AP 9. Bijlagen bij de toelichting Bijlage 10 m.e.r.-beoordeling stationsgebied Nunspeet
Tekst van het document
--
>
>
H3130 – Zwakgebufferde vennen
-
=
=
H3160 – Zure vennen
-
=
>
H3260A – Beken en rivieren met waterplanten
-
>
>
--
>
>
H4030 – Droge heiden
--
>
>
H5130 – Jeneverbesstruwelen
-
=
>
H6230 – *Heischrale graslanden
--
>
>
H6410 – Blauwgraslanden
--
>
>
H7110B - *Actieve hoogvenen (heideveentjes)
--
>
>
H7140A – Overgangs- en trilvenen (trilvenen)
--
=
=
H7150 – Pioniervegetaties met snavelbiezen
-
>
>
H7230 – Kalkmoerassen
--
=
=
H9120 – Beuken-eikenbossen met hulst
-
>
>
H9190 – Oude eikenbossen
-
>
>
H91D0 – *Hoogveenbossen
-
=
=
H91E0C – *Vochtige alluviale bossen
-
=
>
(waterranonkels) H4010A – Vochtige heiden (hogere
(beekbegeleidende bossen)
Concept
zandgronden)
12/34
Kenmerk
R001-1265284WLI-V04-sec
Tabel 3.3 Kwalificerende habitatsoorten Natura 2000-gebied Veluwe Habitatsoorten
Landelijke staat
Doelstelling
Doelstelling
Doelstelling
van
omvang
kwaliteit
populatie
instandhouding
leefgebied
leefgebied
H1042 – Gevlekte witsnuitlibel
--
>
>
>
H1083 – Vliegend hert
-
>
>
>
H1096 – Beekprik
--
>
>
>
H1163 – Rivierdonderpad
-
>
=
>
H1166 – Kamsalamander
-
=
=
=
H1318 – Meervleermuis
-
=
=
=
H1831 – Drijvende waterweegbree
-
=
=
=
3.1.2 Afkadering effecten Met betrekking tot de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebied Veluwe is het van belang te toetsen in hoeverre er negatieve effecten op de aangewezen soorten en habitattypen aan de orde zijn als gevolg van de ontwikkelingen bij stationsgebied Nunspeet. Op basis van de beoogde situatie ten opzichte van de huidige situatie kan een effect optreden in vorm van: • • •
Optische verstoring Geluidsverstoring Lichtverstoring
• • •
Verdroging Trilling Vermesting en verzuring als gevolg van stikstofdepositie (PM)
Oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging, kunnen op voorhand uitgesloten worden omdat de beoogde ontwikkelingen buiten de Natura 2000-begrenzing zijn gelegen en niet leiden tot verontreiniging. De meeste activiteiten zijn beoogd voor het deel van het plangebied ten noorden van de spoorlijn. Voor deze activiteiten functioneert de spoorlijn als een barrière tussen het Natura 2000-gebied Veluwe, het NNN en de GO. 3.1.3 Optische verstoring Menselijke aanwezigheid kan verstorend werken voor vogelsoorten en habitatsoorten. Optische verstoring leidt vooral tot vluchtgedrag van dieren. De soort reageert bijvoorbeeld op beweging omdat een potentiële vijand wordt verwacht. De daadwerkelijke effecten zijn zeer soort specifiek en hangen af van de schuwheid van de soort en de mate waarin gewenning optreedt aan de verstoringsbron. Bovendien kunnen de effecten afhankelijk zijn van de periode van de
Optische verstoring is uitsluitend van toepassing op vogelrichtlijnsoorten en habitatrichtlijnsoorten. De ontwikkelingen nabij stationsgebied Nunspeet kunnen mogelijk leiden tot een toename aan gebruikers van de N310.
Concept
levenscyclus van de soort: in de broedtijd zijn soorten over het algemeen schuwer en dus gevoeliger voor optische verstoring (Synbiosys, 2018).
13/34
Kenmerk
R001-1265284WLI-V04-sec
Hierdoor neemt de optische verstoring ook toe. In de huidige situatie is er al sprake van een grote mate van optische verstoring door de N310 en de spoorlijn. De toename van gebruikers op de N310 zal zodoende geen nieuwe verstoring veroorzaken. Het betreft enkel een intensivering van de verstoring wat niet zal leiden tot een toename van het vluchtgedrag van soorten aangezien de directe omgeving al verstoord is. Om die reden is een effect op de waarden van Natura 2000gebied Veluwe uit te sluiten. 3.1.4 Geluidverstoring Verstoring door geluid wordt veroorzaakt door onnatuurlijke geluidsbronnen. Dit kan een permanente geluidsbelasting zijn zoals wegverkeer of tijdelijk zoals bij evenementen. Geluid is een hoorbare trilling, gekenmerkt door geluidsdruk en frequentie. Geluid treedt vaak op in combinatie met optische verstoring. Geluid kan echter ver dragen waardoor ook verder van de bron een verstorend effect kan optreden op aanwezige soorten. De verstoring door geluid wordt beïnvloed door het achtergrondgeluid en de duur, frequentie en sterkte van de geluidsbron zelf. Geluidsbelasting kan leiden tot stress en/of vluchtgedrag van individuen. Dit kan vervolgens weer leiden tot het verlaten van het leefgebied of bijvoorbeeld een afname van het reproductieproces. In bepaalde gevallen kan ook gewenning optreden, in het bijzonder bij continu geluid.
Voor zeezoogdieren en vogels is in bepaalde gevallen deze dosiseffect relatie goed gekwantificeerd (Synbiosys, 2018). Geluidverstoring is uitsluitend van toepassing op Vogelrichtlijnsoorten en Habitatrichtlijnsoorten. Momenteel is er al sprake van een zekere mate van geluidsverstoring op het Natura 2000-gebied Veluwe door de aanwezigheid van de spoorlijnen en de N310, wat de primaire verbinding is van de A28 naar Nunspeet. Tijdens de werkzaamheden is tijdelijke toename van geluidsverstoring te verwachten door heiwerkzaamheden, menselijke aanwezigheid en de inzet van mobiele werktuigen. Met name heien kan in het broedseizoen effecten hebben op vogels met een instandhoudingsdoelstelling, omdat het maximum geluidsniveau hoog is en ver draagt. Wanneer hei-werkzaamheden in het winterseizoen uitgevoerd worden dan zijn effecten uit te sluiten. De andere factoren van geluidsverstoring (menselijke aanwezigheid, mobiele werktuigen) reiken veel minder ver en door de al aanwezige mate van geluidsverstoring zullen deze met zekerheid niet tot effecten leiden Het doel van het project is om de stationsomgeving verkeersveiliger te maken. Door een betere doorstroom kan het echter voorkomen dat de ontwikkeling ook leidt tot een toename aan gebruikers van de N310. In de verkeersintensiteiten zoals aangeleverd door de gemeente
voertuigen per gemiddelde weekdag (BVA, 2017). Gezien de huidige intensiteit van verkeersbewegingen en daaraan samenhangende verstoorde situatie en de beperkte verwachtte (gedeeltelijk autonome) toename zal dit niet tot significante verschillen leiden. Hierdoor kunnen effecten op het gebied van geluidsverstoring in de permanente situatie worden uitgesloten.
Concept
Nunspeet wordt in het plangebied over de komende 10 jaar een toename van 1.922 naar 2.116 voertuigen per gemiddelde weekdag verwacht. Voor het tracé van buiten het plangebied naar de A28 wordt een toename over de komende 10 jaar verwacht van 14.268 naar 15.332
14/34
Kenmerk
3.1.5
R001-1265284WLI-V04-sec
Lichtverstoring
Onder lichtverstoring wordt verstoring door kunstmatige lichtbronnen, zoals licht uit woonwijken en industrieterreinen, glastuinbouw et cetera verstaan. Kunstmatige verlichting van de nachtelijke omgeving kan tot verstoring van het normale gedrag van soorten leiden. Met name schemer- en nachtactieve dieren kunnen last hebben van verstoring door licht, doordat zij juist aangetrokken of verdreven worden door de lichtbron. Hierdoor raakt bijvoorbeeld hun ritme ontregeld of verlichte delen van het leefgebied worden vermeden (Synbiosys, 2018). Lichtverstoring is uitsluitend van toepassing op vogelrichtlijnsoorten en habitatrichtlijnsoorten. Bij ontwikkelingen ten noorden van de spoorlijn, waarbij de gebouwen hoger worden dan in de huidige situatie, is een toename in uitstraling van licht te verwachten. Dit zal pas tot verstoring leiden wanneer dit verder uitstraalt dan de al aanwezige verlichting bij de spoorlijn en langs de N310. Wanneer dit het geval is zal het licht alsnog niet ver dragen door de aanwezigheid van de gemengde bosopstand. Met deze randvoorwaarden is het onwaarschijnlijk dat bij ontwikkelingen ten noorden van de spoorlijn negatieve effecten door lichtverstoring op de Natura 2000instandhoudingsdoelstellingen zullen plaatsvinden.
Wanneer ontwikkelingen ten zuiden van de spoorlijn of bij de N310 leiden tot een toename van lichtverstoring, bijvoorbeeld door toename van lichtmasten of hoogbouw, zijn negatieve effecten door lichtverstoring niet uit te sluiten. 3.1.6
Verdroging
Verdroging uit zich in lagere grondwaterstanden en/of afnemende kwel. De actuele grondwaterstand is zo lager dan de gewenste/benodigde grondwaterstand. Door verdroging neemt ook de doorluchting van de bodem toe waardoor meer organisch materiaal wordt afgebroken. Op deze wijze leidt verdroging tevens tot vermesting. De verandering in grondwaterstand en soms ook kwaliteit van het grondwater leidt tot een verandering in de soortensamenstelling en op lande termijn van het habitattype. Verdroging is uitsluitend van toepassing op aangewezen habitattypen. Ten behoeve van de aanleg van de tunnel zal tijdelijke bemaling plaatsvinden. Er is dus sprake van tijdelijke verdroging. In figuur 3.2 zijn de aangewezen habitattypen van Natura 2000-gebied Veluwe weergegeven ten opzichte van het plangebied. De aangewezen habitattypen bevinden zich op meer dan een kilometer afstand en omvat voornamelijk droge habitattypen. De tijdelijke bemaling
Concept
heeft slechts in de directe omgeving effect en dus zijn effecten op de Natura 2000instandhoudingsdoelstellingen uit te sluiten. Om het effect op individuele bomen te bepalen kan aanvullend een bomen effect analyse (BEA) worden uitgevoerd.
15/34
Kenmerk
R001-1265284WLI-V04-sec
Figuur 3.2 Ligging van het plangebied ten opzichte van kwalificerende habitattypen van Natura 2000-gebied Veluwe
3.1.7 Trilling Er is sprake van trillingen in bodem en water als dergelijke trillingen door menselijke activiteiten worden veroorzaakt. Voorbeelden hiervan zijn boren, heien, draaien van rotorbladen etc. Trilling kan leiden tot verstoring van het natuurlijke gedrag van soorten. Hierbij kunnen individuen tijdelijk of permanent verdreven worden uit hun leefgebied. Over het daadwerkelijke effect van trilling is nog zeer weinig bekend (Synbiosys, 2018). Het heien vindt plaats buiten het Natura 2000 gebied. Trillingen in de bodem zullen geen verstorend effect hebben op broedende vogels. De heiwerkzaamheden vinden niet plaats in het water waardoor negatieve effecten van de trillingen op in het water levende vissen uitgesloten zijn. Negatieve effecten kunnen dus worden uitgesloten. Stikstofdepositie
3.1.9 Aanwezigheid Vogelrichtlijnsoorten Slechts twee van de aangewezen broedvogels zijn in de buurt van het plangebied in de afgelopen vijf jaar waargenomen. Dit is de boomleeuwerik, welke is waargenomen op de golfbaan en wespendief nabij de A28. Het plangebied en de directe omgeving is in de huidige situatie al dusdanig verstoord dat het onwaarschijnlijk is dat het gebied van groot belang is voor deze vogelrichtlijnsoorten.
Concept
3.1.8 PM
16/34
Kenmerk
R001-1265284WLI-V04-sec
De uitbreiding zorgt in de permanente situatie niet voor meer verstoring door optische verstoring, geluid of lichtverstoring. Significant negatieve effecten op instandhoudingsdoelen van vogelrichtlijnsoorten zijn daarom uitgesloten.. 3.1.10 Conclusie Op basis van bovenstaande paragrafen is vastgesteld dat dat de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebied Veluwe niet worden aangetast. Negatieve effecten als gevolg van de beoogde ontwikkeling zijn er namelijk niet, mits hei-werkzaamheden in het winterseizoen uitgevoerd worden in verband met broedvogels. Stikstof PM. In tabel 5.1 is een samenvatting opgenomen van de voortoets.
3.2
Natuurnetwerk Nederland
3.2.1 Gebiedsbeschrijving Figuur 3.3 geeft de ligging van het plangebied weer ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) en de Groene Ontwikkelingszone (GO). Deze zijn via het Barro geborgd in de provinciale omgevingsverordening en bestemmingsplannen. Het Natura 2000-gebied Veluwe overlapt met het NNN, in aanvulling hierop is nog een GO toegewezen. De GO bestaat uit gebieden met andere bestemmingen dan natuur en is ruimtelijk verweven met het NNN en hangt
Figuur 3.3 Ligging van het plangebied ten opzichte van NNN en GO (Provincie Gelderland, 2018)
Concept
daar functioneel mee samen. In de GO wordt ingezet op versterking van de samenhang tussen inliggende en aangrenzende natuurgebieden.
17/34
Kenmerk
R001-1265284WLI-V04-sec
Voor het NNN en de GO zijn kernkwaliteiten opgesteld in de omgevingsverordening. Ontwikkelingen kunnen effect op deze kwaliteiten hebben. Wanneer negatieve effecten de kernkwaliteiten niet uit te sluiten zijn moet een Nee-tenzij toets worden uitgevoerd conform de regels zoals gesteld in de provinciale verordening (Provincie Gelderland, 2017a). 3.2.2
Kernkwaliteiten natuur en landschap
Het deel van het GNN/GO dat in en nabij het plangebied gelegen is omvat de volgende kernkwaliteiten (Omgevingsverordening Gelderland, 2018). 1. Gradiënt Veluwe - Randmeren: droog - nat, voedselarm - voedselrijk, gesloten - open; kwel uit de Veluwe 2. 3. 4.
Onderdeel van Nationaal Landschap Veluwe Onderdeel van Natura 2000-gebied Veluwe met de bijbehorende habitats en soorten Evz Hierdensche Beek als laaglandbeek en als poort tussen de Veluwe en Flevoland
5. 6.
Andere verbindingen naar de Randmeerkust: m.n. bij de landgoederen: Wessinge, Zwaluwenburg, Mullegen, Oldhorst, IJsselvliet Leefgebied das en steenuil
7. 8. 9.
Kleinere beken Landgoederen in de gradiënt Kleinschalig landschap langs de voet van de Veluwe; houtsingels en graslanden
10. Lintbebouwing parallel aan de hoogtelijnen (dekzandruggen) 11. Vroeg-Middeleeuwse ontginningen bij Doornspijk en Wessinge 12. Gave ontwaterings- en ontsluitingspatronen 13. Alle door de Flora- en faunawet of Natuurbeschermingswet beschermde soorten en hun leefgebieden in dit deelgebied Op basis van de locatie en aanwezige landschapselementen zijn vijf van de benoemde kernkwaliteiten van toepassing op het plangebied: 1. Gradiënt Veluwe - Randmeren: droog - nat, voedselarm - voedselrijk, gesloten - open; kwel 2. 3.
uit Veluwe Onderdeel Nationaal Landschap Veluwe Onderdeel van Natura 2000-gebied Veluwe met bijbehorende habitats en soorten (dit geldt
4. 5.
alleen voor het NNN, niet voor de GO) Leefgebied das en steenuil Alle door de Wet natuurbescherming beschermde soorten en hun leefgebied in dit deelgebied
Punt 3 is nader beschouwd in de vorige paragraaf. Punt 4 en 5 zullen nader worden beschouwd in
Concept
de toets op soortenbescherming in hoofdstuk 4.
18/34
Kenmerk
R001-1265284WLI-V04-sec
In het GO zijn er mogelijk twee acties, in het NNN (en Natura 2000) zijn geen beoogde ontwikkelingen. In het plangebied overlapt NNN met Natura 2000, externe werking en effecten op NNN beschouwd in de vorige paragraaf. Wel zijn er mogelijk twee acties in de GO. Dit omvat een zuidelijke entree naar het station door middel van een tunnel en het verplaatsen van de horecabestemming op perceel Elspeterweg 2 naar het Veluwetransferium. Voor de tunnel zal een bosschage worden gerooid waarmee een stuk GO verloren zal gaan. Ook gaat er mogelijk een deel GO verloren door het verplaatsen van de horecabestemming. Hierdoor ontstaat echter weer nieuwe ruimte op de voormalige locatie van de horecabestemming. Artikel 2.53 van de Omgevingsverordening (provincie Gelderland, 2018) schrijft dat “een bestemmingsplan voor gronden gelegen binnen de Groene ontwikkelingszone kan uitbreiding van bestaande functies met ten hoogste 30 procent mogelijk maken, als: a. in de toelichting bij het bestemmingsplan wordt aangetoond dat de uitbreiding zodanig wordt ingepast in het betreffende landschapstype dat de kernkwaliteiten, in hun onderlinge samenhang bezien, per saldo niet significant worden aangetast; b. deze inpassing planologisch is verankerd in hetzelfde of een gelijktijdig vast te stellen bestemmingsplan.” Deze activiteiten hebben invloed op de kernkwaliteiten.
Er worden groenstructuren gekapt, waardoor de kwaliteit ‘onderdeel Nationaal Landschap Veluwe’ niet versterkt wordt of per saldo niet significant wordt aangetast, maar afneemt. Behouden, verplanten of herplanten van de groenstructuren in de directe omgeving zorgt ervoor dat de kernkwaliteiten per saldo niet afnemen. Op het overige deel van het plangebied is momenteel een parkeerplaats met bezoekerscentrum en horecagelegenheid aanwezig. De gradiënt Veluwe – Randmeren is niet op de locatie aanwezig. Precies op de overgang ligt Nunspeet. Deze kwaliteit is op de betreffende locatie niet aanwezig vanwege de ligging in de bebouwde kom van Nunspeet op de overgang van de hoge droge stuwwal en de lagere natte flanken. 3.2.3
Conclusies
Op basis van bovenstaande paragrafen is het zeker dat de kernkwaliteiten van het NNN niet worden aangetast. Effecten op het NNN zijn uit te sluiten omdat er geen ontwikkelingen zijn in het gebied wat is aangewezen als NNN. In de GO zijn wel twee acties beoogd waardoor er sprake is van verlies van groen areaal wat zorgt voor een aantasting van kernkwaliteit ‘onderdeel van Nationaal Landschap Veluwe”. Behouden, verplanten of herplanten is noodzakelijk om ten minste dezelfde hoeveelheid groen te
Concept
behouden in de directe omgeving. Dit moet worden opgenomen in hetzelfde of gelijktijdig vast te stellen bestemmingsplan.
19/34
Kenmerk
3.3
R001-1265284WLI-V04-sec
Houtopstanden
In het plangebied zijn houtopstanden aanwezig. De houtopstanden ten zuiden van de spoorlijn zijn gelegen buiten de bebouwde kom Boswet (vastgesteld door de gemeenteraad van Nunspeet op 10 februari 2016), hierdoor is het onderdeel houtopstanden van de Wnb van kracht. Dit wettelijk kader is van toepassing op ‘houtopstanden’ buiten de ‘bebouwde kom Boswet’ van minimaal 10 are of bomenrijen van minimaal 21 bomen. Houtopstanden die gerooid worden ten noorden van de spoorlijn dienen te worden beoordeeld aan de bomenverordening van de gemeente Nunspeet (2016). De voorgenomen kap van houtopstanden dient een meld- en herplantplicht aangehouden te
Concept
worden indien de te kappen bomen en/of struiken deel uit maken van een bos groter dan 10 are omvat of bomenrijen van minimaal 21 bomen. Indien niet op dezelfde locatie binnen drie jaar een herplant kan worden uitgevoerd is ook een ontheffing noodzakelijk.
20/34
Kenmerk
R001-1265284WLI-V04-sec
4 Soortenbescherming Dit hoofdstuk geeft antwoord op de vraag of beschermde plant- en diersoorten door de beoogde activiteiten kunnen worden geschaad. Indien schade op kan treden, dan wordt aangegeven of hiervoor aanvullende maatregelen en/of een ontheffing noodzakelijk is.
4.1 Beschermingsregime en bepalingen In de Wnb zijn bepalingen opgenomen voor de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten. Het gaat onder meer om soorten die in Nederland, maar ook in Europa in hun voortbestaan worden bedreigd. De Wnb kent drie beschermingsregimes: • Vogels: het gaat hier om alle inheemse vogels in hun natuurlijk verspreidingsgebied. Ze zijn beschermd via de Vogelrichtlijn (VR) • •
Dieren en planten: het gaat hier om alle inheemse dieren en planten. Ze zijn beschermd via de Habitatrichtlijn (HR) en de verdragen van Bern en Bonn Nationale soorten: het gaat hier om de soorten, die niet onder de reikwijdte van de Vogel- of Habitatrichtlijn vallen. Deze soorten zijn wel nationaal beschermd
Per beschermingsregime is bepaald welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing, vergunning of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. De bepalingen zijn samengevat in tabel 4.1. De bepalingen voorzien in een bescherming van verblijfplaatsen, evenals de bescherming tegen verstorende invloeden. Gedeputeerde Staten van provincie Gelderland kan een ontheffing verlenen van de verboden als genoemd in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10.
4.2
Vrijstellingen In de Wnb is een aantal algemene soorten amfibieën en zoogdieren beschermd onder de categorie “Nationale soorten”, zoals gewone pad, bruine kikker en konijn. Provincie Gelderland heeft bij verordening deze soorten “vrijgesteld” van de ontheffing/vergunningsplicht (Provincie Gelderland, 2017b). Dit betekent dat geen ontheffing nodig is voor werken gericht op ruimtelijke
Concept
inrichting en ontwikkeling en beheer en onderhoud. Vrijgestelde soorten zijn niet meegenomen in deze toetsing.
21/34
Kenmerk
R001-1265284WLI-V04-sec
Tabel 4.1 Verbodsbepalingen soortenbescherming onder de Wnb (Codes verwijzen naar wetsartikelen Wet natuurbescherming; Oranje Verbodsbepaling geldt alleen wanneer sprake is van opzet; Rood Verbodsbepaling geldt in alle gevallen, ook wanneer geen sprake is van opzet) Verbodsbepaling
Vogels VR
Dieren HR/
Planten
Dieren
Planten
Bonn/Bern
HR/
(‘nationaal’)
(‘nationaal’)
Bonn/Bern Dieren of planten: Doden of vangen Storen/verstoren
3.1.1
3.5.1
3.1.4
3.5.2
3.10.1.a
(tenzij 3.1.5) Plukken, verzamelen, afsnijden,
3.5.5
3.10.1.c
ontwortelen of vernielen Onder zich hebben of vervoeren
3.2.6
3.6.2
3.6.2
Plaatsen: Vernielen, beschadigen of wegnemen
3.1.2
nesten Beschadigen of vernielen
3.5.4
voortplantingsplaatsen (vp) Beschadigen of vernielen rustplaatsen
3.10.1.b (vaste vp)
3.1.2
3.5.4
(rp)
3.10.1.b (vaste rp)
Eieren: Vernielen (of –Vrl- beschadigen)
3.1.2
3.5.3
Rapen
3.1.3
3.5.3
Onder zich hebben
3.1.3
4.3
Zorgplicht
De zorgplicht (artikel 1.11 van de Wnb) houdt in dat de initiatiefnemer handelingen, die nadelige gevolgen kunnen hebben voor in het wild levende dieren en planten: 1. Achterwege laat, of 2. Noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of 3. Deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt Het betreft alle in het wild levende dieren en planten. De zorgplicht dient onder meer als vangnet voor de bescherming van soorten waarvoor op grond van de Wnb geen specifiek verbod geldt. De zorgplicht is daarnaast van toepassing op beschermde gebieden.
Literatuuronderzoek
Beschermde soorten uit de volgende soortgroepen (zie tabel 4.2) kunnen, op grond van het literatuuronderzoek, in de omgeving van het plangebied voorkomen: grondgebonden zoogdieren, vleermuizen, vogels, vogels jaarrond beschermd, vlinders, libellen en overige ongewervelden.
Concept
4.4
22/34
Kenmerk
R001-1265284WLI-V04-sec
Op basis van verspreidingsgegevens en aanwezig biotoop komen geen beschermde soorten uit de volgende soortgroepen in het plangebied voor: vissen, amfibieën en reptielen en flora vanwege het ontbreken van geschikt biotoop. Waterhoudende sloten, open water, goed ontwikkeld bos en structuurrijke vegetaties (zoals heide) over een groot oppervlak ontbreken in het plangebied. Deze soortgroepen worden om die reden niet verder behandeld in deze rapportage. Tabel 4.2 Soorten in de omgeving van het plangebied Soortgroep
Aanwezige soorten in omgeving
Grondgebonden zoogdieren
Steenmarter, boommarter, das, eekhoorn
Vleermuizen
Baardvleermuis, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, kleine dwergvleermuis, laatvlieger, meervleermuis, ruige dwergvleermuis, tweekleurige vleermuis, watervleermuis, franjestaart en rosse vleermuis
Vogels
Algemene broedvogels
Vogels jaarrond beschermd
Gierzwaluw, huismus, kerkuil, boomvalk, buizerd, ransuil, roek, sperwer, steenuil, havik en wespendief
Vlinders, libellen en overige ongewervelden
Grote weerschijnvlinder, sleedoornpage en gevlekte witsnuitlibel
4.5
Effecten
4.5.1 Grondgebonden zoogdieren Bij het oriënterende veldbezoek zijn geschikte verblijfplaatsen voor steenmarter en boommarter aangetroffen. Het gebouw aan het Stationsplein 4 is geschikt als verblijfplaats voor steenmarter en boommarter (Boommarter kan in zeldzame gevallen verblijfplaatsen hebben in gebouwen, zoals Stationsplein 4).Het stationsgebied kan dienen als foerageergebied, maar kan dit ook na realisatie van de tunnel nog steeds doen. Effecten op foerageergebied van steenmarters zijn daarom wel
Figuur 4.1 Geschikte ruimtes (spouwmuur en dak) voor steenmarter in het gebouw aan Stationsplein 4
Concept
uitgesloten.
23/34
Kenmerk
R001-1265284WLI-V04-sec
De bosschage ten zuiden van de spoorlijn biedt mogelijk geschikte verblijfplaatsen voor boommarter. Hier zijn drie openingen aangetroffen die groot genoeg lijken voor boommarter om in te gaan (diameter geschat op >5 centimeter). Of de holte erachter groot genoeg is als verblijfplaats voor boommarter is in dit stadium niet duidelijk. De aanwezigheid van verblijfplaatsen van boommarter in het plangebied wordt niet waarschijnlijk geacht gezien de ligging tussen de weg, stedelijke omgeving, treinstation en een grote parkeerplaats, maar kan ondanks dit niet met 100 % zekerheid worden uitgesloten. Deze holtes zijn mogelijk ook geschikt voor eekhoorn als verblijfplaats. In de te kappen bomen van het plangebied zijn geen (blader)nesten aangetroffen van eekhoorn. De kans dat de holtes als verblijfplaats dienen voor eekhoorn wordt niet groot geacht (omdat er dan ook bladernesten in de omgeving worden verwacht), maar kan niet met zekerheid worden uitgesloten. Het gebied ten zuiden van de spoorlijn is een geschikt leefgebied voor de das. Bij de parkeerplaats zijn meerdere ruigtes aanwezig die zouden kunnen dienen als rustplaats. Er zijn geen (bij)burchten, (vlucht)pijpen, wissels, mestputjes of haren van dassen aangetroffen in het plangebied.
Door de al aanwezige verstoring door weg- en treinverkeer van het aan te tasten groengebied langs deze infrastructuur wordt geen toegenomen verstoring van de das verwacht. Vanwege de ruime beschikbaarheid aan alternatief (minder verstoord en aaneengesloten) foerageergebied in de directe omgeving dient het plangebied ook niet als essentieel foerageergebied. Negatieve effecten op das door het voornemen zijn daarom uitgesloten. 4.5.2 Vleermuizen Hoewel vleermuizen zoogdieren zijn, worden deze vanwege hun afwijkende eigenschappen als afzonderlijke groep behandeld. Er zijn drie typen functies binnen het leefgebied van vleermuizen te onderscheiden: verblijfplaatsen, foerageergebied en vliegroutes. Verblijfplaatsen bevinden zich, afhankelijk van de soort, in woningen of in bomen. Foerageergebieden zijn groen- of waterstructuren zoals struweel, bomenrijen en watergangen. Vliegroutes worden gevormd door lijnvormige elementen zoals bomenrijen, randen van bebouwing en watergangen. Bij het oriënterende veldbezoek zijn geschikte verblijfplaatsen voor vleermuizen aangetroffen. De werkzaamheden hebben onder andere betrekking op woningen. In sommige gebouwen zijn diverse openingen onder dakpannen en/of in naar spouwmuren aanwezig. Locaties die mogelijk verblijfplaatsen van vleermuizen bevatten: • Voormalig pannenkoekenrestaurant De Stroopstok aan de Stationsplein 4 •
De horecagelegenheid Café Restaurant Joris aan de Elspeterweg 2
Het EMTÉ gebouw is ongeschikt als verblijfplaats voor vleermuizen, omdat het ontbreekt aan
Enkele bomen hebben holtes die mogelijk naar boven ingerot zijn en daardoor geschikt als verblijfplaats voor boombewonende vleermuizen. Daarnaast zou de bosschage ten zuiden van spoorlijn onderdeel uit kunnen maken van een vliegroute.
Concept
spouwmuren en andere geschikte ruimtes voor vleermuizen.
24/34
Kenmerk
R001-1265284WLI-V04-sec
Het plangebied kan een functie vervullen voor de volgende vleermuissoorten: • • •
Gewone dwergvleermuis: zomer-, kraam-, paar- en winterverblijfplaats Laatvlieger: zomer-, kraam-, paar- en winterverblijfplaats Tweekleurige vleermuis: zomer-, kraam- en winterverblijfplaats
• • •
Ruige dwergvleermuis: zomer-, paar- en winterverblijfplaats Rosse vleermuis: zomer-, kraam-, paar- en winterverblijfplaats Gewone grootoorvleermuis: zomer- kraam-, paarverblijfplaats
• •
Franjestaart: zomer-, kraamverblijfplaats Baardvleermuis: zomer-, kraamverblijfplaats
Figuur 4.2 Bomen met holtes (boom nummer 1 en 5 in figuur 5.1)
De baardvleermuis, franjestaart, gewone grootoorvleermuis en watervleermuis verblijven in winters met name gebouwen zoals oude steenfabrieken, bunkers, forten, vestigingswerken, ijskelders en (kasteel)kelders. Voor de kleine dwergvleermuis zijn bos- en waterrijke gebieden in
Gelet op bovenstaande zijn de volgende negatieve effecten niet uitgesloten: het vernietigen van verblijfplaatsen en het verstoren of doden van individuen (Wnb, artikel 3.5, lid 1, 2 en 4).
Concept
de omgeving van verblijfplaatsen een vereiste. De aanwezigheid van verblijfplaatsen van deze soorten zijn daarom uitgesloten. De meervleermuis heeft een voorkeur voor gebieden met veel open water. Door ontbreken van dit habitat in de directe omgeving is voorkomen uitgesloten.
25/34
Kenmerk
4.5.3
R001-1265284WLI-V04-sec
Broedvogels
Vogels met jaarrond beschermde nesten De nesten van deze soorten zijn het hele jaar beschermd, evenals de functionele leefomgeving rondom het nest. Uit vooronderzoek bleek dat er kans is op verblijfplaatsen van gierzwaluw, huismus, kerkuil, boomvalk, buizerd, ransuil, roek, sperwer, steenuil, havik en wespendief. Verblijfplaatsen van gierzwaluw, huismus, kerkuil en steenuil worden (vaak) aangetroffen in gebouwen. De gebouwen van pannenkoekenrestaurant De Stroopstok en Café Restaurant Joris zijn beide geschikt als verblijfplaats voor huismus en gierzwaluw. Sloop van de gebouwen kan individuen verwonden en/of doden en eieren en verblijfplaatsen vernietigen (overtreding Wnb, artikel 3.1, 1, 2 en 4). Het gebouw de stroopstok is enigszins geschikt als verblijfplaats van steenuil en kerkuil. Hiervan zijn geen sporen aangetroffen onder het afdak buiten, wat een ideale roestplek is en waar zowel braakballen als kalksporen zeker aanwezig zouden zijn. Ook in het gebouw zijn geen sporen van uilen aangetroffen. Daarnaast is de omgeving van het gebouw te stedelijk en verhard voor beide soorten als verblijfplaats. Verblijfplaatsen van en negatieve effecten op steenuil en kerkuil door het voornemen zijn daarom uitgesloten. Nesten van boomvalk, buizerd, ransuil, roek, sperwer, havik en wespendief worden uitgesloten.
Er zijn in en direct naast de te kappen bomen geen nesten aangetroffen die door deze vogelsoorten gebruikt kunnen worden. Roeken broeden al vroeg in het jaar en zouden tijdens het tweede veldbezoek zeker zijn waargenomen. Negatieve effecten van het voornemen op deze soorten zijn daarom uitgesloten. Tijdens het broedseizoen beschermde vogels De nesten van deze soorten zijn beschermd als ze als broedlocatie in gebruik zijn. Bij het oriënterende veldbezoek zijn geschikte nestlocaties van broedvogels aangetroffen. De bomen en bosschages, met name ten zuiden van de spoorlijn, bieden geschikt broedhabitat. Ook gebouwen bevatten geschikte broedplekken voor houtduif, turkse tortel of spreeuwen, zoals bij de opening in het voormalig pannenkoekenrestaurant. Vogels kunnen gedurende het gehele jaar tot broeden komen. Het is daarom zaak om hier voorafgaand aan het werk rekening mee te houden. De kans op een broedgeval is het grootst in
van broedvogels door een ter zake kundige ecoloog is noodzakelijk voorafgaand aan de werkzaamheden om overtreding van de wet te voorkomen in de periode februari tot en met augustus. Indien een broedgeval aanwezig is, dient een verstoringsvrije zone te worden aangehouden, waarbinnen gedurende de periode van broeden niet wordt gewerkt. De breedte van deze zone dient door een ter zake kundige te worden bepaald.
Concept
de periode maart tot en met juli (dit wordt wel gezien als het reguliere broedseizoen). Het advies is om buiten deze periode te werken. Heiwerkzaamheden moeten buiten het broedseizoen plaatsvinden, omdat de geluidsverstoring hiervan ver draagt. Een (periodieke) controle op nesten
26/34
Kenmerk
R001-1265284WLI-V04-sec
4.5.4 Libellen, vlinders en overige ongewervelden Uit vooronderzoek blijkt dat er kans is op het voorkomen van gevlekte witsnuitlibel, grote weerschijnvlinder en sleedoornpage. De gevlekte witsnuitlibel is gebonden aan verlandingszones van laagveenmoerassen. Geschikt habitat voor de gevlekte witsnuitlibel in het plangebied ontbreekt. De grote weerschijnvlinder leeft in vochtige gevarieerde loofbossen. Voor de zuidelijke entree van het station wordt een deel bos gekapt. Het bos bestaat voornamelijk uit naaldbomen, en de omgeving is niet nat genoeg voor grote weerschijnvlinder. Hierdoor zijn effecten uit te sluiten. De sleedoornpage is op veel plaatsen verdwenen maar breidt zich uit in het stedelijk gebied langs de rand van de Veluwe (Bos et al., 2006). De belangrijkste waardplant van de soort, de sleedoorn, is echter niet aanwezig. Negatieve effecten op deze soortgroepen als gevolg van de beoogde ontwikkeling zijn er daarom niet. 4.5.5 Zorgplicht Ten aanzien van de zorgplicht zijn de volgende maatregelen van toepassing: 1. Generieke controle op nesten voorafgaand aan de werkzaamheden 2. Controle op beschermde soorten bij sloop van woningen 3. Een controle op aanwezige nesten/verblijfplaatsen bij het vellen/rooien van bomen Een ander aandachtspunt is de aanwezigheid van de exoot Japanse duizendknoop in het plangebied.
Ten tijde van het tweede veldbezoek groeiden geen nieuwe planten, maar het was dusdanig vroeg in het jaar dat onduidelijk is of de plant als bestreden is. Geadviseerd wordt hier
Figuur 4.3 Japanse duizendknoop planten van het vorige seizoen
Concept
met de werkzaamheden zodanig mee om te gaan dat verspreiding voorkomen wordt. Bestrijding van de soort is sterk aan te raden om schade aan wegen en panden te voorkomen.
27/34
Kenmerk
R001-1265284WLI-V04-sec
5 Conclusies en aanbevelingen In opdracht van de gemeente Nunspeet heeft Tauw onderzoek gedaan naar de consequenties van de Wet natuurbescherming voor het realiseren van een ongelijkvloerse kruising van de Elspeterweg met het spoor. In de eerste instantie gaat het om een bestemmingsplanwijziging. Om deze door te voeren moet aangetoond worden dat het plan redelijkerwijs uitvoerbaar is. De ontwikkeling kan alleen doorgaan als deze niet in strijd is met de bepalingen als opgenomen in de Wnb, of als de benodigde vergunningen en/of ontheffingen worden verleend. Welke onderdelen van de Wet natuurbescherming zijn van belang? De gebieden- en soortenbescherming zijn onderdelen waarop getoetst moet worden. Negatieve effecten op Natura 2000-gebied Veluwe zijn niet op voorhand uit te sluiten. Er is daarom getoetst of de werkzaamheden effect kunnen hebben op de instandhoudingsdoelen van de kwalificerende soorten en/of habitattypen en of dit effect significant is. Daarnaast behoort het plangebied deels tot het NNN en de Gelderse GO. De bescherming van houtopstanden is niet aan de orde, omdat het project gelegen is binnen de bebouwde kom. In hoeverre is de beoogde ontwikkeling (mogelijk) strijdig met de Wnb? Het plangebied valt voor een deel binnen de begrenzing van Natura 2000-gebied Veluwe.
Op basis van een oriënterende toets op optische verstoring, geluidverstoring, lichtverstoring, verdroging, trilling en stikstofdepositie geconcludeerd dat effecten, met uitzondering van stikstofdepositie, kunnen worden uitgesloten. Dit mede doordat binnen de Natura 2000 begrenzing geen activiteiten zijn gepland. Door aanwezig biotoop en huidige verstoring is het onwaarschijnlijk dat het plangebied een belangrijk leefgebied is van vogelrichtlijnsoorten. PM Stikstof. Daarnaast valt het plan onder het NNN, en de Gelderse GO. Deze liggen ten zuiden van de spoorlijn. Op basis van een oriënterende toets zijn de kernkwaliteiten zoals beschreven in de Gelderse Provinciale Ruimtelijke Verordening beschouwd. Er vindt geen aantasting van kernkwaliteiten in het NNN plaats. In de GO zijn wel twee acties beoogd waardoor er sprake is van verlies van groen areaal wat zorgt voor een aantasting van kernkwaliteit ‘onderdeel van Nationaal Landschap Veluwe”. In het projectgebied is een negatief effect op verschillende soorten niet op voorhand uit te sluiten. Verschillende soorten hebben mogelijk verblijfplaatsen in het plangebied. Het gaat hierbij om de
Tot slot dient rekening te worden gehouden met de zorgplicht. Deze geldt voor alle in het wild levende soorten. Bij aantreffen van Wnb beschermde soorten dient door een deskundige advies te worden gegeven hoe hiermee om te gaan.
Concept
volgende soorten: boommarter, steenmarter, eekhoorn, vleermuizen, gierzwaluw, huismus en algemene broedvogels.
28/34
Kenmerk
R001-1265284WLI-V04-sec
Steenmarter (boommarter), vleermuizen, huismus, gierzwaluw,
Holtes 1-3, 5 en bomenrij: vleermuizen
Holtes 4, 6 en 7: Vleermuizen, huismus,
boommarter, eekhoorn, vleermuizen
gierzwaluw
Figuur 5.1 Samenvatting conclusies veldbezoeken
Zijn maatregelen en/of een ontheffing nodig? PM stikstof. Een vergunning voor de Wnb op het gebied van gebiedsbescherming door effecten anders dan stikstof is niet noodzakelijk. Voor sommige soorten kunnen mogelijk maatregelen worden genomen om het leefgebied te behouden en te versterken. In het kader van het GO is het noodzakelijk om het areaal groen te behouden of dit te realiseren door te verplanten of te herplanten in de directe omgeving. Dit moet worden opgenomen in hetzelfde of gelijktijdig vast te stellen bestemmingsplan. Er is nader soortgericht onderzoek nodig naar aanwezigheid van verblijfplaatsen van boommarter en steenmarter. Het onderzoek bestaat uit het plaatsen van cameravallen in en om het gebouw Stationsplein 4 en moet worden uitgevoerd in de periode juni t/m augustus. De drie boomholtes moeten gecontroleerd worden op geschiktheid voor boommarter en eekhoorn. Aan de hand
dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger, tweekleurige vleermuis, rosse vleermuis, gewone grootoorvleermuis, franjestaart en baardvleermuis. Daarnaast is onderzoek nodig om te bepalen of de bomen ten zuiden van het spoor onderdeel zijn van een (essentiële) vliegroute.
Concept
hiervan kan het nodig zijn aanvullend cameravalonderzoek voor deze twee soorten uit te voeren rondom bomen met geschikte holtes. Ook is nader onderzoek nodig naar vleermuizen. Het gaat om verblijfplaatsen van gewone
29/34
Kenmerk
R001-1265284WLI-V04-sec
Verder is nader soortgericht onderzoek nodig naar huismus en gierzwaluw bij Stationsplein 4 en Elspeterweg 2. Het advies is de werkzaamheden buiten de periode maart tot en met juli (broedseizoen) uit te voeren. Een (periodieke) controle op nesten van broedvogels door een ter zake kundige ecoloog is noodzakelijk voorafgaand aan de werkzaamheden om overtreding van de wet te voorkomen in de periode februari tot en met augustus. In alle gevallen is het noodzakelijk heiwerkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren om verstoring van broedvogels (inclusief vogels met een instandhoudingsdoelstelling) te voorkomen. Of aanvullende mitigerende en/of compenserende maatregelen nodig zijn en of een ontheffing moet worden aangevraagd is afhankelijk van de uitkomsten van dit onderzoek. Wat betekent dit voor de verdere planvorming en uitvoering? Er moet rekening worden gehouden met onderzoeken, die plaats vinden tussen maart en september 2019. Mogelijk moet hierna een activiteitenplan opgesteld worden met maatregelen in verband met het aanvragen van een ontheffing. Voor het nemen van maatregelen geldt gemiddeld een gewenningsperiode van één actief seizoen. Het onderzoek naar de aanwezigheid van boommarters en steenmarters vindt plaats in de periode juni tot en met augustus. Het onderzoek naar huismus en gierzwaluw wordt uitgevoerd in de periode april tot en met juli.
Eerst worden tijdens twee veldbezoeken de nesten van huismus in kaart gebracht in de periode 1 april tot en met 15 mei. Vervolgens worden tijdens drie gerichte veldbezoek in de periode 15 mei tot 15 juli de nesten van gierzwaluw in kaart gebracht. Het onderzoek naar verblijfplaatsen van vleermuizen wordt uitgevoerd in de periode mei tot september. Het onderzoek bestaat uit vijf veldbezoeken in de avond en vroege ochtend. Wat betekent dit voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan? Mogelijk zijn beschermde soorten aanwezig waaronder streng beschermde soorten zoals vogels en vleermuizen. Met algemene broedvogels kan rekening worden gehouden door gerichte maatregelen in planning en werkwijze. Voor soorten als huismus, gierzwaluw en vleermuizen is dit niet voldoende. Mogelijk worden jaarrond beschermde nesten en/of verblijfplaatsen vernietigd door het amoveren van bebouwing en het rooien van bomen. Om hier ontheffing voor de krijgen is het nodig om een wettelijk belang te hebben, maatregelen te nemen ten gunste van soorten om
Concept
de staat van instandhouding te behouden en dienen er geen reële alternatieven te zijn.
30/34
Kenmerk
R001-1265284WLI-V04-sec
Alternatieven Er is zeer beperkte ruimte aanwezig rond de stationsomgeving om een soortgelijk resultaat te bereiken voor veiligheid. In elk geval zullen bebouwing en bomen moeten verdwijnen voor het plan. Daardoor is er voor soorten geen alternatief denkbaar dat gunstiger uitpakt, omdat ook op andere plekken hoogstwaarschijnlijk verblijfplaatsen en essentieel leefgebied daarbij wordt aangetast. Wettelijk belang Het plan heeft betrekking op het realiseren van een ongelijkvloerse kruising van de Elspeterweg met het spoor in verband met de verkeersveiligheid. Dit is in het belang van de openbare veiligheid en valt dus voor vogels onder het wettelijk belang uit de Wnb, artikel 3.3, lid 4 onder b. 1°: in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid en voor vleermuizen onder het wettelijk belang uit de Wnb, artikel 3.8, lid 5, onder b. 3°: in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten. Maatregelen Er zijn diverse maatregelen denkbaar indien beschermde soorten aangetroffen worden. Het verwonden en doden van individuen kan worden voorkomen door gerichte maatregelen in planning en het ongeschikt maken van verblijfplaatsen (na ontheffing).
Nieuwe verblijfplaatsen kunnen gerealiseerd worden in nieuwe bebouwing, zoals de nieuwe horecagelegenheid ten zuidoosten van de ongelijkvloerse kruising. Samengevat zijn er geen andere bevredigende oplossingen, is er een wettelijk belang en is het nemen van maatregelen mogelijk zodat er geen afbreuk plaats vindt aan de staat van instandhouding van soorten. Het plan is daarom redelijkerwijs uitvoerbaar. In tabel 5.1 is een samenvatting opgenomen van de toetsing aan de gebieden- en soortenbescherming. Tabel 5.1. Conclusies toetsing soorten- en gebiedsbescherming Gebiedsbescherming
Effect
Vervolgstappen
Optische verstoring
Geen effect
Niet van toepassing
Geluidverstoring
Geen effect, mits
Maatregel: heien buiten het broedseizoen
N2000
Verdroging
Geen effect
Niet van toepassing
Trilling
Geen effect
Niet van toepassing
Stikstofdepositie
PM
PM
NNN/GO
Effect
Vervolgstappen
Concept
maatregel
31/34
Kenmerk
R001-1265284WLI-V04-sec
Gebiedsbescherming
Effect
Vervolgstappen
Geen aantasting
Geen vervolgstappen noodzakelijk
N2000 NNN
kernkwaliteiten GO
Aantasting
Behouden, verplanten of herplanten voor behoud
kernkwaliteiten OG
areaal groen in de directe omgeving. Dit moet worden opgenomen in hetzelfde of gelijktijdig vast te stellen bestemmingsplan.
Soortenbescherming
Effect
Vervolgstappen
Grondgebonden zoogdieren
Mogelijk overtreding
Nader onderzoek steenmarter, boommarter,
artikel 3.5 of 3.10
eekhoorn
Mogelijk overtreding
Nader onderzoek gebouw- en boombewonende
artikel 3.5
vleermuizen en vliegroutes
Geen overtreding artikel
Werken buiten het broedseizoen
Vleermuizen
Vogels
3.1, mits maatregel Vogels jaarrond beschermd
Mogelijk overtreding
Nader onderzoek huismus, gierzwaluw
artikel 3.1 Flora, amfibieën, reptielen,
Geen overtreding artikel
vissen, vlinders, libellen en
3.5 of 3.10
Niet van toepassing
Concept
overige ongewervelden
32/34
Kenmerk
R001-1265284WLI-V04-sec
6 Literatuurlijst Bos, F., M. Bosveld, D. Groenendijk, C. van Swaay, I. Wynhoff & de Vlinderstichting, 2006. De dagvlinders van Nederland. Verspreiding en bescherming (Lepidoptera: Hesperioidea, Papilionoidea). Nederlandse Fauna 7. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. Broekhuizen S., K. Spoelstra, J.B.M. Thissen, K.J. Canters, J.C. Buys, 2016. Atlas van de Nederlandse zoogdieren. KNNV Uitgeverij, Utrecht. BVA verkeersadviezen, 2017. Update verkeersmodel Nunspeet. Creemers, R.C.M. & J.J.C.W. van Delft, 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. Nederlandse Fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. Dijkstra, K.B., Kalkman, V.J., Ketelaar, R., van der Wiede, M.J.T., 2002. De Nederlandse libellen (odonata). Nederlandse fauna 4. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. Gemeente Nunspeet, 2016. Bomenverordening van de gemeente Nunspeet 2016. Herder J.E., A. van Diepenbeek & R.C.M. Creemers, 2013. Verspreidingsonderzoek reptielen en amfibieën 2013. Rapport 2013-010. Stichting RAVON, Nijmegen. Provincie Gelderland, 2018. Plannenviewer Natuurbeheerplan.
Geraadpleegd op 11-6-2018 op: https://gldanders.planoview.nl/planoview/NL.IMRO.9925.PVOmgverordeningvst1?s=SAAXIYAKQgF7vzJFhERCBAN4P4P_______wP38wJiAMdOCzhy3qgpM4ZOGbcCBA\ Provincie Gelderland, 2017a. Omgevingsverordening Gelderland. Provincie Gelderland, Arnhem Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, 2014. Provincie Gelderland, 2017b. Wijziging Omgevingsverordening Gelderland vanwege vaststelling Natuurparagraaf PRB, publicatienr. 435.
Synbiosys, 2018. Effectenindicator. Geraadpleegd op 12-6-2018 op: https://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/effectenindicatorappl.aspx?subj=effectenmatrix&tab= 1 Van Dijk A.J. & Boele A. 2011. Handleiding SOVON Broedvogelonderzoek. SOVON Vogelonderzoek Nederland, Nijmegen.
Concept
Soortenstandaarden, Ministerie van Economische Zaken
33/34
Kenmerk
R001-1265284WLI-V04-sec
Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus, Zoogdiervereniging en Gegevensautoriteit Natuur, Vleermuisprotocol 2013, 27 maart 2013. Geraadpleegde internetwebsites: www.floron.nl www.libellennet.nl www.ravon.nl www.ruimtelijkeplannen.nl www.sovon.nl www.verspreidingsatlas.nl
Concept
www.vleermuis.net www.vlindernet.nl www.zoogdiervereniging.nl
34/34
Kenmerk
Bijlage 2
R003-1278875JNA-V02-efm-NL
Geactualiseerde natuurtoets
27/29
Natuurtoets stationsgebied Nunspeet Toetsing in het kader van de Wet natuurbescherming 6 september 2021
Kenmerk
R002-1278875JNA-V01-efm-NL
Verantwoording Titel
Natuurtoets stationsgebied Nunspeet
Opdrachtgever
Gemeente Nunspeet
Projectleider
Tim Vaessen
Auteur(s)
Jeroen Nagtegaal
Tweede lezer
Maikel Aragon van den Broeke
Uitvoering meet- en inspectiewerk
Jeroen Nagtegaal
Projectnummer
1278875
Aantal pagina’s
23
Datum
6 september 2021
Handtekening
Ontbreekt in verband met digitale verwerking. Dit rapport is aantoonbaar vrijgegeven.
Colofon TAUW bv Australiëlaan 5 Postbus 3015 3502 GA Utrecht T +31 30 28 24 82 4 E info.utrecht@tauw.com
2/23
R002-1278875JNA-V01-efm-NL
Kenmerk
Inhoud 1
2
3
Inleiding ..................................................................................................................................... 5 1.1
Doel .................................................................................................................................... 5
1.2
Wetgeving .......................................................................................................................... 5
1.3
Te beschouwen onderdelen Wnb ...................................................................................... 5
1.4
Werkwijze ........................................................................................................................... 6
1.5
Kwaliteit .............................................................................................................................. 6
Situatie en beoogde ontwikkeling .............................................................................................. 6 2.1
Huidige situatie ................................................................................................................... 6
2.2
Beoogde ontwikkeling ........................................................................................................ 8
Soortenbescherming ............................................................................................................... 10 3.1
Beschermingsregime en bepalingen ................................................................................ 10
3.2
Vrijstellingen ..................................................................................................................... 10
3.3
Zorgplicht ......................................................................................................................... 11
3.4
Literatuuronderzoek ......................................................................................................... 12
3.5
Effecten ............................................................................................................................ 12
3.5.1
Flora .......................................................................................................................... 12
3.5.2
Grondgebonden zoogdieren ..................................................................................... 12
3.5.3
Vleermuizen .............................................................................................................. 13
3.5.4
Broedvogels .............................................................................................................. 17
3.5.5
Reptielen ................................................................................................................... 18
3.5.6
Vlinders ..................................................................................................................... 18
3.5.7
Overige ongewervelden ............................................................................................ 19
4
Houtopstanden ........................................................................................................................ 20
5
Conclusies en aanbevelingen.................................................................................................. 20
6
5.1
Welke onderdelen van de Wet natuurbescherming zijn van belang? .............................. 20
5.2
In hoeverre is de beoogde ontwikkeling (mogelijk) strijdig met de Wnb? ........................ 20
5.3
Zijn maatregelen en/of een ontheffing nodig? .................................................................. 21
5.4
Wat betekent dit voor de verdere planvorming en uitvoering? ......................................... 21
5.5
Wat betekent dit voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan? ............................ 21
Literatuur ................................................................................................................................. 22
3/23
Kenmerk
R002-1278875JNA-V01-efm-NL
4/23
R002-1278875JNA-V01-efm-NL
Kenmerk
1 Inleiding Dit hoofdstuk bevat achtergrondinformatie over het doel van de toetsing, de relevante natuurwetgeving, de wijze van kwaliteitsborging en de te hanteren uitgangspunten voor toetsing.
1.1
Doel
In opdracht van Gemeente Nunspeet heeft TAUW onderzoek gedaan naar de consequenties van de Wet natuurbescherming voor de herontwikkeling van het stationsgebied, inclusief de aanleg van ongelijkvloerse spoorkruisingen. De ontwikkeling kan alleen doorgaan als deze niet in strijd is met de natuurwetgeving, of als de benodigde vergunningen en/of ontheffingen kunnen worden verleend. Deze rapportage betreft een actualisatie van de bestaande rapportage met kenmerk R001-1265284WLI-V04-sec (TAUW, 2019a). Deze actualisatie gebeurt mede vanwege een aangepast ontwerp, wijzigingen in het plangebied en wijzigingen in het voorkomen van beschermde soorten. In de rapportage volgt het antwoord op de volgende vragen: • Welke onderdelen van de Wet natuurbescherming (hierna te noemen Wnb) zijn van belang? • • •
1.2
In hoeverre is de beoogde ontwikkeling (mogelijk) strijdig met de Wnb? Zijn maatregelen en/of een ontheffing/vergunning nodig? Wat betekent dit voor de verdere planvorming en uitvoering?
Wetgeving
Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (hierna te noemen “Wnb”) in werking. De Wnb is het nieuwe wettelijke stelsel voor natuurbescherming en vervangt drie tot dan bestaande wetten, namelijk de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. Het beschermingsregime gaat uit van het “nee, tenzij-principe“. Dit betekent dat de genoemde verbodsbepalingen in de Wnb voor bescherming van gebieden, soorten en houtopstanden altijd gelden. Het afwijken hiervan is alleen onder voorwaarden toegestaan. Gedeputeerde Staten (GS) van de provincie Gelderland is het bevoegd gezag voor het verlenen van toestemming door middel van een vergunning, ontheffing of vrijstelling.
1.3
Te beschouwen onderdelen Wnb
Het is noodzakelijk om de ontwikkeling te toetsen aan soortenbescherming vanwege de mogelijke aanwezigheid van flora en fauna. Een toetsing aan beschermde gebieden is reeds uitgevoerd en wordt separaat aangevuld en geactualiseerd, dit betreft met name de effecten van stikstof op Natura 2000 gebieden. Het onderdeel houtopstanden is eveneens van toepassing, omdat een deel van het plangebied buiten de bebouwde kom houtopstanden is gelegen en er bomen zullen worden gekapt. Deze rapportage behandeld zodoende de onderdelen soortenbescherming en houtopstanden.
5/23
Kenmerk
1.4
R002-1278875JNA-V01-efm-NL
Werkwijze
De mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten en houtopstanden is bepaald aan de hand van de volgende gegevens: • Regionale en landelijke verspreidingsatlassen en -data (zie ook H5) • • •
Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) Natuurkaart van TAUW (https://www.TAUW.nl/op-welk-terrein/ecologie/ecoviewer.html) Reeds uitgevoerd soortgericht onderzoek (TAUW, 2019b)
• Een oriënterend veldbezoek op 15 april 2021 Het doel van de literatuurstudie is om na te gaan welke beschermde soorten en houtopstanden in of in de omgeving van het plangebied kunnen voorkomen. De ecoloog controleert tijdens het oriënterende veldbezoek of de locatie voldoet aan eisen die soorten aan hun leefomgeving stellen. Ook kijkt de ecoloog naar aanwijzingen van de aanwezigheid (zichtwaarnemingen en sporen van terreingebruik, zoals holen, uitwerpselen, haren, prooi- of voedselresten).
1.5
Kwaliteit
Voor soortenbescherming is een volledige garantie over de aanwezigheid niet te geven. Door inzet van deskundige ecologen en landelijk geaccepteerde onderzoeksmethodes wordt de kwaliteit van het onderzoek zoveel mogelijk gewaarborgd. Mede in dit kader is TAUW aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus, een samenwerkingsverband van adviesbureaus die ecologisch advies geven en ecologisch onderzoek verrichten.
2 Situatie en beoogde ontwikkeling Dit hoofdstuk bevat achtergrondinformatie over de huidige situatie, het voorgenomen plan en de uit te voeren werkzaamheden.
2.1
Huidige situatie
Figuur 2.1 toont de ligging van het onderzoeksgebied, het onderzoeksgebied is (t.o.v. TAUW, 2019a en b) ruimer en globaal begrensd als gevolg van onzekerheden in het voornemen. Het onderzoeksgebied bestaat uit enkele gebouwen en locaties, de belangrijkste zijn met een letter op kaart weergegeven. Het gaat dan om: A. Het stationsgebouw, ten noorden van het station is tevens een onbewaakte fietsenstalling B. Het stationsplein met daarop een gebouw met een ijssalon en het VVV, ten oosten van het stationsplein is het busstation aanwezig C. Pannenkoekenhuis de Stroopstok, dit pand is eind 2020 gesloopt. Alleen de fundering is nog aanwezig D. De voormalige Emté, dit pand staat grotendeels leeg en wordt beperkt gebruikt als opslag door de Jumbo E. De Jumbo supermarkt met omliggend een ruime parkeerplaats F. Restaurant Joris met bijbehorende parkeerplaats G. De uitkijktoren behorende bij het Veluwetransferium en enkele horecagelegenheden H. De parkeerplaats van het Veluwetransferium met aan de randen een speelvoorziening voor kinderen en verscheidene picknick-/rustplaatsen
6/23
Kenmerk
I.
R002-1278875JNA-V01-efm-NL
Het bezoekerscentrum Nunspeet en Outdoor Centrum Nunspeet
In figuur 2.2 is een sfeerimpressie van het onderzoeksgebied opgenomen.
D
B C
A
E G H
I Figuur 2.1 Ligging en begrenzing van het onderzoeksgebied
7/23
Kenmerk
R002-1278875JNA-V01-efm-NL
Figuur 2.2 Impressie van het plangebied
2.2
Beoogde ontwikkeling
Het voornemen betreft de volledige herinrichting van het stationsgebied met de realisatie van een ongelijkvloerse spoorwegkruising. Bij het voornemen worden daarnaast verkeerstromen van fietsers en gemotoriseerd verkeer zoveel mogelijk gescheiden. In figuur 2.3 is het voorlopige ontwerp (d.d. april 2021) weergegeven. Als gevolg van de herinrichting worden onder andere de volgende werkzaamheden beoogd: Sloop van de bebouwing op het stationsplein, de voormalige Emté en Restaurant Joris -
Renovatie en gedeeltelijke vernieuwing van het stationsgebouw Aanpassingen en vernieuwing van het spoor
8/23
Kenmerk
R002-1278875JNA-V01-efm-NL
-
De kap van bomen verspreid in het onderzoeksgebied
-
Verwijdering, vernieuwing en aanleg van wegen, fiets- en voetpaden Verplaatsing van bushaltes en parkeervoorzieningen Aanleg van twee tunnels onder het spoor
Binnen de grenzen van het onderzoeksgebied gaat de Jumbo mogelijk uitbreiden of vernieuwen, dit is een op zichzelf staande ontwikkeling en wordt dan ook niet meegenomen in de beoordeling. De voorlopige planning is weergegeven in figuur 2.4. De planning is op hoofdlijnen ingevuld en kan nog wijzigen.
Figuur 2.3 Het voorlopige ontwerp (d.d. april 2021)
Figuur 2.4. Een globale planning van het voornemen
9/23