CConstaterende datNunspeet
Koppel je AI →
Document · PDF

Ap 4a. Bijlage bij overzicht schr. vrg en antw. Ruimt. onderb. Staverdenseweg 93 (Geanonimiseerd)

Commissie Ruimte en Wonen 10 maart 2025, gemeente NunspeetBij agendapunt: Mededelingen college en commissie20.809 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

,

,

,

,

,

In het eindstadium van de successie in bossen met een min of meer gelijkjarige boomlaag is de Beuk de enige boomsoort en door de sterke beschaduwing en oppervlakkige wortellaag is de struiklaag dan afwezig ('hallenbos'). Als leefgebied voor de hierna genoemde VR-soorten zijn deze bossen beperkt tot de Hogere zandgronden (op de stuwwallen en de drogere delen van het dekzandlandschap). Het bostype ontwikkelt zich op vele plaatsen uit voormalige productiebossen maar van een optimaal beheer is meestal nog geen sprake. Verbinden van oude boskernen en een (door omvorming begeleide) ontwikkeling van jong naar oud bos zal naar verwachting tot uitbreiding van het areaal leiden. De algemene betekenis van dit bos is vooral groot wanneer het bos oud en uitgestrekt is. Alleen dan kan een rijke bosstructuur ontstaan met jonge tot zeer oude bomen met zowel staand als liggend dood hout en met een afwisseling tussen open plekken (waarin een warm droog microklimaat heerst) en sterk beschaduwde plekken (waarin een koel vochtig microklimaat heerst). In Eiken- en beukenbos van lemige zandgronden komen drie soorten voor van de Vogelrichtlijn. Afhankelijk van het belang en de functie van dit habitattype voor de soorten kunnen ook andere habitats noodzakelijke onderdelen van het leefgebied vormen. ,

,

,

,

Dit habitattype is belangrijk leefgebied

voor

de Vogelrichtlijnsoorten zwarte specht draaihals en korhoen. ,

Voor alle drie de vogelsoorten van de Vogelrichtlijn heeft dit leefgebied een functie als foerageergebied en voor de Draaihals en Zwarte specht ook als voortplantingsgebied. Voor dit leefgebied zijn geen gebieden buiten de hogere zandgronden aangewezen. Het Korhoen foerageert als adult voornamelijk op bosbessen en knoppen en bladeren van kruiden en dwergstruiken. De jonge kuikens zijn afhankelijk van ongewervelden als voedsel (Wegge & Kastdalen 2008). Zwarte specht en Draaihals foerageren op mieren op de bosbodem en de Zwarte specht daarnaast op insecten in staand en liggend dood hout. Voor de winter moet Zwarte specht waarschijnlijk uitwijken naar andere bostypen aangezien naaldbomen met een losse bast fungeren als foerageerlocatie in de winter (Pearce-Higgins et al. 2007). Korhoen en Draaihals foerageren ook vaak in open gebieden buiten bossen (m. n. heide en agrarisch gebied) en zijn in veel mindere mate voor hun voedsel gebonden aan dit leefgebied dan Zwarte specht. Zwarte specht broedt in zelfgemaakte holtes in dikke bomen in oudere loofbossen Draaihals broedt in bestaande holtes vaak in oude berken. Het Korhoen broedt in Nederland niet in bossen maar op aangrenzende open heidevelden. Hierbij moet worden gerealiseerd dat het Korhoen van nature (ook vroeger in Nederland) broedt in overgangen van bos naar heide- en hoogveengebieden.

Het Korhoen ondervindt momenteel in Nederland in bossen en langs bosranden echter een hoge predatiedruk van Havik (Jansman et al. 2014). Overigens is de voedselsituatie voor de kuikens – wat als een van de meest kritieke punten wordt beschouwd voor deze soort in open heideterreinen ronduit ,

,

,

,

10

GEBIEDSBESCHERMING

–

VOORTOETS

NATURA

2000

–

STAVERDENSEWEG

ELSPEET

slecht waarschijnlijk gestuurd door een matige voedselkwaliteit van de heidevegetatie gevolg van verzuring vermesting en veranderd beheer (Vogels 2013). ,

voor

insecten als

,

4. 4. 2 Bos van arme

zandgronden

–

LG 13

Het leefgebied bestaat uit vrij laag tot matig hoog opgaand bos met een vrij open structuur voorkomend op leemarme oligo- tot mesotrofe meestal (matig) droge zure zandgrond. De boomlaag bestaat uit Grove den (subtype a) en/of hoofdzakelijk uit Zomereiken en berken (subtype b). De struiklaag is weinig tot niet ontwikkeld met eventueel Sporkehout en Wilde lijsterbes of Amerikaanse vogelkers. Dit bos is kenmerkend voor het stuifzandlandschap en de leemarme delen van het dekzandlandschap op de Hogere zandgronden. Het door Grove den gedomineerde bos komt van nature alleen voor als pionierbos op stuifzand; de ondergroei bestaat uit korstmossen en wolfsklauwen en later uit bladmossen. Na maximaal vijftig jaar gaat zich humus ontwikkelen in de bodem en ontstaan fasen met schrale grassen gevolgd door bosbessen Struikhei of Kraaihei. Het door Zomereik en Ruwe berk gedomineerde bos ontstaat uit naaldbos (als gevolg van successie) of ontwikkelt zich rechtstreeks vanuit bosopslag op bijvoorbeeld heidevelden. De ondergroei is vergelijkbaar met die van het dennenbos. Uiteraard kan zowel naaldbos als loofbos van arme zandgronden ook ontstaan door aanplant van de genoemde boomsoorten op de betreffende gronden. ,

,

,

,

,

,

De VR-soorten die voorkomen in het leefgebied Bos van arme zandgronden gebruiken dit om te foerageren en te broeden. Het Korhoen foerageert als adult voornamelijk op bosbessen en op knoppen en bladeren van kruiden en dwergstruiken. De jonge kuikens zijn afhankelijk van ongewervelden als voedsel (Wegge & Kastdalen 2008; Vogels 2013). Zwarte specht en Draaihals foerageren op mieren op de bosbodem en daarnaast de Zwarte specht op insecten in staand en liggend dood hout met name keverlarven vooral van in hout levende boktorren (Verstrael et al. 2018). Naaldbomen met een losse bast fungeren voor Zwarte specht als foerageerlocatie in de winter (Pearce-Higgins et al. 2007). De Nachtzwaluw foerageert op vliegende nachtactieve insecten op (half)open plekken zoals bos met een open structuur kapvlaktes en bosranden (Van Kleunen et al. 2007; Verstraeten et al. 2011). Korhoen Draaihals en Nachtzwaluw foerageren ook vaak in open gebieden buiten bossen (m. n. heide en agrarisch gebied) en zijn in veel mindere mate voor hun voedsel gebonden aan dit leefgebied dan Zwarte specht. Zwarte specht broedt in zelfgemaakte holtes in dikke bomen in oudere bossen met name oude loofbomen en (minder preferent) Grove dennen. Draaihals broedt in bestaande holtes vaak in oude berken. De Nachtzwaluw broedt op de grond maar vrijwel nooit wanneer de boomlaag en/of de ondergroei gesloten zijn.

Het Korhoen broedt in Nederland niet in bossen maar op aangrenzende open heidevelden. Hierbij moet gerealiseerd worden dat het Korhoen van nature (ook vroeger in Nederland) broedt in overgangen van bos naar heide- en hoogveengebieden. Het Korhoen ondervindt momenteel in bossen en langs bosranden echter een hoge predatiedruk van Havik (Jansman et al. 2014) dat broeden en foerageren vrijwel beperkt is tot open heidevelden die een veel nutriënten- en mineralenarmer karakter hebben. Overigens is de voedselsituatie voor de kuikens – wat als een van de meest kritieke punten wordt beschouwd voor deze soort – zowel in bosranden als in open heideterreinen ronduit slecht waarschijnlijk gestuurd door een matige voedselkwaliteit van de heidevegetatie.

,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

4. 4. 3 Droge

heide – H4030

Het habitattype betreft struikheibegroeiingen in het laagland en gebergte van Europa. Ze worden gedomineerd door struikhei al dan niet in combinatie met andere dwergstruiken grassen en mossen. Droge heides komen in Nederland voor op matig droge tot droge kalkarme zure bodems waarin zich meestal een podzolprofiel heeft gevormd. Het meest komt het type voor op –al dan niet lemige- dekzanden en op stuwwallen maar ze strekken zich ook uit op stuwwallen rivierterrassen en tertiaire (mariene) zandafzettingen. In de stuifzandheiden overheerst doorgaans struikhei (Calluna vulgaris). Andere dwergstruiken kunnen ook een belangrijke rol spelen bijvoorbeeld blauwe bosbes (Vaccinium myrtillus) of rode bosbes (Vaccinium vitis-idaea). Zelfs plekken waar gewone dophei (Erica tetralix) domineert over struikhei kunnen onder dit habitattype vallen (want dat is niet strijdig met de vegetatiekundige definiëring; ,

,

,

,

,

11

GEBIEDSBESCHERMING

–

VOORTOETS

NATURA

2000

–

STAVERDENSEWEG

ELSPEET

de dominantie van gewone dopheide is op zich dus geen reden om zo’n locatie H4010_A Vochtige heide te noemen). Andere soorten die algemeen voorkomen zijn fijn schapegras (Festuca filiformis) en de mossen heide-klauwtjesmos (Hypnum jutlandicum) gewoon gaffeltandmos (Dicranum scoparium) en bronsmos (Pleurozium schreberi). Struwelen met brem (Cytisus scoparius) solitaire jeneverbes (Juniperus oxycedrus) of gaspeldoorn (Ulex europaeus) maken in veel gebieden deel uit van het heidelandschap en worden dan ook bij dit habitattype gerekend. Plaatselijk komen grasrijke delen voor met grassen zoals ruwe smele (Deschampsia flexuosa) bochtige smele en pijpenstrootje. Zolang de door grassen gedomineerde verarmde vegetaties niet domineren worden ze als deel van het habitattype beschouwd. ,

,

,

,

12

GEBIEDSBESCHERMING

–

VOORTOETS

NATURA

2000

–

STAVERDENSEWEG

ELSPEET

5. Effectenanalyse In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de storingseffecten op Natura 2000-gebied de Veluwe. Tevens specificatie van storingsgevoeligheid van doelsoorten voor dit gebied om tot slot ook beheerdoelstellingen te beoordelen.

een

de

Effectenindicator gebieden 'Veluwe/woningbouw'

13

GEBIEDSBESCHERMING

–

VOORTOETS

NATURA

2000

–

STAVERDENSEWEG

ELSPEET

Volgens de effectenindicator gebieden is de Veluwe bij (woning)bouw gevoelig (oranje) voor de volgende storingsfactoren: •

Oppervlakteverlies

•

Versnippering

•

Verontreiniging

•

Optische verstoring

•

Verstoring door mechanische effecten

5. 1 Storingseffecten

Natura 2000-gebied de Veluwe

Oppervlakteverlies Kenmerk: Afname beschikbaar oppervlak leefgebied soorten en/of habitattypen. Interactie andere factoren Verlies van oppervlakte leidt tot verkleining en in sommige gevallen ook tot versnippering van het leefgebied. Een kleiner gebied heeft bovendien meer te leiden van randinvloeden: vaak is de kwaliteit van het leefmilieu aan de rand minder goed dan in het centrum van het gebied. Op deze manier leidt verlies oppervlakte mogelijk ook tot een grotere gevoeligheid voor bijvoorbeeld verdroging verzuring of vermesting. ,

Werking Door afname van het beschikbare oppervlak neemt ook het aantal individuen van een soort af. Om duurzaam te kunnen voortbestaan moet elke soort uit een minimumaantal individuen bestaan; bij diersoorten wordt meestal van een minimum aantal paartjes gesproken. Wanneer een populatie te klein wordt neemt de kans op uitsterven toe zeker als deze populatie geen onderdeel uitmaakt van een samenhangend netwerk van leefgebieden. Bij een populatie die uit te weinig individuen bestaat neemt ook de kans op inteelt toe en dus de genetische variatie af. Hierdoor wordt een populatie kwetsbaar voor veranderingen ten gevolge van bijvoorbeeld predatie extreme seizoensinvloeden of ziekten. Ook habitattypen kennen een ondergrens voor een duurzame oppervlakte. ,

,

,

Beoordeling De planontwikkeling heeft geen invloed op het oppervlak van de Veluwe omdat grenzen gebouwd wordt welke buiten het Natura 2000-gebied liggen.

er

binnen vastgestelde

De beoogde ontwikkelingen leiden derhalve niet tot een afname van beschikbaar oppervlak leefgebied van soorten en/of habitattypen in het Natura 2000-gebied.

van

het

14

GEBIEDSBESCHERMING

–

VOORTOETS

NATURA

2000

–

STAVERDENSEWEG

ELSPEET

Versnippering Kenmerk: Van versnippering is sprake bij het uiteenvallen

van

het leefgebied van soorten.

Interactie andere factoren Treedt op ten gevolge van verlies leefgebied of verandering in abiotische condities van het leefgebied. Kan leiden tot verandering in populatiedynamiek. Gevolg Als het leefgebied niet meer voldoende groot is voor een populatie of individuen van één populatie kunnen de verschillende leefgebieden niet meer bereiken neemt de duurzaamheid van de populatie af. Een gevolg kan zijn een verandering op in de soortensamenstelling en het ecosysteem. Soorten zijn in verschillende mate gevoelig voor de versnippering van hun leefgebied. Het meest gevoelig zijn soorten met een gering verspreidingsvermogen soorten die zich over de grond bewegen en soorten met een grote oppervlaktebehoefte. Versnippering door barrières zoals wegen en spoorlijnen leidt mogelijk ook tot sterfte van individuen en kan zo effect hebben op de populatiesamenstelling. Bij versnippering moet men altijd goed rekening houden met het schaalniveau van het populatienetwerk. ,

,

,

Beoordeling De planontwikkeling blijft binnen de aangewezen gebiedsgrenzen en zal geen invloed hebben op het huidige ecosysteem. Verontreiniging Kenmerk: Er is sprake van verontreiniging als er verhoogde concentraties van stoffen in een gebied voorkomen welke stoffen onder natuurlijke omstandigheden niet of in zeer lage concentraties aanwezig zijn. Bij verontreiniging is sprake van een zeer brede groep van ecosysteem/gebiedsvreemde stoffen: organische verbindingen zware metalen schadelijke stoffen die ontstaan door verbranding of productieprocessen straling (radioactief en niet radioactief) geneesmiddelen endocrien werkende stoffen etc. Deze stoffen werken in op de bodem grondwater lucht. ,

,

,

,

,

,

,

,

Interactie andere factoren Geen directe interactie met andere factoren. Wel kan verontreiniging als gevolg optreden.

van

andere factoren

Gevolg Vrijwel alle soorten en habitattypen reageren op verontreiniging. De ecologische effecten uiten zich in het verdwijnen van soorten en/of het beïnvloeden van gevoelige ecologische processen. Deze beïnvloeding kan direct plaatsvinden maar ook indirect via een opeenvolging van ecologische interacties. Bovendien kan verontreiniging zich pas vele jaren/decennia later manifesteren. De gevolgen van verontreiniging zijn divers en complex. In het algemeen kan gesteld worden dat aquatische habitattypen en soorten gevoeliger zijn dan terrestrische systemen. Ook geldt dat soorten in de top van de voedselpiramide als gevolg van accumulatie van verontreinigingen gevoeliger zijn. Echter afhankelijk van de concentratie en duur van de verontreiniging zijn alle habitattypen en soorten gevoelig en kan verontreiniging leiden tot verandering van de soortensamenstelling. ,

,

,

15

GEBIEDSBESCHERMING

VOORTOETS

–

NATURA

2000

–

STAVERDENSEWEG

ELSPEET

Beoordeling De planontwikkeling leidt zowel in de aanlegfase als in de gebruiksfase niet tot een toename van verontreinigende interacties zoals omschreven in de kernmerken bij deze factor. De bestemming blijft ongewijzigd dan wel vergelijkbaar. ,

,

,

Optische verstoring Kenmerk: Optische verstoring betreft verstoring door de aanwezigheid en/of beweging van mensen dan wel voorwerpen die niet thuishoren in het natuurlijke systeem. Interactie andere factoren Treedt vaak samen op met verstoring door geluid (in geval van recreatie) of trilling en licht (in geval van voertuigen schepen). ,

Gevolg Optische verstoring leidt vooral tot vluchtgedrag van dieren. De soort reageert bijvoorbeeld op beweging omdat een potentiële vijand wordt verwacht. Andersom kan optische verstoring juist ook het uitzicht van soorten beperken waardoor zij potentiële vijanden niet zien naderen. De daadwerkelijke effecten zijn zeer soort specifiek en hangen van de schuwheid van de soort en de mate waarin gewenning optreedt. Bovendien kunnen de effecten afhankelijk zijn van de periode van de levenscyclus van de soort: in de broedtijd zijn soorten over het algemeen schuwer en dus gevoeliger voor optische verstoring. Beoordeling Ten aanzien van de aanwezigheid van mensen en voertuigen is hier in de huidige situatie al sprake van. De beoogde ontwikkelingen leiden nauwelijks tot een toename van activiteiten die optisch waarneembaar zijn voor flora. In het Natura 2000-gebied zijn geen doelsoorten of habitats aangewezen welke gekenmerkt staan als ‘zeer gevoelig’ voor optische verstoring welke tevens potentieel aanwezig zijn op de planlocatie. Verstoring door mechanische effecten Kenmerk: Onder mechanische effecten vallen verstoring door betreding golfslag luchtwervelingen etc. die optreden ten gevolge van menselijke activiteiten. De oorzaken en gevolgen zijn bij deze storende factor zeer divers. ,

,

Interactie andere factoren Verstoring kan samenvallen met verstoring door geluid licht en trilling. ,

Gevolg Deze storende factor kan leiden tot een verandering van het habitattype en/of verstoring of het doden van fauna-individuen. Bij habitattypen treedt de verstoring/verandering vaak op ten gevolge van recreatie of bijvoorbeeld militaire activiteiten. Het effect is zeer afhankelijk van de kwetsbaarheid (gevoeligheid) van het habitattype. Waterrecreatie en scheepvaart leiden tot golfslag hetgeen effect kan hebben op de oeverbegroeiing en waterfauna. Luchtwervelingen van bijvoorbeeld windmolens kunnen leiden tot vogelsterfte. ,

16

GEBIEDSBESCHERMING

–

VOORTOETS

NATURA

2000

–

STAVERDENSEWEG

ELSPEET

Beoordeling De beoogde ontwikkeling zal niet leiden tot een toename van mechanische effecten. Ten opzichte van de huidige situatie is het niet aannemelijk dat er sprake zal zijn van een significant toename inzake verstoring van het Natura 2000-gebied.

5. 2 Storingsgevoeligheid

doelsoorten

In deze paragraaf wordt ingegaan Natura2000 gebied ‘de Veluwe’.

op

de storingsgevoeligheid

van

de voorkomende doelsoorten

van

https://www. sovon. nl/nl/content/factsheets-van-broedvogels-de-natura-2000-gebieden-vanBron: gelderland Deze beoordeling geven de potentiële verstoring op basis van expert-kennis die de relatie tussen de soorten en een serie habitatkenmerken kwantitatief beschrijft. De gebruikte habitatkenmerken zijn: landgebruik bodem aanwezigheid open bos afstand tot de bosrand de dichtheid aan vrijstaande bomen en een aantal kenmerken die de samenstelling en ouderdom van het bos beschrijven. De inschattingen zijn gebaseerd op de factsheets literatuurinformatie veldkennis en de uitkomsten van statistische modellen die de relatie tussen deze kenmerken en het voorkomen van de soort beschrijven. ,

,

,

,

,

,

Zwarte Specht: Dryocopus martius Storing (pagina 142 factsheet) Directe effecten van gewone bedrijfsvoering lijken gering aangezien nestholen aan zandwegen en fietspaden niet ongewoon zijn. Veel lijkt af te hangen van het gedrag van mensen en niet van hun aanwezigheid of nabijheid. Terreindelen met veel menselijke activiteit zoals recreatieterrein en concentraties van bebouwing worden echter gemeden. Indirect en zeer lokaal speelt het rigide verwijderen van ‘gevaarlijk’ dood hout een negatieve rol. Autoverkeer van snelwegen heeft een merkbaar negatief effect op de vestiging (niet bekend waardoor waarschijnlijk het permanente geraas). Effecten van kunstlicht zijn niet bekend effect van windmolens niet relevant. ,

,

,

,

Habitatkenmerken: De soort ontbreekt in de meeste bossen kleiner dan 100 ha. Beoordeling: effecten zijn gering en zeker niet significant. Terreindelen met veel menselijke activiteit zoals recreatieterrein en concentraties van bebouwing worden echter gemeden. Wespendief: Pernisapivorus Storing (pagina 132 factsheet) In Afrika en meer nog het Middellandse-Zeegebied (Malta!) leidt jacht (ongeacht wetgeving) tot substantiële sterfte. Bij een langlevende soort met geringe reproductiecapaciteit kan dit op populatieniveau van betekenis zijn. Vermoedelijk worden echter de (afnemende!) Scandinavische populaties (waarvan de jonge vogels via Italië naar Tunesië trekken en onderweg op Malta zwaar belaagd worden) heviger door jacht getroffen dan de Nederlandse (trek overwegend langs Gibraltar). Een ernstiger bedreiging vormt vermoedelijk de snelle verdwijning en aftakeling van tropisch regenwoud waarmee de overwinteringhabitat (tevens het leefgebied van vogels die nog niet broedrijp zijn) ernstig wordt aangetast. In de broedgebieden leeft de soort teruggetrokken of onopvallend en loopt daardoor weinig kans op verstoring. Wespendieven kunnen succesvol broeden op korte afstand van wandelpaden of nabij drukke verkeerswegen.

Menselijke activiteit leidt er echter wel toe dat beschikbaar voedsel in de vorm van wespennesten niet geëxploiteerd kan worden: Wespendieven moeten in alle rust de raten uit kunnen graven en komen vele malen (2-9) terug ,

,

,

,

17

GEBIEDSBESCHERMING

–

VOORTOETS

NATURA

2000

–

STAVERDENSEWEG

bij een wespennest voordat alle oogstbare raten zijn meegenomen last van illegale vervolging of vergiftiging.

ELSPEET

naar het nest. In Nederland

heeft hij geen

Habitatkenmerken: De Wespendief broedt in bos variërend van uitgestrekt gesloten bos tot bosfragmenten in halfopen landschap. ,

Beoordeling: habitat wordt niet aangetast. Storing gering. Effecten zijn gering en zeker niet significant. Nachtzwaluw: Caprimulgus europaeus Storing (pagina 94 factsheet) De Nachtzwaluw is aantoonbaar gevoelig voor recreatie waaronder wandelen en fietsen. Het meest nadelig is recreatie buiten de paden waarbij nesten verstoord kunnen worden bijvoorbeeld door loslopende honden. Ook nachtelijke recreatie (‘dropping’) is risicovol. Autoverkeer van rijkswegen heeft een merkbaar negatief effect op vestiging (niet bekend waardoor waarschijnlijk door geluidsbelasting). Autoverkeer op asfaltwegen in broedgebieden kan een verhoogde (mogelijk toegevoegde) mortaliteit tot gevolg hebben. Nachtzwaluwen hebben de neiging om ’s avonds en ’s nachts op het relatief warme asfalt te gaan zitten of er laag boven te foerageren wat een serieus risico op aanvaring met voertuigen inhoudt. ,

,

,

,

Recreatie: geen betreding van potentiële broedhabitat wandelroutes niet langs randen. TBO’s in de omgeving van het plangebied hebben een aanlijnplicht alsmede een geslotenverklaring na zonsondergang op wandel- en ruiterpaden. ,

Beoordeling: habitat wordt niet aangetast. Storing gering. Effecten zijn gering en zeker niet significant. Roodborsttapuit: Saxicola rubicola Storing (pagina 119 factsheet) De soort lijkt weinig gevoelig voor storing door mensen. Er is geen afname in broeddichtheid aangetoond langs paden en wegen en in verschillende gebieden met intensieve recreatie en menselijke aanwezigheid (zowel in Gelderland als daarbuiten) is de soort toegenomen. De Roodborsttapuit is wel gevoelig voor verstoring door verkeersinvloeden. ,

Habitatkenmerken: Roodborsttapuiten zoeken hun voedselgebieden.

en

nestgelegenheid in structuurrijke

open

Beoordeling: habitat wordt niet aangetast. Storing gering. Effecten zijn gering en zeker niet significant. Boomleeuwerik: Lullulla arborea Storing (pagina 39 factsheet) Hoewel niet schuw en soms broedend in drukbezochte gebieden is de soort aantoonbaar gevoelig voor recreatie waaronder ook wandelen en fietsen op paden. Gebieden met recreatie hebben lagere dichtheden en de mate van kolonisatie wordt met 50% gereduceerd bij tenminste 8 verstoringen per uur. Op de Veluwe bleken Boomleeuweriken in gebieden met veel recreatie jaarlijks slechts één broedsel groot te brengen. Een toename van recreatie in gebieden waar al een grote recreatiedruk bestaat heeft minder negatieve invloed ,

,

,

18

GEBIEDSBESCHERMING

–

VOORTOETS

NATURA

2000

–

STAVERDENSEWEG

ELSPEET

dan herverdeling van de recreatiedruk over een groter gebied. Autoverkeer op rijkswegen heeft een merkbaar negatief effect op de vestiging (niet bekend waardoor waarschijnlijk door geluidsbelasting). Effecten van kunstlicht zijn niet bekend. ,

Beoordeling: habitat wordt niet aangetast. Storing gering. Effecten zijn gering en zeker niet significant. Draaihals: Jynx torquilla Storing (pagina 49 factsheet) Er zijn aanwijzingen dat Draaihalzen gevoelig zijn voor menselijke aanwezigheid. Bij nestcontroles te Planken Wambuis werd (bij 8 nesten in de periode 1974-2005) vastgesteld dat broedvogels relatief langzaam terugkeren naar het nest ook indien de verstoringsbron zich op betrekkelijk grote afstand bevindt. Autoverkeer van rijkswegen heeft een merkbaar negatief effect op vestiging (niet bekend waardoor waarschijnlijk door geluidsbelasting) terwijl de soort door zijn gewoonte om op de grond te gaan zitten (ook verharde wegen) bovendien extra kwetsbaar is (verkeersslachtoffers). Effecten van kunstlicht zijn niet bekend. ,

,

,

Habitatkenmerken: De kwaliteit van het bestaande leefgebied op de Veluwe lijkt te laag om een levensvatbare populatie Draaihalzen te herbergen. Doorslaggevend is de beschikbaarheid van voedsel in de vorm van mieren. Broedplaatsen in voormalig eikenhakhout zijn geheel verlaten de huidige broedplaatsen betreffen randmilieus van droge heide met zomen van eiken en berken. ,

Beoordeling: habitat wordt niet aangetast. Storing gering. Effecten zijn gering en zeker niet significant. Conclusie doelsoorten: De eventuele effecten zijn gering vanwege het tijdelijke karakter van de verstoring de andere bestemming (wonen) t. o. v. de huidige bestemming en zijn zeker niet significant en binnen de reeds bestaande bouwblokken wordt gewerkt. Natuur met ecologische waarden voor de doelsoorten blijft behouden.

,

5. 3 Beheersdoelstellingen H4030 Droge heiden Doelen Verspreiding:

in stand houden

Omvang:

toename

Kwaliteit:

toename

Doelbereik:

Gunstige staat van instandhouding

19

GEBIEDSBESCHERMING

–

VOORTOETS

NATURA

2000

–

STAVERDENSEWEG

ELSPEET

Toelichting Droge heide is één van de meest voorkomende habitattypen op de Veluwe. Desondanks laten kwaliteit en areaal te wensen over. De kwaliteit wordt met name door stikstofdepositie en beheer bepaald. Voor een duurzame instandhouding is daling van de depositie tot onder de KDW noodzakelijk. Het beheer is gericht op het voorkomen van de natuurlijke ontwikkeling naar bos. Voor voldoende kwaliteit is daarbij een kleinschalig beheer gericht op instandhouding van een structuurrijke heide met verschillende leeftijdsklassen van groot belang. Beoordeling: de planontwikkeling valt buiten de invloedsfeer van deze beheerdoelstelling. H9120 Beuken- en eikenbossen (met hulst) Doelen Verspreiding:

uitbreidend

Omvang:

toename

Kwaliteit:

matig ongunstig

Doelbereik:

in standhouden van de huidige verspreiding vergroting van oppervlakte en verbetering van kwaliteit ,

Toelichting Het habitattype betreft bossen met meestal beuk in de boomlaag en hulst en/of taxus in de struiklaag voorkomend op voedselarme tot licht voedselrijke zand- en leemgronden. Het habitattype komt voor op de hogere zandgronden en in het heuvelland. Het type neemt een tussenpositie in tussen enerzijds de Oude eikenbossen (H9190) en anderzijds de Eiken-haagbeukenbossen (H9160). Ten opzichte van de ‘Oude eikenbossen’ komen de ‘Beukeneikenbossen met hulst’ voor op plekken met een moder- in plaats van een humuspodzolbodem of een leemhoudende in plaats van een leemarme bodem. Op deze gronden is de Beuk concurrentiekrachtig en zal in de loop van de successie gaan dominerenten koste van de zomereik. Ten opzichte van de ‘Eiken-haagbeukenbossen’ komen de ‘Beuken-eikenbossen met hulst’ voor op plekken zonder grondwaterinvloed.

,

Beoordeling: de planontwikkeling valt buiten de invloedsfeer van deze beheerdoelstelling.

20

GEBIEDSBESCHERMING

–

VOORTOETS

NATURA

2000

–

STAVERDENSEWEG

ELSPEET

6. Methode 6. 1 Werkwijze Dit rapport omvat een uitwerking Netwerk Groene Bureaus):

van

een

onderzoek waarin het volgende is onderzocht (definitielijst

1.

Potentiële beïnvloeding

2.

Vaststelling van het feitelijk en potentieel voorkomen van kwalificerende habitattypen kwalificerende vogel- en habitatrichtlijnsoorten en de functies van het gebied voor die soorten in de gebieden en de omgeving;

3.

Analyse van de aard van de ingreep;

4.

De effecten van de voorgenomen ingreep op feitelijk en potentieel voorkomende kwalificerende vogel- en habitatrichtlijnsoorten en kwalificerende habitattypen indien een significant negatief effect niet kan worden uitgesloten;

5.

Een toets aan de wetgeving en beleid op basis van de beschikbare gegevens;

6.

Conclusies ten aanzien van de mogelijke noodzaak tot vergunning;

7.

Aanbevelingen over de te volgen verdere procedure (verslechteringstoets Passende Beoordeling);

8.

Noodzaak en aard van nader onderzoek;

9.

De verantwoording van het uitgevoerde onderzoek die de conclusies controleerbaar en navolgbaar maakt op basis van; Bronnenonderzoek (databanken en best beschikbare wetenschappelijke literatuur);

10.

Uitvoering door een ter zake kundige.

van

de voorgenomen handeling/ingreep op Natura 2000-gebieden; ,

,

6. 2 Leeswijzer Deze Voortoets omvat een effectenstudie naar de in de Wet natuurbescherming beschermde soorten en gebieden. Allereerst zijn de storingsfactoren (hoofdstuk 5. 1) in kaart gebracht en ecologisch beoordeeld in het licht van de planontwikkeling. Daarna is er ingezoomd op de doelsoorten (hoofdstuk 5. 2) van het Natura 2000-gebied de Veluwe. Tevens is er onderzocht en beoordeeld welke beheerdoelstellingen (hoofdstuk 5. 3) de diverse habitattypen hebben.

21

GEBIEDSBESCHERMING

–

VOORTOETS

NATURA

2000

–

STAVERDENSEWEG

ELSPEET

7. Bronnen Literatuur •

Wamelink G.W.W. H. F. van Dobben E. P. A. G. Schouwenberg & J. P. Mol-Dijkstra (2002). Haalbaarheid van natuurdoeltypen in arme bossen en droge heide op de hogere zandgronden: een modelstudie. Alterra-rapport 562. Alterra Wageningen. ,

,

,

,

•

De Graaf et al. (2004) Lange-termijn effecten Rapport EC-LNV nr. 2004/288-O Ede.

van

herstelbeheer in heide en heischrale graslanden.

,

•

Ministerie van Landbouw Natuur en Voedselkwaliteit (2008) Herstelmaatregelen in heideterreinen. Samenvatting OBN onderzoek en richtlijnen met betrekking tot de fauna. Rapport DK nr. 2008/042O. Ede.

•

Patrick Jansen en Mark

•

Werf S. van der 1991. Natuurbeheer in Nederland. Bosgemeenschappen. Pudoc Wageningen.

,

,

,

van

Benthem Bosbeheer en biodiversiteit Probos 2008 ,

,

,

,

22

GEBIEDSBESCHERMING

–

VOORTOETS

NATURA

2000

STAVERDENSEWEG

–

ELSPEET

8. Bijlage Letterlijke tekst Wet natuurbescherming Natura 2000-gebieden 1

Een bestuursorgaan stelt een plan dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied en dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied uitsluitend vast indien is voldaan aan artikel 2.8 met uitzondering van het negende lid. ,

,

,

2

Het is verboden zonder vergunning van gedeputeerde staten projecten te realiseren of andere handelingen te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000gebied de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen.

3

Gedeputeerde staten verlenen een vergunning als bedoeld in het tweede lid uitsluitend indien is voldaan aan: artikel 2.8 met uitzondering van het negende lid wanneer de vergunning betrekking heeft op een project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied en dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied of

a.

,

,

,

,

b.

4

artikel 2.8 negende lid wanneer zij betrekking heeft op andere handelingen dan projecten als bedoeld in onderdeel a. ,

,

Het verbod bedoeld in het tweede lid is niet van toepassing op projecten en andere handelingen ten aanzien waarvan bij of krachtens enige wettelijke bepaling een besluit is vereist indien bij of krachtens die wet is bepaald dat dat besluit uitsluitend wordt vastgesteld indien is voldaan aan artikel 2. 8. ,

,

,

Artikel 2. 8 1

Voor een plan als bedoeld in artikel 2.7 eerste lid of een project als bedoeld in artikel 2.7 derde lid onderdeel a maakt het bestuursorgaan onderscheidenlijk de aanvrager van de vergunning een passende beoordeling van de gevolgen voor het Natura 2000-gebied rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen voor dat gebied. ,

,

,

,

,

,

,

,

2

In afwijking van het eerste lid hoeft geen passende beoordeling te worden gemaakt ingeval het plan of het project een herhaling of voortzetting is van een ander plan onderscheidenlijk project of deel uitmaakt van een ander plan voor zover voor dat andere plan of project een passende beoordeling is gemaakt en een nieuwe passende beoordeling redelijkerwijs geen nieuwe gegevens en inzichten kan opleveren over de significante gevolgen van dat plan of project. ,

,

,

,

3

Het bestuursorgaan stelt het plan uitsluitend vast en gedeputeerde staten verlenen voor het project bedoeld in het eerste lid uitsluitend een vergunning indien uit de passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. ,

,

,

,

,

23

GEBIEDSBESCHERMING

4

–

VOORTOETS

NATURA

2000

STAVERDENSEWEG

–

ELSPEET

In afwijking van het derde lid kan ondanks het feit dat uit de passende beoordeling de vereiste zekerheid niet is verkregen het plan worden vastgesteld onderscheidenlijk de vergunning worden verleend indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden: ,

,

,

,

a.

er zijn geen

alternatieve oplossingen;

b.

het plan onderscheidenlijk het project bedoeld in het eerste lid is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en ,

,

,

,

,

de nodige compenserende maatregelen worden getroffen algehele samenhang van Natura 2000 bewaard blijft.

c.

5

te waarborgen dat de

om

Ingeval het plan onderscheidenlijk het project bedoeld in het eerste lid significante gevolgen kan hebben voor een prioritair type natuurlijke habitat of een prioritaire soort in een Natura 2000-gebied geldt in afwijking van het vierde lid onderdeel b de voorwaarde dat het plan onderscheidenlijk het project nodig is vanwege: ,

,

,

,

,

,

,

,

argumenten die verband houden met de menselijke gezondheid de openbare veiligheid of met voor het milieu wezenlijk gunstige effecten of

a.

,

,

b. 6

andere dwingende redenen van openbaar belang

,

advies van de Europese Commissie.

na

Een advies van de Europese Commissie als bedoeld in het vijfde lid onderdeel b wordt door Onze Minister gevraagd. Het bestuursorgaan onderscheidenlijk gedeputeerde staten doen daartoe een verzoek aan Onze Minister. ,

,

,

7

Compenserende maatregelen als bedoeld in het vierde lid onderdeel c maken onderdeel uit van het plan onderscheidenlijk de verplichting om deze maatregelen te treffen maakt onderdeel uit van de vergunning voor het project bedoeld in het eerste lid. Het bestuursorgaan dat het plan vaststelt meldt onderscheidenlijk gedeputeerde staten melden de compenserende maatregelen aan Onze Minister die de Europese Commissie van de maatregelen op de hoogte stelt. ,

,

,

,

,

,

8

Ingeval een compenserende maatregel voorziet in de ontwikkeling of verbetering van leefgebieden voor vogels natuurlijke habitats of habitats voor soorten buiten een Natura 2000-gebied draagt Onze Minister ervoor zorg dat deze leefgebieden of habitats een Natura 2000-gebied of een onderdeel van een Natura 2000-gebied worden. ,

,

,

9

Voor een andere handeling als bedoeld in artikel 2.7 derde lid onderdeel b houden gedeputeerde staten bij het verlenen van de vergunning rekening met de gevolgen die de handeling kan hebben voor een Natura 2000-gebied gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor dat gebied. ,

,

,

,

Artikel 2. 9 1

Het verbod bedoeld in artikel 2.7 tweede lid is niet van toepassing op projecten en andere handelingen die zijn beschreven in en worden gerealiseerd onderscheidenlijk verricht overeenkomstig een beheerplan als bedoeld in artikel 2. 3 of een programma als bedoeld in artikel 1.13 eerste zevende of achtste lid of een plan of programma als bedoeld in artikel 2.3 vijfde lid indien: ,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

a.

ten aanzien van het plan of het programma althans het desbetreffende onderdeel een passende beoordeling van projecten als bedoeld in artikel 2.7 derde lid onderdeel a is uitgevoerd waaruit de zekerheid is verkregen dat het project de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet zal aantasten onderscheidenlijk rekening is gehouden met de ,

,

,

,

,

,

24

GEBIEDSBESCHERMING

–

VOORTOETS

NATURA

2000

STAVERDENSEWEG

–

ELSPEET

mogelijke gevolgen van andere handelingen als bedoeld in artikel 2.7 derde lid onderdeel b voor het Natura 2000-gebied en ,

,

,

b.

het bestuursorgaan dat het plan of het programma heeft vastgesteld tevens bevoegd is voor de verlening van een vergunning als bedoeld in artikel 2.7 tweede lid voor een dergelijk project onderscheidenlijk een dergelijke handeling of als dat niet het geval is het laatstbedoelde bestuursorgaan heeft ingestemd met het onderdeel van het plan of programma dat betrekking heeft op het project onderscheidenlijk de andere handeling. ,

,

,

,

,

,

,

2

Het verbod bedoeld in artikel 2.7 tweede lid is niet van toepassing op andere handelingen als bedoeld in artikel 2.7 derde lid onderdeel b die op de referentiedatum bekend waren of redelijkerwijs bekend hadden kunnen zijn bij het bestuursorgaan dat bevoegd is voor de verlening van de vergunning en zij sedertdien niet of niet in betekenende mate zijn gewijzigd. De referentiedatum bedoeld in de eerste volzin is: ,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

a.

31 maart 2010 , of

b.

ingeval het desbetreffende gebied eerst na 31 maart 2010 een Natura 2000-gebied is geworden een door Onze Minister te bepalen datum die niet later is gelegen dan de datum waarop dat gebied een Natura 2000-gebied is geworden. ,

3

Het verbod bedoeld in artikel 2.7 tweede lid is niet van toepassing op projecten en andere handelingen behorende tot door provinciale staten bij verordening aangewezen categorieën van projecten onderscheidenlijk andere handelingen indien ten aanzien van het project onderscheidenlijk de handeling is voldaan aan bij of krachtens die verordening gestelde regels. Deze regels kunnen in elk geval betrekking hebben op: ,

,

,

,

,

,

a.

de wijze waarop verricht;

b.

de ligging van de locatie waar een project wordt gerealiseerd onderscheidenlijk een handeling wordt verricht ten opzichte van een Natura 2000-gebied een natuurlijke habitat of een habitat van een soort in dat gebied;

een

project wordt gerealiseerd onderscheidenlijk ,

een

,

handeling wordt

,

,

c.

de te verrichten onderzoeken naar de gevolgen van de realisatie van een project onderscheidenlijk de verrichting van een handeling voor de natuurlijke kenmerken van een Natura 2000-gebied;

d.

de voorafgaand aan of tijdens de realisatie van een project onderscheidenlijk de verrichting van een handeling te treffen maatregelen om te voorkomen dat de natuurlijke kenmerken van een Natura 2000-gebied worden aangetast;

e.

de melding van het voornemen een project te realiseren onderscheidenlijk een handeling te verrichten aan een bij of krachtens de verordening aangewezen bestuursorgaan de termijn waarbinnen de melding wordt gedaan en de wijze waarop en de daarbij te overleggen gegevens.

,

,

,

,

,

4

Op grond van het derde lid kunnen uitsluitend categorieën van: a.

projecten als bedoeld in artikel 2.7 derde lid onderdeel a worden aangewezen ten aanzien waarvan op voorhand op grond van objectieve gegevens kan worden uitgesloten dat zij afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten de natuurlijke kenmerken van een Natura 2000-gebied zullen aantasten; ,

,

,

25

GEBIEDSBESCHERMING

b.

–

VOORTOETS

NATURA

2000

–

STAVERDENSEWEG

ELSPEET

andere handelingen als bedoeld in artikel 2.7 derde lid onderdeel b worden aangewezen ten aanzien waarvan op voorhand rekening is gehouden met de gevolgen die de handeling kan hebben voor een Natura 2000-gebied gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor dat gebied. ,

,

,

,

5

Ingeval op grond van artikel 1.13 eerste lid aanhef in samenhang met onderdeel a een programma is vastgesteld dat betrekking heeft op Natura 2000-gebieden kan bij algemene maatregel van bestuur worden bepaald dat het verbod bedoeld in artikel 2.7 tweede lid met betrekking tot een Natura 2000-gebied gedurende de periode waarvoor het programma geldt niet van toepassing is op projecten en andere handelingen ten aanzien waarvan is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden: ,

,

,

,

,

,

,

,

a.

het project of de andere handeling: i.

1°. veroorzaakt een belasting van natuurwaarden van het desbetreffende Natura 2000-gebied door de factor waarvoor het programma is vastgesteld die afzonderlijk en ingeval het project of de handeling betrekking heeft op een inrichting als bedoeld in artikel 1.1 derde lid van de Wet milieubeheer in cumulatie met andere projecten of andere handelingen met betrekking tot dezelfde inrichting in de periode waarvoor het programma geldt de waarde die bij die algemene maatregel van bestuur voor het desbetreffende Natura 2000-gebied is vastgesteld niet overschrijdt of ,

,

,

,

,

,

,

ii.

behoort tot een bij die algemene maatregel van bestuur aangewezen categorie van projecten of andere handelingen en wordt gerealiseerd onderscheidenlijk wordt verricht op een grotere afstand gerekend tot het desbetreffende Natura 2000-gebied dan voor de desbetreffende categorie van projecten of andere handelingen bij die algemene maatregel van bestuur is vastgesteld en ,

,

b.

het project of de andere handeling heeft voor het desbetreffende Natura 2000-gebied geen andere gevolgen dan de belasting van natuurwaarden door de factor waarvoor het programma is vastgesteld die gelet op de instandhoudingsdoelstellingen de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in het desbetreffende Natura 2000gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. ,

6

7

,

De waarde onderscheidenlijk de afstand bedoeld in het vijfde lid onderdeel a kan voor de onderscheiden Natura 2000-gebieden verschillend worden vastgesteld. De waarde onderscheidenlijk de afstand wordt zodanig vastgesteld dat: ,

,

aan de

,

1°. geen afbreuk wordt gedaan

doelstelling van het desbetreffende programma

b.

2°. op voorhand op grond van objectieve gegevens kan worden uitgesloten dat projecten of andere handelingen als bedoeld in het vijfde lid afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten de natuurlijke kenmerken van een Natura 2000-gebied zullen aantasten.

,

a.

,

en

Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de wijze waarop wordt vastgesteld of plannen projecten of andere handelingen gevolgen als bedoeld in artikel 2.7 eerste of tweede lid kunnen hebben. Deze regels kunnen onder meer betrekking hebben op rekenmodellen onderzoeksmethoden of meetmethoden waarmee gevolgen kunnen worden bepaald. ,

8

,

,

, ,

Bij ministeriële regeling kan aan degenen die projecten realiseren of andere handelingen verrichten waarop het vijfde lid van toepassing is een verplichting worden opgelegd tot het melden van het ,

26

GEBIEDSBESCHERMING

–

VOORTOETS

NATURA

2000

–

STAVERDENSEWEG

ELSPEET

project of de andere handeling bij het bij die regeling aan te wijzen bestuursorgaan indien het project of de andere handeling behoort tot een bij die regeling aangewezen categorie van projecten onderscheidenlijk andere handelingen. Bij deze regeling kunnen regels worden gesteld over de wijze waarop deze melding wordt gedaan en over de bij de melding te verstrekken ,

,

gegevens.

27

GEBIEDSBESCHERMING

–

VOORTOETS

NATURA

2000

–

STAVERDENSEWEG

ELSPEET

Disclaimer Dir onderzoek is vervaardigd op verzoek van de opdrachtgever zoals in het colofon aangegeven. Niets uit deze notitie mag met uitzondering van de opdrachtgever worden vermenigvuldigd of openbaar gemaakt worden door middel van scanning druk internet kopie of andere wijze zonder schriftelijke toestemming van Ecofect B.V. noch mag het zonder deze toestemming voor een ander doel gebruikt worden dan waarvoor het vervaardigd is. Ecofect B. V. is niet aansprakelijk voor vervolgschade alsmede schade die voortvloeit uit toepassingen van de resultaten van de werkzaamheden of andere gegevens verkregen. De opdrachtgever vrijwaart Ecofect B. V. voor aanspraken van derden in verband met deze toepassing. Omdat ecologisch onderzoek een momentopname is kan de aanwezigheid van beschermde soorten soms niet worden uitgesloten of bevestigd. Daarnaast is de natuurwetgeving aan verandering en jurisprudentie onderhevig. Wij zijn echter niet aansprakelijk voor de gevolgen van onverwacht verschijnende of verdwijnende flora of fauna noch voor de gevolgen van veranderende wetgeving of jurisprudentie. ,

,

,

,

,

,

,

,

,

© 2023 Ecofect B. V. ; Nunspeet

28

S ik s t

ot of n

d

e r z o e

k

STAVERDENSEWEG

89A

ELSPEET Toelichting en stikstofberekening Aerius calculator

Datum: 10 maart 2023 / Update 15 april 2024 Project: SO 50461. 1

STIKSTOFONDERZOEK

–

STAVERDENSEWEG

89A ELSPEET

INHOUD 1.

Colofon

3

2.

Conclusie

4

3.

Inleiding

5

3. 1 Aanleiding

5

3. 2 Planlocatie

5

3. 3 Ontwikkelingen en

4.

effecten

6

Gebiedsbescherming

8

4. 1 Wettelijk

8

kader

4. 2 Natura2000

8

4. 3 Stikstofdepositie

10

5.

Berekeningsmethodiek

11

6.

Onderzoeksresultalen

15

7.

Verantwoording

16

Disclaimer

17

Bijlage(n)

2

STIKSTOFONDERZOEK

1.

COLOFON

Onderzoek

Stikstof onderzoek

Document

SO504611

Datum

10 maart

Locatie

Staverdenseweg 89a; Elspeet

Opdrachtgever

ASB

Opdrachtnemer

Ecofect B.V.

Ecoloog

(geanonimiseerd)

Adres

(geanonimiseerd)

Telefoon

(geanonimiseerd)

Email

info@ecofect.nl

Internet

www.ecofect.nl

KvK-nummer

87036487

Btw-identificatienr.

NL864184311B01

Rekeningnummer

NL39

2023 / Update 15 april 2024

RABO

0198 8908 69

STIKSTOFONDERZOEK

–

STAVERDENSEWEG

89A ELSPEET

2. Conclusie Naar aanleiding van het uitgevoerde onderzoek en de daarbij behorende berekeningen kan geconcludeerd worden dat in de nieuwe gebruiksfase de nu gehanteerde grenswaarde van de stikstofdepositie van 000 mol/ha/jr niet wordt overschreden. Er is met de nieuwe gebruiksfase geen sprake van een significante verslechtering maar wordt een structurele afname van 0. 37 mol/ha/j gerealiseerd. ,

De aanlegfase veroorzaakt een resultaat van 009 mol/ha/j daarom is de huidige gebruiksfase ook berekend. De huidige gebruiksfase heeft een bijdrage van 0. 37 mol/ha/j. Dit is per saldo een afname van 028 mol/ha/j in de aanlegfase. Voorgesteld wordt de uitstoot in de aanlegfase intern te salderen met de huidige gebruiksfase. ,

,

Er is geen vergunning ten aanzien van de wet natuurbescherming nodig.

4

STIKSTOFONDERZOEK

–

STAVERDENSEWEG

89A ELSPEET

3. Inleiding 3. 1

Aanleiding

Met de voorgenomen ontwikkelingen aan de Staverdenseweg 89a te Elspeet heeft ASB aan Ecofect B. V. opdracht gegeven een onderzoek stikstof uit te voeren. Deze berekening is noodzakelijk om uitsluitsel te kunnen geven of de geplande ontwikkelingen voor de gebruiksfase niet de grenswaarde van stikstofdepositie van 000 mol/ha/j overschrijden. ,

3. 2

Planlocatie

De planlocatie betreft een perceel (zie figuur 1) met een opstal hetgeen dienstdoet als kantoorruimte. Het gebouw is opgetrokken uit schoon metselwerk en heeft geen verdiepingen. Het heeft een plat dak. Het terrein is ingericht als parkeerplaats met grind. De Staverdenseweg betreft een hoofdroute vanuit Elspeet richting Speuld Graderen en Ermelo. ,

Elspeet is een dorp in de gemeente Nunspeet op de Veluwe in de Nederlandse provincie Gelderland. Het dorp heeft inclusief het buitengebied 4. 730 inwoners. De herkomst van de naam Elspeet is niet eenduidig bekend. El wordt wel in verband gebracht met oud en speet verwijst naar ontginning omgespitte grond. ,

,

,

,

Figuur 1 – planlocatie en onderzoeksgebied

5

STIKSTOFONDERZOEK

3. 3

–

STAVERDENSEWEG

89A ELSPEET

Ontwikkelingen en effecten

Initiatiefnemer is voornemens op de planlocatie de kantoorruimte te slopen (zie figuur 2) een viertal woningen terug te bouwen.

Figuur 2 – Schetsontwerp

6

STIKSTOFONDERZOEK

–

STAVERDENSEWEG

89A ELSPEET

Functieverandering en effecten De beoogde ingrepen zijn blijvend van karakter. De functie van het plangebied zal gelijk blijven en ecologisch niet veranderen. De ingrepen

en

effecten van de ingreep in relatie tot natuurwaarden:

•

Sloop- / saneringswerkzaamheden

•

Afvoer sloopmateriaal

•

Egaliseren terrein

•

Bouwwerkzaamheden

•

Aan-

•

Heinrichting terrein welke bij de functie wonen verwacht kan worden

en

afvoer materiaal.

Figuur 3 – Ontwerp

7

STIKSTOFONDERZOEK

–

STAVERDENSEWEG

89A ELSPEET

4. Gebiedsbescherming 4. 1

Wettelijk kader

Voor het uitvoeren van ruimtelijke ontwikkelingen is o. a. Wet Natuurbescherming van kracht. Deze wetgeving vervangt de Flora- en faunawet boswet en natuurbeschermingswet welke van kracht waren voor 1 januari 2017. In deze wet is de bescherming van gebieden soorten en houtopstanden geregeld. Deze notitie beperkt zich tot de gebiedsbescherming. ,

,

Wet natuurbescherming Gebiedsbescherming Artikelen 2. 1 tot en met 2. 12 van de Wet natuurbescherming regelen de bescherming van Natura2000gebieden (Vogel- en Habitatrichtlijn gebieden). Voor Natura2000-gebieden zijn instandhoudingsdoelen opgesteld voor habitats soorten broedvogels en/ of niet-broedvogels. In artikel 2. 7 verplicht de Wet natuurbescherming om vooraf te beoordelen of ingrepen / activiteiten in of in de nabijheid van Natura2000gebieden significant negatieve effecten kunnen hebben op de voor deze gebieden aangewezen instandhoudingsdoelen. Mocht sprake zijn van (significant) negatieve effecten dan kan het aanvragen ,

4. 2

,

Natura 2000

In Europa is een netwerk van beschermde gebieden opgezet. Dit zijn de zogenoemde Natura 2000-gebieden. Deze gebieden zijn in de Wet natuurbescherming strikt beschermd. Volgens de Wet natuurbescherming is het volgens artikel 2. 7 lid 2 verboden zonder vergunning projecten te realiseren of andere handelingen te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000-gebied de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen. ,

,

Dit geldt ook voor projecten die fysiek buiten het Natura 2000-gebied gelegen zijn maar wel een effect kunnen hebben op het gebied (externe werking). Het plangebied ligt nabij het Natura2000-gebied de Veluwe op een afstand van 110 meter (figuur 4).

8

STIKSTOFONDERZOEK

–

STAVERDENSEWEG

89A ELSPEET

Figuur 4 – Natura2000 gebied de Veluwe

U kunt te maken hebben met de zogenoemde externe werking van het Natura 2000-gebied. U moet daarbij bijvoorbeeld denken aan mogelijke effecten op de waterhuishouding uitstoot van stikstof of effecten die het gevolg zijn van een groot project zoals aanleg van windmolens zandwinning een woonwijk of industrie. ,

,

,

Om te bepalen of dit het geval is moet een natuurtoets worden uitgevoerd door een deskundig bureau. Als uw activiteit een negatief effect heeft op de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied is een vergunning nodig voor meer info zie: vergunning Natura 2000-gebieden. ,

De Veluwe bestaat overwegend uit droge bossen droge en natte heide vennen en stuifzanden. In de voorlaatste ijstijd zo'n 150. 000 jaar geleden duwden de ijslobben van het landijs enorme hoeveelheden door de rivieren aangevoerd zand en grond voor zich uit en opzij en vormden zo de stuwwallen. Hoewel de hoogteverschillen sindsdien door wind en water zijn afgevlakt reiken de hoogste delen van de Veluwe tot ruim 100 m boven NAP. Tot 1900 was de Noord-Veluwe één uitgestrekt stuifzandgebied. Tegenwoordig is er in totaal nog 1400 hectare stuifzand op de Veluwe. Bij Kootwijk is één van de grootste actieve stuifzandgebieden van Europa. Plaatselijk komen in de heiden natte (o. a. Leemputten bij Staverden) of droge (o. a. Harskamp) heischrale graslanden jeneverbesstruwelen vennen natte heide en hoogveenkernen (Mosterdveen) voor. In het beekdal van de Hierdense en Staverdense Beek worden schraallanden aangetroffen. Langs de randen van de Veluwe ontspringen de (sprengen)beken waar beekvegetaties en zeer plaatselijk bronbossen voorkomen. ,

,

,

,

,

,

,

,

,

Het plangebied is gelegen nabij het Natura 2000-gebied de Veluwe. Dit gebied is plaatse begrensd als Habitat- en Vogelrichtlijngebied. Voor de Natura 2000 gebieden zijn instandhoudingsdoelen opgesteld voor habitattypen habitatsoorten broedvogelsoorten en niet-broedvogels. Omdat de werkzaamheden van het plangebied buiten het Natura 2000-gebieden plaatsvinden heeft dit geen invloed op de oppervlakte van het Natura 2000-gebied. ,

,

9

STIKSTOFONDERZOEK

–

STAVERDENSEWEG

89A ELSPEET

4. 3 Stikstofdepositie De uitstoot van stikstofoxiden (NOx) en ammoniak (NH3) tijdens de bouwfase vindt plaats door de voertuigbewegingen ten behoeve van de aan- en afvoer van materialen en personen en het gebruik van mobiele werktuigen tijdens de constructie van het bouwwerk. De emissie tijdens de gebruiksfase wordt veroorzaakt door alle voertuigbewegingen van en naar het plan. Na de uitspraak van de Raad van State (d. d. 29 mei 2019) mag het Programma Aanpak Stikstof (PAS) niet meer als basis worden gebruikt voor toestemming voor activiteiten die stikstof uitstoten. Als gevolg daarvan moet per activiteit duidelijk worden gemaakt dat beschermde natuurgebieden niet worden aangetast door stikstof- en ammoniakuitstoot. Het beoogde plan mag geen negatieve effecten veroorzaken op de omliggende Natura 2000-gebieden. Met het programma Aerius Calculator wordt de depositie van stikstofverbindingen in de vorm van ammoniak (NH3) en stikstofoxiden (NOx) op het oppervlak van de omliggende Natura 2000-gebieden inzichtelijk gemaakt. Bij een projecteffect kleiner dan of gelijk aan 000 mol/ha/jaar zorgt het beoogde plan niet voor een significante toename in stikstofdepositie en worden negatieve effecten uitgesloten. Wanneer het projecteffect hoger is dan 000 mol/ha/jaar dient een vergunning te worden aangevraagd en is nader aanvullend onderzoek noodzakelijk.

De vergunning kan alleen worden verleend indien de zekerheid is verkregen dat de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet worden aangetast. Dit kan worden aangetoond met een verschilberekening tussen de referentiesituatie en de toekomstige situatie (interne saldering). Wanneer blijkt dat het projecteffect van het beoogde plan kleiner dan of gelijk is aan de referentiesituatie kan de vergunning verleend worden. ,

,

,

Bij verschillende processen vindt stikstofemissie plaats in de vorm van stikstofoxiden (NOx) of ammoniak (NH3). Belangrijke bronnen van stikstofemissie zijn de landbouw gemotoriseerd verkeer en de industrie. Maar ook als bij de verwarming van huizen fossiele brandstof wordt gebruikt leidt dit tot stikstofemissie. ,

,

,

Stikstof heeft in natuurgebieden zowel een verzurende als vermestende werking. Door omzetting van ammoniak en stikstofoxiden in bodem en water hebben deze stoffen een verzurend effect. Verzuring leidt tot een directe of indirecte afname van de buffercapaciteit (het neutralisatievermogen) van bodem of water. Op termijn resulteert dit proces in een daling van de zuurgraad. Hierdoor zullen soorten verdwijnen die voor verzuring gevoelig zijn wat kan resulteren in een verandering van het habitattype en daarmee mogelijk het verdwijnen van (dier)soorten zoals amfibieën en reptielen die voor hun voortplanting afhankelijk zijn van water. ,

,

In de Natura 2000-gebieden komen een groot aantal habitattypen voor die gevoelig zijn voor verstoring door stikstofdepositie. Wanneer in een dergelijk habitattype de kritische depositiewaarde wordt overschreden kan een verdere toename van de stikstofdepositie mogelijk leiden tot significant negatieve gevolgen. ,

Op 18 juni 2021 is het Besluit stikstofreductie en natuurverbetering in het Staatsblad gepubliceerd. Dit besluit en de al eerder gepubliceerde Wet stikstofreductie en natuurverbetering zijn ingegaan in op 1 juli 2021. Daarmee is ook de bouwvrijstelling ingegaan op 1 juli. Het Besluit stikstofreductie en natuurverbetering werkt de stikstofwet verder uit waaronder de bouwvrijstelling. De bouwvrijstelling faciliteert de aanleg of bouw van onder andere woningen utiliteitsbouw energieprojecten en activiteiten in de grond- weg- en waterbouw en de sloop van bouwwerken. Gelijktijdig reserveert het kabinet in de periode 2021-2030 500 miljoen euro voor stikstofreductie in de bouw en 500 miljoen euro voor aanvullende maatregelen binnen of buiten de bouw. Het Rijk maakt afspraken met de bouwsector over deze reductie en bijbehorende maatregelen gericht op emissiearme werk- en voertuigen. De maatregelen worden onderdeel van de structurele aanpak stikstof. Het kabinet benadrukt dat de (stikstof)effecten van de bouwvrijstelling periodiek worden ,

,

,

,

,

10

STIKSTOFONDERZOEK

–

STAVERDENSEWEG

89A ELSPEET

5. Berekeningsmethodiek 5. 1 Aanlegfase De berekeningen zijn uitgevoerd met het programma Aerius (versie 2023. 2). Deze versie heeft een GML- en een PDF-uitvoermethode. Om de berekeningen vanuit de Aerius calculator en de rapportage samen te kunnen voegen tot één rapportage is gekozen voor de PDF-uitvoermethode. De GML uitvoer wordt als los bestand aangeleverd. De gehanteerde grenswaarde van de stikstofdepositie bedraagt 000 mol/hal/j. Een hogere waarde dan de grenswaarde wordt beschouwd als overschrijding. Bij een overschrijding van de grenswaarde zal een vergunning Wet natuurbescherming noodzakelijk zijn. ,

De mobiele werktuigen zijn in de Aerius calculator verwerkt als vlakbron. Voorliggend onderzoek betreft een berekening van de mogelijke stikstofemissie en –depositie als gevolg van de aanleg- en bouwfase en als gevolg van de gebruiksfase van het plan. Voor beide fasen is een verspreidingsberekening uitgevoerd. •

Ten behoeve van deze berekeningen zijn in Aerius-calculator gegevens van de emissiebronnen ingevoerd. Dit betreft gegevens over het type bron de omvang en de duur van de stikstofemissie. In Aerius-calculator zijn verschillende sectoren gedefinieerd. Per sector zijn default kengetallen opgenomen voor de diverse bronkenmerken. ,

•

Voor de invoer van het in te zetten bouwmaterieel is in voorliggend onderzoek uitgegaan default-kengetallen voor de sector mobiele werktuigen.

•

Voor het optredend bouwverkeer is gebruik gemaakt wegverkeer.

•

Ten behoeve van de Aerius-berekening van de aanleg- en bouwfase zijn op basis van het stedenbouwkundig plan aannames gedaan ten aanzien van de uit te voeren werkzaamheden. Hiertoe is op hoofdlijnen bepaald welke deelwerkzaamheden in het kader van de aanleg- en bouwfase mogen worden verwacht. Vervolgens is een inschatting gemaakt van de doorlooptijd van de betreffende deelwerkzaamheden. Hierbij is uitgegaan van een uitvoeringsduur van de totale werkzaamheden met een doorlooptijd van 1 jaar. Door een korte doorlooptijd te hanteren vinden relatief veel deelwerkzaamheden en daarmee samenhangend relatief veel emissie en depositie plaats in een kort tijdsbestek Zie onderstaande tabel.

van

de default-kengetallen

voor

van

de

de sector

,

,

Het brandstofgebruik is gebaseerd op de tabel brandstofverbruik van het TNO-rapport met als kenmerk: TNO2021-R12305 De belasting invoer staat standaard op 35%. Dit kan toegepast worden op alle machines met redelijke nauwkeurigheid. De grootste onzekerheid is de gemiddelde motorlast. Als in plaats van de gemiddelde 35% een motorlast van 30% of 40% verwacht wordt scheelt dat in beide gevallen 16% in het berekende brandstofverbruik. ,

,

,

,

Bij de aanlegfase van het project ontstaan verkeersbewegingen. Ten eerste ontstaan vrachtwagenbewegingen ten behoeve van aan- en afvoer van materiaal. In de berekening in de Aerius calculator is rekening gehouden met 6 middelzware- en 6 zware verkeersbewegingen per maand. Daarnaast

11

STIKSTOFONDERZOEK

STAVERDENSEWEG

–

89A ELSPEET

ontstaan bewegingen van licht verkeer voor het vervoer van het personeel dat de mobiele werktuigen bemand. Hiervoor bestaat geen kengetal maar er is verondersteld dat er gemiddeld 12 (6 werkbusjes per dag) verkeersbewegingen per dag plaats vinden gedurende een jaar. Deze verkeersbewegingen ten behoeve van de aanlegfase zijn in AERIUS Calculator ingevoerd. ,

De Staverdenseweg te Elspeet valt binnen de bebouwde kom. In overeenstemming met de vuistregels van de Provincie Gelderland wordt het verkeer opgenomen in het heersende verkeersbeeld binnen de bebouwde kom na 50 meter voor personenauto’s en 150 meter voor vrachtverkeer. Er is minimaal 50 meter aangehouden voor het (woon-)werk verkeer en 150 meter voor vrachtverkeer (lijnelement). Na 50 / 150 meter gaat het verkeer op in het heersende verkeersbeeld tenzij eerder een kruising wordt gepasseerd. ,

Bij het toetsen van de gevolgen van activiteiten dient qua stikstofdepositie te worden gekeken naar de meest maatgevende aaneengesloten periode van 12 maanden. Maatgevend houdt hierbij in dat het gaat om de periode van 12 aaneengesloten maanden waarin de hoogste stikstofdepositie optreedt. Veelal leidt dat er toe dat er onderscheid wordt gemaakt tussen een realisatiefase en een gebruiksfase. De per fase verschillende emissiebronnen spelen daarbij ook een rol. Zo is er bij een realisatiefase sprake van mobiele werktuigen en in beperkte mate van verkeer (werkverkeer en vrachtverkeer). Bij een gebruiksfase hoofdzakelijk verkeer (zoals woon-werkverkeer). 2024 is in deze berekening opgevoerd als bouwjaar. ,

,

Mobiele werktuigen 2024 Mobiel werktuig

Klasse

KW

Bouwjaar

Verbruik

Aantal uren

Telescoopkraan

Klasse IV

100

2018

9. 79

12

Graafmachine

Klasse IIIb

120

2011

12. 46

12

Betonpomp

Klasse IIIb

90

2011

10. 47

10

Graafmachine sloop

Klasse IIIb

120

2011

12. 46

30

Trilplaat

Klasse IV

10

2019

1. 5

12

Verkeersbewegingen 2024 – werk/bouwverkeer Verkeer

Categorie

Afstand

Aantal p/--

File

Vrachtverkeer

Zwaar

150

6 p/mnd

0%

Vrachtverkeer

Middelzwaar

150

6 p/mnd

0%

Werkverkeer

Licht

50

12 p/etm

0%

12

STIKSTOFONDERZOEK

STAVERDENSEWEG

–

89A ELSPEET

In de aanlegfase is mogelijk sprake van emissie vanwege stationair draaien. Op de projectlocatie is een vlakbron ingegeven ten behoeve van de emissies van stationaire draai van het vrachtverkeer. De emissies zijn berekend op basis van een schatting van de stationaire draaiuren en gebaseerd op de door BIJ12 opgestelde rekeninstructie. Dit leidt tot het volgende overzicht:

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15236950/1