CConstaterende datNuenen
Koppel je AI →
Document · PDF

Vinkenhofjes - Bijlage 10 Soortenmanagementplan (SMP) Gebouwbewonende soorten

Gemeenteraad 18 april 2024, gemeente NuenenBij agendapunt: Bestemmingsplan Vinkenhofjes36.314 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 5

Bedreigingen en kansen ruimtelijke ingrepen De gewone grootoorvleermuis zal te maken krijgen met een verdere afname van het aantal geschikte verblijfplaatsen als gevolg van renovatie en na-isolatie van gebouwen. Dit treft vooral het deel van de populatie dat afhankelijk is van verblijfplaatsen in gebouwen. Hierdoor is het toekomstperspectief als ongunstig – ontoereikend beoordeeld. Deze is echter gunstig als er voldoende mitigerende maatregelen genomen werden (Arcadis, 2018b). Tabel 22 Bedreigingen en kansen voor de gewone grootoorvleermuis met betrekking tot ontwikkelingen in het stedelijk gebied.

Functies voor de soort Verblijfplaats

Bedreigingen • • • • •

Kansen

(Na-)Isolatie van gebouwen • Onderhoud aan gebouwen • Verdwijnen of onderbreken van aanvliegroutes nabij verblijfplaatsen Vervangen van dakpannen Verlichting gericht op gebouwen •

•

Foerageergebied

Migratie

• • •

Verlichting Kappen van bomen Verwijderen van vegetatie

•

• •

Verlichting Kappen van bomen

•

Onze referentie: D10006731:25 - Datum: 19 januari 2021

• • •

Inmetselen van vleermuiskasten Ruimte laten voor vleermuizen tussen muren(spouw) en toegankelijk maken via dilatatievoegen en/of stoten Aanplanten van vegetatie in lijnstructuur nabij kansrijke mogelijke verblijfplaatsen Dak en/of zolderruimte geschikt maken Aanplanten van vegetatie in lijnstructuur Behoud kroongebladerte bomen Behoud vegetatie Vermindering verlichting ‘s nachts Aanplanten van vegetatie in lijnstructuur

63 van 114

SMP GEBOUWBEWONENDE SOORTEN WONINGSTICHTING HELPT ELKANDER

Functies voor de soort

Kraamverblijf

Bedreigingen

Kansen

•

Verwijderen van vegetatie

• • • • • • • •

Vervuilen van water • Draineren van water • Dichten van plas (Na-)Isolatie van gebouwen Onderhoud aan gebouwen • Sloop gebouwen • Vervangen dakpannen Verdwijnen of onderbreken van • aanvliegroutes nabij verblijfplaatsen Verlichting gericht op gebouwen •

•

• • •

•

Onze referentie: D10006731:25 - Datum: 19 januari 2021

Behoud kroongebladerte bomen Behoud vegetatie Vermindering verlichting ‘s nachts Behoud waterkwaliteit Aanleggen waterlichamen met ecologische oevers en beschutting door middel van vegetatie Inmetselen van vleermuiskasten Ruimte laten voor vleermuizen tussen muren Toevoegen van dilatatievoegen en/of stoten Aanplanten van vegetatie in lijnstructuur nabij kansrijke mogelijke verblijfplaatsen Dak en/of zolderruimte geschikt maken

64 van 114

SMP GEBOUWBEWONENDE SOORTEN WONINGSTICHTING HELPT ELKANDER

Laatvlieger Kenmerken en gedrag De laatvlieger is één van de grootste vleermuizen van Nederland. Hij is te herkennen aan zijn tweekleurige vacht; donkerbruin op de rug en lichtbruin op de buik. Het gewicht is zo’n 15-35 gram. De vleugels zijn relatief lang met een spanwijdte van 32-38cm. Gezicht, oren en vleugels zijn zwart tot heel donkerbruin. Het is een soort van open tot halfopen landschap. De laatvlieger jaagt vaak op een hoogte tussen 5 en 20 m. Hij vliegt vooral boven open gebieden, kanalen, vaarten en in tuinen en parken met vijvers. Soms wordt de soort ook in het bos aangetroffen (Mostert, 2012; Mostert & Van der Kuil, 2018).

Figuur 18 Laatvliegers (afbeelding eigendom van Paul van Hoof).

Beschermingsstatus De laatvlieger wordt beschermd onder het beschermingsregime „Europees beschermde soorten‟, Artikel 3.5 Wet natuurbescherming. De IUCN-status van deze soort is „niet bedreigd‟. De soort staat in de rode lijst als „kwetsbaar‟ (Staatscourant, 2009). Dit heeft vooral te maken met de eisen die deze soort stelt aan zijn habitat, wat voldoende diversiteit moet bieden om zowel een geschikte verblijf- als foerageerplaats te creëren.

Kwetsbare periodes De kwetsbare periode voor de laatvliegers zijn als volgt: • Winterrust: november tot maart/april. • Kraamperiode: mei t/m juli. • Paartijd: september tot oktober.

Verspreidingsgebied Het verspreidingsgebied van de laatvlieger beslaat in beginsel heel Nederland (Ottburg & Van Swaaij, 2014), het huidige verspreidingsbeeld laat echter zien dat de laatvlieger op veel plekken in Zeeland en Friesland in de laatste drie jaar niet meer is waargenomen. Het gebrek aan waarnemingen voor deze regio’s in deze periode kan echter door een verschil in monitoringsinspanning komen. Het huidige verspreidingsgebied van de laatvlieger is voorlopig nog beoordeeld als „gunstig‟. De verspreidingsgegevens van de laatvlieger worden sterk beïnvloed door de (wisselende) onderzoeksinspanning. In de afgelopen jaren zijn laatvliegers op meer plaatsen waargenomen dan daarvoor, maar het is niet zeker of er sprake is van verandering in aantal of in verspreiding. Een belangrijke reden voor de toename van het aantal vindplaatsen is het toegenomen gebruik van batdetectors in de laatste periode, waarmee de aanwezigheid van de laatvlieger eenvoudig kan worden vastgesteld. De trend van het verspreidingsgebied is hierom beoordeeld als „onbekend‟.

Onze referentie: D10006731:25 - Datum: 19 januari 2021

65 van 114

SMP GEBOUWBEWONENDE SOORTEN WONINGSTICHTING HELPT ELKANDER

Figuur 19 Kaart van landelijke verspreiding laatvlieger (NDFF, 2019).

Er bestaat voor Provincie Noord-Brabant geen goede verspreidingskaart van de laatvlieger (kennislacune). Toch kan op basis van de landelijke gegevens het verspreidingsgebied van de laatvlieger in de huidige situatie als gunstig worden beoordeeld. Er is onvoldoende informatie beschikbaar om een verspreidingstrend op te stellen voor de laatvlieger in de Provincie Noord-Brabant (kennislacune). Er zijn door een gebrek aan gegevens geen uitspraken te doen over de toe- of afname van het verspreidingsgebied van de laatvlieger in de Provincie Noord-Brabant. Op onderstaande kaart is de verspreiding van de laatvlieger gegeven (NDFF, 2019). Vanuit de bekende verspreidingsgegevens zijn geen waarnemingen bekend in het onderzoeksgebied. Net als voor de andere vleermuissoorten zijn de aantallen gegevens beperkt in het onderzoeksgebied. De soort komt verspreid, in beperkte aantallen, voor in het onderzoeksgebied.

Onze referentie: D10006731:25 - Datum: 19 januari 2021

66 van 114

SMP GEBOUWBEWONENDE SOORTEN WONINGSTICHTING HELPT ELKANDER

Figuur 20 Waarnemingen van de laatvlieger uit gegevens van de NDFF inclusief de resultaten van het soortgericht onderzoek uit 2020 (oranje) en in zwart de ligging van het woningbezit van Helpt Elkander.

Omvang en trend populatie Landelijk De populatiegrootte van de laatvlieger is in 1994 geschat op 30.000 tot 50.000 individuen. Het gevonden aantal hangt echter sterk af van de onderzoeksinspanning (Ottenburg & Van Swaay, 2014). De onderzoeken met betrekking tot de laatvliegers is lastig te interpreteren en om er een goede schatting van de populatieomvang te maken. Omdat laatvliegers vrijwel altijd overwinteren in zeer besloten en ontoegankelijke ruimten, zijn er geen betrouwbare gegevens van de ontwikkelingen in het aantal overwinteraars (Van der Graaff, 2016). De daadwerkelijke omvang van de populatie is hoogstwaarschijnlijk hoger dan de geschatte omvang, om deze reden kan de huidige situatie van de populatieomvang als „gunstig‟ worden beoordeeld. Er zijn te weinig systematisch verzamelde gegevens om met zekerheid iets over populatietrend van de laatvlieger buiten de winterperiode te kunnen zeggen. Toch wijzen de beschikbare gegevens op een toename van het aantal laatvliegers in Nederland. Allereerst zijn er vanuit het NEM-meetnet Zoldertellingen vleermuizen waarnemingen bekend van 1996 tot 2016 (zie Figuur 11 bij de gewone dwergvleermuis). Deze informatie laat een toename in het aantal waarnemingen van de laatvlieger zien. Belangrijke kanttekening hierbij is evenwel dat het aantal bezochte objecten niet alle jaren gelijk was.

In het jaar 2015 zijn zelfs exceptioneel veel objecten bezocht, namelijk meer dan twee keer zoveel als in de jaren ervoor en erna (Zoogdiervereniging, 2017). Ook de tellingen in het NEM-meetnet Vleermuistransecttellingen laten een positieve trend zien (zie Figuur 12 bij de gewone dwergvleermuis). De trend is indicatief, aangezien dit meetnet nog maar vier jaar loopt. Zowel de NEM-Zoldertellingen als de NEM-Transecttellingen laten een positieve trend zien. Om deze reden wordt de landelijke trend van de populatieomvang beoordeeld als „verbeterend‟.

Onze referentie: D10006731:25 - Datum: 19 januari 2021

67 van 114

SMP GEBOUWBEWONENDE SOORTEN WONINGSTICHTING HELPT ELKANDER

Lokaal De verspreiding van de laatvlieger in de Provincie Noord-Brabant is nog niet volledig in beeld. Door het beperkte aantal gegevens kunnen geen uitspraken worden gedaan over de trend van de laatvlieger in Noord-Brabant.

Staat van instandhouding De staat van instandhouding is op 4 onderdelen beoordeeld, namelijk omvang populatie, verspreidingsgebied, kwaliteit leefgebied en toekomstperspectief. Landelijk Voor de landelijke beoordeling is gebruik gemaakt van de het onderzoek Staat van instandhouding (Arcadis, 2018b). Populatieomvang De populatieomvang laat een positieve trend zien waardoor er sprake is van een verbetering. De gunstige referentiewaarde van 1994 is 30.000 tot 50.0000 individuen (Ottburg & Swaay, 2014). De daadwerkelijke populatieomvang is hoogstwaarschijnlijk hoger dan de geschatte omvang, om deze reden kan de huidige situatie van de populatieomvang als ‘gunstig’ worden beoordeeld (Arcadis, 2018b). Verspreidingsgebied Het verspreidingsgebied van de laatvlieger beslaat in beginsel heel Nederland (Ottburg & van Swaaij, 2014). Het huidige verspreidingsgebied wordt als gunstig beoordeeld (Arcadis, 2018b). De verspreidingsgegevens van de laatvlieger worden sterk beïnvloed door de wisselende onderzoeksinspanning. In de afgelopen jaren zijn laatvliegers op meer plaatsen waargenomen dan daarvoor maar het is niet zeker of er sprake is van verandering in aantal of verspreiding. De trend van het verspreidingsgebied is hierom beoordeeld als onbekend (Arcadis, 2018b).

Kwaliteit leefgebied Het leefgebied van de laatvlieger bestaat uit open tot halfopen landschappen met opgaande elementen zoals bosranden, heggen en lanen. Verblijfplaatsen bevinden zich vooral in gebouwen. Dergelijke plaatsen komen in Nederland veelvuldig voor. Het leefgebied in de huidige situatie kan hierom worden beoordeeld als ‘gunstig’ (Arcadis, 2018b). Het aanbod geschikte verblijfplaatsen is de afgelopen tien jaar min of meer gelijk gebleven. De trend van de kwaliteit van het leefgebied is hierdoor als stabiel beoordeeld (Arcadis, 2018b). Toekomstperspectief Het aantal geschikte verblijfplaatsen van de laatvlieger driegt in de toekomst sterk af te nemen door de grote renovatie- en na-isolatieprogramma’s, al is er een tendens naar betere mitigatie. De laatvlieger is verder afhankelijk van groter insecten voor het voedselaanbod. Hierin is de afname de afgelopen jaren sterk. Het toekomstperspectief van de laatvlieger is beoordeeld als ongunstig – ontoereikend. Deze is echter gunstig indien er voldoende mitigerende maatregelen genomen worden (Arcadis, 2018b). Regionaal Er is geen informatie over de regionale staat van instandhouding voorhanden.

Belangrijke omgevingsfactoren De laatvlieger is geen strikte stadssoort, maar meer een soort van stadsranden en dorpen en het agrarische gebied. In steden wordt de laatvlieger ook aangetroffen in meer groene oude wijken in het stedelijk gebied. Bepaalde oude type woningen bieden in vergelijk met de jongere bouwtype een meer geschikte verblijfplaats voor de soort. De laatvlieger foerageert dichtbij de verblijfplaats in een diversiteit aan biotopen. Onder andere open water en velden, landbouwgrond en andere open structuren in het landschap hebben daarom een sterke invloed op de potentiële aanwezigheid van laatvliegers. De laatvlieger is minder gebonden aan lijnvormige structuren dan gewone dwergvleermuizen.

Belang van gebouwen De laatvlieger is een echte gebouwbewoner. Met name in de oudere gebouwtypen wordt de verblijfplaats van deze soort veelal aangetroffen. De geschiktheid van een verblijfplaats wordt bepaald door de fysiek en klimatologische eigenschappen van een gebouw. Zijn de ruimtes in het gebouw voldoende groot om te verblijven en is de toegang tot die ruimtes voldoende groot voor een laatvlieger? Onze referentie: D10006731:25 - Datum: 19 januari 2021

68 van 114

SMP GEBOUWBEWONENDE SOORTEN WONINGSTICHTING HELPT ELKANDER

Het vermoeden is dat het een warmteminnende soort is. Wanneer beide factoren voldoende aanwezig zijn, zal het gebouw meer geschikt zijn als verblijfplaats. Laatvliegers verblijven vooral onder daken van gebouwen of kruipen weg in kieren en gaten om verblijfplaatsen in de dakrand, nabij de schoorsteen of in de spouwmuur te bereiken. De laatvlieger wordt vooral aangetroffen onder daken met een RBB-dakpannen (type sneldekpannen), vermoedelijke door de ruimte die tussen de pannen en het dakbeschot aanwezig is. Ook in huizen met een dak in de stijl van de Amsterdamse school worden relatief vaak laatvliegers aangetroffen. Huizen met een kopgevel, boeiboord of andere gevelbetimmering en ruimte om in de spouwmuur te komen hebben daarnaast een verhoogde kans op laatvliegers. De spouwmuur wordt vaak vanaf het dak of dakrand benaderd. Stootvoegen zijn vaak te klein om als invliegopening te dienen. Er zijn weinig waarnemingen bekend waarbij de laatvlieger rechtstreeks de spouwmuur ingingen (Vleermuiswerkgroep Groningen, 2017). De laatvlieger is honkvast; hij maakt weinig onderscheid tussen zomer- winter- en paarverblijven. Wel maakt de laatvlieger gebruik van verschillende verblijfplaatsen waartussen hij wisselt.

Bedreigingen en kansen ruimtelijke ingrepen Het aantal geschikte verblijfplaatsen van de laatvlieger dreigt in de toekomst sterk af te nemen door de grote renovatie- en na-isolatieprogramma’s, al is er een tendens naar betere mitigatie. De laatvlieger is verder afhankelijk van groter insecten voor het voedselaanbod. Hierin is de afname de afgelopen jaren sterk. Het toekomstperspectief van de laatvlieger is beoordeeld als ongunstig – ontoereikend. Deze is echter gunstig indien er voldoende mitigerende maatregelen genomen worden (Arcadis, 2018b). Tabel 23 Bedreigingen en kansen voor de laatvlieger met betrekking tot ontwikkelingen.

Functies voor de soort Verblijfplaats

Foerageergebied

Bedreigingen • • • • •

Vervangen dakpannen/daken (Na-)Isolatie van gebouwen Onderhoud aan gebouwen Sloop gebouwen Verlichting gericht op gebouwen

•

Ruimte onder dakpannen (inclusief toegang) Ruimte laten voor vleermuizen tussen muren (spouw) en deze toegankelijk maken voor laatvlieger

• • •

Verlichting • Verwijderen van vegetatie Verstedelijking/verdwijning agrarisch • landschap • Verdwijnen boerenbedrijven • •

Aanplanten van vegetatie in lijnstructuur Behoud bomen Behoud vegetatie Vermindering verlichting ’s nachts Behoud open grasvelden, parken

• •

Behoud waterkwaliteit Aanleggen waterlichamen met ecologische oevers en beschutting door middel van vegetatie Ruimte onder dakpannen (inclusief toegang) Ruimte laten voor vleermuizen tussen muren

•

Kraamverblijf

Kansen

• • • • • •

Vervuilen/ verwijderen water (Na-)Isolatie van gebouwen Onderhoud aan gebouwen Vervangen dakpannen Sloop gebouwen Verlichting gericht op gebouwen

•

• •

Onze referentie: D10006731:25 - Datum: 19 januari 2021

69 van 114

SMP GEBOUWBEWONENDE SOORTEN WONINGSTICHTING HELPT ELKANDER

Ruige dwergvleermuis Kenmerken en gedrag De ruige dwergvleermuis donkerbruine tot roodbruine vleermuis met kleine, zwarte, ronde oren die sterk lijkt op de gewone dwergvleermuis. De ruige dwergvleermuis is net iets groter dan de gewone dwergvleermuis en heeft een lengte van ca 5,5 cm en een spanwijdte van 23 tot 25 cm. (Verspreidingsatlas zoogdiervereniging, Spoelstra, 2017). De ruige dwergvleermuis is een uitgesproken trekker. ‘s Zomers komen in ons land vooral mannetjes voor. De vrouwtjes komen samen met de opgroeiende jongen vanaf ongeveer midden augustus en in september vanuit het oosten door Nederland. In het voorjaar trekken de vrouwtjes weer naar het oosten (BIJ12, 2017). De ruige dwergvleermuis is een soort van vooral halfopen bosrijk landschap. Waterpartijen en beschutte oevers in voedselrijke gebieden vormen een belangrijk aspect van de biotoop. De ruige dwergvleermuis is een lange afstandstrekker die vanuit Noordoost-Europa 1500 tot 2000 km aflegt om onder meer in Nederland te overwinteren. Afgezien van enkele uitzonderingen zijn er geen kraamkolonies bekend in Nederland (Mostert & Van der Kuil, 2018).

Figuur 21 Ruige dwergvleermuis (www.vleermuis.net).

Beschermingsstatus De ruige dwergvleermuis wordt beschermd onder het beschermingsregime „Europees beschermde soorten‟, Artikel 3.5 Wet natuurbescherming.

Kwetsbare periodes De kwetsbare periodes van de ruige dwergvleermuis zijn als volgt: • Balts- en paar periode: half augustus t/m september. • Winterslaap: November tot en met maart.

Verspreidingsgebied De ruige dwergvleermuis komt in heel Nederland voor, met een zwaarte punt het noordwesten van Nederland (zie Figuur 22). De ruige dwergvleermuis is in ons land een algemeen voorkomende soort. De aantallen in de trektijd, in het najaar, worden geschat op 50.000 tot 100.000 dieren. Er zijn geen gegevens bekend over de trend in de aantallen (BIJ12, 2017). In Figuur 23 is de verspreiding van de ruige dwergvleermuis gegeven binnen het onderzoeksgebied (NDFF, 2019e). Net als voor de andere vleermuissoorten zijn de aantallen gegevens beperkt in het onderzoeksgebied. Doordat de soort voor komt aan de rand van het onderzoeksgebied is het redelijkerwijs te verwachten dat deze soort ook binnen het onderzoeksgebied voor komt, ondanks dat waarnemingen tijdens het soortgericht onderzoek ontbraken.

Onze referentie: D10006731:25 - Datum: 19 januari 2021

70 van 114

SMP GEBOUWBEWONENDE SOORTEN WONINGSTICHTING HELPT ELKANDER

Figuur 22 Kaart van landelijke verspreiding ruige dwergvleermuis (NDFF Verspreidingsatlas zoogdieren, 2018).

Figuur 23 Waarnemingen van de ruige dwergvleermuis uit gegevens van de NDFF inclusief de resultaten van het soortgericht onderzoek uit 2020 (oranje) en in zwart de ligging van het woningbezit van Helpt Elkander.

Onze referentie: D10006731:25 - Datum: 19 januari 2021

71 van 114

SMP GEBOUWBEWONENDE SOORTEN WONINGSTICHTING HELPT ELKANDER

Omvang en trend populatie Van de ruige dwergvleermuis zijn alleen gegevens beschikbaar van de nazomer. Afgezien van enkele uitzonderingen zijn kraamkolonies niet bekend in Nederland. Omdat een groot deel van de populatie afkomstig is uit gebieden ten noordoosten van Nederland is de jaarlijkse aanwas onder meer afhankelijk van weersomstandigheden. Hierdoor kunnen de aantallen van jaar tot jaar dus fors verschillen. Er zijn vooralsnog in ieder geval geen duidelijke aanwijzingen dat het minder goed of minder slecht gaat dan in de periode 2009-2011. De aantallen in de trektijd, in het najaar, worden geschat op 50.000 tot 100.000 dieren.

Staat van instandhouding De staat van instandhouding is op 4 onderdelen beoordeeld, namelijk omvang populatie, verspreidingsgebied, kwaliteit leefgebied en toekomstperspectief. Landelijk Populatieomvang De aantallen in de trektijd, in het najaar, worden geschat op 50.000 tot 100.000 dieren. Er zijn geen aanwijzingen dat er sprake is van een afnemende trend. Hierdoor is er sprake van stabiele trend. Het huidige aantal lijkt overeen te komen met de gunstige referentiewaarde (Ottburg & van der Swaay, 2014). De populatieomvang wordt daarom als gunstig beoordeeld. Verspreidingsgebied De ruige dwergvleermuis komt in heel Nederland voor. Hierdoor is de huidige situatie gunstig. Er lijkt een lichte toename te zijn in het aantal atlasbokken waarin de ruige dwergvleermuis is waargenomen sinds de jaren negentig. Hierdoor is er sprake van een gunstige trend. Kwaliteit van het leefgebied Binnen het leefgebied van de ruige dwergvleermuis zijn momenteel nog voldoende mogelijke verblijfplaatsen in gebouwen (spouwruimtes, dakruimtes, gevelbeplating etc.) en boomholtes aanwezig. Ook is er voldoende leefgebied aanwezig in de vorm van groene omgeving zoals parken, loofbossen, houtsingels en beschutte waterpartijen. Het aanbod in verblijfplaatsen is in gebouwen en bomen afgelopen tien jaar min of meer gelijk gebleven. Hierdoor wordt de trend van kwaliteit van het leefgebied als stabiel beoordeeld.

Kwaliteit van het leefgebied wordt als gunstig beoordeeld. Toekomstperspectief Het aanbod van geschikte verblijfplaatsen neemt vermoedelijk in de toekomst snel af door het grote naisolatieprojecten van woningen dat op stapel staat. Hierdoor verdwijnt de mogelijkheid van verblijfplaatsen in gebouwen voor de ruige dwergvleermuis. Dit effect is wellichter minder ingrijpend dan bij enkel gebouwbewonende soorten zoals de gewone dwergvleermuis doordat ruige dwergvleermuizen ook gebruik maken van boomholtes. Ondanks dit kan de afname aan potentiële verblijfplaatsen in gebouwen ongunstig zijn voor de ruige dwergvleermuis. Verondersteld wordt dat er een afnemende trend is in het aantal geschikte verblijfplaatsen waardoor er sprake is van een ongunstig ontoereikend toekomstperspectief. Deze is echter gunstig indien er voldoende mitigerende maatregelen worden genomen Regionaal Door ontbrekende inventarisatie gegevens in Noord-Brabant is er weinig informatie over de regionale staat van instandhouding. Verwacht wordt dat de landelijke staat van instandhouding overeenkomt met de regionale staat van instandhouding.

Belangrijke omgevingsfactoren Ruige dwergvleermuizen kennen een sterke seizoenstrek. De dieren trekken vooral uit Midden- en OostEuropa en overwinteren onder andere in Nederland. Ruige dwergvleermuizen foerageren minder dan de gewone dwergvleermuizen tussen de bebouwing (36%) en veel meer dieren boven open gebied (28%). Ongeveer de helft van de dieren werd aangetroffen in bossen en groenstroken (49%) en maar liefst 62% foerageerde boven watergangen (Mostert, 2012).

Belang van gebouwen Verblijfplaatsen van ruige dwergvleermuizen zijn bekend in bomen, nest- en vleermuiskasten en in gebouwen achter betimmering, dakbedekking of op zolders. In Nederland zijn er slechts enkele kraamkolonies bekend in het noorden. Onze referentie: D10006731:25 - Datum: 19 januari 2021

72 van 114

SMP GEBOUWBEWONENDE SOORTEN WONINGSTICHTING HELPT ELKANDER

Ruige dwergvleermuizen hebben vaak meerdere paarverblijfplaatsen op korte afstand van elkaar die ze gebruiken. Vooral in oude loofbossen met veel water kunnen veel paarverblijven aanwezig in de holle bomen. De winterverblijven in gebouwen zijn te vinden in de spouwmuur, onder dakpannen of achter betimmering. Daarnaast zijn er ook winterverblijfplaatsen van de ruige dwergvleermuis bekend in boomholtes en nest- en vleermuiskasten. Het zijn geen vaste slapers, die gedurende de winter een andere (warmere) verblijfplaats opzoeken als de temperatuur omlaaggaat.

Bedreigingen en kansen ruimtelijke ingrepen Het aanbod van geschikte verblijfplaatsen neemt vermoedelijk in de toekomst snel af door het grote naisolatieprojecten van woningen dat op stapel staat. Hierdoor verdwijnt de mogelijkheid van verblijfplaatsen in gebouwen voor de ruige dwergvleermuis. Dit effect is wellichter minder ingrijpend dan bij enkel gebouwbewonende soorten zoals de gewone dwergvleermuis doordat ruige dwergvleermuizen ook gebruik maken van boomholtes. Ondanks dit kan de afname aan potentiële verblijfplaatsen in gebouwen ongunstig zijn voor de ruige dwergvleermuis. Verondersteld wordt dat er een afnemende trend is in het aantal geschikte verblijfplaatsen waardoor er sprake is van een ongunstig ontoereikend toekomstperspectief. Deze is echter gunstig indien er voldoende mitigerende maatregelen worden genomen. Tabel 24 Bedreigingen en kansen voor ruige dwergvleermuis met betrekking tot ontwikkelingen.

Functies voor de soort Verblijfplaats

Foerageergebied

Bedreigingen

Kansen

• • • • •

Vervangen dakpannen/daken (Na-)Isolatie van gebouwen Onderhoud aan gebouwen Sloop gebouwen Verlichting gericht op gebouwen

•

Ruimte onder dakpannen (inclusief toegang) Ruimte laten voor vleermuizen tussen muren (spouw) en deze toegankelijk maken voor laatvlieger

• • •

Verlichting • Verwijderen van vegetatie Verstedelijking/verdwijning agrarisch • landschap • Verdwijnen boerenbedrijven • •

Aanplanten van vegetatie in lijnstructuur Behoud bomen Behoud vegetatie Vermindering verlichting ’s nachts Behoud open grasvelden, parken

•

Onze referentie: D10006731:25 - Datum: 19 januari 2021

•

73 van 114

SMP GEBOUWBEWONENDE SOORTEN WONINGSTICHTING HELPT ELKANDER

Huismus Kenmerken en gedrag De huismus is een 14 tot 16 cm grote vogel. Het mannetje en vrouwtje verschillen van elkaar in uiterlijk waarbij het mannetje van het vrouwtje te onderscheiden is door de zwarte oogstreep en met name de zwarte bef tot op de bovenborst. Ze zijn erg honkvast, sociaal en broeden in kolonies van enkele paren tot soms wel 100 paar. De broedtijd ligt meestal tussen begin april t/m augustus met soms drie nesten in één jaar waarbij de nestbouw al vroeg in maart kan beginnen (BIJ12, 2017d).

Figuur 24 Huismussen (man met juvenielen) (afbeelding van Landschap Overijssel).

Beschermingsstatus De huismus is een beschermde inheemse diersoort als bedoeld in artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming op basis van het feit dat de soort is opgenomen in Bijlage II/2 van de Vogelrichtlijn. De huismus staat vermeld op de lijst met vogelsoorten waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn (RVO, 2009). De nesten van huismussen vallen onder categorie 2 van vogelnesten: nesten van koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing of biotoop. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en beperkt beschikbaar. De huismus staat tevens als gevoelig vermeld op de Rode Lijst van Nederlandse broedvogels (BIJ12, 2017, Sovon, 2018). Dit komt omdat het recente herstel nog te beperkt is om te compenseren voor de grote afname die eind vorige eeuw heeft plaatsgevonden. In stedelijk gebied zijn zowel nestgelegenheid als voedselbeschikbaarheid afgenomen. Op het platteland is vooral het voedselaanbod afgenomen (Sovon, 2018).

Kwetsbare periode Tijdens kwetsbare perioden, met name tijdens de broedperiode, moet aantasting van de verblijfplaatsen en het foerageergebied voorkomen worden.

Onze referentie: D10006731:25 - Datum: 19 januari 2021

74 van 114

SMP GEBOUWBEWONENDE SOORTEN WONINGSTICHTING HELPT ELKANDER

Figuur 25 Op hoofdlijnen weergegeven de kwetsbare perioden van huismus (BIJ12, 2017).

Verspreidingsgebied De huismus komt wijdverspreid in Nederland voor (SOVON, 2018b). De huismus komt hierbij in bebouwde kernen voor evenals op boerderijen in het buitengebied. De huismus komt in Provincie Noord-Brabant vrijwel overal voor in gebieden met bebouwing, tenzij geen nestgelegenheid en/of voedsel aanwezig is. Door het grote aantal atlasblokken in de provincie waar de soort aanwezig is, is huidige situatie gunstig. De verspreiding is sinds 1973 (niet afgebeeld) en in de afgelopen tien jaar niet substantieel veranderd, waarmee de trend als stabiel kan worden beoordeeld.

Figuur 26 Kaart van Landelijke verspreiding huismus (SOVON, 2018b).

In onderstaande kaart is de huismusverspreiding weergegeven gebaseerd op waarnemingen uit de NDFF (NDFF, 2019). Deze soort heeft een ruime verspreiding binnen de onderzoeksgebieden van Helpt Elkander.

Onze referentie: D10006731:25 - Datum: 19 januari 2021

75 van 114

SMP GEBOUWBEWONENDE SOORTEN WONINGSTICHTING HELPT ELKANDER

Figuur 27 Waarnemingen van de huismus uit gegevens van de NDFF inclusief de resultaten van het soortgericht onderzoek uit 2020 (oranje) en in zwart de ligging van het woningbezit van Helpt Elkander.

Omvang en trend populatie De broedpopulatie in Nederland wordt volgens de laatste betrouwbare aantalsgegevens door Sovon geschat op 500.000 en 1.000.000 broedparen. De huismus heeft een sterke afname gehad in Nederland sinds 1990. In de laatste tien jaar neemt het aantal broedparen in het buitengebied weer toe (SOVON & CBS, 2015a). Uit de gegevens van het stadvogelmeetnet MUS (meetnet urbane soorten) blijkt dat de huismus de afgelopen tien jaar binnen het stedelijk gebied stabiel is (SOVON & CBS, 2015a). Door de sterke afname is de huidige situatie desondanks ongunstig.

Figuur 28 Trend van broedende huismussen in Nederland. Weergegeven is de jaarlijkse index van de broedpopulatie t.o.v. 1990 en de standaardfout. Deze grafiek is gebaseerd op het Meetnet Broedvogels (BMP).

Onze referentie: D10006731:25 - Datum: 19 januari 2021

76 van 114

SMP GEBOUWBEWONENDE SOORTEN WONINGSTICHTING HELPT ELKANDER

Staat van instandhouding De staat van instandhouding is op 4 onderdelen beoordeeld, namelijk omvang populatie, verspreidingsgebied, kwaliteit leefgebied en toekomstperspectief. Landelijk Populatieomvang De broedpopulatie in Nederland is geschat op 500.000 – 1.000.000 broedparen (Sovon, 2019d). De populatie is ten opzichte van 1994 echter aanzienlijk afgenomen. Hierdoor is de staat van instandhouding ongunstig (Arcadis, 2018b). Hierdoor is ook de trend beoordeeld als verslechterd. Verspreidingsgebied De huismus komt vrijwel overal voor behalve in gebieden waar bebouwing ontbreekt of wijken waar geen nestgelegenheid en/of voedsel is. De verspreiding van de soort overlapt met die van de aanwezigheid van concentraties mensen. Door het grote aantal atlasblokken is de huidige situatie beoordeeld als gunstig. Het aantal atlasblokken waar de soort in voorkomt is de afgelopen tien jaar niet substantieel veranderd. De trend wordt daarmee beoordeeld als stabiel (Arcadis, 2018b). Kwaliteit van het leefgebied Huismussen komen voornamelijk voor bij huizen met nestgelegenheid en in de directe omgeving van een groene maar liefst wat rommelige omgeving. Dergelijke locaties komen steeds minder voor. Door minder geschikte landschappelijke conditie en voedselbeschikbaarheid is de huidige situatie voor de huismus beoordeeld als ongunstig-ontoereikend (Arcadis, 2018b).

Leefgebieden die aan de eisen voldoen van de huismus nemen af. De foerageer- en nestgebieden staan onder druk door verstening en afname aan nestplekken. De trend is beoordeeld als verslechterd (Arcadis, 2018b) Toekomstperspectief Door de positieve inspanningen van vogelwerkgroepen, gemeentes die natuurinclusief bouwen en een grote belangstelling onder particulieren voor vogels lijkt de afname van de huismus gestopt. Toch vormt de grote nadruk op na-isolatie van woningen een grote bedreiging van de huismus. Populaties zijn meer versnipperd geraakt en kleiner geworden en geschikt leefgebied is op veel plekken niet meer aanwezig. Het toekomstperspectief is hiermee beoordeeld als ongunstig – ontoereikend. Regionaal Verwacht wordt dat de landelijke staat van instandhouding redelijk overeenkomt met de regionale situatie.

Belangrijke omgevingsfactoren Voor hun foerageergebied hebben huismussen veel baat bij een grote onbebouwde oppervlakte, zoals een park, grote tuin of akkerland in de nabijheid van nestplaatsen. Huismussen hebben veel behoefte aan dekking in hun leefgebied, waardoor hagen, heggen, wanden met klimop, dichte bomen en struiken een vereiste zijn voor de huismus om te vestigen. Ook aanwezigheid van zand(vlaktes) hebben een grote invloed op de potentiële aanwezigheid van huismussen, omdat zij stofbaden nemen om hun verenkleed schoon te houden (BIJ12, 2017d). Naast de beschutting en de zandbaden is ook de aanwezigheid van foerageergebieden bepalend voor de aanwezigheid van huismussen. De voedselbronnen moeten jaarrond aanwezig zijn, en binnen enkele honderden meters bij de verblijfplaatsen liggen omdat de dieren niet ver van hun nest gaan om te foerageren. Ook moet er op enkele meters afstand van de foerageerplekken schuilmogelijkheid aanwezig zijn, bijvoorbeeld in de vorm van groenblijvende struiken. Ook dienen er plekken te zijn waar huismussen kunnen drinken en/of badderen (bijvoorbeeld een vijver).

Onze referentie: D10006731:25 - Datum: 19 januari 2021

77 van 114

SMP GEBOUWBEWONENDE SOORTEN WONINGSTICHTING HELPT ELKANDER

Figuur 29 Factoren die de huismuspopulatie in het stedelijk gebied (kunnen) beïnvloeden.

Belang van gebouwen De huismus is sterk geassocieerd met bebouwing (al dan niet in een landelijke of groene omgeving). Deze omgeving gebruiken ze voor verblijf- of broedplaats waarbij ze vaak dichte heggen maar met name gebouwen gebruiken waar ze nesten maken onder de dakrand of in andere holtes, bijvoorbeeld in de gevel. Mussen hebben hierbij een voorkeur voor locaties waar ze zich in de ochtendzon kunnen opwarmen. Huismussen stellen geen hele strenge eisen aan hun verblijfplaatsen, maar wel aan de omgevingsfactoren binnen hun habitat. Dakpannen dienen gegolfd te zijn zodat er voldoende ruimte is voor een nest, met een aanvliegopening van redelijke grootte. Daken met overstek hebben ook een verhoogde kans op aanwezigheid van de huismus. Daarnaast hebben huismussen een sterke behoefte aan beschutting in de vorm van hagen en andere vegetatie. In enkele gevallen worden huismussen bij gebrek aan betere verblijfplaatsen aangetroffen in platte daken die ze via openingen bereiken of in nestkasten. Voor de huismus is niet alleen de ruimte van belang, maar deze moeten ook toegankelijk zijn (en blijven). Huismussen zijn extreem honkvast, en kiezen over het algemeen éénmalig een verblijfplaats waar ze het hele jaar door blijven. Als ze een nieuwe nestplaats kiezen zal dit zeer dicht bij de bestaande nestlocaties zijn.

Om deze reden is voorzichtig omgaan met verblijfplaatsen van huismus op of rondom gebouwen een absolute vereiste.

Bedreigingen en kansen ruimtelijke ingrepen Tabel 25 Bedreigingen en kansen voor de huismus met betrekking tot ontwikkelingen in het stedelijk gebied.

Functies voor de soort Verblijfplaats

Foerageergebied

Bedreigingen

Kansen

• • • • •

(Na-)Isolatie van gebouwen Onderhoud aan gebouwen Gebruik van platte dakpannen Vervangen dakpannen Sloop gebouwen

•

•

Aanbrengen voorzieningen voor huismus en/of gierzwaluw Behoud van ruimte onder dakpannen Gebruik van gegolfde dakpannen

•

Verwijderen van vegetatie

•

Behoud vegetatie

Onze referentie: D10006731:25 - Datum: 19 januari 2021

•

78 van 114

SMP GEBOUWBEWONENDE SOORTEN WONINGSTICHTING HELPT ELKANDER

Functies voor de soort

Bedreigingen •

Verstedelijking

Kansen • •

Dekking

• • •

Verwijderen van vegetatie Asfalteren zandgronden Kaalkappen van oevers of aanleggen van oevers zonder dekking

• • •

•

Onze referentie: D10006731:25 - Datum: 19 januari 2021

Behoud open grasvelden, parken, groenstroken en bermen Aanleg en beheer openbare ruimte zoals grasvelden, parken, groenstroken en bermen met voldoende houtopstand. Met name rond heggen is een beheer met schoffelen en wieden kansrijk Aanleg hagen, wanden met klimplanten Planten coniferen en andere dichte bomen Aanleg zandgronden voor stofbad in combinatie met aanwezigheid dekking (dichte struik of heg) Aanleg natuurvriendelijke oevers in combinatie met aanleg dekking (bv bramen of rozen langs het water)

79 van 114

SMP GEBOUWBEWONENDE SOORTEN WONINGSTICHTING HELPT ELKANDER

Gierzwaluw Kenmerken en gedrag De gierzwaluw is een kleine tot middelgrote vogel (17-18.5cm grootte, 40-44 cm. spanwijdte). Het is een behendige, gestroomlijnde vogel met lange, spitse, sikkelvormige vleugels en een gevorkte staart. De gierzwaluw is een (semi-) koloniebroeder waarbij ze vaak gebruik maken van bestaande bebouwing. Ze zijn enorm honkvast en gebruiken vaak jaren achtereen dezelfde nestplaats met dezelfde partner. De gierzwaluw overwinterd in Afrika en komt halverwege april-mei weer in Nederland aan. In juli-augustus vertrekken ze weer richting hun overwinteringsgebieden (BIJ12, 2017a).

Figuur 30. Gierzwaluw (afbeelding eigendom van Vivara).

Beschermingsstatus De gierzwaluw is een beschermde inheemse diersoort als bedoeld in artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming op basis van het feit dat de soort is opgenomen in Bijlage II van de Vogelrichtlijn. De gierzwaluw staat vermeld op de lijst met vogelsoorten waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn (RVO, 2009). Op deze lijst vallen de gierzwaluwnesten onder categorie 2 “nesten van deze semikoloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing of biotoop. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar”. De gierzwaluw staat niet vermeld op de Rode Lijst van Nederlandse broedvogels (BIJ12, 2017).

Kwetsbare periode De kwetsbare periode van de gierzwaluw is de voortplantingsperiode deze loopt van half april tot half augustus (Figuur 31). De genoemde periode kan eerder of later beginnen of eindigen, afhankelijk van de lokale klimatologische omstandigheden. Ook per broedpaar kan de voortplantingsperiode verschillen. Een gierzwaluwdeskundige kan de exacte periode van voortplanting aangeven (BIJ12, 2017).

Figuur 31 Op hoofdlijnen weergegeven de kwetsbare periode van gierzwaluw (BIJ12, 2017).

Onze referentie: D10006731:25 - Datum: 19 januari 2021

80 van 114

SMP GEBOUWBEWONENDE SOORTEN WONINGSTICHTING HELPT ELKANDER

Verspreidingsgebied Broedende gierzwaluwen zijn echter lastig vast te stellen, zowel in totaalaantal als de hoeveelheid broedlocaties. Uit Sovon-gegevens blijkt dat de soort op diverse locaties in Nederland en Noord-Brabant is verdwenen en op andere juist is verschenen. De som hiervan voor het totale verspreidingsgebied is onbekend. De trend wordt momenteel beoordeeld als stabiel, omdat het aantal niet is afgenomen. Gierzwaluwen komen als broedvogel verspreid over heel Nederland voor met de hoogste dichtheden in stedelijk gebied. De gierzwaluw is een zeer mobiele soort en kan daarom als niet-broedvogel vrijwel overal foeragerend gezien worden. Door het relatief groot aantal atlasblokken waar de soort als broedvogel aanwezig is, is de huidige situatie beoordeeld als gunstig.

Figuur 32 Huidige dichtheden gierzwaluwen als broedvogel (SOVON, 2018a).

De soort komt als broedvogel verspreid over heel Noord-Brabant in bebouwd gebied voor, met de hoogste dichtheden in de grote steden. Gierzwaluw is een zeer mobiele soort en foerageert over grote afstanden vanaf de broedlocatie en kan daardoor vrijwel overal gezien worden. Door de verspreiding van de gierzwaluw als broedvogel door heel Noord-Brabant is de huidige situatie beoordeeld als gunstig. Uit Sovongegevens blijkt dat de soort op diverse locaties in Noord-Brabant is verdwenen en op andere juist is verschenen. De som hiervan is onbekend. De trend wordt momenteel beoordeeld als stabiel. In Figuur 33 is de verspreiding van de gierzwaluw soort gegeven (NDFF, 2019). Deze soort heeft een ruime verspreiding binnen de onderzoeksgebieden van Helpt Elkander.

Omvang en trend populatie De broedpopulatie van gierzwaluw wordt volgens de laatste betrouwbare aantalsgegevens geschat op 30.000 tot 60.000 broedpaartjes in Nederland. De soort komt relatief algemeen voor in dorpen en steden is de huidige situatie voor de populatie is daarmee beoordeeld als gunstig. Over de gehele periode 2007-2016 geeft Sovon aan dat er sprake is van een matige afname van broedende gierzwaluwen (zie Figuur 34). Sinds 2013 lijkt in het broedvogelaantal een toename in de broedpopulatie van gierzwaluw. Volgens de laatste gegevens is de populatie nu ongeveer weer op hetzelfde niveau als in 2007. Voor niet-broedvogels is geen trend beschikbaar, omdat de soort na het broedseizoen vrijwel direct uit Nederland verdwijnt. Gezien de stijging sinds 2013 na een eerdere daling is de trend beoordeeld als stabiel.

Onze referentie: D10006731:25 - Datum: 19 januari 2021

81 van 114

SMP GEBOUWBEWONENDE SOORTEN WONINGSTICHTING HELPT ELKANDER

Figuur 33 Waarnemingen van de gierzwaluw uit gegevens van de NDFF inclusief de resultaten van het soortgericht onderzoek uit 2020 (oranje) en in zwart de ligging van het woningbezit van Helpt Elkander.

Figuur 34 Trend van broedende gierzwaluwen in Nederland. Weergegeven is de jaarlijkse index van de broedpopulatie t.o.v. 1990 en de standaardfout. Deze grafiek is gebaseerd op het Meetnet Broedvogels (BMP) van SOVON.

Gierzwaluwen komen in de Provincie Noord-Brabant algemeen voor. Doordat er binnen de Provincie Noord-Brabant geen gebiedsgericht onderzoek naar gierzwaluwen is gedaan, is op basis van de huidige gegevens geen trend te bepalen. De verwachting is dat het aantal nestplaatsen zal toenemen, omdat de gierzwaluw in staat is jonge en oude bebouwing te koloniseren. Daarbij maken ze zowel gebruik van kunstmatige als natuurlijke nestplaatsen.

Onze referentie: D10006731:25 - Datum: 19 januari 2021

82 van 114

SMP GEBOUWBEWONENDE SOORTEN WONINGSTICHTING HELPT ELKANDER

De drempelwaarde voor een genetisch gezonde (deel)populatie wordt volgens de vuistregel dat deze uit minstens 1.000 volwassen (broedende) exemplaren dient te bestaan (Ottburg & Van Swaaij, 2014) waarschijnlijk gehaald.

Staat van instandhouding De staat van instandhouding is op 4 onderdelen beoordeeld, namelijk omvang populatie, verspreidingsgebied, kwaliteit leefgebied en toekomstperspectief. Landelijk Populatieomvang De broedpopulatie wordt geschat op 40.000 – 60.000 dieren. De soort komt relatief veel voor in dorpen en steden en de populatieomvang is voldoende voor een duurzame populatie (Ottburg & van Swaay, 2014). De huidige situatie van de populatie is daarmee beoordeeld als gunstig (Arcadis, 2018b). In de trend is er sprake van een afname in broedende gierzwaluwen sinds 2007. Sinds 2013 lijkt in het broedvogelaantal een toename van gierzwaluw. Volgens de laatste gegevens is de populatie nu weer op hetzelfde niveau als in 2007. De trend wordt daardoor beoordeeld als stabiel (Arcadis, 2018b) Verspreidingsgebied Gierzwaluwen komen als broedvogel verspreid over heel Nederland voor met de hoogste dichtheden in stedelijk gebied. De gierzwaluw is een zeer mobiele soort en kan daarom als niet-broedvogel vrijwel overal foeragerend gezien worden. Door het relatief grote aantal atlasblokken waar de soort als broedvogel aanwezig is, is de huidige situatie beoordeeld als gunstig. Broedende gierzwaluwen zijn lastig vast te stellen, zowel in het totaalaantal als hoeveelheid broedlocaties.

Uit Sovon-gegevens blijkt dat de soort op diverse locaties in Nederland en Gelderland is verdwenen en op andere juist verschenen. De som hiervan voor het totale verspreidingsgebied is onbekend. De trend wordt momenteel beoordeeld als stabiel, omdat het aantal niet is afgenomen (Arcadis, 2018b). Kwaliteit van het leefgebied De gierzwaluw leeft voornamelijk in de lucht waar de soort per dag tienduizenden insecten vangt. Alleen voor het broeden komt de soort naar het aardoppervlak en hierbij broedt de soort vooral in steden en dorpen. Het leefgebied vormt daarvoor geen beperkende factor. Recent onderzoek laat echter wel een sterke afname in biomassa van vliegende insecten zien, dat zijn weerslag kan hebben op soorten die daar voor hun voedsel volledig van afhankelijk zijn. Door de afname in biomassa van insecten is de voedselbeschikbaarheid voor de soort minder geschikt waardoor de situatie beoordeeld als ongunstig – ontoereikend. Ook staan veel broedlocaties onder druk omdat op veel plaatsen dakrenovatie en na-isolatie plaats vindt. Hierdoor is de trend van kwaliteit van het leefgebied beoordeeld als verslechterd (Arcadis 2018b). Toekomstperspectief De broedlocaties van de gierzwaluw worden ook momenteel bedreigd door vele renovatie- en naisolatieprojecten. Daarom is het toekomstperspectief beoordeeld als ongunstig – ontoereikend (Arcadis, 2018b).

Daar staat tegenover dat er vanuit woningcorporaties en lokale vogelwerkgroepen steeds meer aandacht is voor mitigerende maatregelen zoals plaatsen van gierzwaluwkasten. Indien voldoende mitigerende maatregelen genomen worden, is het toekomstperspectief gunstig. Regionaal Verwacht wordt dat de landelijke staat van instandhouding redelijk overeenkomt met de regionale situatie. Voor kwaliteit leefgebied wordt verwacht dat deze hetzelfde is als de landelijke trend, omdat gierzwaluwen grote gebieden overvliegen en het leefgebied daarmee geheel Nederland of zelfs delen van West-Europa kunnen omvatten. Voor het toekomstperspectief geldt hetzelfde voor Noord-Brabant als voor de landelijke populatie. Mits er voldoende mitigerende maatregelen genomen worden, is deze gunstig.

Belangrijke omgevingsfactoren Gierzwaluwen kunnen grote afstanden afleggen naar hun foerageergebieden. Direct geschikt foerageergebied in de omgeving is niet van groot belang voor de gierzwaluw want voedsel wordt hoog in de lucht gevangen. Hoog stedelijk gebied met weinig tot geen groen biedt voor de gierzwaluwen een goede omgeving, vergelijkbaar met een van oorsprong rotsachtige omgeving, omdat het aansluit bij hun leefwijze. De gierzwaluw broedt weinig in het buitengebied. Onze referentie: D10006731:25 - Datum: 19 januari 2021

83 van 114

SMP GEBOUWBEWONENDE SOORTEN WONINGSTICHTING HELPT ELKANDER

Belang van gebouwen Hoge gebouwen zijn door de leefwijze van de gierzwaluw zeer geschikt als broedplaats. De gierzwaluw kan niet vanuit het nest opstijgen en laat zich vanuit het nest eerst zo’n 3 meter naar beneden laten vallen om weg te kunnen vliegen. Het is daarom ook van belang dat de invliegopening vrij toegankelijk is. Bomen, vlaggenmasten, steigers en andere obstakels maken de nestplaats ongeschikt voor de gierzwaluw. De vrije uitvliegbreedte moet ongeveer een meter zijn. Om deze reden is het voor gierzwaluwen zeer belangrijk dat zij in gebouwen hun nest op hoogte kunnen bouwen, liefst aan de dakrand, onder een dakpan of hoog in de spouwmuur. De gierzwaluw is heel kritisch wat betreft de nestplaatsen. Oudere gebouwen bieden door hun bouwstijl vaak geschikte nestplaatsen waardoor de soort relatief vaak in oudere gebouwen nestelt. Mede door de honkvastheid van de soort en het feit dat ze moeilijk nieuwe verblijfplaatsen ontdekken hebben gebouwen van meer dan 50 jaar oud een verhoogde kans op aanwezigheid van gierzwaluwen. Echter kan de soort ook in nieuwe(re) gebouwen voorkomen. Gierzwaluwen zijn maar beperkte tijd in Nederland, waardoor zij niet altijd bij hun verblijfplaats te vinden zijn. Ze zijn zeer honkvast. Ieder jaar keren zij terug naar exact dezelfde nestlocatie.

Bedreigingen en kansen ruimtelijke ingrepen Tabel 26 Bedreigingen en kansen voor de gierzwaluw met betrekking tot ontwikkelingen in het stedelijk gebied.

Functies voor de soort Verblijfplaats

Foerageergebied

Bedreigingen

Kansen

• • • • •

(Na-)Isolatie van gebouwen Onderhoud aan gebouwen Gebruik van platte dakpannen Nieuwbouw Sloop gebouwen

•

•

Verwijderen van boomgroepen of singels Verstedelijking

•

•

Onze referentie: D10006731:25 - Datum: 19 januari 2021

• • •

Aanbrengen voorzieningen voor gierzwaluw Behoud van ruimte onder dakpannen Gebruik van gegolfde dakpannen Behoud oude gebouwen en gevels Behoud groene omgeving voor aanwezigheid prooidieren (niet gebonden aan locaties nesten)

84 van 114

SMP GEBOUWBEWONENDE SOORTEN WONINGSTICHTING HELPT ELKANDER

Huiszwaluw Kenmerken en gedrag De huiszwaluw is een kleine (13 cm grootte, 26-29 cm spanwijdte), gestroomlijnde vogel met een zwarte bovenzijde en een opvallende witte buik. De huiszwaluw eet verschillende vliegende insecten (vooral muggen). Huiszwaluwen trekken in grote groepen tussen eind juli en oktober weg in zuidelijke tot zuidoostelijke richting, via Frankrijk en Italië naar tropisch Afrika. Tussen half april en juni keren zij terug, met een piek in mei.

Figuur 35 De huiszwaluw (SOVON, 2018c).

Beschermingsstatus De huiszwaluw is een soort van de doelsoortenlijst en staat als kwetsbaar op de Rode lijst van vogels. De huiszwaluw is beschermd volgens Bijlage II van het verdrag van Bern en artikel 3.2. van de Wet natuurbescherming, Beschermingsregime soorten van de habitatrichtlijn.

Kwetsbare periodes De kwetsbare periode van de huiszwaluw is de broedperiode. Deze loopt van half mei tot begin augustus.

Verspreidingsgebied De huiszwaluw is relatief algemene verspreid over Nederland, zie Figuur 36 (SOVON, 2018c). De huiszwaluw broedt voornamelijk aan de rand van stedelijk en bebouwd gebied met open velden en water in de nabije omgeving (Vogelbescherming, 2018). Nadat de soort eind jaren 70 volledig verdween uit vooral de steden, is er de laatste jaren spraak van een toename (SOVON & CBS, 2015b).

Onze referentie: D10006731:25 - Datum: 19 januari 2021

85 van 114

SMP GEBOUWBEWONENDE SOORTEN WONINGSTICHTING HELPT ELKANDER

In Figuur 37 is een kaart met het voorkomen van de huiszwaluw weergeven (NDFF, 2019). De huiszwaluw is in mindere mate, maar verspreid waargenomen in het onderzoeksgebied van Helpt Elkander. Net als voor de andere broedvogels zijn enkel binnen de woonkern Gerwen geen verspreidingsgegevens bekend vanuit de NDFF. Gezien de verspreiding is het redelijkerwijs te verwachten dat deze soort aanwezig is in deze woonkern.

Figuur 36 Broedparen in Nederland in 2013-2015 (SOVON, 2018c).

Figuur 37 Waarnemingen van de huiszwaluw uit gegevens van de NDFF inclusief de resultaten van het soortgericht onderzoek uit 2020 (oranje) en in zwart de ligging van het woningbezit van Helpt Elkander. Onze referentie: D10006731:25 - Datum: 19 januari 2021

86 van 114

SMP GEBOUWBEWONENDE SOORTEN WONINGSTICHTING HELPT ELKANDER

Omvang en trend populatie De landelijke aantallen namen sinds ongeveer 1970 met mogelijk een half miljoen broedparen sterk af. De soort verdween in deze periode uit nagenoeg alle grote steden, terwijl de aantallen in dorpen en kleine steden onder druk stonden. Sinds de eeuwwisseling vertonen de aantallen enig herstel. De trend wordt, anders dan bijvoorbeeld bij de Oeverzwaluw, niet rechtstreeks aangestuurd door de neerslag in de Sahel. De Huiszwaluw overwintert namelijk zuidelijker in Afrika.

Figuur 38 Broedvogel trend huiszwaluw (SOVON & CBS, 2019).

Staat van instandhouding De staat van instandhouding is op 4 onderdelen beoordeeld, namelijk omvang populatie, verspreidingsgebied, kwaliteit leefgebied en toekomstperspectief. Landelijk Populatieomvang De landelijke broedpopulatie wordt geschat op 70.000 tot 100.000 broedparen. Vanaf de jaren 70 was er sprake van een sterke afname maar sinds 1995 is er sprake van herstel (Sovon, 2019d). Hierdoor is er sprake van een toenemende trend in de populatie huiszwaluwen. De populatie is voldoende groot voor een duurzame populatie, waardoor de huidige situatie gunstig is. Verspreidingsgebied De huiszwaluw komt in heel Nederland voor. In het aantal bezette atlasblokken is ten opzichte van de periode 1998 – 2000 stabiel. Om deze reden is er sprake van een stabiele trend sinds de jaren 90. Hierdoor is de huidige situatie gunstig. Kwaliteit van het leefgebied De huiszwaluw is voor zijn leefgebied afhankelijk van de aanwezigheid van nestmateriaal (klei of lemige bodems), nestgelegenheid (bebouwing) en voedsel (vliegende insecten). De afname sinds de jaren zeventig is mogelijk veroorzaakt door minder geschikte bebouwing met overstekende dakranden en dakgoten en gladde afdekplaten i.p.v. ruwe bouwsteen (Sovon, 2019d). Nestmateriaal is minder aanwezig door erfverharding, waterverlaging en volbouwen van steden (Sovon, 2019d).

Het aanbieden van kunstnesten is nog te kleinschalig om hiervoor te compenseren. Ook intensivering van agrarisch landgebruik speelt mogelijk een rol (Sovon, 2019d). Hierdoor is de huidige situatie ongunstig. Toekomstperspectief Door aangepaste bouwmethodes, intensivering van landgebruik en afname van beschikbaar nestmateriaal, is het toekomstperspectief ongunstig. Regionaal Verwacht wordt dat de landelijke staat van instandhouding redelijk overeenkomt met de regionale situatie.

Onze referentie: D10006731:25 - Datum: 19 januari 2021

87 van 114

SMP GEBOUWBEWONENDE SOORTEN WONINGSTICHTING HELPT ELKANDER

Belangrijke omgevingsfactoren Huiszwaluwen zijn voor hun voorkomen vooral afhankelijk van de beschikbaarheid van nestmateriaal en voedselrijkdom. Huiszwaluwen hebben klei en leem nodig om hun nest te bouwen en zullen daarom alleen voorkomen op plaatsen waar dit voorhanden is. Voor hun voedsel foerageren ze graag boven wateren en windluwe plekken, aangezien daar veel insecten voorhanden zijn.

Belang van gebouwen Voor huiszwaluwen is een dak met overstek en een ruwe muur essentieel om hun nest te kunnen bouwen tegen de gevel van een woning. Ook hebben ze een voorkeur voor witte of lichte dakoverstekken. Daarnaast hebben zij een voorkeur voor nesten tegen de noordgevel van een woning. Echter worden nesten ook aan andere kanten van gevels waargenomen. Idealiter bouwen huiszwaluwen een nest in de nok van een woning met overstek, tegen dwarsbalkjes voor extra steun. Naarmate er meerdere nesten gebouwd worden tegen elkaar aan kan de gehele kopgevel bezet worden.

Bedreigingen en kansen ruimtelijke ingrepen Tabel 27 Bedreigingen en kansen voor de huiszwaluw met betrekking tot ontwikkelingen in het stedelijk gebied.

Functies voor de soort Verblijfplaats

Bedreigingen •

Bouwen van woningen zonder dakoverstek

Kansen • •

Foerageergebied

• •

Verwijderen van vegetatie Verstedelijking

• • •

Onze referentie: D10006731:25 - Datum: 19 januari 2021

Aanbrengen voorzieningen huiszwaluw Renovatie en behoud oude gebouwen en gevels Behoud vegetatie Behoud open grasvelden, parken, groenstroken en bermen Behoud moddergronden

88 van 114

SMP GEBOUWBEWONENDE SOORTEN WONINGSTICHTING HELPT ELKANDER

Steenmarter Kenmerken en gedrag De steenmarter heeft ongeveer het formaat van een slanke kat (37 tot 52 centimeter en 900 tot 2100 gram) met een asgrauwe tot grijsbruine vacht, grijswitte tot witte ondervacht en witte bef. De steenmarter is territoriaal en leeft solidair. Binnen het territorium kan de soort soms wel tientallen schuilplaatsen hebben, waar ze tussen verplaatsen (Zoogdiervereniging, 2019). Het verlies van één verblijfplaats is daarom niet kritiek voor het voorkomen van de steenmarter, wel dienen genoeg schuilplaatsen over te blijven voor de steenmarter om een nieuwe schuilplaats te vinden.

Figuur 39 Steenmarter. Afbeelding eigendom van Ernst Dirksen.

Beschermingsstatus De steenmarter wordt beschermd onder het beschermingsregime ‘nationaal beschermde soorten’, Artikel 3.10 Wet natuurbescherming. De IUNC-status van deze soort is ‘niet bedreigd’. Ook op de Nederlandse rode lijst staat deze als ‘thans niet bedreigd’.

Kwetsbare periodes De kraamtijd van de steenmarter loopt vanaf maart t/m juli.

Verspreidingsgebied en omvang populatie

Figuur 40 Verspreiding steenmarter in Nederland (NDFF, 2018).

De steenmarter heeft de hoogste dichtheid in het oosten van Nederland en maakt gebruik van gebieden met een afwisseling tussen bebouwing en open velden. In Oost-Nederland komt deze soort vrij algemeen voor, in West-Nederland is deze zeldzaam. Verspreiding van de steenmarter gaat langzaam in Nederland, vanwege het grote wegennetwerk dat de soort moet oversteken om nieuwe territoria te koloniseren. Onze referentie: D10006731:25 - Datum: 19 januari 2021

89 van 114

SMP GEBOUWBEWONENDE SOORTEN WONINGSTICHTING HELPT ELKANDER

In het onderzoeksgebied zijn meerdere waarnemingen verspreid over het gebied bekend van de steenmarter zoals te zien is op de onderstaande kaart (NDFF, 2019). De soort kan sporadisch in alle woonkernen verwacht worden.

Figuur 41 Waarnemingen van de steenmarter uit gegevens van de NDFF inclusief de resultaten van het soortgericht onderzoek uit 2020 (oranje) en in zwart de ligging van het woningbezit van Helpt Elkander.

Belangrijke omgevingsfactoren De steenmarter geeft, zoals zijn naam doet vermoeden, de voorkeur aan stenige verblijfplaatsen. Hij trekt daarmee steeds meer naar stedelijk gebied, vooral rondom parken, landbouwgrond en open velden. Om die reden wordt de steenmarter in het stedelijk gebied voornamelijk aan de stadsrand gezien. Een woning binnen 200m van de stadsrand heeft een aanzienlijk hogere kans op steenmarters dan woningen in het centrum van een stad of dorp.

Belang van gebouwen Binnen de woning houdt de steenmarter zich graag op in kieren of gaten in de buitenmuur. Om daarbij te komen, is een opening handig, bijvoorbeeld een rooster of gat in de gevel. Deze gaten kunnen op hoogte zitten zolang er manieren zijn voor steenmarter om omhoog te klimmen. De steenmarter maakt geen echt nest, maar gebruikt een schuilplaats. Oude stallen, schuren en muren zijn ook geschikte verblijfplaatsen voor de steenmarter.

Bedreigingen en kansen ruimtelijke ingrepen Tabel 28 Bedreigingen en kansen voor de steenmarter met betrekking tot ontwikkelingen in het stedelijk gebied.

Functies voor de soort Verblijfplaats

Bedreigingen • • • •

(Na-)Isolatie van woningen Onderhoud aan woningen Sloop woningen Vervangen dakpannen

Onze referentie: D10006731:25 - Datum: 19 januari 2021

Kansen •

Aanbrengen permanente voorzieningen voor steenmarter

90 van 114

SMP GEBOUWBEWONENDE SOORTEN WONINGSTICHTING HELPT ELKANDER

Foerageergebied

• •

Verwijderen van vegetatie Verstedelijking

• • •

Onze referentie: D10006731:25 - Datum: 19 januari 2021

Behoud vegetatie Behoud open grasvelden, parken, groenstroken en bermen Aanleg grasvelden, parken, groenstroken en bermen met voldoende houtopstand

91 van 114

SMP GEBOUWBEWONENDE SOORTEN WONINGSTICHTING HELPT ELKANDER

BIJLAGE D GEBIEDSGERICHTE MAATREGELEN BIJZONDERE VERBLIJFSFUNCTIES Voorstel gebiedsgerichte aanpak bijzondere verblijfsfuncties Voor een aantal bijzondere verblijfsfuncties is door middel van een stappenplan een gebiedsgerichte generieke aanpak opgesteld. Dit is voor de “meest algemene” bijzondere verblijfsfuncties die met enige regelmaat voor kan komen in een plangebied. Met dit voorstel wordt de generieke goedkeuring uitgebreid met een aantal bijzondere verblijf en soort situaties welke door middel van een vaste mitigatiestrategie worden gemitigeerd, zonder dat daar een goedkeuringstermijn op het maatwerk EWP voor benodigd is. Het ecologisch werkprotocol waarin de maatregelen zijn opgenomen worden dan enkel ter kennisgeving aan bevoegd gezag gestuurd. Het gaat hierbij om de volgende bijzondere verblijfsfuncties: • Kraamkolonies (≤50 individuen) van gewone dwergvleermuis. • Verblijfplaatsen (≤10 individuen) van gewone grootoorvleermuis en laatvlieger. • Kolonie (≤20 nesten binnen cirkel van 50 meter) van huismus en gierzwaluw.

Stappenplan STAP 1: Moment van uitvoering werkzaamheden De werkzaamheden worden ten alle tijden uitgevoerd buiten de gevoelige periode van de betreffende bijzondere verblijfsfunctie (zie Bijlage F voor de kwetsbare periode per soort per verblijfsfunctie). Daarbij worden de verblijfplaatsen voorafgaande aan de werkzaamheden in de daarvoor geschikte periode ontoegankelijk gemaakt (ontmoedigd). De werkzaamheden zijn afgerond voorafgaande aan het volgende seizoen met daarin de kwetsbare periode. Als binnen een project aan deze voorwaarden voldaan wordt volgt stap 2. Wanneer deze voorwaarden niet haalbaar zijn binnen een project, wordt het plan verder uitgewerkt maar volgt een goedkeuringsbesluit door bevoegd gezag. STAP 2: Mitigatie bijzondere verblijfsfuncties Uitgangspunt is dat de bijzondere verblijfsfuncties behouden blijven. Indien dit niet mogelijk is vanwege de voorgenomen ingreep (bijvoorbeeld door sloop/nieuwbouw of verduurzaming) worden vergelijkbare ruimten gecreëerd. In Tabel 29 staat per bijzondere verblijfsfunctie één of meerdere toepassingen voor het creëren van alternatieve verblijfplaatsen. Daarbij is de eerste oplossing de meest gewenste. Tabel 29 Maatregelen voor alternatieve verblijfplaatsen van enkele bijzondere verblijfsfuncties.

Bijzondere verblijfsfunctie

Kraamkolonie (≤50 individuen) gewone dwergvleermuis

Maatregel alternatieve verblijfplaats 1. Vergelijkbare geveldeel toegankelijk maken die buiten de werkzaamheden valt. Hierbij dient de grootte van de ruimte vergelijkbaar te zijn, de oriëntatie ten opzichte van de zon gelijk te zijn, geen verstoring door bijvoorbeeld licht plaats te vinden op de invliegopeningen en goede aansluiting richting leefgebied (groenvoorzieningen). Voorbeeld: de spouwmuur van de liftschacht wordt niet voorzien van isolatiemateriaal. In deze gevel worden meerdere openingen gemaakt, waarbij de voorwaarden vanuit het Kennisdocument Gewone dwergvleermuis wordt gehanteerd voor de invlieghoogte etc.; 2. Indien geen gelijke geveldeel met betrekking tot de oriëntatie van de zon beschikbaar is, maar wel aan de andere eisen voldoet wordt deze gevel toegankelijk gemaakt. De andere voorwaarden zoals bij alternatief 1 blijven gelden. 3. Bij een kraamkolonie ≤25 dieren wordt een drielaags kraamkast, met een omvang van minimaal één vierkante meter, op de locatie van de bijzondere verblijfplaats ingemetseld. Bij een kraamkolonie van 25≤50 dieren wordt een drielaags kraamkast, met een omvang van minimaal anderhalf vierkante meter, op de locatie van de bijzondere verblijfplaats ingemetseld. Indien niet aan bovenstaande voorwaarden kan worden voldaan wordt een alternatief ter goedkeuring naar bevoegd gezag opgestuurd.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13992520/1