CConstaterende datNuenen
Koppel je AI →
Document · PDF

Vinkenhofjes - Bijlage 10 Soortenmanagementplan (SMP) Gebouwbewonende soorten

Gemeenteraad 18 april 2024, gemeente NuenenBij agendapunt: Bestemmingsplan Vinkenhofjes36.314 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 5

• Twee verblijfplaatsen van bijzondere soorten: gewone grootoorvleermuis en meervleermuis in twee van de vijftien woonkernen. Hieruit kan geconcludeerd worden dat grotere verblijfsfuncties als kraamkolonies en massawinterverblijven niet in iedere straat aanwezig zijn, ondanks dat in veertien van de vijftien woonkernen vleermuizen (hoofdzakelijk gewone dwergvleermuis) zijn waargenomen (Arcadis, in prep.). Daarom neemt bij de geschiktheid van (duplex)woningen de mitigatietaakstelling voor de kleine verblijven toe, maar niet de andere verblijfsfuncties. Voor massawinterverblijven zijn gebouwen met een grotere (temperatuurbuffering) massa nodig. Derhalve zijn (duplex)woningen niet geschikt voor deze verblijfsfunctie. De appartementenblokken met 3 tot 5 woonlagen zijn in potentie geschikt, maar niet zo geschikt als grotere woontorens en flats. Vandaar dat voor de standaardtaakstelling van appartementenblokken geen massawinterverblijfsfuncties gerealiseerd worden. Meerdere massawinterverblijfsfuncties in één gebouw is praktisch niet haalbaar. Voor deze verblijfsfunctie is een locatie in het gebouw nodig dat in de winter constante temperaturen behoudt. Doordat deze beperkt aanwezig zijn is het realiseren van één effectief werkend verblijf beter dan meerdere inefficiënte verblijven. Daarom is de mitigatietaakstelling voor deze verblijfsfunctie nooit meer dan één.

Onze referentie: D10006731:25 - Datum: 19 januari 2021

22 van 114

SMP GEBOUWBEWONENDE SOORTEN WONINGSTICHTING HELPT ELKANDER

Tabel 13 Standaard mitigatietaakstelling voor woningen en gebouwen.

Soort

Taakstelling Taakstelling Taakstelling Taakstelling appartement flat/woontoren grondgebonden duplexwoning2 met 3 tot 5 met tenminste woning woonlagen 5 woonlagen

Type verblijf

Gierzwaluw

Nestplek

0,5 per woning

0,5 per duplexwoning

3 per app. blok

3 per gebouw

Huismus

Nestplek

0,5 per woning

0,5 per duplexwoning

3 per app. blok (binnen eerste 3 woonlagen)

n.v.t.

Klein zomer/najaarsverblijf 0,25 per woning tot 10 dieren

0,25 per duplexwoning

3 per app. blok

3 per gebouw

0,1 per woning

0,1 per duplexwoning

1 per app. blok

1 per gebouw

Kraamverblijf

0,1 per woning

0,1 per duplexwoning

1 per app. blok

1 per gebouw

Massawinterverblijf

n.v.t.

n.v.t.

Geen

1 per gebouw

Groot zomer/najaarsverblijf tot Vleermuizen 25 dieren

Tabel 14 Extra mitigatietaak voor woningen met een matig-hoge kans op aanwezigheid vanuit het geschiktheidsmodel.

Soort

Type verblijf

Taakstelling Taakstelling Taakstelling appartement grondgebonden duplexwoning met 3 tot 5 woning woonlagen

Gierzwaluw

Nestplek

1 per woning

1 per duplexwoning

6 per app. blok

Huismus

Nestplek

1 per woning

1 per duplexwoning

6 per app. blok (binnen eerste 3 N.v.t. woonlagen)

Klein zomer/najaarsverblijf tot 10 dieren

1 per woning

1 per duplexwoning

6 per app. blok

6 per gebouw

Groot zomer/najaarsverblijf 0,1 per woning tot 25 dieren

0,1 per duplexwoning

1 per app. blok

2 per gebouw

Kraamverblijf

0,1 per woning

0,1 per duplexwoning

1 per app. blok

2 per gebouw

Massawinterverblijf

n.v.t.

n.v.t.

1 per app. blok

1 per gebouw

Vleermuizen

Taakstelling flat/woontoren met tenminste 5 woonlagen 6 per gebouw

Toewijzen mitigatietaakstelling Het toewijzen van een mitigatietaakstelling resulteert in een standaard mitigatietaakstelling of een extra mitigatietaakstelling: • Het woningbezit krijgt minste een standaardpakket aan beschermingsmaatregelen. Dus ook bij woningen (en woningclusters) waar nu geen gebouwbewonende vleermuizen, huismus en/of gierzwaluw aanwezig zijn (status kans laag/ongeschikt en nieuwbouw) zullen maatregelen worden getroffen.

2 Onder een duplexwoning worden de twee woningen boven en onder elkaar gerekend. Samen hebben deze twee woningen een

vergelijkbare geveloppervlakte ter beschikking voor faunavoorzieningen als een grondgebonden woning. Onze referentie: D10006731:25 - Datum: 19 januari 2021

23 van 114

SMP GEBOUWBEWONENDE SOORTEN WONINGSTICHTING HELPT ELKANDER

• •

Deze zorgen voor een substantiële plus in het aanbod aan verblijven. Deze plus is een belangrijke vereiste voor het garanderen van de ‘gunstige staat van instandhouding’ van de soorten. Indien de kans op aanwezigheid door het geschiktheidsmodel matig-hoog is beoordeeld, dient een extra mitigatietaakstelling uitgevoerd te worden.

Aanwezigheid bijzondere verblijfsfunctie Voor de uitvoering van de mitigatietaakstelling resulteert de aanwezigheid van een bijzondere verblijfsfunctie in een andere aanpak. Hierdoor is er een verschil voor projecten waarbinnen een bijzondere verblijfsfunctie is vastgesteld. Afwijkend gebouwtypen Voor afwijkende gebouwtypen zoals voormalige schoolgebouwen, kerken en kloosters vindt geen toewijzing van een standaard mitigatietaakstelling plaats. Het aantal, de invulling en de uitvoering van de mitigerende maatregelen wordt gebaseerd op de mogelijke verblijfsfuncties die het oorspronkelijke gebouw kan herbergen. Zodra de mitigatietaakstelling (aantal voorzieningen en type functie per soort) bekend is, volgt stap 3b (bij afwezigheid van een bijzondere verblijfsfunctie) of stap 3c (bij aanwezigheid van een bijzondere verblijfsfunctie of bij afwijkende gebouwtypen). In deze stappen wordt het natuurinclusieve ontwerp nader uitgewerkt en gepland.

2.4.2

Stap 3b – uitwerking plan natuurinclusief werken, zonder bijzondere verblijfsfuncties

Voor het natuurinclusief ontwerpen bij renovatie, verduurzaming en nieuwbouw 3 zijn diverse aspecten van belang die hieronder nader worden uitgewerkt. De betrokken ecoloog zal deze punten tijdig moeten bespreken in het ontwerp- en planningsproces van de projectleider, architect en aannemer. Aangezien het gaat om wettelijke eisen, zijn deze punten niet vrijblijvend. Het gaat om de volgende punten: • Keuze van standaardmaatregelen uit de Mitigatiecatalogus en op basis van het protocol voor enkele bijzondere verblijfsfuncties (zie Bijlage D) bij de realisatie van de natuurinclusieve verblijven vanuit de mitigatietaakstelling. • Maatwerk bij de overige bijzondere verblijfsfuncties. • Ruimtelijke verdeling van mitigatiemaatregelen binnen project. • Registratie en management via natuurboekhouding. • Tijdelijke mitigatie bij aanvang SMP indien gebrek is tijdelijke verblijfplaatsen. Keuze standaardmaatregelen uit Mitigatiecatalogus en protocol voor bijzondere verblijfsfuncties Door Arcadis is een landelijke Mitigatiecatalogus opgesteld. Deze catalogus betreft een set van natuurinclusieve maatregelen die gehanteerd dient te worden bij renovatie, verduurzaming en nieuwbouw van woningen, rekening houdend met de mitigatietaak.

Daarbij geldt het uitgangspunt dat alleen gewerkt mag worden met ‘evidence bases practises’ (bewezen maatregelen) en – vooruitlopend op het aantonen van de functionaliteit door monitoring – reeds gangbare maatregelen waarvan de verwachting is dat ze daadwerkelijk werken. Het betreft een levend document dat deel uitmaakt van het SMP. De mitigatiecatalogus is een separate bijlage bij het SMP en daarmee onderdeel van de ontheffingsaanvraag Wnb. Daarnaast is in Bijlage D een protocol opgesteld met een voorstel voor de maatregelen van enkele bijzondere verblijfsfuncties. Het gaat hierbij om verblijven van soorten en/of aantallen met een belangrijke functie voor de instandhouding van de soort. Standaard maatregelen zijn hiervoor niet van toepassing. Daarom is een vast stappenplan met maatwerk maatregelen opgenomen. Indien deze niet toegepast kunnen worden, wordt alsnog het goedkeuringstraject via het bevoegd gezag ingezet.

3 Het uitgangspunt is werk-met-werk maken. Bij onderhoud van woningen ligt de realisatie van natuurinclusieve maatregelen niet direct

voor de hand. Door de aanwezigheid van steigers kan dit type project mogelijk toch aanleiding geven voor het gelijktijdig realiseren van mitigatiemaatregelen conform de mitigatietaakstelling vooruitlopend op toekomstige renovatie en/of verduurzaming. Onze referentie: D10006731:25 - Datum: 19 januari 2021

24 van 114

SMP GEBOUWBEWONENDE SOORTEN WONINGSTICHTING HELPT ELKANDER

Criteria om te komen tot een verantwoorde keuze van maatregelen uit mitigatiecatalogus Een keuze van een bepaalde maatregel is afhankelijk van vele factoren zoals soort(en), constructie, werkzaamheden, type verblijfplaats etc. Om deze reden moet een keuze voor specifieke maatregel altijd genomen worden door een ecoloog. Voor de keuze van mitigerende maatregelen gelden de volgende uitgangspunten: • Maatregel moet aansluiten bij het type gebouw: grondgebonden, appartementen, flats, bijzondere gebouwen. • Maatregel sluit aan bij betreffende doelsoort(en). • Maatregel sluit bij voorkeur aan bij het plan (nieuwbouw, renovatie of verduurzaming). • Maatregelen worden in de constructie gerealiseerd, zie hieronder voor nadere toelichting. • Maatregel wordt aangeboden op dezelfde plaats als waar in de huidige situatie (potentiële) verblijfplaatsen aanwezig zijn. • Daar waar mogelijk, moet de bestaande situatie zo goed als mogelijk worden teruggebracht (behoud) of worden verbeterd. • Als maatregel nog niet bewezen of goedgekeurd zijn, moeten er altijd combinaties van maatregelen in het project worden toegepast. • Omdat het bewijs van functionaliteit in veel gevallen nog ontbreekt, geldt de stelregel om altijd een verscheidenheid aan maatregelen toe te passen zodat voorkomen wordt dat één enkele maatregel die veelvuldig wordt toegepast in een later stadium ongeschikt blijkt te zijn.

• Voor bijzondere situaties (zeldzame soorten en/of bijzondere verblijfsfuncties) is altijd maatwerk nodig en geldt de Mitigatiecatalogus en het protocol in Bijlage D alleen als leidraad. Er is een sterke voorkeur voor natuurinclusieve maatregelen in gebouwen (constructie) en dan liefst behoud van bestaande verblijfplaatsen. Daarmee is de grootste kans op succes (acceptatie door beschermde soorten). Second best is de realisatie van natuurinclusieve verblijfsruimten in de gebouwconstructie waarbij vrije ruimten slim worden benut (maatwerk). Indien dit niet mogelijk is, dan kan worden teruggevallen op prefab inbouwmaatregelen (voorkeur) of opbouwmaatregelen, voor zover deze zijn gemaakt van duurzame materialen. Zie onderstaand schema voor de afweging en keuzevorming van maatregelen.

Ruimtelijke verdeling van mitigatiemaatregelen binnen project De betrokken ecologisch begeleider zal bepalen waar binnen het projectgebied daadwerkelijk de verblijven worden gerealiseerd, zodat wordt voldaan aan specifieke eisen (bezonning, hoogte, aanvliegruimte etc.) en het rendement voor de soorten zo hoog mogelijk is. De verdeling van de mitigatie binnen het project is belangrijk, doordat hierdoor een gelijke spreiding aan verblijfsmogelijkheden aanwezig is. Het is toegestaan voor een aantal soorten om de voorzieningen ‘te clusteren’ binnen de betrokken woningen, zolang de totale mitigatietaakstelling wordt bereikt en er een ruimtelijke spreiding is van voorzieningen door het gehele projectgebied en indien er ook ter plaatse van oorzakelijke geschikte plekken voorzieningen worden aangebracht. Hiervoor geldt een maximaal aantal voorzieningen/kasten per woning/gebouw: • Gierzwaluw: zes voorzieningen/kasten per separaat geveldeel. • Huismus: twee voorzieningen/kasten per separaat geveldeel. Onze referentie: D10006731:25 - Datum: 19 januari 2021

25 van 114

SMP GEBOUWBEWONENDE SOORTEN WONINGSTICHTING HELPT ELKANDER

•

Vleermuizen: drie voorzieningen/kasten per separaat geveldeel (max. één bijzondere verblijfsfunctie per geveldeel).

Tijdelijke mitigatie bij aanvang SMP Toepassing van de SMP methodiek heeft als doel om geen tijdelijke houten of houtbetonnen verblijfplaatsen aan gevels en of bomen meer op te hoeven hangen zodat deze investeringspost in het geheel ten goede kan komen voor natuurinclusief vastgoed onderhoud en ontwikkeling. De noodzakelijke overbruggingsplekken en uitwijkmogelijkheden zijn geborgd in de SMP-zones met reeds aanwezig geschikte wijken en volgens SMP natuurinclusief opgeleverde gebouwen. Vooral tijdens de start van de looptijd van het SMP kunnen tijdelijke mitigatievoorzieningen het gebrek aan alternatieve verblijfplaatsen opheffen voor zover die nog niet zijn aangeboden in reeds uitgevoerde projecten als surplus op de wettelijke taakstelling en of volgens de SMP methodiek. Een andere reden voor het plaatsen van tijdelijke verblijfplaatsen is als noodoplossing wanneer in de directe omgeving geen alternatieven aanwezig zijn. Dit kan het geval zijn bij woningen die geïsoleerd liggen in het buitengebied. Tenslotte kan het noodzakelijk zijn om extra tijdelijke kasten aan te bieden als men voornemens is meer dan 25% van de SMP-zone tegelijkertijd uit te voeren (bijvoorbeeld wanneer de gehele SMP-zone uit een complex of enkele woningen bestaat). De tijdelijke mitigatie blijft tot uiterlijk drie jaar na oplevering van het project aanwezig in de buurt.

Eerder verwijderen van verblijfplaatsen vindt enkel plaats als de nieuwe verblijfplaatsen aantoonbaar functioneren en geen risico is op aantasting van de lokale de staat van instandhouding. Het verwijderen van de kasten vindt te allen tijde natuurvriendelijk plaats: • Verwijdering vindt plaats buiten kwetsbare perioden van de soort; • Vleermuiskasten worden gecontroleerd en ontmoedigd (indien noodzakelijk) voordat deze worden verwijderd. Registratie en management via natuurboekhouding Bovengenoemde keuzen worden gemaakt en geregistreerd in de overkoepelende natuurboekhouding (zie Bijlage G). Het gaat daarbij om overzicht en management van de gerealiseerde verblijfplaatsen per SMPzone. Deze natuurboekhouding wordt periodiek geactualiseerd door de betrokken ecoloog. In de natuurboekhouding worden navolgende punten voor elk gepland en lopend project geregistreerd per deelgebied: • Projectgegevens (initiatiefnemer, projectecoloog, locatie, aantal woningen, deelgebied). • Ecologische status. − Wel/niet geschikt voor relevante gebouwbewonende soorten. − Wel/geen aanwezigheid verblijfplaatsen. − Wel/geen aanwezigheid bijzondere functies (maatwerk). • Datum natuurvrijverklaring. • Type en locatie voorzieningen per woning. • Status goedkeuring maatwerk door bevoegd gezag. • Planning realisatie mitigatie. • Status realisatie mitigatie.

• Aantal en functie van nieuwe verblijven per soort. • Natuurboekhouding van de realisatie van de gerealiseerde mitigatietaak op niveau van deelgebied.

2.4.3

Stap 3c – uitwerking plan natuurinclusief werken, met bijzondere verblijfsfunctie

Voor gebouwen waarin een bijzondere verblijfsfunctie aanwezig is, anders dan opgenomen in het protocol in Bijlage D, dient een maatwerk ontwerp gemaakt te worden. Voor de overige woningen binnen het project dient de aanpak zoals in de vorige paragraaf gehanteerd te worden. Het kan zijn dat de maatwerk aanpak betrekking heeft op meerdere adressen en/of gebouwen of gebouwdelen. Dit kan zijn doordat de nieuwe maatregel op meerdere locaties noodzakelijk is om effectief te kunnen zijn. Hierbij gaat het om de aanwezigheid van de volgende vastgestelde bijzondere verblijfsfuncties: • Kraamkolonie van gewone dwergvleermuis (>50 vrouwtjes). • Massawinterverblijf voor vleermuizen. • Verblijf van gewone grootoorvleermuis (>10 individuen per verblijf). • Verblijf van laatvlieger (>10 individuen per verblijf). Onze referentie: D10006731:25 - Datum: 19 januari 2021

26 van 114

SMP GEBOUWBEWONENDE SOORTEN WONINGSTICHTING HELPT ELKANDER

• • • • • • •

Kolonie van huismus (>20 nesten binnen een cirkel van 50 meter diameter). Kolonie van gierzwaluw (>20 nesten binnen een cirkel van 50 meter diameter). Kolonie van huiszwaluw. Nest/leefgebied van steenuil. Nest van kerkuil. Nest van torenvalk. Verblijf van steenmarter.

De betrokken ecoloog zal tijdens het ontwerp- en planningsproces van de projectleider, architect en aannemer nagaan of het betreffende verblijf kan worden behouden. Dit vanwege het grote belang voor de staat van instandhouding van de soort. Met een beperkte ontwerpaanpassing is dit vaak goed mogelijk. Indien in de huidige vorm het niet mogelijk is om de bijzondere verblijfplaatsen te behouden zal de ecoloog samen met de ontwerper en aannemer op dezelfde plek in de woning of gebouw een vergelijkbare voorziening laten realiseren. Daarbij is het van belang dat deze verblijfplaats direct beschikbaar is voor de functie waar het verloren verblijf voor diende. Een massawinterverblijf moet dus ruim voor het winterseizoen gereed zijn. Het ontwerp en plan voor de uitvoering van maatwerk wordt door de betrokken ecologisch begeleider op schrift gesteld en ter goedkeuring4 voorgelegd aan het bevoegd gezag voor de kwaliteitsborging.

4 Om vertragingen in het plan- en uitvoeringsproces te voorkomen, wordt ervan uitgegaan dat het bevoegd gezag binnen twee

werkweken reageert. Onze referentie: D10006731:25 - Datum: 19 januari 2021

27 van 114

SMP GEBOUWBEWONENDE SOORTEN WONINGSTICHTING HELPT ELKANDER

3

INVENTARISATIE GEBOUWBEWONENDE SOORTEN

3.1

Doel en opzet onderzoek

Voor het SMP is (en wordt) onderzoek verricht naar de actuele verspreiding van gebouwbewonende soorten. Het gaat daarbij – meer specifiek – om onderzoek naar gebouwbewonende vleermuizen, huismussen en gierzwaluwen. De mogelijke aanwezigheid van andere soorten die sporadisch in en rondom gebouwen voorkomen wordt tevens beoordeeld. Hiermee is inzicht verkregen in de staat van instandhouding. De resultaten worden gebruikt in combinatie met de monitoringsgegevens om de populatietrend in beeld te brengen. Het onderzoek is erop gericht te bepalen welke beschermde soorten in de gebouwen aanwezig kunnen zijn. Het onderzoek bestaat uit de combinatie van de volgende onderzoeken, waarvan de methodiek in de volgende paragrafen worden uitgewerkt: • Bureauonderzoek – verzamelen van alle bekende actuele waarnemingen. Hierbij wordt een analyse uitgevoerd van openbaar beschikbare verspreidingsgegevens van beschermde flora en fauna. • Modelmatig onderzoek – door middel van een model wordt op basis van type gebouw en kenmerken van het gebouw voorspeld of de soort verwacht wordt (geschiktheid van gebouw en omgeving voor beschermde soorten). • Veldonderzoek: − Kwantitatief onderzoek – conform landelijke protocollen wordt een representatief deel, 18%, van het woningbezit op gierzwaluw, huismus en vleermuissoorten onderzocht.

− Kwalitatief onderzoek – resterende deel van het woningbezit inclusief omliggende bebouwing wordt onderzocht op het voorkomen van bijzondere verblijfsfuncties van gierzwaluw, huismus en vleermuissoorten. Daarbij wordt ook naar soorten als huiszwaluw gekeken. − Visuele inspectie – visuele inspectie van de bijzondere verblijfsfuncties ter lering van de noodzakelijk omstandigheden van deze verblijven. • Validatie en kalibratie model – op basis van de onderzoeksgegevens wordt het modelmatig onderzoek gevalideerd en mogelijk gekalibreerd. • Monitoringsonderzoek – voor het in beeld brengen van de populatietrends wordt het woningbezit gemonitord.

3.2

Bureauonderzoek

Voor het bureauonderzoek is gebruik gemaakt van de onderstaande bronnen: • Nationale Databank Flora en Fauna (www.ndff.nl). • Globespotter (Cyclomedia). • Rapporten van veldonderzoek die Helpt Elkander de afgelopen jaren heeft laten uitvoeren door verschillende adviesbureaus. In de tabel hieronder is samengevat welke beschermde (gebouwbewonende) soorten in de laatste vijf jaar (NDFF geraadpleegd in augustus 2019) zijn waargenomen in en rondom het woningbezit van Helpt Elkander. De soorten die worden meegenomen in het SMP Helpt Elkander zijn als volgt: • Gewone dwergvleermuis. • Gewone grootoorvleermuis. • Laatvlieger. • Ruige dwergvleermuis. • Huismus. • Huiszwaluw. • Gierzwaluw. • Steenmarter. Een aantal soorten worden als aandachtspunt meegenomen in het SMP Helpt Elkander. Op deze soorten zal nader worden ingegaan als deze terplekke worden aangetroffen. Het gaat hierbij om de volgende soorten: • Steenuil. • Kerkuil. • Torenvalk.

Onze referentie: D10006731:25 - Datum: 19 januari 2021

28 van 114

SMP GEBOUWBEWONENDE SOORTEN WONINGSTICHTING HELPT ELKANDER

Tabel 15 Waargenomen beschermde gebouwbewonende soorten in en rondom het woningbezit van Helpt Elkander in de laatste vijf jaar (NDFF geraadpleegd februari 2020).

Soortgroep

Resultaten bureaustudie

Vleermuizen

Enkel de gewone dwergvleermuis komt verspreid in het plangebied voor. Van de, laatvlieger, gewone grootoorvleermuis en ruige dwergvleermuis zijn enkele waarnemingen bekend vanuit het buitengebied buiten het plangebied. Enkel van de kleine dwergvleermuis zijn geen waarnemingen bekend.

Vogels

In de dorpskern Gerwen zijn geen waarnemingen bekend van gebouwbewonende soorten (hoogstwaarschijnlijk door waarnemerseffect). De huismus en huiszwaluw komen verspreid over Nederwetten en Nuenen voor. De gierzwaluw is enkel bekend uit Nuenen. De steenuil en torenvalk komen verspreid voor, maar vestigen zich hoofdzakelijk in het buitengebied of aan de randen van alle woonkernen. Van de kerkuil zijn enkele waarnemingen bekend aan de randen van de woonkernen Nuenen en Nederwetten.

Zoogdieren

Van de steenmarter zijn enkele waarnemingen verspreid over het gehele plangebied bekend. Deze zijn hoofdzakelijk vanuit het buitengebied of de rand van het woongebied.

3.3

Modelmatig onderzoek – Geschiktheidsmodel

3.3.1

Geschiktheid van woningen voor soorten

De tweede stap in de nulmeting is een digitale Quickscan van alle woningen van Helpt Elkander waarbij voorspellingen gedaan worden om te kijken waar soorten verwacht kunnen worden. Dit wordt gedaan door middel van een geschiktheidsmodel. Kans op aanwezigheid wordt bepaald op basis van de gebouwtypologie en de omgeving. Hiervoor is de volgende ‘formule’ gehanteerd: Kans soort aanwezig in gebouw = geschiktheid gebouw x geschiktheid omgeving In Bijlage E zijn tabellen opgenomen met de geschiktheidscriteria per soort gebaseerd op algemene ecologische kennis, verspreidingsgegevens en expert judgement. Zie Figuur 5 voor de opzet. Voor de analyse is gebruik gemaakt van digitale gegevens zoals die beschikbaar zijn voor de woningen, gebouwen en de omgeving.

Geschiktheidseisen gebouw

Geschiktheidseisen omgeving

Ja → Nee →

Omgeving geschikt Omgeving ongeschikt

Ja ↓ Gebouw (mogelijk) geschikt Hoge kans aanwezigheid

Nee ↓ Gebouw ongeschikt

Middelhoge kans aanwezigheid

Lage kans aanwezigheid

Lage kans aanwezigheid

Figuur 5 Voorbeeld van gehanteerd format voor de bepaling van de kans op beschermde soorten op basis van geschiktheidseisen omgeving en gebouwen per soort (geschiktheidsmodel).

Uit de analyse komt alleen de potentie die een gebouw heeft om als een verblijfplaats te dienen. Dat betekent niet dat in gebouwen met een lage potentie geen dieren kunnen zitten, of dat in elk gebouw met een hoge potentie een verblijfplaats aanwezig moet zijn. De kans wordt alleen hoger ingeschat. De criteria zijn geselecteerd op basis van de ecologische relevantie. Deze criteria zijn bepaald op basis van ecologische veldkennis (expert judgement Arcadis), literatuurstudie (stageonderzoeken) en gevalideerd vanuit verschillende SMP’s, waaronder in Noord-Brabant, zoals nu standaard gebruikt als Quickscan en geaccepteerd door bevoegde gezagen. Voor de uitvoering van de digitale Quickscan zijn alle gebouwen apart geanalyseerd. Zie ook volgende paragraaf.

Onze referentie: D10006731:25 - Datum: 19 januari 2021

29 van 114

SMP GEBOUWBEWONENDE SOORTEN WONINGSTICHTING HELPT ELKANDER

3.3.2

Uitgevoerde validatie van het geschiktheidsmodel

In 2019 is een geschiktheidsbeoordeling gemaakt in de vorm van een Quickscan voor de projecten die in de eerst komende jaren op de planning staan ter verduurzaming en renovatie. Op basis van deze beoordeling is de onderzoeksinspanning van het kwantitatief onderzoek bepaald. Wanneer de geschiktheidsbeoordelingen van de Quickscan en het model vergeleken worden is over het algemeen te zien dat het model de geschiktheid positiever (hogere geschiktheid voor de beschermde soorten) beoordeeld dan de beoordeling op basis van de Quickscan. Verschil hierin ligt op het detailniveau waarin de woningen beoordeeld worden. Het model beoordeelt het type gebouw, type dak en de omgeving. Een ecoloog ter plaatse kan tevens beoordelen of dat er openingen aanwezig zijn zoals open stootvoegen, scheuren in de gevel en openingen in de dakrand. Hierdoor is een ecoloog ter plaatse beter in staat een woning als ongeschikt te beoordelen, dan dat het model hier toe in staat is. Aan- of afwezigheid van dergelijke openingen zijn niet op grote schaal in te voeren in een model. Daarnaast zijn tussenwoningen minder snel geschikt voor soorten als gierzwaluw en/of vleermuizen. Hiervoor is het detailniveau afhankelijk zoals de eerder genoemde openingen.

Echter is het afschalen van tussenwoningen niet gewenst, omdat voor diverse complexen ook tijdens de Quickscan de tussenwoningen als geschikt zijn beoordeeld vanwege openingen en/of andere structuren in de voorgevel waar verblijven van gierzwaluwen en vleermuizen te verwachten zijn. Appartementencomplexen met een plat dak zijn bij de Quickscan beoordeeld als ongeschikt voor huismussen. Het model beoordeeld deze in bijna alle gevallen als “middelhoge kans” op aanwezigheid. Dit komt vanuit het feit dat het model naast de gebouwtypologie de geschiktheid van de omgeving beoordeeld. Wanneer deze geschikt is, wordt een gebouw automatisch als “middelhoge kans” beoordeeld. Het resultaat vanuit het in 2020 uitgevoerde onderzoek zal onderbouwen of dat de geschiktheid van huismussen in appartementencomplexen met plat dak aangepast kan worden, waarbij de gebouwtypologie appartementencomplexen zwaarder weegt dan de geschiktheid van de omgeving. Dit is niet het geval voor gierzwaluwen. Voor deze soort speelt de directe omgeving geen belangrijke rol, omdat deze soort veelal op kilometers afstand van de verblijfplaatsen foerageert. Voor deze soort zijn een paar appartementencomplexen met eenzelfde gebouwtypologie verschillend beoordeeld. Voor deze complexen wordt de input van het model nader bekeken om de output te kunnen verklaren.

Met betrekking tot de vleermuizen is een belangrijke factor in het model het energielabel en voor de fysiek uitgevoerde Quickscan is dat de aan- of afwezigheid van openingen in de gevel en langs de dakranden. De verschillen tussen de geschiktheidsbeoordelingen via het model en de Quickscan zijn klein. Dit komt mede door de kennis over de aanwezigheid van vleermuizen in verschillende typen gebouwen. Vleermuizen zijn zeer opportunistisch en een (kleine) opening in een gebouw geeft al de mogelijkheid voor de aanwezigheid van een vleermuizenverblijf. Hierdoor is de kans klein dat een gebouw als ongeschikt beoordeeld kan worden op basis van een Quickscan terwijl het model wel een lage kans zal beoordelen op basis van energielabel en bouwjaar. Uit het in 2020 uitgevoerde onderzoek zal blijken of de kans uit de Quickscan versus de lage kans uit het model ook match met het gebruik van die panden door vleermuizen. Indien noodzakelijk wordt het model dan nog strenger gekalibreerd van lage naar middel of hoge kans.

3.3.3

Validatie en kalibratie van het geschiktheidsmodel

Op basis van het veldonderzoek en het monitoringsonderzoek dat wordt uitgevoerd (zie volgende paragraaf), wordt het geschiktheidsmodel nogmaals gevalideerd (beoordeeld) en mogelijk gekalibreerd (bijgesteld). Hier volgt dan een model werkkaart uit waarbij het model gecombineerd is met de resultaten uit de nulmeting en kwalitatieve onderzoeksgegevens en alle data omtrent de bijzondere situaties en soorten. Deze digitale werkkaart wordt ieder jaar na afronding van de kwalitatieve onderzoeken en monitoringsronden gecorrigeerd en aangevuld. Daarbij worden dan ook de meest recente NDFF data meegenomen van dat betreffende onderzoek jaar.

Onze referentie: D10006731:25 - Datum: 19 januari 2021

30 van 114

SMP GEBOUWBEWONENDE SOORTEN WONINGSTICHTING HELPT ELKANDER

3.4

Veldonderzoek

3.4.1

Kwantitatief onderzoek

Het kwantitatieve veldonderzoek ten behoeve van de inventarisatie van gebouwbewonende soorten wordt uitgevoerd conform de landelijke onderzoeksprotocollen. Met deze onderzoeksmethode worden – in principe – alle actuele verblijfplaatsen gevonden van de gierzwaluw, huismus, huiszwaluw en vleermuizen en daarmee een compleet verspreidingsbeeld verkregen binnen het onderzoeksgebied (circa 15% van het woningbezit van Helpt Elkander). Daarbij worden waarnemingen van andere soorten zoals steenmarter geregistreerd. Voor het verkrijgen van een representatief beeld worden zo evenredig mogelijk alle woningtypen onderzocht van Helpt Elkander onderzocht (grondgebonden woningen en appartementencomplexen). Daarnaast wordt rekening gehouden met de woningen die op korte termijn (binnen 1 tot 3 jaar) gerenoveerd en/of verduurzaamd worden. In 2020 worden de complexen 4, 7, 8, 9, 10, 12, 13, 20 en 22 met in totaal 208 woningen (circa 15% van het woningbezit) kwantitatief onderzocht. Dit vormt een ruim voldoende representatief beeld (dichtheid soorten en verspreiding binnen het werkgebied en de woning typologieën) van het gehele woningbezit voor de onderbouwing van de generieke taakstelling en de definitieve validatie van het model. Het veldonderzoek vindt plaats conform het Vleermuisprotocol (2017), Kennisdocument Huismus (2017) en Kennisdocument Gierzwaluw (2017), zie Tabel 16.

Tabel 16 Onderzoeksinspanning tijdens kwantitatieve nulmeting.

Soort

Conform

Vleermuizen: gewone Vleermuisprotocol 2017 dwergvleermuis, laatvlieger en (NGB, Zoogdiervereniging gewone grootoorvleermuis versie 2017)

Periode

Veldbezoeken

15 mei - 15 juli Augustus - september

Vijf veldinspecties in de avond en ochtendschemering inclusief twee middernacht zwerminspecties in augustus.

Huismus

Kennisdocument Huismus (BIJ12, versie juli 2017)

April - 15 mei

Twee veldbezoeken tijdens het broedseizoen.

Gierzwaluw

Kennisdocument Gierzwaluw (BIJ12, versie juli 2017)

Juni - 15 juli

Drie veldbezoeken met een tussenliggende periode van minimaal tien dagen.

3.4.2

Kwalitatief onderzoek

Het resterende woningbezit (circa 85%) wordt onderzocht via kwalitatief veldonderzoek indien hier renovatie en/of verduurzaming plaatsvindt. In 2020 worden de complexen 1, 2, 5, 6, 11, 15, 17, 19, 21 en 23 met in totaal 356 woningen (circa 25%) kwalitatief onderzocht. Vanaf 2021 worden het overige woningbezit kwalitatief onderzocht via kwalitatief veldonderzoek indien hier renovatie en/of verduurzaming plaatsvindt. Het doel van deze manier van onderzoek doen, is inzicht te krijgen en te houden in de belangrijkste functies om op gebiedsniveau lokale populaties te kunnen behouden door middel van mitigatie (generiek en specifiek). Het veldonderzoek is daarbij gericht op het vaststellen van de belangrijkste verblijfsfuncties, namelijk: • kolonies van gierzwaluw. • kolonies van huismus. • kolonies van huiszwaluw. • kraamverblijven van vleermuissoorten (alle gebouwbewonende soorten). • (massa)winterverblijven van gewone dwergvleermuis. • Grotere verblijven van gewone grootoorvleermuis en laatvlieger. De methode is kwalitatief van aard en niet gericht op het kunnen uitsluiten van soorten voor vrijgave van gebouwen. Deze aanpak vermindert de onderzoeksinspanning doordat het onderzoek wordt gericht op de belangrijkste gebiedsfuncties en kernpopulaties van de betreffende soorten. Onze referentie: D10006731:25 - Datum: 19 januari 2021

31 van 114

SMP GEBOUWBEWONENDE SOORTEN WONINGSTICHTING HELPT ELKANDER

Daarbij wordt er standaard al van uitgegaan dat vrijwel alle gebouwen in meer of mindere mate gebruikt worden als verblijfplaats of nestlocatie. Bij verlenging van de ontheffing, de tweede ontheffingsfase, wordt het kwalitatief onderzoek herhaalt bij de complexen waar nog geen werkzaamheden hebben plaatsgevonden (werkzaamheden waarvoor een mitigatietaakstelling is bepaald en toegepast). Het doel hiervan is het actualiseren van de kennis in verband met het verjaren van de onderzoeksgegevens. In Tabel 17 staat de geleverde onderzoeksinspanning van de kwalitatieve nulmeting. Tabel 17 Onderzoeksinspanning tijdens kwalitatieve nulmeting.

Soort

Inventarisatie

Periode

Veldbezoeken

Huismus

Vaststellen kolonies / groepen van nesten en aanwezigheid van deze soort binnen clusters als broedvogel

April – 15 mei

1 ochtendronde – start 1 à 2 uur na zonsopgang

Huismus + Gierzwaluw

Activiteiten koloniegroepen in en boven de wijk

15 – 31 mei

1 overdag

Gierzwaluw

Vaststellen kolonies / groepen van nesten en aanwezigheid van deze soort binnen clusters als broedvogel

20 juni – 7 juli

1 avondronde inclusief afspelen lokgeluiden in de twee uur voor zonsondergang ten tijde van aanwezigheid roepende jongen op de nesten

Laatvlieger / gewone dwergvleermuis / overige vleermuizen

Vaststellen kolonies

15 mei – 15 juli

1 ochtend en 1 avond

Laatvlieger / gewone dwergvleermuis / overige vleermuizen

Bepalen omvang bijzondere 15 mei – 15 juli verblijfsfuncties

Gewone dwergvleermuis en Vaststellen overige soorten massawinterverblijf

3.4.3

1 augustus – 10 september

Avond navolgend vaststellen bijzondere verblijfsfuncties

2 middernacht zwerminspecties

Visuele inspectie

In twee situaties wordt een uitgebreide visuele inspectie van de woningen en gebouwen uitgevoerd door een ter zake kundige ecoloog: 1. Indien bijzondere verblijfsfuncties zijn aangetroffen. De inspectie is in dat geval gericht op het opsporen van de ingangsopening(en) en de exacte plek en omstandigheden van de verblijfsplaats. Met deze informatie is het mogelijk om een maatwerkplan op te stellen, gericht op het behoud van de functie. Daarnaast worden deze gegevens gebruikt voor verbetering van toekomstige mitigatie en het aanvullen en verbeteren van de mitigatiecatalogus. 2. Indien nog geen veldonderzoek (kwantitatief of kwalitatief) heeft plaatsgevonden. De inspectie zal zich dan richten op het opsporen van alle aanwezige bijzondere verblijfsfuncties. Dit zal bij hoge uitzondering het geval zijn. De visuele inspectie vindt stapsgewijs plaats in de minst gevoelige periode (tijdens de ontmoediging, zie hoofdstuk 2). Indien er aan de buitenzijde van een gebouw geen mest wordt gevonden, worden geschikte openingen in verschillende stappen nader bekeken. Een geschikte opening wordt altijd gedetailleerder onderzocht en afhankelijk van de plek met endoscoop en/of met zaklamp bekeken. De stappen zijn als volgt:

Onze referentie: D10006731:25 - Datum: 19 januari 2021

32 van 114

SMP GEBOUWBEWONENDE SOORTEN WONINGSTICHTING HELPT ELKANDER

1. Deze worden eerst kort belicht met een zaklamp. Vaak kunnen mestsporen in een opening met een zaklamp namelijk al worden waargenomen. Omdat het bekijken van een opening met een zaklamp een handeling is van zeer korte duur, zou de vleermuis nauwelijks verstoring ondervinden indien aanwezig. 2. Vervolgens worden openingen met behulp van een endoscoop die is voorzien van een camera voorzichtig geïnspecteerd. Met behulp van een endoscoop kan tot een diepte van 1,5 meter in het gebouw worden geïnspecteerd. 3. Indien het mogelijk is, zoals ter plekke van een dakpan, wordt gekeken door de plek voorzichtig open te maken. Indien de verblijfplaats toch niet volledig te inspecteren is met de middelen, dus indien geen dieren en/of sporen worden aangetroffen binnen de reikwijdte van de endoscoop, dan wordt de plek nog steeds als geschikte verblijfplaats aangemerkt, maar wordt deze niet meegenomen als te mitigeren of te compenseren verblijfplaats. De aanwezigheid van een verblijfplaats wordt dan ook niet uitgesloten op basis van de inspectie, dat wil zeggen indien er bij of in een geschikte opening geen sporen worden aangetroffen. Het ontbreken van enige sporen duidt echter wel op een maximaal incidenteel gebruik door vleermuizen. Indien er een vleermuis wordt waargenomen, dan wordt de endoscoop weer rustig weggehaald, zonder dat de vleermuis daarbij opzettelijk verstoord is.

Als er geen vleermuizen aanwezig zijn, dan wordt getracht om mest te verzamelen en een functie inschatting te maken van het verblijf. Het verblijf wordt daarbij altijd in de oorspronkelijke staat gehouden. Het open maken bestaat enkel uit het optillen van een dakpan of loodslap, er vinden geen destructieve handelingen plaats. De verblijfplaats blijft dus te allen tijde intact en de vleermuizen (indien aanwezig) worden niet opzettelijk verstoord met als doel om te verstoren. De verblijfplaatsen zullen dus tijdens het onderzoek naar mest te allen tijde niet worden beschadigd of vernield.

3.5

Monitoringsonderzoek

Het doel van het monitoringsonderzoek is tweeledig. Enerzijds wordt hiermee het effect van het SMP op de populatietrend van de verschillende soorten onderzocht. Anderzijds wordt de effectiviteit van de toegepaste maatregelen bepaald. Op basis van deze monitoringsresultaten wordt het SMP geëvalueerd. Deze evaluatie bepaald of het SMP voldoet aan de ontheffingsvoorwaarden en of er reden is om het SMP op onderdelen aan te passen. Aan het einde van het vierde en negende jaar van de ontheffingstermijn wordt het monitoringsonderzoek gerapporteerd en het SMP geëvalueerd en indien noodzakelijk aangepast.

3.5.1

Onderzoek populatietrend

Broedvogels Voor de monitoring van de populatietrend van de broedvogels wordt gebruik gemaakt van het landelijke Meetnet Urbane Soorten (MUS). Dit meetnet dat door SOVON is ontwikkeld volgt de broedvogels van de stedelijke omgeving. De stedelijke omgeving omvat dorpen en steden, maar ook parken, havens en industriegebieden. MUS is gebaseerd op het Nederlandse postcodesysteem met daarbinnen telpunten. Het aantal getelde postcodegebieden is van 2007 tot 2012 toegenomen van 450 naar ruim 600 (4100 naar 5900 telpunten). Dit aantal groeit nog steeds. Deze methodiek wordt gebruikt om van jaar tot jaar de lokale verspreiding en populatieverandering van huismuis, huiszwaluw, gierzwaluw – en andere stadsvogels – vast te stellen en te vergelijken met de landelijke trends. Het is ook mogelijk om indruk te krijgen van de broedvogeldichtheid van stadsvogels – waaronder de huismus, huiszwaluw en gierzwaluw - binnen de gemeente Nuenen (het plangebied van SMP Helpt Elkander) en daarmee van kernpopulaties of juist ‘lege gebieden’ waar deze blijkbaar ontbreken. Binnen deze telling worden alleen de soorten genoteerd die een duidelijke binding hebben met het gebied. Bij de gierzwaluw en huiszwaluw gaat het ook om de laag- en hoogvliegende vogels. Daarmee ontstaat een compleet beeld van de wijken en buurten waar deze soort actief is en vermoedelijk ook nestelt.

De opzet van de routes en de analyse worden in samenwerking met SOVON bepaald en uitgevoerd.

Onze referentie: D10006731:25 - Datum: 19 januari 2021

33 van 114

SMP GEBOUWBEWONENDE SOORTEN WONINGSTICHTING HELPT ELKANDER

Vleermuizen De monitoring van vleermuizen is noodzakelijk om de staat van instandhouding op langere termijn te kunnen volgen. Met betrekking tot de zomersituatie is door de Zoogdiervereniging gekozen voor de opzet van vleermuistransecten waarbij foeragerende vleermuizen worden gedetecteerd met zowel de bat-detector als de bat-logger. Het gaat daarbij om het project vleerMUS (meetnet NEM Vleermuis Transecttellingen). Het landelijk aantal vleermuis-transecten groeit en daarmee ook de mogelijkheid om lokale resultaten te vergelijken met de landelijke database (zie onderstaande tabel). Zodra de ontheffing Wnb is verleend worden de aantallen routes voor de benodigde dekking in samenwerking met de Zoogdiervereniging bepaald. Dit ter validatie en vergelijking met het landelijke netwerk. De start van de tellingen vindt plaats in het eerste zomerseizoen van de ontheffing Wnb. De vleermuistransecten worden vervolgens jaarlijks driemaal geteld in het voorjaar (mei) en eenmaal in het najaar (begin augustus – eind september). Het gaat daarbij om een vaste route die in anderhalf uur tijd ’s avonds wordt afgefietst, een kwartier na zonsondergang tot 2 uur na zonsondergang.

3.5.2

Onderzoek functionaliteit mitigatie

Voor het onderzoek naar de effectiviteit van de mitigatie wordt binnen het kwantitatieve onderzochte gebied een vijftal representatieve projecten geselecteerd die vanaf het volgende jaar gemonitord worden. In het eerste, tweede en derde jaar van de ontheffingstermijn worden deze projecten kwalitatief onderzocht. In het vierde jaar worden dezelfde vijf projecten kwantitatief onderzocht, ter vergelijking met de kwantitatieve nulmeting. De start van de monitoring vindt plaats ongeacht in welke fase de projecten zijn (ontmoediging en/of start van de renovatie/verduurzamings-werkzaamheden). Het kwalitatieve onderzoeksgebied betreft een wijk of stadsdeel (projectgebied en omliggende bebouwing) rondom de geselecteerde projecten om effecten zoals (tijdelijke) verplaatsingen van soorten te kunnen registreren.

Dit brengt de lokale bewegingen van soorten in beeld binnen en rondom het woningbezit van Helpt Elkander De representativiteit van de projectmonitoring wordt bepaald aan de hand van de volgende criteria: • Representatief voor de typologie van de woningen die binnen het SMP zal worden aangepakt (voor zover onderzocht in jaar 0); • Goede spreiding door en ligging van het eigendom; • Correcte verdeling en aanwezigheid van bijzondere verblijfplaatsen, soorten en/of kolonies voor zover vastgesteld in jaar 0; • Aanwezigheid van een meetbare populatie in jaar 0 binnen de relevante soortgroepen (dus geen complexen waar in jaar 0 niks is vastgesteld). Tijdens de monitoring worden omgevingsfactoren van de mitigatie genoteerd zoals het type voorziening, de oriëntatie ten opzichte van de zon, verstoring door kunstmatige lichtbronnen (straatlantaarns, verlichting aan huurwoningen) en mate van groen in de directe omgeving. De rapportage, analyse en eindevaluatie vindt plaats in het vijfde jaar van de ontheffingsperiode. Naast de monitoring van een vijftal projecten worden de complexen waarin bijzondere verblijfsfuncties zijn vastgesteld in het eerste en derde jaar na oplevering van het project kwalitatief gemonitord. Daarbij vindt tevens een visuele inspectie plaats van de getroffen voorzieningen voor deze functie in de periode september-oktober in jaar 1 en 3 na oplevering.

Dit onderzoek is gericht op het inzichtelijk maken van het gebruik van deze typen maatregelen en het in beeld brengen van de belangrijke verblijfsfuncties in de directe omgeving. Als laatst worden alle niet functioneel bewezen voorzieningen in het eerste en derde jaar na oplevering visueel geïnspecteerd in de periode september-oktober. Dit ter controle van de effectiviteit van de toegepaste voorzieningen.

3.5.3

Evaluatie

De evaluatie van de monitoringsgegevens vindt plaats in het vierde jaar van de ontheffingstermijn. Hierin worden de verspreidingsgegevens van het soortgericht onderzoek, de verspreidingsgegevens van de monitoring en de regionale en landelijke trend tegen elkaar afgezet. Op basis hiervan wordt geconcludeerd Onze referentie: D10006731:25 - Datum: 19 januari 2021

34 van 114

SMP GEBOUWBEWONENDE SOORTEN WONINGSTICHTING HELPT ELKANDER

of de staat van instandhouding gewaarborgd is. Hieruit volgt of bijsturing van de werkwijze noodzakelijk is of niet. Bijsturing van de werkwijze kan op diverse stappen in een project of een proces in het SMP: 1. Natuurvriendelijk werken: Bij deze stap spelen een aantal factoren een rol die (mogelijk) invloed hebben op (her)kolonisatie van een projectgebied. Vergelijking van de verschillende projecten verschaft mogelijk informatie over de meest geschikte manier van werken. Factoren die van invloed zijn op natuurvriendelijk werken zijn: • Moment van uitvoering van de projecten (al dan niet in de gevoelige perioden van soorten). • Duur ongeschiktheid verblijfplaatsen. • Doorlooptijd projecten. • Gefaseerd uitvoeren van werkzaamheden. 2. Natuurinclusief werken: Bij deze stap spelen een aantal factoren een rol die (mogelijk) invloed hebben op (her)kolonisatie van een projectgebied. Vergelijking van de verschillende projecten verschaft mogelijk informatie over de meest geschikte manier van werken. Factoren die van invloed zijn op natuurinclusief werken zijn: • • • •

Type maatregelen (effectiviteit vooraf bewezen of niet, maatwerk, etc.). Locatie van maatregelen (plaats in bebouwing, oriëntatie t.o.v. de zon, afstand tot andere maatregelen, etc.). Omgevingsfactoren binnen werkgebied (hoeveelheid groen, verstoringseffecten zoals licht en verkeer, etc.). Taakstelling (hogere mitigatietaakstelling leidt niet automatisch tot hogere aantallen en/of hogere bezetting. Kan ook negatief werken door bijvoorbeeld concurrentie).

3. Aanpassen onderzoeksinspanning: Naar aanleiding van het monitoringsonderzoek kan het noodzakelijk zijn de onderzoeksinspanning aan te passen om betere uitspraken te kunnen doen over de staat van instandhouding en/of de effectiviteit van de mitigerende maatregelen. Afhankelijk van de uitkomsten zijn hier verschillende opties voor mogelijk: • Extra visuele inspecties van meerdere typen mitigerende maatregelen. • Hogere onderzoeksinspanning door: − Geheel SMP zone waarin aangepakte woningen vallen onderzoeken (voor breder beeld van de verspreiding). − Meerdere onderzoeksronden: (richting) kwantitatief onderzoek.

Onze referentie: D10006731:25 - Datum: 19 januari 2021

35 van 114

SMP GEBOUWBEWONENDE SOORTEN WONINGSTICHTING HELPT ELKANDER

4

UITVOERING

4.1

Taken betrokken partijen

Voor een bedrijfsmatige en adequate uitvoering van het SMP is het van belang dat de betrokken uitvoerende partijen voldoende zicht hebben op hun taken. In onderstaande tabel staan de taken samengevat in ‘kernwoorden’. Daarbij is het onderscheid gemaakt in het stadsniveau en projectniveau. Tabel 18 Taakverdeling betrokken partijen.

Uitvoerende partijen Taken projectniveau SMP-coördinator

Salderingsboekhouding, onderzoeken, check ecologische werkprotocollen

Projectecoloog

Opstellen ecologisch werkprotocol, ecologische begeleiding, natuurvrij verklaren, bijhouden logboek

Projectleider

Aansturing project conform SMP en ontheffing, afstemming ecoloog en aannemer

Aannemer

Uitvoering conform ecologisch werkprotocol, afstemming projectecoloog, bespreken afwijkingen

Bevoegd gezag

Toezicht, handhaving, goedkeuring maatwerk

4.2

Rapportage en registratie SMP producten

In het stappenplan zijn verschillende documenten en databases genoemd die tijdens de uitvoering van het SMP worden gebruikt en beheerd. In onderstaande tabel zijn deze ‘producten’ op een rij gezet met de beknopte inhoud, het schaalniveau (projectgebonden of SMP gebonden), de verantwoordelijke opsteller / beheerder en het moment van actualisatie. Tabel 19 Inhoud, verantwoording en planning van alle producten volgend uit het SMP.

Product SMP

Inhoud

Schaal niveau

Opsteller / beheerder

Planning

GIS-viewer en database

GIS-systeem met data over de verspreiding van soorten en geschiktheid van woningen voor beschermde soorten

Gehele woningbezit

Coördinator-SMP

Continu

Salderingsboekhouding

Documentatie (Excelbestand met actueel beeld van verlies van verblijfplaatsen en nieuwe verblijfplaatsen per SMP-zone

Gehele woningbezit en per project

Coördinator-SMP

Continu

Ecologisch werkprotocol maatwerk

Concrete beschrijving en instructie van ontmoediging en natuurinclusief bouwen bij een bijzonder verblijf

Project

Ecoloog en ter goedkeuring en BG

Voorafgaand aan realisatie project

Ecologisch werkprotocol generiek

Concrete beschrijving en instructie van ontmoediging en natuurinclusief bouwen

Project

Ecoloog

Voorafgaand aan realisatie project

Natuurvrij verklaring

Verklaring dat in het gebouw geen soorten meer verblijven

Project

Ecoloog

Na afronding van ontmoediging

Landelijk (in kader van alle SMP’s)

Arcadis in samenwerking met SOVON en Zoogdiervereniging

Tenminste 2x per jaar

Ontwerpeisen en functionaliteit mitigatiemaatregelen. Mitigatiecatalogus Te zijner tijd ook online raadpleegbaar

Onze referentie: D10006731:25 - Datum: 19 januari 2021

36 van 114

SMP GEBOUWBEWONENDE SOORTEN WONINGSTICHTING HELPT ELKANDER

Product SMP

Inhoud

Schaal niveau

Opsteller / beheerder

Planning

Monitoring- en evaluatierapport

Resultaten, analyse en evaluatie monitoring populatietrend, behoud bijzondere verblijven en effectiviteit mitigatie

Gehele woningbezit

Coördinator SMP met medewerking SOVON en Zoogdiervereniging

Na 5 en 10 jaar

4.3

Uitvoering projecten en ingrepen

De uitvoering van projecten conform SMP en gebiedsontheffing Wnb wordt op structurele wijze opgepakt. In Figuur 6 staan de processtappen die binnen Helpt Elkander gaan lopen van initiatieffase tot nazorgfase. Daarnaast worden ook project overstijgende zaken opgepakt zoals de geplande projecten, mutatie van woningbezit, natuurboekhouding en monitoring. Jaarlijks wordt het bevoegd gezag hiervan op de hoogte gehouden. Om toezicht en controle mogelijk te maken worden deze in de nabije toekomst ook via een website ontsloten. Initiatieffase

Definitiefase

(Complex)

(ingrepen / PVA)

Geschiktheid + kans effecten

Generieke en specifieke mitigerende maatregelen

Generieke ontheffing op basis van SMP

Ontwerpfase

Uitvoeringsfase

Nazorg fase

Project overstijgende activiteiten

Ecologisch werkprotocol opstellen (concrete maatregelen)

Uitvoeren ecologisch werkprotocol

Bijwerken GIS bestand complex

Salderingsboekhouding (gehele bezit) bijwerken

Uitvoeren (indien nodig*) aanvullend gebiedsgericht onderzoek

Aanvullende visuele inspectie*

*nog 85% van bezit conform kwalitatieve methodiek

*Indien bijzondere verblijfsfuncties of bij ontbreken aanvullend veldonderzoek

Ecologische begeleiding +logboek, natuurvrij verklaring

EWP ter informatie of goedkeuring aan bevoegd gezag

Monitoring flora en fauna per gebied Jaarevaluatie alle projecten evt. bijstellen SMP plan

Update en plannen komend jaar richting bevoegd gezag

Figuur 6 Schema van de processtappen tijdens de looptijd van het SMP.

Onze referentie: D10006731:25 - Datum: 19 januari 2021

37 van 114

SMP GEBOUWBEWONENDE SOORTEN WONINGSTICHTING HELPT ELKANDER

5

ONDERBOUWING ONTHEFFINGSAANVRAAG

Vanwege de in het voorgaande beschreven mitigerende maatregelen wordt de overtreding van een aantal verbondsbepalingen geheel voorkomen of beperkt. Omdat echter niet iedere overtreding voorkomen kan worden, is voor overtreding van de betreffende verbodsbepalingen een ontheffing noodzakelijk. De verbodsbepalingen die kunnen worden overtreden en waarvoor een ontheffing wordt aangevraagd zijn: • Gierzwaluw: artikel 3.1 lid 2 en lid 4. • Huismus: artikel 3.1 lid 2 en lid 4. • Huiszwaluw: artikel 3.1 lid 2 en lid 4. • Kerkuil: artikel 3.1 lid 2 en lid 4. • Steenuil: artikel lid 2 en lid 4. • Torenvalk: artikel lid 2 en lid 4. • Gewone dwergvleermuis: artikel 3.5 lid 2 en lid 4. • Gewone grootoorvleermuis: artikel 3.5 lid 2 en lid 4. • Laatvlieger: artikel 3.5 lid 2 en lid 4. • Ruige dwergvleermuis: artikel 3.5 lid 2 en lid 4. • Steenmarter artikel 3.10 lid 1b. Omdat dankzij alle voorgeschreven mitigerende maatregelen zeer zorgvuldig wordt gewerkt, kan geen sprake zijn van overtreding van het verbod tot opzettelijk doden (artikel 3.1 lid 1, 3.5 lid 1 en 3.10 lid 1a). Gezien de zorgvuldige werkwijze is in het geval toch onbedoeld een individu wordt gedood, namelijk geen sprake van (voorwaardelijke) opzet en daarmee geen sprake van een overtreding van het verbod. Ook het verbod op het rapen of onder zich hebben van eieren van vogels (artikel 3.1 lid 3) wordt niet overtreden.

Het wetsartikel ziet namelijk op een doelbewuste actie “rapen” en “onder zich hebben” en ziet daarmee nadrukkelijk niet op het, ondanks strikte voorzorgsmaatregelen, onbedoeld vernielen van eieren van vogels. De gebiedsontheffing Wnb wordt aangevraagd voor een periode van vijf jaar met verlenging van vijf jaar. Een ontheffing kan alleen verleend worden als er geen andere bevredigende oplossing bestaat en de gunstige staat van instandhouding van beschermde soorten niet wordt aangetast. Daarnaast moet er aansluiting zijn bij een wettelijk belang. Deze drie vereisten worden in de volgende paragrafen nader toegelicht, dan wel onderbouwd.

5.1

Gebrek aan alternatieven

Woningstichting Helpt Elkander zal op termijn aan alle woningen onderhoudswerkzaamheden uitvoeren of deze ‘vervangen’ gelet op bouwtechnische en energetische doelstellingen (Energietransitie). Tussendoor zal ook dagelijks en planmatig beheer plaatsvinden. Dit kan niet op een andere plek worden uitgevoerd. Het betreft werkzaamheden aan bestaande woningen en dat is locatie gebonden. De technische staat van de woningen kan zodanig zijn, dat onderhoud en/of verduurzaming nodig is om de woningen te laten voldoen aan de technische/energetische eisen van deze tijd. De woningen zijn bijvoorbeeld onvoldoende geïsoleerd, waardoor er in de huidige situatie veel energieverlies optreedt. Bovendien is het klimaat in dergelijke woningen niet meer optimaal als gevolg van tocht en vocht. Indien er geen onderhoud en verduurzaming van deze woningen wordt uitgevoerd, zullen de woningen op termijn onbewoonbaar worden of niet voldoen aan de huidige bouweisen. Uiteindelijk zal dit leiden tot sloop van de woningen. Sloop van deze woningen betekent het verlies van vaste rust- en verblijfplaatsen van gebouwbewonende soorten. Het alternatief van niets doen, heeft als gevolg dat op termijn de gebouwen in zullen storten en gesloopt moeten worden waarbij vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen, vogels en zoogdieren permanent verloren gaan.

Hierdoor zijn er op de locatie van de gesloopte woningen gedurende langere periode (in sommige situaties één tot twee jaar) geen vaste rust- en verblijfplaatsen voor soorten aanwezig. De gekozen werkwijze van het SMP, waarbij in het gehele woningbezit verblijfmogelijkheden voor gebouwbewonende soorten worden geplaatst – worst case scenario − betekent dat de tijd dat er geen verblijfplaatsen in een gebouw aanwezig zijn tot een minimum worden beperkt. Door de gekozen inrichting, werkwijze en de planning (buiten kwetsbare periodes) wordt schade aan de beschermde soorten zoveel mogelijk voorkomen. De meerwaarde van deze aanpak zit hem in het feit dat er meer verblijfplaatsen voor de betreffende soorten aangebracht worden dan dat er vanuit de wetgeving noodzakelijk is. Onze referentie: D10006731:25 - Datum: 19 januari 2021

38 van 114

SMP GEBOUWBEWONENDE SOORTEN WONINGSTICHTING HELPT ELKANDER

Hierbij wordt ook naar de omgeving van een gebouw gekeken zover deze relevant is voor een soort. Om te zorgen dat binnen de actieradius van de soort altijd voldoende alternatieve verblijfplaatsen zijn, is gekozen voor een indeling en aanpak per SMP-zone. Per zone wordt elke jaar de balans opgemaakt (voldoende voorzieningen) en gepland. Hiervoor wordt een aparte boekhouding opgezet en bijgehouden. Zie ook hoofdstuk 2 voor het stappenplan. Met deze aanpak wordt het tijdelijke verlies van ‘woonruimte’ voor betreffende soorten afdoende gemitigeerd.

5.2

Gunstige staat van instandhouding

De maatregelen die genomen worden tijdens de uitvoering van dit SMP borgen dat de staat van instandhouding van soorten niet verslechtert en juist verbetert. Dit gebeurt enerzijds door het nemen van mitigerende maatregelen (realiseren van een plus voor soorten), monitoring (maatregelen en populatietrend), evaluatie en zo nodig bijstelling van het plan. Daarnaast zorgen de gehanteerde protocollen en kwaliteitsborging ervoor dat alle mitigerende maatregelen goed worden uitgevoerd en er direct gereageerd kan worden op nieuwe situaties of ontwikkelingen. De volgende onderdelen van het SMP zorgen ervoor dat de staat van instandhouding van gebouwbewonende soorten voldoende wordt gegarandeerd: • Het gehele woningbezit wordt natuurinclusief gerenoveerd / verduurzaamd, los van de wettelijke mitigatietaakstelling (mitigatiefactor) op basis van richtlijnen in landelijke kennisdocumenten. Hierdoor worden / blijf het woningbezit geschikt voor gebouwbewonende soorten. Het aantal verblijfplaatsen van gebouwbewonende soorten zal daarmee uitgebreid worden (meer dan nu voorgeschreven). • Mitigerende maatregelen worden op een duurzame manier uitgevoerd zodat op de lange termijn de verblijfplaatsen in stand gehouden worden.

• Naast generieke beschermingsmaatregelen worden ook specifieke maatregelen getroffen bij locaties met bijzondere verblijfsfuncties (zoals kraamkolonies van vleermuizen) gericht op het behoud van de verblijfplaats. Het gaat hierbij om maatwerk waarvoor aparte goedkeuring is vereist door het bevoegd gezag. • De mitigerende maatregelen worden gemonitord om de populatietrend te volgen. De monitoringsresultaten worden jaarlijks naar het bevoegd gezag verzonden en geëvalueerd. Indien nodig zal in overleg met het bevoegd gezag de mitigatie aangepast worden. • Naast monitoring van de populatie zal ook de functionaliteit van de uitgevoerde mitigatiemaatregelen gemonitord worden. De laatste kennis wordt verwerkt in de landelijke Mitigatiecatalogus (levend document) zodat – waar nodig – optimalisatie plaatsvindt van de ontwerpeisen voor nieuwe verblijfplaatsen. • Naast de mitigerende maatregelen in de gebouwen wordt gestreefd naar een hoge kwaliteit van het leefgebied van de soorten in de omgeving. Dit onder andere door het toepassen van algemeen beleid, waarbij bewoners maximaal twee-derde van de tuin mogen bestraten. • Er wordt een systeem van kwaliteitsborging opgezet dat er zorg voor draagt dat maatregelen die getroffen worden voor de gebouwbewonende soorten bij het natuurvrij maken en de uitvoering van de mitigerende maatregelen, adequaat uitgevoerd worden.

De betrokken ecoloog is verantwoordelijk voor maatwerk bij onvoorziene situaties; Analyses van de populatietrend moeten aantonen welke factoren van invloed zijn op de trend. Belangrijke factoren waar invloed op uit te oefenen is zijn: − Duur ongeschiktheid nestplaatsen. − Doorlooptijd projecten. − Omgevingsfactoren binnen werkgebied. − Type maatregelen. − Taakstelling. Indien een negatieve trend aanwezig is, kunnen bovengenoemde factoren aangepast worden voor het behalen van een positieve trend.

5.3

Wettelijke belangen

5.3.1

Volksgezondheid of openbare veiligheid

Het onderhoud, verduurzamen en de sloop van woningen met vervangende nieuwbouw zijn een onlosmakelijk onderdeel van de reguliere en gangbare bedrijfsvoering van woningbouwcorporaties. Wanneer dit niet uitgevoerd zou zijn, dan zou de geplande levensduur van veel woningen al verstreken zijn.

Onze referentie: D10006731:25 - Datum: 19 januari 2021

39 van 114

SMP GEBOUWBEWONENDE SOORTEN WONINGSTICHTING HELPT ELKANDER

Daarmee zouden de woningen niet meer voldoen aan de huidige bouwvoorschriften op het gebied van isolatie en binnenklimaat. Dit betreft zowel een vaak versleten en verweerde buitenschil, alsmede de voorzieningen binnen. Dit is op alle woningen en gebouwen in Nederland van toepassing en geldt niet specifiek voor het woningbezit van woningcorporaties, maar ook voor de particulieren. De situatie van te herstellen evenals die van te slopen woningen, voldoet zonder aanpak niet aan de huidige kwaliteitseisen voor binnenklimaat volgens vigerende landelijke normen zoals het Bouwbesluit 2012. Zie bijvoorbeeld artikel 3.21 met betrekking tot wering van vocht van buiten en artikel 5.3 met betrekking tot thermische isolatie. De woningen zijn vaak slecht geïsoleerd, zonder kwalitatief luchtverversingssysteem en er is in veel gevallen sprake van vochtintreding via kozijnen, gevels en schoorstenen. Door de grote temperatuurverschillen, beperkte isolatie en te veel vocht in de woningen ontstaat condensatie en schimmelvorming, wat het binnenklimaat voor bewoners verslechtert. Dit is een landelijk erkent probleem bij alle niet goed geïsoleerde of gebrekkig na-geïsoleerde woningen en daarmee ook speerpunt bij diverse, mede door de rijksoverheid betrokken akkoorden zoals het Lente Akkoord.

Dit akkoord betreft het terugdringen van energieverbruik, maar met dit convenant wordt daarnaast beoogd “om energiereductie in de nieuwbouwproductie te combineren met wensen van de consument/eindgebruiker, zoals comfort, gezond binnenklimaat, energielastenverlaging en waardevermeerdering”. Het verduurzamen van bestaande woningen op grote schaal, draagt daarnaast bij aan maatschappelijke opgaves (zowel sociaal als economisch) en heeft een positief effect op het milieu. Het verminderen van het gebruik van fossiele brandstoffen en daarmee uitstoot van CO 2, draagt bovendien bij aan het verbeteren van de luchtkwaliteit en daarmee aan de volksgezondheid. Het verbeteren van het binnenmilieu van woningen, scholen en kindercentra is daarnaast één van de speerpunten uit de Nationale aanpak Milieu en Gezondheid van de overheid (bron: www.rivm.nl). Door de woningverbetering zullen de woningen technisch in betere staat verkeren en beter geïsoleerd zijn. Door isolatie van woningen en het verbeteren van de ventilatie kunnen enerzijds de energielasten sterk verlaagd worden en anderzijds het comfort en het binnenmilieu verbeterd worden. De plannen van Helpt Elkander dragen daarmee bij aan de verbetering van de volksgezondheid door de woningen dusdanig te isoleren dat vocht en tocht in huis worden beperkt. Mensen kunnen gezondheidsklachten ondervinden door vocht in de woning.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13992520/1