CConstaterende datNunspeet
Koppel je AI →
Document · PDF

1. AP 6a. Bijlage Toelichting en regels BP 't Hul Noord

Commissie Ruimte en Wonen 8 april 2024, gemeente NunspeetBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan 't Hul Noord en exploitatieplan 't Hul Noord.29.898 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een toevoeging van minder dan 1.500 huizen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit, omdat een dergelijk project per definitie niet boven de 3%-norm komt (bron: bijlage 3a, Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)). Gevoelige bestemmingen Met het Besluit gevoelige bestemmingen wordt de vestiging van zogeheten 'gevoelige bestemmingen' in de nabijheid van provinciale- en rijkswegen beperkt. Het Besluit is gericht op bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor fijn stof (PM10, PM2,5) en stikstofdioxide (NO2), in het bijzonder kinderen, ouderen en zieken. Indien een project betrekking heeft op een gevoelige bestemming en geheel of gedeeltelijk is gelegen binnen een afstand van 300 meter van een rijksweg of 50 meter van een provinciale weg (gemeten vanaf de rand van de weg) mag het totaal aantal mensen dat hoort bij een gevoelige bestemming niet toenemen als overschrijding van de grenswaarden voor PM 10, PM2,5 of NO2 dreigt/plaatsvindt. De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn aangemerkt als gevoelige bestemming:  scholen;  kinderdagverblijven;

't Hul Noord

29

 verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Het gaat hierbij niet om bestemmingen in de meest enge zin van het woord, maar om alle vergelijkbare functies, ongeacht de exacte aanduiding ervan in bestemmingsplannen en andere besluiten. Planspecifiek Luchtkwaliteit ter plaatse van het plan Vanuit een goede ruimtelijke ordening is de huidige luchtkwaliteit ter plaatse getoetst met behulp van de NSL Monitoringstool (www.nsl-monitoring.nl). Door de metingen ter plaatse te toetsen aan de grenswaarden is gekeken of er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Uit metingen van het rekenpunt 52584372_16065261 (aan de Elburgerweg ter hoogte van plangebied) zijn de volgende concentraties naar voren gekomen: NO2 PM10 PM2,5 (fijnere fractie (stikstofdioxide) (fijnstof) van fijnstof) Gemeten totale concentratie 12,1 µg/m3 15,6 µg/m3 8,4 µg/m3 jaargemiddelde 2022(µg/m3) Grenswaarde concentratie 40 µg/m3 40 µg/m3 25 µg/m3 (µg/m3) De gemeten concentraties stikstofdioxide en fijn stof liggen ruim onder de gestelde grenswaarden. Er is ook geen sprake van een dreiging van overschrijding van de grenswaarden. Met betrekking tot de luchtkwaliteit zijn geen belemmeringen voor onderhavig plan.

Bijdrage plan Ten aanzien van de bijdrage aan luchtkwaliteit is het plan (750 woningen, een school en ondersteunende buurtfuncties) van geringe omvang ten opzichte van de benoemde grenswaarde (3%, 1.500 woningen). 1.500 woningen zorgen gezamenlijk (uitgaande van gemiddeld 8 verkeersbewegingen per dag per woning) voor 12.000 verkeersbewegingen per dag, terwijl de ontwikkeling die dit bestemmingsplan mogelijk maakt conform het uitgevoerde verkeersonderzoek (zie paragraaf 4.4) zorgt voor 5.300 extra verkeersbewegingen per weekdag en 5.800 per werkdag. Daarmee is op basis van de te verwachten toename aan verkeersbewegingen ten gevolge van het project te concluderen dat dit project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. De herstructurering van de Bovenweg zorgt er voor dat verkeersstromen anders gaan rijden, echter niet in dermate grote aantallen/afstanden dat dit zorgt voor een bijdrage aan verslechtering van de luchtkwaliteit. Een nadere toetsing ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit kan daarom achterwege blijven. Het plan is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect luchtkwaliteit. 4.1.3 Geluid De mate waarin het geluid het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving.

In de Wgh worden de volgende objecten beschermd:  woningen;  geluidgevoelige gebouwen, zoals scholen, ziekenhuizen, verzorgings- en verpleeghuizen, psychiatrische instellingen en kinderdagverblijven;  geluidsgevoelige terreinen (woonwagenstandplaatsen en bestemde ligplaatsen voor woonschepen). Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. Binnen deze zones bepaalt het bevoegd gezag de te hanteren grenswaarden. Er geldt een voorkeursgrenswaarde en een bovengrens (hoger mag niet). De Wgh gaat verder onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen. De belangrijkste bronnen van geluidhinder die bij een ruimtelijke ontwikkeling aan de orde kunnen zijn betreffen:

30

't Hul Noord

industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Planspecifiek Voor voorliggend bestemmingsplan is het van belang te kijken naar de mogelijke gevolgen van wegverkeerslawaai. Hiertoe is een akoestisch onderzoek uitgevoerd, dat is opgenomen in bijlage 5. In het onderzoek is bepaald wat de geluidbelasting is op de nieuwe woningen door omliggende wegen. Hieruit blijkt dat de 48 dB-contour van de Kolmansweg slechts over een heel beperkt deel van een enkel bestemmingsvlak Woongebied ligt. Binnen dat woongebied kan een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde eenvoudig vermeden worden door de woningen buiten de 48 dB contour te positioneren. Voor de overige woningen wordt de voorkeursgrenswaarde vanwege verkeer over de Kolmansweg op voorhand niet overschreden. Verkeer over de Bovenweg zorgt niet voor een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde voor de nieuwe woningen. Het aanvragen van hogere waarden is daarmee voor de nieuwe woningen niet nodig. De Molenweg is een 30 km weg zonder geluidzone. Overige wegen zijn wegen met een lage verkeersintensiteit en daardoor akoestisch niet relevant. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is bepaald wat het effect is van de verkeersaantrekkende werking van het plan op de geluidbelasting van de maatgevende bestaande woningen langs de Kolmansweg.

Hieruit blijkt dat de toename van de geluidsbelasting op de gevels van bestaande woningen 1,09 dB bedraagt. Aangezien dit voor het menselijk oor nagenoeg niet waarneembaar is, is er geen sprake van een aantasting van het woon- en leefklimaat. In het onderzoek is tevens onderzocht of de herinrichting leidt tot een reconstructie in de zin van de Wet geluidhinder. Voor 12 bestaande woningen is hier sprake van (er is een toename van 2 dB of meer). Voor de woning aan de Bovenweg 14 geldt dat deze door de gemeente is aangekocht en geen geluidsgevoelige functie meer krijgt waardoor deze niet getoetst hoeft te worden. Voor de overige 11 woningen heeft het college van B&W een hogere waarde verleend van ten hoogste 54 dB. Het plan is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect geluid. 4.1.4 Geur De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor milieuvergunningen als het gaat om geurhinder van veehouderijen met landbouwhuisdieren. De Wgv maakt onderscheid in dieren met en dieren zonder een vastgestelde geuremissiefactor. Voor de eerste soort wordt de geurbelasting bij geurgevoelige objecten berekend, voor de tweede gelden minimumafstanden tot dergelijke objecten (ook wel bekend onder de term 'vaste afstandsdieren'). De Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) bepaald in bijlage 1 voor welke dieren geuremissies zijn vastgelegd.

Als het (beoogde) veehouderijbedrijf niet in deze regeling wordt genoemd betreft het vaste afstandsdieren. Op grond van artikel 3 lid 1 van de Wgv gelden de volgende normen ten behoeve van vergunningverlening voor dieren met een geuremissiefactor: geurgevoelig object gelegen in: maximaal toegestane geurbelasting (odour units per m3 lucht) concentratiegebied binnen bebouwde kom 3,0 ouE/m3 concentratiegebied buiten bebouwde kom 14,0 ouE/m³ niet-concentratiegebied binnen bebouwde kom 2,0 ouE/m3 niet-concentratiegebied buiten bebouwde kom 8,0 ouE/m3

't Hul Noord

31

Als het geen bedrijf is waar een geuremissiefactor voor is vastgelegd gelden de volgende eisen:  binnen de bebouwde kom geldt een afstand van 100 meter;  buiten de bebouwde kom geldt een afstand van 50 meter. Tot slot geldt voor zowel dieren met als voor dieren zonder geuremissiefactoren altijd een minimumafstand tussen de buitenzijde van een dierenverblijf en de buitenzijde van een geurgevoelig object. Dit betreft 50 respectievelijk 25 meter voor hetzij binnen dan wel buiten de bebouwde kom. De Wet geurhinder en veehouderij kent een omgekeerde werking. Dat wil zeggen dat ook bij plannen die woningbouwlocaties mogelijk maken wordt getoetst aan de normen van de Wet geurhinder en veehouderij. Bij ruimtelijke ordeningsplannen moet worden beoordeeld of sprake is van een goed woon- en verblijfklimaat. Planspecifiek Om te bepalen of er in de nieuwe woonwijk sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, is een geuronderzoek opgesteld. Het onderzoek is opgenomen in bijlage 6. Hierin wordt geconcludeerd dat sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de nieuwe woningen en school en dat de belangen van veehouderijen niet worden geschaad. Daarbij dient wel rekening gehouden te worden met de geurcontour van de bestaande veehouderij aan de Oude Zeeweg 2 die binnen het plangebied ligt.

Deze contour betreft 100 meter vanaf de bestemming 'Agrarisch bedrijf' (zie navolgende afbeelding). Binnen deze contour mogen geen geurgevoelige objecten gerealiseerd worden. De geurzone ligt enkel over deelgebied 2. Het is de bedoeling dat het bedrijf stopt, zodat de locatie van het bedrijf zelf en de omliggende gronden binnen deelgebied 2 voor woningbouw gebruikt kan worden. Hiermee verbetert de geursituatie in het plangebied en ook voor omliggende bestaande woningen. Omdat er vanuit het aspect stikstof een voorwaardelijke verplichting is opgenomen in de regels,mag er pas gebouwd worden in deelgebied 2 als het bedrijf Oude Zeeweg 2 is gestopt met de bedrijfsvoering. Hiermee is geborgd dat er sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in de nieuwe woningen binnen deelgebied 2.

Geurcontour Oude Zeeweg 2 (bron: geuronderzoek) Het plan is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect geur.

32

't Hul Noord

4.1.5 Milieuzonering Milieuzonering is het aanbrengen van een ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Doel is om bij het opstellen van een ruimtelijk plan een goed en veilig leefklimaat te waarborgen, maar tegelijkertijd ook aan bedrijven voldoende milieuruimte te bieden voor het uitoefenen van hun activiteiten. De mate waarin bedrijven invloed hebben op hun omgeving is afhankelijk van de aard van de bedrijvigheid en de afstand tot een gevoelige bestemming. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven. Milieuzonering heeft betrekking op aspecten met een ruimtelijke dimensie, zoals geluid, geur, gevaar en stof. De mate van belasting, en daarmee de gewenste aan te houden afstand, kan per aspect en per bedrijfstype verschillen. In de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) is een lijst opgenomen met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven.

Van deze richtafstanden kan worden afgeweken, mits wordt onderbouwd waarom de feitelijke milieuhinder als minder belastend wordt gezien. Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Planspecifiek Er zijn een aantal milieubelastende functies in en rondom het plangebied aanwezig. In navolgende tabel zijn deze opgenomen en is aangegeven welke richtafstand wordt gegeven door de VNG. Navolgende afbeelding toont de richtafstanden op kaart. Het aspect geur van veehouderijen is in paragraaf 4.1.4 al aan bod gekomen en wordt hier buiten beschouwing gelaten. Milieubelastende functie Activiteit Richtafstand 1 Oude Zeeweg 2 Agrarisch bedrijf, grondgebonden 50 m (geur maatgevend: veehouderij 100 m) 2 Oude Zeeweg 30, De Hofstee Recreatiepark 50 m 3 Kolmansweg 8a, De Bijsselse Enk Recreatiepark 50 m 4 Molenweg 75 Recreatiepark 50 m 5 Molenweg 107 Recreatiepark 50 m 6 agrarisch bouwvlak opslaggebouw 50 m 7 Molenweg 91 fouragebedrijf en diervoeders 10 m

't Hul Noord

33

Milieuzonering op kaart Rondom het plangebied liggen ook enkele paardenbakken/paddocks. Formeel hoeft er geen afstand tussen woningen en paardenbakken/paddocks te worden aangehouden. Vanuit een goede ruimtelijke ordening neemt de gemeente hierbij de richtafstanden in acht die gelden voor maneges: 30 meter. Met voorgenoemde milieucontouren is rekening gehouden in het ontwerp, onder andere met de situering van de landschapszone. Het agrarisch bouwvlak nabij de molen vervalt met dit plan. Enkel binnen de richtafstand van het bedrijf aan de Oude Zeeweg 2 (en ter plaatse van het bedrijf zelf) worden in dit plan woningen mogelijk gemaakt. Op de verbeelding van dit bestemmingsplan is een milieuzone opgenomen waarbij in de regels is geborgd dat woningen pas gebruikt mogen worden als het bedrijf is gestopt of (met een omgevingsvergunning) als er aantoonbaar sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en het nog aanwezige bedrijf niet in de bedrijfsvoering wordt belemmerd. Voor de geplande school geeft de VNG een richtafstand van 30 meter op basis van het aspect geluid. Voor de ondersteunende wijkfuncties die binnen hetzelfde bestemmingsvlak Maatschappelijk zijn toegestaan wordt niet een grotere richtafstand gegeven. Binnen 30 meter zijn geen bestaande woningen aanwezig.

Op de verbeelding van dit bestemmingsplan is deze milieuzone opgenomen met een in de regels een bepaling dat woningen pas gerealiseerd mogen worden als er aantoonbaar sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Tussen de maatschappelijke bestemming en de nieuwe woningen zit in ieder geval minstens 10 meter afstand vanwege een tussengelegen verkeersbestemming. De buurtfuncties die op twee locaties in het plan mogelijk worden gemaakt, vallen onder milieucategorie 1. De woonvelden waarin deze functies gerealiseerd worden, kunnen gezien worden als een gemengd gebied waar een beperkte functiemenging gewenst is, met eventueel woningen boven de voorzieningen. Voor

34

't Hul Noord

milieucategorie 1 is de richtafstand 0 meter in gemengd gebied. De locatie voor de kleinschalige horecavoorziening (Restaurant; bistro; crêperie, lunchroom; konditorei; Koffie/theehuis; Ijssalon) ligt in gemengd gebied (tussen een maatschappelijke bestemming en bedrijf in, nabij drukke wegen). De VNG geeft voor deze functie een richtafstand van 0 meter in gemengd gebied. Er zal daarmee sprake zijn van een goed woon- en leefklimaat in de nieuwe en de omliggende woningen. Ook worden er geen bedrijven belemmerd in de bedrijfsvoering. Het plan is uitvoerbaar met betrekking tot milieuzonering. 4.1.6 Externe veiligheid Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving die ontstaan door opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen. Hierbij gaat het om risicovolle inrichtingen, transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen en buisleidingen. De verplichting om in een ruimtelijk plan in te gaan op deze risico's komt voort uit het 'Besluit externe veiligheid inrichtingen' (Bevi), het 'Besluit externe veiligheid transportroutes' (Bevt) en het 'Besluit externe veiligheid buisleidingen' (Bevb). Daarnaast zijn in het Activiteitenbesluit milieubeheer en het Vuurwerkbesluit veiligheidsafstanden genoemd die moeten worden aangehouden rond stationaire risicobronnen, niet zijnde een Bevi-inrichting.

De wetgeving richt zich op het beschermen van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten. Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, en kinderopvang- en dagverblijven, en grote kantoorgebouwen (>1500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn kleinere kantoren en winkels, horeca, kampeerterreinen en bedrijfsgebouwen waarin geen grote aantallen personen aanwezig zijn. Binnen het beoordelingskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico (PR) van 10-6 per jaar en het groepsrisico (GR). Het plaatsgebonden risicobeleid bestaat uit harde afstandscontouren tussen risicobron en (beperkt) kwetsbaar object. Het wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 per jaar (de kans dat per jaar 1 persoon overlijdt door een ongeluk met een gevaarlijke stof mag niet groter zijn dan 1 op een miljoen). Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Bij de berekening van het groepsrisico spelen mee de aard en hoeveelheid van de gevaarlijke stoffen en het aantal potentiële slachtoffers. Voor de beoordeling van een ruimtelijk plan moet worden vastgesteld of het plangebied is gelegen binnen de PR en/of de invloedsgebieden van het GR. Binnen de 10-6-contour is het realiseren van kwetsbare objecten niet toegestaan.

Planspecifiek De nieuwe woningen en de school die het plan mogelijk maakt zijn kwetsbare objecten. Via de website risicokaart.nl kan voor de locatie worden vastgesteld of er in de directe omgeving inrichtingen, buisleidingen en / of belangrijke transportroutes aanwezig zijn die in het kader van de externe veiligheid van belang zijn. Bijgevoegd een screenshot van die website.

't Hul Noord

35

Uitsnede risicokaart met deel plangebied met nieuwe kwetsbare objecten blauw omcirkeld Uit de uitsnede van de risicokaart volgt dat er op circa 310 meter afstand aan de zuidkant van het plangebied de buisleiding N-570-20 aanwezig is. Gezien de grote afstand vormt deze geen belemmering voor de ontwikkeling. Op het recreatiepark De Hofstee is een propaangastank aanwezig. De plaatsgebonden risicocontour hiervan ligt grotendeels op het recreatieterrein zelf en reikt niet tot de beoogde nieuwe woonlocatie. Ook overige risicobronnen liggen op voldoende afstand. Vanuit het aspect externe veiligheid zijn er geen belemmeringen voor het plan. Op het gebied van externe veiligheid is het plan uitvoerbaar. 4.1.7 Milieueffectrapportage Voor activiteiten die belangrijke milieugevolgen kunnen hebben, is het verplicht een milieueffectrapportage (m.e.r.) uit te voeren en een Milieu Effect Rapport (MER) te maken. Hiermee krijgt het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming. De m.e.r. onderzoekt de milieugevolgen van een plan of een besluit en (milieuvriendelijker) alternatieven.

Een plan of besluit is m.e.r.-plichtig in een van de volgende situaties:  in het Besluit milieueffectrapportage, artikel 7.4 bijlagen C en D zijn activiteiten aangewezen waarvoor direct een m.e.r.-plicht geldt;  een m.e.r.-plicht kan volgen uit een passende beoordeling in het kader van de Wet natuurbescherming;  op grond van de provinciale milieuverordening kunnen aanvullend op het Besluit m.e.r. activiteiten worden aangewezen waarvoor een m.e.r.-plicht geldt. M.e.r.-beoordeling Een aantal activiteiten op kleinere schaal zijn m.e.r.-beoordelingsplichtig als een indicatieve drempelwaarde uit bijlage D wordt overschreden. Ook als de drempelwaarden niet worden overschreven kan in overleg worden bekeken of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling, omdat er mogelijk

36

't Hul Noord

belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Er kunnen twee uitkomsten zijn:  als de conclusie is dat er geen belangrijke nadelige milieugevolgen optreden hoeft er geen m.e.r.procedure te worden doorlopen. Dit wordt in het betreffende plan of besluit gemotiveerd en moet ook formeel bekend worden gemaakt door het bevoegd gezag;  als belangrijke nadelige milieugevolgen niet uitgesloten kunnen worden, moet er een m.e.r.-procedure worden doorlopen. Planspecifiek Het onderhavige plan betreft op basis van het Besluit milieueffectrapportage een project dat onder de drempelwaarden van categorie 11.2 blijft. Daarom kan volstaan worden met een vromvrije m.e.r.beoordelingsnotitie. In bijlage 7 is deze m.e.r.-beoordelingsnotitie opgenomen. Hieruit is gebleken dat er geen sprake is van een ontwikkeling die een forse invloed heeft op het milieu in de omgeving. Belangrijke milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Verder onderzoek in het kader van het Besluit milieueffectrapportage is niet nodig: het plan is niet m.e.r.-plichtig.

4.2

Water

Water is een belangrijk thema in de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan. Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21e eeuw heeft advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport 'Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw' (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:  vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Indien nodig wordt overtollig water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen niet meer mogelijk is wordt het water afgevoerd.  schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden.

Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod. Waterwet De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Daarnaast levert de Waterwet een flinke bijdrage aan kabinetsdoelstellingen zoals vermindering van regels, vergunningstelsels en administratieve lasten. Een belangrijk gevolg van de Waterwet is dat de aloude vergunningstelsels uit de voorheen afzonderlijke waterbeheerwetten zijn gebundeld. Dit resulteert in één vergunning, de watervergunning. Nationaal Waterplan Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan vastgesteld door het kabinet. Dit Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Het geeft maatregelen die in de periode 2016-2021 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige

't Hul Noord

37

generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten. Watertoets De 'watertoets' is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is geen technische toets, maar een proces waarbij de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder met elkaar in gesprek gaan voorafgaand aan de vaststelling van het plan. De watertoets bestaat uit twee onderdelen:  de verplichting aan initiatiefnemers van ruimtelijke plannen om de waterbeheerder vroegtijdig in de planvorming te betrekken, en  de verplichting aan initiatiefnemers van ruimtelijke plannen om in hun plan verantwoording af te leggen over de manier waarop omgegaan is met de inbreng van de waterbeheerder. Dit laatste gebeurt doorgaans in de waterparagraaf bij het betreffende plan. Planspecifiek Beleid waterschap Vallei en Veluwe In het Waterbeheerprogramma 2016 - 2021 heeft waterschap Vallei en Veluwe tactische doelen geformuleerd. Per jaarplan geeft het waterschap concreet invulling aan de daadwerkelijke realisatie van deze doelen. Daarnaast heeft het waterschap de Keur met de Algemene – en Beleidsregels van Waterschap Vallei en Veluwe vastgesteld. Alle handelingen in of nabij een waterstaatswerk worden hieraan getoetst.

In de Het Algemene beleidsregels (3e wijziging, 2017) bij de Keur 2013 wordt ten doel gesteld dat een uitbreiding van het verhard oppervlak in principe, vanuit waterhuishoudkundig oogpunt, waterbalans neutraal moet plaatsvinden. Voor ruimtelijke ontwikkelingen gelden op basis van bovengenoemd beleid de volgende uitgangspunten:  Hemelwater wordt op basis van de trits 'vasthouden-bergen-afvoeren' zoveel mogelijk ter plaatse vastgehouden. Wanneer lozen in de bodem redelijkerwijs niet mogelijk is kan geloosd worden op oppervlaktewater. Lozen op de riolering is in principe niet toegestaan;  Afvalwater niet zijnde 'schoon' hemelwater aansluiten op het riool;  Houdt bij het ontwerp rekening met de gemiddelde hoogste grondwaterstand;  De ontwikkeling dient in de gebruiksfase grondwaterneutraal te zijn. Structurele drainage of andere middelen om grondwater af te voeren zijn in principe niet toegestaan;  Geen uitlogende materialen gebruiken op plaatsen die in contact kunnen komen met (grond)water;  In de beleidsregels heeft het waterschap opgenomen dat het watersysteem bij een T=100neerslaggebeurtenis moet blijven functioneren. Uitgangspunt is dat de aanleg van verharding geen extra belasting mag veroorzaken ten opzichte van de onverharde situatie. Om hieraan te voldoen, hanteert het waterschap een compensatienorm van 60 millimeter.

Watertoets In bijlage 8 is een notitie opgenomen dat in gaat op de waterhuishoudkundige aspecten. Huidig watersysteem In navolgend figuur is het plangebied weergegeven op de leggerkaart van Waterschap Vallei en Veluwe. Binnen het plangebied liggen meerdere C-watergangen met een niet gereguleerd waterpeil. Deze watergangen zorgen voor de ontwatering en afwatering van het hemelwater en kunnen in droge periodes ook droogvallen. Het hemelwater kan hier infiltreren of afgevoerd worden via het bekenstelsel naar de randmeren. Ten zuiden van het plangebied ligt de Hulbeek (A-water). Deze watergang stroomt vanaf de Koningin Beatrixstraat in noordoostelijke richting af via een duiker langs de Hullerweg. Nabij het kruispunt van de Kolmansweg en de Bovenweg gaat de Hulbeek over in de Molenbeek. De Molenbeek splitst zich op en stroomt in noordelijke en oostelijke richting af ten zuiden van de Bovenweg.

38

't Hul Noord

Overzicht oppervlaktewater met in het paars het plangebied (legger Waterschap Vallei en Veluwe)

Toekomstig watersysteem In de toekomstige situatie wordt de Hulbeek verlegd en krijgt het een plek in het plangebied. In dit stadium is nog onduidelijk of en welke C-watergangen gedempt worden. Het dempen van watergangen heeft invloed op het watersysteem en de ontwateringsdiepte. Op dit moment kan nog geen inschatting gegeven worden van de effecten op het gebied. Wanneer meer gegevens beschikbaar van de grondwaterstanden zijn, kan de RHG bepaald worden. Op basis van de RHG kan ingeschat worden of aanvullende maatregelen nodig zijn (ontwateringsmiddelen/ophogen). Voor het bepalen van de bergingsopgave, zijn de oppervlaktes gebruikt uit de oppervlaktetekening zoals deze in de waternotitie is opgenomen. Het totale oppervlak van het plangebied bedraagt 46,7 hectare. De woonwijk heeft een oppervlakte van circa 40 hectare en de Bovenweg een oppervlakte van circa 6,7 hectare. In navolgende tabel is de oppervlakteanalyse weergegeven.

Benodigde waterberging De waterbergingsopgave die de toename van verhard oppervlak compenseert, bedraagt daarmee 12.440 m3 (207.347 m2 x 0,06 m).

't Hul Noord

39

Van de totale bergingsopgave is 245 m3 afkomstig van het terrein van de Bovenweg (4.060 m2 x 0,06 m). Deze berging dient binnen het gebied van de Bovenweg gerealiseerd te worden. Aan de bergingsopgave kan voldaan worden door wadi’s aan te leggen. De bergingsopgave van de particuliere verharding dient op particulier terrein gerealiseerd te worden. De gemeente gaat hierbij uit dat 60 mm op particulier terrein wordt opgevangen, dit komt overeen met circa 6.980 m3. De bergingsopgave voor het openbaar terrein betreft circa 5.220 m3. Voor de robuustheid van het watersysteem wordt in dit plan rekening gehouden met circa 30 mm berging van het particulier terrein in het openbare gebied. Hiermee komt de totale bergingsopgave op openbaar terrein op 8.710 m3 en voor particulier terrein op 3.490 m3. Invulling waterberging Om aan de openbare bergingsopgave te voldoen, zijn aan de noordzijde van de woonwijk wadi’s voorzien. In dit stadium is het ontwerp niet concreet genoeg om de precieze invulling van de bergingsopgave uit te werken. Om voldoende berging te realiseren, is een wadi (waterdiepte van 0,3 m) nodig met een oppervlakte van circa 29.040 m2. Voor de herstructurering van de Bovenweg geldt een oppervlakte van circa 1.000 m2. Bij het ontwerp is rekening gehouden met een waterretentiezone van circa 55.000 m2 (inclusief paden, natuur, speelplekken, beek, taluds).

Er is hierbij voldoende zicht op de uitvoerbaarheid met betrekking tot het realiseren van de benodigde hoeveelheid waterberging.

Hulbeek Zoals beschreven in paragraaf 2.2.2, wordt de Hulbeek verlegd en zal door de nieuwe woonwijk stromen. Dit zorgt voor wijzigingen in het bestaande watersysteem en is daarom een belangrijk aandachtspunt voor de ontwikkeling van de wijk. Bovenstrooms ter hoogte van de duiker heeft de Hulbeek een hoger waterpeil dan benedenstrooms nabij de Kolmansweg. Bovenstrooms ter hoogte van de Hullerweg is een stuw nodig om het huidige waterpeil in dit gebied te waarborgen. Conclusie De hoofduitgangspunten van het plan worden uitvoerbaar geacht. Met het plan wordt de Hulbeek weer zichtbaar gemaakt. Het hemelwater in de wijk wordt via bestaande en nieuwe greppels afgevoerd naar de landschapszone aan de noordkant. Hier liggen retentiegebieden om het water te bergen. Er is voldoende ruimte beschikbaar. De precieze invulling van de bergingsopgave vereist nadere uitwerking. Hierover blijft de gemeente in gesprek met Waterschap Vallei en Veluwe. Om te borgen dat er een waterhuishoudkundig plan is voordat er aan werkzaamheden wordt begonnen, is in de regels van dit bestemmingsplan een voorwaardelijke verplichting opgenomen.

40

't Hul Noord

4.3

Ecologie

Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. De Wet natuurbescherming beschermt natuurgebieden, inheemse soorten en bosopstanden in Nederland. Gebiedsbescherming In de Wet natuurbescherming worden de zogenoemde Natura 2000-gebieden beschermd. Natura 2000 is de overkoepelende naam voor gebieden die worden beschermd vanuit de Vogel- en Habitatrichtlijn. Volgens deze Europese richtlijnen moeten lidstaten specifieke diersoorten en hun natuurlijke leefomgeving (habitat) beschermen om de biodiversiteit te behouden. Natura 2000-gebieden kennen een zogenaamde 'externe werking'. Dit betekent dat ontwikkelingen die buiten de begrenzing van de Natura 2000-gebieden gelegen zijn, ook getoetst moeten worden of er significant negatieve effecten optreden op het betreffende gebied. Soortenbescherming Een hoofdstuk in de Wet natuurbescherming regelt de bescherming van de in het wild voorkomende inheemse planten en dieren: de soortenbescherming. De wet richt zich vooral op het in stand houden van populaties van soorten die bescherming behoeven. In de wet zijn algemene en specifieke verboden vastgelegd ten aanzien van beschermde dier- en plantensoorten. Bekeken moet worden in hoeverre ruimtelijke plannen negatieve gevolgen hebben op beschermde dier- en plantensoorten en of er compenserende of mitigerende maatregelen genomen moeten worden.

De wet geeft de mogelijkheid aan provincies om voor een bepaald aantal soorten via een verordening een algemene vrijstelling op bepaalde verbodsbepalingen te geven. Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menige soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is. Planspecifiek Voor het plan zijn twee quick scans flora en fauna uitgevoerd (voor de woonwijk en de herstructurering van de Bovenweg), welke zijn opgenomen in bijlagen 9 en 11. De conclusies hiervan zijn verwerkt in deze paragraaf. Voor de gronden van de Oude Zeeweg 2 is nog geen onderzoek uitgevoerd. In de regels is voor deze locatie een sloopverbod opgenomen, zolang niet met ecologisch onderzoek is aangetoond dat de Wet natuurbescherming niet wordt overtreden. Gebiedsbescherming Het plangebied maakt geen deel uit van een Natura 2000-gebied. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied is de Veluwe op circa 1,5 km afstand. Gezien deze grote afstand en de aard van de ontwikkeling is er op voorhand geen sprake van negatieve effecten wat betreft trillingen, geluid, licht en optische verstoring. Om te bepalen of er sprake is van negatieve effecten wat betreft stikstofdepositie is een voortoets stikstofdepositie uitgevoerd.

Deze is opgenomen in bijlage 13. Hieruit blijkt dat er na intern salderen zowel in de gebruiksfase als de aanlegfase geen sprake is van een bijdrage aan stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden groter dan 0,00 mol/ha/j. Er is daarmee geen sprake van negatieve effecten op Natura 2000-gebied.

't Hul Noord

41

Soortenbescherming In de quick scan voor de woonwijk is geconcludeerd dat aanvullend onderzoek nodig is naar marterachtigen, vleermuizen, roofvogels, uilen en sleedoornpage. Voor marterachtigen geldt dat dit deel van het plangebied mogelijk een functie heeft als vaste rust- en voortplantingsplaats. Voor vleermuizen en uilen heeft dit deelgebied mogelijk een functie als foerageergebied. Voor roofvogels geldt dat ook en kan het deelgebied mogelijk ook een functie hebben als nestlocatie. Voor de sleedoornpage heeft het deelgebied mogelijk een functie als voortplantingsplaats. In het nader ecologisch onderzoek dat is opgenomen in bijlage 10 is geconcludeerd dat de beoogde ingrepen voor marterachtigen, vleermuizen, sleedoornpage, roofvogels, kerkuil en steenuil niet leidt tot overtreding van een verbodsbepaling van de Wet natuurbescherming. Voor vleermuizen is het daarbij van belang dat de groenstructuren in het plangebied grotendeels intact blijven (dit is het geval) en dat lichtverstoring op deze groenstructuren voorkomen moet worden. In een boom op het perceel Kolmansweg 15, aan de rand van het plangebied, is een nestlocatie van de ransuil aangetroffen. Als binnen 50 meter van de nestlocatie niet wordt gebouwd is er geen sprake van verstoring voor de ransuil en is geen ontheffing Wnb nodig.

Om te borgen dat binnen 50 meter van de nestlocatie niet wordt gebouwd is in de regels een bouwverbod opgenomen in deze zone. Van het bouwverbod kan worden afgeweken als aangetoond wordt dat er geen negatieve effecten plaatsvinden voor de ransuil. Voor de Bovenweg is in de quick scan geconcludeerd dat een klein gebied mogelijk een functie als leefgebied heeft voor de sleedoornpage. In het nader onderzoek dat is opgenomen in bijlage 12 is geconcludeerd dat er geen sleedoornpages zijn aangetroffen, er geen sprake is van essentiële waardplanten van de sleedoornpage en dat er voor deze soort geen vergunning aangevraagd hoeft te worden. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van zoogdieren en algemene broedvogels. Voor deze soorten dienen maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen. De te nemen maatregelen zijn opgenomen in het onderzoeksrapport. De uitvoerbaarheid van het plan voor ecologie is hiermee aangetoond.

4.4

Verkeer

Onderdeel van goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogd nieuw project op de verkeersstructuur. Ontsluiting Het plan wordt voor wegverkeer ontsloten vanaf een te realiseren rotonde bij de huidige kruising Kolmansweg/Bovenweg. Vanaf deze rotonde zal de Molenweg niet meer bereikbaar zijn. Daarnaast komt er een knip in de Oude Zeeweg, zodat het verkeer vooral gebruik gaat maken van wegen die geschikt zijn voor de verwachte hoeveelheid verkeer. Ook wordt de Bovenweg gereconstrueerd, zodat er een ontsluitingsweg ontstaat die voldoende capaciteit heeft om het verkeer van voorliggende ontwikkeling te verwerken. Voor wegverkeer wordt dit de enige ontsluiting. In het rapport in bijlage 14 zijn de verkeerskundige effecten van deze reconstructie in beeld gebracht. Voor langzaam verkeer worden er een aantal verbindingen gemaakt: centraal door het plangebied wordt een oud Kerkepad hersteld, aansluitend op een bestaande langzaam verkeersroute. Daarnaast worden nog in ieder geval 3 verbindingen gemaakt tussen de nieuwe woonwijk en de Hullerweg en Oude Zeeweg. De verbinding voor langzaam verkeer in het zuidwesten van de wijk zal ook als calamiteitenontsluiting gebruikt worden, evenals de noordelijke aansluiting van de centraal gelegen verbinding voor langzaam verkeer op de Kolmansweg.

42

't Hul Noord

Verkeersbewegingen Om de effecten van de voorgenomen ontwikkeling op het aantal verkeersbewegingen van en naar het plangebied en op de omliggende wegen te bepalen is een onderzoek uitgevoerd dat is opgenomen in bijlage 15. Hieruit blijkt dat het plan voor de woonwijk leidt tot een externe verkeersgeneratie van 6600 verkeersbewegingen per werkdag en 6006 per weekdag. Het verkeer van en naar de woonwijk rijdt vooral via de Bovenweg richting de Elburgerweg en verder. Daarnaast zal een veel kleiner deel van het verkeer via de Kolmansweg en Waterweg rijden. Parkeren Voor het plan is op basis van een mogelijke invulling van het plangebied een parkeerbalans opgesteld, welke is opgenomen in bijlage 2 (laatste pagina). Voor de parkeernormen is aangesloten bij de parkeernota van de gemeente Nunspeet (2014). Uitgangspunt is dat binnen ieder woonveld de parkeerbehoefte van de daarbinnen gelegen functies wordt opgevangen. Uit de parkeerberekening blijkt dat dit mogelijk is. Direct parkeren aan de hoofdontsluitingsweg is niet toegestaan, en inritten evenmin. Het plan is uitvoerbaar wat betreft verkeer en parkeren.

4.5

Cultuurhistorie en archeologie

In elk bestemmingsplan moet een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden wordt omgegaan. Denk aan aanwezige monumenten, historische gebieden, kenmerkende (straat)beelden en landschapselementen. Bij het maken van plannen kan ook (weer) rekening gehouden worden met al deze elementen die er vroeger wel waren maar nu niet meer. Een bijzonder onderdeel van cultuurhistorie is archeologie. Cultuurhistorie Het belang van cultuurhistorie is wettelijk vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening. Het Besluit geeft aan dat “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” in het bestemmingsplan opgenomen moet worden (art. 3.1.6 lid 5 Bro). Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken. Archeologie De bescherming van archeologische waarden bij ruimtelijke ontwikkelingen is geregeld in de Erfgoedwet. De essentie van de wettelijke bescherming is dat archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem bewaard blijven. Bij ruimtelijke plannen geldt de verplichting om rekening te houden met bekende en te verwachten archeologische waarden.

Indien ingrepen gepaard gaan met een verstoring van de bodem, kan het nodig zijn om nader onderzoek te doen, zodat - waar nodig - de archeologische waarden veiliggesteld kunnen worden en/of het plan aangepast kan worden. De verantwoordelijkheid voor archeologische waarden ligt bij de gemeente. Op basis van artikel 5.10 van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Er geldt een meldingsplicht bij het vinden van (mogelijke) waardevolle zaken. Planspecifiek Cultuurhistorie Algemeen Navolgend worden aan de hand van het vigerende bestemmingsplan en de Erfgoedatlas van de gemeente Nunspeet de relevante cultuurhistorische elementen ter plaatse van het plangebied beschreven. Deze elementen worden vervolgens afzonderlijk toegelicht.

't Hul Noord

43

De volgende afbeelding toont een uitsnede van de Erfgoedatlas van de gemeente Nunspeet. Op de afbeelding is te zien dat het plangebied gelegen is in zones die aangeduid zijn als 'broekontginningen tussen hogere zandgronden', 'bijzondere broekontginning', 'strookkampen' en 'kampontginningen op dekzandrug'. Ter plaatse van het noordwesten van het plangebied ligt een zone met 'zeer veel recreatie of bebouwing'.

Uitsnede erfgoedkaart gemeente Nunspeet oostelijk deel plangebied(bron: Erfgoedatlas)

Tevens zijn in het vigerende bestemmingsplan de dubbelbestemmingen 'Waarde - Randmeerkust' en 'Waarde - Overgangszone' opgenomen ter plaatse van het plangebied. Randmeerkust Op basis van Bijlage 6 bij het vigerende bestemmingsplan 'Buitengebied 2019' geldt voor het gebied 'Randmeerkust' dat de gemeente streeft naar behoud en versterking van het open karakter van het landschap. Nieuwe wegen dienen zich in de bestaande verkavelingsstructuur te voegen en het karakter daarvan te versterken. Voor onderhavig plan is een ruimtelijk-landschappelijk ontwerp (stedenbouwkundige visie, zie 2.2.2) opgesteld, waarbij gemotiveerd is hoe met de openheid is omgegaan. Het realiseren van een woonwijk zorgt ervoor dat de openheid vermindert, maar er wordt wel aangesloten bij de historisch op deze locatie voorkomende groene kamerstructuur. Overgangszone Bijlage 6 bij het vigerende bestemmingsplan beschrijft dat de gemeente ter plaatse van de overgangszone onder meer streeft naar het behouden en versterken van houtwallen, zonder het landschap dicht te zetten. Tevens heeft erfbeplanting een grote invloed op de beleving en kwaliteit van de omgeving. Om die redenen is met het plan sprake van het op plaatsen versterken van bestaande houtwallen, zodat dit passend is bij de beleving en kwaliteit van de omgeving.

Met het plan blijven de kenmerken en kwaliteiten van het landgoederenlandschap en bestaande zichtlijnen richting en vanaf de Zuiderzeestraatweg behouden. Molen(biotoop) Ten noordoosten van het plangebied is Molen de Duif aanwezig. Bij het bepalen van de maximale bouwhoogte van de nieuwe bebouwing dient met de molenbiotoop rekening gehouden te worden. Bij de molenbiotoop van beltmolen De Duif in Nunspeet geldt, dat een bouwhoogte is toegestaan indien de hoogte daarvan lager is dan het niveau van de molenbelt (4.20 meter) over een afstand tot de molen van 100 m. Tussen de 100 en 400 meter afstand van de molen is de uitkomst van navolgende molenbiotoopformule maatgevend: H(x) = x/n+c*z waarin:  H(x) = maximale toelaatbare hoogte van een obstakel op afstand x (in meters)  x = afstand van een obstakel tot de molen (in meters)

44

't Hul Noord

n = een constante, afhankelijk van de ruwheid van de omgeving en de maximaal toelaatbare windreductie. In dit plan is de waarde 50 voor gesloten gebied.  c = een constante, afhankelijk van de maximaal toelaatbare windreductie, gewoonlijk met de waarde 0,2  z = askophoogte (helft van lengte gevlucht + de hoogte van de molenbelt) = 23.00/2 + 4.20 = 15.70 meter In de regels zijn de regels van de molenbiotoop ten aanzien van de maximale bouwhoogte geborgd. De molen betreft een beeldbepalend object. Het betreft een molen die in 1886 is herbouwd. Op de locatie staat al sinds de 17e eeuw een molen. Met voorliggend plan wordt de aanwezigheid van de molen als oriëntatiepunt en het recreatiefeconomisch product versterkt. Rug van Wessinge In de cultuurhistorische atlas van de gemeente Nunspeet komt verder de 'Rug van Wessinge' naar voren. De Rug van Wessinge is een fraai voorbeeld van een lengteduin uit de laatste koude periode, gelegen aan de rand van de Veluwe. De zandrug is met maximaal drie meter opvallend hoog. De rug is 50 tot 250 meter breed en 7 kilometer lang. Door het opbrengen van potstalmest is de rug door boeren in de middeleeuwen en de nieuwe tijd geleidelijk opgehoogd. Naderhand is er echter ook veel zand afgegraven en verkocht, waardoor de rug lang niet overal meer de oorspronkelijke hoogte heeft.

De Rug van Wessinge en andere, meer noordelijk gelegen lengteduinen, bepalen samen met de tussenliggende kommen en beken ook tegenwoordig nog de hoofdstructuur van het lager gelegen landschap ten noordwesten van Nunspeet. Navolgende afbeelding toont de lengteduin Rug van Wessinge met ter plaatse van de pijlen verlagingen door het afgraven van grond. In de stedenbouwkundige visie is rekening gehouden met de cultuurhistorische waarde van de Rug van Wessinge. Het beoogde tracé van de Bovenweg volgt de loop van de Rug van Wessinge en deze blijft daarmee bepalend in het landschap. Aan het tracé worden geen slingerbewegingen toegevoegd die het reliëf van de rug aantasten. Met voorliggend plan wordt voorzichtig omgegaan met het aanbrengen van beplanting. Bebouwing wordt niet toegevoegd. De Rug van Wessinge wordt met voorliggend plan niet aangetast.

Afbeelding Rug van Wessinge

Broekontginningen Ten zuiden van de Rug van Wessinge ligt een broekontginningsgebied met natte grond. Het gebied ligt onder een helling. Er zijn smalle sloten tussen percelen en er is een markante perceelsverdeling in grote blokken en een open en weids karakter. Ooit vormden de onbebouwde broekontginningen met grasland een landschappelijk contrast met de bewoonde dekzandruggen met akkers, boomgaarden en tuinen. Dit contrast is verminderd doordat de broekgebieden deels bebouwd zijn geraakt en er nu ook akkerland voorkomt. De variatie aan percelen blijft met voorliggend plan behouden. Tevens is met het plan nog altijd sprake van voldoende contrast met de Rug van Wessinge.

't Hul Noord

45

Strookkampen In het zuidwesten van het plangebied bestaat het landschap uit zogenaamde strookkampen. Hier ontstond een lint met boerderijen, die op min of meer regelmatige afstand van elkaar lagen/liggen. Op de perceelsgrenzen lagen brede houtsingels of bosstroken met hakhout. Het landschap is kleinschalig en besloten, met behalve akkers, ook tuinen, weilanden en erven. Tegenwoordig is dit landschap nog steeds te herkennen. De bestaande lintbebouwing langs de wegen blijft met het plan behouden en wordt op een aantal plekken verder bebouwd. De bestaande houtwallenstructuur wordt aangevuld. Historische wegen Veel historische wegen in Nunspeet dateren uit de 19e en 20e eeuw. Veel wegen waren lokaal van aard, maar de gemeente Nunspeet was ook een schakel in het nationale verkeersnetwerk dat het westen van Nederland verbond met de steden aan de IJssel en Duitsland. Sommige oude verbindingwegen zijn tegenwoordig geasfalteerde verkeerswegen, waaronder ook de wegen die 't Hul Noord omkaderen en het tracé van de Bovenweg. Op de cultuurhistorische kaart is te zien dat dit wegen betreft die bestonden voor 1832. Met onderhavige ontwikkeling blijft deze historische structuur ten noorden van Nunspeet behouden. Conclusie Verder zijn er in of rondom het plangebied geen cultuurhistorische waarden (rijks- of gemeentelijke monumenten) aanwezig die van belang zijn voor het plan.

Gelet op het voorgaande zijn er geen belemmeringen vanuit cultuurhistorie ten aanzien van het plan. Archeologie In het plangebied is op basis van de archeologische waarden- en verwachtingenkaart 2010 van de gemeente voornamelijk sprake van een lage archeologische verwachting. Binnen een gebied met een lage verwachting is geen archeologisch onderzoek nodig. Midden in het plangebied loopt een zone waar sprake is van een middelmatige archeologische verwachting. Hierbinnen geldt dat onderzoek nodig is bij het realiseren van bebouwing groter dan 500 m² en dieper dan 0,5 meter of bij andere bodemingrepen groter dan 2.500 m² en dieper dan 0,5 m. Daarnaast liggen er enkele zoneringen van archeologische monumenten in het plangebied. Op die locaties is onderzoek nodig bij het realiseren van bebouwing groter dan 120 m² en dieper dan 0,5 meter of bij andere bodemingrepen groter dan 2.500 m² en dieper dan 0,5 m. In de zuidwestelijke punt van het plangebied is sprake van een middelhoge archeologische verwachting met conserverend dek. Hiervoor geldt hetzelfde beschermingsniveau als binnen de zoneringen van archeologische monumenten. In het bestemmingsplan worden de geldende dubbelbestemmingen voor archeologie overgenomen. Zo nodig wordt archeologisch onderzoek uitgevoerd in de vergunningsfase.

46

't Hul Noord

Uitsnede Archeologische waarden- en verwachtingskaart 2010 westelijk deel plangebied

Uitsnede Archeologische waarden- en verwachtingskaart 2010 oostelijk deel plangebied

't Hul Noord

47

Uitsnede legenda Archeologische waarden- en verwachtingskaart 2010 Het plan is uitvoerbaar met betrekking tot cultuurhistorie en archeologie.

4.6

Klimaatadaptatie

Het klimaat verandert en steeds vaker worden we geconfronteerd met de gevolgen, zoals hitte, droogte, extreme neerslag en overstromingen. Klimaatverandering is in een vergaand stadium en de effecten en risico’s voor onze samenleving worden steeds groter. Aan de ene kant moeten we de uitstoot van broeikasgassen verminderen, zodat de opwarming beperkt blijft. Aan de andere kant is het noodzakelijk om ons als samenleving aan te passen en voor te bereiden op de reeds ingezette klimaatveranderingen en de gevolgen daarvan. Niet alleen om schade te beperken, maar ook om kansen te benutten. De nationale opgave voor klimaatadaptatie is beschreven in het Bestuursakkoord Klimaatadaptatie en het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie met daarin een prominente rol voor gemeenten. Lokale gevoeligheden voor klimaatverandering moeten in kaart worden gebracht en als integraal onderdeel van beleid daadkrachtig worden aangepakt. Daarbij is het van belang zowel te kijken naar aanpassingen aan de bestaande openbare ruimte als naar nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Planspecifiek Op basis van de (kaart)gegevens van de Klimaateffectatlas en atlasleefomgeving.nl zijn voor het plangebied de risico's met betrekking tot klimaatverandering vastgesteld.

48

't Hul Noord

Wateroverlast Uit de kaartbeelden die horen bij het onderdeel wateroverlast is op te maken dat ter plaatse van het plangebied enige plasvorming wordt verwacht na een hevige bui (70-140 mm/2 uur). Deze plasvorming bevindt zich onder meer naast bestaande wegen, omdat hemelwater van de weg stroomt. In de toekomstige situatie zijn er in het plangebied overal greppels toegepast dat het hemelwater opvangt en deels afvoerd naar het noorden. Hier zijn retentiegebieden opgenomen om het water geleidelijk de grond in te laten zakken. Indien nodig kan het water uiteindelijk ook via watergangen worden afgevoerd. Het gebied zal ook voldoende drooglegging krijgen door het deels op te hogen. Ten opzichte van omliggende en bestaande woonkavels wordt zorgvuldig gekeken naar de aanslutingen zodat er geen wateroverlast ontstaat door bijvoorbeeld het toevoegen van groenstroken/greppels. Hittestress Uit de kaartbeelden die horen bij het onderdeel hittestress is op te maken dat voor het plangebied de gevoelstemperatuur hoger kan liggen dan in de huidige situatie. Binnen het plangebied worden middels het toevoegen van groen koelteplaatsen gerealiseerd. De groenstructuur is een belangrijke drager van het plan. De geplande nieuwbouw is goed geïsoleerd conform de huidige normen uit het Bouwbesluit.

Daarmee zijn de woningen ook minder gevoelig voor opwarming wat relevant is voor warmte in de nachtelijke periode. Ook helpt de hoeveelheid groen en bomen voor schaduwwerking. Droogte Het plangebied kent een lage gevoeligheid voor droogtestress. Met het plan wordt voldoende hemelwaterberging gerealiseerd (zie paragraaf 4.2). Er wordt zoveel mogelijk water vastgehouden en hergebruikt in het gebied voor de beplanting. Overstroming en waterveiligheid De bijbehorende kaartbeelden laten zien dat het plangebied niet in de nabijheid van grote rivieren of keringen ligt. Voor het plangebied zijn er geen overstromingsrisico's in het geval een dijk bezwijkt. Het plan is uitvoerbaar met betrekking tot klimaatadaptatie.

4.7

Economische uitvoerbaarheid

Bij het opstellen van een nieuw bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6, eerste lid, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening onderzoek plaats te vinden naar de economische uitvoerbaarheid van het plan. In onderhavig plan wordt de ontwikkeling van een nieuwe woonwijk voorzien. De gemeente voert een actieve grondpolitiek om de gronden te verwerven en tot ontwikkeling te brengen. De gemeente opent bij het vaststellen van het bestemmingsplan een grondexploitatie. De financiële doorrekening met daarin alle kosten en opbrengsten die voortvloeien uit de ontwikkeling van het bestemmingsplan laat een negatief resultaat zien. Dit negatieve resultaat dekt de gemeente af door een verliesvoorziening, welke deels wordt gedekt vanuit de reserve grondexploitatie, deels uit de reserve grote projecten en deels uit de algemene reserve. Hiermee is het verlies gedekt waarmee de economisch uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan is gewaarborgd. Bij de vaststelling van het bestemmingsplan beschikt de gemeente niet over alle eigendommen in het bestemmingsplangebied waarop aangewezen bouwplannen als bedoeld in artikel 6.2.1 Bro kunnen worden gerealiseerd. Ook is er geen sprake van de situatie dat met deze eigenaren een anterieure overeenkomst over grondexploitatie is gesloten, waarbij afspraken zijn gemaakt over de toepassing van de wettelijke kostenverhaalsplicht.

Gezien de wettelijke kostenverhaalsplicht, zoals bedoeld in artikel 6.12 Wro, wordt voorzien in de vaststelling van een exploitatieplan.

't Hul Noord

49

De in het exploitatieplan opgenomen exploitatieopzet kan worden aangemerkt als een juridisch rekenmodel voor de uitvoering van de wettelijke kostenverhaalsplicht. De kostenverhaalsexploitatieopzet van een exploitatieplan geeft in beginsel geen inzicht in de economische uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. Uit de exploitatieopzet van het exploitatieplan blijkt dat sprake is van een tekort in de macro-aftopping, wat betekent dat de verhaalbare kosten niet volledig kunnen worden verhaald. De verliesvoorziening ter afdekking van het verlies van de gemeentelijke grondexploitatie kan tevens worden aangemerkt als dekking voor het tekort uit de macro-aftopping van het exploitatieplan. De hoogte van het tekort in de macro-aftopping is bij vaststelling van het exploitatieplan groter dan het verwachte verlies van de gemeentelijke grondexploitatie. De algemene reserve heeft een voldoende omvang om het verschil tussen de hoogte van de verliesvoorziening en de omvang van het tekort in de macro-aftopping op te vangen. Het toekomstige resultaat van zowel de gemeentelijke grondexploitatie als de omvang van het resultaat van de macro-aftopping in het exploitatieplan kan muteren. De reserve grondexploitatie, de reserve grote projecten en de algemene reserve hebben voldoende omvang om eventuele toekomstige negatieve mutaties in de verliesvoorziening en de macroaftopping op te vangen.

Als door de mutaties de verliesvoorziening moet worden opgehoogd en of een groter deel van de algemene reserve moet worden aangewend voor een tekort in de macro-aftopping van het exploitatieplan en de omvang van de algemene reserve hiervoor onvoldoende is, dan zal de uitvoering van het plan 't Hul Noord de voorkeur genieten boven eventuele andere investeringen waarvoor (gedeeltelijke) dekking uit de algemene reserve nodig is, zodat de omvang van de algemene reserve van afdoende omvang is om het eventuele aanvullende deel voor de macro-aftopping af te dekken. Door het gemeentebestuur is voor het project 'Hul Noord een uitkering ingevolge het Besluit Woningbouwimpuls 2020 aangevraagd.

50

't Hul Noord

Hoofdstuk 5 5.1

Juridische planbeschrijving

Algemeen

Het bestemmingsplan is opgezet volgens de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP 2012). Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar is wel een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan dit plan ten grondslag liggen. De toelichting is van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing. Daarnaast maken ook eventuele bijlagen onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan. Verbeelding De verbeelding is een digitale kaart, waarop bestemmingen en aanduidingen zijn weergegeven. Aanduidingen worden gebruikt om bepaalde zaken specifieker te regelen, bijvoorbeeld in de vorm van gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken, functieaanduidingen etc. Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaart en/of kadastrale kaart).

Daar waar een verschil is tussen de digitale en de analoge verbeelding, is de digitale versie leidend. Regels De planregels zijn standaard onderverdeeld in vier hoofdstukken.  Hoofdstuk I : Inleidende regels, deze bevatten de begrippen en wijze van meten;  Hoofdstuk II: Bestemmingsregels, dit zijn de verschillende bestemmingen op alfabetische volgorde. De regels bevatten een bestemmingsomschrijving en regels voor het bouwen en het gebruik.  Hoofdstuk III: Algemene regels, dit zijn regels die gelden voor alle bestemmingen. Dit zijn onder meer (mogelijke) flexibiliteitsbepalingen in de vorm van wijzigings- en afwijkingsbevoegdheden.  Hoofdstuk IV: Overgangs- en slotbepalingen.

5.2

Wijze van bestemmen

Voorliggend bestemmingsplan bevat de volgende bestemmingen: Groen De groenstructuur binnen de nieuwe woonwijk en de landschapszone krijgt deze bestemming. Het realiseren van de groenstructuur en de landschapszone (beide aangeduid op de verbeelding) is met een voorwaardelijke verplichting geborgd. Maatschappelijk Deze bestemming is opgenomen met het oog op de te realiseren school. Het opgenomen bebouwingspercentage zorgt ervoor dat niet het hele bouwvlak bebouwd wordt. Verkeer Deze bestemming is opgenomen voor het nieuwe tracé van de Bovenweg en voor de gebiedsontsluitingsweg binnen de nieuwe woonwijk. Water De nieuwe watergang heeft de bestemming Water gekregen. Het realiseren van de watergang (aangeduid op de verbeelding) is met een voorwaardelijke verplichting geborgd.

't Hul Noord

51

Woongebied Binnen deze bestemming komen de woonvelden te liggen met woningen, tuinen, groen, parkeerplaatsen en wegen. Het aantal woningen voor het gehele plan is in de regels vastgelegd op 750. Per woonveld is een minimum en maximum aantal woningen bepaald. Als de maxima van alle woonvelden worden opgeteld komt men tot 750. Per deelgebied (aangeduid op de verbeelding) is de verdeling in woningtypologieën vastgelegd en voor het totaal ook de prijssegementen: sociale en middeldure huur, sociale koop en voor PO-kavels (particulier opdrachtgeverschap). In twee van de woonvelden (aangeduid als 'specifieke vorm van woongebied - buurtfuncties') zijn ook buurtfuncties mogelijk en is een hogere goot- en bouwhoogte toegestaan dan in de overige woonvelden. Daarnaast zijn er woonvelden aangeduid als 'specifieke vorm van woongebied - landschappelijk woonveld' en 'specifieke vorm van woongebied - lint', waarbinnen (evenals binnen 'specifieke vorm van woongebied buurtfuncties') met een afwijkingsbevoegdheid een andere afstand tot de voorste of achterste perceelsgrens kan worden aangehouden dan in de reguliere woonvelden. Binnen deze bestemming is een voorwaardelijke verplichting opgenomen waarin de instandhouding van de hoofdstructuur van het plan (groenstructuur, landschapszone en watergang, langzaam verkeer) is geborgd evenals de herstructurering van de Bovenweg.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13929722/1