Vinkenhofjes - Bijlage 10 Soortenmanagementplan (SMP) Gebouwbewonende soorten
Tekst van het document
SMP GEBOUWBEWONENDE SOORTEN WONINGSTICHTING HELPT ELKANDER Gebiedsgerichte aanpak van wettelijk beschermde diersoorten bij werkzaamheden aan het woningeigendom Woningstichting Helpt Elkander
19 JANUARI 2021
SMP GEBOUWBEWONENDE SOORTEN WONINGSTICHTING HELPT ELKANDER
Contactpersonen WOUTER VAN OVERMEIRE Specialist ecologie
M +31615086742 E wouter.vanovermeire@arcadis.com
Arcadis Nederland B.V. Postbus 1632 6201 BP Maastricht Nederland
MARTIJN STEVENS Senior Adviseur Ecologie & Specialist Fauna
M +31 627061118 E martijn.stevens@arcadis.com
Onze referentie: D10006731:25 - Datum: 19 januari 2021
Arcadis Nederland B.V. Postbus 1632 6201 BP Maastricht Nederland
2 van 114
SMP GEBOUWBEWONENDE SOORTEN WONINGSTICHTING HELPT ELKANDER
INHOUDSOPGAVE 1
2
3
INLEIDING
5
1.1
Aanleiding en ambitie
5
1.2
Onderbouwing gebiedsgerichte aanpak
6
1.2.1
Hoe werkt de Gebiedsgerichte Aanpak Natuur?
6
1.2.2
Wat is het verschil met de reguliere aanpak?
7
1.3
Reikwijdte gebiedsontheffing Wnb
8
1.3.1
Plangebied en mutatie
8
1.3.2
Beschermde soorten en verblijfsfuncties
9
1.3.3
Ruimtelijke ingrepen, kans op negatieve effecten en overtreding Wnb
11
1.3.4
Planperiode
14
1.3.5
Aanhaken particulieren
14
STAPPENPLAN SMP
16
2.1
Inleiding
16
2.2
Stap 1 – bepalen (kans) aanwezigheid beschermde soorten
18
2.3
Stap 2 – natuurvriendelijk werken per ingreep
18
2.3.1
Stap 2a – bepalen kans op effect vanuit ingreep
18
2.3.2
Stap 2b – werken buiten gevoelige periode
19
2.3.3
Stap 2c – ingreep leidt tot effect op verblijfplaats
20
2.3.4
Stap 2d – Natuurvriendelijk werken op basis van standaard werkprotocol
21
2.4
Stap 3 – natuurinclusieve maatregel per project
21
2.4.1
Stap 3a – bepalen en toewijzen mitigatietaakstelling
21
2.4.2
Stap 3b – uitwerking plan natuurinclusief werken, zonder bijzondere verblijfsfuncties
24
2.4.3
Stap 3c – uitwerking plan natuurinclusief werken, met bijzondere verblijfsfunctie
26
INVENTARISATIE GEBOUWBEWONENDE SOORTEN
28
3.1
Doel en opzet onderzoek
28
3.2
Bureauonderzoek
28
3.3
Modelmatig onderzoek – Geschiktheidsmodel
29
3.3.1
Geschiktheid van woningen voor soorten
29
3.3.2
Uitgevoerde validatie van het geschiktheidsmodel
30
3.3.3
Validatie en kalibratie van het geschiktheidsmodel
30
3.4
Veldonderzoek
31
3.4.1
Kwantitatief onderzoek
31
3.4.2
Kwalitatief onderzoek
31
Onze referentie: D10006731:25 - Datum: 19 januari 2021
3 van 114
SMP GEBOUWBEWONENDE SOORTEN WONINGSTICHTING HELPT ELKANDER
4
5
6
3.4.3
Visuele inspectie
32
3.5
Monitoringsonderzoek
33
3.5.1
Onderzoek populatietrend
33
3.5.2
Onderzoek functionaliteit mitigatie
34
3.5.3
Evaluatie
34
UITVOERING
36
4.1
Taken betrokken partijen
36
4.2
Rapportage en registratie SMP producten
36
4.3
Uitvoering projecten en ingrepen
37
ONDERBOUWING ONTHEFFINGSAANVRAAG
38
5.1
Gebrek aan alternatieven
38
5.2
Gunstige staat van instandhouding
39
5.3
Wettelijke belangen
39
5.3.1
Volksgezondheid of openbare veiligheid
39
5.3.2
Dwingende redenen van groot openbaar belang
41
5.3.3
Bescherming van flora en fauna
41
LITERATUURLIJST
43
BIJLAGEN BIJLAGE A WETTELIJK KADER SOORTBESCHERMING WNB
45
BIJLAGE B BEGRIPPENLIJST
49
BIJLAGE C GEBOUWBEWONENDE SOORTEN
52
BIJLAGE D GEBIEDSGERICHTE MAATREGELEN BIJZONDERE VERBLIJFSFUNCTIES
92
BIJLAGE E ONDERBOUWING GESCHIKTHEIDSMODEL
94
BIJLAGE F KWETSBARE PERIODE PER SOORT
105
BIJLAGE G METHODIEK SALDERINGSBOEKHOUDING
107
COLOFON
114
Onze referentie: D10006731:25 - Datum: 19 januari 2021
4 van 114
SMP GEBOUWBEWONENDE SOORTEN WONINGSTICHTING HELPT ELKANDER
1
INLEIDING
1.1
Aanleiding en ambitie
In alle woningen kunnen door de Wet natuurbescherming (hierna Wnb) beschermde diersoorten verblijven, vaak zonder dat de eigenaar dit weet. Tot deze diersoorten behoren onder andere verschillende soorten zoogdieren (zoals vleermuizen en steenmarter) en vogels (zoals huismus en gierzwaluw). Deze diersoorten en hun verblijfplaatsen - zijn wettelijk beschermd in het kader van de Wnb. De bescherming kan een belemmering vormen bij werkzaamheden aan woningen en gebouwen, omdat dieren kunnen worden verstoord, gedood en verblijven verloren kunnen gaan. Bij deze ingrepen dient dan ook altijd rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van beschermde diersoorten. Verblijfplaatsen mogen niet zomaar verloren gaan, ook niet tijdelijk. Er zullen dus tijdig alternatieve verblijfplaatsen gerealiseerd moeten worden. Daarnaast dient rekening te worden gehouden met kwetsbare perioden van soorten, zoals de broedperiode (vogels) en overwinteringsperiode (vleermuizen). Om dit op de wettelijk voorgeschreven wijze te doen, is onderzoek vooraf noodzakelijk. Als beschermde soorten daadwerkelijk aanwezig zijn, is een ontheffing Wnb vereist op basis van een ‘beschermingsplan’. Het gehele traject van onderzoek tot het moment dat de aannemer van start gaat kan in het uiterste geval wel twee jaar in beslag nemen.
Voor woningcorporaties vormt vooral het Energieakkoord een knelpunt en aanleiding voor een efficiëntere aanpak. Om dit te kunnen verwezenlijken zal in grote delen van de woningbouwcorporaties renovatie, isolatie en sloop plaatsvinden. Hierbij kan beschermde flora en fauna in het gedrang komen, met de nodige gevolgen voor tijd en kosten voor de projecten. In dit kader dient bedacht te worden dat het balanceren wordt om de belangen (energie en biodiversiteit) te blijven verenigen. Alle woning- en gebouweigenaren lopen tegen deze problematiek aan. Dat dit een uitdaging is, blijkt uit de volgende ‘wetmatigheid’ (zie Figuur 1).
Figuur 1 Schematische weergave van de problematiek van verduurzamen en kans op overtreding van de Wnb.
In het kader van de verduurzaming van sociale huurwoningen, heeft Woningstichting Helpt Elkander (hierna: Helpt Elkander), net als vele andere woningcorporaties een grote opgave om haar woningbezit te verduurzamen. Naast de verduurzamingsopgave vindt Helpt Elkander het belangrijk de natuurwaarden te behouden. Dit komt ook nadrukkelijk terug in hun duurzaamheidsvisie. Hierbij willen ze deze bescherming echter wel op een praktische wijze uitvoeren, waarbij zowel recht gedaan wordt aan de beschermde natuurwaarden als aan de praktische uitvoerbaarheid van de verduurzamingsopgave. Voor die redenen heeft Helpt Elkander Arcadis gevraagd een Soortmanagementplan (SMP) op te stellen. Dit document dient als onderbouwing van de gebiedsontheffing Wnb voor gebouwbewonende soorten bij onderhoud, renovatie, sloop en nieuwbouw en verduurzaming van woningen en gebouwen. In Bijlage A is het wettelijk kader opgenomen dat van toepassing is op dit SMP. In Bijlage B is de begrippenlijst opgenomen die gehanteerd wordt voor dit SMP.
Onze referentie: D10006731:25 - Datum: 19 januari 2021
5 van 114
SMP GEBOUWBEWONENDE SOORTEN WONINGSTICHTING HELPT ELKANDER
1.2
Onderbouwing gebiedsgerichte aanpak
Provincies (bevoegd gezag Wnb) bieden de mogelijkheid om een gebiedsontheffing Wnb aan te vragen. Om hier handen en voeten aan te geven dient gewerkt te worden met een goedgekeurd SMP. Het doel van het SMP woningbouwcorporaties is daarbij om op gebiedsniveau de ‘gunstige staat van instandhouding’ van gebouwbewonende faunasoorten te garanderen. Een ander belangrijk doel is om de werkprocessen te versimpelen, ontzorgen en versnellen bij onderhoud, renovatie, verduurzaming en sloop en nieuwbouw van vastgoed.
1.2.1
Hoe werkt de Gebiedsgerichte Aanpak Natuur?
Met behulp van een Gebiedsgerichte Aanpak Natuur wordt een plan (SMP) opgesteld hoe te handelen met (beschermde) natuurwaarden binnen een specifiek gebied (in dit geval het woningeigendom van Helpt Elkander). Het bouwplan van dit SMP bestaat uit verschillende onderdelen, zodat ten alle tijden op natuurvriendelijke wijze gehandeld wordt (zie Figuur 2). Deze onderdelen zijn: • Opstellen van een mitigatiestrategie. Hierin staat hoe in de voorbereiding, tijdens de uitvoering en na de oplevering van projecten en werkzaamheden gehandeld wordt met de aanwezige (beschermde) natuurwaarden (zie Hoofdstuk 2). • In kaart brengen en monitoren van de aanwezige natuurwaarden in en rondom het woningeigendom van Helpt Elkander. Dit vindt plaats met behulp van bureau-, modelmatig en veldonderzoek (zie Hoofdstuk 3).
Figuur 2 Bouwplan Helpt Elkander met de te doorlopen stappen, input en output.
Om dit schema goed te kunnen lezen, hierbij de volgende punten ter toelichting: • De drie kolommen representeren de betrokken partijen: Woningstichting Helpt Elkander (links), ecologisch adviseur Arcadis (midden) en bevoegd gezag Provincie Noord-Brabant (rechts); • Alle groene kaders hebben betrekking op de producten en stappen met een ecologisch advies; • Het oranje kader is het strategisch plan van de woningstichting met betrekking tot het beheer, onderhoud, renovatie en isoleren van gebouwen; • Het grote groene kader is het feitelijke Soortmanagementplan Wnb. Dit vormt de blauwdruk voor het meerjarenplan (pijl naar links) en de ontheffingsaanvraag Wet natuurbescherming (pijl naar rechts); • Onder de groene kaders is de operationele fase. Per project of plan zal een concrete uitwerking moeten komen van de voorgeschreven leidraad (SMP).
Onze referentie: D10006731:25 - Datum: 19 januari 2021
6 van 114
SMP GEBOUWBEWONENDE SOORTEN WONINGSTICHTING HELPT ELKANDER
1.2.2
Wat is het verschil met de reguliere aanpak?
In Tabel 1 is een beknopte vergelijking tussen de reguliere en generieke aanpak in relatie tot de soortenbescherming in het kader van Wnb weergegeven. Tabel 1 Verschil tussen reguliere ontheffing Wnb en gebiedsontheffing Wnb op basis van SMP. Aspect
Reguliere ontheffing Wnb
Juridische dekking
Juridische dekking voor vast bepaalde Complete juridische dekking voor alle typen ingrepen ingrepen, maar alleen voor specifiek binnen bepaald gebied. gedefinieerd project en plan.
Planrisico
Kans op planvertraging en onverwachte kosten voor mitigatie bij te late toetsing aan Wnb (minimaal één jaar van tevoren).
Kleine kans op planrisico’s na verlening ontheffing en afronding van het onderzoek in het gehele plangebied.
Inpasbaarheid in bedrijfsvoering
De ad hoc aanpak laat zich niet goed structureel inpassen in de bedrijfsvoering.
Aangezien het gaat om een managementplan laat dit sturingsinstrument zich goed inpassen in de bedrijfsvoering (planning, procedures, budgettering, standaardisatie mitigatie).
Voor alle situaties toepasbaar.
Zowel te gebruiken voor grotere woningcomplexen binnen de dorpen als de ‘eenlingen’ in het buitengebied. De mitigatiemaatregelen kunnen worden geselecteerd op basis van een keuzemenu variërend van prefab vleermuiskasten tot oplossingen voor natuurinclusief renoveren van panden (al of niet met een voorkeur). Voor dit doel is een landelijke Mitigatiecatalogus gemaakt (levend document).
Toepasbaarheid
Gebiedsontheffing Wnb op basis van SMP
De oplossing (lees mitigatie) moet voorafgaand aan de ingreep en in of Flexibiliteit mitigatie nabij het plangebied opgelost worden, dus beperkte flexibiliteit in ruimte en tijd van natuurmaatregelen.
Binnen het totale gebied van de woningcomplexen is de mitigatie in ruimte en tijd volledig flexibel mits de populaties qua omvang behouden blijven. Onverwachte tegenvallers (hogere mitigatietaak dan verwacht) kunnen daarmee goed opgevangen worden.
Bijdrage biodiversiteit
Hooguit op ad hoc basis en daarmee niet planmatig en weinig zichtbaar.
Door de planmatige aanpak kan heel bewust en gemakkelijk gestuurd worden op het bovenwettelijk mitigeren van beschermde soorten door het treffen van extra maatregelen.
Elk project vraagt om maatwerk. De kosten kunnen hierdoor sterk variëren. Er is een beperkte mogelijkheid om plannen ‘her te gebruiken’ voor volgende projecten doordat niet gewerkt wordt volgens een blauwdruk.
Eenmalige kosten voor het opstellen van het strategisch plan en aanvragen van ontheffing. Op de verdere inzet kan flink bespaard worden, zoals: • beperking tijdsbesteding projectleiders en aannemers (alles conform protocol; uniforme aanpak, ook bij aanbesteding); • beperking ecologische onderzoek (gerichte nulmeting en monitoring); • standaard werkprotocollen en specificatie mitigatiemaatregelen voor operationeel plan; • grootschalige inkoop van (voorgeschreven) standaard faunavoorzieningen.
Mogelijkheid tot besparing
Werken met behulp van een SMP kent verschillende voordelen ten opzichte van het werken volgens de reguliere aanpak. Denk daarbij aan de volgende punten: • Verminderen van de ‘regeldruk’ bij het bevoegd gezag (Provincie Noord-Brabant en gemeenten indien sprake is van een Omgevingsvergunning) ten aanzien van het behandelen van ontheffingsaanvragen. • Duurzame bescherming van flora en fauna als gewenste medebewoners. Onze referentie: D10006731:25 - Datum: 19 januari 2021
7 van 114
SMP GEBOUWBEWONENDE SOORTEN WONINGSTICHTING HELPT ELKANDER
• • • • • • •
• •
Draagvlak bij belangengroepen en bewoners (huurders en particulieren) die zich in willen zetten voor soortbescherming, al of niet vrijwillig en met bovenwettelijke maatregelen. Behouden van flora en fauna als onderdeel van de leefbaarheid van de woningeigenaren en huurders. Uniforme en structurele aanpak van flora en fauna voor projectleiders en aannemers zodat de bouwkundige en energetische transitie verbetering en onderhoudsopgave door kan blijven gaan. Complete juridische dekking voor alle typen ingrepen en daarmee minder risico op planvertraging. Bedrijfsmatige uitvoering van het Managementplan en bijbehorende boekhouding bij de woningcorporatie. Eenduidigheid bij aanbestedingen van werkzaamheden richting aannemers vanwege standaardvoorschriften en uitwerking van beschermingsmaatregelen. Vergroting van de flexibiliteit voor de plannenmakers door verkorting van de onderzoek- en planperiode en tijdige overcompensatie, zodat altijd voldoende alternatieve verblijfplaatsen zijn. Dit is noodzakelijk omdat nu gemakkelijk knelpunten ontstaan, omdat de maatregelen soms een jaar van tevoren gepland worden en de reguliere looptijd vanuit Wnb van onderzoek tot start uitvoering al snel twee jaar in beslag neemt. Tijdswinst bij de planvorming en voorbereidingen van renovatie en verduurzamingsprojecten.
Praktische oplossing voor particulieren die kunnen meeliften die met verduurzaming ook te maken krijgen met de Wet natuurbescherming. Dit geldt enkel voor particuliere woningen in dezelfde woonblokken als Helpt Elkander zoals gekoppeld in een grondgebonden rijwoning of onderdeel van een VVE appartement.
1.3
Reikwijdte gebiedsontheffing Wnb
1.3.1
Plangebied en mutatie
Helpt Elkander bezit op dit moment circa 1440 huurwoningen, garages en maatschappelijk vastgoed zoals bedrijfsruimtes voor maatschappelijke organisaties, parkeergarages en zorgwoningen in Gerwen, Nederwetten en Nuenen. Het woningbestand en vastgoed binnen de gemeentegrenzen van Nuenen c.a. wordt meegenomen in het SMP en behoort daarmee tot het plangebied (zie Figuur 3). Mutaties in het adressenbestand worden jaarlijks doorgegeven. Hiervoor geldt een gemiddelde mutatiegraad van zes procent per jaar (wat neer komt op circa 86 woningen per jaar). Daarbij dienen de nieuwe woningen binnen de onderzochte gebieden van dit SMP te liggen.
Figuur 3 Woningbezit Helpt Elkander (zwarte stippen) binnen het plangebied (gemeente Nuenen c.a.). Onze referentie: D10006731:25 - Datum: 19 januari 2021
8 van 114
SMP GEBOUWBEWONENDE SOORTEN WONINGSTICHTING HELPT ELKANDER
1.3.2
Beschermde soorten en verblijfsfuncties
Omdat het SMP Helpt Elkander voorziet in alle handelingen aan vastgoed in het kader van onderhouds-, sloop en verduurzamings werkzaamheden zijn enkel de typische ‘gebouwbewonende soorten’ opgenomen in het SMP (zie Bijlage C voor uitgebreide informatie van deze soorten). In Tabel 2 staat het overzicht van de relevante beschermde soorten waarvan we ervan uitgaan dat die aanwezig zijn in en rondom de gebouwen van Helpt Elkander; gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, ruige dwergvleermuis, huismus en gierzwaluw. Daarbij gaat het ook om soorten die slechts incidenteel gebruik zullen maken van het woningbezit. Dit in zeer lage dichtheden beperkt tot reeds bekende plekken of alleen als er heel specifieke en vaak zeer afwijkende vastgoedobjecten aanwezig zijn (afwijkend van de standaard bouw: grondgebonden woning, appartement of flat); huiszwaluw, steenuil, kerkuil, torenvalk en steenmarter. Deze soorten zijn buiten de generieke aanpak van het SMP gelaten, maar wel meegenomen in de ontheffingsaanvraag op basis van “maatwerk plan goedkeuring” mocht één van deze soorten binnen een plan aanwezig blijken zijn. Het SMP voorziet niet in diverse overige kleine broedvogels, zoals koolmees, pimpelmees en zwarte roodstaart. Deze soorten zullen wel profiteren van de generieke voorzieningen voor huismus en gierzwaluw.
In het SMP worden twee categorieën verblijfplaats onderscheiden; algemene verblijfplaatsen en bijzondere verblijfsplaatsen. Alle verblijfsfuncties zijn uiteraard belangrijk maar er is onderscheidt gemaakt in functies en situaties die homogeen in lagere dichtheden in een gebied aanwezig zijn en soorten en functies die een lage dichtheid, zeldzaam en of met grotere aantallen op een klein oppervlakte leefgebied (kolonievorming en massawinterverblijven) voorkomen. Onder de algemene functies vallen de verblijven met lagere aantallen dieren of solitaire nesten die geen onderdeel uitmaken van een kolonie. Denk hierbij aan paarverblijfplaatsen van vleermuizen en solitaire nesten van vogels. De bijzondere verblijfsfuncties zijn de verblijven van grotere aantallen minder algemene soorten zoals gewone grootoorvleermuis en laatvlieger of verblijven die een belangrijke functie hebben voor de soorten zoals broedvogelkolonies en kraam- en massawinterverblijfplaatsen van vleermuizen. Om te bepalen of een bolwerk van broedvogelnesten een kolonie is, worden de aantallen nesten in een cirkel met een diameter van 50 meter opgeteld. Indien een cirkel meer dan 20 nesten telt, is er sprake van een kolonie. Voor de algemene functies en voor de meest voorkomende bijzondere functies is een generieke aanpak uitgewerkt welke altijd op eenzelfde manier wordt gemitigeerd.
Dit zijn de generieke maatregelen onder het SMP. De overige zeer kritische en zeldzame verblijfsfuncties vallen onder een maatwerk taakstelling die niet gestandaardiseerd kan worden en waardoor er een aanvullende goedkeuring benodigd is door het bevoegd gezag op de mitigatieaanpak. Algemene verblijfplaatsen in veelvoorkomende gebouwtypen worden gemitigeerd door middel van een generieke aanpak (zie stap 3 uit paragraaf 2.4). Voor de meest voorkomende bijzondere verblijfsfuncties wordt gewerkt met behulp van een protocol voor bijzondere verblijfsfuncties (zie Bijlage D). Indien deze niet toepasbaar is in een specifiek project of de aanwezige verblijfsfunctie valt buiten de meest voorkomende situaties, wordt gewerkt op basis van maatwerk (specifieke maatregelen). Laatstgenoemde situaties worden ter goedkeuring naar bevoegd gezag gestuurd alvorens in uitvoering te gaan. In Tabel 2 staat het overzicht met de daarin de onderverdeling van de generieke aanpak en maatwerk voor de verschillende verblijfsfuncties. In tegenstelling tot meest voorkomende gebouwtypen: (duplex)woningen, appartementen en flats/woontorens, vindt bij andere gebouwtypen altijd maatwerk plaats. Hieronder vallen gebouwen zoals oude scholen, kerken en andere gebouwen met een grote omvang die getransformeerd worden naar huurwoningen.
Onze referentie: D10006731:25 - Datum: 19 januari 2021
9 van 114
SMP GEBOUWBEWONENDE SOORTEN WONINGSTICHTING HELPT ELKANDER
Tabel 2 Overzicht van de relevante beschermde soorten voor de gebouwen van het SMP Helpt Elkander en de situaties waarbij sprake is van maatwerk (specifieke maatregelen) of gebiedsgerichte maatregelen. Het * symbool duidt de bijzondere verblijfsfuncties aan waarvoor een voorstel voor gebiedsgerichte maatregelen is opgesteld (zie Bijlage D).
Specifieke maatregelen (maatwerk ter goedkeuring)
Soortgroep
Soort
Gebiedsgerichte maatregelen
Vleermuizen
Gewone dwergvleermuis
Zomerverblijf / paarverblijf / kraamkolonie ≤50 vrouwtjes* normaal winterverblijf
Kraamkolonie >50 vrouwtjes / massawinterverblijf
Gewone grootoorvleermuis
zomerverblijf, paarverblijf ≤10 individuen per verblijfplaats*
>10 individuen per verblijf, winterverblijfplaats, kraamverblijf, overige functies
Laatvlieger
zomerverblijf, paarverblijf ≤10 individuen per verblijfplaats*
>10 individuen per verblijf, kraamverblijf, winterverblijf
Ruige dwergvleermuis
zomerverblijf, paarverblijf
Overige functies
Huismus
Solitair nest / bolwerk ≤20 nesten binnen cirkel van 50 meter diameter*
Kolonie >20 nesten binnen cirkel van 50 meter diameter
Gierzwaluw
Solitair nest / bolwerk ≤20 nesten binnen cirkel van 50 meter diameter*
Kolonie >20 nesten binnen cirkel van 50 meter diameter
Steenuil
-
Nest/leefgebied
Kerkuil
-
Nest
Torenvalk
-
Nest
Huiszwaluw
-
Nest/kolonie
Steenmarter
-
Verblijf
Vogels met jaarrond beschermde nesten
Overige broedvogels
Overige soorten
Onderbouwing Niet in het SMP opgenomen gebouwbewonende soorten De volgende gebouwbewonende soorten broedvogels en vleermuizen zijn niet meegenomen in dit SMP. Deze soorten zouden wel voor kunnen komen in de regio in Noord-Brabant maar zijn binnen het vastgoed van Helpt Elkander niet te verwachten vanwege de zeer lage dichtheid blijkens de landelijke verspreiding, specifieke ecologie en habitateisen van de soort en/of het ontbreken van geschikte gebouwtypologie1. Er zou in een reguliere aanpak geen aanleiding zijn om specifiek onderzoek uit te voeren naar deze soorten binnen het vastgoed van Helpt Elkander en zijn daarom uitgesloten van de generieke SMP aanpak en de ontheffingsaanvraag: •
•
Slechtvalk; ecologie/gebouwtypologie: schaarse broedvogel in Nederland. In Nederland bekend van verblijven in nestkasten op hoge gebouwen zoals (kerk)torens en flatgebouwen en op hoogspanningsmasten. Deze verblijf typologieën ontbreken binnen het woningbezit van Helpt Elkander. De soort wordt derhalve niet verwacht. Baardvleermuis; verspreiding: soort is (vrij) zeldzaam in Nederland. Soort legt geen grote afstanden tussen winter- en zomerverblijfplaatsen.
1 Voor de onderbouwing van de slechtvalk is gebruik gemaakt van Vogelbescherming Nederland en voor de vleermuizen is gebruik
gemaakt van vleermuis.net (zie hoofdstuk 6 Literatuurlijst). Onze referentie: D10006731:25 - Datum: 19 januari 2021
10 van 114
SMP GEBOUWBEWONENDE SOORTEN WONINGSTICHTING HELPT ELKANDER
•
•
•
•
•
•
•
Winterverblijfplaatsen zijn bekend van ondergrondse werken zoals mergelgroeve, vestigingswerken en bunkers. in het Brabantse deel waar het plangebied deel van uitmaakt zijn bijna geen waarnemingen bekend van deze soort. De kans is dermate klein dat deze op grond van habitatgeschiktheid en bekend voorkomen kan worden uitgesloten als vast onderdeel van het functioneel leefgebied van een lokale populatie. Franjestaart; ecologie/gebouwtypologie: soort is tamelijk zeldzaam in Nederland. Hoofdzakelijk gevonden in bomen, sporadisch in spletenvormige ruimten, grote open zolderruimten (kerken) en boerderijen. Binnen het vastgoed van Helpt Elkander zijn geen typisch geschikte verblijfsmogelijkheden aanwezig. De kans op aanwezigheid is dermate klein dat deze op grond van habitatgeschiktheid en bekend voorkomen kan worden uitgesloten als vast onderdeel van het functioneel leefgebied van een lokale populatie. Grijze grootoorvleermuis; gebouwtypologie: soort is zeldzaam in Nederland. Verblijven zijn enkel bekend op kerkzolders. Binnen het vastgoed van Helpt Elkander zijn geen typisch geschikte verblijfsmogelijkheden aanwezig. De kans op aanwezigheid is dermate klein dat deze op grond van habitatgeschiktheid en bekend voorkomen kan worden uitgesloten als vast onderdeel van het functioneel leefgebied van een lokale populatie. Meervleermuis; verspreiding: soort is zeldzaam in Nederland.
Komt hoofdzakelijk voor in waterrijke gebieden (veenweide- en kleigebieden) en zelden op de zandgronden. Hierdoor ontbreken waarnemingen in de omgeving van Helpt Elkander. De kans is zeer klein dat er sprake is van een structurele populatie en de eventuele aanwezigheid berust enkel op incidentele kans van een individu. Rosse vleermuis; ecologie: soort is bekend als boombewonende soort in Nederland. Slechts op enkele plaatsen in Nederland is deze soort bekend vanuit gebouwen, maar lijkt dit om incidentele aanpassingen te gaan van lokale groepen dieren. Dit is niet bekend in de omgeving van Helpt Elkander. De soort wordt niet verwacht binnen het woningbezit van Helpt Elkander. Tweekleurige vleermuis; verspreiding/ecologie: soort is zeer zeldzaam in Nederland. Komt sporadisch voor in Nederland en hoofdzakelijk aan de kust. Daarbij gaat het hoofdzakelijk om doortrekkende dieren. Van enkele individuen zijn verblijfplaatsen bekend in muurspleten en zolderruimten van hoge gebouwen en grotten en kelders. Deze verblijf typologieën ontbreken binnen het woningbezit van Helpt Elkander. De soort wordt derhalve niet verwacht. Watervleermuis; ecologie/gebouwtypologie: soort is algemeen in Nederland. Verblijfplaatsen zijn hoofdzakelijk te vinden in bomen, maar soms ook kerkzolders, vleermuiskasten, bunkers en oude forten.
Deze verblijf typologieën ontbreken binnen het woningbezit van Helpt Elkander. De soort wordt derhalve niet verwacht. Kleine dwergvleermuis; ecologie: deze soort wordt sporadisch in Nederland gevonden en is mogelijk lang niet in beeld geweest vanwege de afwijkende hoge geluidsfrequentie en de verwarring in overlap herkenning met de gewone dwergvleermuis. Beide soorten maken gebruik van dezelfde variatie in verblijfplaatsen zoals spleetvormige ruimten in gebouwen en bomen. De kleine dwergvleermuis is voor zijn leefgebied sterker gebonden aan groter stilstaande wateren (Dietz et al, 2011). Dit in tegenstelling tot de gewone dwergvleermuis die een breder spectrum aan leefgebieden heeft. Landbouwgebieden en weiden worden gemeden door de kleine dwergvleermuis. Dit komt overeen met de verspreidingsgegevens van de kleine dwergvleermuis in Nederland, welke meer bekend is rondom de grote rivieren, plassen in de veengebieden en langs de kust (NDFF, 2020). Dit leefgebied ontbreekt in de directe omgeving van het woningbezit van Helpt Elkander. De huidige verspreidingsgegevens bestaan slechts uit enkele bevestigde waarnemingen van enkele dieren. Kraamverblijven of andere grotere verblijven zijn niet bekend vanuit Nederland.
De kans op aanwezigheid is dermate klein dat deze op grond van habitatgeschiktheid en bekend voorkomen kan worden uitgesloten als vast onderdeel van het functioneel leefgebied van een lokale populatie.
1.3.3
Ruimtelijke ingrepen, kans op negatieve effecten en overtreding Wnb
Ruimtelijke ingrepen De gebiedsontheffing Wnb is van toepassing op alle ruimtelijke ingrepen aan woningen en gebouwen die van invloed kunnen zijn op beschermde soorten. Voor deze ingrepen is na het verlenen van de ontheffing juridische dekking vanuit de Wnb mits wordt gewerkt conform SMP en eventuele aanvullende ontheffingsvoorwaarden. Het gaat daarbij om het volgende type ingrepen: • Sloop van gebouwen met nieuwbouw ter plaatse. • Renovatie compleet (zoals het transformeren van een oude schoolgebouw naar woningen. Onze referentie: D10006731:25 - Datum: 19 januari 2021
11 van 114
SMP GEBOUWBEWONENDE SOORTEN WONINGSTICHTING HELPT ELKANDER
•
Verduurzaming van gebouwen (zoals isolatie van vloer, dak en gevel).
•
Beheer en onderhoud van gebouwen (zoals schilderwerk, reparatie / vervanging van dakgoten en dakpannen/bekleding, herstel voegwerk, vervangen kozijnen, etc.). Verwijderen bomen en struiken in tuinen. Asbestsanering. Plaatsen van zonnepanelen/dakkappellen.
• • •
Kans negatieve effecten op beschermde soorten Door de ruimtelijke ingrepen bestaat de kans op een effect – en daarmee wettelijke overtredingen – op beschermde soorten. Optreden van een effect is afhankelijk van de plaats in het gebouw. Ter illustratie, zie Figuur 4 voor de populaire verblijfplaatsen van de huismus, gierzwaluw, vleermuissoorten en steenmarter. Voor alle soorten geldt echter dat ze ook op andere plaatsen aanwezig kunnen zijn. Door de impact van de ingreep in het gebouw (gevel, dakrand en dak) te confronteren met de voorkeursplek en andere mogelijke verblijfplaatsen van een soort ontstaat inzicht in de mogelijk negatieve effecten, voor zover de betreffende soorten aanwezig zijn. Het gaat daarbij om de kans op opzettelijk verstoren, het opzettelijk doden, het vernielen van eieren en het beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen.
Figuur 4 Dwarsdoorsnede van een woning met de plekken waar verblijfplaatsen zijn te verwachten van huismus (linksboven), gierzwaluw (rechtsonder), gewone dwergvleermuis (rechtsboven) en steenmarter (linksonder). De locaties van de verblijfplaats hangen af van het gebouw, gebruikte materialen, aanwezige holtes en locatie van het gebouw in de omgeving.
Kans op wettelijke overtredingen In het kader van planmatig onderhoud en woningverbetering vinden dus – al of niet periodiek – fysieke werkzaamheden plaats aan de woningen en gebouwen. Daarbij kunnen verblijfplaatsen van beschermde diersoorten (onopzettelijk) vernield worden en dieren worden verstoord of gedood. Indien deze soorten daadwerkelijk aanwezig zijn, is er kans op overtreding van een van de verbodsbepalingen van Wnb. In de onderstaande tabellen is per soort aangegeven welke verboden van de Wet natuurbescherming mogelijk worden overtreden indien geen – wettelijke vereiste – beschermingsmaatregelen (mitigatie) worden getroffen. Daarbij is onderscheid gemaakt in Vogelrichtlijnsoorten (alle broedvogels), Habitatrichtlijnsoorten (vleermuissoorten) en andere soorten.
Onze referentie: D10006731:25 - Datum: 19 januari 2021
12 van 114
SMP GEBOUWBEWONENDE SOORTEN WONINGSTICHTING HELPT ELKANDER
Tabel 3 Mogelijke overtreding van de verbodsbepalingen van artikel 3.1 ten aanzien van Europees beschermde vogels.
Soort Huismus Gierzwaluw Huiszwaluw Overige broedvogels
Lid 1 X X X X
Lid 2 X X X X
Lid 4 X X X
Relevante verbodsbepalingen 3.1: Lid 1: te doden of te vangen; Lid 2: opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen; Lid 4: opzettelijk te verstoren; verstoring toegestaan indien niet van wezenlijke invloed op de staat van instandhouding. Tabel 4 Mogelijke overtreding van de verbodsbepalingen van artikel 3.5 ten aanzien van de overige Europees beschermde soorten.
Soort Gewone dwergvleermuis Gewone grootoorvleermuis Laatvlieger Ruige dwergvleermuis
Lid 1 X X X X
Lid 2 X X X X
Lid 4 X X X X
Relevante verbodsbepalingen 3.5: Lid 1: opzettelijk te doden of te vangen; Lid 2: opzettelijk te verstoren; Lid 4: voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren te beschadigen of te vernielen. Tabel 5 Mogelijke overtreding van de verbodsbepalingen van artikel 3.10 lid 1 aanzien van andere soorten.
Soort Steenmarter
a X
b X
C
Relevante verbodsbepalingen 3.10: a: opzettelijk te doden of te vangen; b: vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen opzettelijk te beschadigen of te vernielen; c: opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
Een deel van bovengenoemde overtredingen kunnen voorkomen en/of gemitigeerd worden. Voor deze gevallen is geen ontheffing Wnb mogelijk. Daarmee is deze mitigatie niet vrijblijvend maar wettelijk vereist. Het opzettelijk doden (Wnb artikel 3.1, lid 1, artikel 3.5, lid 1 en artikel 3.10, lid 1) en verstoren (Wnb artikel 3.1, lid 4 en artikel 3.5, lid 2) zal voorkomen moeten worden door buiten de kritische periode van de betreffende soort(en) te werken, en indien dat niet mogelijk is in de juiste periode ontmoedigingsmaatregelen te nemen zodat wel jaarrond gewerkt kan worden zonder verbodsbepalingen te overtreden. Zie paragraaf 2.3 voor het ‘natuurvriendelijk werken’. Indien de aanwezigheid van een verblijfplaats van een beschermde soort niet kan worden uitgesloten, wordt uitgegaan dat deze soort gebruik maakt van het betreffende gebouw zodat die geschiktheid dan ook op de juiste manier kan worden ontmoedigd of gehandhaafd kan blijven. Het verstoren van de dieren bij het ongeschikt maken zelf wordt ook gezien als overtreding van verbodsbepalingen (opzettelijk verstoren), ook al is dit juist een mitigerende maatregel gericht op het voorkomen van het doden en verwonden van dieren. Het verlies van verblijfplaatsen (vleermuizen en andere soorten) en nesten (broedvogels) is veelal niet te voorkomen.
De negatieve effecten zullen daarom gemitigeerd worden door alternatieve verblijfplaatsen aan te bieden (natuurinclusieve renovatie, verduurzaming en nieuwbouw). Om de staat van instandhouding van de betreffende soorten te garanderen, worden daarnaast op wijkniveau maatregelen getroffen om het leefgebied te versterken, voor zover relevant. Overtredingen verbodsbepalingen na toepassing SMP model In de onderstaande tabellen is per soort aangegeven welke verboden van de Wet natuurbescherming mogelijk worden overtreden na mitigatie van effecten (zogenoemde ‘resteffecten’).
Onze referentie: D10006731:25 - Datum: 19 januari 2021
13 van 114
SMP GEBOUWBEWONENDE SOORTEN WONINGSTICHTING HELPT ELKANDER
Tabel 6 Mogelijke overtreding van de verbodsbepalingen van artikel 3.1 ten aanzien van Europese beschermde vogels. Het betreft resteffecten ondanks het treffen van mitigerende maatregelen.
Soort Huismus Gierzwaluw Huiszwaluw Overige broedvogels
Lid 1
Lid 2 X X X X
Lid 4 X X X
Relevante verbodsbepalingen 3.1: Lid 1: te doden of te vangen; Lid 2: opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen; Lid 4: opzettelijk te verstoren; verstoring toegestaan indien niet van wezenlijke invloed op de staat van instandhouding. Tabel 7 Mogelijke overtreding van de verbodsbepalingen van artikel 3.5 ten aanzien van de overige Europees beschermde soorten. Het betreft resteffecten ondanks het treffen van mitigerende maatregelen.
Soort Gewone dwergvleermuis Gewone grootoorvleermuis Laatvlieger Ruige dwergvleermuis
Lid 1
Lid 2 X X X X
Lid 4 X X X X
Relevante verbodsbepalingen 3.5: Lid 1: opzettelijk te doden of te vangen; Lid 2: opzettelijk te verstoren; Lid 4: voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren te beschadigen of te vernielen. Tabel 8 Mogelijke overtreding van de verbodsbepalingen van artikel 3.10 lid 1 ten aanzien van andere soorten. Het betreft resteffecten ondanks het treffen van mitigeren maatregelen.
Soort Steenmarter
a
b X
C
Relevante verbodsbepalingen 3.10: a: opzettelijk te doden of te vangen; b: vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen opzettelijk te beschadigen of te vernielen; c: opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
Voor alle niet-specifiek beschermde soorten geldt de ‘algemene zorgplicht’. Ook in dit kader zal het doden van dieren zoveel mogelijk moeten worden voorkomen. Hiervoor kan geen ontheffing Wnb worden aangevraagd of verleend. Alle woningcomplexen waar fysieke ingrepen plaatsvinden, zullen natuur inclusief worden gemaakt en daarmee geschikt voor toekomstige bewoning van huismus, gierzwaluw, vleermuissoorten en eventueel andere soorten. Om voldoende alternatieve verblijfplaatsen te realiseren binnen de SMP-zones, heeft het natuurinclusief maken ook betrekking op alle nieuwbouwprojecten (met of zonder voorafgaande sloop van vastgoed). Dit staat los van de mogelijke wettelijke vereisten voor de effecten op soorten die binnen dit SMP niet meegenomen zijn voor het bouwrijp maken van de grond. Onderzoeken en eventuele ontheffingen voor deze locaties vallen buiten dit SMP en dienen afzonderlijk ingediend te worden.
1.3.4
Planperiode
Het SMP heeft een minimale doorlooptijd van tien jaar. De gebiedsontheffing Wnb kan voor zover bekend aangevraagd worden voor de periode van vijf jaar met de intentie tot verlenging met nogmaals vijf jaar. Na deze periode zal het plan geactualiseerd worden en is er mogelijkheid tot verlenging van de ontheffing met vijf jaar. In de tussenliggende periode zal regelmatig afstemming zijn met het bevoegd gezag (Provincie Noord-Brabant) naar aanleiding van de uitvoering in de praktijk, tussentijdse monitoring en evaluatie en bijstelling van Mitigatiecatalogus (levend document). Dat geldt ook voor de goedkeuring van maatwerk bij ingrepen bij bijzondere soorten en functies via een specifiek ecologisch werkprotocol.
1.3.5
Aanhaken particulieren
Door middel van een doormachtiging kunnen particulieren, indien gewenst en noodzakelijk, aansluiten bij dit SMP. Dit geldt alleen als de woning van de particulieren zich in hetzelfde woonblok bevindt als waar Helpt Elkander werkzaamheden gaat uitvoeren. Onze referentie: D10006731:25 - Datum: 19 januari 2021
14 van 114
SMP GEBOUWBEWONENDE SOORTEN WONINGSTICHTING HELPT ELKANDER
Dit is vooral handig – voor Helpt Elkander – als bij een versnipperd woningbezit (in een straat of een appartementencomplex) een heel woningblok wordt aangepakt. Particulieren in ditzelfde woningblok kunnen ervoor kiezen mee te doen met de geplande werkzaamheden van Helpt Elkander. De particulieren dienen dan te handelen onder de voorwaarden van dit SMP. Helpt Elkander is in dit geval eindverantwoordelijke, omdat zij de ontheffingshouder zijn. Wanneer een particulier besluit niet aan de ontheffingsvoorwaarden wil voldoen, dient deze zelf een ontheffing aan te vragen (met de benodigde onderzoeken vooraf). In de ecologische werkprotocollen van de specifieke projecten kan worden herleid of en welke particulieren gebruik maken van de ontheffing van Helpt Elkander en werken volgens de ontheffingsvoorwaarden.
Onze referentie: D10006731:25 - Datum: 19 januari 2021
15 van 114
SMP GEBOUWBEWONENDE SOORTEN WONINGSTICHTING HELPT ELKANDER
2
STAPPENPLAN SMP
2.1
Inleiding
Binnen het SMP worden gestandaardiseerde werkprotocollen (hoe en wanneer uitvoeren van ingreep) en concrete mitigatiemaatregelen (waar en welke faunavoorzieningen realiseren) uitgewerkt. Door de negatieve effecten van beheer, onderhoud, renovatie, verduurzaming en sloop tijdig en op gebiedsniveau te mitigeren, komen de populaties niet onder druk te staan. Het uitgangspunt is dat het gehele woningbezit natuurinclusief wordt gerenoveerd of nieuw gebouwd (in het geval van nieuwbouw), zodat altijd voldoende alternatieve verblijfplaatsen worden gerealiseerd. Met behulp van een aparte boekhouding (saldering) worden de feitelijke minnen en plussen bijgehouden en ingezet om per zone de lokale populatie te behouden (staat van instandhouding). De crux is daarbij de estafette-aanpak. Door middel van een roulatiesysteem worden positieve maatregelen getroffen in aangrenzende gebieden, om (tijdelijke) negatieve effecten op te kunnen vangen en te voorkomen dat er op grote schaal tijdelijke kasten opgehangen moeten worden om de lokale staat van instandhouding intact te houden. Dit vraagt om een uitgekiende planning dat nauw aansluit en gebruik maakt van de meerjarenplanning van de betrokken woningbouwcorporatie. Zie Tabel 9 voor een fictief voorbeeld voor de saldering per SMP-zone, waarbij het aantal duurzame verblijfplaatsen ook structureel toeneemt.
Om te voorkomen dat lokale populaties te veel onder druk komen te staan en hervestiging mogelijk is, geldt als voorwaarde dat tegelijkertijd maximaal 25% van het woningbezit binnen een SMP-zone gerenoveerd of verduurzaamd wordt (en tijdelijk ongeschikt zijn voor gebouwbewonende soorten). Uitzondering hierop geldt voor SMPzones waarin één complex voor 25% of meer van het SMP-zone beslaat. Indien het om een SMP-zone gaat waarin slecht enkele woningen zijn worden de werkzaamheden buiten het broedseizoen uitgevoerd (daarmee wordt tevens de kraamperioden van vleermuizen ondervangen). Indien het om een groot complex gaat met tientallen woningen vindt fasering binnen het complex plaats. Tabel 9 Saldering verblijfplaatsen binnen een SMP-zone. Jaar 1
Jaar 2 X
X
X
Jaar 3 X
X X
X
X
0
X X
0
X
X
X
broedclusters
X
X 0
X
X
X
0
X
X 7
Jaar 4
X
6
broedclusters
7
X 0 →
Cluster met broedende huismussen Cluster met broedende huismussen – ontmoedigen voor het broedseizoen Vervangende nestlocaties huismussen Tijdelijke nestvoorzieningen huismus – nog niet in gebruik Tijdelijke nestvoorzieningen huismus – in gebruik Permanente nestvoorzieningen huismus – nog niet in gebruik Permanente nestvoorzieningen huismus – in gebruik Onderhoud / verduurzaming woningen binnen complexen
X
X
broedclusters
X
X 8
X
X X
Broedclusters
Een belangrijke pijler om de staat van instandhouding te kunnen garanderen is de methode om te voorkomen dat gebouwbewonende soorten gedood of verwond of onnodige verstoord worden tijdens de uitvoering. Het is bekend dat met elk type (regulier protocol) onderzoek soorten en verblijfplaatsen worden gemist. Bij het reguliere onderzoekstraject wordt er meestal (ten onrechte) van uitgegaan dat met protocolonderzoek verblijfplaatsen kunnen worden uitgesloten voor een periode van drie jaar na oplevering van het onderzoeksrapport. Uit visuele inspecties van volgens protocol, onderzochte gebouwen en tijdens QuickScan als ongeschikt bestempelde objecten (Expert experience Arcadis) blijkt dat dit niet klopt. Als er voor een soort geschikte openingen zijn in een gebouw dan wordt dat gebouw op enig moment gebruikt door die soort(groep), met name aangaande de vleermuissoorten. Onze referentie: D10006731:25 - Datum: 19 januari 2021
16 van 114
SMP GEBOUWBEWONENDE SOORTEN WONINGSTICHTING HELPT ELKANDER
Ook zijn soorten veel flexibeler en fluctueren de populatie omvangen per jaar. Om het risico op slachtoffers te minimaliseren wordt binnen het SMP er van uitgegaan dat alle woningen bewoond kunnen zijn door de in het SMP opgenomen beschermde soorten. Deze woningen en gebouwen worden altijd natuurvriendelijk gerenoveerd en verduurzaamd. Om dit vast te kunnen stellen wordt gebruik gemaakt van het geschiktheidsmodel (zie paragraaf 3.3). In dit hoofdstuk is bovenstaande mitigatiestrategie voor gebouwbewonende uitgewerkt in een stappenplan (zie Tabel 10). Met her doorlopen van dit stappenplan wordt voldaan aan de SMP methodiek. Tabel 10 Weergave van de mitigatiestrategie met de rolverdeling van de verschillende actoren.
Projectleider/ planner initiatiefnemer
Ecoloog
Aannemer
Bevoegd gezag
-
-
-
Check kruistabel ingreep versus soorten Bij effect op individu: naar stap 2b Bij effect op verblijfplaats: naar stap 2c
Indien kans op effect niet eenduidig is controle door ecoloog
-
-
Mogelijkheid werken buiten gevoelige periode
Check natuurkalenders/ bijstellen planning Groen: naar stap 2d Oranje of rood: raadpleeg ecoloog
Beoordeling oranje/ rood of werkzaamheden onder voorwaarden toch groen zijn. Groen naar stap 2d Blijf rood/oranje naar stap 2c
-
-
Effect op verblijfplaats van Generieke soorten / verblijfsfuncties (zie Bijlage D)
Detailinformatie over ingreep naar ecoloog Instructie aannemer m.b.t. SMP en ontheffing Wnb
Opstellen ecologisch werkprotocol en planning Bepalen methode ontmoediging Door naar stap 3a
Voorbereiden ontmoediging en planning
-
Effect op verblijfplaats bij bijzondere soorten / verblijfsfuncties
Detailinformatie over ingreep naar ecoloog Instructie aannemer m.b.t. SMP en ontheffing Wnb
Inspectie maatwerksituatie Opstellen ecologisch maatwerk werkprotocol en planning Door naar stap 3a
Voorbereiden ontmoediging en planning
-
Natuurvriendelijk werken op basis van standaard protocol
Werken conform standaard werkprotocol en/of contact opnemen met ecoloog
Afstemmen Afstemmen werkwijze van werkwijze van project project
Stap
Omschrijving
1
Bepalen kans aanwezigheid Check database/viewer beschermde soorten Ga naar stap 2a
2a
Bepalen kans op effect vanuit ingreep op verblijfplaats of individu (dier)
2b
2c
2d
3a
Toewijzen mitigatietaakstelling
-
Vaststellen mitigatietaakstelling Generiek; stap 3b Maatwerk; stap 3b en 3c
3b
Bepalen generieke taak bij generieke soorten / verblijfsfuncties
Afstemmen uitvoering mitigatietaakstelling
Uitwerken mitigatietaakstelling
Onze referentie: D10006731:25 - Datum: 19 januari 2021
Afstemmen maatregelen in project
-
-
17 van 114
SMP GEBOUWBEWONENDE SOORTEN WONINGSTICHTING HELPT ELKANDER
Stap
Omschrijving
Projectleider/ planner initiatiefnemer
Ecoloog
Aannemer
Bevoegd gezag
Afstemmen maatregelen in project
Goedkeuren maatwerk door bevoegd gezag
en afstemmen mitigatie in project
3c
Bepalen maatwerk bij bijzondere soort, overige bijzondere verblijfsfuncties en/of afwijkende gebouwtypen
Afstemmen uitvoering mitigatietaakstelling Goedkeuring vragen bij bevoegd gezag
Uitwerken mitigatietaakstelling en afstemmen mitigatie in project (bijstellen afhankelijk reactie bevoegd gezag)
Om per project tijdig de juiste voorbereidingen en maatregelen te treffen is het raadzaam om in de start- en initiatieffase direct de stappen te doorlopen met hulp van een ter zake kundige ecoloog. Hiermee wordt inzicht verkregen in de benodigde fasering van projecten, noodzaak van natuurvriendelijke werken en de omvang en aard van mitigerende maatregelen. Hieronder worden de te nemen maatregelen per stap besproken. Vervolgens staan in de ‘roze tekstkader’ de te doorlopen vervolgstappen (leeswijzer). Dit is steeds afhankelijk van de uitkomst van de betreffende werkstap. Gelet op de samenhang is het wenselijk om deze stappen in kort tijdsbestek te doorlopen en af te stemmen met de betrokken partijen.
2.2
Stap 1 – bepalen (kans) aanwezigheid beschermde soorten
Tijdens de eerste stap zal via het GIS-bestand (GIS-viewer) gecontroleerd moeten worden of beschermde gebouwbewonende soorten aanwezig (kunnen) zijn in de betreffende woningen en/of gebouwen. Dat is het geval indien: • woning geschikt is voor vleermuissoorten, huismus, huiszwaluw, gierzwaluw, overige broedvogels en steenmarter. − Geschikt is gedefinieerd als hoge of middelhoge kans en ongeschikt als gedefinieerd als een lage kans, zie Bijlage E. − Voor massawinterverblijven van vleermuizen zijn alle grotere gebouwen (flats, kantoren en appartementencomplexen) geschikt. • woning herbergt verblijfsfuncties van gebouwbewonende vleermuissoorten, huismus, huiszwaluw, gierzwaluw of steenmarter op basis van: − Actuele waarnemingen uit de NDFF van verblijfplaatsen, voor zover niet ouder dan vijf jaar. − De resultaten van veldonderzoek zoals beschreven in paragraaf 3.4. − De toekomstige resultaten van monitoring in het kader van SMP. Deze worden ook opgenomen in de database en daarmee actueel gehouden. − Eventueel andere beschikbare (toekomstige) verspreidingsdata van verblijfplaatsen (voor zover relevant en beschikbaar). Als een woning geschikt is of verblijfsfuncties herbergt voor beschermde gebouwbewonende soorten – ook los van elkaar – dient rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van beschermde diersoort(en). Ga in dat geval naar stap 2a.
In stap 2a wordt de noodzaak om natuurvriendelijk te werken bepaald afhankelijk van of effecten zijn te verwachten vanuit de ingreep.
2.3
Stap 2 – natuurvriendelijk werken per ingreep
2.3.1
Stap 2a – bepalen kans op effect vanuit ingreep
De volgende stap is het bepalen van de kans op een conflict (lees: wettelijke overtreding) in relatie tot de Wet natuurbescherming door de geplande ingreep en de in stap 1 bepaalde kans op aanwezigheid van beschermde soorten. De verschillende ruimtelijke ingrepen zijn onderverdeeld in twee categorieën: 1. Ingreep leidt tot permanent verlies van verblijfplaatsen: Mitigatietaakstelling noodzakelijk. 2. Ingreep leidt tot tijdelijk verlies van verblijfplaatsen en/of effect op individuele dieren: Mitigatietaakstelling niet noodzakelijk. Onze referentie: D10006731:25 - Datum: 19 januari 2021
18 van 114
SMP GEBOUWBEWONENDE SOORTEN WONINGSTICHTING HELPT ELKANDER
Daarbij wordt er in dit stadium nog van uitgegaan dat de ingreep gedurende het gehele jaar kan worden uitgevoerd. Zie onderstaande kruistabel ‘ingreep’ versus ‘soorten’ voor de kans op een negatief effect.
Vleermuizen
Impact ingreep
Steenmarter
Ruimtelijke ingreep
Broedvogels
Tabel 11 Kans op wettelijke overtreding Wnb per ruimtelijke ingreep op basis van kruistabel 'ingreep' versus 'soorten'. Rood = conflict ingreep; oranje = mogelijk conflict ingreep (bij aanwezigheid).
Ingreep leidt tot permanent verlies van verblijfplaatsen: Mitigatietaakstelling voor mitigerende maatregelen noodzakelijk. Sloop bebouwing (en nieuwbouw)
Woning/tuin
Renovatie compleet
Gevel/dak(rand)
Verduurzaming
Gevel/dakrand
Ingreep leidt tot tijdelijk verlies van verblijfplaatsen en/of effect op individuele dieren: Mitigatietaakstelling voor mitigerende maatregelen niet noodzakelijk. Beheer en onderhoud
Gevel/dak(rand)
Verwijderen bomen en struiken in tuin
Tuin
Asbestsanering
Gevel/dak(rand)
Plaatsing zonnepanelen/dakkapellen
Dak(rand)
Ga naar stap 2b bij een (mogelijk) conflict van de ingreep (oranje of rood) op een individu. In dat geval zal gewerkt moeten worden buiten de gevoelige periode, of werkzaamheden op dusdanige wijze uitvoeren dat er geen sprake is van een mogelijk conflict. Mitigatietaakstelling is niet noodzakelijk. Ga naar stap 2c bij een (mogelijk) conflict van de ingreep (oranje of rood) op een verblijfplaats. In dat geval is een mitigatietaakstelling noodzakelijk. Raadpleeg een ecoloog wanneer niet bekend is of een ingreep leidt tot een (mogelijk) conflict. Mitigatietaakstelling mogelijk noodzakelijk.
2.3.2
Stap 2b – werken buiten gevoelige periode
Deze stap geldt alleen voor werkzaamheden die géén permanente gevolgen hebben op verblijfplaatsen van gebouwbewonende soorten. Bij deze stap wordt nagegaan of het mogelijk is om buiten de gevoelige periode te werken. Dit verschilt per soort en is afhankelijk van de broedperiode van vogels en de kraamperiode en de winterslaap van vleermuizen. Een gevoelige (kwetsbare) periode is een bepaalde tijd van het jaar waarin soorten niet of weinig mobiel zijn of in groot aantal bijeen zijn en werkzaamheden leiden tot negatieve effecten op individuen van een soort. Dit is vooral het geval indien soorten: • Een nest met eieren hebben (broedseizoen vogels). • Een nest of verblijf met jongen hebben die nog niet vliegvlug zijn (broedseizoen vogels en kraamverblijf vleermuizen). • Schuilen tegen de vorst (huismussen gebruiken dan hun nesten). • Winterslaap houden (vleermuizen). Doordat de geplande werkzaamheden mogelijk een tijdelijk effect hebben op de verblijfplaatsen en/of individuen dient rekening gehouden te worden met mogelijk aanwezige soorten en hun kwetsbare periodes. In Tabel 12 staan de kwetsbare periodes van relevante gebouwbewonende soorten. Voor de overzichtelijkheid zijn de kalenders gecombineerd en samengevat. Onze referentie: D10006731:25 - Datum: 19 januari 2021
19 van 114
SMP GEBOUWBEWONENDE SOORTEN WONINGSTICHTING HELPT ELKANDER
Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de volgende categorieën: rood, oranje en groen. Zie Bijlage F voor de uitgebreide versie van de gevoelige periodes per soort in overeenstemming met de Kennisdocumenten (BIJ12, 2017). • • •
Rood = kwetsbare periode: geen werkzaamheden uitvoeren, tenzij voorafgaand natuurvrij gemaakt is. Oranje = matig kwetsbare periode (tevens afhankelijk van omgevingsfactoren als bijvoorbeeld temperatuur): werkzaamheden uitvoeren mogelijk na natuurvrij maken. Groen = werkzaamheden uitvoeren zonder maatregelen.
Tabel 12 Natuurkalender voor relevante beschermde diersoorten met aanduiding van de gevoelige periodes. Bij groen kunnen werkzaamheden uitgevoerd worden, bij oranje onder strikte voorwaarden en bij rood niet tenzij voorafgaand aan de periode natuurvrij gemaakt is.
Soorten
Jan
Feb
Mrt
Apr
Mei
Jun
Jul
Aug
Sep
Okt
Nov
Dec
Gierzwaluw Huismus Huiszwaluw Vleermuizen Steenmarter
In de ‘groene periode’ mogen alle werkzaamheden worden uitgevoerd. Let daarbij op dat de natuurkalender van alle soorten moeten worden gecombineerd tot één kalender. Ontmoediging niet noodzakelijk. Ga in deze situatie naar stap 2d. In de ‘rode periode’ mogen geen werkzaamheden worden uitgevoerd die conflicteren met de betreffende soort(en). Stel in dat geval de planning zodanig bij dat je uitkomt in de groene of oranje periode. In de ‘oranje periode’ zijn soorten matig kwetsbaar. Dit is afhankelijk van verschillende factoren zoals bijvoorbeeld de temperatuur. Werkzaamheden dienen in afstemming met ecoloog besproken te worden. Ontmoediging is mogelijk noodzakelijk. Raadpleeg een ecoloog indien de rode of oranje periode niet te vermijden is.
2.3.3
Stap 2c – ingreep leidt tot effect op verblijfplaats
Wanneer werkzaamheden (mogelijk) leiden tot permanente effecten op verblijfplaatsen van gebouwbewonende soorten dient voor deze werkzaamheden een ecologisch werkprotocol opgesteld te worden. Dit ecologisch werkprotocol moet op de locatie aanwezig zijn en onder alle betrokken partijen bekend zijn. Werkzaamheden moeten aantoonbaar conform dit protocol worden uitgevoerd. Dit werkprotocol bevat de volgende onderdelen: 1. Projectinformatie Hierin wordt het voornemen van het project opgenomen met de benodigde informatie zoals de adressen, de werkzaamheden, de uitvoerder en de planning van het project. 2. Randvoorwaarden voor natuurvriendelijk werken Hierin worden de maatregelen opgenomen zodat tijdens de werkzaamheden geen effecten op individuele dieren aanwezig zijn. Onderdelen zoals de uitleg voor het ontmoedigen (natuurvrij maken) van de woningen staat hierin beschreven. De ontmoediging vindt altijd plaats door middel van ‘exclusion’: het ongeschikt maken van woningen waardoor de eventueel aanwezige dieren eenmalig het gebouw kunnen verlaten, maar daarna niet terug kunnen keren. Ontmoediging van vastgestelde gierzwaluwverblijven is niet toegestaan. 3. Mitigatietaakstelling (zie paragraaf 2.4) Hierin staat de benodigde aantal voorzieningen dat aangebracht moet worden en uitgelegd op welke locatie en welke manier deze geplaatst moeten worden. 4.
Ecologisch logboek Hierin wordt de registratie van alle fasen van het project bijgehouden. Het wordt tijdens de werkzaamheden continu geactualiseerd en beschikbaar gesteld aan de projectleider van de betreffende woningcorporatie en de betrokken aannemer. Eventuele afwijkingen ten opzichte van het ecologisch Onze referentie: D10006731:25 - Datum: 19 januari 2021
20 van 114
SMP GEBOUWBEWONENDE SOORTEN WONINGSTICHTING HELPT ELKANDER
werkprotocol worden besproken met de projectleider. Afwijkingen ten opzichte van een door de ODBN goedgekeurd ecologisch werkprotocol zijn niet toegestaan. Waar nodig worden passende maatregelen getroffen om negatieve effecten op beschermde soorten te voorkomen. De vervolgstap is het ontwerpen en realiseren van natuurinclusieve maatregelen per woning/gebouw volgens een vaste mitigatietaakstelling. De omvang en aard van de mitigatie hangt af van de status: • Geschiktheid van de woningen voor iedere soort bepaalt het aantal verblijven (mitigatietaakstelling). • Type verblijfsfuncties in de woningen bepaalt de uitvoering van de mitigatietaakstelling: − Algemene verblijfsfuncties en algemene bijzondere verblijfsfuncties (Bijlage D): generieke aanpak. − Overige bijzondere verblijfsfuncties: maatwerk. Ga verder door naar stap 3a.
2.3.4
Stap 2d – Natuurvriendelijk werken op basis van standaard werkprotocol
Voor sommige beheer- en onderhoudswerkzaamheden kan gewerkt worden door middel van een standaard werkprotocol. Hierdoor zijn permanente effecten op de verblijfplaatsen uitgesloten en worden tijdelijke effecten en effecten op individuele dieren voorkomen. In de werkprotocollen zijn verschillende maatregelen opgenomen zoals het type materiaalgebruik, noodzaak tot ontmoedigen, planning en momenten van uitvoeren en andere maatregelen om het verdwijnen van permanente toegang tot verblijfplaatsen te voorkomen. Daarbij vindt altijd afstemming met de betrokken ecoloog plaats. Hieronder worden werkzaamheden verstaan zoals: • Schilderwerkzaamheden. • Plaatsen zonnepanelen en/of andere installaties aan de buitenschil. • Gevelwerkzaamheden zoals reinigen en voegen. • Vervangen van losse elementen aan de buitenschil zoals hemelwaterafvoer en dakgoten.
2.4
Stap 3 – natuurinclusieve maatregel per project
2.4.1
Stap 3a – bepalen en toewijzen mitigatietaakstelling
Bepaling mitigatiestrategie Voor het bepalen van de mitigatietaakstelling is informatie nodig over de aanwezigheid van beschermde soorten binnen het woningbezit van Helpt Elkander. Momenteel is er onvoldoende data beschikbaar over de daadwerkelijke aanwezigheid van beschermde soorten binnen het gehele woningbezit van Helpt Elkander. Er kunnen dus geen exacte berekeningen worden gemaakt over de dichtheid van beschermde soorten binnen het woningbezit van Helpt Elkander. Voor het bepalen van de mitigatietaakstelling is gebruik gemaakt van twee vergelijkbare SMP’s binnen de Provincie Noord-Brabant, namelijk Joost (voorheen St. Joseph) (Arcadis, 2018a) en Leystromen (Arcadis, 2017). Deze woningcorporaties bezitten vergelijkbare woningen als Helpt Elkander binnen hetzelfde verspreidingsgebied van de soorten. Het is daarom aannemelijk dat de hoeveelheid beschermde soorten binnen het woningbezit van Helpt Elkander vergelijkbaar is met de hoeveelheden beschermde soorten binnen de woningcorporaties Joost en Leystromen. De mitigatietaakstelling van Leystromen wordt bepaald op basis van het geschiktheidsmodel en de resultaten van het onderzoek. Voor JOOST wordt een standaard mitigatietaakstelling bij alle woningen gebruikt en een extra mitigatietaakstelling bepaald voor de complexen waarin bijzondere verblijfsfuncties zijn vastgesteld.
Het toewijzen van de mitigatietaakstelling voor Helpt Elkander komt nagenoeg overeen met die van Leystromen (het onderzoek is in tegenstelling tot het SMP van Leystromen niet leidend). Daarom is met behulp van deze mitigatietaakstelling de mitigatiestrategie van dit SMP bepaald. Vanwege voortschrijdend inzicht is de toewijzing van de mitigatietaakstelling voor dit SMP nader gespecificeerd voor de verschillende gebouwtypes. Hierdoor komt de mitigatietaakstelling van SMP Leystromen niet exact overeen met die van SMP Helpt Elkander. De onderzoeksresultaten van het kwantitatief, kwalitatief en monitoringsonderzoek van de eerste ontheffingsfase worden geëvalueerd (zie paragraaf 3.5.3). Indien noodzakelijk, zal de mitigatietaakstelling hierdoor aangepast worden. Onze referentie: D10006731:25 - Datum: 19 januari 2021
21 van 114
SMP GEBOUWBEWONENDE SOORTEN WONINGSTICHTING HELPT ELKANDER
Bepaling mitigatietaakstelling (aantallen) Voor het aantal voorzieningen per woning wordt ingezet op het minimale aantal verblijven waarmee de betreffende soorten zich op duurzame wijze in stand kunnen houden en zich nieuw kunnen vestigen. De standaard en extra mitigatietaakstelling voor woningen en gebouwen voor gebouwbewonende vleermuizen, huismus en gierzwaluw staan in onderstaande tabellen. De taakstelling voor vleermuizen wordt niet per vleermuissoort benaderd. Als blijkt dat desbetreffend gebouw geschikt is voor meerdere vleermuissoorten, dan moet de natuurinclusieve maatregel geschikt zijn voor al deze vleermuissoorten. Als dit niet mogelijk is, dan moet alsnog de taakstelling per vleermuissoort worden toegepast. De hoogte van de taakstelling geldt in de hoofdregel enkel voor de soortgroep vleermuizen en niet per vleermuissoort. Binnen de mitigatietaakstelling wordt onderscheid gemaakt tussen grondgebonden woningen, duplexwoningen, appartementen (3 tot 5 woonlagen) en flats/woontorens. De mitigatietaakstellingen uit Tabel 13 en Tabel 14 zijn mede tot stand gekomen aan de hand van de onderzoeken voor verschillende SMP’s (waaronder SMP Leystromen). Voor de huismus is de kans op aanwezigheid grotendeels afhankelijk van de omgeving. Derhalve betekent een hogere mitigatietaakstelling niet een grotere kans op gebruik van de voorzieningen.
Dit geldt wel voor de extra mitigatietaakstelling, omdat de omgeving hier (matig) geschikt is. Hierdoor wordt de kans groter dat de voorzieningen gebruikt worden. Hogere gebouwen zijn minder geschikt voor huismussen. Derhalve is geen mitigatietaakstelling opgenomen voor deze soort in woontorens en flats. Van gierzwaluwen is bekend dat deze soort niet snel nieuwe gebieden koloniseert, maar dat deze veelal gebonden is aan bekende verblijfplaatsen. Derhalve betekent een hogere mitigatietaakstelling niet automatisch een groter kans op gebruik van de voorzieningen. Dit geldt wel voor de extra mitigatietaakstelling, omdat deze voor een deel is gecorrigeerd op aanwezige dieren. Hierdoor wordt de kans groter dat de voorzieningen gebruikt worden. Uit het nulmetingsonderzoek van Leystromen in 2019 blijkt dat naar mate een gebouwtype meer geschikt raakt voor vleermuizen het aantal kleine verblijven toeneemt (Arcadis, in prep.). Het aantal bijzondere verblijfsfuncties zoals kraamkolonies, massawinterverblijven en verblijfplaatsen van bijzondere vleermuissoorten blijft beperkt: • Tien kraamkolonies van gewone dwergvleermuis in negen van de vijftien woonkernen. • Drie kraamkolonies van laatvlieger in twee van de vijftien woonkernen. • Vijf (vermoedelijke) massawinterverblijven in vijf van de vijftien woonkernen.