CConstaterende datNuenen
Koppel je AI →
Document · PDF

Vinkenhofjes - Bijlage 10 Soortenmanagementplan (SMP) Gebouwbewonende soorten

Gemeenteraad 18 april 2024, gemeente NuenenBij agendapunt: Bestemmingsplan Vinkenhofjes36.314 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 5

Het is niet duidelijk welke specifieke factoren in een vochtige woning hiervoor verantwoordelijk zijn. Waarschijnlijk spelen huisstofmijten en schimmels een belangrijke rol. Ook kan vocht ervoor zorgen dat chemische stoffen zoals formaldehyde uit bouwmaterialen vrijkomen. Daarnaast kan ook een te droge woning tot gezondheidsklachten leiden. In onderzoek is een consistente associatie gevonden tussen vocht in de woning en het voorkomen van luchtwegsymptomen zoals hoesten en piepen. Het is waarschijnlijk dat schimmels een rol spelen in de relatie tussen vochtige woningen en gezondheidseffecten, maar een kwantitatieve onderbouwing hiervan (nog) ontbreekt (bron: www.rivm.nl). Door een huis te bewonen produceert een bewoner vocht. Elke volwassene zweet per dag ongeveer 1 liter vocht uit. Samen met koken en wassen brengt dat dagelijks 10 tot 20 liter vocht in de woning. In een slecht geïsoleerde woning condenseert dat vocht op de koudste oppervakken, zoals glas of metaal. Vocht in huis kan te wijten zijn aan verschillende oorzaken: optrekkend vocht, insijpelen van regenwater, condensatie, een lekke leiding, enz. Vocht in huis beschadigt eigendom en vormt een bedreiging voor de gezondheid. Vocht bevordert de ontwikkeling van schimmels; bacteriën en huismijt, die een bedreiging vormen voor de gezondheid van de bewoners.

Wetenschappelijke studies bij adolescenten die ademhalingsstoornissen hebben, tonen aan dat 83% van de gevallen van astma, astmatische bronchitis en chronische bronchitis en 87% van de gevallen van chronische neusverkoudheid voorkomen bij adolescenten die in vochtige huizen wonen. 20 à 30% van de bevolking lijdt aan ademhalingsallergieën (bron: www.perfectkeur.nl). Woningbouwcorporaties streven dan ook naar een beleid waarbij woningen tijdig worden gecontroleerd op kwaliteit. Op basis daarvan wordt beoordeeld of het noodzakelijk is een woning/complex van woningen te herstellen of te slopen. De woningen worden in principe onderhouden, maar worden gesloopt en vervangen door nieuwbouw wanneer deze in dermate slechte staat zijn en niet tot op de huidige en toekomstige wooneisen opgewaardeerd kunnen worden. In deze gevallen is herstellen geen duurzame oplossing meer.

Onze referentie: D10006731:25 - Datum: 19 januari 2021

40 van 114

SMP GEBOUWBEWONENDE SOORTEN WONINGSTICHTING HELPT ELKANDER

Door isolatie van bestaande woningen en het verbeteren van de ventilatie worden enerzijds de energielasten sterk verlaagd en anderzijds het comfort en het binnenklimaat verbeterd. Voor nieuw te bouwen woningen geldt hetzelfde. Het project draagt daarmee bij aan de verbetering van de volksgezondheid door de woningen dusdanig te isoleren dat vocht en tocht in huis worden beperkt. Op basis van bovenstaande is dan ook voldoende onderbouwd dat er sprake is van een belang voor onderhoud van de woningen, dan wel te slopen en te vervangen door duurzame nieuwbouwwoningen.

5.3.2

Dwingende redenen van groot openbaar belang

Zoals in de vorige paragraaf al genoemd, draagt renovatie of sloop met nieuwbouw bij aan de afspraken zoals deze zijn gemaakt in het Lente-akkoord Energiezuinige Nieuwbouw (waaronder ook vergaande renovatie, herontwikkeling/hergebruik tot nieuwbouwniveau), dat is ondertekend door Aedes, Bouwend Nederland, NEPROM, NVB en de minister van Binnenlandse Zaken en Koningsrelaties. Het doel van dit akkoord is als volgt: “Het convenant heeft betrekking op het terugdringen van het energieverbruik in gebouwen door de toepassing van al bewezen maar nog onvoldoende in de markt toegepaste concepten en technieken voor energiebesparing gerelateerd aan verwarmen, koelen, ventileren, tapwaterverwarming en eventueel andere gebouw gebonden energiefuncties. […]”. Renovatie of sloop met nieuwbouw en opwekken van stroom door middel van zonnepanelen zorgt voor een duurzamer woningbestand met energiezuinige woningen. De opwekking van energie gaat namelijk gepaard met uitstoot van onder andere CO2. Deze uitstoot geeft aanleiding tot klimaatverandering, met negatieve effecten voor het leefklimaat tot gevolg. Klimaatverandering kan namelijk leiden tot belangrijke economische schade als gevolg van: • Zeespiegelstijging met risico op overstromingen verzilting. • Vergroting weersextremen (extreme regenval en langere droogteperiodes). • Beperkingen in zoetwatervoorzieningen.

• Toenemend risico op (infectie)ziekten en plagen. • Bedreiging van de energievoorziening. Een belangrijk doel van de woningverbetering, het verduurzamen van bestaande bebouwing of het vervangen van oude woningen door energiezuiniger woningen, is het terugdringen van energieverbruik door het verhogen van de isolatie van bestaande woningen of bouw van energiezuiniger woningen en daarmee het verlagen van het energielabel. Hiermee wordt bijgedragen aan een verminderd energieverbruik en wordt de uitstoot van CO2 gereduceerd, met gunstige effecten op het milieu en volksgezondheid tot gevolg. Doordat het SMP voor het gehele woningbezit van Helpt Elkander is opgesteld, dragen renovatie, verduurzaming en/of nieuwbouw substantieel bij aan een afname in het gebruik van fossiele brandstoffen en daarmee een reductie in CO2-uitstoot. Vanwege veranderingen in het klimaat en de eindigheid van fossiele brandstoffen, is er een groot belang bij het besparen van energie. Een reductie in de uitstoot van CO 2 en daarmee het beperken van de (gevolgen van) klimaatverandering is dan ook essentieel in het kader van klimaatmitigatie en dient een groot maatschappelijk belang, onder andere op het vlak van veiligheid en natuurbescherming.

5.3.3

Bescherming van flora en fauna

Klimaatverandering kan tot gevolg hebben dat soorten zich verplaatsen ten gevolge van verandering/ ongeschikt worden habitat, uitsterven van soorten, verandering in de voedselketen. Hoewel de toepassing van het tegengaan van de effecten van het broeikaseffect een mondiale aangelegenheid is, is de ontwikkeling van en het streven naar reductie van emissies voor ieder individueel land een belangrijk politiek thema. Wil op mondiaal niveau de problematiek van het broeikaseffect worden aangepakt, dan zal ook op nationaal niveau dienen te worden geïnvesteerd. Nederland heeft hier ook verdragen voor getekend die zij dient na te komen. De nadelige effecten van het broeikaseffect zijn divers, zonder maatregelen om de effecten een halt toe te roepen dan wel te minimaliseren zullen de consequenties voor veel dieren en planten een desastreuze uitwerking hebben met als worstcase het (lokaal) uitsterven tot gevolg. Iets wat nu ook al plaatsvindt. Door het klimaatprobleem bij de bron aan te pakken (vermindering uitstoot broeikasgassen) kunnen hier op den duur velerlei soorten baat bij hebben.

Onze referentie: D10006731:25 - Datum: 19 januari 2021

41 van 114

SMP GEBOUWBEWONENDE SOORTEN WONINGSTICHTING HELPT ELKANDER

Helpt Elkander heeft ervoor gekozen om bestaande − en ook nieuwe woningen − te voorzien van verblijfplaatsen tijdens de woningverbeteringen voor zover de betreffende soorten in de betreffende wijk voorkomen. Het realiseren van de verblijfplaatsen van gebouwbewonende soorten zorgt ervoor dat de woningcorporaties en particulieren actief een bijdrage leveren aan de biodiversiteit. Hierbij worden meer maatregelen getroffen dan noodzakelijk vanuit individuele plannen en projecten. Met deze strategie wordt een extra bijdrage geleverd aan de lokale en regionale instandhouding van populaties aan gebouwbewonende soorten. Doordat het gehele woningbezit generiek wordt aangepakt, raken wijken die nu niet geschikt zijn geschikt. Dit resulteert in een plus voor de lokale populatie. In plaats van dat alleen soorten die voor de werkzaamheden aanwezig waren een verblijf terug krijgen, krijgen nu alle soorten een plaats. Door de werkzaamheden aan de gebouwen in het plangebied op projectmatige wijze uit te voeren, is er zicht op de maatregelen die worden uitgevoerd en kunnen de nodige mitigerende maatregelen worden getroffen en is effectieve handhaving mogelijk. Wanneer deze maatregelen, inclusief mitigerende maatregelen, nu goed worden uitgevoerd. De mitigerende maatregelen zijn zowel generiek als specifiek.

Zo wordt voor grotere (kraam)kolonies en winterverblijfplaatsen van vleermuizen ook systematisch gemitigeerd op basis van maatwerk. Door de renovatiewerkzaamheden in het SMP uit te voeren, is op deze wijze ook voor dit aspect sprake van het belang bescherming van flora en fauna.

Onze referentie: D10006731:25 - Datum: 19 januari 2021

42 van 114

SMP GEBOUWBEWONENDE SOORTEN WONINGSTICHTING HELPT ELKANDER

6

LITERATUURLIJST

Arcadis (2017) SMP gebouwbewonende soorten Leystromen. Arcadis Nederland B.V. Maastricht. Arcadis (2018a). SMP gebouwbewonende soorten St. Joseph. Arcadis Nederland B.V., Maastricht. Arcadis (2018b). De Staat van Instandhouding. Factsheets voor 25 soorten in Gelderland. Arcadis Nederland B.V., Arnhem. Arcadis (2019a). Mitigatiecatalogus Gebouwbewonende soorten. Arcadis Nederland B.V. Assen. BIJ12. (2017a). Kennisdocument - Gierzwaluw. Retrieved May 23, 2019, from https://www.bij12.nl/assets/BIJ12-2017-006-Kennisdocument-Gierzwaluw-1.0.pdf. BIJ12. (2017b). Kennisdocument gewone dwergvleermuis. Retrieved May 23, 2019, from https://www.bij12.nl/assets/BIJ12-2017-004-Kennisdocument-Gewone-dwergvleermuis-1.0.pdf. BIJ12. (2017c). Kennisdocument gewone grootoorvleermuis. Retrieved May 23, 2019, from https://www.bij12.nl/assets/BIJ12-2017-005-Kennisdocument-Gewone-grootoorvleermuis-1.0.pdf. BIJ12. (2017d). Kennisdocument huismus. Retrieved May 23, 2019, from: https://www.bij12.nl/assets/BIJ12-2017-009-Kennisdocument-Huismus-1.0.pdf. BIJ12. (2017e). Kennisdocument ruige dwergvleermuis. Retrieved May 23, 2019, from: https://www.bij12.nl/assets/BIJ12-2017-018-Kennisdocument-Ruige-dwergvleermuis-1.0.pdf. Dietz, C., Helversen, O. von & Nill, D. (2011). Vleermuizen – alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika. De Fontein|Tirion Uitgevers B.V., Utrecht. Pag. 290-295. Mostert, K. (2012).

Vleermuizen in Den Haag en omgeving 2009-2011. Mostert, K., & Van der Kuil, R. (2018). Vleermuizen in Den Haag en omgeving (in voorbereiding). NDFF. (2019a). Verspreidingsatlas zoogdieren - Eptesicus serotinus. Retrieved 17-07-2019, from https://www.verspreidingsatlas.nl/8496081. NDFF. (2019b). Verspreidingsatlas zoogdieren - Martes foina. 17-07-2019, from https://www.verspreidingsatlas.nl/8496122. NDFF. (2019c). Verspreidingsatlas Zoogdieren - Pipistrellus. 17-07-2019, from https://www.verspreidingsatlas.nl/8496199. NDFF. (2019d). Verspreidingsatlas Zoogdieren - Plectorus auritus. 17-07-2019, from https://www.verspreidingsatlas.nl/8496204. NDFF. (2020). Verspreidingsatlas Zoogdieren - Pipistrellus pygmaeus. 30-03-2020, from https://www.verspreidingsatlas.nl/8496202#. Ottburg, F.G.W.A., van Swaay, C.A.M. (2014). Gunstige referentiewaarden voor populatieomvang en verspreidingsgebied van soorten van bijlage II, IV en V van de Habitatrichtlijn. Wageningen UR, Wettelijke Onderzoekstaken Natuur & Milieu, WOt-rapport 124, Wageningen. SOVON. (2018a). Vogelatlas - Gierzwaluw. Retrieved May 23, 2019, from http://www.vogelatlas.nl/atlas/soorten/soort/7950. SOVON. (2018b). Vogelatlas - Huismus. Retrieved May 23, 2019, from http://www.vogelatlas.nl/atlas/soorten/soort/15910. SOVON. (2018c). Vogelatlas - Huiszwaluw.

Retrieved May 23, 2019, from http://www.vogelatlas.nl/atlas/soorten/soort/10010. Onze referentie: D10006731:25 - Datum: 19 januari 2021

43 van 114

SMP GEBOUWBEWONENDE SOORTEN WONINGSTICHTING HELPT ELKANDER

Staatscourant. (2009). Besluit van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 28 augustus 2009, nr. 25344. 13201. Retrieved from https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2009-13201.html. Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus, Zoogdiervereniging (2017) Vleermuisprotocol 2017, maart 2017. www.netwerkgroenebureaus.nl en www.zoogdiervereniging.nl Vleermuiswerkgroep Groningen. (2017). Laatvliegers. Vleermuis.net. Tweekleurige vleermuis. Retrieved March 25, 2020, from https://www.vleermuis.net/vleermuis-soorten/tweekleurige-vleermuis. Vleermuis.net – A-J Haarsma. Watervleermuis. Retrieved March 25, 2020, from https://www.vleermuis.net/vleermuis-soorten/watervleermuis. Vleermuis.net – E. Korsten. Baardvleermuis. Retrieved March 25, 2020, from https://www.vleermuis.net/vleermuis-soorten/baardvleermuis. Vleermuis.net – E. Korsten. Franjestaart. Retrieved March 25, 2020, from https://www.vleermuis.net/vleermuis-soorten/franjestaart. Vleermuis.net – E. Korsten & A-J Haarsma. Meervleermuis. Retrieved March 25, 2020, from https://www.vleermuis.net/vleermuis-soorten/meervleermuis. Vleermuis.net – J. Buys & A-J Haarsma. Grijze grootoorvleermuis. Retrieved March 25, 2020, from https://www.vleermuis.net/vleermuis-soorten/grijze-grootoorvleermuis. Vleermuis.net – P. Twisk. Rosse vleermuis.

Retrieved March 25, 2020, from https://www.vleermuis.net/vleermuis-soorten/rosse-vleermuis. Vogelbescherming. (2018). Huiszwaluw. Retrieved August 7, 2018, from https://www.vogelbescherming.nl/ontdek-vogels/kennis-over-vogels/vogelgids/vogel/huiszwaluw. Vogelbescherming Nederland. Slechtvalk. Retrieved March 25, 2020, from https://www.vogelbescherming.nl/ontdek-vogels/kennis-over-vogels/vogelgids/vogel/slechtvalk#Leefwijze Zoogdiervereniging. (2018a). Onvoldoende bekende populatietrend en omvang van gebouwbewonende soorten. Retrieved August 6, 2018, from http://www.vleermuizenindestad.nl/onvoldoende-bekendepopulatietrend-en-omvang-van-gebouwenbewonende-soorten. Zoogdiervereniging. (2018b). Steenmarter. Retrieved May 23, 2019, from http://www.zoogdiervereniging.nl/steenmarter.

Onze referentie: D10006731:25 - Datum: 19 januari 2021

44 van 114

SMP GEBOUWBEWONENDE SOORTEN WONINGSTICHTING HELPT ELKANDER

BIJLAGE A WETTELIJK KADER SOORTBESCHERMING WNB De Wet natuurbescherming (verder Wnb) is op 1 januari 2017 in werking getreden. De wet is in de plaats gekomen van de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. De wet is ingedeeld in hoofdstukken en kent een algemeen deel (hoofdstuk 1), delen over Natura 2000-gebieden (hoofdstuk 2), soorten (hoofdstuk 3), houtopstanden, hout en houtproducten (hoofdstuk 4), verder delen die gaan over vrijstellingen, beschikkingen en verplichtingen (hoofdstuk 5), financiële bepalingen (hoofdstuk 6), handhaving (hoofdstuk 7), overige bepalingen (hoofdstuk 8) en tot slot een beschrijving van het overgangsrecht (hoofdstuk 9) en een beschrijving van de wijziging van overige wetten (hoofdstuk 10).

Provincie bevoegd gezag De taken en verantwoordelijkheden voor het verlenen van ontheffingen overgedragen van het Rijk naar de provincies. Het rijk blijft bevoegd gezag voor specifieke handelingen en activiteiten, zoals hoofdwegen, primaire waterkeringen en militaire luchthavens en terreinen. Voor de woningbouwcorporatie betekent dit dat de Provincie Noord-Brabant bevoegd gezag is geworden voor het verlenen van ontheffingen voor de soortenbescherming in het kader van renovatie en onderhoud (onderhavig project). De Omgevingsdienst Brabant Noord voert de taken met betrekking tot de Wet Natuurbescherming uit voor de Provincie Noord-Brabant. De Provincie Noord-Brabant heeft de uitvoering van de Wet natuurbescherming vastgelegd in de Verordening natuurbescherming Noord-Brabant, welke 1 januari 2017 inwerking is getreden en de Beleidsregel natuurbescherming Noord-Brabant, vastgesteld op 1 januari 2017. Verder is het wenselijk om bij grote projecten of SMP’s om gebruik te maken van de mogelijkheid tot ‘vooroverleg’.

Algemene zorgplicht voor alle soorten De Wnb kent ook een algemene zorgplicht. Deze houdt in dat eenieder voldoende zorg in acht neemt voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en – in dit geval - soorten. Dit laatste geldt ook voor soorten die niet specifieke beschermd zijn (art 1.11, lid 1). Dit houdt in ieder geval in dat handelen of nalaten van handelen dat schadelijk kan zijn zo veel mogelijk achterwege gelaten dient te worden (art 1.11, lid 2). Deze algemene zorgplicht geldt altijd en overal, met slechts als uitzondering handelingen die op grond van de Visserijwet worden uitgevoerd (art 1.11, lid 3). Overtredingen zijn strafbaar onder last van bestuursdwang (art 7.1 lid 2 onder a).

Specifiek beschermde soorten De wet maakt onderscheid in drie categorieën van beschermde soorten, namelijk: • Vogels. • Overige Europees beschermde soorten. • Nationaal beschermde soorten. Vogels Alle van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn zijn in Nederland beschermd. De soorten van artikel 1 van Vogelrichtlijn zijn alle vogelsoorten die op het Europese grondgebied van de lidstaten van de EU voorkomen. Het deel daarvan dat van nature in Nederland voorkomt, is dus beschermd (art. 3.1 lid 1). Overige Europees beschermde soorten In deze categorie vallen alle in het wild levende dieren zoals genoemd in: • bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, • bijlage II bij het Verdrag van Bern of; • bijlage I bij het Verdrag van Bonn; (art. 3.5 lid 1) en (in hun natuurlijke verspreidingsgebied) planten van soorten, genoemd in: • bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of; • bijlage I bij het Verdrag van Bern; (art. 3.5, lid 5) De bijlagen zijn zeer uitgebreid en er staan ook veel soorten op genoemd die van nature niet in Nederland voorkomen.

Onze referentie: D10006731:25 - Datum: 19 januari 2021

45 van 114

SMP GEBOUWBEWONENDE SOORTEN WONINGSTICHTING HELPT ELKANDER

Nationaal beschermde soorten Naast de soorten waarvan de bescherming op Europees niveau verplicht is gesteld, is er ook een aantal soorten op nationaal niveau beschermd. Dit is dus een “nationale kop” op de Europese bescherming. Het gaat hierbij om soorten die zeer zeldzaam en/of bedreigd zijn, en waarvan het duurzaam voortbestaan niet is verzekerd als geen beschermingsmaatregelen worden getroffen. De soorten waar het om gaat zijn opgenomen op de bijlage bij de wet (art. 3.10, lid 1 onder a en c).

Verbodsbepalingen, vrijstellingen en ontheffingen Verbodsbepalingen Ten aanzien van vogels verbiedt de wet het opzettelijk doden of vangen (art. 3.1 lid 1), het opzettelijk vernielen van nesten, rustplaatsen en eieren (art. 3.1 lid 2), het rapen of onder zich hebben van eieren (art. 3.1 lid 3) en het opzettelijk storen van vogels (art. 3.1lid 4). Het verbod tot opzettelijk storen geldt niet in het geval de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort (art. 3.1 lid 5). Ten aanzien van de overige Europees beschermde diersoorten verbiedt de wet het opzettelijk doden of vangen (art 3.5 lid 1), het opzettelijk verstoren (art 3.5 lid 2), het opzettelijk vernielen of rapen van eieren (art 3.5 lid 3) en het beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen (art 3.5 lid 4). Ten aanzien van de Europees beschermde plantensoorten verbiedt de wet het opzettelijk te plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen en vernielen (art 3.5 lid 5). Ten aanzien van de nationaal beschermde diersoorten geldt slechts een verbod tot het opzettelijk doden of vangen (art 3.10 lid 1 onder a) en het opzettelijk beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen (art 3.10 lid 1 onder b).

Ten aanzien van de nationaal beschermde plantensoorten geldt een verbod tot opzettelijk plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen (art 3.10 lid 1 onder c).

Vrijstelling Provinciale staten en de minister van EZ kunnen vrijstelling verlenen van de verbodsbepalingen (art 3.3 lid 2-4; 3.8 lid 2-5, 3.10 lid 2). Voor zover het gaat om de hiervoor beschreven verbodsbepalingen, kan in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting een ontheffing worden verleend van de verbodsbepalingen van artikel 3.1, 3.5 en 3.10, dus ten aanzien van alle beschermde soorten. Een vrijstelling mag alleen worden verleend wanneer aan bepaalde voorwaarden is voldaan. Deze zijn gelijk aan de voorwaarden waaronder een ontheffing verleend kan worden (zie hier onder). Voor welke soorten een vrijstelling geldt, verschilt per bevoegd gezag (ministerie van EZ en de afzonderlijke provincies). De lijst met vrijgestelde soorten van het ministerie is alleen van toepassing op handelingen waarvoor de minister van EZ het gevoegd gezag is. Voor handelingen waarvoor gedeputeerde staten het bevoegd gezag zijn, geldt de vrijstellingslijst van de betreffende provincie. Tabel 20. Vrijgestelde soorten als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder a in de provincie Noord-Brabant (Verordening natuurbescherming Noord-Brabant 31-01-2019). Nederlandse naam

Wetenschappelijke naam

Amfibieën

Nederlandse naam

Wetenschappelijke naam

Gewone bosspitsmuis

Sorex araneus

Bruine kikker

Rana temporaria

Haas

Lepus europeus

Gewone pad

Bufo

Huisspitsmuis

Crocidura russula

Kleine watersalamander

Lissotriton vulgaris (OUDE NAAM: Triturus vulgaris)

Konijn

Oryctolagus cuniculus

Meerkikker

Rana ridibunda

Ondergrondse woelmuis

Pitymys subterraneus

Middelste groene kikker (of bastaardkikker)

Rana esculenta

Ree

Capreolus

Rosse woelmuis

Clethrionomys glareolus

Zoogdieren

Onze referentie: D10006731:25 - Datum: 19 januari 2021

46 van 114

SMP GEBOUWBEWONENDE SOORTEN WONINGSTICHTING HELPT ELKANDER

Nederlandse naam

Wetenschappelijke naam

Nederlandse naam

Wetenschappelijke naam

Aardmuis

Microtus agrestis

Tweekleurige bosspitsmuis

Sorex coronatus

Bosmuis

Apodemus sylvaticus

Veldmuis

Microtus arvalis

Dwergmuis

Micromys minutus

Vos

Vulpes

Dwergspitsmuis

Sorex minutus

Wild zwijn

Sus scrofa

Egel

Erinaceus europeus

Woelrat

Arvicola terrestris

Ontheffing Voor soorten waarvoor (in de betreffende provincie) geen vrijstelling geldt, moet wanneer niet volgens een gedragscode wordt gewerkt een ontheffing worden aangevraagd wanneer er een handeling wordt uitgevoerd waardoor een verbodsbepalingen van artikel 3.1, 3.5 of 3.10 van de Wnb wordt overtreden (art 3.3 lid 1,3; 3.8 lid 1,3, 3.10 lid 2). Of deze ontheffing kan worden verleend, hangt af of voldaan wordt aan de voorwaarden. De voorwaarden waaraan moet worden voldaan, verschillen per categorie. De eerste eis die wordt gesteld, is dat er geen andere bevredigende oplossing mag zijn. Dat betekent -ook in combinatie met de in artikel 11.1 beschreven zorgplicht- dat wanneer een overtreding redelijkerwijs te voorkomen is, en ontheffing niet mogelijk is. De werkzaamheden moeten dan op zodanige wijze worden uitgevoerd dat er geen overtreding van de wet plaatsvindt. Te denken valt aan het kappen van bomen buiten het broedseizoen, of het afzetten van en het wegvangen van soorten in het werkgebied. Verder kan een ontheffing alleen worden verleend wanneer is aangetoond dat er geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de betreffende soort. Daarnaast gelden er per categorie verschillende aanvullende voorwaarden. Voor vogels kan alleen een ontheffing worden verleend in het geval van: (art 3.3 lid 4): a.

in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid; b. in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer; c. ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren; d. ter bescherming van flora of fauna; e. voor onderzoek of onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van soorten, of voor de daarmee samenhangende teelt, of f. om het vangen, het onder zich hebben of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan. Voor overige Europees beschermde soorten kan alleen een ontheffing worden verleend in het geval van: (art 3.8 lid 5): 1. in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats; 2. ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom; 3. in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten; 4. voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten, of 5.

om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben. Voor de nationaal beschermde soorten, gelden de voorwaarden die gelden voor de overige Europees beschermde soorten aangevuld met: (art 3.10 lid 2): Onze referentie: D10006731:25 - Datum: 19 januari 2021

47 van 114

SMP GEBOUWBEWONENDE SOORTEN WONINGSTICHTING HELPT ELKANDER

g. in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daaropvolgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; h. ter voorkoming van schade of overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen, kazernes of begraafplaatsen; i. ter beperking van de omvang van de populatie van dieren, in verband met door deze dieren ter plaatse en in het omringende gebied veelvuldig veroorzaakte schade of in verband met de maximale draagkracht van het gebied waarin de dieren zich bevinden; j. ter voorkoming of bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren; k. in het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw; l. in het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; m. in het kader van bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied, of n. in het algemeen belang.

Onze referentie: D10006731:25 - Datum: 19 januari 2021

48 van 114

SMP GEBOUWBEWONENDE SOORTEN WONINGSTICHTING HELPT ELKANDER

BIJLAGE B BEGRIPPENLIJST Begrip

Gehanteerde definitie

Bijzondere verblijfsfuncties

Belangrijke verblijven van beschermde gebouwbewonende soorten die een belangrijke functie herbergen voor de lokale populatie (zie Tabel 2 voor de omschrijving van de “bijzondere verblijfsfuncties per soort”).

Ecologisch begeleider

Ter zake kundig ecoloog met aantoonbare kennis en ervaring met mitigatie van gebouwbewonende soorten. Hij/zij wordt ingezet per project en/of partij (woningcorporatie/ gemeente) en is verantwoordelijk voor uitwerking van een ecologisch werkprotocol (op basis van stappenplan), begeleiding uitvoering van projecten (natuurvriendelijk werken en natuurinclusief werken, verduurzamen en bouwen) conform SMP.

Ecologisch logboek

Het document waarin de ecoloog tijdens de begeleiding van de uitvoering van projecten de bevindingen en mondelinge aanwijzingen vastlegt ter verantwoording voor projectleider, aannemer en zo nodig bevoegd gezag.

Ecologisch werkprotocol

Concreet en compleet stappenplan waarin de begeleidend ecoloog de maatregelen vastlegt voor natuurvriendelijke sloop, verduurzaming en onderhoud en de maatregelen voor natuurinclusief werken. Dit werkprotocol legt de werkwijze conform het SMP vast per project.

Gebouw

Binnen het SMP worden onder gebouwen de bovengrondse gebouwen, woningen en bedrijfsruimten verstaan. IJskelders, bunkers en bruggen zijn geen onderdeel van het SMP.

Gebouwbewonende soorten

Diersoorten die het gehele jaar of een bepaalde periode in het jaar verblijven in gebouwen.

Geschiktheidsmodel

Modelmatig onderzoek naar de kans op aanwezigheid van gebouwbewonende soorten op basis van geschiktheid van gebouw (verblijfplaats) en omgeving (leefgebied).

GIS-bestand

Achterliggende database van onderhavig SMP met relevante ruimtelijke informatie voor verdere uitvoering conform ontheffing Wnb en ter verantwoording richting bevoegd gezag. Het gaat om een kaart van woningen en vastgoed van, modeluitkomsten (potentieel geschikt beschermde soorten), actuele waarnemingen van soorten, indeling in SMP-zones, resultaten visuele inspectie, status natuurvrij maken woning/gebouw.

Groene periode

Periode waarin alle werkzaamheden mogen worden uitgevoerd.

Kalibratie model

Aanpassingen van de parameters in het model op basis van een uitgevoerde validatie van onderzoeksgegevens van de soorten in het woningbezit.

Kolonie huismus en gierzwaluw

Kolonies van huismussen of gierzwaluwen waarbij sprake is van tenminste twintig nesten in een cirkel van 50m diameter.

Kolonie huiszwaluwen

Meer dan vijf huiszwaluwnesten in een projectgebied.

Kraamverblijf/ kraamkolonie

Vleermuisverblijfplaats waar de vrouwtjes vleermuizen hun jongen grootbrengen binnen de kraamperiode.

Massawinterverblijven

Verblijfplaats waar vleermuizen bij aanhoudende vrieskou in een groep overwinteren, veelal een sociale functie (middernachtzwermen). Er geldt geen minimumaantal, maar wel eisen ten aanzien van klimatologische omstandigheden. De term ‘massa’ is in deze verwarrend.

Mitigatiecatalogus

Set van natuurinclusieve maatregelen die gehanteerd dienen te worden bij onderhoud, verduurzaming en nieuwbouw van woningen rekening houdend met de mitigatietaak. Het betreft een levend document dat deel uitmaakt van het SMP (separate bijlage). Evaluatie en bijstelling vindt jaarlijks plaats op basis van monitoring en engineering in het kader van alle SMP’s die landelijk worden getrokken door Arcadis in overleg met SOVON en Zoogdiervereniging.

Onze referentie: D10006731:25 - Datum: 19 januari 2021

49 van 114

SMP GEBOUWBEWONENDE SOORTEN WONINGSTICHTING HELPT ELKANDER

Mitigerende maatregelen

Maatregelen die uitgevoerd worden om negatieve effecten op beschermde soorten te verzachten (mitigatie).

Monitoring

Onderzoek tijdens de looptijd van het SMP om het effect op gebouwbewonende soorten te meten om inzicht te krijgen in de lokale populatietrend en de effectiviteit van de maatregelen.

Natuurkalender

Jaarkalender met inzicht in de gevoelige periode per soort waarin niet of onder strikte voorwaarden kan worden gewerkt (onderhoud, sloop en verduurzaming).

Natuurvrij-verklaring

Formele verklaring door ecologisch begeleider dat de betreffende woning/het betreffende gebouw geen beschermde diersoorten meer herbergt (door het treffen van ontmoedigingsmaatregelen) en daarmee de goedkeuring voor start van de betreffende werkzaamheden (onderhoud, verduurzaming, sloop).

NDFF

Nationale Databank Flora en Fauna.

Nulmeting

Basismeting voor monitoring. Deze wordt voorafgaand aan de werkzaamheden uitgevoerd.

Oranje periode

Uitvoering werkzaamheden is alleen mogelijk onder strikte voorwaarden zoals aangegeven door de betrokken ecoloog.

Project

Geplande werkzaamheden aan een woning(en) in een complex vanuit de woningcorporatie.

Quickscan

Onderzoek waarbij op basis van type gebouw en kenmerken de geschiktheid van woningen wordt bepaald, al of niet met behulp van GIS-model (zoals in onderhavig SMP).

Resteffecten

Effecten op gebouwbewonende soorten ondanks dat mitigerende maatregelen zijn getroffen. Dit zijn de effecten waarbij overtreding niet is te voorkomen en ontheffing voor de Wet natuurbescherming is vereist.

Rode periode

Gevoelige periode waarin geen werkzaamheden mogen worden uitgevoerd voor zover (mogelijk) aanwezig en negatieve effecten ingreep zijn te verwachten, of alleen werkzaamheden onder strikte voorwaarden uitgevoerd mogen worden (vooraf natuurvrij verklaard).

Salderingsboekhouding

Registratie en management per wijk (SMP-zone) van verblijfplaatsen per soort die verloren zijn gegaan en nieuw zijn gerealiseerd met het uitgangspunt dat altijd voldoende verblijfplaatsen beschikbaar zijn per wijk. Dit is een belangrijk sturingsinstrument vanuit het SMP om te zorgen voor het behoud van gebouwbewonende soorten bij onderhoud, verduurzaming en sloop van woningen.

SMP-zone

Buurt of wijk (begrensd) waarbinnen de mitigatieopgave gerealiseerd wordt ervan uitgaande dat altijd voldoende verblijfplaatsen aanwezig zijn (plussen en minnen).

SMP

Soortmanagementplan Wet natuurbescherming, gericht op het behoud en zo mogelijk versterking van soortenpopulatie binnen een gebied gerelateerd aan ruimtelijke ingrepen (al of niet grootschalig) rekening houdend met de eisen vanuit Wet natuurbescherming. Op basis hiervan wordt een gebiedsontheffing Wnb aangevraagd.

Validatie model

Controle en zo nodig bijstellen van geschiktheidsmodel (voorspelling van aanwezigheid van soorten) op basis van resultaten van monitoringonderzoek.

Verblijfplaats

In het kader van het SMP gaat het om nesten van broedvogels en zomer-, kraam-, paar- en winterverblijven van vleermuizen.

Visuele inspectie

Onderzoek van een woning door een deskundige ecoloog op hoogte, waarbij de locaties van bijzondere verblijfsfuncties nader onderzocht worden. Dit ter lering van de omstandigheden waaraan deze type verblijfsfuncties aan (moeten) voldoen.

Voorzieningen

Nieuwe verblijfplaatsen (natuurinclusief) voor specifieke soorten en functies. De relevante voorzieningen waaruit gekozen kan worden, worden opgenomen in de Mitigatiecatalogus.

Onze referentie: D10006731:25 - Datum: 19 januari 2021

50 van 114

SMP GEBOUWBEWONENDE SOORTEN WONINGSTICHTING HELPT ELKANDER

Wnb

Wet natuurbescherming.

Onze referentie: D10006731:25 - Datum: 19 januari 2021

51 van 114

SMP GEBOUWBEWONENDE SOORTEN WONINGSTICHTING HELPT ELKANDER

BIJLAGE C GEBOUWBEWONENDE SOORTEN In deze bijlage van dit SMP is een beschrijving opgenomen van de beschermde soorten die in gebouwen voorkomen en in dit SMP worden meegenomen. Per soort is een korte beschrijving gegeven van de kenmerken en het gedrag, de verspreiding en omvang van de populatie met een inschatting van de staat van instandhouding en de eisen die de soort aan zijn leefomgeving stelt. De opgenomen kennis van de soorten is nodig om tot een goede aanpak te komen om effecten te voorkomen en maatwerkoplossingen te bieden.

Gewone dwergvleermuis Kenmerken en gedrag De gewone dwergvleermuis is de meest algemeen voorkomende en meest zichtbare soort vleermuis in Nederland. Het is ook één van de kleinste vleermuissoorten in Nederland. De gewone dwergvleermuis weegt 3,5 tot 8 gram en heeft een spanwijdte van 18 tot 24 centimeter. De rugvacht is roestbruin tot donkerbruin, de buikvacht is geelbruin en de vleugels en oren zijn donkerbruin. De vleugels zijn in verhouding lang en smal (BIJ12, 2017b). Het is een soort die leeft in half open tot gesloten landschap. Waterpartijen en beschutte oevers zijn favoriet. Ze vangen een breedspectrum aan veelal kleinere prooien uit de lucht. (Kraam)kolonies bestaan uit enige tientallen tot meer dan tweehonderd dieren en zijn vooral bekend van gebouwen, waar ze vooral in spouwmuren, achter betimmering en daklijsten, of onder dakpannen huizen. Overwintering vindt plaats op ongeveer dezelfde plaatsen. Gewone dwergvleermuizen zijn plaatstrouw, maar gebruiken meerdere verblijfplaatsen en verhuizen relatief vaak. Ze jagen hoofdzakelijk binnen een straal van 2-5 km van de verblijfplaats. Vliegroutes volgen zoveel mogelijk lijnvormige structuren, zoals watergangen of bosstroken (Mostert, 2012).

Figuur 7. Gewone dwergvleermuis (afbeelding eigendom Paul van Hoof).

Beschermingsstatus De gewone dwergvleermuis wordt beschermd onder het beschermingsregime „Europees beschermde soorten‟, Artikel 3.5 Wet natuurbescherming. De IUCN-status van deze soort is „niet bedreigd‟.

Kwetsbare periodes De gewone dwergvleermuis kent de volgende kwetsbare perioden (zie Figuur 8): • Winterrust: 1 november tot 1 april, gewone dwergvleermuizen kunnen echter de gehele winter foeragerend worden aangetroffen bij warmere temperaturen. • Kraamtijd: 15 mei tot en met 15 juli. • Paartijd: 15 augustus tot en met 15 oktober. • Gebruik zomerverblijfplaatsen: april tot en met oktober. De genoemde perioden kunnen eerder beginnen of later eindigen afhankelijk van de lokale klimatologische en meteorologische omstandigheden voorafgaand aan of tijdens de werkzaamheden. Onze referentie: D10006731:25 - Datum: 19 januari 2021

52 van 114

SMP GEBOUWBEWONENDE SOORTEN WONINGSTICHTING HELPT ELKANDER

Figuur 8 Kwetsbare perioden van de gewone dwergvleermuis (globale weergave). Bron: BIJ12, 2017.

Verspreidingsgebied De gewone dwergvleermuis is de meest wijdverspreide en talrijke vleermuissoort in Nederland, die in de meeste gebieden in Nederland algemeen voorkomt (zie Figuur 9). De gewone dwergvleermuis is een echte opportunist, die in de meeste stedelijke en bebouwde gebieden uitstekend gedijt. Om deze reden is de gewone dwergvleermuis in grote aantallen door heel Nederland te vinden. De verspreiding is de afgelopen jaren in grote lijnen onveranderd gebleven. Om deze reden kan de trend van het verspreidingsgebied van de gewone dwergvleermuis worden beoordeeld als stabiel.

Figuur 9 Kaart van landelijke verspreiding gewone dwergvleermuizen (NDFF, 2018c).

Heel Provincie Noord-Brabant kan gerekend worden tot het verspreidingsgebied van de gewone dwergvleermuis. Hierdoor kan het verspreidingsgebied van de gewone dwergvleermuis in de huidige situatie eveneens worden beoordeeld als gunstig. Uit het NDFF zijn alle beschikbare waarnemingen gehaald van de gewone dwergvleermuis. Op onderstaande kaart is de verspreiding van deze gebouwbewonende soort weergegeven (NDFF, 2019). Hierin is te zien dat de soort verspreid over het onderzoeksgebied voor komt. De aantallen onderzoeksgegevens zijn relatief beperkt binnen het gebied.

Onze referentie: D10006731:25 - Datum: 19 januari 2021

53 van 114

SMP GEBOUWBEWONENDE SOORTEN WONINGSTICHTING HELPT ELKANDER

Figuur 10 Waarnemingen van de gewone dwergvleermuis uit gegevens van de NDFF inclusief de resultaten van het soortgericht onderzoek uit 2020 (oranje) en in zwart de ligging van het woningbezit van Helpt Elkander.

Omvang en trend populatie Doordat de intensiteit van de monitoring over de jaren verschillend is geweest, zijn er geen duidelijke uitspraken te doen over aantalsontwikkelingen (BIJ12, 2017). Er zijn echter wel aanwijzingen dat het aantal is toegenomen. Vanuit het NEM-meetnet Zoldertellingen vleermuizen zijn waarnemingen bekend van 1996 tot 2016 (Figuur 11). Deze informatie laat een toename in het aantal waarnemingen van dwergvleermuizen zien. Aangenomen is dat dit in meerderheid gewone dwergvleermuizen waren. Belangrijk hierbij is dat het aantal bezochte objecten elk jaar fluctueert. In het jaar 2015 zijn wegens een inhaalslag in Limburg en Utrecht exceptioneel veel objecten bezocht, namelijk meer dan twee keer zoveel dan in de jaren ervoor en erna (Zoogdiervereniging, 2017). Het betreft hier monitoring van verblijfplaatsen op (vooral) kerkzolders.

Onze referentie: D10006731:25 - Datum: 19 januari 2021

54 van 114

SMP GEBOUWBEWONENDE SOORTEN WONINGSTICHTING HELPT ELKANDER

Figuur 11 Aantal objecten waar (sporen van) dwergvleermuis en laatvlieger zijn aangetroffen in de periode 19962016 (Zoogdiervereniging, 2017).

In het NEM-meetnet Vleermuis Transecttellingen wordt ook de gewone dwergvleermuis gemonitord. Hierbij wordt op basis van hectometer hokken de aanwezigheid van onder andere de gewone dwergvleermuis gemeten. De informatie uit deze tellingen laat een positieve trend zien. Het betreft hier monitoring van foeragerende dieren en dieren op een vliegroute.

Figuur 12 Indexen van de aantalsontwikkeling bij de vier doelsoorten van het NEM-meetnet Vleermuis Transecttellingen, berekend op basis van het aantal bezette 100x100 meter blokken per kwart route (q). In de legenda is voor iedere soort een trend aangegeven als deze.

Door de positieve trends waargenomen bij zowel NEM-Zoldertellingen als NEM-Vleermuis Transecttellingen is de trend voor de populatieomvang van de gewone dwergvleermuis beoordeeld als ‘verbeterend’. De gewone dwergvleermuis is ook in de Provincie Noord-Brabant een veel voorkomende soort. Onze referentie: D10006731:25 - Datum: 19 januari 2021

55 van 114

SMP GEBOUWBEWONENDE SOORTEN WONINGSTICHTING HELPT ELKANDER

Staat van instandhouding De staat van instandhouding is op 4 onderdelen beoordeeld, namelijk omvang populatie, verspreidingsgebied, kwaliteit leefgebied en toekomstperspectief. Landelijk Voor de landelijke beoordeling is gebruik gemaakt van de het onderzoek Staat van instandhouding (Arcadis, 2018b). Populatieomvang: De gewone dwergvleermuis komt algemeen voor en is een wijdverbreide soort. Om deze reden kan de huidige situatie worden beoordeeld als gunstig (Arcadis, 2018b). De laatste tien jaar is een positieve trend waargenomen bij zowel kerkzolder tellingen als bij NEM – VTT routes. Hierdoor is er sprake van een verbeterde populatie omvang. Tevens is de populatieomvang waarschijnlijk toegenomen ten opzichte van de gunstige referentiewaarde voor het ijkjaar 1994 (Ottburg & van Swaay, 2014; Arcadis, 2018b). Daarom wordt de gunstige referentiewaarde voor wat betreft populatieomvang nog steeds gehaald. Verspreidingsgebied: Het verspreidingsgebied beslaat heel Nederland. De verspreiding is afgelopen jaren in grote lijnen onveranderd gebleven. Om deze reden kan de trend van het verspreidingsgebied van de gewone dwergvleermuis worden beoordeeld als stabiel (Arcadis, 2018b). Ook is het verspreidingsgebied van de gewone dwergvleermuis in de periode van 1994 niet in betekende mate gewijzigd. Hierdoor wordt de referentiewaarde voor verspreidingsgebied gehaald.

Kwaliteit leefgebied: Binnen het leefgebied van de gewone dwergvleermuis zijn momenteel nog voldoende mogelijke verblijfplaatsen in gebouwen (spouwruimtes, dakruimtes, gevelbeplating etc.) aanwezig. Ook is er voldoende leefgebied aanwezig in de vorm van groene omgeving zoals parken, loofbossen, houtsingels en beschutte waterpartijen. Het aanbod in verblijfplaatsen is afgelopen tien jaar min of meer gelijk gebleven. Hierdoor wordt de trend van kwaliteit van het leefgebied als stabiel beoordeeld. Kwaliteit van het leefgebied wordt als gunstig beoordeeld (Arcadis, 2018b). Toekomstperspectief Het aanbod van geschikte verblijfplaatsen neemt vermoedelijk tin de toekomst snel af door het grote naisolatieprojecten van woningen dat op stapel staat. Het aantal gewone dwergvleermuizen is sterk afhankelijk van de hoeveelheid verblijfplaatsen. Verondersteld wordt dat er een afnemende trend is in het aantal geschikte verblijfplaatsen waardoor er sprake is van een ongunstig ontoereikend toekomstperspectief. Deze is echter gunstig indien er voldoende mitigerende maatregelen worden genomen (Arcadis, 2018b). Regionaal: Er is geen informatie over de regionale staat van instandhouding voorhanden.

Belangrijke omgevingsfactoren De gewone dwergvleermuis komt in veel verschillende biotopen voor. Van een zeer groene omgeving waar alle onderdelen van het leefgebied op korte afstand aanwezig tot stedelijk gebied waarbij soms geen of weinig groen aanwezig is. Afhankelijk van het jaargetijde en het weer varieert de plek waar de gewone dwergvleermuis foerageert. Een netwerk van voedselgebieden met daaromheen meerdere typen verblijfplaatsen verbonden door vliegroutes maakt een gebied tot een functionele leefomgeving. De soort maakt gebruik van lijnvormige elementen in de vorm van lanen, bomenrijen, bosranden maar ook bebouwingen als vliegroutes om van verblijfplaats naar foerageergebied te vliegen. Het verwijderen of aanpassen van deze geleiding kan ertoe leiden dat ze de vliegroute niet meer gebruiken en dat kan negatieve effecten hebben op het leefgebied. Hierbij zijn niet alleen de lijnstructuren van belang, maar ook het aanwezige licht en verkeer is van invloed op de vliegroutes. Voor vleermuizen is de aanwezigheid van drinkwater van groot belang. De aanwezigheid van open water in de vorm van bijvoorbeeld meren, plassen, beken of kanalen, grachten of vijvers op korte afstand van de verblijfplaats verhoogt de kans op aanwezigheid van vleermuizen aanzienlijk.

De gebouwen in stadsranden met veel groen zijn als verblijfplaats erg aantrekkelijk voor stadssoorten zoals de gewone dwergvleermuis. Onze referentie: D10006731:25 - Datum: 19 januari 2021

56 van 114

SMP GEBOUWBEWONENDE SOORTEN WONINGSTICHTING HELPT ELKANDER

Een goede verbinding tussen stadsrand en bos is een pré en geeft vleermuizen en vogels toegang tot een aantrekkelijk leefgebied met een hoge voedselrijkdom. Aanwezigheid van bos of park binnen korte afstand van (200 meter) van een verblijfplaats, of een verblijfplaats op 500 meter afstand van de stadsrand geeft een verhoogde kans op de aanwezigheid van de gewone dwergvleermuis.

Belang van gebouwen In het stedelijk gebied is de gewone dwergvleermuis een bekende soort. Dit is een soort die voornamelijk voorkomt rond gebouwen. Oorspronkelijk komt de soort voor in rotsachtige gebieden en verblijft in nauwe spleten tussen de rotsen. De huidige bebouwing biedt vergelijkbaar habitat in de vorm van spouwmuren, dakbedekking en stootvoegen. De gebouwen hebben verschillende functies voor de gewone dwergvleermuis, een woning kan dienen als winterverblijfplaats, kraamverblijfplaats, zomerverblijfplaats en paarverblijfplaats. Sommige verblijven kunnen meerdere functies vervullen, bijvoorbeeld als zomer- en winterverblijf. Andere ruimtes worden bij voorkeur in de zomer- of in de winter gebruikt. De gewone dwergvleermuis is daarbij plaatstrouw: een verblijf wordt elk jaar opnieuw gebruikt in de geschikte periode. De periodes dat een type verblijf gebruikt wordt, is afhankelijk van het weer en kan vroeger of later in het jaar vallen. • Winterverblijven: er zijn verschillende typen winterverblijven, verblijven waar mannetjes alleen of soms met enkele vrouwtjes verblijven en winterverblijven voor grote groepen dieren, de massawinterverblijven. In de winterverblijven heerst een zeer stabiel klimaat zodat de vleermuizen tegen de kou beschermd worden. In warmere periodes kunnen de vleermuizen de winterverblijven tijdelijk verlaten.

Vanaf eind juli/ half augustus wordt er bij de grotere winterverblijfplaatsen gezwermd. Tijdens het zwermen zoeken de vleermuizen een geschikte partner om mee te paren. De paring vindt plaats in de paarverblijven, welke bij voorkeur in de nabijheid van winterverblijven liggen. • Kraamverblijven: dit is het verblijf waar vaak tientallen vrouwtjes hun jongen ter wereld brengen en de vrouwtjes hun jongen gedurende enkele weken zogen. • Paarverblijfplaatsen: in deze verblijven proberen de mannetjes in het najaar een vrouwtje te lokken om te paren. Ieder mannetje heeft daarbij een territorium, waarin één of meerdere van dergelijke verblijfplaatsen aanwezig zijn. Veelal wordt een paarverblijf ook gedurende de rest van het jaar door het mannetje als verblijf gebruikt. • Zomerverblijfplaats: deze verblijven zijn niet duidelijk in gebruik als kraam-, paar-, of winterverblijf. In de zomerverblijven kunnen groepjes of individuele mannetjes of vrouwtjes aanwezig zijn. Voor de gewone dwergvleermuis liggen alle genoemde verblijfplaatsen op verschillende plaatsen in gebouwen. Een bekende is de dakrand. Via de dakpannen op een dakrand aan de kopse kant kunnen de gewone dwergvleermuizen verblijfplaatsen bereiken indien er een geschikte invliegopening is, er genoeg ruimte is onder de dakpannen en het dak goed bereikbaar is.

Om deze reden heeft de gewone dwergvleermuis een voorkeur voor verblijfplaatsen onder de daken van huizen met gegolfde dakpannen en een kopgevel, waarbij een lijnvormige aanvliegroute wordt gevormd door een rij huizen, een laan met bomen of een lange heg. Spouwmuren zijn ook uitermate geschikt voor de gewone dwergvleermuis als verblijfplaats. Via stootvoegen of dakranden kruipen zij in de spouw. Hiervoor dienen openingen in de muur te zitten op een goede hoogte voor de vleermuizen om erin te vliegen, dient een relatief beschutte aanvliegroute aanwezig te zijn en dient genoeg ruimte te zijn in de spouwmuur. Spouwmuren (volledig) geïsoleerd met glaswol zijn bijvoorbeeld ongeschikt, omdat er geen ruimte blijft voor de vleermuizen om te verblijven. Bij gebouwen die in een ver verleden geïsoleerd zijn kan glaswol gezakt zijn waardoor er in de spouwmuur geschikte holtes ontstaan voor de gewone dwergvleermuis.

Bedreigingen en kansen ruimtelijke ingrepen Het aanbod van geschikte verblijfplaatsen neemt vermoedelijk in de toekomst snel af door het grote naisolatieprojecten van woningen dat op stapel staat. Het aantal gewone dwergvleermuizen is sterk afhankelijk van de hoeveelheid verblijfplaatsen. Verondersteld wordt dat er een afnemende trend is in het aantal geschikte verblijfplaatsen waardoor er sprake is van een ongunstig ontoereikend toekomstperspectief. Deze is echter gunstig indien er voldoende mitigerende maatregelen worden genomen (Arcadis, 2018b).

Onze referentie: D10006731:25 - Datum: 19 januari 2021

57 van 114

SMP GEBOUWBEWONENDE SOORTEN WONINGSTICHTING HELPT ELKANDER

Tabel 21 Bedreigingen en kansen voor de gewone dwergvleermuis met betrekking tot ontwikkelingen in het stedelijk gebied.

Functies voor de soort

Bedreigingen

Kansen

• • • • •

(Na-)Isolatie van gebouwen Onderhoud aan gebouwen Verlichting gericht op gebouwen Vervangen dakpannen Sloop gebouwen

• •

•

Inmetselen van vleermuiskasten Ruimte laten voor vleermuizen tussen muren in de spouw en toegankelijk maken via stoot- en/of dilatatievoegen Dakruimte geschikt maken

Foerageergebied

• • •

Verlichting Kappen van bomen Verwijderen van vegetatie

• •

Aanplanten van vegetatie in lijnstructuur Vermindering verlichting ‘s nachts

Kraamverblijf

• • • • • • • •

Vervuilen van water Draineren van water Dichten van plas (Na-)Isolatie van gebouwen Onderhoud aan gebouwen Vervangen dakpannen Sloop gebouwen Verlichting gericht op gebouwen

• •

Behoud waterkwaliteit Aanleggen waterlichamen met ecologische oevers en beschutting door middel van vegetatie Inmetselen van vleermuiskasten Ruimte laten voor vleermuizen tussen muren (in spouw) en toegankelijk maken via dilatatievoegen en/of stoten Dakruimte geschikt maken

Verblijfplaats

Onze referentie: D10006731:25 - Datum: 19 januari 2021

• •

•

58 van 114

SMP GEBOUWBEWONENDE SOORTEN WONINGSTICHTING HELPT ELKANDER

Gewone grootoorvleermuis Kenmerken en gedrag De gewone grootoorvleermuis, ook wel bruine grootoorvleermuis genoemd, is een middelgrote vleermuis met een lengte tot 5,5 centimeter en weegt 4,5 tot 12 gram. De soort heeft zeer brede, relatief lange vleugels met een spanwijdte van 24 tot 28,5 centimeter. Het onderscheidende kenmerk voor deze vleermuissoort zijn de 3 tot 4 centimeter lange oren. De vacht van de gewone grootoorvleermuis is geelbruin tot bruin op de rug en grijswit tot geelwit op de buik. De buik en de rug hebben een donkerbruine ondervacht. De kleur van de snuit varieert van roze tot bruin (BIJ12, 2017c). Het is een soort van half open tot gesloten bosrijk landschap. Ze vliegen in langzame cirkels of in een langzame uilachtige vlucht dicht langs en tussen de vegetatie (Mostert, 2012).

Figuur 13 Gewone grootoorvleermuis (afbeelding in eigendom van Paul van Hoof).

Beschermingsstatus De gewone grootoorvleermuis wordt beschermd onder het beschermingsregime „Europees beschermde soorten‟, Artikel 3.5 Wet natuurbescherming. De IUCN-status van deze soort is „niet bedreigd‟.

Kwetsbare periodes De gewone grootoorvleermuis kent de volgende kwetsbare periodes (). • Winterrust: half oktober tot en met begin april. • Kraamverblijfplaatsen zijn in gebruik van mei tot en met half september; jongen zijn er van juli tot en met augustus. • Paartijd: september tot en met half oktober en eind maart tot en met april. • Gebruik zomerverblijfplaatsen: april tot en met half oktober. • Het gebruik van vliegroutes en foerageergebied is afhankelijk van de functie van de verblijfplaats. • De genoemde perioden kunnen eerder beginnen of later eindigen afhankelijk van de lokale klimatologische omstandigheden en de meteorologische omstandigheden voorafgaand aan of tijdens de werkzaamheden (BIJ12, 2017).

Figuur 14 Kwetsbare perioden van de gewone grootoorvleermuis (globale weergave) (BIJ12, 2017). Onze referentie: D10006731:25 - Datum: 19 januari 2021

59 van 114

SMP GEBOUWBEWONENDE SOORTEN WONINGSTICHTING HELPT ELKANDER

Verspreidingsgebied De gewone grootoorvleermuis komt verspreid over heel Nederland voor, maar nergens in grote aantallen. Gewone grootoorvleermuizen zijn door hun zachte sonar lastig te inventariseren en ze kunnen bij inventarisaties gemakkelijk over het hoofd worden gezien. Deze vleermuizen zijn sterk gebonden aan kleinschalig landschap en bosgebieden en is in de open polderlandschappen in West- en Noord-Nederland zeldzamer (BIJ12, 2017). Wel kan worden gesproken van één verbonden populatie (Ottburg & Van Swaay, 2014). De huidige situatie van het verspreidingsgebied is daarom als gunstig te beoordelen. De verspreidingsgegevens van de gewone grootoorvleermuis zijn onvoldoende om uitspraken te doen over toe- of afname in de verspreiding van deze soort. Om deze reden is de trend aangaande het verspreidingsgebied is dan ook onbekend.

Figuur 15 Kaart van landelijke verspreiding gewone grootoorvleermuis (NDFF, 2018).

De landelijke verspreidingskaart laat zien dat de gewone grootoorvleermuis verspreid voorkomt in de provincie. De huidige populatieomvang is beoordeeld als „gunstig‟. Er zijn onvoldoende betrouwbare gegevens beschikbaar over de voor- of achteruitgang van het verspreidingsgebied van de gewone grootoorvleermuizen in de Provincie Noord-Brabant. Op onderstaande kaart is de verspreiding van de gewone grootoorvleermuis gegeven (NDFF, 2019). Vanuit de bekende verspreidingsgegevens zijn geen waarnemingen bekend in het onderzoeksgebied. Net als voor de andere vleermuissoorten zijn de aantallen gegevens beperkt in het onderzoeksgebied. Doordat de soort voor komt rondom het onderzoeksgebied is dit redelijkerwijs ook te verwachten binnen het onderzoeksgebied, ondanks dat de soort niet is waargenomen tijdens het soortgericht onderzoek.

Onze referentie: D10006731:25 - Datum: 19 januari 2021

60 van 114

SMP GEBOUWBEWONENDE SOORTEN WONINGSTICHTING HELPT ELKANDER

Figuur 16 Waarnemingen van de gewone grootoorvleermuis uit de gegevens van de NDFF inclusief resultaten van het soortgericht onderzoek uit 2020 (oranje) en in zwart de ligging van het woningbezit van Helpt Elkander.

Omvang en trend populatie Landelijk De gewone grootoorvleermuizen zijn in de tweede helft vorige eeuw afgenomen. Sinds 1986 lijkt er sprake te zijn van een matige toenamen en is de trend de afgelopen 10 jaar stabiel (BIJ12, 2017; NEM, Zoogdiervereniging & CLO, 2019). Het aantal grootoorvleermuizen in Nederland wordt geschat op 5.000 tot 7.500 individuen. Dat is meer dan de omvang in 1994, (4.000 – 6.000 ex., Ottburg en Van Swaaij, 2014) (BIJ12, 2017).

Figuur 17 Populatietrend grootoorvleermuizen (BIJ12, 2017).

Onze referentie: D10006731:25 - Datum: 19 januari 2021

61 van 114

SMP GEBOUWBEWONENDE SOORTEN WONINGSTICHTING HELPT ELKANDER

Lokaal In Noord-Brabant is slechts weinig bekend over de populatieomvang van de gewone grootoorvleermuis. Over de trend is geen uitspraak te doen.

Staat van instandhouding De staat van instandhouding is op 4 onderdelen beoordeeld, namelijk omvang populatie, verspreidingsgebied, kwaliteit leefgebied en toekomstperspectief. Landelijk Voor de landelijke beoordeling is gebruik gemaakt van de het onderzoek Staat van instandhouding (Arcadis, 2018b). Populatieomvang Zoals hierboven beschreven, is de populatieomvang toegenomen van de gewone grootoorvleermuis. De huidige populatieomvang is tevens ook groter dan de referentiewaarde van 1994. Hierdoor is de populatieomvang gunstig (Arcadis, 2018b). Verspreidingsgebied De gewone grootoorvleermuis komt verspreid over heel Nederland voor, maar nergens in een groot aantal. De gewone grootoorvleermuizen zijn door hun zachte sonar lastig te inventariseren en ze kunnen bij inventarisaties gemakkelijk over het hoofd worden gezien. Deze vleermuizen zijn sterk gebonden aan kleinschalig landschap en bosgebieden en is in polderlandschappen zeldzamer. Wel kan er gesproken worden van één verbonden populatie (Ottburg & van Swaay, 2014). De huidige situatie wordt als gunstig beoordeeld. Over de trend van de verspreidingsgegevens zijn onvoldoende uitspraken te doen over een toe- en afname in verspreiding van deze soort. Om deze reden is de trend beoordeeld als ‘onbekend’ (Arcadis, 2018b). Kwaliteit leefgebied Geschikte leefgebieden komen ogenschijnlijk veelvuldig in Nederland voor.

De situatie lijkt voldoende gunstig voor de gewone grootoorvleermuis. De huidige situatie is als gunstig beoordeeld. Het aanbod geschikte verblijfplaatsen neemt vermoedelijk af vanwege toenemende na-isolatie van gebouwen en afname van geschikte kerkzolders door o.a. renovatie, extra verlichting en verandering bestemming zoals ingebruikname als woning. Het aantal grootoorvleermuizen is echter toegenomen, waardoor het aannemelijk is dat het leefgebied niet sterk is verslechterd. De trend van kwaliteit van het leefgebied is beoordeeld als ‘stabiel’ (Arcadis, 2018b). Toekomstperspectief De gewone grootoorvleermuis zal te maken krijgen met een verdere afname van het aantal geschikte verblijfplaatsen als gevolg van renovatie en na-isolatie van gebouwen. Dit treft vooral het deel van de populatie dat afhankelijk is van verblijfplaatsen in gebouwen. Hierdoor is het toekomstperspectief als ongunstig – ontoereikend beoordeeld. Deze is echter gunstig als er voldoende mitigerende maatregelen genomen worden (Arcadis, 2018b). Regionaal Er is geen informatie over de regionale staat van instandhouding voorhanden.

Belangrijke omgevingsfactoren Voor kraamkolonies van gewone grootoorvleermuizen is de aanwezigheid van drinkwater van groot belang. De aanwezigheid van beken of vijvers binnen 200 meter van een gebouw verhogen de kans op aanwezigheid van vleermuizen aanzienlijk. Ook is de aanwezigheid van kleinschalige landschapselementen van belang voor de gewone grootoorvleermuis van belang. De gewone grootoorvleermuis verplaatst zich langs deze landschapselementen. De soort is zeer gevoelig voor wind. Onderbrekingen van kleinschalige landschapselementen mogen daarom ook niet te groot zijn. Stadsranden met daarbuiten veel groen zijn erg aantrekkelijk voor gewone grootoorvleermuizen. De gewone grootoorvleermuis is een opportunistische soort, die graag gebruik maakt van een diversiteit in landschap. Een verbinding tussen stad en bos geeft deze vleermuizen een aantrekkelijk leefgebied met een hoge voedselrijkdom. Onze referentie: D10006731:25 - Datum: 19 januari 2021

62 van 114

SMP GEBOUWBEWONENDE SOORTEN WONINGSTICHTING HELPT ELKANDER

Aanwezigheid van bos of park binnen 200 meter van een gebouw, of een gebouw op 500 meter afstand van de stadsrand geeft een verhoogde kans op gewone grootoorvleermuis.

Belang van gebouwen De gewone grootoorvleermuis is een soort die zowel binnen als buiten het stedelijk gebied voorkomt en komt daarbij in een grote verscheidenheid aan biotopen voor. Ze zijn opportunistisch, wat hun grote verscheidenheid aan voorkomen ook verklaart. Ze komen voor in zowel loof als naaldbossen, in gebouwen (met name zolders), parken, tuinen, cultuurlandschap en moerassen zonder bossen. Ze zijn daarmee niet gebonden aan bebouwing, maar zodra voorhanden kunnen ze het wel gebruiken. Voor de gewone grootoorvleermuis bieden gebouwen op verschillende plaatsen mogelijke verblijfplaatsen. De (kraam)kolonies in de zomer zijn vooral bekend van kerkgebouwen, maar ook van holtes in oude bomen en in vleermuiskasten. Via de dakrand vliegen zij graag naar zolders. Hiervoor dient de invliegopening groot genoeg te zijn en vrij toegankelijk, moet er genoeg ruimte te zijn om door te kruipen en moet het dak op een adequate hoogte goed bereikbaar te zijn. Om deze reden heeft de gewone grootoorvleermuis een voorkeur voor verblijfplaatsen op zolders van huizen met en een kopgevel en dakoverstek, of bij huizen met een boeiboord, waarbij een lijnvormige aanvliegroute wordt gevormd door een laan met bomen of een lange heg. De verblijfplaats mag geen gladde randen hebben, niet geverfd zijn en moet niet na verloop van tijd gaan afbladderen.

Hoewel de gewone grootoorvleermuis in gebouwen met name op zolders verblijft, zijn spouwmuren ook geschikt als verblijfplaats. Via stoten en dilatatievoegen kruipen zij in de spouw. Hiervoor dienen relatief grote openingen in de muur te zitten op een goede hoogte voor de vleermuizen om erin te vliegen, dient de aanvliegroute geen obstakels maar wel beschutting te bieden en dient genoeg ruimte te zijn in de spouwmuur. Spouwmuren geïsoleerd met glaswol zijn bijvoorbeeld ongeschikt, omdat er geen ruimte blijft voor de vleermuizen om te verblijven. Bij gebouwen die in een ver verleden geïsoleerd zijn is glaswol mogelijk gaan zakken waardoor er geschikte ruimtes in de spouw ontstaan voor de gewone grootoorvleermuis.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13992520/1