CConstaterende datNuenen
Koppel je AI →
Document · PDF

RV Bp Kapperdoes - Bijlage 1 Toelichting BP Kapperdoes, herziening 1

Gemeenteraad 12 oktober 2023, gemeente NuenenBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan Kapperdoes, herziening 120.552 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

In het (grotere) plangebied van Uitbreidingplan Nuenen-West zijn vijf locaties geselecteerd waar de grote lijnen van het landschap nog intact zijn en slechts in beperkte mate verstoring door egalisatie en diepploegen heeft plaatsgevonden en waar kans is op het aantreffen van behoudwaardige archeologische resten.

Bescherming in bestemmingsplannen In verband met de herziening van het bestemmingsplan Nuenen-West is de gemeentelijke archeologische beleidskaart uit 2009 voor het hele plangebied Nuenen-West in 2017 geactualiseerd en in 2018 vastgesteld. Hierbij zijn de eerder uitgevoerde archeologische onderzoeken in het plangebied verwerkt en is de conclusie uit eerdere onderzoeken genuanceerd. Op basis van de archeologische vooronderzoeken geldt voor het plangebied een hoge en middelhoge archeologische verwachting. Deze archeologische verwachtingen is in onderhavig bestemmingsplan opgenomen als dubbelbestemming in de planregels en de verbeelding. Het gemeentelijke archeologiebeleid schrijft voor dat bij de vaststelling van een nieuw bestemmingsplan rekening gehouden dient te worden met de mogelijk aanwezige archeologische waarden. Het bevoegd gezag heeft op basis van de vooronderzoeken bepaald dat voor dit plangebied een vervolgonderzoek in de vorm van een proefsleuvenonderzoek moet plaatsvinden. Het doel van het proefsleuvenonderzoek is om de archeologische verwachting van het gebied te toetsen en aan te vullen, om meer inzicht te krijgen in de omvang, conservering en gaafheid van de archeologische resten in het te onderzoeken gebied en deze te waarderen.

Het proefsleuvenonderzoek wordt integraal met de saneringswerkzaamheden uitgevoerd, onder begeleiding van een daartoe gecertificeerd archeologisch onderzoeks-/adviesbureau. De exacte invulling van de werkzaamheden dient voorafgaand aan het veldwerk te worden vastgelegd in een door de bevoegde overheid goed te keuren Programma van Eisen (PvE). Omdat het goed mogelijk is dat de aangetoonde behoudenswaardige vindplaats direct ten zuiden van het plangebied, doorloopt in het onderzoeksgebied, en behoud in situ in de 35

toekomstige inrichting niet mogelijk is, wordt ook een doorstart naar opgraving geborgd via dit PvE. Het doel van een opgraving is het documenteren van gegevens en het uitwerken en veiligstellen van materiaal van vindplaatsen, om daarmee informatie te behouden die van belang is voor de kennisvorming over het verleden. Vervolgens worden alle resultaten vastgelegd in een rapport. Een door het bevoegd gezag goedgekeurde rapportage markeert het einde van het project, en daarmee vervalt de archeologische dubbelbestemming op het terrein. Als onderdeel van de aanvraag en als voorwaarde bij het verlenen van een omgevingsvergunning (voor de bouw van de woningen en de aanleg van de bovengrondse en ondergrondse infrastructuur) zullen de resultaten van het proefsleuvenonderzoek bijgevoegd moeten worden.

3.7 Verkeer en parkeren Ontsluiting De woningen worden ontsloten via Boord. De huidige verkeersintensiteit van Boord bedraagt ca. 1.150 motorvoertuigen per etmaal. Door de toevoeging van 11 woningen is sprake van een beperkte toename van het aantal verkeersbewegingen. Bij toepassing van de NIBM tool, waarbij voor de 11 woningen conform CROW normering matig stedelijk, rest bebouwde kom geldt, wordt uitgegaan van 8 extra dagelijkse verkeersbewegingen per woning. Het gaat dus om maximaal 88 verkeersbewegingen, waarbij geen rekening is gehouden met de reeds aanwezige verkeersbewegingen als gevolg van het vigerend gebruik van de huidige woonboerderij en stallen/schuren. Dat betekent een toename van ca. 5 - 7% ten opzicht van het huidige gebruik. De toename van het aantal verkeersbewegingen is dus beperkt en kunnen door de huidige wegenstructuur worden opgevangen. Parkeren De gemeente Nuenen c.a. streeft naar een goede parkeerbalans, zodat er voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein wordt gerealiseerd. Voor de inrichting van de openbare ruimte (wegen, voetpaden, parkeerplaatsen etc.) en de parkeernormen moet worden uitgegaan van de ASVV 2021 (maatvoering) en publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren: van parkeerkencijfers naar parkeernormen', danwel de afspraken zoals vastgelegd in de Nota Publieke Kaders.

Het plangebied wordt getypeerd als ‘matig stedelijk’ gelegen in de ‘rest bebouwde kom’. Voor vrijstaande woningen wordt uitgegaan van 2.2 parkeerplaatsen per woning en voor twee-aaneen-gebouwde woningen uitgegaan van 2.1 parkeerplaatsen per woning. In deze parkeernorm is 0.3 voor bezoekers-parkeren voorzien. Aldus dient in het plangebied te worden voorzien in 24 parkeerplaatsen.

36

Alle woningen hebben mogelijkheden om 2 parkeerplaatsen op eigen terrein te realiseren. Met uitzondering van kavel 4 gaat het om dubbele opritten waarbij gerekend mag worden met 1.7. Bij kavel 4 gaat het om een lange oprit, vooralsnog zonder garage, waardoor maar met 1 parkeerplaats rekening gehouden mag worden. Dit leidt tot 18 parkeerplaatsen op eigen terrein. De overige 6 parkeerplaatsen worden in openbaar gebied ingepast. Daarmee voldoet het planvoornemen aan de gemeentelijke parkeernorm.

Figuur 11: Stedenbouwkundig plan inclusief parkeren

3.8 Kabels en leidingen Binnen het plangebied en de directe omgeving daarvan is geen sprake van de aanwezigheid van kabels en leidingen, die om een beschermende regeling vragen in het bestemmingsplan, dan wel die beperkingen opleggen aan ontwikkelingen in de directe omgeving. Boven het plangebied is geen straalpad aanwezig, dat beperkingen aan het plangebied zou kunnen opleggen.

37

Hoofdstuk 4 Milieuparagraaf

4.1 Bedrijven en milieuzonering Om te bepalen of voor woningen sprake is van een goed woon- en leefklimaat wordt het begrip milieuzonering gehanteerd: het aanbrengen van een ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies ter bescherming of vergroting van de kwaliteit van de leefomgeving. Milieuzonering beperkt zich over het algemeen tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie, zijnde geur, stof, geluid en gevaar. Door de VNG is in dit kader de publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ (2009) opgesteld met hierin een richtafstandenlijst. Bedrijven zijn hierin op grond van hun potentiële milieubelasting ingedeeld in zes categorieën. De richtafstanden gelden tussen de perceelsgrens van het bedrijf en de gevel van een woning. Nabij het plangebied (blauwe cirkel in onderstaande figuur) is enige bedrijvigheid aanwezig, zoals geïnventariseerd in het kader van het recente bestemmingsplan “Chw-bestemmingsplan Herijking Nuenen West”

Figuur 12: Bedrijvigheid omgeving plangebied

Figuur 13: Milieucategorie bedrijvigheid omgeving plangebied

38

In de toelichting bij bestemmingsplan “Chw-bestemmingsplan Herijking Nuenen West” wordt (hier opgenomen voorzover voor het plangebied van belang) over deze bedrijvigheid het navolgende opgemerkt : Op Boord 14 is een agrarisch bedrijf gevestigd (nr. 20). Er is geen veehouderij toegestaan. Dit bedrijf is dan ook geclassificeerd in de milieucategorie 2 (akkerbouw of tuinbouwbedrijf met bedrijfsgebouwen). In het algemeen leidt geluid tot de maatgevende hinderafstand, met 30 m tot rustige woonwijk en 10 m tot gemengd gebied. Tevens is op deze locatie de tijdelijke huisvesting van seizoensarbeiders mogelijk, voor zover deze op het bedrijf zelf werkzaam zijn. De omvang van de huisvesting is niet bekend, maar zal maximaal als milieucategorie 1 te classificeren zijn. (…) Aan de Boord 12 (nr. 21) is in het vigerende bestemmingsplan een veehouderij toegestaan. De milieuhindercirkel vanuit de veehouderij is in het verleden ten behoeve van de ontwikkeling van Nuenen West uitgekocht, maar publiekrechtelijk is de milieucirkel nog aanwezig (niet wegbestemd). Op basis van een revisievergunning uit 2011 zijn op deze locatie 5 kippen en 25 paarden toegestaan. Conform de verordening geurhinder en veehouderij van de gemeente, dient een afstand van minimaal 50 m tot geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom aangehouden te worden bij maximaal 30 paarden.

Voor woningen buiten de bebouwde kom geldt een minimale afstand van 25 m. Doordat de oorspronkelijke milieuhindercirkel publiekrechtelijk nog aanwezig is, is voor dit adres een milieuhinderafstand van 100 meter aangehouden. (…). Binnen het plangebied zijn aan de Boord 9 een kattenpensioen en een kantoor voor een hoveniersbedrijf gelegen. Beide bedrijven hebben een specifieke milieucategorie. Om die reden wordt afzonderlijk ingegaan op de gevolgen die beide bedrijven voor de ontwikkeling van Nuenen West hebben. Het kattenpension ligt aan de zuidzijde van het perceel. Een dierenasiel of -pension heeft in de VNGbrochure 'bedrijven en milieuzonering' een milieucategorie 3.2, met geluid (100 m) als maatgevend aspect. Dit geluid komt normaliter voor op het buitenterrein als er (blaffende) honden worden gehouden. Dit is hier niet het geval: het bedrijf is een kattenpension, waarbij de katten binnen worden gehouden. Er is dan ook geen sprake van geluidhinder. De gemiddelde afstand voor geur bij een dierenasiel of -pension is 30m. (…) . Het kantoor van het hoveniersbedrijf ligt ten noordwesten van het kattenpension. Voor gemiddelde kantoren geldt vanuit de VNG-brochure 'bedrijven en milieuzonering' een milieucategorie 1. In het onderhavige geval is de toegestane kantoorruimte gemaximeerd op 135 m2.

Het kantoor kan dan ook geclassificeerd worden als kleinschalig kantoor, in oppervlak en gebruik vergelijkbaar met een beroep aan huis. Voor het kantoor wordt dan ook geen milieuhinderafstand gehanteerd. Aan de Boord 4-6 is een taxicentrale gevestigd (nr. 24). Vanuit het bestemmingsplan is bedrijvigheid tot en met milieucategorie 3 (maximaal 100 m hinderafstand) mogelijk. Een taxicentrale is geclassificeerd als categorie 2, met een hinderafstand van 30 m tot rustige woonwijk en 10 m tot gemengd gebied. (…). Gezien het feit dat direct rondom het bedrijf reeds bestaande woningen zijn gelegen, en nieuwe woningen binnen Nuenen West op grotere afstand staan, is er vanuit het bedrijf geen belemmering voor woningbouwontwikkeling en voldoet de maximale planologische invulling aan een goede ruimtelijke ordening.

Op grond van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat voormelde bedrijvigheid geen invloed heeft op het woon- en leefklimaat van de in het plangebied voorziene woningen en dat vice versa deze woningen geen belemmeringen opleveren voor deze bedrijvigheid. Voor wat betreft het naastgelegen tuincentrum Coppelmans is gekomen tot een Akoestisch onderzoek omgevingslawaai van Tritium Advies BV, d.d. 30 maart 2022 (kenmerk 2103/213/JOW-02, versie A), dat hier als bijlage 2 bij de toelichting is opgenomen.

39

De geluidimmissie op de beoogde woningen is bepaald ten gevolge van alle mogelijke geluidrelevante activiteiten van het tuincentrum. Tevens is indirecte hinder vanwege het verkeer van en naar de inrichting beschouwd. Aan de hand hiervan is enerzijds bepaald of er in de toekomstige situatie sprake is van een akoestisch verantwoord woon- en leefklimaat ter plaatse van de nieuwbouwwoningen en dus van een goede ruimtelijke ordening. Anderzijds mag het tuincentrum akoestisch gezien niet worden ingeperkt door het planvoornemen. In de rapportage is als samenvatting en conclusies opgenomen :

Uit het onderzoek kunnen de volgende conclusies worden getrokken: Uit de tussenresultaten van de topdag is gebleken dat ter plaatse van de grens tussen het tuincentrum en het plangebied een geluidscherm noodzakelijk is. Dit geluidscherm dient een hoogte te hebben van minimaal 1,8 meter, kierdicht worden uitgevoerd en een massa te hebben van minimaal 10 kg/m2 . Op basis van de resultaten kan worden gesteld dat met het nemen van voornoemde voorgestelde maatregel (toepassen van een geluidscherm op de grens tussen tuincentrum en plangebied) een akoestisch goed woon- en leefklimaat kan worden gewaarborgd voor de beoogde woningen en dat het tuincentrum niet beperkt wordt bij het uitvoeren van de huidige activiteiten. Voor wat betreft het aspect geluid zijn er derhalve geen bezwaren de bestemmingsplanwijziging door te voeren.

Conclusie Om een akoestisch goed woon- en leefklimaat te waarborgen en het tuincentrum niet te beperken in haar bedrijfsvoering, is de te plaatsen geluidswerende voorziening een voorwaardelijke verplichting en als zodanig opgenomen in de planregels.

4.2 Geluid 4.2.1 Normstelling en geluidsbronnen De normstelling voor geluid is geregeld in de Wet geluidhinder, de Wet milieubeheer en de Wet luchtvaart. Het betreft normen voor industrielawaai, weg- en railverkeerslawaai en luchtvaartlawaai. Er wordt uitgegaan van voorkeursgrenswaarden, waarvan met ontheffing tot een bepaalde maximum hoogte in een aantal gevallen mag worden afgeweken. De normstelling heeft tot doel nieuwe geluidhindersituaties en daarmee gezondheidsschade te voorkomen. Om dit doel te bereiken worden zones gedefinieerd, waarbinnen plannen met geluidgevoelige bestemmingen moeten worden getoetst aan de normen. Volgens de Wet geluidhinder gelden er voorkeursgrenswaarden en maximale ontheffingswaarden. Bij de voorkeursgrenswaarde mag worden verondersteld dat het percentage gehinderden beperkt is. Wanneer een maximale ontheffingswaarde wordt overschreden dan is er sprake van een locatie die in beginsel niet geschikt is voor de vestiging van een geluidgevoelige bestemming. Bij plannen met geluidbelastingen in de bandbreedte tussen voorkeursgrenswaarde en maximale ontheffingswaarde moet er een nadere afweging worden gemaakt in hoeverre bron en/of overdrachtmaatregelen kunnen worden getroffen om de geluidbelastingen te beperken. Voorbeelden van bronmaatregelen zijn een stiller wegdek en een verlaging van de snelheid bij auto's.

Geluidschermen en geluidwallen zijn voorbeelden van overdrachtsmaatregelen. 40

4.2.2 Railverkeerslawaai, luchtverkeerslawaai Het plangebied ligt niet in de nabijheid van enige spoorlijn. Het aspect railverkeerslawaai is dan ook niet aan de orde op onderhavig plan. Het plangebied ligt op hemelsbreed circa 10 km van de luchthaven Eindhoven. Dit is een militair vliegveld met medegebruik door de burgerluchtvaart (Eindhoven Airport). Vanaf 1 november 2009 geldt de Wet luchtvaart. Deze wet omvat een nieuw stelsel van besluitvorming en normen voor alle luchthavens, met uitzondering van Schiphol. Conform de systematiek van deze wet is voor luchthaven Eindhoven één luchthavenbesluit vastgesteld met een militaire geluidsruimte voor militair vliegverkeer en een burgergeluidsruimte voor het commercieel burgermedegebruik. Het luchthavenbesluit is op 26 september 2014 vastgesteld. Met dit besluit is de 35Ke-geluidszone rond de luchthaven vastgelegd als grens van de geluidsbelasting van het gezamenlijke militaire en civiele vliegverkeer. Het plangebied ligt niet binnen deze vastgestelde geluidszone (35Ke-contouren. Deze geluidszone werkt daarom niet belemmerend voor onderhavig plangebied.

4.2.3 Wegverkeerslawaai Langs alle wegen bevinden zich als gevolg van de Wet geluidhinder geluidzones, met uitzondering van woonerven en 30 km/h-gebieden. Binnen de geluidzone van een weg moet de geluidsbelasting aan de gevel van nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen aan bepaalde wettelijke normen voldoen Het bestemmingsplan voorziet in de bouw van woningen, zijnde nieuwe geluidgevoelige bestemmingen, zodat nader akoestisch onderzoek naar geluidbelastingen ten gevolge van het wegverkeerslawaai noodzakelijk is. Vastgesteld kan worden dat het plangebied is gelegen buiten de 48 dB-contour van de A 270/Helmondweg (335 m uit het hart) alsook buiten de 48 dB-contour van de Europalaan (circa 60 meter van deze weg) bevindt. De geplande woningen in het plangebied liggen op een afstand van circa 200 meter van de Europalaan. In het kader van het vigerende bestemmingsplan is door Tritium Advies BV onderzoek gedaan naar de geluidbelasting van de gevels van de nieuw te bouwen woningen, zoals beschreven in het als bijlage 3 bij deze toelichting opgenomen onderzoek. Voor wegverkeerslawaai is het plan gelegen binnen de geluidzone van het gedeelte van de weg Boord met een snelheidsregime van 60 km/uur. Het plan is tevens gelegen in de nabijheid van de 30 km/uur wegen Boordseweg, Kapperdoesweg en het gedeelte van de weg Boord met een snelheidsregime van 30 km/uur.

In het kader van een goed akoestisch woon- en leefklimaat is tevens de geluidbelasting ten gevolge van de Europalaan onderzocht.

41

In de rapportage is als samenvatting en conclusies opgenomen: Voor de 30 km/uur wegen Boordseweg en Kapperdoesweg geldt dat de geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer op deze wegen de richtwaarde van 48 dB op geen enkele gevel van de nieuwe woningen overschrijdt. Voor het gedeelte van de weg Boord met een snelheidsregime van 30 km/uur geldt dat de geluidbelasting op de gevels van de woning op perceel 1 de richtwaarde van 48 dB met maximaal 2 dB overschrijdt. Op de gevels van de woningen op de overige percelen geldt dat de richtwaarde niet wordt overschreden. Voor 30 km/uur wegen kan echter geen hogere waarde worden verleend, aangezien deze wegen niet zoneplichtig zijn. Voor de gezoneerde weg Europalaan geldt dat de geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer op deze weg de voorkeursgrenswaarde van 48 dB op geen enkele gevel van de nieuwe woningen overschrijdt. Voor het gedeelte van de weg Boord met een snelheidsregime van 60 km/uur geldt dat de geluidbelasting op de gevels van de woningen op percelen 1 tot en met 4 de voorkeursgrenswaarde van 48 dB met maximaal 10 dB overschrijdt. Op de gevels van de woningen op de overige percelen geldt dat de voorkeursgrenswaarde niet wordt overschreden. De maximale ontheffingswaarde van 63 dB voor nieuwbouw in stedelijk gebied wordt hierdoor nergens overschreden.

Derhalve is het mogelijk om een beschikking hogere waarde aan te vragen bij de gemeente indien de toepassing van overdrachts- of bronmaatregelen gericht op het terugbrengen van de geluidbelasting onvoldoende doeltreffend is dan wel overwegende bezwaren ontmoet en wordt voldaan aan de voorwaarden uit het provinciaal geluidbeleid. Het aanleggen van een geluidwal of geluidscherm (overdrachtsmaatregelen) gericht op het terugbrengen van de geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer tot de voorkeursgrenswaarde ontmoet in de onderhavige situatie overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, landschappelijke en financiële aard. Het vergroten van de afstand tussen geluidbron en ontvanger is in onderhavige situatie niet doeltreffend. Voor het toepassen van stiller wegdek (bronmaatregel) geldt dat de voorkeurgrenswaarde nog altijd wordt overschreden. Deze geluidreducerende maatregel is derhalve eveneens niet doeltreffend. Het toepassen van een stiller wegdek ontmoet bovendien overwegende bezwaren van financiële aard. Conform het “Ontheffingenbeleid Wgh” van de provincie Noord Brabant dient voor het verlenen van een hogere waarde te worden voldaan aan ten minste één van de in dat beleidsstuk genoemde subcriteria, alsmede de aanvullende voorwaarden.

Aangezien onderhavig plan de opvulling van een open plek binnen de bebouwde kom van Nuenen betreft, wordt aan ten minste één subcriterium voldaan. Aanvullend dient iedere woning te beschikken over een geluidluwe buitengevel en dient de buitenruimte te zijn gelegen aan de geluidluwe gevel. Uit de rekenresultaten blijkt dat hieraan voor alle percelen wordt voldaan. Indien in iedere woning ten minste één verblijfsruimte aan de geluidluwe zijde wordt gesitueerd wordt aan alle aanvullende voorwaarden uit het provinciaal geluidbeleid voldaan. Derhalve wordt onderbouwd verzocht hogere waarde te verlenen conform artikel 110a, lid 5 van de Wet geluidhinder. Aangezien voor de woningen op percelen 1 tot en met 4 sprake is van een procedure hogere waarde, is voor deze woningen een aanvullend onderzoek ter bepaling van de geluidwering van de gevels nodig. Bij toepassing van de juiste geluidwerende materialen en maatregelen (conform een nader onderzoek) is vervolgens een goed akoestisch woon- en leefklimaat gewaarborgd. Aangezien voor de woningen op percelen 5 tot en met 11 geen sprake is van een procedure hogere waarde wordt een aanvullend onderzoek ter bepaling van de geluidwering van de gevels niet noodzakelijk geacht. Bij toepassing van standaard geluidwerende materialen en maatregelen is voor deze woningen een goed akoestisch woon- en leefklimaat gewaarborgd.

42

Op grond van het vorenstaande wordt een procedure hogere grenswaarde doorlopen, waarvan het ontwerp besluit hogere waarde gelijktijdig met het bestemmingsplan ter inzage wordt gelegd. 4.2.4. Industrielawaai, geluid tuincentrum Het plan ligt niet in de zone van een industrieterrein in de zin van de Wet geluidhinder, waarop de vestiging van zogenaamde grote lawaaimakers is toegestaan. Het aspect industrielawaai is dan ook niet aan de orde op onderhavig plan. Wat betreft het naastgelegen bedrijvigheid, waaronder het tuincentrum kan worden verwezen naar paragraaf 4.1. van deze toelichting. 4.2.5. Conclusie Het aspect geluid vormt aldus geen belemmering voor de voorgestane invulling van het plangebied c.q. totstandkoming van het onderhavige bestemmingsplan.

4.3 Luchtkwaliteit

4.3.1 Wettelijk kader Hoofdstuk 5 (met name onder titel 5.2) van de Wet milieubeheer bevat bepalingen over luchtkwaliteit. Dit hoofdstuk voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het Rijk, provincies en gemeenten werken in het NSL-programma samen aan maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren. Dit gebeurt zodanig dat voldaan wordt aan de daartoe gestelde normen, ook in gebieden waar nu de normen voor luchtkwaliteit niet worden gehaald (overschrijdingsgebieden). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Hierdoor kunnen ruimtelijke ontwikkelingen doorgang vinden, terwijl ondertussen maatregelen ter verbetering van de luchtkwaliteit worden uitgevoerd. Sinds 1 januari 2015 moet voldaan worden aan de Europese grenswaarden: voor stikstofdioxide (NO2) geldt een jaargemiddelde van 40 microgram/m³ (μg/m³), voor fijnstof (PM10) geldt een jaargemiddelde van 40 microgram/m³ en een daggemiddelde van 50 microgram/m³. Het daggemiddelde mag jaarlijks maximaal 35 keer worden overschreden. Voor jaargemiddelde concentratie voor PM2,5 geldt een grenswaarde van 25 microgram/m³. In Eindhoven is de jaargemiddelde concentratie voor PM2,5 overal lager dan 20 microgram/m³.

In artikel 4 van het 'Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' en de bijlagen van de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' is voor bepaalde categorieën projecten met getalsmatige grenzen vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate' bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Dit geldt o.a. voor woningbouwlocaties die niet meer dan 1500 nieuwe woningen omvatten in de situatie met 1 ontsluitingsweg. 43

Met het 'Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen)' wordt de vestiging van zogeheten 'gevoelige bestemmingen' in de nabijheid van provinciale en rijkswegen beperkt. Het besluit is gericht op de bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor stikstofdioxide en fijnstof. Het gaat met name om kinderen, ouderen en zieken. Het besluit voorziet in zones waarbinnen luchtkwaliteitsonderzoek nodig is als een 'gevoelige bestemmingen' wordt mogelijk gemaakt. Voor rijkswegen geldt een zone van 300 meter aan weerszijden en langs provinciale wegen 50 meter, gemeten vanaf de rand van de weg. In aanvulling op het Besluit gevoelige bestemmingen is er een Brabantse “Handreiking gevoelige bestemmingen luchtkwaliteit” opgesteld (maar in Eindhoven (nog) niet vastgesteld). Deze Handreiking heeft als uitgangspunt geheel nieuwe bestemmingen voor kinderen en ouderen (conform de AMvB gevoelige bestemmingen) niet te situeren binnen 50 meter van de wegrand van drukke gemeentelijke wegen (als eerstelijns bebouwing) of binnen 300 meter van snelwegen, ongeacht de berekende concentraties. Naast toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' en het 'Besluit gevoelige bestemmingen' dient op basis van artikel 3.1. Wro altijd te worden onderzocht of sprake is van een goede ruimtelijke ordening.

Die verplichting heeft in dit verband betrekking op situaties waarop het Besluit gevoelige bestemmingen niet ziet, maar die vanuit het oogpunt van goede ruimtelijke ordening onwenselijk zijn, bijvoorbeeld de bouw van woningen langs een snelweg of de bouw van een school langs een drukke binnenstedelijke weg. 4.3.2 Planbeschrijving en toetsing Het programma omvat de realisatie van 11 woningen en heeft een veel lagere verkeersaantrekkende functie dan 1.500 nieuwe woningen. Hierdoor valt het plan ruim onder de 3% grens voor PM10 of NO2. Het plan draagt dan ook ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging. Een toets aan grenswaarden voor luchtkwaliteit kan daarom achterwege blijven. Deze conclusie wordt bevestigd bij toepassing van de NIBM tool, waarbij voor de 11 woningen conform CROW normering (matig stedelijk, rest bebouwde kom) wordt uitgegaan van 8 extra dagelijkse verkeersbewegingen per woning, afgerond 100 in totaal :

Figuur 14: Worst-case berekening luchtkwaliteit

44

Het bouwplan binnen het plangebied voorziet niet in gevoelige bestemmingen, noch is het plangebied gelegen in de nabijheid van een provinciale of rijksweg. Om die reden vindt het Besluit gevoelige bestemmingen in dit gebied geen toepassing. In het kader van goede ruimtelijke ordening is middels raadpleging van de kaart van de monitoring van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) (www.nslmonitoring.nl/) geconcludeerd dat de concentraties luchtvervuilende stoffen in het plangebied onder de grenswaarden liggen.

Figuur 15 weergave luchtkwaliteitskaart

Het aspect luchtkwaliteit levert derhalve geen beperking en/of belemmeringen op aan de planontwikkeling. 4.3.3. Geur agrarisch Voor veehouderijen is de regelgeving ten aanzien van het specifieke aspect geur vastgelegd in de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Bij nieuwe planologische projecten in het kader van de Wet ruimtelijke ordening dient te worden gekeken naar de aanvaardbaarheid van deze plannen in verband met omliggende geurbronnen, de zogenaamde omgekeerde werking. In de omgeving van het plangebied bevinden zich geen veehouderijen of andere agrarische bedrijven met een geuruitstraling. Het is dan ook niet noodzakelijk om een geuronderzoek uit te voeren. Het aspect ‘geur agrarisch’ zorgt niet voor belemmeringen.

45

4.4 Externe veiligheid

4.4.1. Regelgeving Externe veiligheid betreft het risico dat aan bepaalde activiteiten is verbonden voor niet bij de activiteit betrokken personen. Het externe veiligheidsbeleid richt zich op het beheersen van risicovolle bedrijfsactiviteiten en van risicovol transport. Het gaat daarbij om de bescherming van individuele burgers en groepen tegen ongevallen met gevaarlijke stoffen. Het veiligheidsbeleid in Nederland is gebaseerd op een tweetal begrippen, het plaatsgebonden Risico (PR) en het groepsrisico (GR). Voor het PR geldt een “harde” grenswaarde van 10-6/jaar (PR10-6) die op kaart kan worden aangeduid met een contour. Binnen deze contour mogen geen kwetsbare objecten zoals woningen of scholen liggen. Er is in dit geval geen sprake van beleidsruimte voor het gemeentebestuur. Voor beperkt kwetsbare bestemmingen, zoals verspreid liggende woningen of kleine kantoren, geldt het PR niet als grenswaarde, maar als richtwaarde. Dit betekent dat op grond van zwaarwegende motieven van de norm mag worden afgeweken. Het GR kan niet “op de kaart” worden weergegeven, maar wordt weergegeven in een grafiek waar de kans (f) afgezet wordt tegen het aantal slachtoffers (N): de fN-curve. Het gemeentebestuur heeft beleidsruimte bij het toepassen van de hoogte van het groepsrisico bij ruimtelijke ontwikkelingen. Echter voor het groepsrisico geldt wel een verantwoordingsplicht.

Het bevoegd gezag (vrijwel altijd gemeentebestuur) dient binnen het invloedsgebied een afweging te maken tussen het belang van de ruimtelijke ontwikkeling ten opzichte van het risico dat een groep mensen komt te overlijden als gevolg van een ramp of incident met gevaarlijke stoffen. Ook eventueel te nemen maatregelen en restrisico's dienen in de verantwoording opgenomen te worden.

4.4.2. Beoordeling plangebied, risicobronnen De locatie van het plangebied waarop dit bestemmingsplan betrekking heeft ligt niet binnen de invloedsfeer van risicovolle inrichtingen en niet binnen de invloedsgebied van het vliegveld. Het plangebied ligt eveneens niet binnen het invloedsgebied van wegen, spoor-, waterwegen of buisleidingen waarover gevaarlijke stoffen worden getransporteerd. Aan de Europalaan is een LPG tankstation gelegen. In verband met het aspect externe veiligheid is van belang dat de woningen in het plangebied geheel buiten het invloedsgebied van het tankstation zijn gelegen. Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor personen buiten het bedrijfsterrein en verplicht gemeenten en provincies bij het verlenen van milieuvergunningen en het maken van bestemmingsplannen met externe veiligheid rekening te houden. Een LPG-tankstation is op basis van het Bevi (Besluit externe veiligheid een categoriale inrichting met een standaard invloedsgebied van 150 meter. Het plangebied is op een grotere afstand dan 150 meter van het LPG-tankstation gelegen. Er vindt wel over de Europalaan vervoer van LPG en vloeibare brandstoffen naar het tankstation plaats.

De omvang van dit vervoer is echter zodanig beperkt, dat er geen sprake is van een 10-6 contour voor het plaatsgebonden risico en het groepsrisico zeer ruim onder de oriëntatiewaarde blijft. Het LPG-tankstation vormt derhalve geen belemmering voor de ontwikkeling de woningen 46

Figuur 16: Weergave risicovolle inrichting

Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling.

4.5 Bodem Op basis van artikel 3.1.6 Besluit ruimtelijke ordening zijn gemeenten verplicht om in de toelichting bij een bestemmingsplan een paragraaf over de bodemkwaliteit op te nemen. In deze paragraaf dient gemotiveerd te worden of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van de bodem. Uitgangspunt van een goede ruimtelijke ordening is dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde bestemming en de daarin toegestane gebruiksvormen. Zo mag een eventuele aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico opleveren voor de gebruikers van de bodem en mag de bodemkwaliteit niet verslechteren door grondverzet. Ten behoeve van het planvoornemen is door Tritium Advies BV een Actualiserend bodem- en verkennend en nader asbestonderzoek uitgevoerd (documentnummer 2103/245/SF, d.d. 8 juli 2021). Het bodemonderzoek is als bijlage 4 bij deze toelichting opgenomen. Doel van het onderzoek is het vaststellen en actualiseren van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem (grond en grondwater) om te bepalen of op de locatie sprake is van bodemverontreiniging. Aanleiding voor het nader asbestonderzoek is het aantreffen van asbest in de bodem tijdens het verkennend onderzoek.

Doel van het onderzoek is het bepalen van het daadwerkelijke asbestgehalte om vast te stellen of de grond verontreinigd is met asbest en het vaststellen van de aard en omvang van de bodemverontreiniging met asbest.

47

In de rapportage zijn onderstaande conclusies en aanbevelingen opgenomen Er is sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging met koper, zink en asbest. De onderzoeksresultaten leveren vooralsnog een beperking op ten aanzien van de voorgenomen bestemmingswijziging en nieuwbouwplannen op de onderzoekslocatie. Geadviseerd wordt om de gevallen van ernstige bodemverontreiniging met zware metalen en asbest, zoals vastgesteld in onderhavige rapportage, voorafgaand aan de herontwikkeling te saneren. Tevens wordt geadviseerd de tijdens het nader asbestonderzoek uit 2012 [ad 2, zie tabel 2.3] aangetoonde bodemverontreinigingen met asbest te saneren. Opgemerkt wordt dat indien de locatie wordt ontwikkeld naar de functie ‘wonen met tuin’ er rekening mee dient te worden gehouden dat doorgaans de terugsaneerwaarde ‘wonen’ gehanteerd wordt en derhalve circa over 2.400 m2 gesaneerd dient te worden. De om de locatie geschikt te maken voor de functie wonen met tuin te saneren verontreinigingen, zijn weergegeven op de saneringstekening in bijlage 2.5. Opgemerkt wordt dat dit voorafgaand aan de sanering afgestemd dient te worden met het bevoegd gezag. Hiervoor dient een BUS-melding of een saneringsplan te worden opgesteld. Ook kan in dit stadium reeds met voorliggende rapportage een beschikking ernst en spoed worden aangevraagd bij het bevoegd gezag Wbb.

Indien grond wordt afgegraven (bijvoorbeeld bij bouwwerkzaamheden) en van de locatie wordt afgevoerd, dient er rekening mee te worden gehouden dat deze grond elders niet zonder meer toepasbaar is. Met betrekking tot het elders hergebruiken van grond zijn de regels van het Besluit bodemkwaliteit van toepassing, die doorgaans een grotere onderzoeksinspanning vereisen. Een indicatie van de hergebruiksmogelijkheden is weergegeven in hoofdstuk 5 van dit rapport.

De voorafgaand aan planrealisatie uit te voeren sanering is zorgvuldig ingekaderd, financieel getoetst en onderdeel geweest van de gesprekken met de grondeigenaren voorafgaand aan prijsbepaling en aankoop van de gronden. De saneringskosten zijn onderdeel van de grondexploitatie, welke aansluiting vind bij de gronduitgifteprijs van de gemeente. Het aspect bodemkwaliteit vormt na sanering aldus geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling.

4.6 Natuur

4.6.1 Natuurbeschermingsbeleid en – wetgeving Het natuurbeschermingsbeleid en de wet- en regelgeving op het gebied van flora en fauna kennen twee sporen, namelijk een gebiedsgericht en een soortgericht spoor. Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) van kracht. Deze vervangt drie wetten; de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en Faunawet. Ruimtelijke plannen dienen te worden beoordeeld op de uitvoerbaarheid in relatie tot voormelde actuele natuurwetgeving. Er mogen geen ontwikkelingen plaatsvinden die op onoverkomelijke bezwaren stuiten door effecten op flora en fauna en/of beschermde natuurgebieden. In navolgende paragrafen zal de toetsing van het voornemen plaatsvinden aan enerzijds de soortenbescherming en anderzijds de gebiedsbescherming. 48

4.6.2. Soortenbescherming In verband met de uitvoerbaarheid van bestemmingsplannen dient rekening te worden gehouden met soortenbescherming en met name de aanwezigheid van beschermde soorten in het plangebied. Door Regelink Ecologie & Landschap is een quickscan flora en fauna uitgevoerd, zoals beschreven in de rapportage Ecologische quickscan Dubbestraat-Boord, Nuenen d.d. 25 november 2021, hier bijlage 5. De Quickscan leidde tot navolgende conclusies: Natura 2000 gebieden De mogelijke negatieve effecten van de ingreep op Natura 2000 gebieden in nabijheid van het plangebied zijn door Tritium Advies onderzocht. De ingreep vindt niet plaats binnen het NNN. Aangezien het plangebied op voldoende afstand ligt met bebouwing, wegen en agrarisch landschap ertussen is er geen nadere toetsing aan het NNN nodig. Houtopstanden Omdat de te kappen bomen geen deel uitmaken van een houtopstand van meer dan 1000 m2 en ook geen onderdeel zijn van een rijbeplanting van meer dan 20 bomen die uit andere soorten bestaan dan populieren en wilgen is de Wet natuurbescherming niet van toepassing voor de houtopstanden. Een melding van de kapwerkzaamheden in het kader van de Wet natuurbescherming is niet nodig. Mogelijk zijn voor het kappen van de bomen nog wel gemeentelijke en/of provinciale verordeningen van toepassing. Uw gemeente kan u hier verder over inlichten.

Vogels Vogels zijn beschermd volgens het beschermingsregime van de Vogelrichtlijn. In het plangebied is steenuil te verwachten. Van deze vogelsoort is het nest jaarrond beschermd. Nader onderzoek volgens de richtlijnen van de betreffende kennisdocumenten (BIJ12, 2017) geeft inzicht in het voorkomen van deze soorten en de functie van het leefgebied voor deze soort. Er moet in beeld gebracht worden waar zich de locaties van nesten, rustplaatsen of (essentieel) functioneel leefgebied (zoals foerageergebieden) van de steenuil bevinden. Marterachtigen De genoemde soorten marterachtigen komen mogelijk voor in de directe omgeving van het plangebied. In de beplanting rondom de gebouwen zijn mogelijk tijdelijke rust- en verblijfplaatsen of leefgebied met voortplantingsplaatsen aanwezig. Bij de ingreep kunnen deze vernield worden en de daarin aanwezige jongen worden gedood. Door buiten de kwetsbare periode van wezel en hermelijn te werken is het vernielen van voortplantingsplaatsen en het doden van jongen te voorkomen. Deze kwetsbare periode loopt volgens de Handreiking kleine marters (Bouwens, 2017) van 15 maart tot 1 september. Het vernielen van tijdelijke rust- en verblijfplaatsen wordt daarmee echter niet voorkomen. Om na te gaan of deze aanwezig zijn moet er onderzoek naar het mogelijk voorkomen van de bunzing, hermelijn, wezel en steenmarter worden uitgevoerd.

Afhankelijk van de uitkomst van dit onderzoek kan het aanvragen van een ontheffing Wet natuurbescherming noodzakelijk zijn. Vleermuizen Vleermuizen zijn beschermd volgens het Beschermingsregime Habitatrichtlijn. Binnen het plangebied is potentie voor verblijfplaatsen, vliegroutes en foerageergebied voor vleermuissoorten zoals gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, kleine dwergvleermuis, rosse vleermuis, laatvlieger en gewone grootoorvleermuis. Het is noodzakelijk aanvullend onderzoek naar de aanwezigheid van deze vleermuissoorten in het plangebied te verrichten. Het verdient aanbeveling dit aanvullende onderzoek uit te voeren volgens het Vleermuisprotocol 2021 van het Netwerk Groene Bureau’s. Het Vleermuisprotocol geeft invulling aan de onderzoeksverplichting voortkomend uit de

49

Wet natuurbescherming. Aanvullend vleermuisonderzoek houdt in dat er vier bezoeken in de periode 15 mei t/m 15 juli en twee bezoeken in periode 15 augustus t/m 1 oktober aan het plangebied gebracht dienen te worden. Samenvatting Onderstaande tabel geeft een overzicht van de overtredingen van de Wet natuurbeheer ten gevolge van de ingreep en welke vervolgstappen nodig zijn voordat met de ingreep/werkzaamheden begonnen kan worden. Tabel 1: Overzicht overtredingen Wet natuurbeheer

Uit de ecologische quickscan blijkt dat in het plangebied mogelijk geschikte verblijfplaatsen voor onder andere gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en gewone grootoorvleermuis aanwezig zijn, geschikt leefgebied aanwezig is voor verschillende vleermuissoorten, geschikt leefgebied voor marterachtigen aanwezig is en een geschikte nestlocatie en leefgebied voor steenuil aanwezig is. Volgens de Wet natuurbescherming is het verplicht om onderzoek te doen naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna. Door Regelink Ecologie & Landschap is nader onderzoek uitgevoerd naar vleermuizen en marterachtigen, zoals beschreven in de rapportage Onderzoek vleermuizen en marterachtige Dubbestraat-Boord, Nuenen d.d. 21 januari 2022, hier bijlage 6. Dit onderzoek leidde tot de volgende conclusies: Algemeen

• •

Het onderzoek heeft plaatsgevonden volgens de richtlijnen uit het Vleermuisprotocol 2021 en De Handreiking Kleine Marterachtigen, waardoor gesteld kan worden dat het plangebied afdoende is geïnventariseerd. Voor het uitvoeren van de werkzaamheden is een ontheffing van de Wet natuurbescherming nodig.

Resultaten vleermuizen • Het plangebied fungeert als foerageergebied voor gewone dwergvleermuis, het betreft een niet essentieel foerageergebied. • In het plangebied zijn geen vliegroutes waargenomen. • In het kraamseizoen is een kraamverblijfplaats van 47 gewone dwergvleermuizen waargenomen. • In het plangebied is geen paarverblijfplaats aanwezig.

50

•

Er zijn geen aanwijzingen voor een winterverblijfplaats voor grotere aantallen dieren.

Resultaten marterachtigen • Het plangebied fungeert als leefgebied voor steenmarter en wezel. • In het plangebied zijn mogelijk voortplantingslocaties aanwezig van wezel. • In het plangebied zijn geen voortplantingslocaties aanwezig van steenmarter en bunzing. Effecten • Het vernietigen van een kraamverblijfplaats. • Het (tijdelijk) ongeschikt maken van leefgebied van steenmarter en wezel. • Het mogelijk (tijdelijk) ongeschikt maken van een voortplantingsplek van wezel. Toetsing • Met het uitvoeren van de werkzaamheden worden lid 1, 2 en 4 van artikel 3.5 en lid 1 en 2 van artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming overtreden. Vervolgstappen

• • •

Er dient een ontheffing van de Wet natuurbescherming te worden aangevraagd. Bij de ontheffingsaanvraag is er een wettelijk belang nodig én dient de staat van instandhouding niet te verslechteren door de ingreep. Het mitigatieplan dient hierbij als onderbouwing. Voordat de werkzaamheden uitgevoerd kunnen worden, dient een mitigatieplan opgesteld te worden. In dit plan staat beschreven op welke manier de negatieve effecten worden verzacht dan wel worden voorkomen. Na het verkrijgen van de ontheffing moet vaak een ecologisch werkprotocol worden opgesteld.

51

Door Regelink Ecologie & Landschap is nader onderzoek uitgevoerd naar steenuilen, zoals beschreven in de rapportage Soortgerichtonderzoek steenuil Dubbestraat-Boord, Nuenen d.d. 21 juli 2022, hier bijlage 7. Dit onderzoek leidde tot de volgende conclusies: Algemeen

• •

Het onderzoek heeft plaatsgevonden volgens de richtlijnen uit het Kennisdocument steenuil en het inventarisatieprotocol van het NGB, waardoor gesteld kan worden dat het plangebied afdoende is geïnventariseerd. Voor het uitvoeren van de werkzaamheden is geen ontheffing van de Wet natuurbescherming voor steenuil nodig.

Resultaten

•

Het plangebied wordt incidenteel gebruikt als leefgebied door steenuil.

Effecten • (Indirecte) effecten op foerageergebied /nestlocaties zijn niet aanwezig. Toetsing

•

Met het uitvoeren van de werkzaamheden wordt de Wet natuurbescherming voor steenuil niet overtreden.

Vervolgstappen

•

Ten behoeve van steenuil zijn geen nadere vervolgstappen benodigd.

Naar aanleiding van de beschreven vervolgstappen in de nader-/soortgerichte onderzoeken is door Regelink Ecologie & Landschap een mitigatieplan opgesteld en op 28 maart 2022 ter goedkeuring voorgelegd aan het bevoegd gezag om schade aan de beschermde soorten zoveel mogelijk te voorkomen dan wel te beperken. Op 20 april heeft het bevoegd gezag besloten om de gevraagde ontheffing te verlenen welke als richtlijn geldt (en waaraan wordt getoetst) alvorens wordt gestart met de ingrepen in het gebied. Conclusie In het kader van de zorgplicht (artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming) en het voorkomen van overtreding van verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming, moeten bij de geplande bouwwerkzaamheden voor de beschermde diersoorten mitigerende maatregelen worden getroffen. De maatregelen die worden getroffen zijn door Regelink Ecologie & Landschap beschreven in het rapportage Mitigatieplan vleermuizen en materachtigen Dubbestraat1, Nuenen, d.d. 28 maart 2023, hier als bijlage 12. Het mitigatieplan is ingediend bij het bevoegd gezag voor het verkrijgen van ontheffing voor de overtreding(en) van de verbodsbepaling(en) uit de Wet natuurbescherming.

Zolang het ontheffingsbesluit niet is verkregen en zodoende geen onderdeel vormt van het bestemmingsplanbesluit, geldt dat het aannemelijk is dat het ontheffingsbesluit kan worden verkregen aan de hand van het (bij het bevoegd gezag) ingediende mitigatieplan en dat daarmee aan de minimale eisen wordt voldaan voor de vergunningsverlening. 52

4.6.3 Gebiedsbescherming Voor wat betreft het aspect gebiedsbescherming kan worden vastgesteld dat het plangebied ligt op circa 7 kilometer van de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden en ruim 1 km van het dichtstbijzijnde Natuurnetwerk Brabant-gebied. Het plangebied ligt dus buiten de begrenzing van het Natuurnetwerk Brabant (NNB). De provincie Noord-Brabant hanteert geen externe werking als het gaat om NNB. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is op een afstand van 7 kilometer ten zuiden van het plangebied gelegen en betreft “Strabrechtse Heide & Beuven”. Natura 2000-gebieden kunnen schade ondervinden wegens diverse aspecten, zoals verdroging, oppervlakteverlies, verontreiniging, versnippering, optische verstoring, verzuring en vermesting. In onderhavige situatie is er sprake van een zeer beperkte woningbouwontwikkeling en wordt er geen (in)directe aantasting van instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden of van een effect op de kernkwaliteiten van het NNB verwacht. Een ‘nee tenzij-toets’ is niet noodzakelijk.

Figuur 17: Weergave plangebied en NNN alsmede N 2000 gebieden

Om voormelde verwachting ook wat betreft stikstofdepositie te kunnen onderbouwen is een Aerius berekening uitgevoerd, betreffende zowel de realisatiefase alsook de gebruiksfase, neergelegd in de rapportage van Tritium Advies BV, d.d. 16 februari 2023. Dit rapportage is opgenomen als bijlage 8 bij deze toelichting en leidt tot de conclusie: Uit de rekenresultaten van AERIUS Calculator 2022 blijkt dat er ten gevolge van het planvoornemen geen sprake is van stikstofdepositie waarbij significant negatieve effecten in Natura 2000-gebieden kunnen plaatsvinden ten gevolge van de gebruiksfase of aanlegfase. Bovendien moet worden opgemerkt dat er géén rekening is gehouden met interne saldering én de werkzaamheden in de aanlegfase volledig binnen één rekenjaar zijn gemodelleerd, waardoor worst-case scenario’s zijn berekend. De berekening toont aan dat het aspect stikstofdepositie geen beperkingen oplevert ten aanzien van het beoogde planvoornemen.

53

4.6.4 Conclusie In het kader van de zorgplicht (artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming) en het voorkomen van overtreding van verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming, moeten bij de geplande bouwwerkzaamheden voor de beschermde diersoorten mitigerende maatregelen worden getroffen. Zolang het ontheffingsbesluit niet is verkregen en zodoende geen onderdeel vormt van het bestemmingsplanbesluit, geldt dat het aannemelijk is dat het ontheffingsbesluit kan worden verkregen aan de hand van het (bij het bevoegd gezag) ingediende mitigatieplan en dat daarmee aan de minimale eisen wordt voldaan voor de vergunningsverlening.

4.7 M.e.r.-beoordeling

Toetsingskader Behalve aan de uitvoeringsaspecten bedoeld in de Awb en het Bro dient ook te worden getoetst aan de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r of er sprake is van een mogelijke verplichting tot het opstellen van een milieueffectrapportage. Een milieueffectrapportage (MER), en de bijbehorende procedure (m.e.r.), is een hulpmiddel om de belangen van het milieu volwaardig te betrekken bij de besluitvorming omtrent plannen en projecten. Het gaat hierbij wel enkel om plannen en projecten die kunnen leiden tot initiatieven waarmee het milieu mogelijk nadelig kan worden beïnvloed. Als uitgangspunt geldt voor plannen de onderstaande criteria om te beoordelen of een MER noodzakelijk is: • plannen die kaderstellend zijn voor toekomstige m.e.r.- (beoordelings)plichtige besluiten (boven de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r.); • plannen waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000-gebieden; • plannen en activiteiten die o.g.v. een provinciale verordening zijn aangewezen als MERplichtig. Per 1 april 2011 is het Besluit m.e.r gewijzigd. De belangrijkste aanleidingen hiervoor zijn de modernisering van de m.e.r wetgeving in 2010 en de uitspraak van het Europese Hof van 15 oktober 2009 (HvJ EG 15 oktober 2009, zaak C-255/08 – Commissie vs. Nederland).

Deze wijziging heeft gevolgen voor eerstgenoemd criterium om te beoordelen of een MER noodzakelijk is. Uit deze uitspraak volgt dat de omvang van een project niet het enige criterium mag zijn om wel of geen me.r.(-beoordeling) uit te voeren. Ook als een project onder de drempelwaarde uit de C- of D-lijst blijft, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een kwetsbaar natuurgebied ligt. Gemeenten en provincies moeten daarom per 1 april van 2011 ook bij 'kleine projecten' (projecten onder de drempelwaarden van de C- of D-lijst) beoordelen of een m.e.r.(-beoordeling) nodig is. Dit wordt de 'vormvrije m.e.r.-beoordeling' genoemd. Deze beoordeling houdt in dat er bekeken moet worden of er bij het initiatief sprake is van dusdanig bijzondere omstandigheden of milieueffecten dat er toch een MER moet worden opgesteld. Hierbij wordt gekeken naar de selectiecriteria uit bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn (2011/92/EU), welke o.a. de omvang van het project, de cumulatie met andere projecten en het gebruik van natuurlijke hulpbronnen betreffen. Op 7 juli 2017 is opnieuw een wijziging van het Besluit m.e.r. in werking getreden. Eén van de belangrijkste gevolgen van deze wetswijziging is dat het bevoegd gezag dient te beoordelen of het noodzakelijk is om een milieueffectrapportage op te stellen. De effecten van de 54

onderhavige bestemmingswijziging dienen door middel van een vormvrije m.e.r.-beoordeling in beeld te worden gebracht. Beoordeling Om te bepalen of een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is dient bepaald te worden of de ontwikkeling de drempelwaarden uit lijst D van het Besluit m.e.r. overschrijdt, of de ontwikkeling in een kwetsbaar gebied ligt en of er belangrijke milieugevolgen zijn. De in het kader van dit bestemmingsplan aan de orde zijnde planinvulling valt onder een stedelijke ontwikkeling zoals bedoeld in categorie D11.2 van het Besluit m.e.r. Het aantal woningen ligt echter ruim onder de drempelwaarde van 2.000 woningen. De voorgestane ontwikkeling binnen het plangebied past aldus ruimschoots binnen de genoemde drempelwaarden. Ten aanzien van het tweede criterium inzake een mogelijke MER-plicht, geldt dat er bij onderhavige situatie geen sprake is van een plan waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant effect op de Natura 2000-gebieden. Ten aanzien van het derde criterium geldt dat onderhavige activiteit niet is aangewezen als MER-plichtig op grond van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. Er is dus geen sprake van de verplichting tot het opstellen van een MER en het doorlopen van de bijbehorende procedure.

Uit deze - hier als bijlage 9 opgenomen - beoordeling volgt dat negatieve effecten voor het milieu zijn uit te sluiten. Een MER is niet noodzakelijk. De beslissing op de vormvrije m.e.r.beoordeling is voorafgaand aan het vrijgeven van het ontwerpbestemmingsplan genomen.

55

Hoofdstuk 5 Waterparagraaf

5.1 Inleiding Doel van de waterparagraaf is de component water in een zo vroeg mogelijk stadium te adresseren in het besluitvormingsproces van ruimtelijke plannen. De paragraaf beschrijft de huidige watersituatie in het plangebied. Daarnaast legt het vast aan welke watereisen ontwikkelingen, binnen de gestelde randvoorwaarden van het bestemmingsplan, moeten voldoen. Het doet dit door ruimtelijke plannen onder meer te toetsen aan " hydrologisch neutraal" conform landelijk en lokaal waterbeleid. Met deze waterparagraaf wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 3.1.6, lid 1, onder c, van het Besluit ruimtelijke ordening.

5.2 Beleid

5.2.1 Nationaal waterbeleid In de afgelopen decennia heeft Nederland meerdere keren te kampen gehad met wateroverlast. Dit heeft geresulteerd in een omslag in het waterbeleid en het denken over water. Het kabinet heeft in december 2000 voor het Waterbeleid 21e eeuw drie uitgangspunten opgesteld, te weten anticiperen in plaats van reageren, niet afwentelen van waterproblemen op het volgende stroomgebied, maar handelen volgens de drietrapsstrategie van vasthoudenbergen-afvoeren en meer ruimtelijke maatregelen naast technische ingrepen. Belangrijk onderdeel in het waterbeleid is de watertoets. Nieuwe plannen en projecten moeten worden getoetst aan de effecten op veiligheid, wateroverlast en verdroging. Ruimte die nu beschikbaar is voor de bescherming tegen overstromingen en wateroverlast mag niet sluipenderwijs verloren gaan bij de uitvoering van nieuwe projecten voor infrastructuur, woningbouw, landbouw of bedrijventerreinen. Het Waterbeleid 21e eeuw richt zich derhalve primair op het voorkomen van wateroverlast door overstroming vanwege veel neerslag in een korte tijd. Hieruit volgen richtlijnen voor de ruimtelijke inrichting van het gebied om wateroverlast tegen te gaan en de mogelijke technische maatregelen die kunnen worden ingezet, ingedeeld in de voorkeursvolgorde van vasthouden, bergen en afvoeren.

De doelstelling van deze maatregelen is een afvoer te krijgen die niet groter is dan de landbouwkundige afvoer. Op 22 december 2009 is de Waterwet in werking getreden. De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Een belangrijke verandering na het in werking treden van de Waterwet is de onderverdeling in het bevoegde gezag met betrekking tot directe en indirecte lozingen. Alle indirecte lozingen vallen onder het Wabo bevoegde gezag (gemeente en provincie). Alle directe lozingen vallen onder het bevoegde gezag voor de Waterwet (waterschappen voor de regionale wateren en Rijkswaterstaat voor de Rijkswateren). De directe lozingen vallen onder de Waterwet (Wtw). De indirecte lozingen zijn opgegaan in de Wet milieubeheer (Wm) en vallen inmiddels onder de omgevingsvergunning (Wabo). 56

5.2.2 Provinciaal beleid Het provinciaal beleid is onder andere verwoord in het ‘Provinciaal Milieu- en Waterplan 20162021’ (verder: PMWP). Het PMWP staat voor samenwerken aan Brabant waar iedereen prettig woont, werkt en leeft in een veilige en gezonde leefomgeving. Het plan vormt de strategische basis voor het Brabantse waterbeleid en waterbeheer, voor de korte en lange termijn. Het Waterplan houdt rekening met duurzaamheid en klimaatveranderingen. Het is een breed gedragen beleidsplan, omdat het tot stand is gekomen in nauwe samenwerking met veel belanghebbende (water)partijen in Brabant.

5.2.3 Beleid waterschap (De Dommel) Het plangebied valt binnen het beheersgebied van Waterschap De Dommel. Het waterbeleid van Waterschap De Dommel is neergelegd in het waterbeheerplan 2016-2021 'Waardevol water - samen meer waarde geven aan water' en is gebaseerd op Europese, nationale en provinciale regelgeving. Het waterbeheerplan is een strategisch document, afgestemd op de Europese Kaderrichtlijn Water, het Stroomgebiedsbeheerplan Maas, het Nationaal Waterplan en het Provinciaal Waterplan. Hierin staan de doelen en de wijze om deze te behalen weergegeven. De belangrijkste uitdagingen voor de komende planperiode zijn de volgende: • Voldoende water voor landbouw en natuur: gestreefd wordt naar voldoende water voor alle functies. Niet te veel en niet te weinig. Verdroging is een probleem voor zowel landbouw als natuur. De focus lag al op de aanpak van verdroging van natuurgebieden, maar wordt nu verbeed omdat ook de landbouw in toenemende mate kampt met verdroging. Dit vraagt om een integrale aanpak. Juist door de samenhang binnen een gebied als uitgangspunt te nemen en met alle stakeholders naar oplossingen te zoeken. • Kringloopdenken: het kringloopdenken wint steeds meer terrein in de maatschappij, ook op watergebied. Duurzaam ontwikkelen is van belang: voldoende en schoon water voor nu en later door op een andere manier met het water om te gaan.

Van lineair naar circulair. Schoon regenwater niet meer op het riool, grondstoffen halen uit het afvalwater, slootmaaisel gebruiken als organische stof voor de aangrenzende landerijen en gezuiverd afvalwater van bedrijven als aanvulling van het grond- en oppervlakte water. Dit is een nieuwe manier van werken. • Wateroverlast en hittestress: steeds vaker zien we foto's in de media van straten die blank staan na een hevige stortbui. Een direct gevolg van de klimatologische omstandigheden en steeds verdergaande verstening. Perioden van te veel (en te weinig) water doen zich steeds vaker voor. In de stedelijke omgeving is er voor plotselinge wateroverlast alleen een uitweg via het riool. Zoveel water kan het riool niet aan, waardoor straten en pleinen onder water komen te staan en riolen overstorten op het oppervlaktewater. Tegelijkertijd hebben steden in toenemende mate te kampen met hittestress. Op zomerse dagen wordt het zo warm dat mensen hier last van krijgen in hun functioneren. De gemeente gaat over de riolering en de inrichting van de leefomgeving. Het waterschap over de zuivering van het rioolwater. Gemeente en waterschap moeten op zoek naar de beste oplossing voor de watervraagstukken in de bebouwde omgeving. De vraag is hoe stedelijke inrichting en water met elkaar verbonden kunnen worden.

Dat biedt volop kansen; water als inspiratiebron voor stedelijke vernieuwingen een hoogwaardige leefomgeving. • Steeds meer ongewenste stoffen in het water zoals medicijnen: van elk medicijn dat we inslikken komt een deel in het riool terecht. Omdat we steeds meer medicijnen tot ons nemen, is hierdoor een potentiële bedreiging voor de waterkwaliteit ontstaan. Het waterschap is belast met de zuivering van het rioolwater, maar het medicijnvrij maken van rioolwater vergt vergaande technische aanpassingen en miljoeneninvesteringen. Het probleem bij de bron aanpakken betekent dat ook partijen als de farmaceutische industrie, verzorgingstehuizen en apothekers aan

57

zet zijn. Dit is een voorbeeld van hoe het waterschap ook met andere partners zoekt naar duurzame oplossingen. Dit geldt ook voor andere ongewenste stoffen in het water, zoals gewasen beschermingsmiddelen en nieuwe stoffen zoals microplastics en nanodeeltjes. • Vergroten waterbewustzijn: het waterbewustzijn in Nederland is laag (volgens het OESO-rapport van maart 2014 'Water governance in the Netherlands: fit for the future'). Het is van belang dat gebruikers zich bewust zijn van de waarden van het water en de inspanningen die hiervoor nodig zijn. Dit begint in de eigen leefomgeving.

Voor waterhuishoudkundige ingrepen in het plangebied is de 'Keur Waterschap De Dommel 2015' van toepassing. De Keur is een waterschapsverordening die gebods- en verbodsbepalingen bevat met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. In de keur is opgenomen dat het in beginsel verboden is om zonder vergunning neerslag door toename van het verhard oppervlak of door afkoppelen van de bestaande oppervlakte, tot afvoer naar een oppervlaktewaterlichaam te laten komen. Dit verbod is van toepassing tenzij: • • • •

het afkoppelen van het verhard oppervlak maximaal 10.000 m² is, of; de toename van het verhard oppervlak maximaal 500 m² is (wijziging 1 april 2021), of; de toename van het verhard oppervlak bestaat uit een groen dak; de toename van het verhard oppervlak tussen 500 m² en 10.000 m² is en compenserende maatregelen zijn getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan, in de vorm van een voorziening met een minimale retentiecapaciteit conform de rekenregel “Benodigde retentiecapaciteit (in m³) = toename verhard oppervlak (in m²) x gevoeligheidsfactor x 0,06”.

Daarbij dient de voorziening te voldoen aan de volgende voorschriften: • de bodem van de voorziening dient boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) te liggen; • de afvoer uit de voorziening via een functionele bodempassage naar het grondwater en/of via een functionele afvoerconstructie naar het oppervlaktewater plaatsvindt. Indien een afvoerconstructie wordt toegepast, dient deze een diameter van 4 cm te hebben; • daarnaast moet er altijd een overloopconstructie zijn, om uitspoeling naar de sloot te voorkomen.

58

De locatie is niet gelegen in een beschermd gebied of een attentiegebied als bedoeld in de Keur.

Figuur 18: Kaart Keur

5.2.4 Beleid gemeente Waterplan Nuenen Het waterbeleid van de gemeente Nuenen c.a. is vastgelegd in het Waterplan Nuenen middels een aantal basisprincipes: • zo weinig mogelijk waterverontreiniging; • op natuurlijke wijze reinigen voordat het de beken en rivieren in stroomt als er toch waterverontreiniging voorkomt; • beken behoeden voor te grote toestroom van neerslag in korte tijd. Dit betekent dat binnen en in de directe nabijheid van de stad en de dorpen het (regen)water moet worden geïnfiltreerd en tijdelijk worden geborgen (vasthouden), uiteraard zonder te zorgen voor overlast of schade. Uitgangspunt in het huidige beleid van gemeente is dat planontwikkeling moet aansluiten bij een duurzaam integraal waterbeheer. Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan (vGRP) Het waterbeleid van de gemeente Nuenen is vastgelegd in het Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2019 – 2023. Hierin staan beleid voornemens en maatregelen voor inzameling, transport en (lokale) verwerking van afval-, hemel- en grondwater en het vormt het beleidskader voor de uitvoering van de ‘verbrede’ watertaken. Naast de zorgplicht voor stedelijk afvalwater is er ook de zorgplicht voor afstromend hemelwater en grondwater in gewaarborgd. 59

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13240094/1