuthema’s behandeld. Hieronder wordt toegelicht of er nog effecten zijn op overige milieuthema’s (trillingen, externe veiligheid, bedrijven en milieuzonering, verkeer en parkeren en gezondheid). 3.7.1 Trillingen Er is door DGMR onderzoek gedaan naar de gevolgen van de herinrichting van het stationsgebied in Nunspeet op trillingen naar de omgeving (M.2020.0949.03.R001; opgenomen als bijlage 8). In de aanlegfase is het inbrengen van stalen damwanden langs het te ontgraven wegdeel de werkzaamheid met verwacht hoogste trillingsopwekking. De prognoseberekeningen geven aan dat het intrillen van damwanden geen verhoogd schaderisico geeft voor omringende panden,
25/29
Kenmerk
R006-1278875EZM-V01-hme-NL
maar dat in het pand Elspeterweg 4 mogelijk enige trillingshinder gedurende een beperkte periode (een dag) kan optreden. Door de wijzigingen in wegligging en verplaatsing van het verkeersplateau weg van de woningen nemen uiteindelijk de trillingssterkte in nagenoeg alle woningen rondom het Stationsplein significant af. Het is niet de verwachting dat de streefwaarden uit de richtlijn SBR-B worden overschreden. Ook zwaar vrachtverkeer tijdens de nachtperiode voldoet aan de dan geldende streefwaarde. De herinrichting van het Stationsplein heeft dus een positieve invloed op trillingen door wegverkeer. Belangrijke nadelige milieugevolgen door trillingen worden niet verwacht. 3.7.2
Externe veiligheid
Het plangebied ligt in het invloedgebied van een transportroute gevaarlijke stoffen over het spoor. Indien zich een incident voordoet tijdens het transport van gevaarlijke stoffen brengt dit risico’s met zich mee voor personen in de directe omgeving van de transportroute. Dit risico wordt bepaald aan de hand van het groepsrisico en het plaatsgebonden risico. Voor de spoorlijn is de zogenoemde faalfrequentie bepaald. Deze is afhankelijk van de snelheid van het transport en de aanwezigheid van wissels. De aanwezigheid van een spoorwegovergang heeft geen invloed op de faalfrequentie. Vanuit het thema externe veiligheid bezien treedt in de toekomstige situatie geen verandering op ten opzichte van de huidige situatie. De eigenschappen die de faalfrequentie bepalen veranderen niet door de voorgenomen ontwikkeling. De sporen blijven op dezelfde locatie liggen en de hoeveelheid te vervoeren gevaarlijke stoffen verandert niet. Het plaatsgebonden risico en de hoogte van het groepsrisico veranderen ook niet 7. Naast de spoorlijn bevinden zich geen andere voor externe veiligheid relevante inrichtingen in het plangebied. Belangrijke nadelige milieugevolgen voor externe veiligheid worden niet verwacht. 3.7.3 Bedrijven en milieuzonering De omgeving van het plangebied kan worden aangemerkt als een gemengd gebied.
In de directe omgeving van het plangebied zijn enkel bedrijven met een kleine milieucategorie gelegen, zoals diverse horecagelegenheden, supermarkten, tuincentra en hotels. De afstand tussen het plangebied en bedrijven in de omgeving is ruim voldoende (meer dan 10 meter). Hierdoor kan een goed woon- en leefklimaat worden gegarandeerd. Belangrijke nadelige milieugevolgen voor bedrijven en milieuzonering worden niet verwacht. 3.7.4 Verkeer en parkeren De bestaande gelijkvloerse spoorwegovergang Elspeterweg nabij het Station te Nunspeet staat geregistreerd in de top van de gevaarlijkste overwegen in Nederland. Er zijn bijna elk jaar
7
Externe veiligheid ten behoeve van onderdoorgangen Nunspeet, RHDHV (2019)
26/29
Kenmerk
R006-1278875EZM-V01-hme-NL
incidenten (in 2012 ook met dodelijke afloop). Dit komt door de slechte doorstroming en zware verkeersdruk ter plaatse rondom deze gelijkvloerse overweg in het plangebied. Dit is een van de hoofdredenen voor de beoogde nieuwe (her)inrichting van het stationsgebied. Voorzien wordt in een onderdoorgang voor gemotoriseerd verkeer en een aparte onderdoorgang voor langzaam verkeer. Het plan voorziet verder in een toereikende aansluiting op de bestaande wegenstructuur en een toegang naar het perron. Daarbij wordt in de uitwerking ook veel aandacht besteed aan het verbeteren van de verblijfs- en ruimtelijke kwaliteit van de Stationsomgeving voor onder meer het langzaam verkeer. Door de voorgenomen infrastructurele aanpassingen (met name de spoorwegonderdoorgang voor snelverkeer) verbetert de verkeersdoorstroming. Dat leidt tot een situatie waarin het doorgaande verkeer door het centrum afneemt en het verkeer zich gelijkelijk verdeelt over de Nijverheidsweg en over de F.A. Molijnlaan, waarbij de verkeersveiligheid niet alleen rond het spoor maar ook in het centrum aanzienlijk verbeterd. Uit het verkeersmodel 8 blijkt dat in de toekomstige situatie geen wachtrijvorming optreedt in de ochtendspits. Ook in de avondspits treden geen afwikkelingsproblemen op. Gedurende de avondspits is het wel drukker dan in de ochtendspits.
Op piekmomenten ontstaan korte wachtrijen voor de rotonde (Nijverheidsweg–Industrieweg– Verlegde Elspeterweg) en voor het kruispunt Nijverheidsweg–Stationslaan, maar deze lossen snel op. De verliestijd bedraagt nooit meer dan 60 seconden. Ook is gekeken naar het gebruik van het Veluwetransferium in de toekomstige situatie. Door de herontwikkeling van het gebied verandert de functie van het transferium. Zo kunnen treinreizigers in de toekomst ook parkeren op het transferium en door nieuwe functies wordt het transferium intensiever gebruikt. Een reëel aantal parkeerplaatsen voor het Veluwetransferium dat meestal voldoet is 215, oftewel een toename van circa 35 parkeerplaatsen ten opzichte van de huidige situatie. Om inefficiënte investeringen te voorkomen wordt aangeraden het transferium eerst uit te breiden met 20 parkeerplaatsen. Het aantal parkeerplaatsen in de stationsomgeving is afhankelijk van mogelijkheden om te parkeren in de nabijheid van het plangebied). Door parkeerplaatsen slim te combineren wordt de ruimtelijke en verblijfskwaliteit van het stationsgebied verbeterd 9. Belangrijke nadelige milieugevolgen voor verkeer en parkeren worden niet verwacht. Ten opzichte van de huidige situatie treedt een aanzienlijke verbetering op. 3.7.5
Gezondheid
Van de hierboven beschreven aspecten hebben geluid, luchtverontreiniging, verkeer, bodem en water mogelijk ook (in)direct gevolgen voor de gezondheid van de gebruikers en de bewoners van het plangebied. In algemene zin geldt ook dat de afstand tussen het plangebied en de bedrijven in de omgeving ruim voldoende (want meer dan 10 meter) is. Mede hierdoor kan een goed woon- en leefklimaat worden gegarandeerd.
8 9
Modelstudie stationsomgeving Nunspeet, Goudappel Coffeng (2020) Parkeren Veluwetransferium Nunspeet, RHDHV (2019)
27/29
Kenmerk
R006-1278875EZM-V01-hme-NL
Geluid Blootstelling aan veel geluid kan hinder veroorzaken en dit kan ook negatieve gevolgen hebben op de gezondheid. Dergelijke nadelige gevolgen op de gezondheid treden vooral op als er binnen de woon- en verblijfsruimtes sprake is van een (te) hoge geluidsbelasting. Zoals in paragraaf 3.5 is beschreven is er buiten, op de gevel, in een aantal gevallen sprake van een toename van de geluidsbelasting tot 6 dB. Echter, de gevelwerende maatregelen die in voorbereiding zijn zullen er voor zorgen dat het binnenklimaat in deze huizen gezond zal zijn. Deze maatregelen voorkomen ongewenste effecten op de gezondheid van de bewoners en gebruikers. Luchtverontreiniging en verkeer Ook bij relatief lage concentraties kan verontreinigde lucht gevolgen hebben op de gezondheid. In het onderhavige plan is het verkeer de belangrijkste bron van luchtverontreiniging. De voorgenomen herinrichting zal de verkeersdoorstroming verbeteren. Dat leidt tot een situatie waarin het doorgaande verkeer door het centrum afneemt en het verkeer zich gelijkelijk verdeelt over de Nijverheidsweg en over de F.A. Molijnlaan. Met name door de verbeterde doorstroming zal er sprake zijn van minder luchtverontreiniging in het plangebied. Dit betekent dat er sprake is van een positief effect op de gezondheid.