AP 5a. Langetermijnvisie heideterreinen Nunspeet 2023 aangepast nov 2025
Tekst van het document
Elspeterveld
Grote en Kleine Kolonie
De Kril
Kuilhegge
Elspeterstruiken
Het Provinciebos
De Waschkolk
N06.04 Vochtige heide
Westeindsche heide
Elspeetsche heide
Beheertype
x
x
x
x
x
x
x
x
x
N06.06 Zuur ven of hoogveenven
x
N07.01 Droge heide
x
N11.01 Droog schraalgrasland
x
N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland
x
N12.05 Kruiden- en faunarijke akker
x
N15.02 Dennen-, eiken- en beukenbos
x
x
x
x
N16.03 Droog bos met productiebos
x
x
x
x
Langetermijnvisie heideterreinen Nunspeet
x
x
x
x x
x 27
Bosgroep Midden Nederland
In bijlage 15 zijn de kaarten opgenomen met de natuurbeheertypen, zoals deze in het Natuurbeheerplan van de Provincie Gelderland zijn opgenomen voor de heideterreinen van Nunspeet. 5.5
Stiltegebieden
De Provincie Gelderland voert een stiltebeleid om de aangewezen stiltegebieden te beschermen, onder meer tegen geluidsoverlast van wegverkeer en vliegverkeer. Hiertoe wordt onder andere stil asfalt langs deze gebieden gebruikt en door regelgeving geprobeerd andere geluidsoverlast veroorzakende factoren te beperken. Het Provinciebos, De Kril, Kuilhegge en de Elspeterstruiken behoren tot zo’n aangewezen stiltegebied.
28
6 6.1
Visie heidebeheer 2025-2049 Streefbeeld heidelandschap
Het algemene streefbeeld voor de heideterreinen in de gemeente Nunspeet is een soortenrijk heidelandschap, waarin zowel de kenmerkende biodiversiteit als de landschappelijke en recreatieve kwaliteiten gehandhaafd blijven, dan wel versterkt worden. Als referentiebeeld wordt daarbij -in hoofdlijn- het cultuurlandschap gehanteerd zoals dat aanvankelijk is ontstaan door uitputting van de bodem en zoals dat voor een belangrijk deel nog aanwezig was tot de fase van grootschalige ontginning en bebossing van heideterreinen in de eerste helft van de twintigste eeuw. In dit historische gebruikslandschap bestond de heide grofweg voor 60% uit een vegetatie van dwergstruiken: struikhei, afgewisseld met dophei, kraaihei, rode en blauwe bosbes. Maar dit was beslist geen eenvormige vegetatie. Talloze andere soorten, waaronder ook grassen, mossen en korstmossen, groeiden in open plekken tussen de heistruiken. De overige ca. 40% van de heide was zeer divers en bestond uit open zand op kleine en grote schaal (stuifzand), grazige (heischrale) vegetaties, bremstruwelen, ruigtezomen, eikenstrubbenbosjes, eiken-berkenbosjes, grove dennenbosjes, venvegetaties, etc. Met het juiste natuurbeheer streeft de gemeente Nunspeet na om het landschap van toen, met al haar bijzondere gradiënten, soorten en verschijningsvormen, toch zo goed mogelijk te behouden en verder te ontwikkelen. 6.2
Veranderde randvoorwaarden
Het ligt voor de hand om het beheer van heideterreinen te stoelen op een historisch referentiebeeld van hoe de mensen de heide vroeger gebruikten. Dat referentiebeeld is echter niet haalbaar, want er zijn te veel randvoorwaarden veranderd. De oppervlakte van afzonderlijke heideterreinen is enorm afgenomen, waardoor er minder ruimte is voor geleidelijke overgangen of gradiënten in gebruiksintensiteit zoals deze vroeger bestonden bij begrazen, plaggen of branden. Het resultaat van al deze gradiënten samen waren heidelandschappen met een rijke variatie in omgevingscondities. Ieder organisme had zijn plek ergens op deze gradiënten in gebruiksintensiteit in het heidelandschap. Recreatie speelde geen rol van betekenis in het beheer. Het zijn niet alleen de veranderingen in het gebruik van de ruimte die de mogelijkheden voor behoud en herstel van de heide beperken, maar ook de verhoogde atmosferische depositie van stikstof en een veranderd klimaat (zie paragraaf 4.1 en 4.2). Omdat de randvoorwaarden inmiddels zijn veranderd, kunnen we de heide niet meer in stand houden door eenzelfde beheer toe te passen als de wijze waarop de heide vroeger werd gebruikt. We richten ons in het beheer op het in stand houden of scheppen van de levensvoorwaarden voor planten en dieren die als karakteristiek voor het heidelandschap worden beschouwd.
Specifieke speerpunten voor het beheer vormen de opheffing van de belangrijkste problemen (‘bottlenecks’), zoals die op dit moment voor de verschillende karakteristieke planten en dieren aanwezig zijn. Deze bottlenecks worden vooral veroorzaakt door het verdwijnen van (zwak) gebufferde en grondwaterafhankelijke terreindelen en een afname van de variatie in bodem- en vegetatiestructuur. Behalve een gezond milieu voor de flora en fauna moet de heide ook een aantrekkelijk en voldoende toegankelijk landschap blijven voor de vele recreanten die van de natuur in
Langetermijnvisie heideterreinen Nunspeet
29
Bosgroep Midden Nederland
Gemeente Nunspeet komen genieten. Waar het mogelijk en verantwoord is dient de beleefbaarheid van de heide te worden versterkt. 6.3
Algemene beheerdoelstellingen
6.3.1 Inleiding
De visie voor het heidebeheer in de komende 25 jaar komt voort uit alle ervaringen die in de jaren hiervoor zijn opgedaan. Beheermaatregelen die goed gewerkt hebben worden uiteraard voortgezet en algemene beheerdoelstellingen worden onverminderd nagestreefd, zoals behoud en ontwikkeling van de biodiversiteit, faciliteren en reguleren van de recreatie en beleving en actief beheren van de archeologisch en cultuurhistorisch waardevolle elementen. Voor de komende periode ligt het accent daarbij op onderstaande specifieke aandachtspunten. 1. Grotere rol voor schapenbeheer 2.
Negatieve effecten van bodemverzuring verzachten
3. Vergroten van de structuurvariatie 4. Meer kansen voor bosrandontwikkeling en loofhout 5. Heideterreinen verbinden 6. Populatieherstel en instandhouding van zeven broedvogelsoorten 7. Vergroten van kansen voor insecten 8. Naar een nieuwe recreatiezonering 9. Meer aandacht voor natuurbrandpreventie 10. Behoud van archeologische waarden Verder zal de gemeente monitoring van flora en fauna uitvoeren om het beheer te kunnen evalueren en bijstellen. Ook zal de gemeente in de komende beheerplanperiode actief contact blijven onderhouden met het Kennisnetwerk OBN om goed op de hoogte te blijven van voortschrijdende wetenschappelijke inzichten. Op grond hiervan kan het beheer zo nodig worden aangepast. 6.3.2 Grotere rol voor schapenbeheer
Beheermaatregelen die gebruik maken van zwaar materieel zijn erg ingrijpend voor het heidesysteem. Plaggen en chopperen zorgen voor een harde ‘reset’ van de vegetatie van de abiotische condities ter plaatse. Kranen, tractoren, dumpers en opraapwagens zorgen dikwijls voor bodemverdichting of insnijding van rijsporen, waardoor de bodem beschadigd raakt. Ook zorgen ze voor veel onrust in het terrein. Nu de grootschalige vergrassing in de heideterreinen van Nunspeet is teruggedrongen en plaggen als herstelmaatregel meer en meer ongewenst is (figuur 4.3), ligt het voor de hand om schapen een grotere rol in het heidebeheer te geven. Kleinschalige bestrijding van pijpenstrootje-dominantie blijkt namelijk ook goed te lukken met behulp van drukbegrazing, mits op de juiste manier uitgevoerd en mits er voldoende schapen beschikbaar zijn. De afgelopen jaren zijn goede ervaringen opgedaan met drukbegrazing door schapen binnen (wolf-werende!) rasters. Hier is wel een langere adem voor nodig dan voor machinaal plaggen. Een volledig door pijpenstrootje begroeid ‘heideveld’ kan na ca. 5 jaar drukbegrazing ‘instorten’ doordat de graspollen lang genoeg kort zijn gehouden. Na zo’n lange tijd verliezen ze hun groeikracht en worden ze gevoelig voor vorst. Ze sterven dan uiteindelijk af en komen ze los te zitten van de bodem. Maar al na twee jaar komt er meer 30
open grond beschikbaar tussen de kort gegraasde pollen, waardoor nieuwe heideplantjes en gewenste kruiden zoals pilzegge, blauwe zegge en liggend walstro zich vestigen. Bovendien is gebleken dat de periode tot ‘instorten’ van de pijpenstrootjepollen met twee tot drie jaar kan worden verkort wanneer het terrein eerst in de winter is gebrand. Die combinatie werkt uitstekend. De gemeente Nunspeet heeft in de afgelopen beheerperiode geëxperimenteerd met dit brandbeheer in combinatie met begrazing. Hiermee is de gemeente een van de voorlopers van de toepassing hiervan. De uitvoering vergt een zorgvuldige voorbereiding en snel inspelen op de juiste weersomstandigheden. De schaapskudde die de drukbegrazing uitvoert overnacht op de heide in een zogenaamde ‘nachtkraal’. Zo’n nachtkraal kan vanwege veterinaire redenen maximaal twee jaar op dezelfde plek blijven en wordt daarna verplaatst. Op de oude plek kan betrekkelijk eenvoudig een tijdelijke kruidenweide worden gecreëerd door de achtergebleven schapenmest oppervlakkig in de bodem te werken en het veldje in te zaaien met een passend inheems kruidenmengsel, eventueel met maaisel van een lokaal grasland. Dergelijke voedselrijke plekken met soorten als muizenoor, havikskruid of kruiskruid zijn zeldzaam op de heide en van grote meerwaarde voor de heidefauna. Het idee is dat het zaad zich via de schapen weer verspreidt over de heide.
Op de Elspeterheide is in de afgelopen beheerplanperiode al zo’n tijdelijke kruidenweide aangelegd. Ook dit is een voorbeeld van toepassing van nieuwe inzichten in het heidebeheer, die door beheerders elders in het land met interesse wordt gevolgd. Naast drukbegrazing als heideherstelmaatregel zijn schapen ook van grote waarde voor het onderhoudsbeheer van de heide en voor het creëren van meer structuur (jonge en oude heide) in de vegetatie. Dit kan het beste gebeuren door middel van een gescheperde schaapskudde. Dit onderhoudsbeheer wordt al jaren naar tevredenheid uitgevoerd, hoewel niet alle heideterreinen tot nu toe (voldoende) door de huidige kudde konden worden bediend. Het is overigens geen doel op zich op machines in het vervolg volledig van de heide te weren. Het maken van kleine plag – en of chopperplekken kan in voorkomende gevallen nog steeds gewenst zijn en ook maaien kan nog steeds een goede maatregel zijn om meer variatie in de leeftijdsopbouw van de heide te krijgen. Ook is schapenbegrazing om praktische of logistieke redenen niet in alle terreinen even goed mogelijk. 6.3.3 Negatieve effecten van bodemverzuring verzachten
Bodemverzuring, en de uitloging van bodemmineralen die daarvan het gevolg is, is het grootste probleem waar de heiden op de Veluwe mee te maken hebben (paragraaf 4.2). Anders dan beleidsmakers en politici soms doen geloven is dit probleem niet op te lossen door extra beheermaatregelen te treffen, maar enkel door de bron van het probleem aan te pakken: een stevige reductie van de atmosferische stikstofdepositie. Om verdere achteruitgang te beperken kunnen extra beheermaatregelen worden genomen die de negatieve effecten van de bodemverzuring enigszins verzachten en verdere cumulatie van schade aan de natuur afremmen. In het beheerplan is dit verder uitgewerkt.
Langetermijnvisie heideterreinen Nunspeet
31
Bosgroep Midden Nederland
6.3.4 Vergroten van de structuurvariatie
Een van de sleutelfactoren voor vergroting van de biodiversiteit in het heidelandschap ligt in de vergroting van de structuurvariatie in de terreinen. In de komende beheerplanperiode zal hieraan gewerkt worden. 6.3.5 Meer kansen voor bosrandontwikkeling en loofhout
In veel heideterreinen zijn de overgangen van heide naar aangrenzend bos ‘scherp’. Struikvormers die in de bosranden voor een geleidelijke overgangen kunnen zorgen zijn schaars en vaak is ook het aandeel loofhout in de aangrenzende bossen beperkt. Dit laatste is niet gewenst, omdat een gemengder bos meer biodiversiteit herbergt dan een naaldbos, loofbomen meer stikstof invangen dan naaldbomen en loofbomen ook minder brandgevoelig zijn. De hoge wilddruk op de Noordwest-Veluwe zorgt er echter voor dat loofhout nauwelijks van de grond komt. De populatie edelherten, reeën en wilde zwijnen is dermate hoog dat vrijwel alle zaailingen van loofbomen en struiken worden afgegraasd of omgewoeld. Verkleining van de populatie hoefdieren is dus niet alleen vanuit de doelstellingen van het bosbeheer gewenst, maar ook vanuit de doelstellingen van het heidebeheer. Veel zeldzame ‘heidesoorten’ komen immers optimaal voor in de geleidelijke overgangen van heide naar (loof)bos. 6.3.6 Heideterreinen verbinden
In de afgelopen beheerplanperiode is al veel aandacht geweest voor ontsnipperingsmaatregelen tussen heidegebieden. Voorbeelden daarvan zijn de heidecorridors die zijn aangelegd in de Elspeterstruiken, tussen de Elspeterstruiken en Kroondomein Het Loo en tussen de Westeindsche Heide en het Hulshorsterzand. In de komende beheerplanperiode zullen nieuwe kansen voor het verbinden van met name de kleinere heideterreinen worden verkend. Het Provinciebos en De Waschkolk komen hiervoor in aanmerking. Dit is ook een wens uit de Herstelprogramma’s Natura 2000 Veluwe (paragraaf 5.2). Door slim gebruik te maken van de bestaande padenstructuur kunnen corridors worden gerealiseerd met relatief weinig verlies van bos. 6.3.7 Populatieherstel en instandhouding van zeven broedvogelsoorten
Voor 7 van de 10 vogelsoorten waarvoor instandhoudingsdoelstellingen gelden voor Natura 2000-gebied Veluwe heeft Sovon bouwstenen aangeleverd voor een
soortenherstelprogramma (Sierdsema et al., 2020). Het gaat om de soorten waarvoor herstelmaatregelen nodig worden geacht: boomleeuwerik, draaihals, duinpieper,
nachtzwaluw, tapuit, wespendief en zwarte specht. Voor het behoud en/of herstel van vogelpopulaties op de Veluwe zijn drie typen maatregelen nodig: 1. herstel van de bodemkwaliteit 2. beheermaatregelen
3. terugdringen van verstoring De aanbevelingen van voor gewenste maatregelen zullen in komende beheerplanperiode geïmplementeerd worden.
32
6.3.8 Kansen voor insecten vergroten
Zoals besproken in paragraaf 4.5 vertonen insecten een achteruitgang in aantallen. Er wordt gepoogd de kansen voor insecten te vergroten door aanleg van tijdelijke kruidenweiden (7.4.2), verzachten van effecten van de bodemverzuring (7.4.3), vergroten van de structuurvariatie (7.4.4) en bevorderen van bosrandontwikkeling (7.4.5). Hieronder wordt nog specifiek ingegaan op de relatie tussen wilde bijen en honingbijen.
Honingbijen
In paragraaf 4.6 wordt beschreven hoe grote delen van de Nunspeetse heideterreinen onder de ‘invloedsfeer’ vallen van de honingbijenkasten die door imkers aan de randen van de heidegebieden worden geplaatst. Dit heeft een negatieve invloed op de populaties wilde bijen die in de heideterreinen thuishoren, inclusief enkele wilde bijensoorten die op de Rode Lijst staan. De honingbij wordt immers in grote volken gehouden en verzorgd door imkers, waardoor ze een 'oneerlijke' uitgangspositie hebben ten opzichte van wilde bestuivers. Wilde bijen zijn een belangrijk onderdeel van de biodiversiteit in het heidelandschap en staan als soortgroep onder druk. De imkerij kent een lange traditie in de gemeente en moet ook een plek op de heidevelden kunnen behouden. Maar het huidige aantal bijenkasten dat langs de heide wordt geplaatst zal moeten worden verlaagd en/of meer worden geconcentreerd, zodat een kleiner deel van de heideterreinen binnen de invloedsfeer van de bijenkasten valt. Hierbij is het overigens van ondergeschikt belang welk ras honingbijen het betreft. Ook de (vermoedelijk) ooit van nature voorkomende ‘zwarte bij’ (Apis melifera melifera) wordt, wanneer hij door imkers wordt verzorgd, beschouwd als een landbouwhuisdier dat een bedreiging vormt voor wilde bijen die om hetzelfde voedsel concurreren. 6.3.9 Naar een nieuwe recreatiezonering
In 2022 heeft de Provincie Gelderland in samenspraak met de terreinbeheerders een plan gepresenteerd voor een nieuwe recreatiezonering binnen Natura 2000-gebied Veluwe (paragraaf 5.3). Om de natuur te ontlasten en er toch van te blijven genieten, moeten recreatiestromen beter worden gestuurd. Het doel is om maximale natuurbeleving mogelijk te blijven maken waar het kan, maar meer rust te waarborgen waar het moet. De heideterreinen van de gemeente Nunspeet zijn grotendeels aangewezen als zones waar slechts extensief recreatief medegebruik mogelijk is (bijlage 6). Hierbij horen extensieve recreatieve dagactiviteiten, zoals wandelen, fietsen en paardrijden op wegen en paden en ATB op gemarkeerde routes. Honden mogen alleen los op bepaalde toegestane paden. Tussen de paden dienen rustige kernen zonder betreding te zijn van minimaal 25 ha in zone C en minimaal 50 ha in zone C*. Dit betekent dat zal worden gewerkt aan het realiseren van onderstaande procesdoelen: Betere geleiding van recreanten, naar de bestaande paden en routes; Terugbrengen van het aantal paden, daar waar meer rust gewenst is. Dit geldt vooral voor de spontaan ontstane, niet-officiële paden; Beter geleiden van mountainbikers, om erosie en verstoring (reptielen, vogels) te voorkomen;
Langetermijnvisie heideterreinen Nunspeet
33
Bosgroep Midden Nederland
Evaluatie van de benodigde voorzieningen. Uitvoeren van een onderzoek naar noodzaak van en mogelijkheden voor locaties van parkeerplaatsen. Plaatsen van fietsenrekken om bezoekers aan te moedigen met de fiets te komen. Vervangen van informatieborden bij grote ingangen van natuurgebieden. Tegengaan van erosie op paden, bijvoorbeeld in en rond de Vodseberg. De erosie leidt tot ontstaan van nieuwe paden op de heide en gaat ten koste van beschermde soorten, waaronder boomleeuwerik. Verminderen van de impact van modelvliegtuigen, vanwege het verstorende effect op broedvogels. Er zal een afwegingskader worden opgesteld voor de prioritering van de te nemen maatregelen. De gemeente zal de te nemen maatregelen in samenspraak met de belanghebbenden uitwerken.
6.3.10 Meer aandacht voor natuurbrandpreventie
Mede ingegeven door de recente droge zomers van 2018-2020 en het daarmee gepaard gaande hoge risico op natuurbranden is er meer aandacht gekomen in het heidebeheer voor brandpreventie. In bos-heidegebieden beginnen natuurbranden vaker op de heide dan in het bos, omdat oude heidestruiken en opgehoopt strooisel in droge pijpenstrootjevelden zeer makkelijk vlam vatten. Gemeente Nunspeet heeft recent een natuurbrandpreventieplan opgesteld dat momenteel wordt geïmplementeerd in het heidebeheer. Compartimentering is daarbij een belangrijke maatregel: door stroken heide van enkele meters breed kort te maaien kunnen effectieve ‘brandgangen’ gecreëerd worden die het vuur remmen. Voor de kwaliteit van de heide zijn kort gemaaide stroken niet bezwaarlijk en mogelijk zelfs van toevoegende waarde voor pioniersoorten en warmteminnende soorten. 6.3.11 Behoud van archeologische waarden
Naast de natuurwaarden van de heideterreinen van Nunspeet zullen ook de vele archeologische waarden worden beschermd.
34
Literatuur Arets, E.. (2018). Klimaatcijfers voor natuur. Cijfers voor koolstofopslag en –vastlegging in Nederlandse natuur. Wageningen Environmental Research, Wageningen. Bergsma, H., J. Vogels, A. van den Burg & R. Bobbink (2018). Is de bodemverzuring in Nederland onomkeerbaar? Vakblad Natuur Bos Landschap 144: 4-7. Besse-Lototskaya, A. A., W. Geertsema, A. Griffioen, M. van der Veen & P. F. M. Verdonschot (2010). Natuurdoelen en klimaatverandering. Alterra-rapport 2135, Alterra, Wageningen. CBS, PBL, RIVM, WUR (2019). Verzurende depositie, 1990-2017 (indicator 0184, versie 18 , 5 juni 2019 ). www.clo.nl. Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), Den Haag; PBL Planbureau voor de Leefomgeving, Den Haag; RIVM Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, Bilthoven; en Wageningen University and Research, Wageningen. CBS, PBL, RIVM, WUR (2020). Ammoniak in lucht, 2005-2019 (indicator 0461, versie 11 , 7 december 2020 ). www.clo.nl. Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), Den Haag; PBL Planbureau voor de Leefomgeving, Den Haag; RIVM Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, Bilthoven; en Wageningen University and Research, Wageningen. CBS, PBL, RIVM, WUR (2021a). Fauna van de heide, 1990-2019 (indicator 1134, versie 17 , 17 april 2021). www.clo.nl.
Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), Den Haag; PBL Planbureau voor de Leefomgeving, Den Haag; RIVM Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, Bilthoven; en Wageningen University and Research, Wageningen. CBS, PBL, RIVM, WUR (2021b). Trend van libellen, 1991-2020 (indicator 1387, versie 16 , 31 mei 2021). www.clo.nl. Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), Den Haag; PBL Planbureau voor de Leefomgeving, Den Haag; RIVM Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, Bilthoven; en Wageningen University and Research, Wageningen. CBS, PBL, RIVM, WUR (2021c). Trend van dagvlinders, 1992-2020 (indicator 1386, versie 18, 7 juni 2021). www.clo.nl. Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), Den Haag; PBL Planbureau voor de Leefomgeving, Den Haag; RIVM Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, Bilthoven; en Wageningen University and Research, Wageningen. Deuzeman, S., W. van Manen & D. Zoetebier (2021). Broedvogels van de heidevelden in de Gemeente Nunspeet in 2020. Sovon-rapport 2021/21. Sovon Vogelonderzoek Nederland, Nijmegen. Diggelen, R. van, H. Bergsma, R.-J. Bijlsma, R. Bobbink, A. van den Burg, J. Sevink, H. Siebel, H. Siepel, J. Vogels, W. de Vries, & M. Weijters (2019). Steenmeel en natuurherstel: een gelukkige relatie of een risicovolle combinatie? Vakblad natuur, bos en landschap, mei 2019, 20-23. Forup, M. L., & J. Memmott (2005).
The relationship between the abundances of bumblebees and honeybees in a native habitat. Ecological Entomology, 30(1), 47-57. Gemeente Nunspeet (1987). Beheerplan voor heideterreinen gelegen in de gemeente Nunspeet. Langetermijnvisie heideterreinen Nunspeet
35
Bosgroep Midden Nederland
Hallmann, C. A., M. Sorg, E. Jongejans, H. Siepel, N. Hofland, H. Schwan, W. Stenmans, A. Müller, H. Sumser, T. Hörren, D. Goulson & H. de Kroon (2017). More than 75 percent decline over 27 years in total flying insect biomass in protected areas. PloS one, 12(10). Hallmann, C. A., T. Zeegers, R. van Klink, R. Vermeulen, P. van Wielink, H. Spijkers & E. Jongejans (2018). Analysis of insect monitoring data from De Kaaistoep and Drenthe. Reports Animal Ecology and Physiology 2018-2. Radboud University, Nijmegen. Horsthuis, M. A. P. (2011a). Beheerevaluatie en visie heideterreinen gemeente Nunspeet. Coöperatie Bosgroep Midden Nederland u.a., Ede.
Horsthuis, M. A. P. (2011b). Beheerplan heideterreinen gemeente Nunspeet. Coöperatie Bosgroep Midden Nederland u.a., Ede.
Horsthuis, M. A. P. (2013). Begrazingsplan Elspeetsche en Westeindsche Heide. Coöperatie Bosgroep Midden Nederland u.a., Ede. Henry, M., & G. Rodet (2018). Controlling the impact of the managed honeybee on wild bees in protG. ected areas. Scientific reports, 8(1), 1-10. Henry, M., & G. Rodet (2020). The apiary influence range: A new paradigm for managing the cohabitation of honey bees and wild bee communities. Acta Oecologica, 105, 103555. Hudewenz, A., & A. M. Klein (2013). Competition between honey bees and wild bees and the role of nesting resources in a nature reserve. Journal of Insect Conservation, 17(6), 1275-1283. Immerzeel, M. (2020). Toelichting monitoring flora en fauna 2020, Heidegebieden Gemeente Nunspeet. Coöperatie Bosgroep Midden Nederland u.a., Ede. Kleijn, D., R. J. Bink, C. J. F. ter Braak, R. van Grunsven, W. A. Ozinga, I. Roessink, J. A. Scheper, A. M. Schmidt, M. F. Wallis de Vries, R. Wegman, F. F. Van der Zee & Th. Zeegers (2018). Achteruitgang insectenpopulaties in Nederland: trends, oorzaken en kennislacunes. Wageningen, Wageningen Environmental Research, Rapport 2871. Nijssen, M. E. & J. J. Vogels (2014). Heidelandschap in ontwikkeling. OBN Deskundigenteam Droog zandlandschap. KNNV Publishing, Zeist. Ouden, J. den (2000). Bestemming en beheer van de bossen in de gemeente Nunspeet. Silve en Gemeente Nunspeet. 96 pp. Provincie Gelderland (2022).
Recreatiezoneringsplan Veluwe. Natuur beschermen én beleven. Provincie Gelderland, Arnhem. Reemer, M. (2018). Basisrapport voor de Rode Lijst Bijen. Rapport EIS2018-016. Kenniscentrum Insecten, Leiden.
36
Reemer, M., S. Klumpers & Th. Zeegers (2021). Rapport EIS2021-09. EIS Kenniscentrum Insecten, Leiden & Naturalis Biodiversity Center. Sierdsema, H., H. ten Holt, S. Martens, M. Nijssen & P. Verburg (2020). Natuurbeheer- en zoneringsmaatregelen voor zeven aangewezen vogelsoorten in Natura 2000-gebied Veluwe. Bouwstenen Soortenherstel Beheerplan Natura 2000 Veluwe. Sovon rapport 2020/29. Sovon, Stichting Bargerveen en Bureau Zet, in opdracht van Provincie Gelderland.
Smit, J. & M. Reemer (2020). Bijen op heideterreinen in de Gemeente Nunspeet: nulmeting 2020. Rapport EIS2020-016. EIS Kenniscentrum Insecten, Leiden. Smit, J. T., Th. Zeegers & L. Slikboer (2021). Richtlijn plaatsing honingbijkasten op heideterreinen van defensie. Rapport EIS2021-05. EIS Kenniscentrum Insecten, Leiden. Steffan-Dewenter, I., & Tscharntke, T. (2000). Resource overlap and possible competition between honey bees and wild bees in central Europe. Oecologia, 122(2), 288-296. Swaay, C. A. M. van, G. I. Bos-Groenendijk, R. van Grunsven, J. R. van Deijk, A. Stip, H. H. de Vries, J. M. Kok, K. Huskens, K. Veling, J. van ’t Bosch & M. J. M. Poot (2021a). Vlinders, libellen en hommels geteld. Jaarverslag 2020. Rapport VS2021.002, De Vlinderstichting, Wageningen. Swaay, C. van, J. Bouwman & T. Termaat (2021b). Pilot combineren SNL- en NEM-data dagvlinders. Ten behoeve van monitoring natuurkwaliteit. Coöperatie Bosgroep Midden Nederland u.a., Ede. Termaat, T. (2017). Uitbreiding paarse heide Gemeente Nunspeet. Coöperatie Bosgroep Midden Nederland u.a., Ede.
Termaat, T. (2019). Uitbreiding paarse heide Gemeente Nunspeet – Voortgangsrapportage 2019. Bosgroep Midden Nederland u.a., Ede. Turnhout, C. A. M. van, E. Brouwer, M. Nijssen, S. Stuijfzand, J. Vogels, H. Siepel & H. Esselink, (2008). Herstelmaatregelen in heideterreinen. Samenvatting van OBN onderzoek en richtlijnen met betrekking tot de fauna. Ede, Min. LNV, Rapport DK 2008/042-O. Vogels, J., M. Weijters, R. J. Bijlsma, R. de Waal, R. Bobbink & H. Siepel (2016). Fosfaattoevoeging heide. Rapport nr. 2016/OBN207-DZ. Vereniging voor Bos- en Natuureigenaren, Driebergen. Vogels J., A. van den Burg, D. van de Waal, M. Weijters, R. Bobbink, M. Nijssen & M. Wallis de Vries (2020). Imbalanced by overabundance, effects of nitrogen deposition on nutritional quality of producers and its subsequent effects on consumers. VBNE, Vereniging van Bos- en Natuurterreineigenaren, Rapportnr. 2020/OBN236-NZ, Driebergen. Wallis de Vries, M., Bobbink, R., Brouwer, E., Loeb, R., & Vogels, J. J. (2019). Middellange termijn effecten van chopperen en drukbegrazing als alternatieven voor plaggen op natte heide. De Levende Natuur 120 (5): 172-178. Wallisdevries, M. F. & Van Swaay, C. A. (2006). Global warming and excess nitrogen may induce butterfly decline by microclimatic cooling. Global Change Biology, 12(9), 1620-1626.
Langetermijnvisie heideterreinen Nunspeet
37
Bosgroep Midden Nederland
WallisDeVries, M. F. & van Swaay, C. A. (2017). A nitrogen index to track changes in butterfly species assemblages under nitrogen deposition. Biological Conservation, 212, 448-453. Weijters, M. J., Bobbink, R., Verbaarschot, E. J. H., Vogels, J. J., Bergsma, H., & Siepel, H. (2018). Herstel van heide door middel van slow release mineralengift – resultaten van 3 jaar steenmeel-onderzoek. Rapport nr. 2018/OBN222-DZ. Vereniging voor Bos- en Natuureigenaren, Driebergen. Zeeuw, M. de & R. Kleukers (2021). Sprinkhanentrends bepaald met occupancy-modellen (Orthoptera). Nederlandsche Faunistische Mededelingen 56: 69-80.
38
Bijlagen Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4 Bijlage 5 Bijlage 6 Bijlage 7 Bijlage 8 Bijlage 9 Bijlage 10 Bijlage 11 Bijlage 12 Bijlage 13 Bijlage 14 Bijlage 15
Beschrijving van de heideterreinen Bodemkaarten van de terreinen
Hoogtekaarten van de terreinen Historische kaarten van de terreinen Recreatievoorzieningen Uitsnede zoneringskaart Recreatiezoneringsplan Veluwe Archeologische waarden Waargenomen soorten mossen, korstmossen en vaatplanten per heideterrein
Vegetatiekartering SNL 2012
Waargenomen diersoorten per gebied Resultaten broedvogelkarteringen Elspeetsche Heide en Westeindsche Heide 1994-2020 Kaart Natura 2000-habitattypen
Habitattypen en soorten waarvoor de Veluwe is aangewezen als Natura 2000-gebied Maatregelen uit Natura 2000-beheerplan Veluwe
Kaarten natuurbeheertypen volgens het Subsidiestelsel Natuur- en Landschapsbeheer (SNL)
39
Bosgroep Midden Nederland
Bijlage 1
1.
Beschrijving van de heideterreinen
Elspeetsche Heide
40
Karakteristieken Ligging en historische beeld De Elspeetsche Heide ligt aan beide zijden van de provinciale weg die van Elspeet naar Nunspeet loopt (figuur 1.1 in hoofdstuk 1). Het heideterrein wordt aan de noordzijde begrenst door een boscomplex en aan de westzijde door de Stakenbergweg. Verder loopt ten oosten van het heideterrein de Vierhouterweg/Elspeterbosweg. Het heideterrein wordt ook wel opgedeeld in drie deelgebieden namelijk de Stakenberger Heide en de Schotkamp die ten westen van de provinciale weg ligt en de Elspeetsche Heide in engere zin, die aan de oostzijde van de provinciale weg ligt. Als in de rapportage over Elspeetsche Heide wordt gesproken, wordt het totale onderzoeksgebied bedoeld. Wordt over het deelgebied Elspeetsche Heide gesproken dan gaat het om het heideterrein ten oosten van de provinciale weg. De historische topografische kaarten (bijlage 4) laten zien dat de Elspeetsche Heide aan het begin van de vorige eeuw onderdeel uit maakte van de grote heidegebieden die in die tijd op de Veluwe voorkwamen. Het terrein heeft in de jaren ’30 zijn huidige vorm en oppervlak gekregen doordat de omliggende heide is ontgonnen en omgevormd naar bos of landbouwgrond. Oppervlakte en terreintypen De Elspeetsche Heide vormt met haar 768 ha het grootste heideterrein dat in bezit is van de gemeente Nunspeet.
Het gebied bestaat uit een afwisseling van droge en vochtige heide met daarin op een aantal locaties nog jeneverbesstruiken, eikenstrubbenbos en grove dennenbos. Daarnaast komt in het gebied een aantal vennetjes voor. Hierbij kan een onderscheid gemaakt worden tussen vennen (met open water) en veenachtig verlande vennen. Geomorfologie, hydrologie en bodem Het deelgebied Elspeetsche Heide ligt op de westrand van het aaneengesloten stuwwalcomplex van de Veluwe. Het terrein ligt op een hoogte van tussen de 21 en 41 meter +NAP. Daarbij ligt het deelgebied de Stakenberger Heide, in het westen, het hoogst in het landschap en vormen de Liesberg en Turfberg met resp. 40 en 41 meter de hoogste delen in dit deelgebied. De Schotkamp ligt het laagst. In het gebied wordt het reliëf gevormd door heuvels, ruggen en laagten. Met name in het noordelijk deel van het gebied zijn deze hoogteverschillen prominent aanwezig. Het zuidelijke deel heeft een zwakker, golvend karakter. Dit reliëf is voor een deel ontstaan door verspoeling en deels door het wegsmelten van ijs en het materiaal dat daarbij achtergebleven is. Op een aantal plekken in het oostelijk deel van de Elspeetsche Heide worden zware keien aangetroffen. Deze zijn in de voorlaatste ijstijd afgezet nabij het landijsfront.
Het gebied bestaat voor een groot deel uit ijs- en sneeuwsmeltwaterafzettingen van grof, grindhoudend fluvioglaciaal zand dat dateert uit de voorlaatste ijstijd (het Saalien). Het materiaal behoort tot de Formatie van Drenthe. Over deze afzetting is in de laatste ijstijd (Weichselien) plaatselijk matig fijn tot matig grof dekzand afgezet dat tot de Formatie van Boxtel (voorheen Formatie van Twente) gerekend kan worden. In het zuidelijk deel van het Elspeetsche Heide ligt in oost-westelijke richting een smalle duinrug (een zogenaamde åsar) die tot voorbij Gortel gevolgd kan worden. In het westelijk deel van de Elspeetsche Heide (de Stakenberger Heide) is de bodem opgebouwd uit grove grindhoudende fluvioglaciale afzettingen die in het Saalien tot een Langetermijnvisie heideterreinen Nunspeet
41
Bosgroep Midden Nederland
kleine stuwwal zijn opgedrukt (de stuwwal van Stakenberg). Ook hier ligt over deze afzettingen (matig fijn) zand waarover zich gedeeltelijk weer een stuifzand heeft afgezet (behorende tot de Formatie van Kootwijk). Het grondwater binnen het gebied bevindt zich op meer dan 140 cm beneden maaiveld (Grondwatertrap VIII; tabel 1.1). De aanwezige vegetatie staat dan ook onder invloed van een hangwaterprofiel. Er wordt gesproken van een hangwaterprofiel als het grondwater verder dan 1,5 meter wegzakt onder maaiveld. In het gebied bestaat de bodem uit middelkorrelig tot grofkorrelig zand, terwijl plaatselijk ook fijn zand voorkomt. Daarnaast bevat deze veel grind. Het leemgehalte is wisselend (zie verderop). Verspreid in het gebied komt echter een aantal permanent natte, open tot verlande vennen voor. Deze liggen op een ondoorlatende laag. In deze situaties is dan ook sprake van een schijngrondwaterspiegel. In het gebied komen hoofdzakelijk haarpodzolgronden en holtpodzolgronden voor (bijlage 2). De grofzandige haarpodzolgronden met grind ondieper dan 40 cm (gHd30) komen op de Stakenberger Heide voor. Daarnaast komen in dit deelgebied leemarme en zwak lemige, fijn zandige haarpodzolgronden met grof zand en/of grind beginnend tussen 40 en 120 cm (Hd21g) voor. Verder komen leemarm en zwak lemige, fijn zandige haarpodzolgronden met name in het noordoosten van de Elspeetsche heide voor.
De minder algemeen voorkomende holtpodzolgronden met grind ondieper dan 40 cm (gY30) komen in het zuidelijke deel van het gebied voor. Daarnaast komen lemige, fijn zandige holtpodzolgronden met grof zand en/of grind beginnend tussen 40 en 120 cm (Y23g) in het centrale en zuidelijke deel van het gebied voor. Tabel 1.1. Toelichting op de indeling van de grondwatertrappen. Grondwatertrap
I
II
III
IV
V
VI
VII
VIII
GHG*
<25
<25
25-40
40-80
25-40
40-80
80-140
>140
GLG**
<50
50-80
80-120
80-120
120-180
120-180
>180
>180
*Gemiddelde hoogste grondwaterstand in cm beneden maaiveld **Gemiddelde laagste grondwaterstand in cm beneden maaiveld
Gebruik Ontsluiting De Elspeetsche Heide wordt doorsneden door de provinciale weg N310 die van Elspeet naar Nunspeet loopt. Door het gehele heideterrein loopt een netwerk van beheerwegen die ook als wandelpad worden gebruikt. Voormalig militair gebruik Met de bouw van de voormalige Generaal Winkelman kazerne in 1954 kwamen ook de eerste oefeningen op de Nunspeetse heideterreinen. Tot 1996 zijn de gemeentelijke heideterreinen verhuurd geweest aan het Ministerie van Defensie. Er werden daarbij oefeningen gehouden met wiel- en rupsvoertuigen en manschappen. Verder werden de bosranden in het deelgebied de Elspeetsche Heide als bivakplaatsen gebruikt. Tot 1979 was het heideterrein in gebruik als ‘free for all’ terrein. Dat wil zeggen dat voertuigen en manschappen overal op de heide mochten komen. Daarna is in de heide een netwerk van tankbanen aangelegd en werden er duidelijke gebruiksafspraken gemaakt. Met het beëindigen van het contract met Defensie zijn de bivakplaatsen opgeheven en zijn banenstelsels deels bewerkt met heideplagsel om ontwikkeling van heide te stimuleren (zie 42
ook hoofdstuk 3). Tegenwoordig zijn deze banen nog goed te zien in het veld. Verspreid door het terrein zijn ook nog afdrukken van voormalige tankopstelplaatsen herkenbaar. Veel tankbanen zijn inmiddels dicht begroeid met struikhei. Andere tankbanen worden bewust open gehouden, om voldoende open zand en grind te behouden voor sommige broedvogels, reptielen en insecten.
Figuur 1.1. Westelijk deel van deelgebied Elspeetsche Heide.
Recreatie Op de Elspeetsche Heide wordt volop gerecreëerd door wandelaars, (ATB-)fietsers en ruiters gebruikt. Voor deze gebruikers is een aantal gemarkeerde wandelroutes, ruiter- en menpaden en fietspaden aangelegd (zie bijlage 5). In deelgebied Stakenbergsche Heide concentreert de recreatie zich voornamelijk rondom de parkeerplaats bij de Speelweide aan de Stakenbergweg, rondom de observatietoren iets ten zuiden daarvan en langs de fietspaden van de Stakenbergweg en de Schapendrift. In deelgebied Elspeetsche Heide concentreert de recreatie zich aan de noordoostzijde, tegen het dorp Vierhouten aan. Hier ligt een struinzone die fungeert als uitloopgebied voor het dorp en voor vakantiepark en groepsaccommodatie De Paasheuvel. In de struinzone is het toegestaan buiten wegen en paden te lopen en de hond los te laten. In toenemende mate wordt hier ook veel gefietst door ATB-ers. Fietsen door lokale bewonersmet hun dagelijkse bezoek aan het gebied, versterkt met het toenemende atb-fietsen, heeft geleid tot talrijke nieuwe paadjes en aanzienlijke erosie van het reliëf. Verder lopen in deelgebied Elspeetsche Heide twee fietspaden. De eerste loopt van oost naar west, van Vierhouten via de Turfberg naar de Stakenbergweg. De twee loopt aan de oostzijde van het deelgebied van noord naar zuid, parallel aan de Vierhouterweg / Elspeterbosweg.
Langs de Elspeterbosweg is ook een parkeerplaats aanwezig met een opstap van een rondwandeling over de heide. Richting Elspeet ontstaat aan de Elspeterbosweg tegen de Noorderheide(SBB) spontaan een nieuwe parkeerlocatie. In overleg Langetermijnvisie heideterreinen Nunspeet
43
Bosgroep Midden Nederland
met Staatsbosbeheer wordt deze autonome ontwikkeling nog beoordeeld. Verder bevindt zich op de oostelijke deel van het deelgebied Elspeetsche Heide een replica van een grafheuvel. Er vinden op de Elspeetsche Heide verschillende evenementen plaats, zoals hardloopwedstrijden, veldtoertochten voor ATB-ers en wandeltochten. In het dorp Elspeet is een schaapskooi aanwezig. Bij de schaapskooi wordt elk jaar in juli het 'Schaapscheerdersfeest' gehouden. Dit evenement trekt ieder jaar opnieuw duizenden bezoekers. Er zijn vergevorderde plannen voor een nieuwe, grotere schaapskooi elders in het gebied. Overig gebruik Een centrale vergunning is verleend aan de bijenvereniging Nunspeet voor het plaatsen van bijenkasten. Deze vergunning geldt voor de meeste heideterreinen die in eigendom zijn van de gemeente Nunspeet. Recent is meer kennis beschikbaar gekomen over het effect van honingbijen op de populaties van wilde bijen en andere bloembezoekende insecten. Zie paragraaf 4.6. Waarden Flora en vegetatie De Elspeetsche Heide bestaat voor het grootste deel uit droge en vochtige heide, afgewisseld met pijpenstrootjevegetaties, heischraal grasland, zandige plekken met droog grasland, dennenbosjes, eikenbosjes (strubben) en vennen.
Uit de meest recente vegetatiekartering (2012, zie bijlage 9) blijkt dat de grootste oppervlakten bestaan uit de vegetatietypen droge heide waarin struikhei dominant is, natte heide waarin dophei en struikhei samen voorkomen en een mengtype van droge heide en pijpenstrootjevegetatie. Met name op de oostelijke Elspeetsche Heide gaat het om soortenarme varianten. Op de Stakenberger Heide en de zuidwestelijke punt van het oostelijke heideperceel heeft de droge struikhei-vegetatie een soortenrijker karakter. Hier gaat dit type ook plaatselijk over in heischrale graslanden waarin tandjesgras kenmerkend is. Met name op delen waar een sterke begrazing plaats vindt heeft dit vegetatietype zich goed ontwikkeld. Geheel door pijpenstrootje gedomineerde vegetaties komen (als gevolg van talrijke beheermaatregelen) wel vleksgewijs voor, maar vormen geen grote aaneengesloten vlakken. In het gebied komen op een zevental plekken natte heidevegetaties voor in vochtige laagten die worden gekenmerkt door gewone dophei, veenpluis en veenmossoorten als waterveenmos. Het gaat hier om venige laagtes. Daarnaast komen in deze zones ook bultige soortenarme begroeiingen voor met pijpenstrootje. Er zijn drie “echte” vennen, waarin onder andere veenmosrijke venvegetaties voorkomen. Daarnaast komt in de bossen van de Schotkamp een zuur ven voor die wordt omgeven door een vochtige heide.
In de bossen langs de randen van de heide is grove den de aspectbepalende boomsoort, maar er komen ook enkele oude eikenstrubbenbosjes voor. De ondergroei in de bosranden varieert van grazig tot min of meer heideachtig met blauwe en rode bosbes. In de strubbenbosdelen komen soorten van oud bos als hengel en dalkruid voor. Vrijstaande vliegdennen en berken komen verspreid door het gebied voor. Deze vergroten niet alleen de visuele belevingswaarde van het heidelandschap, maar vormen ook belangrijke structuren voor broedvogels en andere heidefauna. In de meest recente florakartering (Immerzeel, 2020) werden 14 soorten vaatplanten en 7 soorten korstmossen van de Rode Lijst vastgesteld. De meeste van deze bijzondere soorten 44
komen voor in heischraal grasland, zandige plekken in de heide (oude tankbanen) en rondom de vennen. Deze vegetatietypen hebben een relatief beperkt oppervlak, maar zijn dus erg belangrijk voor de totale soortenrijkdom in het gebied. Ook de bermen van fietsen wandelpaden voegen soorten toe ten opzichte van de rest van de heide, waarschijnlijk omdat ze iets voedselrijker en meer gebufferd zijn en de grond vaker geroerd wordt. In bijlage 8 is een lijst met waargenomen plantensoorten opgenomen. Fauna De Elspeetsche Heide is alleen al vanwege haar grote aaneengesloten oppervlak belangrijk voor de heidefauna van de Noordwest-Veluwe. Wanneer populaties van kenmerkende heidesoorten het in dit gebied goed doen kunnen ze als bronpopulaties dienen voor kleinere en daardoor kwetsbaardere heideterreinen in de omgeving. Daarnaast is de grote variatie in vegetatietypen op de Elspeetsche Heide van belang voor een grote diversiteit aan diersoorten. Voor vogels en zoogdieren komt daar nog het aspect rust bij: vanwege de omvang van het heideterrein komen er nog recreatieluwe delen voor op de Elspeetsche Heide die aantrekkelijk zijn voor verstoringsgevoelige soorten.
In het meest recente broedvogelonderzoek door Sovon in 2020 (Deuzeman et al., 2021) werden 37 broedvogelsoorten gekarteerd, waaronder 9 van de Rode Lijst: koekoek (Kwetsbaar, 8 paar), ransuil (Kwetsbaar, 2 paar), draaihals (Ernstig Bedreigd, 2 paar), grauwe klauwier (Ernstig Bedreigd, 2 paar), matkop (Gevoelig, 4 paar), veldleeuwerik (Gevoelig, 98 paar), grauwe vliegenvanger (Gevoelig, 1 paar), graspieper (Gevoelig, 36 paar), kneu (Gevoelig, 32 paar). Verder moeten nachtzwaluw (30 paar), boomleeuwerik (54 paar) en roodborsttapuit (82 paar!) genoemd worden. Deze soorten staan vanwege hun positieve trend niet op de Rode Lijst, maar zijn wel Natura 2000-doelsoorten. Enkele (zeer) kritische soorten van het heidelandschap zijn al geruime tijd als broedvogel van de Elspeetsche Heide verdwenen. Relatief recent (vanaf 1995) zijn dat wulp, korhoen en tapuit. Het laatste broedgeval van korhoen uit 1994 betrof echter vogels die waren uitgezet in het kader van een poging tot herintroductie. Qua grote zoogdieren is de Elspeetsche Heide leefgebied van edelhert, damhert, ree, wild zwijn en sinds enkele jaren ook de wolf. Vooral de edelherten hebben een grote impact op de vegetatiestructuur van de Elspeetsche Heide, met name in de bosranden en in de eikenstrubbenbosjes waarin ze overdag dekking zoeken.
Dat heeft positieve kanten (de heide groeit minder snel dicht) en negatieve kanten (er vindt nauwelijks bosverjonging plaats en de overgangen van heide naar bos zijn ‘hard’). Wilde zwijnen zorgen door hun wroetgedrag voor open plekken, soms op grote schaal. De komst van de wolf kan (op termijn) veranderingen teweeg brengen in de populatiestructuur en het gedrag van de grote grazers en zwijnen, maar levert ook een acuut knelpunt op: de schapen die de heide begrazen zijn kwetsbaar. Overige zoogdieren die bekend zijn van de Elspeetsche Heide zijn das, vos, haas (Rode Lijst: Gevoelig) en konijn (Rode Lijst: Gevoelig). Het voorkomen van konijn is opmerkelijk, omdat deze soort op de Veluwe sterk is afgenomen door ziekten en lang niet meer in alle heideterreinen aanwezig is. Met name in deelgebied Schotkamp komen (nog) veel konijnen voor. Konijnen hebben een positieve invloed op droge heidesystemen, omdat hun graaf- en graasactiviteit zorgt voor open zand en korte vegetaties. Dit biedt geschikte kiemplaatsen voor plantensoorten van heischraal grasland en voortplantingsplekken voor wilde bijen, sprinkhanen en andere heideinsecten. Konijnenholen kunnen bovendien een belangrijke rol
Langetermijnvisie heideterreinen Nunspeet
45
Bosgroep Midden Nederland
spelen bij een toekomstige hervestiging van tapuit als broedvogel op de Elspeetsche heide. Deze kritische soort broedt graag in konijnenholen. Het voorkomen van kleinere marterachtigen en knaagdieren (muizen, spitsmuizen) is niet goed onderzocht. Heiden zijn belangrijke leefgebieden voor reptielen en dat geldt zeker ook voor de Elspeetsche Heide. 5 van de 6 soorten van de binnenlandse zandgronden komen er voor. Dat zijn adder (Rode Lijst: Kwetsbaar), ringslang (Kwetsbaar), zandhagedis (Kwetsbaar), levendbarende hagedis (Gevoelig) en hazelworm. Alleen gladde slang lijkt op de Elspeetsche Heide te ontbreken (Immerzeel, 2020). Zandhagedis is de algemeenste soort en komt verspreid door het gebied voor op droge zandige plekken en langs zandpaden voor. Levendbarende hagedis en adder komen op gemiddeld vochtigere plekken voor en hebben hun zwaartepunt deelgebied Stakenbergerheide. Reptielensoorten, biotoopeisen en status Van de reptielensoorten die voorkomen in de heideterreinen van Gemeente Nunspeet worden hieronder de biotoopeisen en status weergegeven. De hazelworm heeft een voorkeur voor bossen, bosranden, houtwallen, heide en weg- en spoorbermen. In de mei bestaat er de grootste kans dat deze soort zonnend wordt aantreffen. De rest van het jaar verschuilen ze zich vaak in bladlagen, onder heidestruiken of ondergronds.
De hazelworm heeft de status "thans niet bedreigd" op de Rode Lijst. De zandhagedis komt in Nederland voornamelijk voor op de heideterreinen op hogere zandgronden en in de duinen. Voor het leggen van eieren kiezen de vrouwtjes zonnige, onbegroeide zandige plekken. De eitjes worden op 5 tot 20 cm diepte ingegraven. De warmte van de zon zorgt dan voor verdere ontwikkeling van de eieren. De zandhagedis staat op de Rode Lijst-soort als kwetsbaar. De levendbarende hagedis leeft bij voorkeur op enigszins vochtige heide of heide met vennen en in structuurrijke weg- en spoorbermen en ruigten. Deze soort legt geen eieren maar brengt haar jongen levend ter wereld. D levendbarende hagedis is de laatste jaren hard achteruitgegaan en heeft de status "gevoelig" op de Rode Lijst. De adder komt voor in heide- en hoogveengebieden en soms ook op open plekken in bossen. Adders zijn eierlevendbarend: ze broeden de eieren uit in het moederlichaam. Voor de overwintering gebruikt de adder ondergrondse, vorstvrije winterverblijven (hibernacula), zoals konijnenholen of holten tussen wortels van bomen. De winterverblijven liggen meestal op zuidhellingen en zijn vaak begroeid met dichte, ondoordringbare vegetatie (zoals braam). De Adder is een zeldzame Rode Lijst-soort (status =”kwetsbaar”) De ringslang is gebonden aan waterrijke habitats.
Ze zonnen vaak op dijkjes in de buurt van water, waar ze jagen op voornamelijk amfibieën en soms andere gewervelde dieren waaronder vissen. De ringslang legt 20-30 eieren per legsel in composthopen, bladhopen en mestvaalten. Overwinteren gebeurt hoger & droger in het landschap, in de grond, onder planten, boomstronken, holle bomen of stenen. De gladde slang is de zeldzaamste reptielensoort op de heiden van Gemeente Nunspeet. Hij bewoont vooral droge heideterreinen, maar ook hogere delen van hoogveengebieden en open bossen en jonge aanplant op zandgrond. Overwinteren gebeurt ondergronds, op droge plekken in het landschap. (bron: www.ravon.nl).
46
Ringslang prefereert natte biotopen en is beperkt tot de omgeving van het ven het Veentje, centraal gelegen in het deelgebied Elspeetsche Heide. Hazelworm tenslotte komt vooral voor langs de bosranden van het gebied. De spaarzame natte plekken op de Elspeetsche Heide zijn waardevol voor amfibieën, waaronder de heikikker, een kenmerkende soort van heidevennen en andere voedselarme watertypen. Op de Elspeetsche Heide komen verschillende dagvlinder- en sprinkhaansoorten voor die min of meer kenmerkend zijn voor heiden. In de meest recente kartering (Immerzeel, 2020) werden waargenomen: groentje, groot dikkopje, heideblauwtje (Rode Lijst: Kwetsbaar), heivlinder (Kwetsbaar), hooibeestje, kleine parelmoervlinder (Kwetsbaar), kleine vuurvlinder, blauwvleugelsprinkhaan, heidesabelsprinkhaan en moerassprinkhaan. In de afgelopen 10 jaar zijn daarnaast ook bruin blauwtje (Gevoelig), bruine vuurvlinder (Kwetsbaar), kommavlinder (Bedreigd), schavertje en zoemertje waargenomen. In de afgelopen 10 jaar werden vier libellensoorten van de Rode Lijst waargenomen: gevlekte witsnuitlibel (Kwetsbaar), maanwaterjuffer (Kwetsbaar), venglazenmaker (Kwetsbaar) en venwitsnuitlibel (Kwetsbaar). Maanwaterjuffer is echter na 2012 niet meer waargenomen. Tenslotte is de Elspeetsche Heide ook belangrijk voor wilde bijen.
In 2020 werden tijdens een gerichte inventarisatie 38 soorten waargenomen, waaronder 5 soorten van de Rode Lijst (Smit & Reemer, 2020). De ericabij staat zelfs als Ernstig bedreigd op de Rode Lijst en is landelijk zeer zeldzaam. Wilde bijen profiteren van een ruim aanbod aan kruiden en bloeiende struiken in de heide in combinatie met voldoende nestgelegenheid, voor veel soorten in de vorm van open zandige plekken (inclusief zandpaden) of steilrandjes. Deze aspecten zijn relatief ruim voorhanden op de Elspeetsche Heide. In bijlage 10 is een lijst met waargenomen diersoorten opgenomen.
Archeologie en cultuurhistorie In het zuidwestelijke deel van de Stakenberger Heide, de Schotkamp, ligt een concentratie van grafheuvels uit de laatneolithische tijd tot de bronstijd. Op de oostelijke Elspeetsche Heide ligt eveneens een aantal grafheuvels. Ook bevindt zich hier een replica van een grafheuvel. Verder komen in het terrein oude karrensporen voor waarvan de ouderdom onbekend is. Deze manifesteren zich duidelijk op locaties die geplagd zijn. Voor dit gebied zijn er geen aanwijzingen dat leemwinning heeft plaats gevonden. Wel is her en der op kleine schaal zand en grind gewonnen.
Langetermijnvisie heideterreinen Nunspeet
47
Bosgroep Midden Nederland
2.
Westeindsche Heide
48
Karakteristieken Ligging en historisch beeld De Westeindsche Heide ligt ten noordwesten van de Stakenbergweg en grenst daar aan de Elspeetsche Heide (figuur 1.1 in hoofdstuk 1). De historische topografische kaart uit 1900 laat zien dat de Westeindsche Heide aan het begin van de vorige eeuw onderdeel uit maakte van de grote heidegebieden van de Stakenberger heide en Elspeetsche Heide. Maar ook dat er aan het begin van de 20e eeuw al een boscomplex aangeplant was. In de jaren 1930 heeft de Westeindsche heide zijn huidige vorm gekregen doordat grote delen van de heide ten noorden en ten westen zijn ontgonnen en deels omgevormd naar bos en deels door spontane natuurlijke bosverjonging. Daarbij is na 1935 de Stakenbergweg aangelegd. In 2015 zijn in het bos weer grotere open plekken gemaakt, ter bevordering van heideontwikkeling en corridors aangelegd om verschillende heidefragmenten met elkaar te verbinden. Oppervlakte en terreintypen De Westeindsche Heide heeft een oppervlak van 92 ha. Het gebied bestaat uit een afwisseling van droge en vochtige heide met op een aantal locaties nog jeneverbesstruiken en een aangelegd ven, het Gat van Jan van Beek (ten westen van de Oude Leuvenumseweg). Het wordt aan de westzijde begrensd door een spontaan ontwikkeld grove dennenbos.
Geomorfologie, hydrologie en bodem De Westeindsche Heide ligt op de westrand van het aaneengesloten stuwwalcomplex van de Veluwe. Het terrein grenst aan de Stakenberger Heide waar de delen met 31 meter +NAP voorkomen. Van hieruit daalt het terrein in noordwestelijke richting naar een hoogte van 17 meter +NAP. In het terrein is een tweedeling in het reliëf waar te nemen. Tussen de Stakenbergerweg en de Oude Leuvenumse weg is het terrein arm aan reliëf. In het gedeelte ten noorden hiervan is het terrein meer geaccidenteerd. Deze vormen zijn ontstaan door verspoeling en wegsmelten van ijs. In de Westeindsche Heide is de bodem opgebouwd uit grove grindhoudende fluvioglaciale afzettingen die in het Saalien tot een kleine stuwwal zijn opgedrukt (de stuwwal van Stakenberg). Hier is (matig fijn) dekzand over afgezet waarna in een latere periode in het noorden en zuiden van het terrein stuifzand is afgezet. Voor het hele gebied bevindt zich het water op meer dan 140 cm beneden maaiveld (Grondwatertrap VIII; tabel 1.1). In het gebied komen haarpodzolgronden voor waarbij een onderscheid gemaakt wordt tussen grofzandige leemarm tot zwak lemige met grind ondieper dan 40 cm (gHd30) en overstoven haarpodzolgrond met een dun stuifdek van 5-30 cm dikte in leemarm tot zwak lemig, grindhoudend grof zand (zgHd30).
In beide typen kan een zeer humusrijke of venige sterk lemige bovengrond aanwezig zijn. Gebruik Ontsluiting De Westeindsche Heide ligt aan beide zijden van de Oude Leuvenumse weg . Parallel met de Oude Leuvenumse weg loopt een fietspad door het gebied. Verder lopen een aantal zandpaden van zuidoost naar noordwest door het terrein. Deze worden ook als educatief wandelpad gebruikt. Daarnaast is er een gemarkeerde ruiter- en menpad in het gebied aanwezig.
Langetermijnvisie heideterreinen Nunspeet
49
Bosgroep Midden Nederland
Voormalig militair gebruik Het gebied is net als de Elspeetsche Heide in het verleden intensief gebruikt als militair oefenterrein. In de heide en de aangrenzende bosgebieden zijn sporen van gebruik aanwezig. Zo komen aan de noordzijde nog voormalige tankopstelplaatsen voor. Recreatie Het gebied wordt met name door wandelaars, fietsers en ruiters bezocht. Specifiek voor de laatste groep is een ruiterpad aangelegd. Verder is in dit heideterrein een educatieve wandelroute (Plaggenroute) aangelegd waarin het heidebeheer wordt toegelicht, en zijn alle wegen en paden vrij toegankelijk voor ATB-ers. Voor deze groep van recreanten worden jaarlijks een aantal veldtoertochten door het gebied georganiseerd. Tenslotte bevindt zich aan de noordkant van het terrein een schuilhut. Waarden Flora en vegetatie De Westeindsche Heide bestaat grotendeels uit droge en vochtige heide, afgewisseld met kleine oppervlakten pijpenstrootje vegetaties, natte heide en (zeer lokaal) heischraal grasland. De smalle strook langs de Stakenbergweg, aan de zuidkant van het gebied, heeft een mooie afwisseling van heidetypen (zowel gewone dophei, struikhei als kraaihei) en korte grazige vegetaties met aspecten van heischraal grasland. Ook het noordelijk gelegen deelgebied ten westen van het fietspad kent veel variatie. Dit deel is reliëfrijk en heeft groeiplaatsen met veel kraaihei.
Aan de westzijde zijn geleidelijke overgangen naar grove dennenbosjes aanwezig. In 2018 zijn kleinschalige, ondiepe plagplekken gemaakt (Termaat, 2019), waar inmiddels volop jonge heideplantjes en kruiden zijn ontkiemd. Het Gat van Jan van Beek (ten westen van de Oude Leuvenumseweg) betreft een gegraven, zuur ven met een helofytenrijke moerasvegetatie. In het deel natuurbos en ten noorden van het Gat van Jan van Beek is in de vorige eeuw op kleine schaal veel zand en grind gewonnen. In 2015 is een verbindingsstrook aangelegd tussen de Westeindsche Heide en het Hulsthorsterzand. In de meest recente florakartering (Immerzeel, 2020) werden 11 soorten vaatplanten en 1 soort korstmos van de Rode Lijst vastgesteld. Dit zijn voornamelijk soorten die kenmerkend zijn voor heischraal grasland, of voor droge heidevegetaties die niet al te sterk verzuurd zijn. Veel van deze soorten zijn gerelateerd aan de omgeving van de Stakenbergweg waar in het verleden leem is aangebracht. Veenbies is opvallend wijd verbreid in het gebied. Soorten als borstelgras, tandjesgras en stekelbrem zijn vooral algemeen in de strook tussen de Stakenbergweg en de Oude Leuvenumseweg. Tandjesgras staat verder langs verschillende paden in het gebied en in de nieuw aangelegde verbindingszone tussen de Westeindsche Heide en het Hulsthorsterzand. Deze verbindingszone is door meer karteersoorten snel gevonden.
Zo staat er veel buntgras en ook grondster, heidespurrie, vroege haver en kruipbrem. Grondster is een soort die veel in het gebied is aangetroffen en groeit op meerdere plekken in behoorlijke aantallen. In de oeverzone van de het Gat van Jan van Beek staan onder andere snavelzegge, veenpluis en veenmossoorten. In bijlage 8 is een lijst met waargenomen plantensoorten opgenomen.
50
Fauna Omdat de Westeindsche Heide grenst aan de Elspeetsche Heide draagt het bij aan de robuustheid van het heideterrein en aan de omvang en stabiliteit van de populaties van heidefauna. Ook de recent gecreëerde corridor naar het Hulshorsterzand is in dat opzicht belangrijk. In het meest recente broedvogelonderzoek door Sovon in 2020 (Deuzeman et al., 2021) werden 31 broedvogelsoorten gekarteerd, waaronder 9 van de Rode Lijst: koekoek (Kwetsbaar, 2 paar), ransuil (Kwetsbaar, 1 paar), matkop (Gevoelig, 2 paar), veldleeuwerik (Gevoelig, 2 paar), graspieper (Gevoelig, 4 paar), kneu (Gevoelig, 4 paar). Niet op de Rode Lijst maar wel Natura 2000-doelsoort zijn nachtzwaluw (30 paar), boomleeuwerik (13 paar) en roodborsttapuit (12 paar). De Westeindsche Heide wordt regelmatig bezocht door de dezelfde grote zoogdieren die ook op Elspeetsche Heide voorkomen: edelhert, ree, wild zwijn en wolf. Qua reptielen komen hazelworm, zandhagedis, levendbarende hagedis en adder voor. De laatste twee soorten hebben een voorkeur voor vochtige plekken in de hei. Het Gat van Jan van Beek is van belang voor amfibieën, waaronder bruine kikker, middelste groene kikker, kleine watersalamander, gewone pad. Elders in het gebied is heikikker waargenomen, mogelijk plant deze soort zich ook voort in het ven.
In de meest recente insectenkartering (Immerzeel, 2020) werden 12 dagvlinder- en sprinkhaansoorten waargenomen die kenmerkend zijn voor droge of vochtige heidevegetaties en heischrale graslandvegetaties: bruin zandoogje, bruine vuurvlinder, groentje, groot dikkopje, heideblauwtje (Rode Lijst: Kwetsbaar), heivlinder (Kwetsbaar), hooibeestje, kleine parelmoervlinder (Kwetsbaar), kleine vuurvlinder, blauwvleugelsprinkhaan en heidesabelsprinkhaan. Daarnaast is ook schavertje is bekend uit het gebied. Bij het Gat van Jan van Beek komen verschillende algemene libellensoorten voor. Tijdens een bijeninventarisatie in 2020 werden 12 soorten waargenomen. Geen van deze soorten staat op de Rode Lijst (Smit & Reemer, 2020). Met enige regelmaat wordt in de bosranden van de Westeindsche Heide een vliegend hert waargenomen. In bijlage 10 is een lijst met waargenomen diersoorten opgenomen. Archeologie en cultuurhistorie In het gebied komen naar nog oude karrensporen voor. Deze manifesteren zich duidelijk op locaties die zijn geplagd.
Langetermijnvisie heideterreinen Nunspeet
51
Bosgroep Midden Nederland
3.
Elspeterveld
52
Karakteristieken Ligging en historisch beeld Het Elspeterveld ligt ten zuiden van Elspeet en grenst aan de westzijde van de Uddelerweg die van Uddel naar Elspeet loopt (figuur 1.1 in hoofdstuk 1). Het heideterrein wordt aan de westzijde begrensd door het landbouwgebied de Schaarweide. Aan het begin van de 20e eeuw maakt het Elspeterveld onderdeel uit van het grote heidecomplex dat rondom het dorp Elspeet lag. In de jaren 1930 heeft het Elspeterveld al meer een geïsoleerd karakter. In de buurtschap Kleine kolonie zijn delen (verder) ontgonnen waardoor er geen directe verbinding meer aanwezig is met het heideterrein van de Kleine kolonie. In 2010 is het Elspeterveld vanuit de zuidwesthoek verbonden met het landgoed Staverden van Geldersch Landschap door de aanleg van een 200 m brede strook nieuw loofbos met heide. Oppervlakte en terreintypen Het Elspeterveld heeft een oppervlak van 70 ha. Het gebied bestaat voornamelijk uit droge heide die aan de zuidzijde grenst aan het eikenstrubbenbos de Noord Riezen. De west- en noordzijde worden begrensd door in 1985 nieuw aangelegde loofhoutsingels.
Figuur 2.2. Elspeterveld. Foto: Marjolein van Os.
Geomorfologie, hydrologie en bodem Het Elspeterveld ligt op de westrand van de stuwwal van de Veluwe. Het hoogste deel ligt met een hoogte van ongeveer 34 meter +NAP aan de oostzijde van het terrein. Vanaf hier helt het terrein naar het westen toe af naar een hoogte van 30 meter +NAP. Het terrein zelf heeft een relatief vlak karakter met in het centrum gedeelte een depressie. Langetermijnvisie heideterreinen Nunspeet