AP 6f. Bijlage Woodstock rapportage 2021
Tekst van het document
(m3/ha)
(m3/ha/j)
(%)
1999 2008
188 190
7,6 6,8
4,0 3,6
2020
209
5,9
2,8
1999 2008
172 181
6,6 6,3
3,8 3,5
2020
199
5,7
2,9
1999 2008
167 195
7,4 6,9
4,4 3,5
2020
176
5,3
3,0
1997 2008
179 192
7,0 7,2
3,9 3,7
2020
195
5,8
3,0
1999 2008
208 227
6,7 6,3
3,2 2,8
2020
220
5,6
2,5
1997 2008
215 220
8,5 8,2
4,0 3,7
2020
199
5,9
3,0
1997 2008
142 207
7,4 8,2
5,2 4,0
2020
201
6,7
3,3
‘97/’99 2008
183 201
7,4 7,1
4,0 3,5
2020
199
5,8
2,9
Voor het gehele multifunctionele bos geldt dat het voorraadniveau (de gemiddelde voorraad per hectare bos) is toegenomen in de periode 1997/1999 - 2008 en gelijk is gebleven in de periode 2008-2020. De individuele deelgebieden laten alle een toename in het voorraadniveau zien in de periode ‘97/’99 - 2008, maar verschillen hierin voor de periode 2008-2020: Provinciebos en de Koloniën laten een toename zien, Stakenberg, Dorpsbossen en Schotkamp zijn qua voorraadniveau nauwelijks veranderd en in het Renteloos Voorschotbos en in Zuiderbos/Middelhart is het voorraadniveau afgenomen, mede door de forse stormschade van januari 2018, na een reguliere dunning in 2017.
16 | S ilv e 20 - 15
On t w ikk el in gen in h et b os v an d e ge meen t e Nu n sp eet Resu lt at en W o od st o ck 1 9 9 7 /1 9 9 9 -2 0 0 8 -2 0 2 0
Het bijgroeiniveau van het multifunctionele bos is afgenomen, van 7,4 m3/ha/j in ‘97/’99 naar 5,8 m3/ha/j in 2020. Er zijn meerdere factoren aan te wijzen die mede oorzaak zijn van de lage bijgroei: -
-
De steeds toenemende ruime stand van het bos speelt een rol (tabel 2.9): in 1997/1999 had 29% van het ‘oudere’ bos een ruime stand en dat aandeel is in 2020 toegenomen tot 58%. Met de afname van de volkomenheidsgraad verliest het bos productie, of anders gezegd, wordt de lopende bijgroei minder. En daarbij is er de laatste jaren door de uitermate droge zomers weinig hout bijgegroeid en dat heeft natuurlijk een negatief effect op de lopende bijgroei.
Toekomstige ontwikkelingen Om de waardes van het voorraadniveau te kunnen duiden is het zinnig om de normale voorraad en de normale bijgroei te berekenen, zodat we kunnen bepalen of een correctie op het voorraadniveau (en daarmee ook op het bijgroeiniveau) wenselijk is. De normale voorraad is het voorraadniveau dat in een evenwichtig bos aanwezig is. Een evenwichtig bos is een bos dat door de tijd heen (min of meer) de relevante eigenschappen behoudt bij een bepaald beheer. Een evenwichtig bos levert dus een in de tijd constante stroom van producten en diensten (duurzaamheid). We benaderen het normale voorraadniveau op de volgende manier: op basis van duizenden gemeten steekproefcirkels in het Nederlandse bos berekenen we per leeftijdsklasse per hoofdboomsoort per ALBOS-type de gemiddelde voorraad en bijgroei. Vervolgens houden we een scheve normale leeftijdsklasse-verdeling volgens Jansen-Sevenster aan, een en ander op basis van de geformuleerde omlopen voor de hoofdboomsoorten. Met nadruk stellen we hier dat het een benadering betreft voor hoe het (wellicht hypothetische) bos in evenwicht er uit zou kunnen zien.
Met de volgende basisgegevens (respectievelijk aandeel, hoofdboomsoort en omloop) 40% GD 100 jaar, 20% DG 80 jaar, 10% EI 125 jaar, 15% BE 70 jaar, 5% BU 125 jaar, 7% AE 80 jaar en 3% LO 70 jaar krijgen we een normale voorraad van 175 m3/ha en een normale bijgroei van 7,3 m3/ha/j. Bij langere omlopen voor GD 125 jaar, EI 150 jaar en BU 150 jaar is de normale voorraad 180 m3/ha met bijbehorende normale bijgroei van 7,1 m3/ha/j. Conclusie: Voor bossen met de wenselijke samenstelling uit tabel 2.4 is, op de bodems van Nunspeet, het normale voorraadniveau 175 - 180 m3/ha en het bijbehorende normale bijgroeiniveau ligt tussen de 7 en de 7,5 m3/ha/j. Er is dus, vanuit overwegingen van duurzaamheid, geen noodzaak om het voorraadniveau verder te laten toenemen. Dit betekent dat men in het beheer voor de duurzaamheid de komende jaren niet terughoudend hoeft te zijn in het oogsten van bomen die dikker zijn dan de doeldiameter. De lopende bijgroei ligt in 2020 lager dan het normale bijgroeiniveau.
S ilv e 21 - 01 | 1 7
On t w ikk el in gen in h et mu lt ifu n ct ion e le b os
2.3.2 Dichtheid ‘ouder’ bos Ontwikkelingen 1997/1999 - 2020 In het multifunctionele bos van Nunspeet kent in 2020 14% van het ‘oudere bos’ 1 een zeer dichte stand, 54% staat ruim en 32% neemt een tussenpositie in (tabel 2.9). Vanaf 1997/1999 is het aandeel ruim staande bossen toegenomen van 27% via 43% in 2008 naar 54% in het huidige bos. Het aandeel zeer dicht bos nam af van 30% in 1997/1999 naar 23% in 2008 en 14% in 2020. De geschetste trend, een toename van het aandeel ruim staand bos en een afname van het aandeel zeer dicht bos zien we terug in de meeste deelgebieden.
Tabel 2.9 | Verdeling van de plots over dichtheidsklassen
Deelgebied
Jaar
Ruim
Matig dicht
Zeer dicht
Provinciebos
Verdeling 1999 (%) Verdeling 2008 (%)
34 53
40 30
26 16
Verdeling 2020 (%)
56
31
13
Verdeling 1999 (%)
24
43
32
Verdeling 2008 (%)
49
31
20
Verdeling 2020 (%)
45
39
16
Verdeling 1999 (%)
39
49
12
Verdeling 2008 (%)
35
44
20
Verdeling 2020 (%)
55
35
10
Verdeling 1997 (%) Verdeling 2008 (%)
32 49
39 36
29 15
Verdeling 2020 (%)
55
32
13
Verdeling 1999 (%) Verdeling 2008 (%)
25 38
49 31
25 31
Verdeling 2020 (%)
60
15
25
Verdeling 1997 (%)
16
31
53
Verdeling 2008 (%)
38
33
30
Verdeling 2020 (%)
57
32
11
Verdeling 1999 (%) Verdeling 2008 (%)
42 44
36 37
21 20
Verdeling 2020 (%)
42
46
12
Grote en Kleine Kolonie
Renteloos Voorschotbos
Stakenberg
Dorpsbossen
Zuiderbos/Middelhart
Schotkamp
Totaal multifunctioneel bos
1
Verdeling 97/99 (%)
29
41
30
Verdeling 2008 (%)
43
34
23
Verdeling 2020 (%)
54
32
14
Plots worden tot ‘ouder bos’ gerekend indien de dg (grondvlak-middenboom) van de heersende boomlaag dikker is dan 20 cm.
18 | S ilv e 20 - 15
On t w ikk el in gen in h et b os v an d e ge meen t e Nu n sp eet Resu lt at en W o od st o ck 1 9 9 7 /1 9 9 9 -2 0 0 8 -2 0 2 0
Toekomstige ontwikkelingen Het is goed om het aandeel zeer dicht staand bos, waarin bomen in het kronendak onvoldoende ruimte hebben om een goede kroon te ontwikkelen, op een laag niveau te houden. Door te blijven dunnen in een cyclus van 5 jaar is het steeds mogelijk om via hoogdunningen de dichtheid van het kronendak te reguleren. Het aandeel zeer dicht bos zou daarbij onder de 20% moeten blijven. De overmaat aan ruim staand bos gaat echter ten koste van de lopende bijgroei ofwel de productiviteit van het bos. Voorlopig lijkt het verstandig om een pas op de plaats te maken bij het dunnen in deze ruim staande bossen. Op termijn komen deze bossen dan weer in beeld bij de dunningen, omdat ofwel het kronendak zich weer gaat sluiten door de kroonuitbreiding van de bomen die zich in de huidige kroonlaag bevinden ofwel omdat ‘van onder af’ de kroonlaag weer dichter wordt door ingroei van jonge bomen. Bij de dichtheidsregulering zou het uiteindelijk moeten gaan om het beperkt houden van het aandeel ruim staand bos, tot maximaal 30%. Het aandeel bos met een tussenpositie, waarin de kronen van de heersende en medeheersende bomen voldoende ruimte hebben om zich te ontwikkelen, zonder dat daarbij de kroonlaag zo open wordt dat er productieverlies optreedt, zou dan minimaal 50% moeten zijn.
2.3.3
Diameterverdeling van de voorraad Ontwikkelingen 1997/1999 - 2020 De diameterverdeling van de staande voorraad in het totale multifunctionele bos (tabel 2.10, figuur 2.4a,b) verschuift naar grotere aandelen in de dikkere diameters. Zo is het voorraadaandeel van de bomen met dbh-klasse 40-50 cm toegenomen van 10% in 1997/1999 naar 18% in 2020. Het voorraadaandeel van bomen in de dbh-klasse 50-60 cm nam toe van 2% in 1997/1999 naar 9% in 2020 en het aandeel van de bomen inde klasse 60-80 cm ging van 1% in 1997/1999 naar 7% in 2020. De aandelen in de geringere afmetingen namen juist af: bomen van 5 tot 20 cm hadden in 1997/1999 een aandeel van 28% terwijl dat in 2020 is gedaald tot 16%. En het aandeel in de klasse 20-30 cm nam af van 35% in ‘97/’99 naar 23% in 2020. Het aandeel van bomen in de klasse 30-40 cm bleef min of meer gelijk.
S ilv e 21 - 01 | 1 9
On t w ikk el in gen in h et mu lt ifu n ct ion e le b os
Tabel 2.10 | Diameterverdeling van de voorraad in multifunctioneel bos
Deelgebied
Jaar
< 20 cm
20-30 cm 30-40 cm 40-50 cm 50-60 cm 60-80 cm
> 80 cm
(%)
(%)
(%)
(%)
(%)
(%)
(%)
1999 2008
29 24
29 20
25 23
12 18
4 11
1 4
0 0
2020
16
21
21
18
14
9
2
1999 2008
26 29
38 28
26 24
8 13
2 5
1 1
0 0
2020
19
24
28
21
5
4
0
1999 2008
36 30
29 26
22 25
9 10
3 6
1 4
0 0
2020
17
27
28
14
7
7
1
1997 2008
20 27
38 25
28 26
10 12
3 8
1 3
0 0
2020
19
22
24
16
12
8
0
1999 2008
17 12
37 28
30 34
16 20
0 5
1 1
0 0
2020
10
17
33
27
12
3
0
1997 2008
30 21
39 31
20 25
8 12
2 6
1 5
0 0
2020
11
24
27
16
8
13
1
1999 2008
37 37
39 29
22 26
1 7
0 1
0 0
0 0
2020
25
24
30
17
4
1
0
Totaal multifunctioneel
‘97/’99 2008
28 25
35 26
24 26
10 13
2 7
1 3
0 0
bos
2020
16
23
26
18
9
7
1
Provinciebos
Grote en Kleine Kolonie
Renteloos Voorschotbos
Stakenberg
Dorpsbossen
Zuiderbos/ Middelhart
Schotkamp
Als we kijken naar de absolute houtvolumes per diameterklasse (figuur 2.4a) dan zien we een afname van de voorraad van bomen met dbh tot 30 cm en een toename van de voorraad van bomen met dbh vanaf 40 cm.
20 | S ilv e 20 - 15
On t w ikk el in gen in h et b os v an d e ge meen t e Nu n sp eet Resu lt at en W o od st o ck 1 9 9 7 /1 9 9 9 -2 0 0 8 -2 0 2 0
Figuur 2.4a | Verschuiving door de tijd van de staande voorraad naar diameterklasse
Multifunctioneel bos 120000
1999 2008
100000
Voorraad (m3)
2020 80000
60000
40000
20000
0 <20cm
20-30cm
30-40cm
40-50cm
50-60cm
60-80cm
>80cm
Diameterklasse
Figuur 2.4b | Verschuiving door de tijd van de diameterklasse-verdeling
Multifunctioneel bos 40
'97/'99
35
2008 2020
30
Aandeel (%)
normaal 25 20 15 10 5 0 <20cm
20-30cm
30-40cm
40-50cm
50-60cm
60-80cm
>80cm
Diameterklasse
S ilv e 21 - 01 | 2 1
On t w ikk el in gen in h et mu lt ifu n ct ion e le b os
Toekomstige ontwikkelingen In tabel 2.11 is de normale diameterverdeling gegeven van het in evenwicht zijnde bos, dat hierboven is beschreven. Zie ook figuur 2.4b, waar de ontwikkeling van de werkelijke verdeling is afgezet tegen de referentie, de normale verdeling.
Tabel 2.11 | Diameterverdeling van de voorraad versus de normale verdeling
Jaar
< 20 cm
20-30 cm
30-40 cm
40-50 cm
50-60 cm
60-80 cm
> 80 cm
(%)
(%)
(%)
(%)
(%)
(%)
(%)
‘97/’99 2008
28 25
35 26
24 26
10 13
2 7
1 3
0 0
2020
16
23
26
18
9
7
1
Normaal
25
25
23
15
8
5
1
Conclusie: Er is in 2020 een ondervertegenwoordiging van bos/voorraad in de jongere fasen cq dunnere diameters. Verder is er een redelijk goede overeenkomst tussen de huidige voorraadverdeling over de dbh-klassen en de normale verdeling. Dit betekent dat er aandacht moet zijn voor het laten doorgroeien van de nu aanwezige verjonging (zie tabellen 2.5 en 2.6), bijvoorbeeld door het stevig (onderling) dunnen in de bossen met diameter 30-50 cm, of door het wegnemen van concurrerende bomen uit de zwaardere diameterklassen.
Tabel 2.12 | Houtoogstprognose* voor het multifunctionele bos
Jaar
Areaal
Dunning
Oogst uit eindkap
Oogst totaal
Oogst per ha
Oogst per ha per jaar
(ha)
(m3)
(m3)
(m3)
(m3/ha)
(m3/ha/j)
2021 2022 2023 2024 2025 2026 2027 2028 2029
498 434 298 175 243 498 434 298 175
2.548 2.018 2.873 2.281 1.986 3.750 2.419 3.958 2.306
5.754 6.594 2.277 572 2.004 5.773 8.122 2.811 505
8.302 8.613 5.150 2.853 3.989 9.523 10.541 6.769 2.811
16,7 19,9 17,3 16,3 16,4 19,1 24,3 22,7 16,0
3,3 4,0 3,5 3,3 3,3 3,8 4,9 4,5 3,2
Koloniën/Provinciebos Zuiderbos/Mhart/Dorpsb Renteloos Voorschotbos Schotkamp Stakenberg/Broodberg Koloniën/Provinciebos Zuiderbos/Mhart/Dorpsb Renteloos Voorschotbos Schotkamp
2030
243
2.393
1.926
4.319
17,8
3,6
Stakenberg/Broodberg
* Alle volumewaardes betreffen spilhout met schors
22 | S ilv e 20 - 15
Betreft deelgebied
On t w ikk el in gen in h et b os v an d e ge meen t e Nu n sp eet Resu lt at en W o od st o ck 1 9 9 7 /1 9 9 9 -2 0 0 8 -2 0 2 0
2.3.4
Oogst Ontwikkelingen 2008 - 2020 In de afgelopen periode is gemiddeld 6.100 m3 werkhout per jaar geoogst. Toekomstige ontwikkelingen Een prognose van de te verwachten hoeveelheid te oogsten hout voor de komende 10 jaar is gegeven in tabel 2.12. Deze is gebaseerd op werkblokken zoals die worden gehanteerd in het bosbeheer van de gemeente Nunspeet. De voorspelde oogst uit dunning is vrij beperkt, omdat de dichtheid van de kroonlaag in het algemeen vrij gering is (tabel 2.9). Er is dan dus geen grote noodzaak om te dunnen, zeker niet in de eerste jaren van de prognose. De oogst uit eindkap wordt berekend door gebruik te maken van doeldiameters. De doeldiameter is een planningsparameter die aangeeft bij welke diameter een boom van een bepaalde soort zal worden geoogst. De volgende doeldiameters zijn gebruikt voor de prognose: grove den en zwarte den 45 cm, douglas 70 cm, lariks 45 cm, eik, beuk en Amerikaanse eik 70 cm en berk 45 cm. De prognose geeft aan dat we voorlopig iets minder oogstvolume kunnen verwachten dan hetgeen de afgelopen periode is geoogst. Gemiddeld genomen zal er volgens het prognosemodel 6.300 m3 spilhout met schors geoogst worden. Dat staat gelijk aan 5.500 m3 werkhout (conversiefactor 0,88).
Overigens is er nogal wat variatie in het houtvolume dat jaarlijks vrij zal komen, hetgeen veroorzaakt wordt doordat het bos in de verschillende werkblokken wisselende eigenschappen heeft. In een evenwichtig bos, met soortensamenstelling zoals aangegeven in tabel 2.4 en een klein aandeel ruim staand bos, is de oogst min of meer gelijk aan de bijgroei (7 - 7,5 m3/ha/j spilhout met schors). Met een conversiefactor van 0,88 zou dat gelijk staan aan een werkhoutvolume van ruim 6 m3/ha/j. Op een oppervlakte van 1.600 ha komen we dan uit op een duurzaam oogstniveau van rond de 10.000 m3 werkhout per jaar. Dat is dus meer dan in het huidige tijdsgewricht wordt geoogst. De geschetste situatie is pas bereikbaar op de lange(re) termijn.
2.3.5
Kwaliteit van de onderstam De kwaliteit van de staande houtvoorraad wordt tijdens de Woodstock-meting beoordeeld aan de hand van veldwaarnemingen aan een aselecte steekproef van bomen. Bomen dunner dan 20 cm zijn niet meegenomen in de beoordeling. De volgende zichtbare stamkenmerken zijn beoordeeld: -
het al dan niet voorkomen van gebreken (beschadigingen en dergelijke) de rechtheid van de eerste 6 meter van de stam de noestigheid/takkigheid van de eerste 6 meter van de stam
De beoordelingen van de verschillende kenmerken zijn verwerkt tot een klassenindeling, die aansluit bij de gangbare Europese indeling in A, B, en C kwaliteit (overzicht 2.1).
S ilv e 21 - 01 | 2 3
On t w ikk el in gen in h et mu lt ifu n ct ion e le b os
NB: De betakking van de onderstam (tot 6 meter dus) wordt als volgt beoordeeld: Goed is minder dan 3 takken dikker dan 2 cm, matig is 3 tot 5 takken dikker dan 2 cm en slecht is meer dan 5 takken dikker dan 2 cm. De rechtheid wordt als volgt beoordeeld: bij naaldhout is een kromming van 1 cm per meter toegestaan, bij loofhout 2 cm per meter.
Overzicht 2.1 | Indeling kwaliteitsklassen van de onderstam
Noestigheid
Wel gebreken
Slecht Matig Goed
Geen gebreken Krom
Recht
C C B
C B A
C C C
De resultaten van de kwaliteitsbeoordeling van de onderstam zijn gegeven in tabel 2.13. Van het aantal beoordeelde bomen (1.155 stuks) waren er 167 met kwaliteit A: een rechte onderstam zonder gebreken en nauwelijks takken. Als we kijken naar het volume-aandeel van de kwaliteit-A bomen dan komen we uit op 19%. De deelgebieden Grote en Kleine Kolonie (8%) en Dorpsbossen (9%) hebben het kleinste aandeel. De andere deelgebieden hebben alle een aandeel in de range van 14%-17%.
Tabel 2.13 | Verdeling van aselect gekozen bomen over de verschillende kwaliteitsklassen
Deelgebied
Aantal Aantal Aandeel Geschat Volume Volume Aandeel Geschat goed beoordeeld goed goed goed beoordeeld goed goed A A A A A A (%) (m3) (m3) (%) (m3)
Provinciebos Grote en Kleine Kolonie Renteloos Voorschotbos Stakenberg Dorpsbossen Zuiderbos/Middelhart
29 7 30 25 9 51
209 90 193 149 106 298
14 8 16 17 9 17
9.009 2.213 8.663 6.536 3.322 9.166
41 13 34 25 12 55
212 88 172 159 98 260
19 15 20 16 13 21
11.379 2.773 8.384 4.873 4.264 9.988
Schotkamp
16
110
15
4.586
20
94
22
4.747
Totaal
167
1.155
15
43.495
201
1.084
19
46.407
24 | S ilv e 20 - 15
On t w ikk el in gen in h et b os v an d e ge meen t e Nu n sp eet Resu lt at en W o od st o ck 1 9 9 7 /1 9 9 9 -2 0 0 8 -2 0 2 0
Veegschade Tijdens het veldwerk is van elke boom in de steekproef aangegeven of de onderstam tekenen van veegschade vertoonde. In tabel 2.14 is het resultaat van deze waarneming samengevat: zo’n 12% van de bomen met diameter kleiner dan 20 cm in de steekproef had veegschade. Voor bomen dikker dan 20 cm is dat maar 2%. In de Dorpsbossen was geen veegschade waarneembaar. De meeste veegschade is aangetroffen in de Grote en Kleine Kolonie (respectievelijk 15% en 8% veegschade) en in de Schotkamp (31% en 13%). In het Provinciebos, het Renteloos Voorschotbos, de Stakenberg en Zuiderbos/Middelhart is nauwelijks veegschade aangetroffen bij bomen dikker dan 20 cm. Er zijn drie mogelijke oorzaken aan te wijzen: 1. de wonden zijn overgroeid, 2. de beschadigde boompjes zijn in een eerder stadium weggedund of 3. de beschadigde boompjes zijn in een eerder stadium dood gegaan.
Tabel 2.14 | Geschat aandeel bomen met veegschade
Dbh < 20 Deelgebied
Aantal plots
Provinciebos Grote en Kleine Kolonie Renteloos Voorschotbos Stakenberg Dorpsbossen Zuiderbos/Middelhart
132 57 109 81 67 128
Schotkamp Totaal
Aantal bomen
Dbh > 20
Aantal geveegd
Fractie geveegd
1.719 797 1.183 1.053 938 1.278
117 121 111 90 0 237
0,07 0,15 0,09 0,09 0,00 0,19
71
891
273
645
7.859
949
Aantal bomen
Aantal geveegd
Fractie geveegd
1075 426 936 653 557 1319
16 34 3 5 0 4
0,01 0,08 0,00 0,01 0,00 0,00
0,31
539
71
0,13
0,12
5505
133
0,02
S ilv e 21 - 01 | 2 5
On t w ikk el in gen in h et mu lt ifu n ct ion e le b os
Tabel 2.15 | Menging in de opstanden
Jaar Deelgebied
Ongemengd (%) Loof
Gemengd (%)
Naald Totaal
lf/lf
lf/nld
nld/lf
nld/nld Totaal
Provinciebos
1999 2008 2020
4 5 3
45 38 36
49 43 39
6 5 10
11 15 13
24 26 27
10 12 11
51 57 61
Grote en Kleine Kolonie
1999 2008 2020
17 18 18
49 35 25
66 53 43
5 9 5
4 9 11
21 27 36
4 2 5
34 47 57
Renteloos Voorschotbos
1999 2008 2020
3 4 3
60 59 51
63 63 54
0 0 0
8 5 6
17 18 20
12 14 20
37 37 46
Stakenberg
1997 2008 2020
5 8 5
52 41 33
57 49 38
6 8 7
10 8 12
16 23 31
11 12 12
43 51 62
Dorpsbossen
1999 2008 2020
0 0 0
63 52 41
63 52 41
1 2 0
2 5 8
22 25 38
12 16 13
37 48 59
Zuiderbos/ Middelhart
1997 2008 2020
5 4 6
70 67 59
75 71 65
1 2 1
3 3 3
7 12 15
14 12 16
25 29 35
Schotkamp
1999 2008 2020
0 0 1
78 68 64
78 68 65
2 1 0
3 2 1
11 17 21
6 12 13
22 32 35
Totaal multifunctioneel bos
97/99 2008 2020
5 5 5
59 52 45
64 57 50
3 3 3
6 7 8
16 21 25
11 12 14
36 43 50
lf/lf en nld/nld: plot gemengd met respectievelijk loofboom- en naaldboomsoorten. lf/nld: gemengd loof-naaldbos met dominantie van loofboomsoorten. nld/lf: gemengd loof-naaldbos met dominantie van naaldboomsoorten.
Tabel 2.16 | Gemiddeld aantal soorten per plot
Deelgebied
1997/1999
2008
2020
Provinciebos Grote en Kleine Kolonie Renteloos Voorschotbos Stakenberg Dorpsbossen Zuiderbos/Middelhart
2,9 2,8 2,2 2,5 3,0 1,9
3,3 3,2 2,5 3,1 4,0 2,3
3,5 3,4 2,8 3,2 4,4 2,8
Schotkamp
1,8
2,2
2,4
Totaal multifunctioneel bos
2,4
2,9
3,2
26 | S ilv e 20 - 15
On t w ikk el in gen in h et b os v an d e ge meen t e Nu n sp eet Resu lt at en W o od st o ck 1 9 9 7 /1 9 9 9 -2 0 0 8 -2 0 2 0
2.4
Bosstructuur De bosstructuur, de wijze waarop de bomen ruimtelijk zijn verdeeld, is niet in één getal te vangen. Zo bestaat de beoordeling van de bosstructuur in de SNL-methodiek (Subsidieregeling Natuur en Landschap) uit 6 deelaspecten: menging, soortensamenstelling, open plekken en struweel, gelaagd bos, dood hout en dikke bomen. In dit hoofdstuk besteden we aandacht aan 5 van deze eigenschappen van het bos (soortensamenstelling hebben we in §2.2 al behandeld). We volgen ook de definities van de verschillende structuur-onderdelen en besteden aandacht aan de waardes van de onderdelen, die volgens de SNL gehaald zouden moeten worden.
2.4.1
Menging Bos wordt gemengd genoemd als de meest voorkomende soort minder dan 80% van het grondvlak inneemt. Daarbij moet bedacht worden dat menging een schaalgevoelige eigenschap is. Dus, bij een definitie van gemengd bos behoort een beschrijving van de schaal waarop de menging wordt beoordeeld. In de Woodstock-inventarisaties, waar wordt gewerkt met steekproefcirkels, bekijken we de mengingsgraad van het bos op de schaal van groepen van (ongeveer) 20 bomen. Dit is dus de meest strikte beoordeling die mogelijk is.
Ontwikkelingen 1997/1999 - 2020 We zien het aandeel gemengd bos toenemen met de tijd (tabel 2.15). Voor het gehele multifunctionele bos geldt dat in 1997/1999 36% van het bos gemengd was tegen 50% in 2020. Dit gaat geheel ‘ten koste van’ het aandeel ongemengd naaldbos, dat afname van 59% naar 45%. Grootste stijger was het bos dat gedomineerd wordt door naaldboomsoorten maar dat een aandeel loofboomsoorten groter dan 20% heeft (nld/lf). De toegenomen mengingsgraad van het bos komt ook tot uiting in de toename van het gemiddelde aantal boomsoorten dat per plot is waargenomen. In tabel 2.16 is te zien dat het gemiddelde aantal soorten per plot voor het totale multifunctionele bos toeneemt van 2,4 in 1997/1999 naar 3,2 in 2020. Het gemiddelde aantal soorten per plot neemt toe in alle deelgebieden en is het hoogst in de Dorpsbossen. Het bos van de Schotkamp scoort op dit punt het laagst.
Toekomstige ontwikkelingen Volgens de SNL-methodiek zou het bos minstens voor 60% gemengd moeten zijn. Hoewel arbitrair lijkt dit een goede grens: ambitieus maar haalbaar. Voor het gehele multifunctionele bos zou er nog minstens 10% gemengd bos bij moeten komen. In verschillende deelgebieden echter is de grens van 60% al gehaald, te weten het Provinciebos (61%) en de Stakenberg (62%). De Koloniën (57%) en de Dorpsbossen (59%) zitten er dicht tegen aan. Deelgebieden die op dit punt minder goed scoren zijn het Renteloos Voorschotbos (46%), Zuiderbos/Middelhart (35%) en de Schotkamp (35%). In deze deelgebieden is het vergroten van het mengingsaandeel dus een duidelijke opgave.
S ilv e 21 - 01 | 2 7
On t w ikk el in gen in h et mu lt ifu n ct ion e le b os
Tabel 2.17 | Procentuele verdeling van bosontwikkelingsfasen aangetroffen rond de steekproefpunten
Ontwikkelingsfase Deelgebied
Jaar
Open
Jong
Dicht
Staken
Boom
Verval
Totaal
Provinciebos
1999 2008
0 7,6
1,5 0,8
15,9 3,0
18,2 27,3
64,4 61,4
0 0
100 100
2020
0,8
3,8
3,0
25,0
67,4
0
100
1999 2008
1,8 1,8
0 0
14,0 3,5
12,3 19,3
71,9 75,4
0 0
100 100
2020
1,7
0
1,7
17,2
79,3
0
100
1999 2008
0 0,9
0 4,6
27,5 2,8
27,5 44,0
45,0 47,7
0 0
100 100
2020
0
6,4
1,8
47,7
44,0
0
100
1997 2008
0 7,4
0 4,9
18,5 4,9
8,6 22,2
64,2 60,5
8,6 0
100 100
2020
0
6,2
2,5
21,0
70,4
0
100
1999 2008
0 1,5
0 1,5
3,0 3,0
19,4 4,5
77,6 89,6
0 0
100 100
2020
0
0
1,5
4,5
94,0
0
100
1997 2008
0 3,1
0 1,6
7,8 0
22,7 21,9
62,5 73,4
7 0
100 100
2020
2,3
2,3
3,1
16,4
75,0
0,8
100
1999 2008
0 1,4
0 0
25,4 8,5
28,2 40,8
46,5 49,3
0 0
100 100
2020
1,4
1,4
2,8
35,2
59,2
0
100
‘97/’99 2008
0,2 3,7
0,3 2
16,1 3,3
20,2 26,8
60,8 64,2
2,5 0
100 100
2020
0,9
3,3
2,5
24,9
68,3
0,2
100
Grote en Kleine Kolonie
Renteloos Voorschotbos
Stakenberg
Dorpsbossen
Zuiderbos/ Middelhart
Schotkamp
Totaal
28 | S ilv e 20 - 15
On t w ikk el in gen in h et b os v an d e ge meen t e Nu n sp eet Resu lt at en W o od st o ck 1 9 9 7 /1 9 9 9 -2 0 0 8 -2 0 2 0
2.4.2
Aandeel open plekken en struweel (het bosmozaïek) Een belangrijk onderdeel van de bosstructuur is de ruimtelijke (‘horizontale’) opbouw van de verschillende ontwikkelingsfasen (het bosmozaïek). In het volgende gaan we uit van een bos waarin verjonging opgroeit met een zekere gelijkjarigheid: groepen bomen of (kleine) vlaktes met bomen die als een cohort opgroeien in een matrix van ouder bos. Dit ‘oudere’ bos betreft het bos in de boomfase, de ontwikkelingsfase die van alle fasen het langst in stand blijft en in een volwassen bosgebied veruit het grootste aandeel heeft. Ter illustratie: in het totale multifunctionele bos van 2020 heeft het bos in de boomfase een aandeel van 68% (tabel 2.17). Andere ontwikkelingsfasen die in het bos kunnen worden onderscheiden zijn de open fase (geen bomen), jonge fase (alleen jonge boompjes, nog geen sluiting), de dichte fase (gesloten, dicht ‘struweel’ van jonge bomen met een hoogte van circa 2 tot 10 meter) en de stakenfase (jong bos met dichte kroonlaag en sterke hoogtegroei, tussen de 10 en 20 meter hoog). Tenslotte is er nog de vervalfase, waarin zeer oud bos met veel oude bomen, dood hout en verspreide verjongingsstadia van verschillende leeftijd. Bos in de vervalfase, zoals hier bedoeld, komt in Nederland nog niet veel voor. In de SNL wordt als criterium het aandeel open/jong bos en struweel gehanteerd.
In de Woodstock wordt het aandeel struweel gelijk gesteld aan het aandeel bos in de dichte fase.
Ontwikkelingen 1997/1999 - 2020 In tabel 2.17 is een overzicht gegeven van de verdeling van de plots over de ontwikkelingsfase. Voor het totale multifunctionele bos zien we een toename van het aandeel bos in de boomfase, van 61% in 1997/1999 naar 68% in 2020. Ook het aandeel bos in de stakenfase nam toe van 20% in ‘97/’99 naar 25% in 2020. Het aandeel bos in de dichte fase nam af van 16% in ‘97/’99 naar minder dan 3% in 2020. Het aandeel open plus jonge fase nam toe van 0,5% in ‘97/’99 naar 4% in 2020. Overigens nam het aandeel open/jong bos in de periode 2008-2020 iets af, van 6% naar 4%. Het Renteloos Voorschotbos heeft een afwijkende verdeling van ontwikkelingsfasen: er is veel minder bos in de boomfase en veel meer bos in de stakenfase, een jonger bosgebied als het ware. Hetzelfde zien we in de Schotkamp, maar minder extreem. Een groter dan gemiddeld aandeel bos in de boomfase treffen we aan in de Dorpsbossen (94%) en in mindere mate de Koloniën (79%) en Zuiderbos/Middelhart (75%).
Toekomstige ontwikkelingen Het criterium ‘aandeel open bos en struweel’ van de SNL geeft aan dat er minstens 5% open bos en struweel zou moeten zijn en dat dit aandeel idealiter minstens 10% is. Er is geen bovengrens gesteld, maar we moeten constateren dat een groot aandeel in multifunctioneel bos nadelig zou zijn voor andere functies van het bos. Wat is dan een acceptabel aandeel? In een zeer simpel model waarin het beheer een gemiddelde omloop van 100 jaar aanhoudt en waarin de open/jonge 10 jaar duurt, de dichte fase ook 10 jaar, de stakenfase 20 jaar en de boomfase 60 jaar zou de evenwichtssituatie bestaan uit 10% open/jonge fase, 10% dichte fase, 20% stakenfase en 60% boomfase. In de SNL-beoordeling mag het aandeel open bos en struweel gelijk gesteld worden
S ilv e 21 - 01 | 2 9
On t w ikk el in gen in h et mu lt ifu n ct ion e le b os
met het aandeel open/jong bos plus het aandeel bos in dichte fase. Daaruit blijkt dat 10% open bos en struweel zeker een reële waarde is om na te streven. Het huidige aandeel open bos en struweel (tabel 2.17) is in het totale multifunctionele bos een kleine 7%. In de komende tijd zal het bos in de dichte fase doorgroeien naar de stakenfase en het nog jongere bos komt in de dichte fase. Om het aandeel open/jong bos aan te vullen is het zaak op voldoende schaal bos te verjongen, bij voorkeur via groepenkap en/of via kleinschalige vlaktes. Veel van het Nunspeetse bos bestaat uit lichtboomsoorten die alleen in voldoende dichtheid opgroeien indien de kroonlaag van de vorige generatie weinig licht tegenhoudt. Echt uitkapbos, waarin alle ontwikkelingsfasen overal naast en door elkaar voorkomen is met het Nederlandse soortenpalet niet mogelijk.
2.4.3
Aandeel gelaagd bos Naast de horizontale structuur is ook de verticale structuur onderdeel van de bosstructuur. In de SNL is dit uitgewerkt onder de noemer ‘aandeel gelaagd bos’. Het aandeel gelaagd bos wordt in de uitwerking van de Woodstock inventarisatie als volgt berekend: van elk plot wordt berekend of het bos ter plekke voldoet aan de definitie van gelaagd bos en het aandeel gelaagd bos is dan simpelweg gelijk aan het aandeel plots met gelaagd bos. Het bos voldoet aan de definitie van gelaagd bos indien -
het gezamenlijke grondvlak van de onderetage groter is dan 25% van het grondvlak van de kroonlaag, of
-
de bedekking van de struiklaag groter is dan 25%
De onderetage betreft alle bomen met dbh groter dan 5 cm die zich onder de dominante kroonlaag bevinden. De positie van de bomen ten opzichte van de kroonlaag wordt in de Woodstock inventarisatie voor alle bomen genoteerd en het grondvlakaandeel van deze bomen kan dus eenvoudig worden berekend. De positie van de boom te opzichte van de dominante kroonlaag is overigens alleen in 2020 specifiek vastgelegd. In eerdere inventarisaties is volstaan met een leeftijdsindicatie: is een boom even oud als het cohort dat de dominante kroonlaag vormt of is de boom jonger dan wel ouder. In veruit de meeste gevallen bevinden de als jonger aangemerkte bomen zich ook wel onder deze kroonlaag, maar voor de wat dikkere jongere bomen gaat dat niet op. Daarom is in de vorige inventarisaties de regel aangehouden dat jongere bomen dikker dan 20 cm zich in de kroonlaag bevinden. Dat is dus een aanname. De struiklaag wordt in Woodstock opgenomen door de bedekking van de aanwezige soorten in de struiklaag te schatten op een vaste steekproefcirkel van 2 are. Tot de struiklaag worden gerekend alle exemplaren van houtige soorten met een hoogte tot 6 meter. Planten lager dan 50 cm worden niet meegerekend. De struiklaag is in 1997/1999 niet opgenomen. Jonge bomen behoren dus ook tot de struiklaag, mits ze lager zijn dan 6 meter.
30 | S ilv e 20 - 15
On t w ikk el in gen in h et b os v an d e ge meen t e Nu n sp eet Resu lt at en W o od st o ck 1 9 9 7 /1 9 9 9 -2 0 0 8 -2 0 2 0
Ontwikkelingen 2008 - 2020 Het aandeel gelaagd bos van het gehele multifunctionele bos nam toe van 30% in 2008 naar 37% in 2020 (tabel 2.18). Er zijn grote verschillen tussen de deelgebieden. Koplopers zijn de Dorpsbossen (88% in 2020) en de Koloniën (67%). Het Renteloos Voorschotbos (18%), de Schotkamp (23%), het Provinciebos (24%) en de Stakenberg (28%) hebben een veel kleiner aandeel gelaagd bos. Het Zuiderbos/Middelhart (38%) zit op het gemiddelde.
Tabel 2.18 | Aandeel gelaagd bos Deelgebied
2008 (%)
2020 (%)
Provinciebos Grote en Kleine Kolonie Renteloos Voorschotbos Stakenberg Dorpsbossen Zuiderbos / Middelhart
25,8 61,4 12,8 28,4 65,7 18,8
24,2 66,7 18,4 28,4 88,1 38,3
Schotkamp
28,2
22,5
Alle multifunctioneel bos
30,4
36,6
Onderetage Het voorkomen van de onderetage ten opzichte van de kroonlaag in het totale multifunctionele bos nam toe, van bijna 9% in 2008 naar bijna 12% in 2020 (tabel 2.19). Deze verhouding nam toe in alle deelgebieden. Het aandeel plots, waarvan het aandeel onderetage groter is dan 25% (en daarmee volgens de definitie het aandeel gelaagd bos dat geassocieerd is met een onderetage) is in het totale multifunctionele bos toegenomen van bijna 16% in 2008 naar bijna 20% in 2020. Zowel in het aandeel bos met onderetage > 25% als in de verandering daarin zijn er verschillen tussen de deelgebieden. Het bos van de Grote en Kleine Kolonie heeft met 37% het grootste aandeel plots met meer dan 25% onderetage. Het Renteloos Voorschotbos is met 10% het bos met het geringste aandeel. Maar dit aandeel nam hier wel toe, van 5% in 2008. Andere bosgebieden met een stijging van dit aandeel zijn de Dorpsbossen (van 19% in 2008 naar 27% in 2020) en het Zuiderbos/Middelhart (van 7% in 2008 naar 17% in 2020).
S ilv e 21 - 01 | 3 1
On t w ikk el in gen in h et mu lt ifu n ct ion e le b os
Tabel 2.19 | Verdeling van de plots over het aandeel van de onderetage
Deelgebied
Provinciebos
2008
2020
Verhouding onderetage/kroonlaag
Aandeel plots (%)
Aandeel plots (%) 31,1
0%
34,9
> 0%-10%
30,3
33,3
>10%-25%
18,2
18,9
> 25%
16,7
16,7
9,3
10,7
24,6
21,1
Gemiddelde verhouding Grote en Kleine Kolonie
0% > 0%-10%
24,6
28,1
> 10%-25%
17,5
14,0
> 25%
33,3
36,8
15,0
18,7
Gemiddelde verhouding Renteloos Voorschotbos
0%
51,4
49,5
> 0%-10%
34,9
32,1
> 10%-25%
9,2
8,3
> 25%
4,6
10,1
3,5
5,4 24,7
Gemiddelde verhouding Stakenberg
0%
24,7
> 0%-10%
32,1
35,8
> 10%-25%
19,8
14,8
> 25%
23,5
24,7
13,2
11,9
4,5
1,5
Gemiddelde verhouding Dorpsbossen
0% > 0%-10%
56,7
26,9
>10%-25%
19,4
44,8
> 25%
19,4
26,8
12,9
20,4
Gemiddelde verhouding Zuiderbos / Middelhart
0%
36,7
25,8
> 0%-10%
42,2
33,6
>10%-25%
14,1
23,4
> 25%
7,0
17,2
5,1
11,8
Gemiddelde verhouding Schotkamp
0%
53,5
47,9
> 0%-10%
14,1
18,3
>10%-25%
14,1
15,5
> 25%
18,3
16,9
8,4
8,6 30,2
Gemiddelde verhouding Totaal multifunctioneel bos
Gemiddelde verhouding
32 | S ilv e 20 - 15
0%
34,7
> 0%-10%
34,1
30,7
>10%-25%
15,6
19,4
> 25%
15,5
19,5
8,6
11,7
On t w ikk el in gen in h et b os v an d e ge meen t e Nu n sp eet Resu lt at en W o od st o ck 1 9 9 7 /1 9 9 9 -2 0 0 8 -2 0 2 0
Struiklaag Het aandeel plots met een struiklaagbedekking van 25% of meer in het totale multifunctionele bos bleef in de periode 2008-2020 min of meer gelijk: 23% in 2008 en 24% in 2020 (tabel 2.20). Deelgebied de Dorpsbossen heeft veruit het grootste aandeel bos met een struiklaagbedekking van meer dan 25%, namelijk 82% in 2020. In het bos van de Stakenberg (6%) en de Schotkamp (7%) is het aandeel het kleinst.
Tabel 2.20 | Verdeling van de plots over de bedekkingsklassen van de struiklaag
Bedekkingsklasse van de struiklaag Deelgebied
Jaar
0
> 0-10%
> 10-25%
> 25-50%
> 50%
Totaal
Provinciebos
2008
8
48
24
14
6
100
2020
10
66
12
8
4
100
Grote en Kleine
2008
3
16
30
30
21
100
Kolonie
2020
2
24
35
25
14
100
Renteloos
2008
11
62
15
7
5
100
Voorschotbos
2020
5
57
23
8
7
100
Stakenberg
2008
7
46
32
12
3
100
2020
9
68
17
5
1
100
2008
0
5
28
45
22
100
2020
0
3
15
37
45
100
Dorpsbossen
Zuiderbos/
2008
7
69
17
5
2
100
Middelhart
2020
3
38
32
18
9
100
Schotkamp
2008
20
44
18
11
7
100
2020
14
49
30
6
1
100
Totaal multi-
2008
8
46
23
15
8
100
functioneel bos
2020
6
47
23
14
10
100
In tabel 2.21 is een overzicht gegeven van de soortensamenstelling van de struiklaag. Naar schatting is 18% van de totale bosoppervlakte bezet met struiken. Dat is nagenoeg gelijk aan de situatie in 2008. Die 18% is op te delen in 6% inheemse loofboomsoorten (meest berk en lijsterbes), 2% uitheemse loofboomsoorten (voornamelijk Amerikaanse eik), 3% grove den, 2% uitheemse naaldboomsoorten (hoofdzakelijk douglas), 1% inheemse struiksoorten (braam en vuilboom) en 3% uitheemse struiken (krent).
S ilv e 21 - 01 | 3 3
On t w ikk el in gen in h et mu lt ifu n ct ion e le b os
Totaal
Schotkamp
Zuiderbos/ Middelhart
Dorpsbossen
Stakenberg
Provinciebos
Gr. en Kl. Kolonie
Renteloos Voorschot
Tabel 2.21 | Soortensamenstelling (bedekkingspercentage) van de struiklaag*
Soort
2008 2020 2008 2020 2008 2020 2008 2020 2008 2020 2008 2020 2008 2020 2008 2020
Berk Beuk Eik Lijsterbes
2,1 0,5 2,2 0,6
1,9 0,2 0,3 0,3
3,5 0,7 5,5 2,1
3,5 0,7 1,4 4,3
0,8 0,2 0,6 0,4
1,0 0,2 0,7 0,5
5,7 0,2 2,3 0,5
1,9 0,2 0,1 0,2
3,3 0,6 3,6 5,1
2,0 0,5 0,1 0,2
7,0 0,6 0,1 0,2
6,0 0,1 1,4 0,1
3,1 0,2 0,3 0,2
2,9 0,4 2,2 0,8
3,1 0,2 0,3 1,2
Totaal IL
5,3
2,6 11,8
9,8
2,0
2,5
8,7
2,4 11,7 12,7
2,8
8,9
7,6
3,8
6,2
5,5
Am. eik Am. vkers
1,0 0,2
0,5 0,1
5,2 0,1
4,6 0,1
0,1 < 0,1 0,3 0,3
1,2 0,1
0,2 0,1
4,5 10,6 0,3 2,6
0,1 < 0,1 < 0,1 0 0,1 0,1 < 0,1 < 0,1
1,4 0,1
1,7 0,4
Totaal UL
1,2
0,6
5,3
4,8
0,4
0,3
1,3
0,2
4,9 13,5
0,2
0,1
0,1 < 0,1
1,5
2,2
Grove den 1,5
2,5
1,0
1,8
1,6
5,6
0,7
2,7
0,1
0,7
1,5
5,8
3,4
1,7
1,4
3,3
Totaal IN
1,5
2,5
1,0
1,8
1,6
5,6
0,7
2,7
0,1
0,8
1,5
5,9
3,4
1,7
1,4
3,3
Douglas
1,8
0,8
2,9
2,3
2,2
1,1
1,1
1,0
0,3
0,3
3,2
3,1
2,0
2,2
2,0
1,7
Totaal UN 2,0
1,3
2,9
2,3
2,5
1,9
1,2
1,4
0,5
0,5
3,9
5,6
2,6
3,1
2,3
2,2
Braam Vuilboom
0,3 0,4 0,1 < 0,1
6,4 1,0
2,1 1,0
0 0,3
0 0,2
0,5 0,1
0,1 0
0,9 1,8
1,7 0 < 0,1 0,2 4,2 < 0,1 < 0,1 < 0,1
0,6 0,1
0,8 0,4
0,5 0,6
Totaal IS
0,4
0,4
7,6
4,4
0,3
0,2
0,6
0,1
3,0
6,4 < 0,1
Krent
4,1
2,5
2,4
2,5
3,8
4,1
0,5
0,5 17,8 15,8
Totaal US 4,1
2,5
2,4
2,5
3,8
4,1
0,5
Totaal
9,9 31,2 25,6 10,6 14,6 13,0
14,5
3,1 0,3 5,6 2,6
0,1
0,2
0,8
1,2
1,4
0,1
0,1
0,1
0,2
3,9
3,4
0,5 17,8 15,8
0,1
0,1
0,1
0,2
3,9
3,4
7,3 37,8 49,7
8,4 20,7 13,9
9,5 16,6 18,0
* Alleen de belangrijkste soorten worden hier weergegeven; de som van de bedekkingen van de aangegeven soorten is dus niet noodzakelijkerwijs gelijk aan de bedekking van de soortgroep.
Toekomstige ontwikkelingen De SNL legt de lat voor het aandeel gelaagd bos bij 40%. In het huidige bos is het betreffende aandeel 37% (toegenomen van 30% in 2008), dus we kunnen verwachten dat met het voortschrijden van de bosontwikkeling die 40% op korte termijn gehaald zal worden.
34 | S ilv e 20 - 15
On t w ikk el in gen in h et b os v an d e ge meen t e Nu n sp eet Resu lt at en W o od st o ck 1 9 9 7 /1 9 9 9 -2 0 0 8 -2 0 2 0
2.4.4
Dood hout In de SNL-beoordeling van de bosstructuur wordt ook de hoeveelheid dood hout betrokken. Voor de SNL gaat het om het gemiddelde aantal dode stammen per hectare bos. Daarbij tellen alleen die stammen mee, die een dikte groter dan 30 cm hebben en waarvan de lengte minstens 10 meter bedraagt.
Ontwikkelingen 1997/1999 - 2020 In het totale multifunctionele bos zien we een toename van het aantal dikke dode stammen in de periode 1997/1999 – 2008, van 0,5 naar 3,2 stuks per ha (tabel 2.22). In de periode 2008-2020 is dat aantal nauwelijks nog toegenomen (3,4 stuks per ha). De deelgebieden met het hoogste aantal dikke dode bomen per ha zijn de Koloniën (5,1 stuks per ha) en de Dorpsbossen (4,2 stuks per ha). De deelgebieden met het minste aantal dikke dode bomen zijn de Stakenberg (2,0 stuks per ha) en het Renteloos Voorschotbos (2,3 stuks per ha).
Tabel 2.22 | Aantal dikke dode stammen per ha
Deelgebied
‘97/’99
2008
2020
(stuks per ha)
(stuks per ha)
(stuks per ha)
Provinciebos Grote en Kleine Kolonie Renteloos Voorschotbos Stakenberg Dorpsbossen Zuiderbos / Middelhart
0,4 0,4 0 1,0 1,9 0,1
4,0 5,1 0,8 3,3 5,1 2,6
3,8 5,1 2,3 2,0 4,2 3,8
Schotkamp
0
3,2
3,4
Alle multifunctioneel bos
0,5
3,2
3,4
De SNL bekijkt dus alleen de dode stammen dikker dan 30 cm. Maar eigenlijk is al het dode hout van belang voor de biodiversiteit. Daarom geven we in tabel 2.23 een overzicht van de ontwikkeling van de totale voorraad staand dood hout. Tabel 2.24 betreft de voorraad staand dood hout en tabel 2.25 tenslotte de voorraad liggend dood hout. Deze tabellen zijn gegeven in volumeeenheden en dus niet, zoals in de SNL, in stamtallen. We zien dat de totale hoeveelheid dood hout in het totale multifunctionele bos in de periode 1997/1999 - 2008 toenam, van 4,0 m3/ha naar 12,6 m3/ha om vervolgens weer iets af te nemen naar 10,8 m3/ha in 2020 (tabel 2.23). Dit patroon is zowel voor het staande als het liggende dode hout waarneembaar.
S ilv e 21 - 01 | 3 5
On t w ikk el in gen in h et mu lt ifu n ct ion e le b os
Toekomstige ontwikkelingen Volgens de SNL zou het aantal dikke dode stammen meer dan 9 stuks per ha moeten bedragen. Dat aantal wordt in het huidige bos dus nog lang niet gehaald. Het is overigens de vraag of het voor het multifunctionele bos gewenst is om zoveel dikke dode bomen/stammen aan te houden. Wellicht is het goed om te streven naar minstens 6 dikke dode stammen per ha. Het houtvolume van deze 6 stammen per ha is natuurlijk afhankelijk van de diameters van de stammen en ook van de houtsoort. Stel het gaat bijvoorbeeld voornamelijk om grove dennen van gemiddeld 40 cm dik dan hebben 6 stammen per ha een volume van 7 m3/ha. Dat is dan liggend plus staand dood hout dikker dan 30 cm. Tel daar bij op een aantal kuubs voor het dunnere dode hout en dan lijkt een ondergrens voor het na te streven houtvolume van dood hout van 10 m3/ha een redelijke waarde. Het huidige niveau is bijna 11 m3/ha, maar we komen dus stammen dikker dan 30 cm tekort.
Tabel 2.23 | Totale voorraad dood hout
Deelgebied
Provinciebos
Grote en Kleine Kolonie
Renteloos Voorschotbos
Stakenberg
Dorpsbossen
Zuiderbos / Middelhart
Schotkamp
Totaal
36 | S ilv e 20 - 15
Jaar
Inheems loof
Uitheems loof
Grove den
Uitheems naald
Totaal dood
Totaal levend
Dood/ Levend
(m3/ha)
(m3/ha)
(m3/ha)
(m3/ha)
(m3/ha)
(m3/ha)
(%)
1999 2008
1,5 2,9
1,9 7,0
0,2 1,1
1,2 5,2
4,8 16,2
188 190
2,5 8,5
2020
1,9
5,2
0,5
3,1
10,7
209
5,1
1999 2008
1,0 1,4
1,5 9,9
0,0 0,4
0,0 0,2
2,5 11,8
172 181
1,5 6,5
2020
2,9
9,8
0,0
1,3
14,0
199
7,0
1999 2008
0,3 0,9
1,2 4,4
0,1 0,4
0,4 2,5
2,0 8,2
167 195
1,2 4,2
2020
1,2
4,8
0,1
3,0
9,2
176
5,2
1997 2008
0,3 1,6
2,5 7,7
0,0 0,1
0,1 1,9
2,8 11,3
179 192
1,6 5,9
2020
1,3
5,5
0,1
0,6
7,5
195
3,9
1999 2008
0,6 1,1
6,9 8,5
0,0 0,0
1,1 3,7
8,5 13,2
208 227
4,1 5,8
2020
0,9
11,0
0,2
1,9
13,9
220
6,3
1997 2008
1,5 1,6
1,6 7,9
0,0 0,1
0,4 4,8
3,5 14,3
215 220
1,6 6,5
2020
2,2
6,0
0,1
2,1
10,5
199
5,3
1999 2008
0,9 0,6
1,1 7,8
0,0 0,0
3,0 3,9
5,0 12,2
142 207
3,5 5,9
2020
2,2
7,8
0,0
2,5
12,5
201
6,2
’97-‘99 2008
0,9 1,6
2,2 7,2
0,1 0,4
0,9 3,5
4,0 12,6
183 201
2,2 6,3
2020
1,8
6,6
0,2
2,3
10,8
199
5,4
On t w ikk el in gen in h et b os v an d e ge meen t e Nu n sp eet Resu lt at en W o od st o ck 1 9 9 7 /1 9 9 9 -2 0 0 8 -2 0 2 0
De voorraad staand dood hout (tabel 2.24) verdubbelde in de periode 1997/1999 - 2008 van 1,9 m3/ha naar 3,8 m3/ha, maar nam in de periode 2008 - 2020 weer iets af naar 3,1 m3/ha. In de meeste deelgebieden nam de voorraad staand dood hout iets af in de afgelopen periode, behalve in de Dorpsbossen. Daar treffen we ook het meeste staande dode hout aan, namelijk 6 m3/ha.
Tabel 2.24 | Ontwikkeling van de voorraad staand dood hout
Deelgebied
Provinciebos
Grote en Kleine Kolonie
Renteloos Voorschotbos
Stakenberg
Dorpsbossen
Zuiderbos / Middelhart
Schotkamp
Totaal
Jaar
Inheems loof
Uitheems loof
Grove den
Uitheems naald
Totaal
(m3/ha)
(m3/ha)
(m3/ha)
(m3/ha)
(m3/ha)
1999 2008
1,2 1,0
0,1 0,3
0,2 1,5
1,0 1,5
2,5 4,3
2020
1,2
0,4
0,7
1,3
3,6
1999 2008
0,8 0,4
< 0,1 0,1
0,5 3,8
< 0,1 0
1,3 4,3
2020
1,8
< 0,1
2,0
< 0,1
3,8
1999 2008
0,2 0,2
0 0,3
0,4 1,9
0,1 0,8
0,7 3,2
2020
0,4
0
1,2
0,4
2,0
1997 2008
0,1 0,4
0 < 0,1
1,4 2,7
0,1 0,5
1,6 3,5
2020
0,7
< 0,1
1,8
0,3
2,8
1999 2008
0,3 0,4
0 0
2,4 2,6
0,7 0,4
3,4 3,5
2020
0,4
0,2
4,2
1,2
6,1
1997 2008
0,9 0,7
< 0,1 0
1,6 1,7
0,3 0,7
2,8 3,1
2020
0,8
0
0,8
0,7
2,3
1999 2008
0,6 0,2
0 0
0,3 3,8
0,2 1,0
1,2 5,0
2020
0,7
0
1,3
0,3
2,3
’97-‘99 2008
0,6 0,5
< 0,1 0,1
0,9 2,3
0,4 0,8
1,9 3,8
2020
0,9
0,1
1,5
0,7
3,1
S ilv e 21 - 01 | 3 7
On t w ikk el in gen in h et mu lt ifu n ct ion e le b os
De voorraad liggend dood hout (tabel 2.25) is groter dan de voorraad staand dood hout en bedraagt in 2020 bijna 8 m3/ha. Dat was in 2008 9 m3/ha en in 1997/1999 2 m3/ha. De deelgebieden met het meeste volume aan liggend dood hout zijn de Koloniën en de Schotkamp, beide met 10 m3/ha.
Tabel 2.25 | Ontwikkeling van de voorraad liggend dood hout
Deelgebied
Provinciebos
Grote en Kleine Kolonie
Renteloos Voorschotbos
Stakenberg
Dorpsbossen
Zuiderbos / Middelhart
Schotkamp
Totaal
38 | S ilv e 20 - 15
Jaar
Inheems loof
Uitheems loof
Grove den
Uitheems naald
Totaal
(m3/ha)
(m3/ha)
(m3/ha)
(m3/ha)
(m3/ha)
1999 2008
0,3 1,9
< 0,1 0,7
1,7 5,5
0,2 3,7
2,3 11,9
2020
0,6
0,1
4,5
1,8
7,1
1999 2008
0,2 1,0
0 0,3
1,0 6,0
0 0,2
1,2 7,5
2020
1,1
0
7,8
1,3
10,2
1999 2008
0,1 0,7
0,1 0,1
0,8 2,5
0,3 1,7
1,3 5,0
2020
0,8
0,1
3,6
2,7
7,2
1997 2008
0,2 1,2
0 < 0,1
1,0 5,0
0 1,5
1,2 7,7
2020
0,6
0,1
3,7
0,3
4,7
1999 2008
0,3 0,6
< 0,1 0
4,4 5,9
0,4 3,2
5,1 9,8
2020
0,5
0
6,8
0,6
7,9
1997 2008
0,6 0,9
0 0,1
0 6,2
0,1 4,1
0,7 11,2
2020
1,5
0,1
5,2
1,5
8,2
1999 2008
0,3 0,4
0 0
0,8 4,0
2,7 2,8
3,8 7,2
2020
1,5
0
6,5
2,1
10,1
’97-‘99 2008
0,3 1,0
0 0,2
1,3 4,9
0,5 2,7
2,1 8,8
2020
0,9
0,1
5,1
1,6
7,7
On t w ikk el in gen in h et b os v an d e ge meen t e Nu n sp eet Resu lt at en W o od st o ck 1 9 9 7 /1 9 9 9 -2 0 0 8 -2 0 2 0
2.4.5
Bos met dikke bomen Het laatste onderdeel van de bosstructuur in dit rapport betreft het aandeel bos met dikke bomen. Onder ‘bos met dikke bomen’ wordt in dit verband verstaan alle bos waarin bomen met een dbh groter dan 50 cm voorkomen in een dichtheid van meer dan 8 stuks per ha. Deze definitie wordt ook in de SNL gebruikt. In de Woodstock-inventarisatie wordt dit aspect meegenomen door op elk steekproefpunt vast te stellen of er zich binnen een straal van 20 meter een boom bevindt die dikker is dan 50 cm. Als dit inderdaad het geval is voldoet het punt aan de definitie van bos met dikke bomen. (Het voorkomen van 1 dikke boom op een cirkel met straal 20 meter staat namelijk gelijk aan een dichtheid van 8 stuks per ha.) Het aandeel bos met dikke bomen is dan eenvoudigweg het aandeel van de plots die voldoen aan de definitie. NB: De SNL-methodiek, en daarmee deze definitie, is nog niet zo lang van kracht en daarom is de specifieke manier van opnemen van dikke bomen niet toegepast in de inventarisaties van 1997/1999 en 2008. Om toch iets te zeggen over het aandeel bos met dikke bomen bekijken we op de destijds gemeten plots of er bomen dikker dan 50 cm voorkomen en berekenen op basis daarvan het aandeel bos met dikke bomen.
Dat zou hetzelfde zijn als de huidige manier van opnemen indien alle plots met een cirkel met een straal van 20 meter zouden zijn gemeten, maar dat is lang iet altijd het geval. Als we ons baseren op de vaak kleinere cirkels van de reguliere opname dan zorgen we (noodgedwongen) voor een onderschatting van het aandeel bos met dikke bomen, omdat op een deel van de plots geen bomen met dbh groter dan 50 cm voorkomen, maar wel binnen een cirkel met straal 20 meter. Voor de inventarisatie van 2020 kunnen we berekenen hoe groot die onderschatting is omdat we beide methodes kunnen vergelijken. Voor het gehele multifunctionele bos komen we met de correcte methode uit op 37,7% en met de onderschatting op 26,4%. Dat is dus een onderschatting van 11,3%. Gerelateerd aan de correcte waarde (37,7%) is dat dus een relatieve onderschatting van 11,3/37,7= 30%. De waardes van 1997/1999 en 2008 moeten dus in dit licht worden bekeken.
Ontwikkelingen 1997/1999 - 2020 Voor het totale multifunctionele bos komt het aandeel bos met dikke bomen in 2020 uit op bijna 38% (tabel 2.26). Het (onderschatte) aandeel was in 1997/1999 12% en in 2008 24%. Als we de 30%-correctie toepassen dan zouden die waardes groter worden: 16% in 1997/1999 en 32% in 2008. Er is behoorlijk wat verschil tussen de deelgebieden: het Provinciebos (47%), de Stakenberg (45%) en de Dorpsbossen (50%) scoren alle boven de 45%, terwijl het Renteloos Voorschotbos (30%), Zuiderbos/Middelhart (29%) en de Schotkamp (26%) alle onder de 30% bos met dikke bomen zitten. Het deelgebied Grote en Kleine Kolonie (34%) zit ongeveer op het gemiddelde.
S ilv e 21 - 01 | 3 9
On t w ikk el in gen in h et mu lt ifu n ct ion e le b os
Tabel 2.26 | Aandeel bos met dikke bomen
Deelgebied
Provinciebos Grote en Kleine Kolonie Renteloos Voorschotbos Stakenberg Dorpsbossen Zuiderbos / Middelhart Schotkamp Alle multifunctioneel bos
‘97/’99
2008
2020
(%)
(%)
(%)
19,4 15,3 15,4 11,7 8,3 8,0
32,9 30,6 21,8 23,3 27,8 19,6
47,4 34,4 29,5 45,1 50,5 29,3
0
11,3
26,4
12,1
24,4
37,7
Toekomstige ontwikkelingen De SNL legt de lat bij een aandeel bos met dikke bomen van 40% Gezien de voortschrijdende bosontwikkeling en de toename van het aandeel in de afgelopen 20 jaar is het haalbaar en te verwachten dat het totale multifunctionele bos in de komende periode over die grens van 40% zal geraken. Zoals gezegd is dit reeds het geval voor het Provinciebos, de Stakenberg en de Dorpsbossen. In de andere deelgebieden is het vergroten van het aandeel bos met dikke bomen dus een grotere prioriteit en ook een behoorlijke uitdaging, omdat de grens van 50 cm voor het beschikbare boomsoortenpalet (veelal grove den, eik, berk) en de beschikbare bodems (arme, droge zandgronden) geen makkelijk te bereiken dbh is. De enige soort die de grens van 50 cm makkelijk, dat wil zeggen al bij redelijk jonge leeftijd, kan bereiken is de douglas.
40 | S ilv e 20 - 15
On t w ikk el in gen in h et b os v an d e ge meen t e Nu n sp eet Resu lt at en W o od st o ck 1 9 9 7 /1 9 9 9 -2 0 0 8 -2 0 2 0
2.5
Beheer Het beheer van het bos is toekomstgericht, maar moet uit gaan van het bestaande bos, waarvan de eigenschappen in deze inventarisatie zijn vastgesteld. Rond het beheer wordt discussie gevoerd over aspecten van het bos die op dit moment van belang worden geacht. De duurzaamheid van het bos staat onder druk onder invloed van verzuring, verdroging en vermesting. De nutriëntenbalans in de bosbodems is en wordt nog steeds verstoord en steeds meer effecten daarvan worden duidelijk, waardoor er zorgen zijn over de duurzaamheid van het bossysteem. De verandering in het klimaat leidden in de periode 2018-2020 tot opeenvolgende droge zomers met substantiële neerslagtekorten en extreem hoge temperaturen. Tegelijkertijd is er aandacht voor de opslag van koolstof in het bossysteem (bovengronds en in de bodem). Dit alles leidt er toe dat in het beheer van het multifunctionele bos deze aspecten aandacht dienen te krijgen. Op basis van de groeiplaatskwaliteit, kan op ca. 75% van de oppervlakte van het multifunctionele bos een matige tot redelijke houtproductie plaats vinden. De productieboomsoorten zullen vooral grove den en douglas zijn met mogelijk een verschuiving naar loofboomsoorten. Ter wille van de andere functies van het bos en de continuïteit daarin is het opportuun om te streven naar een meer gemengde bossamenstelling.
Loofboomsoorten met een goede C/N verhouding zullen een substantieel onderdeel moeten gaan vormen van het bos. Deze soorten dragen in mindere mate bij aan de productiefunctie van het bos, maar zijn van groot belang voor een gunstiger strooiselvertering en bodemopbouw. Dit is van belang voor een goede mineralenopbouw in de bodem, het organische stof gehalte daarvan en een beter bodemleven. Dit zorgt niet alleen voor een groter vochthoudend vermogen van de bodem, maar draagt eveneens bij aan de vastlegging van koolstof in het bos. Een groter vochthoudend vermogen is van belang vanwege de droogte in de zomers. De inbreng van rijk-strooisel soorten kan enerzijds door het aanplant van deze soorten en anderzijds door de beperking van de invloed van het wild, door verlaging van de stand en/of het lokaal toepassen van wildafweer. Op de arme en matige groeiplaatsen kunnen vooral berk en lijsterbes een rol spelen en wellicht ook ratelpopulier en boswilg. De laatste twee zijn echter pure pioniersoorten, die veel licht nodig hebben en daarom minder goed passen in het kleinschalige bosbeheer. Uit de inventarisatie blijkt dat berk en esdoorn in de verjonging een groter aandeel hebben dan in het opgaande bos.
Door het beheer te richten op het laten in- en doorgroeien van deze verjonging in het bossysteem, kan het vergroten van het aandeel van deze gewenste soorten betrekkelijk eenvoudig gerealiseerd worden. Op de wat betere gronden is wellicht de inbreng van esdoorn aan te bevelen. In de verjonging komen berk en lijsterbes al relatief veel voor. Het zou goed zijn de wilddruk te verminderen om deze soorten de kans te geven door te groeien en een plaats te vinden in het bestaande bos. Het aandeel grove den in het bos zal geleidelijk verder af nemen, op de gronden met gemiddelde groeiverwachting ligt het niet voor de hand om te verjongen met grove den. Dit betekent niet dat alle grove den-opstanden persé geveld zullen worden, een deel daarvan zal nog lang deel uitmaken van het bos. Op de 25% armere gronden is het verjongen met grove den ook nog steeds een adequate keuze om de productiecapaciteit van het bos in stand te houden.
S ilv e 21 - 01 | 4 1
On t w ikk el in gen in h et mu lt ifu n ct ion e le b os
We zien dat de klimatologische veranderingen leiden tot het minder geschikt worden van onze groeiplaatsen voor fijnspar en lariks. Ook de beuk kan op droge groeiplaatsen in het gedrang raken. Het ligt niet voor de hand om deze soorten nog aan te planten. De douglas lijkt vooralsnog minder gevoelig voor de droogte, en zal zich door natuurlijke verjonging nog wel wat kunnen uitbreiden in aandeel. Wat betreft de houtoogst en de dichtheidsregulering (dunning) stellen we vast dat het regulier dunnen van het al ruim staande deel van het bos niet aan de orde is. In deze opstanden dient eventuele kap gericht te zijn op het laten in- en doorgroeien van een nieuwe generatie in het bos. In paragraaf 2.2.3 is aangetoond dat het aandeel bomen van < 20 en 20-30 cm. Is ondervertegenwoordigd dus het is zaak om de verjonging voldoende licht en ruimte te geven om te kunnen doorgroeien naar deze afmetingen. Het aandeel bos in de jongste fase blijft enigszins achter dus het stimuleren van de verjonging en de doorgroei daarvan is een van de opdrachten voor de komende periode. Dit kan het best gebeuren door het kappen van de bomen die de vastgestelde doeldiameter bereikt hebben. Door dit bij wijze van uitkap te doen wordt de productiecapaciteit van de groeiplaats beter benut en wordt voorkomen dat in de toekomst kaalkap nodig is voor het tot stand brengen van een volgende bosgeneratie.
Kleinschalige groepenkap en het gebruik maken van natuurlijke verjongen kan, naast het groepsgewijs inbrengen van mengsoorten, lijkt hierbij een adequate strategie. In de dichter staande bossen kan de hoog- en toekomstbomendunning doorgang vinden. Hierbij kunnen loofboomsoorten stringent vrijgesteld worden. Het aandeel dood hout in het bos vraagt aandacht van het beheer. In de periode 199-2008 is er actief gewerkt aan de verhoging van het aandeel dode hout in het bos. Nu zien we weer een geleidelijke afname. De biodiversiteit van het bos is gebaat bij de aanwezigheid van dood hout in verschillende verteringsstadie. Het is dus zaak om bij de ingrepen in het bos ook steeds bewust dood hout te realiseren, bijvoorbeeld door kwijnende bomen niet weg te dunnen maar op stam te laten sterven of door het ringen van bomen of het laten liggen van gevelde stammen.
42 | S ilv e 20 - 15
On t w ikk el in gen in h et b os v an d e ge meen t e Nu n sp eet Resu lt at en W o od st o ck 1 9 9 7 /1 9 9 9 -2 0 0 8 -2 0 2 0
3. ONTWIKKELINGEN IN HET NATUURBOS Het natuurbos van de gemeente Nunspeet is ten behoeve van de bosinventarisatie ingedeeld in een aantal deelgebieden: de Elspeter Struiken, de Broodberg (eigenlijk het zuidelijk deel van de Elspeter Struiken), Noord Riezen/de Kril/Kuilhegge, de Westeindse Heide en de Elspeter Heide. Opmerkingen bij deze indeling: 1. De Broodberg is apart onderscheiden van de Elspeter Struiken omdat dit bos in vroeger tijden een multifunctionele doelstelling had en ook qua bossamenstelling sterk afweek van het bos van de Elspeter Struiken. Het bos van de Broodberg is de afgelopen periode onderworpen aan omvorming naar een qua soortensamenstelling inheems bos. 2. Noord Riezen, de Kril en Kuilhegge zijn te klein om als drie aparte deelgebieden geïnventariseerd te worden (er zouden dan veel meer plots gemeten moeten worden) en zijn daarom samengevoegd. 3. Het deelgebied ‘Elspeter Heide’ bestaat uit drie bos’percelen’ gelegen in de heide, die voornamelijk bestaan uit eikenstrubben. Het areaal is klein en dientengevolge ook het aantal gemeten steekproefcirkels. De betrouwbaarheid van de informatie over de Elspeter Heide is dan ook gering. Het natuurbos is in 1997/1999 niet met Woodstock geïnventariseerd.
S ilv e 21 - 01 | 4 3
On t w ikk el in gen in h et mu lt ifu n ct ion e le b os
3.1
Boomsoortensamenstelling en verjonging
3.1.1
Boomsoortensamenstelling De boomsoortensamenstelling van het totale natuurbos is in de afgelopen periode niet veel veranderd (tabel 3.1). Het aandeel grove den nam iets toe, van 67% in 2008 naar 69% in 2020. Dit ging ten koste van de groep ‘overige soorten’ en dat is te danken aan de omvorming van het bos van de Broodberg. Door het kappen van uitheems bos in de Broodberg is daar het aandeel grove den sterk gestegen. Het aandeel grove den neemt ook toe in de percelen op de Elspeter Heide (ingroei van jonge bomen).
Tabel 3.1 | Ontwikkeling van de boomsoortensamenstelling
Aandeel binnen grondvlak (%) Deelgebied
Jaar
Grove den
Eik
Berk
Overige soorten
Grondvlak (m2/ha)
Elspeter Struiken
2008
71
28
1
<1
30,8
2020
73
26
1
<1
33,5
2008
23
14
3
60
16,7
2020
45
18
3
34
14,1
2008
63
24
11
2
24,8
2020
62
25
11
2
28,9
2008
89
4
6
<1
26,9
2020
87
4
9
<1
28,7
Broodberg
Noord Riezen/De Kril/Kuilhegge
Westeindse Heide
Elspeter Heide
Totaal
3.1.2
2008
6
89
4
1
23,4
2020
11
81
5
4
23,0
2008 2020
67 69
25 24
4 4
4 2
27,3 29,5
Verjonging Dichte verjongingen met een stamtal van jonge bomen groter dan 5.000 stuks per ha komen weinig voor (3%) in het natuurbos (tabel 3.2). In het bos van de Broodberg komen dergelijke dichte verjongingen wel meer voor, als gevolg van de recente kap van uitheems bos. In tabel 3.1 zien we dat het gemiddelde grondvlak van het natuurbos, met uitzondering van de Broodberg, hoog is en dat laat weinig ruimte voor het ontstaan van dichte verjongingen. Door het niets-doenbeheer zal het bos de komende perioden verder dicht groeien en zullen de kansen voor het opslaan en doorgroeien van jonge bomen verder afnemen.
44 | S ilv e 20 - 15
On t w ikk el in gen in h et b os v an d e ge meen t e Nu n sp eet Resu lt at en W o od st o ck 1 9 9 7 /1 9 9 9 -2 0 0 8 -2 0 2 0
Tabel 3.2 | Aandeel plots met recente verjonging
2008
2020
Deelgebied
Stamtal (per ha)
Aandeel plots (%)
Aandeel plots (%)
Elspeter Struiken
0-500
81
87
Broodberg
Noord Riezen, de Kril en Kuilhegge
Westeindse Heide
Elspeter Heide
Totaal natuurbos
500-2000
15
13
2000-5000
4
0
> 5000
0
0
0-500
63
36
500-2000
14
23
2000-5000
23
23
> 5000
0
18
0-500
13
29
500-2000
62
49
2000-5000
23
18
> 5000
2
4
0-500
39
53
500-2000
53
52
2000-5000
5
5
> 5000
3
0
0-500
30
80
500-2000
60
20
2000-5000
10
0
> 5000
0
0
0-500
50
59
500-2000
37
29
2000-5000
12
9
> 5000
1
3
De soortensamenstelling van de verjonging is gegeven in tabel 3.3. Voor het natuurbos als geheel geldt dat grove den (39%) en berk (28%) de meest voorkomende soorten in de verjonging zijn. Gevolgd door eik (15%), beuk (9%) en lijsterbes (5%). Uitheemse soorten zijn wel waargenomen, maar hun aantal is ten opzichte van de inheemse soorten gering. Uitzonderingen zijn wellicht de Elspeter Heide, waar Amerikaanse vogelkers opslaat (23%) en de Westeindse Heide, waar douglas samen met de groep ‘overig naald’ 10% van het aantal jonge boompjes inneemt.
S ilv e 21 - 01 | 4 5
On t w ikk el in gen in h et mu lt ifu n ct ion e le b os
0
Broodberg
2008
18
23
12
1
9
33
3
2020
27
3
1
0
69
0
0
Noord Riezen/
2008
17
3
39
13
1
2
0
24
0
de Kril/Kuilhegge
2020
26
6
35
13
0
1
1
17
1
Naald overig
3
2
Lariks
1
6
Grove den 44
8
Loof overig
19
69
Am. vogelkers
31
15
Am. eik
3
2020
Lijsterbes
Eik
2008
Struiken
Berk
Elspeter
Deelgebied
Jaar
Beuk
Douglas
Tabel 3.3 | Soortensamenstelling van de recente verjonging
Westeindse
2008
32
3
3
2
0
54
5
1
Heide
2020
48
6
3
3
1
29
7
3
Elspeter Heide
2008
5
1
71
10
2
11
2020
17
7
28
1
23
23
Totaal natuurbos
46 | S ilv e 20 - 15
2008
18
9
26
7
1
1
0
32
5
1
0
2020
28
9
15
5
0
1
0
39
2
0
0
On t w ikk el in gen in h et b os v an d e ge meen t e Nu n sp eet Resu lt at en W o od st o ck 1 9 9 7 /1 9 9 9 -2 0 0 8 -2 0 2 0
3.2
Voorraad en bijgroei
3.2.1
Voorraad en bijgroei De staande voorraad neemt onder invloed van het niets-doen-beheer steeds verder toe. Voor het totale natuurbos geldt een toename van 193 m3/ha in 2008 naar 220 m3/ha (tabel 3.4). De toename van het voorraadniveau vindt plaats in alle deelgebieden, met uitzondering van de Broodberg, waar de recente omvormingen hebben gezorgd voor een daling, van 147 m3/ha in 2008 naar 117 m3/ha in 2020.
Tabel 3.4 | Voorraad, bijgroei en bijgroeipercentage
Deelgebied
Jaar
Voorraad
Lopende bijgroei
Bijgroeipercentage
(m3/ha)
(m3/ha/jr)
(%)
Elspeter Struiken
2008 2020
215 250
6,1 6,0
2,8 2,4
Broodberg
2008 2020
147 117
4,9 4,4
3,3 3,8
Noord Riezen/De Kril/Kuilhegge
2008 2020
168 208
5,2 5,5
3,1 2,6
Westeindse Heide
2008 2020
194 221
5,6 5,5
2,9 2,5
Elspeter Heide
2008 2020
127 148
4,5 4,5
3,5 3,0
Totaal
2008 2020
193 220
5,7 5,6
3,0 2,5
De verdeling van de voorraad over de diameterklassen verschuift verder naar de grotere diameters. Zie tabel 3.5 en figuur 3.1. Voor het totale natuurbos geldt dat in 2008 13% van de voorraad te vinden was inbomen dikker dan 40 cm. In 2020 is dat 22%.
S ilv e 21 - 01 | 4 7
On t w ikk el in gen in h et mu lt ifu n ct ion e le b os
Tabel 3.5 | Diameterverdeling van de voorraad
Deelgebied
Jaar
< 20 cm
20-30 cm 30-40 cm 40-50 cm 50-60 cm 60-80 cm
> 80cm
(%)
(%)
(%)
(%)
(%)
(%)
(%)
Elspeter
2008
14
38
37
9
2
0
0
Struiken
2020
9
30
39
18
3
1
0
Broodberg
2008
20
23
27
13
14
3
1
2020
20
21
22
18
10
9
2
Noord Riezen/
2008
21
38
33
6
1
1
0
De Kril/Kuilhegge
2020
15
33
36
12
4
0
0
Westeindse
2008
10
45
32
11
2
0
0
Heide
2020
10
28
40
19
4
0
0
Elspeter
2008
24
45
28
3
0
0
0
Heide
2020
17
35
31
17
0
0
0
Totaal
2008
15
38
34
9
3
1
0
natuurbos
2020
11
29
38
17
4
1
0
Figuur 3.1 | Verschuiving door de tijd van de staande voorraad naar diameterklasse
Natuurbos 45000
2008 2020
40000 35000
Voorraad (m3)
30000 25000 20000 15000 10000 5000 0 <20cm
20-30cm
30-40cm
40-50cm
50-60cm
Diameterklasse
48 | S ilv e 20 - 15
60-80cm
>80cm
On t w ikk el in gen in h et b os v an d e ge meen t e Nu n sp eet Resu lt at en W o od st o ck 1 9 9 7 /1 9 9 9 -2 0 0 8 -2 0 2 0
3.2.2
Dichtheid ‘ouder’ bos De dichtheid van de kroonlaag in bos dat de jeugdfase is gepasseerd verschuift steeds verder in de richting van zeer dicht staand bos (tabel 3.6). In 2020 staat van het totale natuurbos 52% in zeer dichte stand. Dat was in 2008 nog 40%. In de Elspeter Struiken is het aandeel zeer dicht bos zelfs 62%.
Tabel 3.6 | Verdeling van de plots over de dichtheidsklassen
Deelgebied
Jaar
Ruim
Matig dicht
Zeer dicht
Elspeter Struiken
2008
20
31
48
2020
13
25
62
2008
50
42
8
2020
57
29
14
2008
40
27
33
2020
35
20
45
2008
26
24
50
2020
31
17
51
2008
56
33
11
2020
60
0
40
Broodberg
Noord Riezen/De Kril/Kuilhegge
Westeindse Heide
Elspeter Heide
Alle natuurbos
2008
31
29
40
2020
28
21
52
S ilv e 21 - 01 | 4 9
On t w ikk el in gen in h et mu lt ifu n ct ion e le b os
3.3
Bosstructuur
3.3.1
Menging We zien een vooruitgang in het aandeel gemengd bos in het natuurbos (tabel 3.7). Voor het totale natuurbos geldt dat het aandeel gemengd bos toenam van 30% in 2008 naar 33% in 2020. Het aandeel gemengd bos nam toe in alle deelgebieden. Het minst gemengde bos is dat van de Westeindse Heide (17% in 2020).
Tabel 3.7 | Menging in de opstanden