CConstaterende datNunspeet
Koppel je AI →
Document · PDF

AP 5a. Langetermijnvisie heideterreinen Nunspeet 2023 aangepast nov 2025

Commissie Ruimte en Wonen 9 februari 2026, gemeente NunspeetBij agendapunt: Langetermijnvisie en Beheerplan heideterreinen gemeente Nunspeet23.625 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Langetermijnvisie heideterreinen Gemeente Nunspeet Actualisatie 2024 concept Bosgroep Midden Nederland 1

Bosgroep Midden Nederland

Colofon Opdrachtgever:

Gemeente Nunspeet

Titel:

Langetermijnvisie heideterreinen Gemeente Nunspeet

Status:

Conceptplan voor College en participatietraject

Datum:

Juli 2023, aangepast november 2025

Auteurs:

ir. T. (Tim) Termaat, ir. M. (Marjolein) van Os

Met medewerking van:

dhr. M. Karsemeijer, dhr. H. Tjoonk, mevr. L. van Zijst, dhr. B. Siebelink

Kaartmateriaal:

Ing. J.H.J. Thielemans. Copyright © 2024, Dienst voor het kadaster en openbare

Projectnummer:

20.30.10162.02

registers, Apeldoorn.

© Coöperatie Bosgroep Midden Nederland u.a. Postbus 8135 6710 AC EDE t (0318) 67 26 26 www.bosgroepen.nl

2

Inhoudsopgave Samenvatting

5

1

7

Inleiding 1.1

Aanleiding

7

1.2

Werkwijze

8

1.3

Leeswijzer

8

2

Beschrijving van de heideterreinen

9

3

Analyse ontwikkeling natuurwaarden

10

4

5

6

3.1

Achteruitgang biodiversiteit van heideterreinen

10

3.2

Analyse Elspeetsche Heide en Westeindsche Heide

11

Actuele thema’s en nieuwe inzichten

14

4.1

Klimaatverandering

14

4.2

Stikstofdepositie

15

4.3

Plaggen als herstelmaatregel

16

4.4

Heideherstel door toediening van bufferstoffen

17

4.5

Achteruitgang van insecten

17

4.6

Honingbijen versus wilde bijen

19

4.7

Nieuwe inzichten in beheer

23

Relevante regelgeving

24

5.1

Natura 2000

24

5.2

Herstelprogramma’s Veluwe

26

5.3

Recreatiezonering

26

5.4

Subsidiestelsel Natuur en Landschap

27

5.5

Stiltegebieden

28

Visie heidebeheer 2025-2049

29

6.1

Streefbeeld heidelandschap

29

6.2

Veranderde randvoorwaarden

29

6.3

Algemene beheerdoelstellingen

30

Literatuur

35

Bijlagen

39

Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4 Bijlage 5 Bijlage 6 Bijlage 7 Bijlage 8 Bijlage 9

Beschrijving van de heideterreinen Bodemkaarten van de terreinen

Hoogtekaarten van de terreinen Historische kaarten van de terreinen Recreatievoorzieningen Uitsnede zoneringskaart Recreatiezoneringsplan Veluwe Archeologische waarden Waargenomen soorten mossen, korstmossen en vaatplanten per heideterrein

Vegetatiekartering SNL 2012

Langetermijnvisie heideterreinen Nunspeet

3

Bosgroep Midden Nederland

Bijlage 10 Bijlage 11 Bijlage 12 Bijlage 13 Bijlage 14 Bijlage 15

Waargenomen diersoorten per gebied Resultaten broedvogelkarteringen Elspeetsche Heide en Westeindsche Heide 1994-2020 Kaart Natura 2000-habitattypen

Habitattypen en soorten waarvoor de Veluwe is aangewezen als Natura 2000-gebied Maatregelen uit Natura 2000-beheerplan Veluwe

Kaarten natuurbeheertypen volgens het Subsidiestelsel Natuur- en Landschapsbeheer (SNL)

4

Samenvatting Aanleiding De gemeente Nunspeet beheert circa 1.100 ha heideterrein, verdeeld over 10 deelgebieden. Om dit beheer goed te kunnen uitvoeren werd in 2011 een langetermijnvisie opgesteld en

een concreet uitgewerkt heidebeheerplan voor de periode 2011-2021. De looptijd van het beheerplan is nu verstreken. Om een effectief nieuw beheerplan op te stellen is het eerst nodig om de langetermijnvisie uit 2011 te actualiseren. Zo kan rekening worden gehouden

met de ontwikkelingen die zich in de afgelopen periode in de terreinen hebben voorgedaan. Sommige onderwerpen vragen nu meer aandacht dan in de vorige beheerplanperiode, zoals: klimaatverandering, CO2-opslag, de voortschrijdende bodemverzuring, de

achteruitgang van insecten, de toegenomen recreatiedruk en veranderde wet- en regelgeving. Maar ook zijn nieuwe inzichten ontstaan ten aanzien van de effectiviteit van heideherstelmaatregelen, zoals drukbegrazing, brandbeheer, plaggen, chopperen en het toedienen van steenmeel.

Dit rapport beschrijft de aangepaste heidebeheervisie voor de komende 25 jaar voor de heideterreinen van de gemeente Nunspeet. Natuurwaarden en bedreigingen De heideterreinen in de gemeente Nunspeet zijn van grote waarde voor kenmerkende floraen fauna die het zwaartepunt van hun verspreiding op de Veluwe hebben. Een groot aantal soorten staat op de nationale Rode Lijst van bedreigde plant- en diersoorten. Dit hangt samen met een aantal knelpunten dat de kwaliteit van de heiden als ecosysteem ondermijnt. De aanhoudende hoge stikstofdepositie die de kritische depositiewaarde voor gezonde heidesystemen nog altijd ruimschoots overschrijdt is het zwaarstwegende knelpunt. Het zorgt voor een complex web aan problemen, zoals bodemverzuring, uitloging van belangrijke mineralen, vergrassing en versnelde verbossing van de heide en

afname van de voedselkwaliteit voor heidefauna. Een ander grootschalig knelpunt dat meer en meer een rol speelt is klimaatverandering en de daarmee geassocieerde zomerdroogtes. Zowel stikstofdepositie als klimaatverandering zijn problemen die een provinciale en

landelijke aanpak vergen, maar door lokaal de juiste beheermaatregelen te kiezen kunnen schadelijke effecten op heidesystemen worden verzacht of uitgesteld. Voortschrijdende inzichten in het heidebeheer Vanaf de eerste periode waarin actieve maatregelen voor heideherstel zijn getroffen grofweg vanaf het einde van de jaren 1970- is de kijk op het heidebeheer aan verandering onderhevig geweest en zijn de voornaamste maatregelen die gekozen zijn veranderd. Tot het begin van de huidige eeuw lag de nadruk op het grootschalig terugdringen van vergrassing en het maximaal afvoeren van nutriënten. Met behulp van grote plagmachines zijn grote oppervlakten vergraste heide tot op de minerale bodem afgeplagd, zo ook op de Nunspeetse heiden. Vanaf het begin van de vorige beheerplanperiode (2011) is de focus verlegd naar kleinschaliger beheer, in de vorm van veel kleinere plagplekken, chopperbanen en maaistroken. Vergroting van structuurvariatie in de vegetatie en afwisseling in het terrein was het devies. Daarbij bestond al het besef dat zuiniger moest worden omgegaan met de aanwezige organische stof in heidebodems. Minder diep geplagde terreindelen ontwikkelden zich zichtbaar sneller in de goede richting en Langetermijnvisie heideterreinen Nunspeet

5

Bosgroep Midden Nederland

verzuurden minder snel opnieuw. Tegelijkertijd is begrazing door schapen belangrijker geworden. Aan de hand van een begrazingsplan is er sinds 2015 meer regie gevoerd op het begrazingsbeheer. Niet alleen als onderhoudsbeheer (met gehoede schaapskudde) maar ook als instrument om sterke vergrassing van heide te doorbreken (drukbegrazing). Tenslotte zijn in deze periode de eerste positieve ervaringen opgedaan met brandbeheer van droge heide. Ook de wetenschappelijke kennis ten aanzien van heidebeheer is een stap verder opgeschoten. Het belang van behoud van organische stof in de bodem is inmiddels ook proefondervindelijk vastgesteld en de chemische processen en gevolgen van bodemverzuring zijn verder opgehelderd. Geadviseerd wordt om de door verzuring verdwenen bodemmineralen actief aan te vullen. Dit om ‘tijd te winnen’ tot het moment waarop de stikstofdepositie tot onder de kritische waarden voor heide-ecosystemen is gedaald. Visie voor de komende 25 jaar Het algemene streefbeeld voor de heideterreinen in de gemeente Nunspeet is een soortenrijk heidelandschap, waarin zowel de kenmerkende biodiversiteit als de landschappelijke en recreatieve kwaliteiten gehandhaafd blijven, dan wel versterkt worden. De beleefbaarheid van de kenmerkende paarse heide wordt hiermee gewaarborgd. Tegelijkertijd is de heide meer dan enkel een ‘paarse vlakte’.

Heide is een verzamelnaam voor een variatie aan vegetatietypen op niet ontgonnen ‘woeste’ grond waar geen of slechts weinig bomen groeien. De historische invloed van de mens op de natuurlijke matrix van standplaatscondities heeft geleid tot het ontstaan van kenmerkende gradiënten: voedselarm tot matig voedselrijk, droog tot nat, zuur tot gebufferd. Deze gradiënten zorgen voor verschillende vegetatietypen die geleidelijk in elkaar overgaan en een leefgebied vormen voor een diversiteit aan kenmerkende heidesoorten als insecten, vogels en reptielen. In de vernieuwde heidebeheervisie hanteert de gemeente Nunspeet tien algemene beheerdoelstellingen: 1. Grotere rol voor schapenbeheer 2. Negatieve effecten van bodemverzuring verzachten 3. Vergroten van de structuurvariatie 4. Meer kansen voor bosrandontwikkeling en loofhout 5. Heideterreinen verbinden

6. Populatieherstel en instandhouding van zeven broedvogelsoorten 7. Vergroten van kansen voor insecten 8. Naar een nieuwe recreatiezonering

9. Meer aandacht voor natuurbrandpreventie 10. Behoud van archeologische waarden Voor elk van de negen heideterreinen is op hoofdlijn bepaald welke herstel- en beheermaatregelen nodig zijn. In het nieuwe heidebeheerplan voor de periode 2025-2034 (afzonderlijk rapport) worden deze maatregelen nader uitgewerkt.

6

1 1.1

Inleiding Aanleiding

De gemeenten Nunspeet en Ermelo hebben in 2011 in een gezamenlijk proces elk een langetermijnvisie en een beheerplan voor hun heideterreinen opgesteld. Deze visie en beheerplan waren toe aan actualisatie. Beide gemeenten zijn opnieuw samen opgetrokken in de actualisatie van hun heidebeheerplannen. De problematiek in beide gemeenten is vergelijkbaar en door dit proces samen op te pakken kunnen ervaring en expertise worden gedeeld. Dit rapport betreft de langetermijnvisie voor de komende 25 jaar voor de heideterreinen van de gemeente Nunspeet. Het gaat daarbij om de volgende terreinen: Elspeetsche Heide, Westeindsche Heide, het Elspeterveld, de Grote en Kleine Kolonie, De Kril, de Kuilhegge, de Elspeterstruiken, Het Provinciebos en De Waschkolk (figuur 1.1). Het beheer van het terrein Mosterdveen volgt een gescheiden traject. Het beheerplan voor de komende 10 jaar is in een afzonderlijk rapport opgenomen.

Figuur 1.1. Ligging heideterreinen Gemeente Nunspeet

De negen heideterreinen hebben elk hun eigen karakteristieken, gebruiksvormen, potenties, knelpunten en beheervormen. De langetermijnvisie beschrijft de ecologische, archeologische, cultuurhistorische en recreatieve waarden van de heideterreinen. Op basis van deze waarden en van de relevante regelgeving en nieuwe inzichten zijn kansen en knelpunten per terrein geformuleerd. Dit heeft geleid tot een visie, waarin keuzes zijn gemaakt voor de streefsituatie per terrein. In het bijbehorende beheerplan zijn deze keuzes Langetermijnvisie heideterreinen Nunspeet

7

Bosgroep Midden Nederland

uitgewerkt tot concrete maatregelen. Ook zijn hierin aanbevelingen voor monitoring opgenomen. 1.2

Werkwijze

De langetermijnvisie van 2011 was opgesteld op basis van bestaande documentatie, terreinbezoeken en gesprekken met de beheerders en consultatie van een door de Bosgroep uitgenodigde klankbordgroep van deskundigen. De visie uit 2011 was nog steeds geldig, maar op sommige punten toe aan actualisatie. De structuur van het rapport is gehandhaafd. Toegevoegd zijn onder meer: nieuwe inzichten en actuele thema’s met betrekking tot natuurbeheer, een evaluatie van het beheer van de afgelopen 10 jaar en de recente ontwikkelingen in de natuurwaarden. De visie is uitgewerkt in een nieuw beheerplan voor de komende tien jaar. Dit beheerplan is in een afzonderlijk rapport opgenomen. 1.3

Leeswijzer

Ten opzichte van de visie van 2011 zijn in hoofdstuk 2 de korte karakteristieken per terrein geactualiseerd, onder meer met behulp van nieuwe gegevens van flora en fauna. In hoofdstuk 3 is het gevoerde beheer van 2011 – 2021 toegevoegd en geëvalueerd. De hoofdstukken 4: Analyse ontwikkeling natuurwaarden en 5: Actuele thema’s en nieuwe inzichten zijn nieuw toegevoegde hoofdstukken ten opzichte van 2011. In hoofdstuk 6 is de relevante regelgeving geactualiseerd. De hoofdstukken 7: Kansen en knelpunten per terrein en 8: Beheervisie zijn geactualiseerd aan de hand van de recente informatie en inzichten.

8

2

Beschrijving van de heideterreinen

In bijlage 1 is een korte beschrijving opgenomen per heideterrein. Het gaat om de volgende terreinen (figuur 1.1 in hoofdstuk 1): 1. Elspeetsche Heide 2. Westeindsche Heide 3. Elspeterveld 4. De Grote en Kleine Kolonie 5. De Kril

6. Kuilhegge 7. de Elspeterstruiken 8. Het Provinciebos 9. De Waschkolk Per terrein is beschreven (voor zover van toepassing):  Karakteristieken o

Ligging en historisch beeld

o

Oppervlakte en terreintypen

o

Geomorfologie, hydrologie en bodem

Gebruik o

Ontsluiting

o

Voormalig militair gebruik

o

Recreatie

o

Overig gebruik

Waarden o

Flora en vegetatie

o

Fauna

Archeologie en cultuurhistorie

Ook is per terrein een topografische kaart en een luchtfoto opgenomen.

Langetermijnvisie heideterreinen Nunspeet

9

Bosgroep Midden Nederland

3 3.1

Analyse ontwikkeling natuurwaarden Achteruitgang biodiversiteit van heideterreinen

De heidevelden op de Veluwe zijn ontstaan door menselijk handelen: plaggen, maaien, begrazen en branden hielden de heidevelden in stand. Bij afwezigheid van beheer gaat de heide uiteindelijk spontaan weer over in bos. Karakteristieke heidesoorten verliezen geschikt leefgebied, en omgekeerd: potentieel leefgebied verliest karakteristieke soorten (CBS et al., 2021). Stikstofdepositie heeft zowel een verzurend als vermestend effect, waardoor zuurmijdende en langzaam groeiende planten het afleggen tegen een veel kleiner aantal zuurminnende en snelgroeiende soorten (zie paragraaf 4.2). Hierdoor zijn veel soorten van voedselarme, gebufferde standplaatsen die vroeger algemeen voorkwamen op de hei sterk achteruit gegaan of verdwenen. Dit geldt in he bijzonder voor soorten die kenmerkend zijn voor het vegetatieverbond van de heischrale graslanden, zoals tandjesgras, liggende vleugeltjesbloem, heidekartelblad en klokjesgentiaan. En kleine schorseneer, die gedurende de afgelopen beheerplanperiode volledig uit de heideterreinen van Gemeente Nunspeet verdwenen is. Ook met de fauna van de heide gaat het niet goed. Gegevens van het CBS laten zien dat de fauna van de heide sinds 1990 gemiddeld genomen achteruit gaat en dat die achteruitgang sterker is in gebieden met een zeer hoge stikstofdepositie dan in gebieden met een iets minder hoge stikstofdepositie (CBS et al., 2021).

In de periode vanaf 1990 namen veel broedvogels van de open heide af, waarbij korhoen nagenoeg, en duinpieper en klapekster zelfs geheel zijn verdwenen. De afname van deze soorten komt doordat soorten gebonden aan jonge successiestadia of heel open gebied last hebben van het dichtgroeien van de heide met grassen en struiken. Een andere soort die (mede) door vergrassing en verbossing sterk achteruit is gegaan, is de tapuit. Bij deze soort speelt nog mee dat konijnen in de heide sterk achteruit zijn gegaan. Tapuiten broeden namelijk vaak in konijnenholen en bovendien houden konijnen de vegetatie kort (CBS et al., 2021). Enkele broedvogels die kenmerkend zijn voor de overgang van heide naar bos doen de laatste jaren wel goed, zoals de nachtzwaluw en de roodborsttapuit. Dagvlinders van de heide zijn nog sterker achteruitgegaan dan de kenmerkende broedvogels. Enkele soorten zijn inmiddels verdwenen of bijna verdwenen, waaronder de duinparelmoervlinder en de kleine heivlinder. Heivlinder en heideblauwtje zijn ten opzichte van 1992 eveneens afgenomen. De heivlinder komt voor in droge heide, het heideblauwtje vereist een mozaïek van droge en vochtige heide. De afname van dagvlinders van de heide is dus niet beperkt tot één type heide (CBS et al, 2021). Bij de reptielen is het beeld iets minder negatief.

Zandhagedis gaan sinds 1994 vooruit, adder en gladde slang zijn stabiel; deze soorten hebben weinig last van de vergrassing van de heide. Alleen de levendbarende hagedis gaat sinds 1994 achteruit.

10

3.2

Analyse Elspeetsche Heide en Westeindsche Heide

3.2.1 Herhaalde karteringen broedvogels, flora en insecten

Voor de Elspeetsche Heide en de Westeindsche Heide is specifiekere informatie beschikbaar van hoe de flora- en faunapopulaties zich in de afgelopen jaren hebben ontwikkeld. Dit is mogelijk omdat in deze twee gebieden herhaaldelijk zijn gekarteerd op broedvogels, planten, dagvlinders, sprinkhanen en libellen, met min of meer dezelfde onderzoeksmethode. Sovon heeft een vergelijking gemaakt van het aantal broedparen per broedvogelsoort in 1994, 2008, 2015 en 2020 (Deuzeman et al., 2021). Door kleine methodische verschillen is die vergelijking niet heel nauwkeurig te maken, maar de wat grotere veranderingen komen er wel uit naar voren. In bijlage 11 staat een overzicht van deze veranderingen. Bosgroep Midden Nederland heeft zowel in 2012 als in 2020 karteringen uitgevoerd van flora, dagvlinders en sprinkhanen in het kader van de Subsidieregeling Natuur- en Landschapsbeheer (SNL) (Immerzeel, 2020). De SNL-inventarisatiemethode is niet geschikt om precieze trends van soorten te berekenen (Van Swaay et al., 2021b), maar een vergelijking van de resultaten levert wel een aantal inzichten op. 3.2.2 Elspeetsche Heide

Broedvogels Meest opvallend is het verdwijnen van wulp, korhoen en tapuit; typische soorten van het heidelandschap die in 1994 nog zeer beperkt op de Elspeetsche Heide tot broeden kwamen, maar daarna niet meer. Het broedgeval van korhoen uit 1994 betrof echter vogels die waren uitgezet in het kader van een poging tot herintroductie. Veldleeuwerik gaat in heel Nederland sterk achteruit en dat geldt ook voor de Elspeetsche Heide. In 1994 werden nog 175 broedparen geteld, in 2020 nog maar 45. Een groter aantal broedvogels laat echter een toename zien. Dat geldt het duidelijkst voor nachtzwaluw, boomleeuwerik, roodborsttapuit en boompieper. Deze soorten profiteren van goed ontwikkelde overgangen van heide naar bos of ruigte. Dat geldt ook voor de zeldzame soorten draaihals en grauwe klauwier, die in 2020 voor het eerst werden vastgesteld, beide met één broedpaar. Flora Meest opvallende verschil is dat het aantal waarnemingen van vochtindicerende soorten in 2020 veel lager was dan in 2012. Mogelijk heeft dit te maken met de warme, droge zomers van 2018-2020. Met name veenbies is erg sterk in aantallen en verspreiding achteruitgegaan. Dit geldt ook voor veelstengelige waterbies en kussentjesmos. Een aantal pioniersoorten dat in vroege successiestadia van stuifzand richting heide zijn optimum kent, gaat achteruit in zowel verspreiding als aantal.

Dit betreft buntgras en een aantal bijzondere korstmossen, waaronder hamerblaadje, stuifzandkorrelloof, rijstkorrelmos en rode heikorst. Deze soorten zijn gevoelig voor stikstofdepositie en het (mede daardoor) dichtgroeien van de heide. Hier staat tegenover dat veel kruiden, soorten van grazige vegetaties en bermen, in aantal zijn toegenomen of veelal zelfs nieuw zijn gekarteerd in het gebied. Dit geldt voor soorten als beemdkroon, stijve ogentroost, muizenoortje, zandblauwtje, grasklokje en gewone agrimonie. Insecten Bij de insecten lag het aantal waarnemingen van hooibeestje, heideblauwtje en heivlinder in 2020 beduidend hoger dan in 2012. Hooibeestje heeft in 2020 landelijk geprofiteerd van Langetermijnvisie heideterreinen Nunspeet

11

Bosgroep Midden Nederland

de warme zomers en ook heideblauwtje deed het landelijk in 2020 wat beter dan in 2012 (Van Swaay et al., 2021a). Dat geldt echter niet voor heivlinder. Deze soort doet het op de Veluwe erg slecht, dus de hogere aantallen 2020 op de Elspeetsche Heide zijn een (voorzichtig) lichtpuntje. Kleine parelmoervlinder, blauwvleugelsprinkhaan en moerassprinkhaan waren in 2020 nieuw ten opzichte van 2012. Van heidesabelsprinkhaan werden echter minder waarnemingen gedaan en schavertje, noordse witsnuitlibel, venwitsnuitlibel en venglazenmaker werden niet meer teruggevonden. Deze ontwikkelingen sluiten allen aan bij de landelijke trends (Van Swaay et al., 2021a; De Zeeuw & Kleukers, 2021). De negatieve trends van de libellen hangen samen met klimaatverandering. 3.2.3 Westeindsche Heide

Broedvogels De enige heidesoort die een sterkste achteruitgang laat zien is veldleeuwerik. Net als op de Elspeetsche Heide en feitelijk ook de rest van Nederland doet deze soort het slecht. In 2020 werden nog maar twee broedparen vastgesteld, terwijl dat er in 1994 nog 15 waren. Nachtzwaluw, boomleeuwerik, gekraagde roodstaart en roodborsttapuit nemen juist toe op de Westeindsche Heide. Ook graspieper lijkt het vergeleken met 1994 niet slecht te doen. Soorten die in 2020 voor het eerst als broedvogel zijn vastgesteld zijn ransuil, groene specht en groenling. Dit zijn echter geen typische heidesoorten, maar bos(rand)soorten.

Flora Ten opzichte van de vorige monitoring valt op dat de twee veenmossoorten die toen zijn gekarteerd, kussentjesveenmos en week veenmos, verdwenen lijken te zijn. Beide soorten

zijn niet meer aangetroffen op de groeiplekken van 2012. Zeer waarschijnlijk is verdroging hiervan de oorzaak: beide locaties waren droog op het moment van karteren. Ook een andere vochtindicator, bruine snavelbies, is niet teruggevonden. Daarnaast lijkt ook

veenbies achteruit te zijn gegaan in het gebied. Hiervan zijn dit jaar duidelijk minder waarnemingen gedaan dan bij de vorige kartering. De verspreiding van de soort is wel ongeveer gelijk gebleven. Kruipbrem en tandjesgras zijn beide toegenomen. Mogelijk profiteren deze soorten van de vrij intensieve schapenbegrazing. Opvallend is ook de

sterke toename van grondster. In 2012 werd de soort alleen in lage aantallen gevonden langs een zandpad. In 2020 is de soort op vier nieuwe locaties aangetroffen. Insecten Een aantal dagvlindersoorten was in 2020 opmerkelijk talrijker dan in 2012. Zo werden van heideblauwtje en hooibeestje slechts één waarneming gedaan in 2012, maar vele tientallen in 2020. Groot dikkopje, heivlinder, kleine parelmoervlinder, kleine vuurvlinder, bruin

zandoogje en bruine vuurvlinder werden in 2012 zelfs helemaal niet waargenomen, maar wel in 2020. Alleen van groentje werden in 2012 meer waarnemingen gedaan. Het aantal waarnemingen van heidesabelsprinkhaan is ongeveer gelijk gebleven. Er lijkt echter wel een verschuiving te zijn in het voorkomen van de soort. Waar deze in 2012 vooral in het noordoosten van het gebied is waargenomen, zijn in 2020 de meeste waarnemingen juist in het zuidwestelijke deel gedaan. Moerassprinkhaan en

blauwvleugelsprinkhaan waren nieuw ten opzichte van 2012. De noordse witsnuitlibel, in 2012 nog twee keer waargenomen in de buurt van het ven, is in 2020 niet meer gezien.

12

Deze soort gaat op landelijke schaal achteruit, waarschijnlijk als gevolg van klimaatverandering (Van Swaay et al., 2021a).

Langetermijnvisie heideterreinen Nunspeet

13

Bosgroep Midden Nederland

4 4.1

Actuele thema’s en nieuwe inzichten Klimaatverandering

Klimaatverandering, met gemiddeld hogere temperaturen en vaker voorkomende weersextremen zoals intense langdurige droogte en neerslagpieken, heeft invloed op de natuur. Andersom kan natuur een bijdrage leveren aan vermindering van

broeikasgasemissies met name door vastlegging van CO2 in bodem, planten en bomen. 4.1.1 Gevolgen van klimaatverandering voor natuur

Klimaatverandering werkt door op de natuur via: -

Kwijnen en sterfte onder planten- en diersoorten door droogte en hitte

-

Afspoeling of juist toevoer van nutriënten bij extreme neerslag

-

Noodzaak tot inlaat van gebiedsvreemd water bij droogte

-

Versnelde verzilting en/of verzuring door verdroging

-

Versnelde mineralisatie en daardoor toename van voedselrijkdom

-

Veranderingen in soortensamenstelling door verschuiving in klimaatzones

Deze effecten zijn vaak, maar niet altijd, negatief voor de soortenrijkdom van natuurgebieden (Besse-Lototskaya et al., 2010). 4.1.2 Klimaatslimme maatregelen

De inmiddels ingeburgerde term “klimaatslim” omvat drie soorten maatregelen: 1. Behoud van de bestaande vegetatie: opgeslagen CO2 blijft vastgelegd.

2. Adaptatie: gezonder en veerkrachtiger (robuust) maken van de natuur, zodat extremen beter kunnen worden opgevangen.

3. Actief stimuleren van vastleggen van CO2. 4.1.3 Relevantie voor heide

Actief stimuleren van vastleggen van CO2 is bij heide niet effectief, omdat een stabiele

heidevegetatie volgens Arets (2018) beperkt CO2 vastlegt; dit geldt zowel voor droge als vochtige heide. Behoud van de bestaande vegetatie, zodat de opgeslagen CO2 blijft vastgelegd, is uiteraard wel van toepassing. Klimaatadaptatie-gericht beheer is bij heide wel degelijk relevant. Het gaat om versterken van veerkracht, soortenrijkdom en waterbufferend vermogen en tegengaan van verzuring. Zulke maatregelen zijn in het algemeen ook goed voor de biodiversiteit.

Het kan daarbij gaan om eenmalige projectmatige maatregelen: aanvoeren van steenmeel

om effecten van verzuring teniet te doen, kleinschalige verwijdering van de toplaag van de

bodem om nutriënten af te voeren, hydrologische maatregelen om voedselrijk water uit het gebied te weren, meer water vast te houden of meer kwel te stimuleren, aanleggen van verbindingszones.

Het kan ook gaan om aanpassing van het beheer, bijvoorbeeld doordat hogere

temperaturen en een langer groeiseizoen aanpassing vragen van frequentie en tijdstip van maaien of begrazen.

Overigens zijn niet altijd extra maatregelen nodig. Besse-Lototskaya et al. (2010) schrijven dat versterken van veerkracht van droge heide vooral bestaat uit extensiveren van

14

bestaande maatregelen en stimuleren van heterogeniteit. Dat laat ruimte voor cycli van natuurlijke verjonging en sterfte. 4.1.4 Heide versus bos

In de aandacht voor klimaat speelt de functie van bos voor het vastleggen van CO2 een belangrijke rol. De aandacht van beleid en publieke opinie gaat in belangrijke mate uit naar

het vergroten van het bosareaal door de aanplant van bomen. Het verwijderen van bos voor verbinden of vergroten van heideterreinen is daarmee momenteel een minder populaire maatregel, ook als het gaat om herstel van in de loop der jaren dichtgegroeide heide. Toch kan deze maatregel vanuit natuurwaarden gezien in sommige gevallen een belangrijke

bijdrage leveren aan de biodiversiteit. Plannen waarbij bos verwijderd wordt ten behoeve van versterking van het heidelandschap dienen vergezeld te gaan van een duidelijke

motivatie met een afweging van belangen. De ambities en afwegingen uit het beheerplan van het Natura 2000-gebied Veluwe (hoofdstuk 6) spelen hierbij een belangrijke leidende rol. 4.2

Stikstofdepositie

4.2.1 Oorzaken en gevolgen

Atmosferische stikstofdepositie zorgt voor vermesting en voor verzuring van de bodem. Dit speelt vooral in de droge en vochtige heidevegetaties, zure vennen en de bossen van de

arme zandgronden, die tot de zeer kwetsbare vegetaties worden gerekend ten aanzien van de gevoeligheid voor stikstof. Planten- en diersoorten verdwijnen wanneer de hoeveelheid

stikstof die op de bodem valt het kritische depositieniveau overschrijdt. Stikstofdepositie is daarmee een belangrijke oorzaak voor de achteruitgang van de soortenrijkdom in de verschillende kenmerkende vegetatietypen van het heidelandschap. Ook heeft de stikstofdepositie geleid tot een groeiversnelling van de vegetatie (vergrassing en dichtgroeien met bomen en struiken), waardoor de frequentie waarmee ingegrepen moet worden om de heide open te houden is toegenomen.

Ammoniak (NH3) maakt twee derde deel uit van de stikstof die op de bodem valt en is hoofdzakelijk afkomstig uit de landbouw. De overige depositie is afkomstig van stikstofoxiden (NOx) uit onder andere verkeer en industrie (www.clo.nl). 4.2.2 Ontwikkelingen sinds 1995

De milieudruk door stikstofdepositie is sinds de jaren negentig verminderd. Het areaal met slechte geschikte condities voor het duurzaam voorkomen van landnatuur is ongeveer

gehalveerd ten gunste van het areaal met een matige geschiktheid (www.clo.nl). Het areaal met goede condities is ook verdubbeld, maar blijft relatief gering. Van 1990–2010 was de afname van de stikstofdepositie fors. De verwachting was in 2009 nog dat de stikstofdepositie de daaropvolgende jaren verder zou afnemen. Deze afname zou echter niet zodanig zijn dat duurzame condities zouden ontstaan voor behoud en ontwikkeling van stikstofgevoelige vegetaties als droge en vochtige heide (bron:

Compendium voor de Leefomgeving, www.clo.nl). Sinds 2010 is de stikstofdepositie echter niet meer verminderd en treden er in alle ecosysteemtypen gemiddeld geen verbeteringen in de condities meer op.

Langetermijnvisie heideterreinen Nunspeet

15

Bosgroep Midden Nederland

De huidige milieudruk door stikstofdepositie is in circa driekwart van het totale areaal landnatuur nog te hoog. In vrijwel het gehele areaal heide worden de kritische

depositiewaarden overschreden. Voor heide zijn de condities door stikstofdepositie daardoor voor iets meer dan de helft van het areaal matig en voor bijna de helft slecht (www.clo.nl).

Naast vermesting en verzuring door stikstofdepositie speelt ook verdroging (bij vochtige

heide) een rol in de achteruitgang van milieucondities. Verzuring, vermesting en verdroging zijn milieufactoren die elkaar beïnvloeden en kunnen versterken. 4.3

Plaggen als herstelmaatregel

Het heidebeheer in Nederland heeft verschillende fasen doorlopen. Vanaf de jaren ’80 van vorige eeuw tot aan het begin van de huidige eeuw is voornamelijk ingezet op het maximaal terugdringen van vergrassing door middel van grootschalig plaggen, veelal met de plagmachine. Zo ook in de gemeente Nunspeet. Bij het plaggen werd tot op de minerale bodem gewerkt, teneinde zoveel mogelijk organisch materiaal en daarmee stikstof af te voeren. Enerzijds heeft dit inderdaad geleid tot een flinke afname van volledig vergraste heide, maar anderzijds zijn hierdoor uitgestrekte, monotone en soortenarme heidevegetaties ontstaan. Deze gelijkjarige, vlakke heidestroken bloeien in de zomer mooi paars, maar zijn van weinig waarde voor de biodiversiteit van de heide. Voortschrijdend inzicht heeft aangetoond dat behoud van een zekere hoeveelheid organisch materiaal in de bodem van belang is voor de vestigingskansen van kruiden die in de heide thuishoren en voor de voedselkwaliteit van ongewervelde heidefauna, die op haar beurt weer voedsel is hoge trofische niveaus (waaronder vogels en reptielen). Met diep plaggen wordt namelijk niet alleen het surplus aan stikstof verwijderd, maar ook het laatste beetje fosfaat, basische kationen en andere belangrijke mineralen die nog in het strooisel en in de heidebodem aanwezig waren.

Ook is vast komen te staan dat tot op de minerale ondergrond afgeplagde heidebodems snel verzuren en dat er een piek kan ontstaan in het giftige ammonium, omdat bodembacteriën die ammonium omzetten in nitraat eveneens met het plaggen zijn verwijderd. Slechts een beperkt aantal plantensoorten, waaronder struikheide, pijpenstrootje en de ‘probleemsoort’ grijs kronkelsteeltje kunnen onder dergelijke omstandigheden kiemen. Volgend op deze inzichten is afgelopen decennia veel minder grootschalig geplagd. Daarvoor in de plaats kwamen kleinschaligere beheermaatregelen die tot doel hadden om meer variatie in de heide aan te brengen en de vestigingskansen van heischrale soorten te vergroten, met meer respect voor het aanwezige microreliëf en de organische stof in de bodem. Tegelijkertijd groeide ook het besef dat sterk vergraste delen in de heide een meerwaarde hebben, bijvoorbeeld voor reptielen. De plagmachine werd vervangen door de mobiele kraan, plagplekken werden veel kleinschaliger aangelegd, kregen een meer organische vorm om de randlengte te vergroten en werden minder diep uitgevoerd. Daarnaast is er meer aandacht gekomen voor alternatieve beheermaatregelen, die het plaggen zouden kunnen vervangen. Chopperen, verschillende vormen van schapenbegrazing en diepmaaien zijn daarvan voorbeelden (Wallis de Vries et al., 2019).

16

4.4

Heideherstel door toediening van bufferstoffen

Heiden hebben te maken met verlies van biodiversiteit. Een van de voornaamste oorzaken daarvan is de verzurende én vermestende werking van atmosferische stikstofdepositie (zie paragraaf 4.2). Bodemverzuring is daarbij een van de meest bepalende gevolgen. Te hoge zuurlast uit het verleden én het heden heeft op de arme binnenlandse zandgronden

gezorgd voor het verweren en uitspoelen (uitlogen) van bufferende mineralen (basische kationen, met name calcium (Ca), magnesium (Mg) en kalium (K)), voor stijging van de

beschikbare aluminiumconcentratie (voor veel organismen toxisch) en, in samenspel met vermesting, voor een verstoorde verhouding van ammonium en nitraat in de bodem (NH3/NH4+-ratio) (Bergsma et al., 2018). Via verschillende tussenstappen heeft dit geleid tot een sterke nivellering van zowel de flora als de fauna van heiden.

Een groot knelpunt voor de mogelijkheden voor herstel is dat de bufferende mineralen in veel heideterreinen dermate ver zijn uitgeput, dat de bodembuffercapaciteit zich niet

vanzelf kan herstellen, ook al zou de stikstofdepositie van vandaag op morgen geheel

stoppen. Er zijn simpelweg onvoldoende verweerbare mineralen met calcium, magnesium en kalium overgebleven in de bovenste bodemlagen. En omdat de meeste heidegebieden inzijggebieden zijn kan geen oplading van het bodemcomplex van onderaf via stijgend grondwater plaatsvinden.

In de afgelopen periode is veel onderzoek gedaan naar het actief toevoegen van

bufferstoffen. De toepassing van steenmeel op ongeplagde heide is daarbij veelbelovend. Er zijn al positieve effecten meetbaar en bovendien is toepassing van steenmeel op ongeplagde heide een ‘geen-spijtmaatregel’: er gaat niks fout. Ondanks de kennisvragen die nog open staan adviseren de onderzoekers daarom al wel om de toediening van

steenmeel op te schalen. Dit is mede ingegeven door de zeer ernstige situatie waarin het heidelandschap zich momenteel bevindt. We kunnen niet te lang meer wachten met ingrijpen. 4.5

Achteruitgang van insecten

De laatste jaren is veel aandacht geweest voor achteruitgang van insecten, zowel

wereldwijd als in ons deel van Europa. Hallmann et al. (2017) toonden een alarmerende achteruitgang aan van de totale biomassa van vliegende insecten in Duitsland, in de periode 1989-2016. Deze achteruitgang, gemeten in beschermde natuurgebieden, bedroeg maar liefst 76%. Kleijn et al. (2018) beoordeelden dat deze resultaten goed te extrapoleren zijn naar de Nederlandse situatie, omdat de meeste meetlocaties in aan Nederland

grenzende Duitse deelstaten lagen, waar vergelijkbare landschappelijke en klimatologische condities heersen en het landgebruik niet wezenlijk verschilt. Bovendien laten het Landelijk Meetnet Dagvlinders (CBS et al., 2021c) en twee lang lopende monitoringprojecten nabij

Tilburg (Noord-Brabant) en Wijster (Drenthe) ook forse afnamen zien, van respectievelijk dagvlinders, nachtactieve insecten en loopkevers (CBS, 2021c; Hallmann et al., 2018). Op basis van literatuuronderzoek concluderen Kleijn et al. (2018) verder dat de onderliggende oorzaken voor de achteruitgang van insecten veelvoudig en complex zijn, maar dat met name factoren die samenhangen met intensivering van de landbouw een Langetermijnvisie heideterreinen Nunspeet

17

Bosgroep Midden Nederland

belangrijke rol spelen. Dat geldt vooral voor het overvloedige gebruik van meststoffen (overmaat stikstof en fosfaat) en gewasbeschermingsmiddelen, vooral insecticiden. De

effecten hiervan werken via de lucht en het grondwater tot ver buiten landbouwpercelen waarop ze worden toegepast door, tot ver in natuurgebieden. Ook is een scherpere grens ontstaan tussen landbouw en natuur, waardoor versnippering van leefgebieden een grotere rol is gaan spelen. Klimaatverandering lijkt voor sommige insecten slecht uit te pakken, maar voor andere juist goed. Een overall negatief effect van klimaatverandering op insectentrends kon niet worden aangetoond. Ook specifiek in heideterreinen gaan insecten achteruit en wellicht zelfs sneller dan gemiddeld in Nederland (CBS et al., 2021). Heideterreinen liggen voor het grootste deel op voedselarme, weinig gebufferde zandbodems die extra gevoelig zijn voor de effecten van

stikstofdepositie (zie paragraaf 4.2). Vermesting en verzuring hebben tot grote problemen voor de insectenfauna van heiden geleid. Door de toename van concurrentiekrachtige

grassen als pijpenstrootje en bochtige smele, die goed met een overmaat aan stikstof en lage bodemzuurgraad kunnen omgaan, zijn minder concurrentiekrachtige kruidachtige

plantensoorten uit de heide verdwenen of sterk afgenomen. Bloembezoekende insecten zoals vlinders, bijen en zweefvliegen, kunnen daardoor minder (geschikte) nectar en pollen vinden. Daarnaast zijn veel plantenetende insecten gebonden aan voedselplanten die veel spaarzamer op de heide aanwezig zijn en nu verder afnemen.

Een minder opvallend maar misschien wel nijpender probleem is dat de voedselkwaliteit van nog wél aanwezige voedselplanten is verslechterd. Vogels et al. (2020) beschrijven hoe stikstofdepositie leidt tot een verstoorde verhouding van chemische stoffen in planten.

Door de sterk toegenomen beschikbaarheid van stikstof is de verhouding tussen koolstof en stikstof (de C:N ratio) in de bodem gedaald, maar de verhouding tussen stikstof en

fosfor (de N:P-ratio) gestegen. Dit heeft geleid tot allerlei veranderingen in de chemische samenstelling van planten. Planteneters, waaronder insecten, kunnen daar slecht mee omgaan. Ze krijgen naar verhouding te veel stikstof binnen en te weinig van bepaalde essentiële aminozuren, vetzuren, vitaminen en sporenelementen. Voor ongewervelde

diergroepen die kalk in hun exoskelet hebben (pissebedden, miljoenpoten, slakken, e.d.) komt daar kalkgebrek door bodemuitloging bij. Het gevolg is sterfte of een lager

voortplantingssucces van de ongewervelde fauna, gevolgd door afname van aantallen en uiteindelijk het verdwijnen van soorten. Dit heeft tevens negatieve gevolgen voor fauna van hogere niveaus, die deze ongewervelde dieren eten.

Naast gebrek aan voldoende voedselplanten van de juiste kwaliteit zorgt vermesting door stikstof ook voor een hogere en meer gesloten vegetatie, wat leidt tot een koeler

microklimaat dat ongunstig is voor insectensoorten die voldoende zoninstraling nodig hebben om delen van hun levenscyclus te kunnen voltooien (Wallisdevries & Van Swaay, 2006). Depositie van stikstofoxiden, ammoniak en ammonium leidt dus tot een stapeling van negatieve effecten op verschillende schaalniveaus, waardoor heideinsecten het moeilijk hebben. Soorten die relatief nauwe niches in voedselarme, slecht gebufferde tot zure

habitats bezetten (waaronder heiden) lopen een groter risico om negatieve effecten van verslechterde voedselkwaliteit te ondervinden dan meer generalistische soorten (Vogels et al., 2020). Het gevolg daarvan is een nivellering van de soortensamenstelling en de

18

overgang van een soortenrijke en een soortenarme heide. Dit is bijvoorbeeld te zien aan de stikstofindex van Nederlandse dagvlinders (WallisDeVries & Van Swaay, 2017), die aantoont dat de dagvlinderfauna steeds meer gedomineerd wordt door stikstoftolerante en

stikstofminnende soorten, die doorgaans toch al op veel plaatsen in het landschap voorkomen. Stikstofmijdende soorten worden rap zeldzamer. Typische heidevlinders behoren juist tot die laatste categorie, zoals kommavlinder, heideblauwtje,

gentiaanblauwtje, heivlinder, kleine heivlinder en bosparelmoervlinder. Nivellering van de dagvlinderfauna van heiden is het resultaat. Hoewel dergelijke specifieke data over de dichtheid van soorten ontbreekt voor andere insectengroepen is het wel duidelijk dat de diversiteit aan bijen en macronachtvlinders ook achteruit gaat (Kleijn et al., 2018). Voor andere terrestrische insectengroepen die aan

heiden gebonden zijn kan een vergelijkbare trend verondersteld worden, maar voldoende gegevens daarover ontbreken of zijn nog niet geanalyseerd. Aquatische insecten van natte heide, vennen en hoogvenen, waarvan de libellen het best onderzocht zijn, hebben enige decennia geprofiteerd van verbeteringen in de waterkwaliteit, maar lijken inmiddels weer op hun retour (CBS et al., 2021b). 4.6

Honingbijen versus wilde bijen

4.6.1 Voedselconcurrentie

Goed ontwikkelde heideterreinen zijn rijk aan wilde bijensoorten. Relatief veel bijen zijn in hun verspreiding zelfs grotendeels beperkt tot heideterreinen, bijvoorbeeld omdat ze afhankelijk zijn van struikhei of dophei als voedsel. Voor struikheide zijn dat de heidezandbij (Andrena fuscipes), de heizijdebij (Colletes succinctus), en hun

respectievelijke broedparasieten heidewespbij (Nomada rufipes) en heideviltbij (Epeolus

cruciger), de zomergeneratie van de zilveren zandbij (Andrena argentata; Rode Lijst: bedreigd). Voor dopheide zijn dat de grote veldhommel (Bombus magnus), heidehommel (Bombus humilis) (RL: ernstig bedreigd), ericabij (Megachile analis; RL: ernstig bedreigd) en viltige groefbij (Lasioglossum prasinum; RL: bedreigd) (Smit et al., 2021). Door de hiervoor beschreven stikstofproblematiek staan wilde bijen van heideterreinen echter sterk onder druk (Reemer, 2018). Wilde bijen hebben echter met nog een andere

drukfactor te maken: voedselconcurrentie door de gedomesticeerde honingbij. Honingbijen hebben net als wilde bijen stuifmeel en nectar nodig voor het grootbrengen van hun nakomelingen. Het is een natuurlijk gegeven dat verschillende bloembezoekende insecten onderling concurreren om deze beperkt beschikbare voedselbronnen, maar om dat

honingbijen in grote volken worden gehouden en verzorgd door imkers hebben ze een ‘oneerlijke’ uitgangspositie en opzichte van wilde bijen. In heideterreinen voor bijenkasten staan komen honingbijen in grote aantallen voor, waardoor het voor wilde bijen en andere natuurlijke bestuivers zoals zweefvliegen moeilijker wordt om voldoende nectar en stuifmeel te bemachtigen. De afgelopen jaren is meer aandacht ontstaan voor dit potentiële probleem en zijn er verschillende studies verricht naar de aard de mate en de effecten van concurrentie door

honingbijen op wilde bijen. Een goed overzicht van beschikbare studies over dit onderwerp Langetermijnvisie heideterreinen Nunspeet

19

Bosgroep Midden Nederland

in de ons omringende buitenlanden wordt gegeven op de website bestuivers.nl/concurrentie, van EIS Kenniscentrum Insecten. Een van de meest relevante studies is die van Henry & Rodet (2018), die vonden dat de dichtheid en het

foerageersucces van wilde bijen in Franse rozemarijnvelden negatief is gecorreleerd met het aantal bijenkasten. Hoe meer bijenkasten, hoe minder wilde bijen en hoe minder

verzamelde nectar en stuifmeel per wilde bij. Dit effect was meetbaar tot op een afstand van ca. 1.100 meter van de bijenkasten. De onderzoekers raden aan om bijenkasten op meer dan 1.100 meter van belangrijke gebieden voor wilde bijen te plaatsen, het aantal bijenkasten is dan minder van belang.

Hudewenz & Klein (2013) keken in Noordwest-Duitsland specifiek naar de effecten van bijenkasten op bloembezoek door wilde bijen op struikheide en dichtheid van wilde

bijennesten. Ze vonden geen effect op de nestdichtheid, maar wel op het bloembezoek: in heideterreinen met bijenkasten vond minder bloembezoek door wilde bijen plaats. In 2005 vonden Forup & Memmott vergelijkbare effecten op hommels (die ook tot de wilde bijen behoren) in droge heidegebieden in Engeland. In heidegebieden met meer

honingbijen vlogen minder hommels. Bovendien bezocht een deel van de hommelsoorten (de langtongige hommels) andere soorten bloemen in de aanwezigheid van honingbijen.

Overigens bestaat er ook een studie waarin geen significant effect van concurrentie door honingbijen is aangetoond. Zo vonden Steffan-Dewenter & Tscharntke (2000) op

kalkgraslanden in Duitsland geen correlatie tussen honingbijdichtheid en soortenrijkdom noch dichtheid van wilde bijen. Daarbij moet worden aangetekend dat de maximale dichtheid van de honingbijen vrij laag was. Recent is ook in Nederland veldonderzoek gedaan naar de effecten van honingbijen op wilde bijen. In 2019 en 2020 gebeurde dat op drie grote heideterreinen van

Defensie/Rijksvastgoedbedrijf (Smit et al., 2021). De dichtheden van wilde bestuivers (waaronder wilde bijen) en honingbijen werden gemeten in plots van 505x50 meter, op verschillende afstanden van honingbijkasten. De verhouding wilde bestuivers / honingbij

nam significant toe met de afstand tot de bijenkasten, in een niet-lineair verband. Bij een zeer lage dichtheid van 0,04 honingbijkasten per hectare bloeiende heide werd nog steeds een invloedssfeer van 650 meter gevonden, bij 0,13 was dat 1,7 km en bij 0,4 zelfs 3,1 km. De onderzoekers leidden hieruit een model af voor de invloedsfeer van honingbijkasten (in km) als functie van de dichtheid van de kasten per hectare bloeiende heide, weliswaar met

een nodig onzekerheidsmarge en met de belangrijke aanname dat alle honingbijkasten op één locatie staan. Op basis daarvan wordt een praktisch toepasbare richtlijn gegeven voor

het maximaal gewenste aantal bijenkasten aan de rand van een heidegebied met een zeker oppervlak en een zeker percentage bloeiende heide. Die richtlijn kan strikt of minder strikt worden toegepast, variërend van geen negatieve invloed van honingbijen op wilde

bestuivers tot maximaal een negatieve invloed in 25% van het terreinoppervlak. Een hoger percentage zou in strijd zijn met het voorzorgprincipe dat heideterreinen in beginsel een natuurinstandhoudingsdoelstelling hebben. Het belang van honingproductie door imkers is in natuurgebieden secundair.

De richtlijn is tevens omgezet in een eenvoudige rekenmodule, waarmee berekend kan

worden hoeveel honingbijkasten verantwoord geplaatst kunnen worden, op basis van het 20

terreinoppervlak, het percentage van het terrein met bloeiende heide, het aantal locaties met honingbijkasten en het percentage van het terrein waarin een negatieve invloed van honingbijen wordt geaccepteerd.

4.6.2 Wilde bijen op Nunspeetse heideterreinen en visie op de plaatsing van

honingbijkasten

In 2020 zijn 7 heideterreinen in Nunspeet door EIS Kennniscentrum insecten onderzocht op het voorkomen van bijen (Smit, J. & M. Reemer, 2020): •

Elspeetsche Heide

•

Elspeterveld

•

Heitjes Hooiweg (Grote Kolonie)

•

Heitje Veenweg (Grote Kolonie)

•

Kleine Kolonie

•

De Kril

•

Westeindsche Heide

Deze terreinen variëren sterk in omvang en beslaan gezamenlijk een oppervlakte van circa 1.000 ha. Binnen de terreinen zijn routes vastgelegd waarlangs de bijen geïnventariseerd zijn. In totaal zijn op de onderzochte heideterreinen 63 soorten bijen aangetroffen. De grootste aantallen bijensoorten zijn gevonden op de Elspeetsche Heide: hier zijn in totaal 38 soorten gevonden (23 in het westelijke deel, 34 in het oostelijke deel). Kleine Kolonie

doet hier met 36 soorten nauwelijks voor onder, zeker niet wanneer men de veel kleinere oppervlakte van dit gebied in aanmerking neemt. Er zijn 11 bijensoorten van de Rode Lijst

gevonden. De meest bijzondere vondst is die van ericabij (Megachile analis) op het oostelijk deel van de Elspeetsche Heide. Deze zeer zeldzame soort heeft op de Rode Lijst de status Ernstig Bedreigd. Van de Rode-Lijstcategorie Bedreigd zijn drie soorten aangetroffen: de

viltige groefbij (Lasioglossum prasinum), de bruinsprietwespbij (Nomada fuscicornis) en de

stomptandwespbij (Nomada striata). De overige aangetroffen Rode-Lijstsoorten staan in de categorie Kwetsbaar.

Tijdens het onderzoek in 2020 zijn ook alle waargenomen honingbijen genoteerd in de afzonderlijke terreinen. Hierbij zijn uitsluitend honingbijen meegeteld die op de route foeragerend zijn gezien. De verhouding tussen de waargenomen aantallen

honingbijen en wilde bijen is per heideterrein inzichtelijk gemaakt. Honingbijen blijken in alle terreinen een fors deel van het aantal getelde bijen uit te maken, in sommige gevallen meer dan 50%.

Uitgaande van huidige plaatsingsgebieden van de honingbijkasten en de gemiddelde ‘invloedsfeer’ van een honingbijkast van 1.000 meter (gebaseerd op Henry & Rodet, 2018; 2020) blijkt dat grote delen van de Nunspeetse heideterreinen binnen de invloedssfeer van

bijenkasten vallen (figuur 4.1). Natuurlijke bestuivers, inclusief wilde bijen, ondervinden op de Nunspeetse heiden dus fors nadeel van de concurrerende honingbijen.

Langetermijnvisie heideterreinen Nunspeet

21

Bosgroep Midden Nederland

Figuur 4.1: Bijenkasten in de Nunspeetse heideterreinen die in 2020 zijn geïnventariseerd. Blauw: ‘plaatsingsgebieden’ die door Gemeente Nunspeet zijn aangewezen. Geel: plaatsen waar tijdens de inventarisatie daadwerkelijk bijenkasten zijn aangetroffen. Groen: ‘plaatsingsgebied’ zonder bijenkasten in 2020. Rode cirkels: invloedssfeer van de bijenkasten (straal 1.000 meter) Deze cirkels zijn zowel rond de plaatsingsgebieden getekend als rond de andere gebieden waar bijenkasten zijn aangetroffen. Bron: Smit & Reemer (2020).

De meest bedreigde bijensoort die op de terreinen is aangetroffen, is de ericabij. Deze soort is gevonden in het zuiden van het oostelijke deel van de Elspeetsche Heide, waar op 21 augustus maar liefst 63 bijenkasten stonden. Er van uitgaande dat er zo’n 50.000 honingbijen in een kast leven (bron: www.imkerclub.com/imker-kennisbank/veel-

gestelde-vragen/), vliegen er in dit deel van het Elspeterveld dus grofweg 3 miljoen honingbijen rond. Voor bescherming van de ericabij lijkt het raadzaam om het aantal bijenkasten in elk geval in dit gebied drastisch te verlagen.

22

Om te komen tot een ‘honingbijenbeleid’ op de terreinen in Nunspeet gelden de volgende aanbevelingen:

1. Bepaal per terrein welk percentage van de oppervlakte beschikbaar mag zijn voor honingbijen, en welk percentage gereserveerd moet zijn voor wilde bijen; 2. Bepaal welke terreindelen een bijzonder belang hebben voor wilde bijen (wegens voorkomen bijzondere soorten, belangrijke nestel- en foerageerplaatsen);

3. Bepaal op basis van deze vaststellingen wat de beste plaatsingsgebieden zijn, met inachtneming van een ‘invloedssfeer’ van 1000 meter;

4. Bepaal per plaatsingsgebied het maximale aantal bijenkasten met behulp van de richtlijnen genoemd van rekenmodule die is ontwikkeld.

4.7

Nieuwe inzichten in beheer

Vanaf de eerste periode waarin actieve maatregelen voor heideherstel zijn getroffen grofweg vanaf het einde van de jaren 1970- is de kijk op het heidebeheer aan verandering onderhevig geweest en zijn de voornaamste maatregelen die gekozen zijn veranderd. Tot het begin van de huidige eeuw lag de nadruk op het grootschalig terugdringen van

vergrassing en het maximaal afvoeren van nutriënten. Met behulp van grote plagmachines zijn grote oppervlakten vergraste heide tot op de minerale bodem afgeplagd, zo ook op de Nunspeetse heiden. Vanaf het begin van de vorige beheerplanperiode (2011) is de focus verlegd naar kleinschaliger beheer, in de vorm van veel kleinere plagplekken,

chopperbanen en maaistroken. Vergroting van structuurvariatie in de vegetatie en afwisseling in het terrein was het devies. Daarbij bestond al het besef dat zuiniger moest worden omgegaan met de aanwezige organische stof in heidebodems. Minder diep geplagde terreindelen ontwikkelden zich zichtbaar sneller in de goede richting en verzuurden minder snel opnieuw. Tegelijkertijd is begrazing door schapen belangrijker

geworden. Aan de hand van een begrazingsplan is er sinds 2015 meer regie gevoerd op het begrazingsbeheer. Niet alleen als onderhoudsbeheer (met gehoede schaapskudde) maar ook als instrument om sterke vergrassing van heide te doorbreken (drukbegrazing).

Tenslotte zijn in deze periode de eerste positieve ervaringen opgedaan met brandbeheer van droge heide. Hierop wordt nader ingegaan in het beheerplan voor de heideterreinen.

Langetermijnvisie heideterreinen Nunspeet

23

Bosgroep Midden Nederland

5 5.1

Relevante regelgeving Natura 2000

De heidegebieden in de gemeente Nunspeet behoren tot het Natura 2000-gebied Veluwe. Natura 2000 is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. Voor elk Natura 2000-gebied is een beheerplan opgesteld. Het Natura 2000 beheerplan voor de Veluwe

(Provincie Gelderland, 2017) geeft de maatregelen aan die moeten worden genomen om de natuur verder te ontwikkelen, zodat de instandhoudingsdoelstellingen worden gerealiseerd. Het realiseren van deze doelstellingen is een verplichting die vanuit Natura 2000 is

opgelegd. Het Natura 2000-beheerplan geeft tevens aan voor welke activiteiten een vergunning moet worden aangevraagd op grond van de Omgevingswet. 5.1.1 Instandhoudingsdoelstellingen

Het Natura 2000-gebied Veluwe is aangewezen voor 18 verschillende habitattypen en 17 doelsoorten (7 habitatrichtlijnsoorten en 10 vogelrichtlijnsoorten). Per habitattype en doelsoort zijn instandhoudingsdoelstellingen aangegeven. In bijlage 12 zijn de

habitattypen in de heideterreinen van de gemeente Nunspeet op kaart aangegeven. Dit betreft zes habitattypen. De heideterreinen van Nunspeet vormen een leefgebied (of mogelijk bezet leefgebied) voor negen vogelsoorten en één habitatrichtlijnsoort. De

tabellen in bijlage 13 geven een overzicht van deze habitattypen en doelsoorten per heideterrein, inclusief instandhoudingsdoelstellingen. 5.1.2 Maatregelen

In het Natura 2000-beheerplan zijn de benodigde maatregelen aangegeven die bijdragen aan het behalen van de doelen (bijlage 14). Dit betreft stikstofmaatregelen (voormalige

PAS-maatregelen) en overige maatregelen. De stikstofmaatregelen zijn op kaart vastgelegd in de gebiedsanalyse. De overige maatregelen zijn minder locatiegebonden en niet op kaart vastgelegd. Het gaat onder meer om maatregelen als: kleinschalig plaggen, begrazen, opslag verwijderen, branden, bekalken, aanleg van corridors en aanleg van schrale heideakkertjes. Op de kansenkaart in het Natura 2000-beheerplan (figuur 5.1) staan voor Nunspeet enkele uitbreidingslocaties voor droge heide aangegeven, om verschillende heideterreinen met

elkaar te verbinden. Op de eerste plaats betreft dat een verbinding tussen de Westeindsche Heide en het Hulhorsterzand. Op deze beoogde uitbreidingslocatie is in 2018 reeds een (smallere) heidecorridor door het bos aangelegd. Op de tweede plaats gaat het om een verbinding tussen de verschillende heideterreinen van de Grote en Kleine Kolonie. Deze maatregel is nog niet uitgevoerd. Tenslotte staat op de kansenkaart een corridor

aangegeven tussen het deelgebied Stakenberger Heide en Elspeetsche Heide, over/onder de N310. Deze verbinding is in 2010 reeds tot stand gebracht bij de aanleg van het

herpetoduct onder de weg (waarvan ook schapen en andere zoogdieren gebruik kunnen maken), waarbij ook een opening in de bosrand is aangebracht voor vliegende insecten.

24

Figuur 5.1: uitsnede uit de kansenkaart van het Natura 2000-beheerplan Veluwe. Uibreiding droge heide is voorzien tussen Westeindsche Heide en Hulhorsterzand (linksboven; hier is reeds een heidecorridor gerealiseerd) en tussen de heideterreinen van de Grote en Kleine Kolonie (linksonder). Ter plaatse van de geplande corridor tussen de Stakenberger en Elspeetsche Heide (centrale zwarte pijl) is reeds een herpetoduct onder de N310 aangelegd. 5.1.3 Soortenherstelprogramma zeven vogelsoorten

Maatregel M18: Voor zeven van de tien vogelsoorten waarvoor instandhoudingsdoelstellingen gelden voor Natura 2000-gebied Veluwe heeft Sovon

bouwstenen aangeleverd voor een soortenherstelprogramma (Sierdsema et al., 2020). Het gaat om de soorten waarvoor herstelmaatregelen nodig worden geacht: boomleeuwerik, draaihals, duinpieper, nachtzwaluw, tapuit, wespendief en zwarte specht.

Voor het behoud en/of herstel van vogelpopulaties op de Veluwe zijn drie typen maatregelen nodig:

1) herstel van de bodemkwaliteit (valt buiten het bestek van het onderzoek) 2) beheermaatregelen 3) terugdringen van verstoring Op basis van verspreidingsgegevens van rond 1990 en 2015 is voor elke beheerder met meer dan 100 ha grond op de Veluwe in beheer, waaronder de gemeente Nunspeet, per

vogelsoort een “geschiktheidskaart” gemaakt, die het leefgebied aangeeft waarin nu (nog) het grootste aantal broedparen gevonden wordt. Dit geeft een iets genuanceerder beeld dan in het Natura 2000-beheerplan. De heideterreinen van Nunspeet zijn alle negen in Langetermijnvisie heideterreinen Nunspeet

25

Bosgroep Midden Nederland

meer of mindere mate van belang voor boomleeuwerik, draaihals, nachtzwaluw en roodborsttapuit (en aangrenzende bosgebieden voor wespendief en zwarte specht. De

Elspeetsche Heide is bovendien van belang voor duinpieper, grauwe klauwier en tapuit, de Westeindsche Heide voor duinpieper en het Elspeterveld voor tapuit (tabel 6.2). Op de aanbevelingen voor gewenste maatregelen uit dit onderzoek wordt nader ingegaan in de visie in paragraaf 6.3.7. Alle zeven soorten zijn in bepaalde mate gevoelig voor

verstoring door recreatie en verkeer. Hoe hier mee om te gaan is uitgewerkt in de paragraaf 6.3.9 van de visie. De concrete te nemen maatregelen zijn uitgewerkt in het beheerplan voor de heideterreinen van Nunspeet. 5.1.4 Vergunningverlening

Volgens de Omgevingswet is een vergunning vereist voor activiteiten waarbij op voorhand

significante schade aan de Natura 2000-doelen niet kan worden uitgesloten. In het Natura 2000-beheerplan is beschreven voor welke activiteiten een vergunning in het kader van de Omgevingswet dient te worden aangevraagd en is tevens een toetsingskader opgenomen voor nieuwe ontwikkelingen. Voor bestaand gebruik (waaronder gangbaar beheer van natuurgebieden) geldt deze vergunningplicht niet. 5.2

Herstelprogramma’s Veluwe

Dit is een initiatief van de Provincie Gelderland om de natuur op de Veluwe te verbeteren, gebaseerd op het Natura 2000 beheerplan Veluwe. Aanvankelijk is per deelgebied een synthesedocument opgesteld (Wageningen Universiteit en Research et. al, 2022) en besproken met de grootste betreffende beheerders. In 2023 zijn deze geïntegreerd tot herstelprogramma’s per terreintype: Bossen, Beken, Vennen en venen en Heiden en stuifzanden. Voor de heiden van Nunspeet is het Herstelprogramma Heiden en Stuifzanden (2023) relevant. Hierin zijn concrete maatregelen voor de heideterreinen voorgesteld. Deze zijn opgenomen in het beheerplan voor de heideterreinen van Nunspeet. 5.3

Recreatiezonering

In 2022 heeft Provincie Gelderland een plan gepresenteerd voor een nieuwe recreatiezonering binnen Natura 2000-gebied Veluwe (Provincie Gelderland, 2022). Dit is een uitwerking van de herstelprogramma’s. De laatste jaren wordt steeds duidelijker dat bepaalde soorten veel last hebben van de toegenomen recreatiedruk op de Veluwe. Dat geldt in het bijzonder voor de bedreigde broedvogelsoorten die in paragraaf 5.1.3 genoemd worden, maar bijvoorbeeld ook reptielen. Bindende Europese afspraken over de staat van instandhouding van deze soorten en hun leefgebieden dreigen daardoor niet gehaald te worden. Om de natuur te ontlasten en er toch van te blijven genieten, moeten recreatiestromen beter worden gestuurd. Het doel is om maximale natuurbeleving mogelijk te blijven maken waar het kan, maar meer rust te waarborgen waar het moet. Aan alle terreinbeheerders binnen Natura 2000-gebied Veluwe is gevraagd om aan te geven in welke gebieden meer of minder ruimte is voor recreatie en voor welke vormen van recreatie. Daarbij worden 6 recreatiezones onderscheiden, variërend van Zone A (intensief recreatief gebruik), tot Zone D* (jaarrond geen recreatief gebruik) (tabel 7.2).

26

Tabel 5.1: Zones die worden onderscheiden in het Recreatiezoneringsplan en hun betekenis Recreatiezone

Aanduideling zone

Mate van recreatief gebruik

A

Poorten van de Veluwe

Intensief recreatief gebruik

B

Visitekaartje van de Veluwe

Matig intensief recreatief medegebruik

C

De stille, eindeloze Veluwe

Extensief recreatief medegebruik

C*

De stille, eindeloze Veluwe

Extensief recreatief medegebruik, extra verstoringsgevoelige soorten

D D*

De kwetsbare en ongerepte

Geen/beperkt reactief gebruik in het

Veluwe

broedseizoen

De kwetsbare en ongerepte

Jaarrond geen recreatief gebruik

Veluwe

De heideterreinen van de gemeente Nunspeet zijn grotendeels aangewezen als Zone C of Zone C*, enkele kleine delen (bv. Het Provinciebos en delen van de Grote Kolonie) als Zone B. Een overzichtskaart staat in bijlage 6. Bij Zone C en C* horen extensieve recreatieve dagactiviteiten, zoals wandelen, fietsen en paardrijden op wegen en paden en ATB op gemarkeerde routes. Honden dienen te allen tijde te zijn aangelijnd. De ‘maaswijdte’ van paden in Zone C en C* dient respectievelijk 25 ha en 50 ha te zijn. Dat betekent dat er tussen de paden rustige kernen zonder betreding zijn van minimaal deze oppervlakten. 5.4

Subsidiestelsel Natuur en Landschap

Via het Subsidiestelsel Natuur en Landschap (SNL) verlenen de provincies subsidie voor het behoud en de ontwikkeling van (agrarische) natuurgebieden en landschappen. In het Natuurbeheerplan van de provincie is vastgelegd welke natuurbeheertypen (van de Index

Natuur en Landschap) waar voorkomen. De hoogte van de beheersubsidie is afhankelijk van het natuurbeheertype. Voorwaarden voor de subsidie zijn dat de beheerder het natuurbeheertype in stand houdt en dat het gebied is opengesteld. Tabel 5.4. Aanwezige SNL-natuurbeheertypen in de terreinen (aanvraag 2022)

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16492360/1