Vinkenhofjes - Bijlage Toelichting
Tekst van het document
48/95
Hoofdstuk 4 4.1
Omgevingsaspecten
Waterhuishouding
4.1.1 Beleid en normstelling Beleid Waterschap De Dommel Waterbeheerprogramma 2022-2027 Het plangebied valt binnen het beheersgebied van Waterschap De Dommel. Het waterbeleid van Waterschap De Dommel is neergelegd in het Waterbeheerprogramma 2022-2027 'Water als basis voor een toekomstbestendige leefomgeving'. Het Waterbeheerprogramma schetst de visie en ambities van het waterschap voor de lange termijn (2050). Dit Waterbeheerprogramma is een echte koersverandering van het waterschap. Waterschap De Dommel is op een andere manier gaan denken over omgaan met water. Dat is nodig om goed in te kunnen spelen op de veranderingen in ons klimaat en in onze omgeving. In 2050 wil Waterschap De Dommel een leefomgeving die klaar is voor de toekomst en een watersysteem dat daarbij past. Dat laatste wil zeggen; een waterhuishouding die robuust, flexibel en in balans is met de natuur en de omgeving én zorgt voor een goede waterkwaliteit. Het klimaat verandert, daardoor is het watersysteem van Midden-Brabant kwetsbaar geworden. Daarbij speelt mee dat het weer extremer wordt, de vraag naar ruimte toeneemt en er meer (grond)water wordt verbruikt. Bovendien is ons water, ondanks alle inspanningen, nog steeds niet schoon genoeg. Daarnaast zijn er ook andere uitdagingen in de leefomgeving. Denk aan natuurherstel, de energie- en landbouwtransitie en de woningbouwopgave.
Het watersysteem speelt een cruciale rol in ál deze uitdagingen. Keur Middels de Keur van Waterschap De Dommel is bepaald bij welke ontwikkelingen mitigerende maatregen getroffen moeten worden. De Keur schrijft sinds begin 2021 voor dat voor een toename van minder dan 500 m² verhard oppervlak geen mitigerende maatregelen nodig zijn. Deze mitigerende maatregelen zijn wel van toepassing bij elke toename van het verhard oppervlak, indien de locatie is gelegen in een keurbeschermingsgebied. Waterplan Nuenen Het waterbeleid van de gemeente Nuenen c.a. is vastgelegd in het Waterplan Nuenen middels een aantal basisprincipes: zo weinig mogelijk waterverontreiniging; op natuurlijke wijze reinigen voordat het de beken en rivieren in stroomt als er toch waterverontreiniging voorkomt; beken behoeden voor te grote toe stroom van neerslag in korte tijd. Dit betekent dat binnen en in de directe nabijheid van de stad en de dorpen het (regen)water moet worden geïnfiltreerd en tijdelijk worden geborgen (vasthouden), uiteraard zonder te zorgen voor overlast of schade. Uitgangspunt in het huidige beleid van gemeente is dat planontwikkeling moet aansluiten bij een duurzaam
49/95
integraal waterbeheer. Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan (vGRP) In het gemeentelijk rioleringsplan 2019 – 2023 is vastgelegd dat, om wateroverlast te voorkomen, aan de volgende zaken aandacht wordt geschonken: Bij nieuwbouw klimaatbestendig ontwerpen: bij de dimensionering van de riolering wordt gerekend met extremere buien. Daarnaast wordt ingezet op voldoende ruimte voor water en zo mogelijk zorgen dat het regenwater bij overbelasting van het rioolstelsel over het maaiveld kan afstromen naar oppervlaktewater en nergens kelders of laaggelegen woningen en winkels kan instromen. Vloerpeilen van woningen en bedrijven liggen voldoende hoog boven het peil van de weg. Aanleg van regenwaterstructuren op het moment dat in het bestaande stelsel de riolering vervangen moet worden. Kan dit niet, dan wordt ingezet op het vervangen van buizen in bestaande rioolstelsels door grotere diameters om zwaardere buien beter op te vangen. Bij bestaande stelsels dienen knelpunten, waar nu al water-op-straat of wateroverlast optreedt bij hevige buien, te worden aangepakt. Bij voorkeur door het regenwater over het maaiveld naar lager gelegen delen te leiden waar het water geen schade aanricht. De aanvoer van afstromend hemelwater van percelen naar het gemeentelijke riool is groter wanneer tuinen volledig bestraat zijn.
Door groen op eigen terrein kan water worden vastgehouden (sponswerking van de ondergrond) en wordt het gemeentelijke riool minder belast. Door voorlichting en communicatie wil de gemeente het afkoppelen van verhard oppervlak bij particulieren stimuleren en ook de steeds verdergaande verharding van tuinen tegengaan. Doorgaan met het afkoppelen van verhard oppervlak van gemengde rioolstelsels om zo de belasting van het rioolstelsel door zwaardere buien op te heffen, is ook een goed alternatief. Voorwaarde is wel dat de afkoppelsystemen klimaatbestendig worden ontworpen en niet zelf voor overbelasting en overlast zorgen. Bij nieuwbouw mag het hemelwater niet worden aangesloten op het vuilwaterstelsel. De gemeente Nuenen c.a. zorgt voor het inzamelen en verwerken van afvloeiend hemelwater, wanneer dit doelmatig is en het niet redelijkerwijs verwacht kan worden van dat de initiatiefnemer het hemelwater zelf verwerkt. De doelmatigheid en de redelijkheid is afhankelijk van: de ligging in stedelijk dan wel landelijk gebied; de mogelijkheden voor infiltratie van hemelwater; de grootte van de percelen; de aanwezigheid van een regenwaterriool op straat; de nabijheid van oppervlaktewater. Infiltratie van hemelwater in de bodem wordt verondersteld mogelijk te zijn als de bodem voldoende doorlaatbaar is (>1 m/d) en de grondwaterstand voldoende laag is ( > 1,2 m – mv).
Bij een toename en afkoppeling van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. In principe dient er 60 millimeter retentie gerealiseerd te worden (600 m³ per hectare verhard oppervlak). Als hemelwater op eigen terrein verwerkt wordt ligt hier geen zorgtaak voor de gemeente. Als decentrale voorzieningen niet doelmatig zijn en bodeminfiltratie en/of lozing op oppervlaktewater niet mogelijk is, dan ontvangt de gemeente het afstromende hemelwater en verwerken van afvloeiend hemelwater. In dit geval wordt een bedrag in rekening gebracht per m³ die niet op eigen terrein geborgen kan worden. De hoogte van de bijdrage bedraagt momenteel €200 euro per m³.
50/95
4.1.2 Onderzoek Huidige situatie Het plangebied in de huidige situatie bestaat uit 5 woongebouwen met daartussen parkeerterreinen aan de Vinkenlaan. De rest van het maaiveld bestaat uit groenvoorziening en paden. Bodem en grondwater Het plangebied maakt geen deel uit van een waterwingebied of een grondwaterbeschermingsgebied. Vanwege de ligging in de bebouwde kom is het plangebied niet gekarteerd. Volgens de Bodemkaart van Nederland bestaat de grond in de omgeving van het plangebied uit hoge zwarte enkeerdgronden; leemarm en zwak lemig fijn zand. Het maaiveld bevindt zich op circa 18,2 meter +NAP. Waterkwantiteit
Figuur 4.1: Oppervlakte verharding huidige situatie (bron: De Loods) De huidige verharding van het plangebied is (4.610, 3 m2 bestrating + 3.579,9 m2 bebouwing =) 8.190,2 m2. Oppervlaktewater In en rond het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig, zie figuur 4.1. Het plan zal geen invloed hebben op de oppervlaktewaterstanden in de omgeving door de beperkte schaal.
51/95
Figuur 4.2: Uitsnede Vastgestelde Legger Waterstaatswerken 2021 Waterschap De Dommel, plangebied rood omkaderd Regenwater Het regenwater dat op daken en verhardingen valt, stroomt afgekoppeld het gebied in. Voor de afvoer van hemelwater geldt het hiervoor beschreven uitgangspunt 'hydrologisch neutraal bouwen'. Dit houdt in dat het hemelwater dat op daken en verhardingen valt, niet versneld mag worden afgevoerd naar oppervlaktewater. Veiligheid en waterkeringen Het plangebied bevindt zich niet in de kern- of beschermingszone van een waterkering. Watersysteemkwaliteit en ecologie Binnen het plangebied of in de nabije omgeving liggen geen oppervlaktewaterlichamen die zijn aangewezen vanuit de Kaderrichtlijn Water. Er bevinden zich ook geen natte ecologische verbindingszone zoals opgenomen in het (provinciale) Natuurnetwerk Nederland binnen of in de nabijheid van het plangebied. Afvalwaterketen en riolering Momenteel is het plangebied deels bebouwd en aangesloten op de het gemeentelijke rioolsysteem. Afvalwater Bij de realisatie van de woningen komt afvalwater vrij. Dit afvalwater kan worden aangesloten op het nabij gelegen vuilwaterriool dat onderdeel uitmaakt van het verbeterd gescheiden rioolstelsel.
52/95
Toekomstige situatie In de toekomstige situatie zullen er 137 sociale huurappartementen gerealiseerd worden. Bodem en grondwater Uit het bodemonderzoek (Bijlage 5) blijkt dat de bodem voornamelijk is opgebouwd uit leemarm en zwak lemig fijn zand. Uit de Klimaateffectatlas blijkt dat de Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand (GHG) gemiddeld 2 meter onder maaiveld ligt. De betekent dat er voldoende infiltratiecapaciteit is. De beoogde ontwikkeling heeft verder geen gevolgen voor bodem en grondwater. Waterkwantiteit Gezien er nieuwbouw gerealiseerd gaat worden stelt het bevoegd gezag dat dit op hydrologisch neutrale manier ontwikkeld dient te worden en er eveneens compenserende voorzieningen dienen te worden gerealiseerd. Voor het toekomstige verhard oppervlak wordt de vereiste compensatie berekend door het toekomstige verhard oppervlak (m2) te vermenigvuldigen met een waterschijf van 60 millimeter (0,06 meter) en met de plaatselijke gevoeligheidsfactor (1). Dit komt neer op 600 m3 per hectare verhard oppervlak. Daaruit volgt de omvang van de vereiste compensatie in kubieke meters (m3).
Bebouwing (grijs) Parkeerterrein verhard (blauw) Wandelpaden halfverhard Pad entree verhard Parkeerterrein halfverhard (geel) Parkeerterrein-gereserveerd* (oranje) Onverhard buitenterrein (groen) Figuur 4.3: Oppervlakte verharding in beoogde situatie (bron: De Loods)
3.410,5 m2 1.059,2 m2 680 m2 300 m2 800,5 m2 544 m2 6.707,7 m2
* In de huidige situatie wordt het parkeerterrein-gereserveerd onverhard uitgevoerd. In de toekomst zouden deze parkeerplaatsen, indien nodig voor de parkeerbehoefte, wel verhard kunnen worden. In onderstaande berekening is daarom uitgegaan van een worst-case scenario waarin deze parkeerplaatsen ook halfverhard of verhard zullen zijn.
53/95
In de toekomstige situatie is het verhard oppervlak: 3.410,5 m2 bebouwing + 1.059,2 m2 verhard parkeerterrein + (800,5 m2 + 544 m2 =) 1.357 m2 half verhard parkeerterrein + 980 m2 wandelpaden = 6.806,7 m2. Als de gereserveerde parkeerterreinen die in eerste instantie groen en onverhard worden uitgevoerd niet worden meegerekend, is het verhard oppervlakte 6.806,7 m2 - 544 m2 = 6.262,7 m2. Ten opzichte van de huidige situatie is dit een afname van (8.190,2 m2 - 6.806,7 m2 =) 1.383,5 m2. Bij nieuwbouw mag het hemelwater niet worden aangesloten op het vuilwaterstelsel. Bij een toename en afkoppeling van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. In principe dient er 60 millimeter retentie gerealiseerd te worden (600 m³ per hectare verhard oppervlak). De waterbergingsopgave bedraagt worst-case: 6.806,7 m2 x 0,06 meter = 408,4 m3. Op de tekening in figuur 4.3 staan indicatief 2 wadi's ingetekend. Wadi’s hebben als doel neerslag afkomstig van de gescheiden rioolstelsel tijdelijk te bergen en vertraagd af te voeren naar oppervlaktewater of in de bodem. De definitieve waterbergingsvoorziening kan in de uitvoeringsfase richting de bouwvergunningsaanvraag concreet uitgewerkt worden. Er is meer dan genoeg ruimte voor waterberging middels infiltratieriool en wadi's in de openbare ruimte.
Er kan dan ook de aansluiting worden gezocht op de toekomstige regenwaterstructuur. Watersysteemkwaliteit en ecologie Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem is het van belang gedurende de aanlegfase om duurzame, niet-uitloogbare materialen te gebruiken. Veiligheid en waterkeringen De in dit bestemmingsplan mogelijk gemaakte ontwikkeling heeft geen negatieve invloed op de waterveiligheid in de omgeving. Deze vallen ook niet in het plangebied. Regenwater In het plangebied komt 6.557,4 m2 groen terug. Dit is voldoende ruimte voor de opvang van hemelwater. In de regels bij onderhavig plan is voorts een algemene gebruiksbepaling opgenomen die stelt dat bij de aanleg van nieuw verhard oppervlak of bij vervanging van bestaand verhard oppervlak er voldoende waterberging dient te worden gerealiseerd conform het gemeentelijk beleid, het waterschapsbeleid en de Keur (Waterschapsverordening onder de Omgevingswet). Er kan dan ook de aansluiting worden gezocht op de toekomstige regenwaterstructuur. 4.1.3 Conclusie Bij de uitwerking van de inrichting dient rekening gehouden te worden met het beleid van Waterschap De Dommel en de gemeente Nuenen c.a.. Middels een infiltratieriool en wadi's kan binnen het plangebied worden voldaan aan de waterbergingsopgave. Bij de bouwvergunningsaanvraag zal de waterberging concreet worden uitgewerkt.
De realisatie van voldoende waterberging is als algemene gebruiksbepaling vastgelegd in de regels van onderhavig plan.
54/95
4.2
Verkeersaspecten
4.2.1 Beleid en normstelling Op het gebied van verkeer en vervoer bestaat geen specifieke wetgeving die relevant is voor de voorgenomen activiteit. Wel dient in het kader van het ruimtelijk plan dat de activiteit mogelijk maakt, te worden onderbouwd dat het geheel voldoet aan een goede ruimtelijke ordening. Dit houdt onder meer in dat er voldoende parkeergelegenheid aanwezig dient te zijn en de eventuele verkeerstoename niet leidt tot knelpunten in de verkeersafwikkeling. De parkeerbehoefte wordt berekend op basis van het geldende bestemmingsplan. Daarin zijn de parkeernormen conform de CROW-publicatie 381 opgenomen. Voor het te hanteren kencijfer / parkeernorm wordt een ligging in het 'rest bebouwde kom' aangehouden, de gemeente Nuenen heeft een 'matig stedelijk karakter' op basis van de adressendichtheid van het CBS. 4.2.2 Onderzoek 4.2.2.1 Ontsluiting Gemotoriseerd verkeer De beoogde ontwikkeling wordt ontsloten op de Vinkenlaan, een erftoegangsweg met een maximum snelheid van 30 km/u. In noordelijke richting eindigt de Vinkenlaan op de Wielewaallaan, vanaf waar het gemotoriseerde verkeer via de Refeling wordt afgewikkeld op de Europalaan. Zowel de Wielewaallaan als de Refeling zijn ingericht als erftoegangswegen, met een maximumsnelheid van 30 km/u. De Europalaan is ingericht als een gebiedsontsluitingsweg met een maximumsnelheid van 50 km/u.
In westelijke richting loopt de Europalaan buiten de bebouwde kom over in de Sterrenlaan richting Eindhoven, terwijl in oostelijke richting de Europalaan eindigt op de kruising met de Smits van Oyenlaan. De Smits van Oyenlaan is een gebiedsontsluitingsweg met een maximumsnelheid van 50 km/u. In noordelijke richting leidt de Smits van Oyenlaan naar de kernen Gerwen, Lieshout en Beek en Donk. In zuidelijke richting leidt de Smits van Oyenlaan naar de aansluiting op de A270, tussen Eindhoven en Helmond. Langzaam verkeer Op de wegen rondom het plangebied zijn aan weerzijden van de weg trottoirs aanwezig voor voetgangers. Voor fietsers zijn geen aparte voorzieningen gerealiseerd, waardoor fietsers de rijbaan moeten delen met het gemotoriseerde verkeer. Openbaar vervoer De dichtstbijzijnde openbaar vervoer halte is gelegen op circa 400 meter loopafstand vanaf het plangebied aan de Refeling. Vanaf deze halte kan gebruik worden gemaakt van buslijn 6, richting Nuenen Oost, met een frequentie van 30 minuten. De eerstvolgende halte ligt op circa 450 meter loopafstand van het plangebied aan de Europalaan. Vanaf deze halte kan gebruik worden gemaakt van buslijnen 260, tussen Geldrop en Best, en buslijn 322, tussen Eindhoven en Uden via Gemert.
55/95
4.2.2.2 Parkeren Voor het bepalen van de parkeerbehoefte van het plangebied en de manier waarop deze parkeerbehoefte kan worden opgevangen is een aanvullend parkeeronderzoek uitgevoerd. In het 'Parkeeronderzoek Vinkenhofjes' is op basis van de geldende parkeernormen een parkeerbalans opgesteld. Vervolgens is met behulp van een parkeerdrukmeting in het omliggende gebied bepaald in welke mate de parkeergelegenheid in de openbare ruimte kan worden ingezet om de parkeerbehoefte van de bezoekers op te vangen. Dit onderzoek is terug te vinden in Bijlage 3. Uit de resultaten van het parkeeronderzoek (Bijlage 3) volgt dat het bezoekersparkeren niet kan worden opgevangen in de openbare ruimte en dus volledig op eigen terrein dient te worden opgelost. Hiervan is alleen sprake op de werkdag avond. Er dienen op dat moment 48 parkeerplaatsen op eigen terrein beschikbaar te zijn en gerealiseerd te worden voor het bezoek. Voor de bewoners geldt dat conform de afspraken met de gemeente 0,5 parkeerplaatsen per woning normatief op eigen terrein moeten worden gerealiseerd. Dit komt neer op de realisatie van 34,2 parkeerplaatsen op het maatgevende moment. In totaal dienen er op eigen terrein ten minste afgerond 83 parkeerplaatsen (48 + 34,2) te worden gerealiseerd. Verder dient er ruimte te worden gereserveerd op eigen terrein van 0,6 parkeerplaats per woning voor de bewoners.
Op het maatgevende moment komt dit neer op afgerond 46 parkeerplaatsen. Dit betreft uitsluitend een ruimtereservering. Van belang is wel dat de parkeerplaatsen net als in de bestaande situatie openbaar toegankelijk zijn, zodat er dubbelgebruik mogelijk is tussen bewoners en bezoekers. Tabel 4.1: Totaal te realiseren Bezoekers -realiseren Bewoners - realiseren Totaal realiseren
48 34,2 82,2 (afgerond 83)
Tabel 4.2: Totaal reserveren Bewoners - reserveren Totaal realiseren
45,6 45,6 (afgerond 46)
Voor een uitgebreide toelichting op bovenstaande cijfers wordt verwezen naar het Parkeeronderzoek in Bijlage 3. In de beoogde situatie is plaats voor 129 parkeerplaatsen, waarvan er tenminste 83 dienen te worden gerealiseerd en het restant dient te worden gereserveerd, zie toelichting in paragraaf 2.2 en figuur 2.13. Hiermee wordt voldaan uit de parkeerbehoefte. Mocht blijken dat na oplevering op basis van klachten en daardoor via nieuw parkeerdrukonderzoek de parkeerdruk te hoog is, worden deze gereserveerde parkeerplaatsen aanvullend uitgevoerd. Dat geldt ook als de beoogde parkeerplaatsen niet gerealiseerd kunnen worden vanwege de bomen.
56/95
4.2.2.3 Verkeersgeneratie Met kencijfers van CROW publicatie 381 kan voor verschillende functies de verkeersgeneratie bepaald worden. Voor deze ontwikkeling wordt wederom gekeken naar de kencijfers behorend bij 'rest bebouwde kom' en 'matig stedelijk' en wordt het gemiddelde van de bandbreedte gehanteerd. In de bestaande situatie zijn binnen het plangebied 61 sociale huur appartementen aanwezig. Conform het plan zullen de bestaande appartementen worden gesloopt en worden vervangen met 137 sociale huur appartementen. Voor het bepalen van de verkeerstoename ten gevolge van de beoogde ontwikkeling dient daarom de verkeersgeneratie van de bestaande functies gesaldeerd te worden op de verkeersgeneratie in de toekomstige situatie. Met behulp van de CROW-kencijfers zijn de weekdagintensiteiten berekend, terwijl voor het beoordelen van de verkeersafwikkeling de werkdagintensiteiten maatgevend zijn. Voor het omrekenen van weekdagintensiteiten naar werkdagintensiteiten wordt conform CROW publicatie 381 voor woonfuncties een omrekenfactor van 1,11 gehanteerd. In tabel 4.3 is de verkeerstoename ten gevolge van de planontwikkeling berekend. Tabel 4.3: Berekening van de huidige en toekomstige verkeersgeneratie Bestaande situatie Functie Aantal Kencijfer Weekdag (mvt/etmaal) Huur, appartement, 61 appartementen 3,6 per woning 219,6 midden/goedkoop (incl.
sociale huur) Toekomstige situatie Functie Aantal Kencijfer Weekdag (mvt/etmaal) Huur, appartement, 137 appartementen 3,6 per woning 493,2 midden/goedkoop (incl. sociale huur) Verkeerstoename 273.6 mvt/etmaal (beoogd – bestaand)
Werkdag (mvt/etmaal) 243,8
Werkdag 547,5
303,7 mvt/etmaal
Ten opzichte van de bestaande situatie zal de beoogde ontwikkeling zorgen voor een verkeerstoename van 273,6 mvt/etmaal gedurende een gemiddelde weekdag. Omgerekend naar werkdagintensiteiten komt dit neer op een verkeerstoename van 303,7 mvt/etmaal. Verkeersafwikkeling Voor het beoordelen van de verkeersafwikkeling van de beoogde ontwikkeling dient gekeken te worden naar de verkeertoename gedurende het maatgevende uur van de werkdag, waarin doorgaans 10% van de etmaalintensiteit wordt afgewikkeld. Gedurende het maatgevende uur bedraagt de verkeersgeneratie van de beoogde ontwikkeling 30 mvt/uur. Het gegenereerde verkeer zal volledig ontsloten worden over de Vinkenlaan in noordelijke richting naar de Wielewaallaan. Op de Wielewaallaan zal 75% (22,5 mvt/uur) van het gegenereerde verkeer in oostelijke richting worden afgewikkeld naar de Refeling. De resterende 25% (7,5 mvt/uur) zal worden afgewikkeld richting het westen naar de Vallestap. Vanaf de aansluiting van de Wielewaallaan op de Refeling zal 70% (21 mvt/uur) in zuidelijke richting worden afgewikkeld, om vervolgens te worden ontsloten via de Klamperlaan en de Smits van
57/95
Oyenlaan richting de aansluiting op de A270. De resterende 5% (1,5 mvt/uur) wordt op de Refeling richting het noorden afgewikkeld naar de Europalaan, om vervolgens verder in noordelijke richting te worden ontsloten over de Smits van Oyenlaan. Vanaf de aansluiting van de Wielewaallaan op de Vallestap wordt het verkeer richting het noorden afgewikkeld naar het kruispunt Europalaan – Vallestap – Parkstraat. Vanaf dit kruispunt zal 20% (6 mvt/uur) over de Europalaan worden afgewikkeld richting het westen, terwijl de resterende 5% (1,5 mvt/uur ) over de Parkstraat richting het noorden zal worden afgewikkeld. In figuur 4.4 is de beoogde verkeersafwikkeling weergegeven.
Figuur 4.4: De verkeersafwikkeling van de beoogde ontwikkeling (bron: Rho adviseurs) De hoogste verkeerstoename zal plaatsvinden op de Vinkenlaan, waar de beoogde ontwikkeling zal zorgen voor een verkeerstoename van 304 mvt/etmaal. De Vinkenlaan is ingericht als een erftoegangsweg-type I binnen de bebouwde kom. Binnen het verkeerskundig vakgebied wordt op basis van Duurzaam Veilig voor ETW-type I aangehouden dat een verkeersomvang van 5.000 à 6.000 mvt/etmaal zonder problemen vlot en veilig kan worden afgewikkeld. De beoogde verkeerstoename is dermate laag ten opzichte van de capaciteit van de weg dat het plan niet zal leiden tot knelpunten in de verkeersdoorstroming. Verkeersveiligheid De omliggende straten wikkelen met name het verkeer van de aanliggende woningen af, zodat de verkeersomvang op deze wegen beperkt is. Daarnaast geldt binnen de wijk een 30 km/h-regime. De verkeersveiligheid op de wegen rond het plangebied is dan ook voldoende gewaarborgd.
58/95
4.2.3 Conclusie Uit de resultaten van het parkeeronderzoek volgt dat voor het opvangen van de parkeerbehoefte van de beoogde ontwikkeling in totaal 83 parkeerplaatsen gerealiseerd dienen te worden op eigen terrein, waarvan 48 parkeerplaatsen voor bezoekers en 35 parkeerplaatsen voor bewoners. Daarnaast dienen er conform de afspraken die gemaakt zijn met de gemeente op het terrein ruimte te worden gereserveerd voor de realisatie van 46 aanvullende parkeerplaatsen voor bewoners. In de beoogde situatie is plaats voor 129 parkeerplaatsen, waarvan er tenminste 83 worden gerealiseerd en 46 worden gereserveerd. Hiermee wordt voldaan uit de parkeerbehoefte. Mocht blijken dat na oplevering op basis van klachten en daardoor via nieuw parkeerdrukonderzoek de parkeerdruk te hoog is, worden deze gereserveerde parkeerplaatsen aanvullend uitgevoerd.
4.3
Archeologie
4.3.1 Beleid en normstelling Het cultureel erfgoed van Nederland wordt beschermt met de Erfgoedwet. Om te voorkomen dat de archeologische informatie ongezien verloren gaat, is het noodzakelijk dat gemeenten in het ruimtelijk beleid waarborgen voor de omgang met dit bodemarchief. Dit is een uitvloeisel van het Verdrag van Malta dan in 1992 door Nederland werd ondertekend. Op basis van de huidige wetgeving zijn de gemeenten in Nederland verantwoordelijk voor het behoud van het archeologisch bodemarchief. Omdat ruimtelijke ingrepen gevolgen kunnen hebben voor dit bodemarchief, moeten gemeenten bij de besluitvorming archeologie als volwaardige factor meenemen in de belangenafweging. Door de gemeente Nuenen c.a. is het Beleidsplan Archeologische Monumentenzorg opgesteld. Op basis van de archeologische beleidskaart, wordt de gemeente onderverdeeld in verschillende categorieën met daaraan gekoppelde voorschriften. In het plangebied komt de categorie 4 voor: Gebied met een middelhoge archeologische verwachting. Om die reden is een vergunning vereist bij bodemingrepen en te bebouwen oppervlakten van projectgebieden die groter zijn dan 2.500 m² en dieper gaan dan 0,3 m–mv. 4.3.2 Onderzoek Het beleidsplan archeologie van de gemeente is vertaald in de diverse bestemmingsplannen, zo ook in het voor het plangebied geldende bestemmingsplan 'Nuenen Zuidoost'.
Hierin is voor het plangebied de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie middelhoog' opgenomen, zie paragraaf 1.3. Binnen deze dubbelbestemming mogen alleen bouwwerken gebouwd worden tot een oppervlakte van maximaal 2.500 m2 of niet dieper dan 0,30 meter. Het beoogde planvoornemen voorziet in bodemingrepen ten behoeve van bouwwerken groter dan 2.500 m2 en dieper dan 0,30 meter. Een archeologisch onderzoek wordt noodzakelijk geacht en is uitgevoerd, zie Bijlage 4. Hierna worden de resultaten van het onderzoek beschreven.
59/95
Gespecificeerde archeologische verwachting bureauonderzoek Volgens de opgestelde gespecificeerde archeologische verwachting geldt er een lage archeologische verwachting op het aantreffen van archeologische resten uit het Paleolithicum, Mesolithicum en de Nieuwe tijd. Voor het Neolithicum tot en met de Late-Middeleeuwen geldt een hoge verwachting. Resultaten inventariserend veldonderzoek De aangetroffen bodemopbouw bestaat uit een gevlekte, verrommelde bouw voor tot circa 0,60 m – 0,90 m -mv. Ook is de top van de C-horizont verstoord tot circa 0,85 meter – 1,50 meter -mv. Hieronder zit de niet-verstoorde C-horizont welke bestaat uit dekzandafzettingen van de Formatie van Boxtel, Laagpakket van Wierden. 4.3.3 Conclusie Op basis van de waargenomen bodemverstoringen en de aanwezigheid van bebouwing op een deel van de nieuwbouwlocatie, kan worden geconcludeerd dat archeologische waarden niet meer in situ worden verwacht. Op grond van de resultaten van het bureau- en veldonderzoek kan het plangebied vrij gegeven worden. Als het plangebied nu of in de toekomst door de gemeente Nuenen c.a. wordt vrijgegeven voor bodemroerende werkzaamheden, dan blijft er, conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016, een meldingsplicht bestaan.
Eventuele archeologische resten die bij werkzaamheden worden aangetroffen, moeten worden gemeld bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, c.q. de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.
4.4
Cultuurhistorie
4.4.1 Beleid en normstelling Het cultureel erfgoed van Nederland wordt beschermt met de Erfgoedwet. Goede ruimtelijke ordening betekent dat er daarnaast een integrale afweging plaatsvindt van alle belangen die effect hebben op de kwaliteit van de ruimte. Een van die belangen is de cultuurhistorie. Per 1 januari 2012 is in het kader van de modernisering van de monumentenzorg (MOMO) in het Besluit ruimtelijke ordening van het rijk opgenomen dat gemeenten bij het maken van bestemmingsplannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden. Hiertoe dient middels bestudering van kaarten bepaald te worden of binnen (de invloedsfeer van het plangebied) Rijksmonumenten (historische gebouwen, sluizen, tuinbeelden en grafstenen), Archeologische Rijksmonumenten, Werelderfgoederen en beschermde stads- en dorpsgezichten aanwezig zijn. Ook het voorkomen van gebieden met landschappelijke waarden en beschermde natuurgebieden (Natura 2000-gebieden, Wetlands, Beschermde Natuurmonumenten, Nationale Parken, Nationale Landschappen en de Ecologische Hoofdstructuur dient bepaald te worden. 4.4.2 Onderzoek Er is geen bestaande monumentale of cultuurhistorisch waardevolle bebouwing aanwezig binnen het plangebied.
Uit de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Noord-Brabant blijkt dat het plangebied in de nabijheid ligt van een historische geograrische lijn met een redelijk hoge waarde (figuur 4.5). Ook de monumentale bomen langs deze straat staan op de cultuurhistorische waardenkaart aangegeven (figuur 4.6), dit is overgenomen in het bestemmingsplan 'Nuenen Zuidoost'.
60/95
In het Groenstructuurplan van de gemeente Nuenen c.a. uit 2010 staat: 'De noord-zuid georiënteerde historische structuur Lyndakkers/Oude Kerkdijk is in deze wijken opgenomen. De forse oude eiken die deze weg begeleiden vormen een markante fietsverbinding door de wijk. Deze sluit gedeeltelijk aan op het centraal gelegen wijkpark, dat eveneens gekenmerkt wordt door volwassen eiken in gras en enkele bosplantsoenstroken. Door deze combinatie heeft het park een zeer ruimtelijke beeld.' Bij de beoogde ontwikkeling blijven de waardevolle bomen aan de Lyndakkers behouden, zo wordt er rekening gehouden met de culturele waarde van de straat de Lyndakkers. Aan het park tussen de Lyndakkers en het plangebied wordt extra verblijfskwaliteit en groen toegevoegd en de hoge bomen in het park zorgen er voor dat de 5 bouwlagen van de nieuwe Vinkenhofjes vanaf de Lyndakkers niet opvallen.
Figuur 4.5: Plangebied, rood omkaderd, nabij historische straat (bron: Cultuurhistorische waardenkaart Provincie Noord-Brabant)
61/95
Figuur 4.6: Plangebied, rood omkaderd, in de nabijheid van monumentale bomen (bron: Cultuurhistorische waardenkaart Provincie Noord-Brabant) 4.4.3 Conclusie Ten aanzien van het aspect cultuurhistorie zijn er geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.
62/95
4.5
Bodemkwaliteit
4.5.1 Beleid en normstelling Op grond van artikel 3.1.6 van het Bro dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening te worden gehouden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Voor een nieuw geval van bodemverontreiniging geldt, in tegenstelling tot oude gevallen (voor 1987), dat niet functiegericht maar in beginsel volledig moet worden gesaneerd. Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur te worden gerealiseerd op bodem die geschikt is voor het beoogde gebruik. 4.5.2 Onderzoek De drie nieuwe woongebouwen komen komen gedeeltelijk op gronden te staan die nu een verkeersbestemming hebben binnen het plangebied. Aangetoond dient te worden dat ook deze gronden veilig zijn om op te wonen. Om de bodemkwaliteit van het plangebied te bepalen is een verkennend bodemonderzoek conform NEN 5740 uitgevoerd. De resultaten van het bodemonderzoek zijn bijgevoegd in Bijlage 5.
Op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem is geconcludeerd, dat de onderzoekslocatie onderzocht dient te worden volgens de strategie voor een "verdachte locatie met diffuse bodembelasting en een heterogene verontreiniging op schaal van monsterneming, niet lijnvormig" (VED-HE-NL). De bodem bestaat voornamelijk uit zwak tot sterk siltig, matig fijn tot zeer fijn zand. De bovengrond is bovendien zwak humeus. De ondergrond is plaatselijk zwak tot matig gleyhoudend en plaatselijk zwak leemhoudend. Zintuiglijk blijkt de bovengrond ter plaatse van boring 08 (traject: 0,0-0,6 meter -mv) zwak baksteenhoudend. In zowel de boven- als ondergrond zijn analytisch géén verontreinigingen aangetoond. Het grondwater is licht verontreinigd met barium. Deze metaalverontreiniging is hoogstwaarschijnlijk te relateren aan regionaal verhoogde achtergrondconcentraties van metalen in het grondwater. Tijdens de terreininspectie is op het noordelijk terrein, nabij boring 02, een asbestverdacht dak zonder goot of verharding aangetroffen. Hierdoor is onder de dakrand een inspoelzone ontstaan. Inspoelzones zijn verdacht op het voorkomen van asbest. Deze inspoelzone is echter van zeer beperkte omvang (maximaal 1,5 meter lang).
63/95
Figuur 4.7: Inspoelzone nabij boring 02 (bron: Econsultancy, Bijlage 5) 4.5.3 Conclusie De vooraf gestelde hypothese, dat de onderzoekslocatie als "heterogeen verdacht, niet lijnvormig" dient te worden beschouwd wordt, op basis van de onderzoeksresultaten, bevestigd. Echter, gelet op de aard en mate van verontreiniging, bestaat er géén reden voor een nader onderzoek. Gelet op de analyseresultaten uit de rapportage bestaat er, met betrekking tot de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem, géén belemmeringen voor de voorgenomen sloop en nieuwbouw op de onderzoekslocatie. De asbestverdachte inspoelzone is niet onderzocht, dit vanwege de zeer beperkte omvang (maximaal 1,5 meter lang). Verwacht wordt dat onderzoek naar deze laag als sanering zou werken. Dat betekent dat de grond die nodig is voor een onderzoek al de hele inhoud van de inspoelzone zal betreffen. Indien onderzoek noodzakelijk wordt geacht door het bevoegd gezag, dan wordt geadviseerd, indien mogelijk, de potentieel asbesthoudende grond, in goed overleg met het bevoegd gezag, conform geldende wet- en regelgeving af te voeren. Algemeen Indien er bij werkzaamheden grond vrijkomt die niet op de locatie kan worden hergebruikt, zijn de regels van het Besluit bodemkwaliteit, het “Handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie” of de regionale bodemkwaliteitskaart van toepassing.
4.6
Wegverkeerslawaai
4.6.1 Beleid en normstelling Langs alle wegen - met uitzondering van 30 km/uur-wegen en woonerven - bevinden zich op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) geluidzones waarbinnen de geluidhinder vanwege de weg getoetst moet worden. De breedte van de geluidzone is afhankelijk van het aantal rijstroken en van binnen- of buitenstedelijke ligging. De geluidbelasting wordt berekend aan de hand van de Europese dosismaat Lden (L day evening night). Deze dosismaat wordt weergegeven in dB. Deze waarde vertegenwoordigt het gemiddelde geluidsniveau over een etmaal. Nieuwe situaties Voor de geluidbelasting aan de buitengevels van woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen binnen de
64/95
wettelijke geluidzone van een weg geldt een voorkeursgrenswaarde van 48 dB. In bepaalde gevallen is vaststelling van een hogere waarde mogelijk. Deze hogere grenswaarde mag de maximaal toelaatbare hogere waarde niet te boven gaan. De maximale ontheffingswaarde in onderhavige situaties bedraagt 63 dB (binnenstedelijk gelegen woning). Aftrek ex artikel 110g Wgh De in de Wgh genoemde grenswaarden aan de buitengevels ten aanzien van wegverkeerslawaai betreffen waarden inclusief aftrek op basis van artikel 110g Wgh. Dit artikel houdt in dat voor het wegverkeer een aftrek mag worden gehanteerd welke anticipeert op het stiller worden van het wegverkeer in de toekomst door innovatieve maatregelen aan de voertuigen. De toegestane aftrek bedraagt: 5 dB voor wegen waarvoor de representatief te achten snelheid van lichte motorvoertuigen minder dan 70 km/u bedraagt. Voor wegen met een representatief te achten snelheid van 70 km/u of meer is de hoogte van de aftrek afhankelijk van de geluidbelasting exclusief aftrek. Bij een geluidbelasting van 56 dB en 57 dB mag een aftrek toegepast worden van respectievelijk 3 dB en 4 dB. Bij overige geluidbelastingen wordt een aftrek van 2 dB toegepast. De aftrek mag alleen worden toegepast bij toetsing van de geluidbelastingen aan de normstellingen uit de Wgh. In voorliggend onderzoek is gebruik gemaakt van een aftrek van 5 dB.
4.6.2 Onderzoek Geluid van wegverkeerslawaai De Europalaan is de dichtstbijgelegen binnen de bebouwde kom gelegen gezoneerde weg met een snelheid van 50 km/uur. Voor een weg bestaande uit een of twee rijstroken geldt binnen de bebouwde kom een geluidzone van 200 meter. Het plangebied ligt op circa 240 meter afstand van de Europalaan en ligt daarmee buiten de geluidszone op basis van de Wet geluidhinder. Voorts liggen binnen voorgenoemde straal geen gezoneerde wegen. De dichtstbijzijnde weg buiten de bebouwde kom is het Wettenseind op een afstand van ruim 1 kilometer. Wettelijk onderzoek is daarom niet aan de orde. Wel dient in het in het kader van een goede ruimtelijke ordening aangetoond te worden dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op de nieuwe woningen in het plan. Hiervoor is de geluidbelasting afkomstig van het verkeer over de aanliggende 30 km/uur weg Vinkenlaan, die geen geluidzone heeft op grond van de Wet geluidhinder, van belang voor de nieuwe woningen. Als richtwaarde geldt hier een geluidbelasting van 48 dB. Ten opzichte van de bestaande situatie zal de beoogde ontwikkeling zorgen voor een verkeerstoename van 274 (afgerond) mvt/etmaal gedurende een gemiddelde weekdag op de Vinkenlaan.
Omdat de bestaande bebouwing wordt gesloopt en vervangen door 137 woningen zal de beoogde verkeersgeneratie vanwege de ontwikkeling op de Vinkenlaan circa 494 mvt/etmaal (weekdag) bedragen. Aangenomen wordt dat de totale intensiteit op de Vinkenlaan (asfalt, 30 km/uur) circa 600 mvt/etmaal zal bedragen gezien de overige functies en woningen die via deze weg worden ontsloten. Indicatief is de geluidbelasting berekend. Het resultaat staat in onderstaande figuur. Hieruit blijkt dat de geluidbelasting op de nieuwe woningen voldoen aan de richtwaarde van 48 dB vanwege de Vinkenlaan.
65/95
Figuur 4.8: Resultaten Vinkenlaan (in dB, inclusief aftrek art. 110g Wgh) Door de toename van verkeer als gevolg van de ontwikkeling zal de geluidbelasting op de bestaande woningen toenemen. Als vuistregel geldt dat een verkeerstoename van meer dan 40%, waarbij andere variabele constant blijven, zal zorgen voor een geluidtoename van meer dan 1,5 dB die net hoorbaar is voor het menselijk gehoor. Indien deze toename onder de richtwaarde van 48 dB blijft dan wordt deze beoordeeld als aanvaardbaar. In
66/95
bovenstaande figuur is ook de geluidbelasting op de bestaande woningen in beeld gebracht. In deze berekening is de nieuwe bebouwing meegenomen. Het blijkt dat de geluidbelasting in de situatie met ontwikkeling lager blijft dan 48 dB op de bestaande woningen, ondanks de verkeerstoename en de hogere bebouwing. 4.6.3 Conclusie Geconcludeerd kan worden dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het aspect geluid van wegverkeer vormt geen belemmering voor de ontwikkeling.
4.7
Milieuhinder en bedrijven
4.7.1 Beleid en normstelling In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen: een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd ter plaatse van de woningen; rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de eventueel in de omgeving aanwezige bedrijven/inrichtingen. Om in de bestemmingsregeling de belangenafweging tussen bedrijvigheid en woningen in voldoende mate mee te nemen, wordt in dit plan gebruikgemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie-indeling heeft plaatsgevonden. Voor de beoordeling is het van belang om te weten of het gebied getypeerd kan worden als een rustige woonwijk of een gemengd gebied. Een gemengd gebied wordt als volgt getypeerd: “Een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor, zoals winkels, horeca en kleine bedrijven".
4.7.2 Onderzoek In de beoogde situatie worden 137 sociale huurwoningen in 3 woongebouwen gerealiseerd op de plek van de huidige 61 gestapelde woningen in 5 woongebouwen. Het plangebied kan worden aangeduid als een rustige woonwijk. Binnen het bestemmingsplan 'Nuenen Zuidoost' zijn in de omgeving van het plangebied 4 maatschappelijke voorzieningen en 2 nutsvoorzieningen gevestigd die van invloed kunnen zijn op het woon- en leefklimaat binnen het plangebied én waarvan de bedrijfsvoering beïnvloed zou kunnen worden door de komst van de nieuwe woningen binnen het plangebied. De invloed wordt hierna toegelicht.
67/95
Figuur 4.10: Vier maatschappelijke voorzieningen en twee nutsvoorzieningen in de omgeving van het plangebied, bestemmingsplan 'Nueen Zuidoost' (bron: ruimtelijkeplannen.nl) 1. Wederikdreef 2 In het bestemmingsplan 'Nuenen Zuidoost' heeft dit perceel nog een maatschappelijke bestemming. Op 16 december 2021 is het bestemmingsplan 'Wederikdreef te Nuenen' vastgesteld. Met dit bestemmingsplan heeft het perceel een woonbestemming gekregen. Er hoeft dus niet langer getoetst te worden aan dit 'bedrijf'. 2. Wederikdreef 4 Deze maatschappelijke bestemming heeft de functieaanduiding 'bedrijfswoning'. In de huidige situatie is hier een woning gevestigd. Een maatschappelijke voorziening is volgens het bestemmingsplan wel planologisch mogelijk. De toegestane maatschappelijke voorzieningen vallen in milieucategorie 1 of 2. De richtafstand in rustig gebied bedraagt maximaal 30 meter. Met een afstand van meer dan 85 meter tot het plangebied, wordt het planvoornemen niet beïnvloed door deze maatschappelijke locatie en wordt de maatschappelijke voorziening niet belemmerd door de komst van de nieuwe appartementen. 3. Nutsvoorziening Ter plaatse van nummer 3 (figuur 4.10) staat een transformatorstation. Een wijktrafo heeft een richtafstand van 30 meter ten behoeve van geluid en 10 meter voor gevaar. Het trafostation ligt op 11 meter van het plangebied
68/95
en op circa 45 meter van het nieuwe bouwvlak van de zuidelijk gelegen beoogde nieuwe appartementengebouw. De nieuwe appartementen liggen op voldoende afstand. Het trafostation staat tussen twee woningen in op vele malen kortere afstand. Het trafostation wordt dus niet beperkt door de komst van de nieuwe appartementen die op grotere afstand komen te liggen. 4. Sporthal en buurthuis Ten zuiden van het plangebied ligt op circa 100 meter vanaf de nieuwe woonbestemming een sporthal en een buurthuis. Voor een sporthal geldt volgens de VNG publicatie een richtafstand van 50 meter in een rustige woonwijk. Voor een buurthuis geldt een richtafstand van 30 meter. De nieuwe woningen liggen ruim buiten deze richtafstanden. 5. Ouderenzorg Jo van Dijkhof Aan de overkant van de Vinkenlaan ligt het ouderenzorgcomplex Jo van Dijkhof met een maatschappelijke bestemming. Een ouderenzorgcomplex past in de VNG publicatie het best bij een 'verpleeghuis'. Voor 'verpleeghuizen' geldt een richtafstand van 30 meter voor het maatgevende aspect geluid. Rondom de bebouwing van het ouderencomplex ligt een groenvoorziening. Vanaf het bouwvlak van het ouderencomplex gemeten, liggen de nieuwe woonbestemmingen van het midden en zuidelijke woongebouw van het plangebied Vinkenhofjes buiten de richtafstand van 30 meter.
Daarbij komt dat omliggende bestaande woningen op kortere afstand van het ouderenzorgcomplex liggen.
Figuur 4.11: Afstand vanaf bouwvlak Jo van Dijkhof tot nieuwe appartementen is meer dan 30 meter (bron: ruimtelijkeplannen.nl) 6. Nutsvoorziening Ter plaatse van nummer 6 (figuur 4.10) bevindt zich aangebouwd aan een aantal garageboxen een transformatorstation. Een wijktrafo heeft een richtafstand van 30 meter ten behoeve van geluid en 10 meter voor gevaar. Het trafostation ligt op 15 meter van het plangebied en op circa 30 meter van het nieuwe bouwvlak van de noordelijk gelegen beoogde nieuwe appartementengebouw. De nieuwe appartementen liggen op voldoende afstand. Het trafostation staat nabij bestaande woningen op vele malen kortere afstand. Het trafostation wordt dus niet beperkt door de komst van de nieuwe appartementen die op grotere afstand komen te liggen.
69/95
De twee huidige maatschappelijke bestemmingen binnen het plangebied komen in de beoogde situatie te vervallen. 4.7.3 Conclusie Als gevolg van de beoogde ontwikkeling worden geen omliggende bedrijven belemmerd in hun bedrijfsvoering en ter plaatse van het plangebied is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
4.8
Luchtkwaliteit
4.8.1 Beleid en normstelling De gevolgen voor de luchtkwaliteit worden beoordeeld op basis van de Wet ruimtelijke ordening, de Wet milieubeheer luchtkwaliteitseisen (ook wel Wet luchtkwaliteit genoemd, Wlk), de AMvB 'Niet in betekenende mate' (het Besluit NIBM) en de ministeriële regeling NIBM. Er dient, ook na realisatie van het planvoornemen, sprake te zijn van een goede ruimtelijke ordening. Daarbij moet voldaan worden aan de geldende grenswaarden en luchtkwaliteitseisen. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 4.4. weergegeven. Tabel 4.4: Grenswaarden maatgevende stoffen Wm stof toetsing van stikstofdioxide (NO2) ) jaargemiddelde concentratie fijn stof (PM10) jaargemiddelde concentratie 24-uurgemiddelde concentratie Fijn stof (PM2,5) jaargemiddelde concentratie
grenswaarde 40 µg/m³ 40 µg/m³ max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg/m³ 25 µg/m³
NIBM In het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden: een project heeft een toename van minder dan 3% van de jaargemiddelde concentratie NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³); een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg of kantoorlocaties met maximaal 100.000 m2 bvo bij één ontsluitingsweg.
70/95
4.8.2 Onderzoek Het bestemmingsplan maakt de realisatie van 137 woningen mogelijk. Dit aantal valt ruim onder de grens van 1.500 woningen, die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. Het plan draagt dan ook niet in betekenende mate bij aan de toename van de hoeveelheid stikstofdioxide en fijn stof in de lucht. Er wordt dan ook voldaan aan de luchtkwaliteitswetgeving en nader onderzoek is niet noodzakelijk. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit 2022. De dichtstbijzijnde maatgevende weg betreft de Europalaan, op circa 240 meter ten noorden van het plangebied. Uit het CIMLK blijkt dat in 2021 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof langs deze weg ruimschoots onder de grenswaarden lagen. De concentraties luchtverontreinigende stoffen bedroegen in 2021 ten hoogste 21,3 µg/m³ voor NO2, 18,7 µg/m³ voor PM10 en 11,1 µg/m³ voor PM2,5. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24-uur gemiddelde concentratie PM10 bedroeg 6,8 dagen. Hierdoor is er ter plaatste van het plangebied sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
Figuur 4.12: Uitsnede NSL tool, plangebied rood omkaderd (bron: http://www.nsl-monitoring.nl/viewer/) De invloed van geur van veehouderijen op het woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied wordt in paragraaf 4.9 toegelicht.
71/95
4.8.3 Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering. Uit het oogpunt van luchtkwaliteit is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefmilieu ter plaatse.
4.9
Gezondheid
4.9.1 Geurhinder en veehouderijen Beleid en normstelling De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) betreft een wet waarmee de nationale regels inzake geurhinder ten opzichte van de tot veehouderijen behorende dierenverblijven vastgesteld staan. De Wet geurhinder en veehouderij heeft tot doel het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van geurbelasting, onder andere als gevolg van emissies door bedrijven. Nieuwe knelpunten moeten worden voorkomen. De vaste afstand tussen een melkveehouderij en een geurgevoelig object in het buitengebied dient ten minste 50 meter te bedragen (artikel 4, lid 1 Wgv). Toetsing en conclusie De dichtstbijzijnde veehouderij ligt ten westen van Nuenen op circa 1,3 kilometer van het plangebied. Hiermee wordt ruim voldoende afstand aangehouden. Hierna is een figuur van de kern Nuenen met de achtergrondbelasting van omliggende veehouderijen opgenomen.
Figuur 4.13: Uitsnede geurkaart Omgevingsdienst Zuidoost Brabant)
achtergrondbelasting
Nuenen
met
aanduiding
plangebied
(bron:
Hieruit volgt duidelijk dat de kwaliteit leefomgeving – wat betreft achtergrondbelasting – ter plaatse van het plangebied is aan te merken als ‘zeer goed’. Met betrekking tot geur is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied.
72/95
4.9.2 Geitenmoratorium Uit de VGO-rapporten die afgelopen jaren zijn gepubliceerd door het RIVM komt duidelijk naar voren dat er een relatie wordt gevonden tussen veehouderijen en de gezondheid van omwonenden. Deze relatie is door de onderzoeker op verschillende manieren vastgesteld. Daarbij komt dichtheid van veehouderijbedrijven en afstand tot bepaalde type individuele veehouderijen concreet naar voren als factoren die van invloed zijn op de gezondheid van omwonenden. Verder blijkt uit VGO-onderzoek dat er in een straal van twee kilometer rond geitenhouderijen een verhoogde incidentie van longontstekingen (ca. 25-30% hoger) voorkomt. De oorzaak van het verhoogde risico op longontsteking rond geitenbedrijven is vooralsnog onbekend en onderwerp van vervolgonderzoek. Op dit moment kan er geen enkele broneffect relatie worden beschreven tussen de verhoogde longontsteking incidentie en de uitstoot vanuit geitenhouderijen. Wel is er een causaal verband geconstateerd waarbij de associatie sterker is naarmate de afstand tot een geitenhouderij kleiner is. Tot er meer duidelijkheid is over de bron van de verhoogde incidentie longontstekingen kan niet worden geadviseerd over beschermde maatregelen. Afstand houden en goed informeren is de enige maatregel die de GGD op dit moment adviseert. Het moratorium is een voorzorgmaatregel met het oog op de volksgezondheid.
Als de uitkomsten van het vervolgonderzoek bekend worden, wordt er gekeken of er redenen zijn het besluit in te trekken of aan te passen. 'De Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0' (versie mei 2018) bevat een praktisch stappenplan om te beoordelen of nadere advisering vanuit de GGD wenselijk is. De zeven stappen dienen alle te worden doorlopen en beantwoord om na te gaan of er aandachtspunten worden gevonden. Toetsing aan het stappenplan moet plaatsvinden, zodat kan worden bepaald of een advies van de GGD nodig is voor de beoogde ontwikkeling. Toetsing en conclusie Binnen een afstand van 2 kilometer uit het plangebied zijn geen geitenhouderijen gevestigd. Aangenomen mag worden, dat er geen sprake zal zijn van emissies van entdotoxinen, waardoor er ter plaatse sprake zou zijn c.q. kunnen zijn van een onaanvaardbaar hoog gezondheidsrisico. De beoogde ontwikkeling van het wooncomplex wordt daarom uit een oogpunt van volksgezondheid(risico's) aanvaardbaar geacht. 4.9.3 Spuitzone Hoewel er voor het gebruik en de introductie van bestrijdingsmiddelen diverse wetten, besluiten en regels van toepassing zijn, zijn er geen wettelijke bepalingen inzake de minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop bomen/fruitteelt en andere gewassen in de open lucht wordt geteeld en nabijgelegen gevoelige functies, waaronder woningen, verblijfsrecreatie en/of (horeca)terrassen.
Vanwege mogelijk vrijkomende drift (verwaaiing van spuitvloeistof) bij het bespuiten van fruitbomen wordt meestal een afstand van 50 meter aangehouden tussen een fruitboomgaard en een gevoelige bestemming (c.q. gevoelige objecten). Dit is een in de praktijk gegroeide vuistregel (op basis van constante jurisprudentie). Het is echter een indicatieve afstand. Dat wil zeggen, er kunnen omstandigheden aanwezig zijn op basis waarvan hiervan kan worden afgeweken. Voor het betrokken bestuursorgaan bestaat er een onderzoeksplicht of er sprake is van bijzondere omstandigheden die een afwijking van voornoemde afstand rechtvaardigen. De in acht
73/95
te nemen afstand in verband met de verwaaiing van spuitvloeistof (drift) is onder meer afhankelijk van de toxiciteit (aard en omvang) van het gewasbeschermingsmiddel, de spuittechnieken die door de teler worden toegepast, de hoogte van de bomen/struiken, de feitelijke afstand van de bomen/struiken tot de gevoelige functie, de rijsnelheid bij machinale bespuiting, de windsnelheid en windrichting alsmede de aanwezigheid van een blad houdende beplanting ter afvang van door drift verplaatste stoffen. Toetsing en conclusie De dichtstbijzijnde agrarische gronden liggen op meer dan 1 kilometer van het plangebied. De appartementen in het plangebied ondervinden dus geen hinder door het spuiten van chemische bestrijdingsmiddelen op agrarische gronden.
4.10 Externe veiligheid 4.10.1 Beleid en normstelling Bij ruimtelijke plannen wordt ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten gekeken, namelijk: bedrijven waar opslag, gebruik en/of productie van gevaarlijke stoffen plaatsvindt; vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of leidingen. Ten aanzien van deze aspecten moeten de risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld tot een aanvaardbaar minimum worden beperkt. In het externe veiligheidsbeleid wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting of langs een vervoersas. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Voor het GR geldt een oriëntatiewaarde. De gemeente heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt. Risicovolle inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) geeft een wettelijke grondslag aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen.
Op basis van het Bevi geldt voor het PR een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10-6 per jaar. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet aan deze normen worden voldaan, ongeacht of het een bestaande of nieuwe situatie betreft. Het Bevi bevat geen norm voor het GR; wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR in het invloedsgebied van de inrichting. De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde norm voor het GR geldt daarbij als oriëntatiewaarde. Vervoer van gevaarlijke stoffen over water, wegen en spoorwegen Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (BEVT) en de regeling Basisnet in werking getreden. Het BEVT vormt de wet- en regelgeving, en de concrete uitwerking volgt in het Basisnet. Het Basisnet
74/95
beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van, en de bijbehorende maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water. Het BEVT en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties. Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10-5 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10-6 per jaar. Voor nieuwe situaties geldt de 10-6 waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten, en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten. In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10-6 contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute. Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes. Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 m vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Er geldt een oriënterende waarde voor het groepsrisico en onder voorwaarden een verantwoordingsplicht tot 200 m binnen de transportroute. Buisleidingen Relevant is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb).
In dat Besluit wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en het GR gelden. Op grond van het Bevb dient bij ontwikkelingen inzicht te worden gegeven in de afstand tot het plaatsgebonden risico en de hoogte van het groepsrisico als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen.
75/95
4.10.2 Onderzoek
Figuur 4.14: Fragment risicokaart met relevante inrichtingen en transportroutes en het plangebied rood omcirkeld (bron: atlasleefomgeving.nl/kaarten) Op circa 575 meter ten oosten van het plangebied ligt een tankstation zonder LPG. Het plangebied ligt niet binnen de risicozone. De A270 bevindt zich ten zuiden van het plangebied op een afstand van circa 840 meter. Deze weg maakt geen onderdeel uit van het Basisnet. Wel vindt er vervoer van gevaarlijke stoffen over deze weg plaats. De maatgevende stofcategorie betreft GF3 met een invloedsgebied van 355 meter. Het plangebied bevindt zich niet in het invloedsgebied. Ten zuiden van de A270 bevindt zich de spoorlijn Eindhoven - Venlo op een afstand van circa 1,7 kilometer. Het invloedsgebied van het spoortraject wordt bepaald door stofcategorie A en betreft 460 meter. Het plangebied bevindt zich niet in het invloedsgebied. Het groepsrisico hoeft niet berekend of verantwoord te worden. De aardgasleidingen Z-514-06 en Z-514-01 bevinden zich ten zuiden van het plangebied op een afstand van circa
76/95
1,8 kilometer. Beide buisleidingen hebben een grootte van 12 inch en een maximale werkdruk van 40 bar. Het bijbehorende invloedsgebied is 140 meter. Het plangebied bevindt zich niet in het invloedsgebied. Ook voor deze risicovolle bron hoeft het groepsrisico niet berekend of verantwoord te worden. 4.10.3 Conclusie Het plangebied ligt niet binnen het invloedsgebied van een risicovolle inrichting of transport van gevaarlijke stoffen. Het aspect externe veiligheid vormt dan ook geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.11 Lichthinder 4.11.1 Beleid en normstelling Er is geen specifiek beleid op rijksniveau ten aanzien van lichthinder. In vervolg op de Taskforce Verlichting van het voormalige ministerie VROM worden gemeenten en provincies gestimuleerd energiebesparend om te gaan met verlichting van openbare ruimte en lichtvervuiling tegen te gaan. Veel provincies en gemeenten hebben beleid ontwikkeld op dit gebied. Samengevat komt de kern van het beleid ten aanzien van licht neer op het volgende: Donkerte hoort samen met onder andere rust en ruimte tot een van de kernkwaliteiten van het landschap. Bij ruimtelijke planvorming moet hinder door kunstmatige verlichting zoveel mogelijk worden voorkomen. 4.11.2 Beoordeling Uitgangspunt is dat alleen de parkeerkoffers worden aangelegd die in het groen zijn gesitueerd. Deze groene omkadering voorkomt/reduceert het mogelijk inschijnen van koplampen. Verder zijn in de huidige situatie binnen het plangebied ongeveer evenredig verpreid vier uitritten van parkeerplaatsen gesitueerd aan de Vinkenlaan. Bij het rechts- en linksafslaan van automobilisten op de vinkenlaan van- en naar de parkeerplekken zorgt er voor dat vrijwel alle woningen op de begane grond inschijning kunnen hebben van koplampen van auto's. Met de nieuwe inrichting van het plangebied zal het aantal uitritten op de Vinkelaan afnemen ten opzichte van de bestaande situatie.